← Nederland

Meer samenleven Wmo beleidsplan 2012-2014 (Tubbergen)

In het kort

Dit beleidsplan van de gemeente Tubbergen voor 2012-2014 beschrijft hoe de gemeente haar rol als ondersteuner invult binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), waarbij de eigen verantwoordelijkheid van de burger centraal staat. Het plan introduceert een "kapstok" om keuzes te maken en verantwoording af te leggen over de ondersteuning.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Wmo beleidsplan Meer samenleven 2011-2014 gemeente TubbergenDe raad van de gemeente Tubbergen, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 23 februari 2012, nr. 10A; gelet op het advies van de commissie Samenleving en bestuur van 13 februari 2012; gelet op het bepaalde in artikel 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning. B E S L U I T: het Wmo beleidsplan `Meer samenleven` 2012-2014” gemeente Tubbergen vast te stellen waarin een kapstok voor de rol van ondersteuner als basis voor het handelen van de gemeente Tubbergen wordt gegeven. Aldus besloten in de openbare vergadering van 5 maart 2012 de griffier, de voorzitter,F.G.S. Droste mr. M.K.M. StegersMeer samenleven Wmo beleidsplan 2012-2014 gemeente Tubbergen November 2012 Voorwoord Voor u ligt het beleidsplan Wmo bestaande uit een lokale oplegger van de gemeente Tubbergen en de subregionale kadernota, die in samenwerking met de gemeenten Rijssen-Holten, Wierden, Twenterand en Hellendoorn tot stand is gekomen. Één van de thema´s die in de subregionale Wmo-beleidsnota 2011-2014 wordt beschreven is de Kanteling in de Wmo. Met Kanteling in de Wmo wordt kort gezegd bedoeld: van claimcultuur (ik heb recht op een voorziening) naar resultaatverplichting (hoe kan ik mijn probleem oplossen). Het is een project dat vanuit de VNG wordt geïnitieerd en ondersteund. Daarnaast zijn de overheveling van de functie Begeleiding, de transitie van de Wet op de Jeugdzorg en de inwerkingtreding van de Wet Werken naar Vermogen speerpunten voor de komende jaren. Ook de noodzakelijke bezuinigingen spelen in het geheel een niet onbelangrijke rol. Al deze thema´s hebben één gemeenschappelijk uitgangspunt: de samenleving/burger zal meer verantwoordelijk moeten worden voor het oplossen van de eigen problemen en de gemeente biedt ondersteuning wanneer de samenleving/burger zijn verantwoordelijkheid niet (volledig) kan nemen. Alleen dan kan, rekening houdend met bezuinigingen en een groter wordende groep burgers die ondersteuning nodig heeft, de steun voor de zwakkeren in de samenleving gewaarborgd worden. Kort gezegd gaat de subregionale kadernota over: wat gaan we doen, de lokale oplegger over het hoe. 2 november 2011 Wethouder Tom Vleerbos Inleiding In de regionale Wmo-beleidsnota wordt uiteengezet welke ontwikkelingen de komende jaren op ons afkomen. In deze lokale oplegger van de regionale beleidsnota geven wij aan hoe wij deze veranderingen vorm willen geven d.m.v. een visie op de ondersteunende rol. Een visie op basis waarvan wij keuzes kunnen en willen maken ten aanzien van beleid op deze specifieke onderwerpen maar ook t.a.v. bestaand beleid op het gebied van de prestatievelden binnen de Wmo. Een visie die ook de samenhang tussen prestatievelden aangeeft en de relatie legt met het coalitieakkoord. Bewust is gekozen om, in tegenstelling tot het vorige wmo-beleidsplan, geen doelstellingen te herhalen die al in andere notities en plannen zijn vastgelegd. In plaats daarvan is per prestatieveld een overzicht bijgevoegd van ons huidige en toekomstig beleid en de onderliggende (te ontwikkelen) plannen (zie bijlage 2). Achtereenvolgens wordt uiteengezet welke rollen de gemeente heeft als dienstverlenende organisatie voor de samenleving, welke veranderingen gaande zijn betreffende de rollen en hoe de gemeente de ondersteunende rol op een geloofwaardige manier en als betrouwbare partner in zal moeten vullen. Een proces welke niet van de één op de andere dag gerealiseerd is. Een proces ook van vallen en opstaan. De rollen van de gemeente De gemeente heeft, als vertegenwoordiger van de gemeenschap in Tubbergen, van oudsher drie rollen, al dan niet opgelegd dan wel aangenomen: handhaver zoals bij vergunningen, toetser zoals bij uitkeringen (WWB), stimulator zoals bij subsidies (welzijn en sport). Sinds de komst van de Wmo in 2007 hebben gemeenten een vierde rol gekregen: de rol van ondersteuner. Ook onze visie `minder overheid, meer samenleving` zorgt voor een verandering naar een meer ondersteunende rol van de gemeente, zowel bestuurlijk als ambtelijk. Uitgangspunt is de eigen kracht van de samenleving en haar burgers (zelfredzaam, veerkrachtig en vitaal). Iedere burger is zelf verantwoordelijk voor zijn/haar eigen leven dat zich afspeelt in die samenleving. Daarmee is een kentering ontstaan in denken en handelen. Daar waar de gemeente in de rollen handhaven, toetsen en stimuleren probleemeigenaar is, ligt in de rol van ondersteuner het probleem bij de gemeenschap c.q. de individuele burger. De rol van ondersteuner wordt de komende jaren steeds groter ten opzichte van de andere rollen. De rol van toetser zal kleiner worden (de Kanteling in de Wmo), de rol van de handhaver zal kleiner worden als gevolg van. verdere deregulering en ook de rol van stimulator zal in het licht van wijziging van het subsidiebeleid veranderen in de rol van ondersteuner. De verandering van rollen is waarneembaar in nieuwe ontwikkelingen zoals de overheveling van de AWBZ-begeleiding, de overheveling van de Wet op de Jeugdzorg, de nieuwe gezondheidsnota en de Wet Werken naar Vermogen; deze ontwikkelingen zorgen voor een steeds groter wordende rol van ondersteuner. Door de verantwoordelijkheid nadrukkelijk bij de samenleving c.q. de individuele burger te leggen kunnen wij de samenleving ook aanspreken op de verantwoordelijkheid voor het oplossen van het probleem; de samenleving is probleemeigenaar. Ingegeven door onder meer de bezuinigingen doen wij dit al. De samenleving c.q. burger is duidelijk nog niet gewend aan de rolwisseling en ziet de gemeente nog altijd te veel in de rollen van handhaver, toetser en stimulator met de daarbij behorende verwachtingen. De samenleving zal moeten wennen aan de rol van ondersteuner. Het duidelijk en consistent uitdragen van de nieuwe rol in zowel uitstraling als gedrag is hierin essentieel om een geloofwaardige en betrouwbare overheid te kunnen zijn. Intern binnen de gemeente zijn bestuur en ambtenaren volop bezig een invulling te geven aan deze rol. De vraag is: hoe nemen wij de gemeenschap mee in ons proces van veranderen en hoe dragen wij de rol van ondersteuner uit. De rol van ondersteuner is in de Wmo het meest herkenbaar. De gemeente Tubbergen doet al veel op het gebied van de verschillende prestatievelden. Op verschillende onderdelen worden in beleidsdocumenten doelen en resultaten beschreven, echter nog vaak vanuit de rol van stimulator (zie overzicht in bijlage 1). In de Wmo en daarmee het Wmo beleidsplan staat het ondersteunen centraal. Doel van het Wmo beleidsplan is om samenhang in beleid te bewerkstelligen en dient als basis om ons te kunnen verantwoorden voor de beleidskeuzes. Het Wmo-beleidsplan dient dan ook als een kapstok waarmee verbindingen tussen verschillende beleidsterreinen en prestatievelden gemaakt kunnen worden. Maar ook een kapstok waaraan getoetst kan worden. De kapstok voor de Wmo Het probleem als uitgangspunt De samenleving bepaalt wanneer de ondersteunende rol van de gemeente gevraagd is door het aangeven van een probleem. Vanuit de probleemstelling kan een resultaat worden geformuleerd, want het probleem is de huidige situatie en het resultaat de wenselijke situatie. In sommige gevallen is de vraag naar ondersteuning direct (zoals bij een subsidieaanvraag of een aanvraag voor een individuele voorziening) en soms indirect zoals bij de vraag naar een gezonde samenleving (GGD, alcoholbeleid). Bij een indirecte vraag naar ondersteuning ziet de samenleving niet direct de noodzaak voor ondersteuning, maar deze is er wel degelijk. Startpunt is dan ook de vraag of er sprake is van een probleem. Ondersteuning is gericht op het oplossen van een probleem. Een aanvraag voor (project)subsidie of een aanvraag bij het Wmo-loket zal dan ook eerst als probleem gedefinieerd moeten worden. De eerste vraag is dan ook: wat is het probleem. Wanneer het probleem helder is, wordt, vanuit het `eigen kracht`-principe in eerste instantie bekeken of de samenleving/burger zelf in staat is zijn/haar probleem op te lossen. De ondersteuning vanuit de gemeente is altijd een aanvulling op de eigen mogelijkheden om problemen op te lossen en de aanvrager wordt in staat gesteld zijn/haar verantwoordelijkheid te nemen. Belangrijk is, dat het probleem van de samenleving serieus genomen moet worden. Probleemeigenaar Wanneer duidelijk is wat het probleem is kan vastgesteld worden wie de probleemeigenaar is. Bij directe vraag naar ondersteuning is de samenleving (een groep of een individu) de probleemeigenaar. Bij een indirecte vraag neemt de gemeente als vertegenwoordiger van de gemeenschap het probleemeigenaarschap in eerste instantie van de samenleving over. Wie is verantwoordelijk Los van de vraag, wie probleemeigenaar is, is er sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het oplossen van het probleem. De mate van verantwoordelijkheid kan worden uitgezet in een schaal van 1 tot 10, waarbij 1 een hoge mate van verantwoordelijkheid voor de gemeente en 10 een hoge mate van verantwoordelijkheid voor de samenleving c.q. de burger inhoudt. In de rol van ondersteuning zal de mate van verantwoordelijkheid -afhankelijk van het probleem en bij wie de behoefte ligt om dit op te lossen- liggen tussen de 3 en de 7. Hoe groter de mate van verantwoordelijkheid voor de gemeente is des te groter zal de bijdrage zijn in het behalen van het resultaat. De mate van verantwoordelijkheid zal ook de keuze voor een eventuele financiële bijdrage bepalen. De noodzaak voor financiering door de gemeente zal minder groot zijn naarmate de verantwoordelijkheid meer bij de samenleving ligt. Dit gaat niet altijd op, omdat de gemeente ook een taak heeft de samenleving te vertegenwoordigen. De mate van verantwoordelijkheid kan een hulpmiddel zijn voor de gemeenteraad bij zijn kaderstelling. Ook in de rollen handhaver, toetser en stimulator kan de mate van verantwoordelijkheid worden bepaald. In de handhaversrol en toetsersrol ligt de mate van verantwoordelijkheid bij de gemeente (tussen de 0 en 3). De samenleving/burger neemt een passieve houding aan. De rol van stimulator kan worden gepositioneerd vanaf 7 en hierbij zal de samenleving zich actief opstellen. De bijdrage in het behalen van het resultaat Vanuit de mate van inspanning kan ook bepaald worden welke gezamenlijke bijdrage geleverd moet worden in het bereiken van het resultaat. Ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeente/gemeenschap dan zal de meeste bijdrage van de gemeente verwacht worden (passieve rol samenleving). Ligt de verantwoordelijkheid bij de samenleving/burger dan wordt verwacht dat zij de meeste bijdrage leveren (actieve rol). In de rol van ondersteuner is er sprake van een gezamenlijke bijdrage. Het bepalen van de bijdrage is dus afhankelijk van de mate van verantwoordelijkheid. In de ondersteunende rol is duidelijkheid over de te leveren bijdrage van belang voor een goede samenwerking. Hoe kan het resultaat worden behaald Na het vaststellen van het probleem en het vaststellen van het resultaat kan worden bepaald hoe het resultaat kan worden behaald. Ondersteuning van de zijde van de gemeente is altijd in aanvulling op de eigen mogelijkheden (vanuit het “eigen kracht”-principe) van de samenleving/burger en dus zal eerst bekeken worden wat de samenleving/burger kan bijdragen. Daarna kan bepaald worden welke aanvullende ondersteuning noodzakelijk is. Wie gaat de oplossing betalen Nadat duidelijk is hoe het resultaat kan worden behaald, kan bepaald worden wie de kosten moet gaan betalen: de samenleving/burger of de gemeente als vertegenwoordiger van de gemeenschap. Een belangrijke toevoeging is, dat ook de kosten voor het behalen van het resultaat de mate van verantwoordelijkheid mede bepalen. De kosten voor het bereiken van het resultaat kunnen dusdanig hoog zijn, dat deze niet in verhouding staan met het te behalen resultaat: disproportionaliteit. Omdat er altijd sprake zal zijn van een gezamenlijke verantwoordelijk en bijdrage zullen ook de kosten gezamenlijk gedragen moeten worden. Samenvattend: Door het probleem van de samenleving/burger centraal te stellen wordt deze niet alleen serieus genomen maar kunnen ook afspraken gemaakt worden over de te bereiken resultaten van de ondersteuning. Daarnaast wordt de samenleving/burger mede verantwoordelijk voor het bereiken van de resultaten en de financiering ervan. Tevens kan de gemeente ten allen tijde verantwoording afleggen over de gemaakte keuzes. De kapstok voor de rol als ondersteuner is dan ook: wat is het probleem/te behalen resultaat?; wie is probleemeigenaar?; wie is in welke mate verantwoordelijk voor het bereiken van het resultaat?; welke oplossing(en) dragen bij aan het behalen van het resultaat?; wat kan de samenleving/burger zelf bijdragen aan het behalen van het resultaat?; wie gaan de oplossing(en) betalen. In bijlage 1 worden enkele voorbeelden beschreven hoe de ondersteunende rol vormgegeven wordt in de praktijk binnen team Maatschappelijke Ontwikkeling. Verantwoording De gemeenteraad is kaderstellend voor de mate van ondersteuning door de gemeente en mag van het college verwachten, dat aangegeven wordt welke problemen in de samenleving spelen. De raad bepaalt vervolgens de mate van verantwoordelijkheid voor de gemeente en geeft hiermee het college de speelruimte om de rol van ondersteuner op een goede manier in te vullen. Daarnaast geeft de raad de financiële kaders aan voor de financiële bijdrage van de gemeente in de te behalen resultaten. De kapstok zorgt naast een congruente en consistente werkwijze ook voor een model voor verantwoording richting de raad en daarmee de samenleving. De Wmo van 2012 – 2014 Niet alleen de samenleving zal moeten wennen aan de nieuwe rol. Herkenning van de verschillende rollen en er naar handelen is essentieel voor de geloofwaardigheid van de gemeente. Ook wij als gemeente zullen de rol van ondersteuner op een goede en geloofwaardige manier moeten invullen en uitdragen. Dit is een proces van jaren. De Wmo geeft hiertoe voldoende handvaten welke in dit beleidsplan zijn vertaald naar een werkbaar model. In eerste instantie zal het team Maatschappelijke Ontwikkeling, zowel beleid als zorgloket, de nieuwe rol moeten leren (herkennen), er naar handelen en deze uitdragen. Ook het management, andere afdelingen, het college en de raad moeten zich bewust worden van de rol van ondersteuner naast de andere rollen en zich deze werkwijze eigen maken en er naar handelen. Alleen dan kan de samenleving wennen aan het werken vanuit de ondersteunende rol van de gemeente. Voor nieuwe ontwikkelingen en nieuw beleid zal de kapstok als methodiek worden gebruikt. Daarnaast zal getracht worden bestaand beleid te verantwoorden met behulp van de kapstok. Samenhang in de Wmo Door het probleem en de te behalen resultaten als uitgangspunt te nemen kan bestaand en nieuw beleid in samenhang met elkaar worden gezien. Welke verantwoordelijkheid heeft de gemeente en de samenleving voor het behalen van resultaten en wie gaan de oplossingen betalen. Moeten wij bijvoorbeeld nog wel de bibliotheek in stand houden of de sport stimuleren? Kennelijk vinden wij dat de gemeente hierin een grotere mate van verantwoordelijkheid heeft en dat wij daarom namens de gemeenschap deze voorzieningen in stand houden. Keuzes die vanuit de mate van verantwoordelijkheid logisch zijn en verantwoord kunnen worden. Bezuinigingen hierop kunnen verantwoord worden uit de conclusie, dat de financiële bijdrage meer door de samenleving geleverd moet worden. De gemeentelijke organisatie De in deze notitie uitgezette denkwijze zal ook consequenties hebben voor de gemeentelijke organisatie. Ook hier zal kritisch gekeken moeten worden naar de consequenties voor de dienstverlening, de processen, de structuur en de competenties van medewerkers. Meer samenlevenWmo beleidsplan gemeente Tubbergen 2012-2014 Bijlage 1: Voorbeelden Kanteling Wet Maatschappelijke Ondersteuning Combinatiefunctionarissen Combinatiefunctionarissen vormen een voorbeeld, waarbij wij de verantwoordelijkheid bij de partijen in het veld hebben gelegd om zelf plannen in te dienen. De partijen werden daarmee tevens probleemeigenaar; de gemeente gaat niet zelf plannen maken maar informeren over de mogelijkheden van combinatiefunctionarissen. Daarbij duidelijk makend, dat de gemeente geen probleemeigenaar is of wordt en dat de verantwoordelijkheid duidelijk bij de samenleving ligt. Uiteindelijk moet de samenleving de meerwaarde van combinatiefunctionarissen zelf inzien. Na enige aarzeling van het veld was duidelijk waarneembaar dat de partijen hun verantwoordelijkheid oppakten. Verschillende partijen hebben elkaar gevonden en hebben gezamenlijk plannen ingediend voor combinatiefunctionarissen. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een formatie van bijna drie combinatiefunctionarissen. Ook wat betreft financiering is sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid; de combinatiefunctionaris wordt deels door de partijen gefinancierd en deels door de gemeente via een rijkssubsidie. Judo in de Zorg Judovereniging THAG heeft zelf geconstateerd, dat kinderen met een beperking in de gemeente Tubbergen moeilijk kunnen deelnemen aan sportactiviteiten als gevolg van hun handicap. De vereniging heeft het initiatief genomen om het programma Judo in de Zorg op te starten. In plaats van eerst aan de gemeente een bijdrage te vragen hebben zij eerst naar de eigen mogelijkheden gekeken. Judoleraren hebben een cursus gevolgd, leden zijn voor de realiseren van het project meer contributie gaan betalen en eigen leden zijn als vrijwilliger deel gaan nemen in het project. Na alle eigen mogelijkheden te hebben benut en bleek, dat de begroting niet sluitend was, is de gemeente gevraagd een bijdrage te leveren (aanvulling op de eigen mogelijkheden). De kapstok is hierin duidelijk herkenbaar. Probleem: kinderen met een beperking kunnen als gevolg van hun handicap niet deelnemen aan reguliere judolessen en vragen een andere vorm van begeleiding De Judovereniging is probleemeigenaar De Judovereniging heeft een hoge mate van verantwoordelijkheid genomen In het ingediende plan zijn mogelijke oplossing benoemd De Judovereniging heeft eerst binnen haar eigen mogelijkheden gezocht naar financiering voor het project: verhoging contributie, eigen middelen, inzet van vrijwilligers, opleiden judoleraar In aanvulling op de eigen mogelijkheden heeft de gemeente bijgedragen in de kosten voor het project. Één van de argumenten om een subsidie beschikbaar te stellen was, naast het feit, dat de gemeente een verantwoordelijkheid had voor het probleem, het nemen van de eigen verantwoordelijkheid door de judovereniging geweest. Gebiedsontwikkeling Woonservicegebieden In april 2011 is het plan Gebiedsontwikkeling Woonservicegebieden Tubbergen 2011-2015 door de gemeenteraad vastgesteld. Samen met de samenleving zijn doelstellingen geformuleerd op het gebied van leefbaarheid in de negen kernen. In elke kern zullen in 2015 basisvoorzieningen zoals een gemeenschapshuis, een basisschool en kinderopvang, openbaar vervoer en basisinzet van en voor mensen met een lichte beperking die langer zelfstandig thuis willen blijven wonen gerealiseerd moeten zijn. Daarnaast zijn in de kernen Tubbergen, Albergen en Geesteren plusvoorzieningen benoemd. Het plan is tot stand gekomen met als uitgangspunt, dat de samenleving probleemeigenaar is en verantwoordelijk is voor het oplossen van het probleem. Wanneer de samenleving geen probleem ervaart of geen initiatieven neemt in het oplossen zal de gemeente hierin geen bijdrage leveren. De samenleving zal dan ook zelf met plannen moeten komen, waarbij bekeken zal worden of en hoeveel bijdrage door de gemeente geleverd moet worden. Ook hierin speelt de gemeente de rol van ondersteuner en kiest bewust voor het neerleggen van het probleemeigenaarschap bij de samenleving. Bijlage 2 Domein Prestatieveld Activiteiten Subsidie voor: Plannen/notities Te bereiken resultaten Tijdpad Domein 1: Leefbaarheid

(1)- Volksgezondheid - Actiepunten lokaal - Lokaal - In 2012 is de lokale 2012 Samenleven algemeen gezondheidsbeleid gezondheidsbeleid in gezondheidsnota in buurt ontwikkeling vastgesteld en dorp - Realiseren doelstelling 2012- lokale gezondheidsnota 2014 - Budgetsubsidie GGD - Jaarplan en - De GGD voert de 2014 aandeel Tubbergen begroting GGD wettelijke taken op het - Programma GGD gebied van gezondheids-beleid uit voor de gemeente Tubbergen - Afkoopsom - Regionale afspraak - Optimale spreiding Ambulance Oost ambulanceplan ambulancezorg over werkgebied - Collectieve preventie - Regionaal plan - Lokale vertaling regionaal 2014 GGZ beleidskader collectieve preventie plan collectieve preventie GGZ GGZ (uitvoering PPT) - Welzijnswerk - Uitvoering sociaal- - Prestatieafspraken - Stichting Welzijn 2011- cultureel werk SWT Tubbergen wordt 2014 gesubsidieerd op basis van vooraf bepaalde resultaten - Dorpsraden - Uitvoering - Werkplannen - Elke dorpsraad wordt 2014 relatiebeheer en PR met dorpsraden dorpsraden en dorpsplannen gefaciliteerd zodat zij haar taken kan uitvoeren. - Voortgangsbewaking - Subsidie dorpsraden - Werkconferentie tussen gemeente en dorpsraden - Leefbaarheidplannen - Opstellen dorpsplan+ - Coalitieakkoord - De doelstelling van het 2014 (DOP+) en uitvoering 2010-2014 beleidsplan Dorpsplan+ worden behaald - Beleidsplan - De prestatieafspraken 2014 Dorpsplan+ en prestatieafspraken Provincie met de Provincie worden nagekomen. - Stimulering sport - Contributies en - Coalitieakkoord - Iedere burger kan 2014 lidmaatschappen VSG 2010-2014 deelnemen aan sportactiviteiten - Sportbeoefening - Coalitieakkoord 2010-2014 - Sportverenigingen - De sportraad is verantwoordelijk voor de verdeling van de subsidie onder sportverenigingen. - Vooruitbetaalde - Er is 3,7 FTE formatie 2012- rijksbijdrage combinatiefuncties combinatiefunctionaris Sport en Cultuur in 2014 Tubbergen werkzaam - Sporthal kern - Instandhouden - Coalitieakkoord - De sporthal in Tubbergen Tubbergen sporthal 2010-2014 is verzelfstandigd - De nieuw te bouwen sporthal is gereed en voldoet aan de behoeften van de scholen en verenigingen - Overdekt zwembad - Instandhouden - Coalitieakkoord - Het zwembad is 2014 zwembad 2010-2014 verzelfstandigd - Multifunctionele - Realisering - Coalitieakkoord - Buitensportaccommodaties 2014 accommodaties nieuwbouwprojecten 2010-2014 worden beheerd door een - Plannen particulier beheersstichting waarin initiatief de betrokken sportverenigingen participeren - Exploitatiesubsidies dorpshuizen - Realisering noodzakelijke voorzieningen - In stand houden dorpsaccommodaties - Huisvestings- en - Klokuurvergoeding - Plan integrale - Voldoende kwalitatieve 2011- inrichtingsvoorzieningen onderwijshuisvesting onderwijsvoorzieningen 2014 bijzonder primair onderwijs - Kunst en cultuur - Aankoop - Alle gemeentelijke 2012 kunstwerken kunstwerken in openbare ruimten zijn overgedragen aan de gemeenschap - Inhuur deskundigheid en specialismen - Subsidies - Projectplan `Kultur met en 2012 verenigingen zonder hus` is gerealiseerd en wordt geëxploiteerd door de Stichting Bibliotheken Tubbergen zonder structurele financiële bijdrage van de gemeente - Er is minimaal 3,7 FTE 2012 formatie combinatiefunctionaris Sport en Cultuur in Tubbergen. - Openbare bibliotheek - Subsidie Stichting - Coalitieakkoord - bereikbaar en toegankelijk 2014 Bibliotheek 2010-2014 bibliotheek voor iedereen; - Projectsubsidie - Prestatieafspraken - bevorderen samenwerking 2014 exploitatie Bibliotheek tussen scholen en mediatheken bibliotheek - Muziekschool - Subsidiëren - Coalitieakkoord - In alle kernen is 2014 De Muziekschool Twente 2010-2014 muziekonderwijs beschikbaar - Prestatieafspraken - De muziekverenigingen Muziekschool kunnen gebruik maken van de muziekschool voor ondersteuning en muzieklessen - Lokaal onderwijsbeleid - Logopedie - Actiepunten - Voldoende onderwijs- 2014 Jeugdagenda accommodaties in dorpen - Bijdrage bedrijvencontactdag - Kinderopvang / - Toezicht, handhaving - Integraal buitenschoolse opvang Hygiënebegeleiding huisvestingsplan - Peuterspeelzaalwerk - 95% van de kinderen in 2014 Tubbergen bezoekt een vorm van kinderopvang - VVE - Alle kinderen die de peuteropvang bezoeken krijgen VVE aangeboden. - OKE wetgeving - Kinderen die uitvallen op - Dreumesgroep één van de ontwikkelings- gebieden krijgen extra dagdelen VVE aangebo-den. - Lokaal jeugdbeleid - Onderhoud en - Prestatieafspraken - De actiepunten van de 2014 stalling JIP-bus SWT jeugdagenda worden uitgevoerd. - Voorlichtingsavonden jongeren - Uitvoering - Jeugdagenda - Het convenant jeugdbeleid Jeugdagenda wordt uitgevoerd en nageleefd - Subsidies jeugdverenigingen - Uitvoering convenant - Convenant 2011- gemeente/provincie jeugdbeleid 2014 gemeente/provincie - Preventief jeugdbeleid - Leerlingenvervoer - Vergoeding - Programma van - Iedere leerling, die aan de 2011- vervoerskosten eisen Europese criteria voldoet kan 2014 aanbesteding gebruik maken van leerlingenvervoer - Medische kosten Participatie
(5)- Maatschappelijke zorg - Stichting Amw Noord - Prestatieafspraken - Iedere inwoner van 2011- West Twente Stichting Amw Noord Tubbergen kan een 2014 West Twente beroep doen op de diensten van het AMW - Kleine subsidies - stichtingen - Het AMW wordt als basisvoorziening gesubsidieerd op basis van geleverde prestaties - Met het AMW zijn heldere prestaties vastgelegd in 2011- een uitvoeringsovereen-komst 2014 - De gemeente heeft inzichtelijk welke dienstverlening wordt geleverd door het AMW - Seniorenbeleid - Ouderenwerk SWT - Prestatieafspraken - SWT wordt op basis van 2011- - Ouderenbonden, SWT geleverde prestaties 2014 raden en commissies gesubsidieerd - Het dienstenaanbod van sluit aan bij de behoeften van de senioren - Overheveling AWBZ - Implementatie- en - Regionale - Alternatief beleid 2011- begeleiding nader door het Rijk startnotitie ontwikkelen voor collectief 2014 vast te stellen overheveling AWBZ georganiseerde begeleiding ondersteuning ter voorkoming c.q. vermindering van individuele aanspraken - Gelden voor individuele begeleiding nader door het Rijk vast te stellen op basis van historisch budget - Wmo - WMO Adviesraad - Verordening Wmo - De Wmo adviesraad is een 2011- algemeen/projecten adviesraad afspiegeling van de 2014 Tubbergse gemeenschap - Artikel I - Landelijke subsidie - De Wmo adviesraad is een volgens wetgeving formele gesprekspartner van de gemeente Tubbergen - Uitvoeren activiteiten Wmo beleidsplan - Wmo beleidsplan - Projecten worden beoordeeld aan de hand van vooraf opgestelde toetsingscriteria - Woonservice-gebieden - Plan woonservice-gebieden - Prestatieafspraken Provincie - Uitvoering project antidiscriminatie - Tegengaan van discriminatie Domein 2: Jeugd
(2)- -BDU CJG - EKD - Nog in ontwik- - Het CJG voldoet aan de 2011 opgroeien - Realiseren CJG keling: wordt ter wettelijke eisen en ontwikkelen besluitvorming voorgelegd aan college en raad - Iedere vraag over 2011- opvoedondersteuning of 2014 jeugdgerelateerde problematiek kan worden gesteld - Iedere vraag wordt 2011- beantwoord al dan niet 2014 door inschakeling/ verwijzing naar externe partijen - Jeugdgezondheidszorg - Lokaal - Prestatieafspraken - In aanvulling op het 2011- maatwerk maatwerkpakket GGD, afname- basistakenpakket en 2014 volume regionaal maatwerk is individueel maatwerk beschikbaar, uitgevoerd door de GGD - Overheveling Wet op de Jeugdzorg - Implementatie en uitvoering - Nog in ontwikkeling, wordt - Voorbereiding en implementatie op 2011-2014 ter besluitvorming voorgelegd aan regioniveau samen met de 14 Twentse gemeenten college en raad - Er is aansluiting bij het CJG Tubbergen 2013 Domein 3: Mantelzorg en - Mantelzorg - Ondersteuning - Activiteitenplan - SIZT wordt gesubsideerd 2011 Vrijwilligers vrijwilligers
(4)sociaal netwerk en mantelzorg op basis van geleverde 2014 en Respijtzorg prestaties mantelzorg - Coördinatie vrijwillige - Prestatieafspraken SIZT - SIZT levert prestaties gekoppeld aan de 5 thuiszorg en basisfuncties. mantelzorg - Jaarlijks wordt één - Subsidie SIZT doelgroep/thema op basis van een projectplan aanvullende gesubsidieerd - Vrijwilligers - Ondersteuning - Coalitieakkoord - Vaststellen 2012 vrijwilligers 2010-2014 ondersteuningsaanbod - SWT - Notitie - Uitvoering vrijwilligersbeleid ondersteuningaanbod door - Prestatieafspraken externe partij SWT Domein 4: Individuele voor- - Regiotaxi - Individuele - Verordening, - Iedere burger met een 2011- Meedoen zieningen
(6)- Hulp bij het huishouden voorzieningen beleidsregels en ondersteuningsvraag op 2014 makkelijker maken - Beleid en uitvoering Wmo ind. voorzieningen financieel besluit Wmo het gebied van verplaatsen, vervoer, - Rolstoelen onderhouden sociale contacten en het voeren - Vervoer welke niet door algemene dan wel collectieve - Wonen voorzieningen kan worden beantwoord kan een aanvraag indienen voor individuele ondersteuning ter compensatie van zijn beperkingen - Individuele aanspraak - Implementatie - Aanpassing - Iedere burger die ter 2014 op begeleiding individueel of groep per 1 januari 2013 individuele aanspraak per 1-1-2013 verordening, beleidsregels en financieel besluit compensatie van een functioneringsprobleem begeleiding nodig heeft Wmo individuele voorzieningen per 1-1-2013 kan per 1 januari 2013 een beroep doen op de Wmo individuele voorzieningen - inkoop van - Regionale begeleiding aanbesteding van begeleiding - Herindicatie AWBZ - Uiterlijk 1 januari 2014 geïndiceerde clienten waarvan de AWBZ indicatie doorloopt na 1 januari 2014 zijn alle AWBZ geïndiceerde inwoners van Tubbergen geherindiceerd in het kader van de Wmo. Domein 5: Preventie, OGGZ
(7)- Volksgezondheid algemeen - Preventie geestelijke gezondheidzorg - Beleidsplan gemeente Almelo - Uitvoering door centrumgemeente Almelo 2011-2014 zorg en lokale activiteiten opvang Maatschappelijke - Vrouwenopvang - Nog af te sluiten - Regionaal convenant over 2012 opvang
(8)- Huiselijk geweld convenant met verantwoordelijkheid - Nazorg detentie centrumgemeenten centrumgemeenten en regiogemeenten - Wet Tijdelijk - In 100% van de gevallen Huisverbod wordt er hulpverlening - Crisisopvang aangeboden bij tijdelijke huisverboden Verslavingsbeleid - Gezonde slagkracht - Gezonde slagkracht - Projectplan gezonde - De doelstelling van het 2014
(9)slagkracht projectplan Gezonde Slagkracht zijn behaald - Alcoholpreventie - Happy Fris - Projectplan Happy - Aansluiting bij regionaal Fris plan Happy Fris - Drugspreventie - Projecten en - Ingediende projecten of 2012- initiatieven op het gebied van preventie drugs initiatieven worden financieel ondersteund 2014 Domein 6: Informatie, - Dienstverlening sociale - Tubbergen geeft - Iedere burger weet waar 2012 Anders advies en zaken (Almelo) antwoord hij met een vraag over te werk ondersteuning
(3)ondersteuning moet zijn - Zorgloket Tubbergen - Iedere vraag wordt aangenomen - Iedere vraag wordt beantwoord al dan niet via doorverwijzing - De Kanteling in de Wmo Colofon Documentnaam: CONCEPT regionale kadernota wmo 2011-2014 6 oktober.doc Auteurs: deze nota is opgesteld door de Kerngroep Kadernota Wmo van de vijf samenwerkende Wmo-gemeenten, bestaande uit: Resy Leuverink (Hellendoorn), Alice Pongers (Rijssen-Holten), Rian Stamsnieder (Tubbergen), Angelique Efftink (Wierden), Hans Pesser & Leonard Koppelman (Twenterand, eindredactie). Onze dank gaat uit naar de diverse collega’s in de (sub)regio die een bijdrage hebben geleverd. Versie: def. concept 5.
  1. Na vaststelling door stuurgroep Wmo. Inhoudsopgave Voorwoord 19
  2. Samenvatting 20 1.1 Wmo subregionale kadernota 2011-2014 20 1.2 Domeinen 21 1.3 Randvoorwaarden 24
  3. Inleiding en verantwoording 25 2.1 Algemeen 25 2.2 Wmo subregionaal 25 2.3 Visie vertaald naar domeinen 26 2.4 Samenloop met gezondheidsbeleid en wonen 26 2.5 Samenloop met andere participatiewetten 27 2.6 Niet alles tegelijk! 27
  4. Strategisch kader en ontwikkelingen 28 3.1 Strategisch kader 28 3.2 Ontwikkelingen 28 3.3 Uitgangspunten van de visie 31
  5. Terugblik 33 4.1 Van 9 prestatievelden naar 6 domeinen 33 4.2 Conclusie 33
  6. De weg naar het streefbeeld 34 5.1 Inleiding 34 5.2 De domeinen in de periode 2011-2014 34 5.2.1 Domein 1: Samen leven in buurt en dorp 34 5.2.2 Domein 2: Opgroeien en ontwikkelen 36 5.2.3 Domein 3: Vrijwilligerswerk en mantelzorg 39 5.2.3.
  7. Domein 3A: Vrijwilligerswerk 40 5.2.3.2 Domein 3 B: Mantelzorg, mantelzorgondersteuning en vrijwillige zorg 43 5.2.
  8. Domein 4: Meedoen makkelijker maken 46 5.2.5 Domein 5: Preventie, zorg en opvang 51 5.2.
  9. Domein 6: Anders te werk 54
  10. Regionale beleidsagenda Wmo 2011-2014 57
  11. Organisatie, mensen en middelen 59 7.1 Uitvoeringsorganisatie 59 7.2 Personeel 60 7.3 Risico Wmo-financiën landelijk 60 7.3.1 Algemeen 60 7.3.2 Algemene uitkering 60 7.3.3 Objectief verdeelmodel 60 7.3.4 De Wmo en de juni- en septembercirculaire 2010 61 7.3.5 Het macrobudget vanaf 2011 61 7.3.6 Verfijning verdeelmodel Wmo 61 7.3.7 Het meerjarenperspectief 62 7.3.8 Verdere risico’s 62 7.4 Subsidies Wmo 63 7.5 Communicatie 63
  12. Lijst van afkortingen 64 Bijlage 1: Terugblik per domein over de afgelopen vier jaar 65 Voorwoord Voor u ligt het nieuwe vierjarig beleidsplan van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het maken van dit beleidsplan is een verplichting uit deze wet, waarin meedoen aan de samenleving centraal staat. Als titel voor dit beleidsplan is gekozen voor: ‘Meer Samenleven’. Deze kadernota zet de focus de komende jaren volledig op brede participatie. Meedoen! Na de eerste kadernota Wmo zal het komend decennium het accent verschuiven naar meedoen. Basis is de behoefte van mensen in plaats van rechten, basis is de eigen kracht in plaats van een verzorgende overheid. Met andere woorden de Wmo ontwikkelt zich door en kantelt in ieders voordeel. Daarbij vergeten wij niet dat wij als overheid zorg moeten blijven dragen voor kwetsbare groepen in de samenleving en deze ook moeten (laten) ondersteunen, als zij zich niet kunnen redden. De vijf samenwerkende gemeenten in onze subregio (Rijssen-Holten, Twenterand, Hellendoorn, Wierden en Tubbergen) presenteren hun visie in een tijd waarin wij voor aanzienlijke opgaven staan, veroorzaakt door demografische ontwikkelingen, decentralisatie van taken, maar zeker ook door de economische ontwikkelingen. Deze kadernota gaat daarom uit van een ander beleid en binnen de mogelijkheden kiezen wij daarom voor de volgende prioriteiten: Prioriteit bij anders, slimmer werken, meer passend bij de logica van de burger; Mede vorm te geven door burgerparticipatie en de zgn. Kanteling en Welzijn nieuwe stijl; Prioriteit bij het behouden van een sterke basis die participatie bevordert, ondersteunt en preventief werkt. Hierbij willen wij resultaatgericht sturen op die activiteiten die echt bijdragen aan de beoogde effecten; Prioriteit bij integraliteit en samenwerking omdat dit veelal de kwaliteit verhoogt en bovendien kosten bespaart. De vijf gemeenten hebben samen de Wmo actief opgepakt en gaan deze actieve houding de komende periode verder intensiveren. Ook al zijn er zorgen over de financiën, wij willen de kansen die de Wmo biedt ten volle benutten. Bij deze cultuurverandering in de uitvoering van ons brede Wmo-beleid staan wij gelukkig niet alleen. Samenwerking met de samenleving via burgerparticipatie en uiteraard met de gemeenteraad, de Adviesraad Wmo, vele organisaties en mede-overheden is essentieel om de doelstellingen te bereiken. Wij vertrouwen wederom op hun positieve medewerking in deze. De Stuurgroep van de 5 samenwerkende Wmo gemeenten 20 december 2010
  13. Samenvatting Gemeenten staan de komende jaren voor grote uitdagingen. Ontwikkelingen in de maatschappij en bij de overheid en vooral ook de financiële situatie van gemeenten liggen hieraan ten grondslag. Nog niet eerder hebben gemeenten te maken gehad met zulke drastische bezuinigingen als waar ze nu voor staan. Gemeentebreed, dus ook in het sociale domein, moeten er duidelijke keuzes gemaakt worden. Het is duidelijk dat niet alles meer kan. Gemeenteraden zullen moeten kiezen welke voorzieningen ze overeind willen houden en welke voorzieningen minder of zelfs helemaal niet meer gefinancierd worden. Ook de rol die de gemeente wil spelen wordt tegen het licht gehouden. 1.1 Wmo subregionale kadernota 2011-2014 Binnen deze context verschijnt deze Kadernota Maatschappelijke ondersteuning. Gemeenten zijn volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verplicht om vierjaarlijks een nota op te stellen. Deze Wmo-kadernota is de tweede in de rij. Het Wmo-beleid ontwikkelt zich door. Deze kadernota schetst in hoofdlijnen en in samenhang het beleid op de vele prestatievelden of domeinen binnen de Wmo. Vanuit de succesvolle samenwerking tussen de gemeenten Rijssen-Holten, Twenterand, Hellendoorn, Wierden en Tubbergen is deze regionale nota wederom gemaakt. De samenwerkende gemeenten hebben als motto voor de periode 2011 – 2014 gekozen: “Meer samenleven” Meedoen is een belangrijk thema in de Wmo. Steeds meer raken we er van overtuigd dat de Wmo er op gericht moet zijn om mensen zoveel mogelijk dat te bieden waar ze behoefte aan hebben om volwaardig mee te kunnen doen in de maatschappij. Dat is belangrijker dan te kijken waar mensen recht op hebben. Daarbij zal eerst worden gekeken in hoeverre de mensen zelf vanuit hun eigen verantwoordelijkheid en de eigen omgeving van mensen kunnen bijdragen aan de behoefte van de mensen, waardoor minder individuele voorzieningen nodig zijn. Pas als door mensen zelf of door de eigen omgeving niet of onvoldoende op de behoefte kan worden ingespeeld, komen maatschappelijke instellingen en/of de overheid in beeld om door het bieden van voorzieningen (eerst algemeen/voorliggend, dan collectief en daarna pas individueel) te voorzien in de behoefte van mensen. Door (zo nodig met maatwerk) te voorzien in behoeften kan iedereen, ook degenen voor wie dat minder vanzelfsprekend is, “meer samenleven”. De koers die gekozen is omvat een duidelijke trendbreuk met de vorige regionale kadernota. Vanuit de gekozen uitgangspunten betekent dit in ieder geval: dat we de kansen die zich voordoen willen benutten. De zgn. Kanteling en Welzijn nieuwe stijl zijn hier voorbeelden van. Dit levert ons inziens meer maatwerk en rendement, zij het dat het ook in eerste instantie een investering vraagt; dat (nieuwe) wettelijke taken die op gemeenten afkomen, bijvoorbeeld de afslanking AWBZ en de plannen tot overheveling van delen van de Jeugdzorg, uiteraard opgepakt moeten worden, in samenwerking tussen de 5 gemeenten waar mogelijk; dat vrijwilligerswerk en mantelzorg worden gezien als pijlers die zo veel mogelijk overeind gehouden dienen te worden; dat kwetsbare groepen in principe worden ontzien, maar dat er wel een groter beroep op hun eigen verantwoordelijkheid en hun naaste omgeving wordt gedaan. Mensen dienen de ondersteuning te krijgen naar hun behoefte en noodzaak hoewel de vorm kan gaan wijzigen. De gemeente biedt een vangnet voor diegenen die dat echt nodig hebben; dat we oog hebben voor het belang van het jeugdbeleid: onze toekomst!. maar ook: dat een cultuuromslag nodig is, met de nodige creativiteit, waarbij we de eigen kracht van mensen willen benutten en samenwerking onontbeerlijk is. de overheid op bepaalde terreinen een andere rol zal aannemen, bijv. door middel van privatisering of meer regisserend, zakelijker, in plaats van uitvoerend; dat binnen wettelijke taken veelal het basisniveau wordt gekozen (veelal wettelijk minimum niveau); de sterkste schouders, de zwaarste lasten zullen moeten gaan dragen; dat het sociale domein ook niet aan bezuinigingen [1] ontkomt. Het voorzieningenniveau zich op kerntaken zal moeten richten, waarbij met minder subsidies gewerkt zal moeten worden; [1] De concrete bezuinigingsplannen zijn of worden per gemeente apart van deze nota aangeboden. 1.2 Domeinen We onderscheiden – evenals in de vorige kadernota - zes domeinen: Samen leven in buurt en dorp Opgroeien en ontwikkelen a. Vrijwilligerswerk b. Mantelzorg, mantelzorgondersteuning en vrijwillige zorg Meedoen makkelijker maken Preventie, zorg en opvang Anders te werk Domein 1: Samen leven in buurt en dorp Dit domein betreft het bevorderen van sociale samenhang en leefbaarheid in dorpen en kernen. Als we willen dat mensen naar elkaar omzien, is het nodig dat zij elkaar kennen. Wanneer mensen elkaar kennen zullen ze elkaar eerder helpen of een beroep durven doen op elkaar. Ook kan zo bijvoorbeeld dreigende vereenzaming worden opgemerkt en tijdig gestopt worden. Tot slot zal men elkaar ook eerder aanspreken op het leefbaar houden van de wijk/buurt als men elkaar kent. Door het bevorderen van de sociale samenhang en de leefbaarheid wordt er eerder een beroep gedaan op de sociale omgeving van mensen en minder vaak op de overheid. Gegeven de forse bezuinigingen zullen organisaties in dit domein, maar ook in andere domeinen te maken krijgen met subsidieverlagingen of wellicht zelfs subsidiebeëindigingen. Ook vragen als privatisering of afstoting van gemeentelijke accommodaties zullen de komende periode spelen, evenals het teruggaan naar kerntaken. Dit geldt niet alleen voor de lokale overheid, maar ook voor andere (gesubsidieerde) organisaties. Om de sociale samenhang en leefbaarheid op peil te houden wordt er een groter beroep op de inzet en creativiteit van inwoners en organisaties gedaan. Actiepunten: Daar domein 1 vooral een lokale aangelegenheid is, wisselen de vijf gemeenten met betrekking tot domein 1 kennis en ervaringen uit en delen succesfactoren en faalfactoren over het thema leefbaarheid en sociale samenhang. Domein 2: Opgroeien en ontwikkelen Met dit domein willen we werken aan een toekomst waarin burgers zoveel mogelijk op eigen kracht kunnen doen, zelfredzaam zijn en hun medeverantwoordelijkheid nemen in de samenleving. Jonge burgers kunnen daar niet vroeg genoeg ervaring mee opdoen en daarin begeleid worden. De eerste verantwoordelijkheid voor de opvoeding ligt bij de ouders/verzorgers. De gemeente heeft, in aanvulling op onderwijs, kinderopvang, peuterspeelzaal, jeugdgezondheidszorg en maatschappelijk werk, de taak om ouders/opvoeders te ondersteunen en te stimuleren bij hun opvoedende taken. Daarvoor is het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) ingericht, waarvan de doorontwikkeling ook de komende jaren zal voortduren. De vijf samenwerkende gemeenten voeren een integraal jeugd(zorg)-beleid, met als uitgangspunt een sluitende aanpak door middel van ketensamenwerking. In de ketenaanpak worden de taakstellingen van overheden en het producten- en voorzieningenaanbod van instellingen (informatie/advies, hulp- en dienstverlening en zorg) aan elkaar gekoppeld om de keten sluitend te maken. De inkleuring in het aanbod wordt per gemeente verschillend ingevuld. De keten zorgt vervolgens gezamenlijk voor het sturen, faciliteren, ondersteunen en realiseren van de kerndoelstelling van integraal jeugd(zorg)beleid: opgroeien en ontwikkelen, waardoor je kunt meedoen. Gelet op de financiële situatie wordt gekozen voor een terughoudend, doelgericht en doelmatig beleid. Actiepunten: De Subregionale samenwerking met betrekking tot de CJG-ontwikkeling en het jeugd(zorg)beleid op (sub)regionaal niveau wordt verder voortgezet; De 5 subregionale gemeenten blijven actief participeren in CJG Twente (een plan van de 14 Twentse gemeenten) Uitvoeren afspraken convenant jeugdagenda 2009-2012 met de provincie; De gemeenten nemen de regie bij het uitvoering geven aan de komende decentralisatie van de jeugdzorg. Verder ontwikkelen en optimaliseren van de zorgstructuur met als resultaat een sluitende keten van 0 tot 100 jaar. Bij de sluitende keten kijken wij nadrukkelijk naar de verbinding tussen de zorgketen en de justitiële keten. Domein 3: Vrijwilligerswerk en mantelzorg. Dit domein gaat over het ondersteunen van mantelzorgers, daaronder valt ook steun bij het vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken tijdelijk niet kunnen waarnemen. Dit prestatieveld gaat ook over het ondersteunen van vrijwilligers. De doelstelling, de doelgroep en het bereik van mantelzorgondersteuning en het ondersteunen van vrijwilligers zijn totaal verschillend. In deze kadernota wordt dan ook duidelijk onderscheid gemaakt tussen de onderdelen Mantelzorg (mantelzorg, mantelzorgondersteuning en vrijwillige zorg) enerzijds en het brede Vrijwilligerswerk anderzijds. Met de komst van de Wmo is wettelijk vastgelegd dat elke gemeente adequaat vrijwilligersbeleid moet hebben ter ondersteuning van het vrijwilligerswerk. Verder heeft de Wmo een wettelijk kader gegeven aan het beleidsterrein mantelzorgondersteuning. Mantelzorg staat voor een aantal belangrijke waarden in maatschappelijke ondersteuning, namelijk zorg in eigen kring en het meedoen van naasten aan de maatschappij mogelijk maken. Als vijf gemeenten willen we de komende jaren er nadrukkelijk naar streven om het voorzieningenniveau voor vrijwilligers en mantelzorgers op peil te houden. Zij vormen het lokale goud van de samenleving. Zij hebben een essentiële rol in de samenleving, zeker gezien de versobering in de rol van organisaties, beroepskrachten en de terugtrekkende overheid. Actiepunten: Per gemeente wordt in 2011 beoordeeld in hoeverre de basisfuncties lokale ondersteuning vrijwilligerswerk en de basisfuncties lokale ondersteuning mantelzorg zijn ingevuld; Subregionaal wordt vervolgens bekeken of door samenwerking de eventueel ontbrekende zaken op het gebied van vrijwilligerswerk en mantelzorg ingevuld kunnen worden (plan eind 2011); (Indien meerwaarde) volgt een plan van aanpak voor subregionale samenwerking
(2012)en wordt deze uitgevoerd. Domein 4: Meedoen makkelijker maken Dit domein richt zich in de meest brede zin op mensen met een beperking en hun mogelijkheden tot meedoen. Dit domein is nog steeds volop in beweging, om zowel inhoudelijke als financiële redenen. In het kader van de Pakketmaatregel AWBZ en de verwachte verdere overheveling van de AWBZ naar gemeenten wordt aangenomen dat gemeenten binnen afzienbare termijn meer taken voor hun rekening moeten nemen, met als insteek: minder accent op individuele voorzieningen en meer accent op eigen verantwoordelijkheid en eigen kracht. Essentieel is de komende jaren dat de zgn. Kanteling wordt ingezet. De Kanteling gaat over de wijze van invullen van de compensatieplicht, waarbij optimale zelfredzaamheid en participatie van inwoners met een beperking bereikt wordt. Maatwerk en eigen kracht zijn centrale begrippen in deze cultuurverandering. Door de overheveling van nieuwe taken (van o.a. de begeleiding en dagbesteding) kan er ook beter vorm gegeven worden aan de één loketgedachte. De loketontwikkeling wordt zowel op Twents als op subregionaal c.q. lokaal niveau vormgegeven, de lokale structuur wordt binnen de mogelijkheden verder ontwikkeld. Mogelijk komen ook de functies begeleiding en persoonlijke verzorging over vanuit de AWBZ. Het is belangrijk dat gemeenten voldoende voorbereidingstijd en middelen krijgen voor eventuele nieuwe taken. Actiepunten: Vormgeven aan De Kanteling door o.a. een omslag van individuele naar collectieve voorzieningen te realiseren. Tevens de benodigde cultuuromslag bij burgers faciliteren; Het ontwikkelen van een verordening Nieuwe Stijl (gebaseerd op De Kanteling); Versterken van inclusief beleid (zodat er op voorhand rekening wordt gehouden met burgers met een beperking en dit niet meer via duurder doelgroepenbeleid hoeft te worden opgelost); De levensloopbestendige benadering meer integreren in gemeentelijk beleid en in de samenleving als geheel door als gemeente hier regie op te voeren; Uitwisselen van best practices op Wmo-gebied en hier van elkaar leren; Het (door)ontwikkelen en ondersteunen van ketenzorg dementie door te participeren in het project dat op dit moment in Noord West Twente draait; Middels de gemeentelijke regierol het maatschappelijk ondernemerschap versterken en stimuleren; Antwoorden op ontwikkelingen binnen de AWBZ in brede zin met daarbij aandacht voor de regionale (samenwerkings)mogelijkheden; (Externe) Financieringsmogelijkheden zo goed mogelijk benutten; De ontwikkelingen op het gebied van de (rijks)bezuinigingen en jurisprudentie nauwgezet en vooral ook proactief volgen; Uitvoeren van een nieuwe aanbesteding Regio-taxi. Domein 5: Preventie, zorg en opvang Het merendeel van de activiteiten in dit domein vinden plaats binnen de Wmo-prestatievelden 7, 8 en 9: Maatschappelijke Opvang (MO) ,Vrouwenopvang (VO), huiselijk geweld, Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ) en Verslavingszorg (VZ) en worden ontwikkeld en uitgewerkt door de centrumgemeenten Almelo en Enschede, in samenspraak met de gemeenten in de regio. De centrumgemeenten realiseren met name de voorzieningen en als regio richten we ons primair op de zorgstructuur en preventie, binnen de mogelijkheden. Enkele thema’s die spelen zijn: de eigen bijdrageproblematiek in de MO, de eis van regiobinding bij opname van een cliënt in de maatschappelijke opvang, het “uit de pas lopen” van de toenemende vraag naar ondersteunende begeleiding in de MO en de teruglopende middelen hiervoor. Een eenvoudige basisinfrastructuur met een beperkte gerichte preventie zal de komende jaren aan de orde zijn. Actiepunten: Actief blijven participeren in beleidsontwikkeling centrumgemeenten; Onderhouden samenwerkingsstructuur op de prestatievelden 7, 8 en 9 en OGGZ; GGD in de periode 2011-2014 blijven inzetten voor hun taken binnen de OGGZ; Via de regionale nota gezondheidsbeleid 2008-2012 werken aan de speerpunten op het gebied van verslavingspreventie en depressie; Doorontwikkelen en onderhouden van lokale zorgstructuren; Afspraken maken in het kader van de ontwikkeling rond afstemming zorg en veiligheid (Veiligheidshuizen); Vormgeven beleid ten aanzien van Meldcode Huiselijk geweld, in samenhang met de RAAK-aanpak; Binnen de financiële mogelijkheden voorstellen doen over aanbod hulpverlening met name voor kinderen die in aanraking komen met huiselijk geweld. Domein 6: Anders te werk Ten aanzien van de cultuur “hoe staan we in het leven wat de Wmo betreft, hoe kijken we aan tegen de Wmo” zijn twee ontwikkelingen van belang. Enerzijds is dat Welzijn Nieuwe Stijl en anderzijds de zogenaamde Kanteling. Welzijn Nieuwe Stijl houdt in dat nadrukkelijker wordt ingezet op de bindende kracht van welzijn. Dit komt ook tot uitdrukking in het uitgangspunt van deze nota: meer samenleven. De Kanteling gaat over de wijze van invullen van de compensatieplicht, waarbij optimale zelfredzaamheid en participatie van inwoners met een beperking bereikt wordt. Ook hiervoor geldt het principe “meer samenleven, minder overheid”. Het daadwerkelijk in de praktijk brengen van deze nieuwe manier van werken gebeurt met bepaalde instrumenten, die vooral ook lokaal concreet uitgewerkt worden. Het gaat bijvoorbeeld om beleidsgestuurde contractfinanciering (BCF), burgerparticipatie etc. Op het gebied van communicatie rond de cultuurverandering zullen de gemeenten samenwerken. Actiepunten: In de periode 2011-2014 wordt de regionale Wmo-overlegstructuur van de vijf Twentse gemeenten verder geprofessionaliseerd middels een planning en controlcyclus. Concreet betekent dit: In de stuurgroep vastleggen op welke terreinen regionale samenwerking meerwaarde heeft en de komende jaren op de agenda van de stuurgroep staan; Deze Wmo beleidsterreinen worden verdeeld onder de wethouders. Elke wethouder wordt eigenaar/trekker van één of meer beleidsterreinen en de daaraan hangende actiepunten uit de regionale Wmo-beleidsagenda 2011-2014; In een jaarplanning de overleggen van de stuurgroep en van het ambtelijk overleg vastleggen. Hierin staan tevens de regionale actiepunten geagendeerd; Terugblikken is vooruitzien. Jaarlijks wordt de regionale Wmo-agenda geëvalueerd en gemonitord. Dit leidt vervolgens tot een nieuwe jaarplanning. 1.3 Randvoorwaarden Zoals gesteld is de financiële positie van gemeenten niet rooskleurig. Als gevolg van de wijze waarop de Wmo gefinancierd wordt door de rijksoverheid dienen gemeenten rekening te houden met toekomstige dalingen van budgetten. De verwachte dalende uitgaven van de rijksoverheid leiden automatisch tot een daling van de Algemene Uitkering uit het gemeentefonds, waaruit gemeenten tot nu toe middelen voor de Wmo ontvingen. Indien het Wmo-macrobudget ook onderdeel gaat uitmaken van de Algemene Uitkering, zullen de inkomsten voor gemeenten helemaal drastisch dalen. Over de ontwikkeling van de jaarlijkse groei van het gemeentefonds (dit heet het accres) na 2011 zijn nog geen concrete indicaties, maar door de VNG is aangegeven dat een nullijn voor de periode 2012-2015 een bruikbare optie zou kunnen zijn. Dit impliceert bij een loon- en prijsstijging van 2% al een jaarlijkse korting van 320 miljoen euro. Daarnaast wordt er dan nog 80 miljoen euro aan areaaluitbreiding (vergoeding voor de toename van taken van de gemeente) niet vergoed, zodat in dat geval in totaal over vier jaar 1,6 miljard euro wordt ingeleverd. Gezien de vele taken en de verwachting dat er taken op het gebied van zorg, zoals AWBZ-begeleiding van het rijk over zullen gaan naar de gemeenten, is het noodzakelijk dat ook het gemeentelijk personeel qua hoeveelheid en kwaliteit op peil is. Samenwerking tussen de 5 gemeenten dient hierbij gecontinueerd te worden.
  1. Inleiding en verantwoording 2.1 Algemeen De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is in 2007 in de plaats gekomen van de Welzijnswet, de Wet Voorziening Gehandicapten en voor een deel uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten(de hulp bij het huishouden). De middelen die beschikbaar zijn voor de Wmo bestaan uit de middelen die omgingen in de brede Welzijnswet, de voormalige Wet voorzieningen gehandicapten, de middelen die gemeenten krijgen voor de uitvoering en inkoop van hulp bij het huishouden en middelen die omgingen in AWBZ-subsidieregelingen. De Wmo is in zijn oorspronkelijke opzet een wet, die tot doel heeft meedoen mogelijk te maken voor iedereen. De individuele verstrekkingen (rolstoelen, woningaanpassingen, hulp bij het huishouden) maken onderdeel uit van de Wmo. De doelgroep voor de Wmo is: iedereen. Als het gaat om meedoen/meer samenleven mogelijk maken voor iedereen dan is in feite de hele samenleving betrokken: hetzij om zelf mee te doen, hetzij om meedoen voor anderen mogelijk te maken. Dat vereist meteen ook het stellen van grenzen. Uiteraard kan niet alles op de Wmo worden afgewenteld, en moet worden vastgesteld wat onder het Wmo-beleid valt. Mensen met een beperking kunnen rekenen op ondersteuning in hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Gemeenten krijgen de vrijheid om te kijken welke voorzieningen zij daarvoor inzetten. Het beoogde resultaat ligt dus vast: zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, de weg ernaar toe is nader te bepalen op grond van het beleid dat elke gemeente lokaal dan wel door middel van regionale afspraken voert. Belangrijk daarbij is tegenwoordig de zogenaamde “Kanteling”: er wordt niet alleen maar gekeken naar waar iemand recht op heeft, maar vooral ook naar wat iemand nodig heeft vanuit zijn/haar eigen omgeving om in de samenleving mee te kunnen doen, waarbij de eigen kracht centraal staat (meer samenleven), en of er voorliggende (welzijns)voorzieningen zijn die uitkomst kunnen bieden. Een goed inzicht in wat nu eigenlijk iemands behoefte is, is daarvoor cruciaal. Gemeenten staan de komende jaren in algemene zin voor grote uitdagingen. Nog niet eerder hebben gemeenten te maken gehad met zulke drastische bezuinigingen als waar ze nu voor staan. Gemeentebreed, dus ook in het sociale domein, moeten er duidelijke keuzes gemaakt worden. Het is duidelijk dat niet alles meer kan. Gemeenteraden zullen moeten kiezen welke voorzieningen ze overeind willen houden en welke voorzieningen minder of zelfs helemaal niet meer gefinancierd worden. Dit betekent een veranderende rol voor de lokale overheid: meer terug naar de kerntaken en een groter beroep op de veerkracht van de samenleving. “Meer samenleving, minder overheid” is dan ook het motto voor de komende jaren. Dit betekent een duidelijke trendbreuk met de vorige regionale kadernota. Deze Wmo-kadernota is de tweede in de rij. Het Wmo-beleid ontwikkelt zich door. De kadernota wordt voor een aantal gemeenten steeds meer dé overkoepelende nota van het sociale beleid van de gemeente. Dit is niet verwonderlijk gezien de beleidsmatige en financiële impact van de Wmo. 2.2 Wmo subregionaal In de afgelopen jaren is verder vorm gegeven aan (de invoering van) de Wmo in Midden-Overijssel. In het kader van de Wmo wordt regionaal tussen 5 gemeenten samengewerkt om het Wmo-beleid verder te ontwikkelen. Vanuit het vertrekpunt “Samen wat samen kan, lokaal wat lokaal moet” is dit weergegeven waarbij gemeenten hun eigen lokale accenten kunnen leggen. De samenwerkende Twentse gemeenten Rijssen-Holten, Twenterand, Hellendoorn, Wierden en Tubbergen hebben als motto voor de periode 2011 – 2014 gekozen: “Meer samenleven” Meedoen is een belangrijk thema is de Wmo. Steeds meer raken we er van overtuigd dat de Wmo er op gericht moet zijn om mensen zoveel mogelijk dat te bieden waar ze behoefte aan hebben om volwaardig mee te kunnen doen in de maatschappij. Dat is belangrijker dan te kijken waar mensen recht op hebben. Daarbij zal eerst worden gekeken in hoeverre de mensen zelf vanuit hun eigen verantwoordelijkheid en de eigen omgeving van mensen kunnen bijdragen aan de behoefte van de mensen, waardoor minder individuele voorzieningen nodig zijn. Pas als door mensen zelf of door de eigen omgeving niet of onvoldoende op de behoefte kan worden ingespeeld, komen maatschappelijke instellingen en/of de overheid in beeld om door het bieden van voorzieningen (eerst algemeen/voorliggend, dan collectief en daarna pas individueel) te voorzien in de behoefte van mensen. Door (zo nodig met maatwerk) te voorzien in behoeften kan iedereen, ook degenen voor wie dat minder vanzelfsprekend is, “meer samenleven”. Dat inzicht sluit goed aan op -en is een doorontwikkeling van- het motto dat centraal stond in de subregionale kadernota 2007-2010: “Samenwerken, verbreden en verbinden”. Dat is nog steeds een belangrijk thema in de Wmo, het gaat om de sociale samenhang: samen vormen we de samenleving en samen moeten we er iets van maken. Aspecten als betrokkenheid, omzien naar en zorgen voor elkaar zijn wezenlijke begrippen in de Wmo. 2.3 Visie vertaald naar domeinen Voor de verdere uitwerking en lokale inkleuring wordt de Wmo-visie concreet vertaald naar domeinen. Richtinggevende beleidsvoornemens geven een concreter beeld, uiteindelijk moet ook duidelijk worden wat regionaal en wat lokaal kan worden opgepakt. Het gaat erom vast te stellen, wat er goed gaat, wat de ontwikkelingen zijn, wat we zouden willen veranderen (op basis van uitgangspunten) en vervolgens hoe we dat dan gaan doen (actiepunten). De komende jaren zal er sterk worden ingezet op de eigen verantwoordelijkheid van burgers. De lokale overheid zal zich op het sociale domein een terugtrekkende beweging maken. De keuzes die worden gemaakt, zullen grotendeels worden bepaald door de financiële armslag van de gemeente, maar ook door de veranderde visie op de rol van de gemeente. Niet het leveren van voorzieningen staat centraal, maar de vraag hoe mensen hun leven zelfstandig kunnen organiseren. Er wordt een beroep op het zelforganiserend vermogen van de samenleving gedaan met als doel kracht voor verandering en continuïteit te organiseren. Doelen en inzichten blijven zich ontwikkelen. De bedoeling is om het beleid meer integraal te benaderen en op deze manier tussen meer beleidsterreinen verbindingen te leggen, met als uitgangspunt “meer samenleven”. Meerdere gemeenten werken vanuit een domeinbenadering oftewel een clustering van prestatievelden, dat is overzichtelijker en voorkomt verkokering. De ontwikkeling van de Wmo is een doorlopend proces, zowel op gemeentelijk niveau, maar ook voor de partners (instellingen) die de uitvoering zullen doen. In 2006 is het smalle beleidsplan Wmo “Met Elkaar” [2][3] vastgesteld. Hierin zijn de prestatievelden 3 (informatie en advies), deels 4 (mantelzorg en vrijwilligerswerk), 6 (individuele voorzieningen) en 7 t/m 9 (maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, huiselijk geweld, openbare geestelijke gezondheidszorg en verslavingsbeleid) opgenomen, alsmede algemene aspecten zoals de hoofddoelstelling, financiën, horizontale verantwoording. Het zgn. smalle beleidsplan bevat – voor zover niet achterhaald - nog steeds nuttige achtergrondinformatie voor ons beleid. Kort daarna verscheen het brede beleidsplan Wmo getiteld ‘Samenwerken, verbreden en verbinden’. Bij de beschrijving van de domeinen in deze nota wordt per domein ook geëvalueerd hoe de ontwikkelingen van de afgelopen jaren zijn geweest. Zo nodig en zo mogelijk wordt daar op voortgebouwd. [2] Een clustering van de wettelijke prestatievelden. [3] “Met Elkaar” september 2006 2.4 Samenloop met gezondheidsbeleid en wonen Gemeenten zijn verplicht om eens in de vier jaar een nota gezondheidsbeleid vast te stellen. Hoewel de wettelijke basis verschilt, is er overlap. Immers de mate van gezondheid beïnvloedt het meedoen aan de samenleving. Ook andere zaken zoals leefstijl, openbare geestelijke gezondheidszorg, en jeugdgezondheidszorg hebben hun raakvlakken. De Twentse gemeenten werken samen met de Gemeenschappelijke Gezondheids Dienst Regio Twente. Inmiddels is er uit die samenwerking een regionale nota gezondheidsbeleid voortgekomen voor de periode 2010-
  2. Speerpunten in de nota zijn: roken, alcohol, overgewicht en depressie. Gemeenten zijn door een wetswijziging verantwoordelijk voor preventieve activiteiten gericht op ouderen. Alle preventieprojecten voor personen die ouder zijn dan 65 jaar moeten volgens de Wet publieke gezondheid (Wpg) door gemeenten aangestuurd worden. Met de wetswijziging zijn echter geen middelen meegekomen. In onze visie dient ons beleid inclusief te zijn en integraal meegenomen te worden in ons Wmo-beleid en dient hier geen apart beleid voor ontwikkeld te worden. De Wmo heeft ook betrekking op de bouwbehoefte. Indien een ieder zolang mogelijk zelfstandig blijft wonen en zich “welbevindt” in de vijf gemeenten is dat ook te herleiden in de verschillende Woonvisies. Er zullen overwegingen zijn, waarop levensloopbestendig bouwen en het bieden van kwaliteit voor doelgroepen en bijbehorende voorzieningen voorkomen dat er in een later stadium dure woningaanpassingen moeten plaatsvinden. Ook hier kan er sprake zijn van een overlap. Het streven is om te komen tot integratie van de drie trajecten, zodat Wmo, lokaal gezondheidsbeleid en het beleid op het gebied van wonen op elkaar aansluiten. Met name het beleid op het gebied van wonen heeft een lokaal karakter. In dit kader worden stappen gezet. Voorwaarde is dat gewerkt wordt vanuit één visie. Dit is al geborgd doordat hoofddoelstellingen en de onderliggende visies van beide nota’s (lokaal gezondheidsbeleid en Wmo) zijn afgestemd. 2.5 Samenloop met andere participatiewetten Een recente ontwikkeling is om ook de samenhang tussen Wmo en de Wet Werk en Bijstand (Wwb), Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), etc. nader te bezien. Overlap zit er in de participatiedoelstelling hetgeen kan leiden tot een zgn. brede participatievisie. De Wmo, met bijvoorbeeld vrijwilligerswerk en onbetaald werk (Wwb) zijn nl. beiden te vinden op de zgn. participatieladder. Schotten tussen diverse regelingen gaan steeds meer vervagen. Klanten maken gebruik van meerdere regelingen en kunnen integraal worden benaderd. Een eerste verkenning over een brede visie heeft reeds in de subregio plaatsgevonden. De komende periode zullen we nader de kansen hiervan onderzoeken. 2.6 Niet alles tegelijk! Zowel in beleidsontwikkeling als in uitvoering kan niet alles tegelijk. De Wmo is een brede wet. Deze Wmo-kadernota heeft een interactief karakter. Dat vraagt om zorgvuldigheid en goed overleg met partners/instellingen, de Adviesraad Wmo en burgers. Bij de herziening van bestaande nota’s en bij nieuw beleid zal periodiek bekeken moeten worden of deze Wmo-proof zijn. De acties uit deze nota worden in de tijd gezet en zullen veelal in de jaarlijkse programmabegroting worden opgenomen. Een deel van de acties zal regionaal worden uitgevoerd en een ander deel lokaal. Het vaststellen en uitvoeren van de acties is de bevoegdheid van het college.
  3. Strategisch kader en ontwikkelingen 3.1 Strategisch kader In dit beleidsplan “Meer samenleven” worden de uitgangspunten en beleidskaders onderschreven voor een beleid van maatschappelijke ondersteuning voor alle inwoners van de regiogemeenten. Onderdeel daarvan is een solide stelsel voor hen die ondersteuning nodig hebben, zodat zij zolang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, leven en participeren in de samenleving, vanuit het idee dat de ondersteuning geboden wordt op basis van de behoefte van iemand aan ondersteuning, in plaats van sec te kijken naar waar iemand recht op heeft (de zogenaamde Kanteling). Dit ondersteuningsbeleid zal worden ingebed in het algemene beleid van de betrokken samenwerkende gemeenten, waarmee we in de periode 2011-2014 verder invulling willen geven aan de missie om iedereen bij de samenleving te betrekken door samen met elkaar te leven in een maatschappij die daarvoor primair zelf de verantwoordelijkheid neemt in plaats van deze verantwoordelijkheid “uit te besteden” aan de overheid. Het uitgaan van de eigen kracht van mensen en hun sociale omgeving is daarvan het kernpunt. Een belangrijk instrument daarbij is burgerparticipatie (zie domein 6). 3.2 Ontwikkelingen Ten aanzien van de invulling van het beleid in de periode 2011-2014 zijn vooral de volgende algemene ontwikkelingen te herkennen: Economisch (incl. bezuinigingen rijk en gemeente) De vijf gemeenten hebben te maken met aanzienlijke rijksbezuinigingen, die o.a. doorwerken in het Gemeentefonds, Wmo, AWBZ voorzieningen etc. Het feit dat de vijf gemeenten nadeelgemeenten zijn in het kader van de Wmo maakt het financieel perspectief op dit vlak nog somberder. Zonder bezuinigingsmaatregelen hebben we al een tekort op de Wmo. Dit leidt tot een beperkte lokale speelruimte. Daarnaast zullen de eigen inkomsten gemeentebreed teruglopen (o.a. door grondexploitatie, OZB, retributies). Er zal dus met zekerheid fors bezuinigd moeten worden. Het kan niet anders of op het sociale domein zal het principe van “back to basic” moeten gaan gelden. Ten opzichte van de vorige regionale kadernota zullen dingen de komende periode wezenlijk anders opgepakt en uitgevoerd moeten worden. Gemeenteraden zullen uitspraken moeten doen over het Wmo-voorzieningenniveau waar zij zich hard voor willen maken, dit uiteraard in overeenstemming met de compensatieplicht. Naast de aanzienlijke bezuinigingen komen er bovendien nog meer uitdagingen op de gemeenten af. Het betreft in algemene zin het omgaan met de terugslag door de crisis, de demografische ontwikkeling (vergrijzing en ontgroening), de effecten van de krimp, de noodzakelijke verbetering van de woningvoorraad en de lagere economische groei. Welzijn Nieuwe Stijl Welzijn Nieuwe Stijl houdt in dat nadrukkelijker wordt ingezet op de verbindende kracht van welzijn. Welzijn - als spil in het doorontwikkelen van maatschappelijke ondersteuning - verbindt het individu met de gemeenschap, heeft de opdracht om mensen te activeren, gaat uit van de eigen kracht van mensen, heeft een preventieve werking en zit in de haarvaten van de samenleving. Welzijn Nieuwe Stijl is dus een andere inrichting van het begrip “welzijn” in plaats van het optuigen van meer welzijn. Vanwege de financiële perikelen door de crisis zal het principe van de inzet van welzijn meer “back to basic” zijn: eerst komt de eigen verantwoordelijkheid van mensen aan de orde en pas daarna wordt zo nodig naar collectieve en/of individuele voorzieningen gekeken. Deze ontwikkeling komt ook nadrukkelijk tot uiting in het uitgangspunt “meer samenleven”. Waarom (volgens het ministerie van VWS) Welzijn Nieuwe Stijl?: Beter realiseren van Wmo-doelen: meer burgers doen mee, de sociale cohesie neemt toe. Welzijn is verwaarloosd. De infrastructuur is niet optimaal. Gemeenten zijn te weinig toegekomen aan het in de volle breedte benutten van de vernieuwende mogelijkheden van de Wmo voor maatwerk, verbinden en integraliteit. Gemeenten hebben zich teveel gericht op de technische uitvoering van de Wmo (hulp bij het huishouden). Beperking van burgers wordt vaak nog opgelost met een individueel arrangement. De kracht van welzijn wordt te weinig benut voor het realiseren van de Wmo-doelen in volle breedte. De kwaliteit van het welzijnswerk is onvoldoende voor de uitvoering van de Wmo in de volle breedte. De opdrachtgever-/opdrachtnemerrelatie tussen gemeente en uitvoerende instelling is onvoldoende toegesneden op het realiseren van optimale resultaten. Gemeenten hebben onvoldoende (financiële) prikkels om te investeren in de doorontwikkeling in de Wmo en in welzijn. Invulling geven aan de systeemverantwoordelijkheid van het ministerie van VWS door het creëren van randvoorwaarden waaronder gemeenten en instellingen de Wmo optimaal en in de volle breedte kunnen uitvoeren. Deze analyse vanuit het ministerie wordt– wat onze vijf gemeenten betreft – op onderdelen zeker niet herkend. Wij herkennen ons bijvoorbeeld niet in de typering van de lokale infrastructuur. Desalniettemin zijn er diverse uitingen van Welzijn Nieuwe Stijl die ons aanspreken. Kenmerken van Welzijn Nieuwe Stijl zijn: Vraaggericht werken; zorgdragen voor optimale vraagverheldering. Uitgaan van eigen kracht van de inwoner én zijn omgeving. Direct erop af gaan; outreachend werken. Resultaat gericht werken; zo nodig prestatieafspraken maken [4]. Ruimte geven aan professionals. Waarde van welzijn in geld uitdrukken. Inhoudsvolle, prikkelende en duurzame relatie tussen gemeente en maatschappelijk middenveld. Versterken kwaliteit welzijnswerk door het anders te organiseren in plaats van meer welzijnswerk in het leven te roepen. Integraal werken: gericht op integrale, samenhangende aanpak van problemen van de burger. Informele zorg en formele zorg, gericht op het verbeteren van de samenwerking tussen informele en formele zorg en het vermeerderen van informele zorg en verminderen van formele zorg. Algemeen, collectief en individueel: eerst de mogelijkheden van algemene, dan van collectieve welzijnsarrangementen en dan pas van individuele voorzieningen inzetten. [4] Beleidsgestuurde Contract Financiering (BCF) is hierin een instrument. Kanteling Met de Wmo wordt de stap gemaakt van het verstrekken van voorzieningen naar het compenseren van beperkingen. De gemeente treft voorzieningen ter compensatie van beperkingen die burgers ondervinden bij het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en om medemensen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan. Daarbij kan gedacht worden aan algemeen toegankelijke welzijnsvoorzieningen, zogenaamde voorliggende voorzieningen en individuele voorzieningen. De wet schrijft niet voor hoe gemeenten compensatie vorm moeten geven. Wel is duidelijk dat een omslag in denken en doen nodig is om een integrale benadering van de Wmo te kunnen realiseren. Er is niet langer sprake van een ‘zorgplicht’ voor de gemeente en ‘claims’ van burgers. Dit brengt een grote verandering met zich mee, een Kanteling in denken en doen. Er zal meer recht gedaan worden aan de specifieke situatie van een burger, een vraaggerichte aanpak. Tegelijkertijd zal er een groter beroep gedaan worden op de eigen mogelijkheden en de kracht van de omgeving. In plaats van het behandelen van claimgerichte aanvragen komt het erop aan dat gemeente en burger de vraag en behoefte - maar ook de eigen mogelijkheden - goed verkennen, om daarna te zoeken naar oplossingen. Daarbij staan behoud van de eigen regie, zelfredzaamheid en het zelfoplossend vermogen voorop. Met behulp van de Kanteling gaat de gemeente concreet vorm geven aan de compensatie voor burgers met beperkingen. Een Kanteling van beleid is nodig – daarover is iedereen het eens. Een andere werkwijze en nieuwe aanpak ontstaan alleen niet vanzelf. Het vraagt om het systematiseren van ervaringen. Het betekent ook instrument- en modelontwikkeling, en het overbrengen van de vernieuwingen naar de lokale praktijk op een consistente en realistische manier, binnen juridische kaders. Een ander vereiste is enthousiasme. Daarin is gemakkelijk te voorzien: het compensatiebeginsel biedt immers tal van mogelijkheden voor vernieuwing. Demografisch De vergrijzing biedt naast bedreigingen, bijvoorbeeld door een grotere en duurdere zorgvraag van de ouderen in relatie tot een kleinere groep mantelzorgers, ook kansen. Onder de grijze golf bevindt zich een potentieel aan vrijwilligers en mantelzorgers. Daarnaast is een deel van de toekomstige ouderen vaak hoger opgeleid. Deze ouderen zijn vaak langer gezond en zullen in grote mate zelfredzaam zijn. Vanwege hun hogere/bovenmodale inkomen zullen zij naar verwachting niet vaak een beroep op de Wmo doen in het kader van individuele voorzieningen. Dit kan bijdragen aan het terugdringen c.q. minder groeien van de vraag naar individuele voorzieningen. Volgens een recent onderzoek van trendbureau Overijssel zal de bevolking in de samenwerkende gemeenten dalen terwijl het percentage 65+ers verdubbelt van 12% naar ongeveer 24%. Digitalisering Zowel de wijze van informatievoorziening als dienstverlening komt in aanraking met digitalisering en biedt nieuwe mogelijkheden. Daarbij wordt de burger steeds mondiger, maar hij wordt daarbij ook geacht zijn verantwoordelijkheid te nemen en te kiezen uit de vele mogelijkheden die hem worden aangeboden. Overige trends en ontwikkelingen In maatschappij en bij de overheid signaleren we de volgende trends en (gewenste) ontwikkelingen. Van Naar Individueel Collectief Curatief Preventief Zorggericht Participatiegericht Gemeente als mede-uitvoerder Gemeente als regisseur Losse prestatievelden Samenhang Aanbodgericht Vraag- c.q. kansgericht Focus op beperkingen Focus op mogelijkheden Standaardoplossingen Maatwerk Claimgericht Empowerment Categoraal Wijkgericht Stapeling en versnippering Stroomlijning en samenhang Doelgroepenbeleid Inclusief beleid Individuele cliënt Cliëntsysteem Specialist Generalist (in de wijk) Vrijblijvendheid Drang en dwang Rijksoverheid Lokale overheid Uitvoeren van wetten Realiseren maatschappelijke resultaten Overheidstaak Eigenverantwoordelijkheid Samengevat: van versnippering en stapeling naar stroomlijning en samenhang, van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving, van standaardaanbod naar schaal en invulling op maat en van gemeente als mede-uitvoerder naar gemeente als regisseur. De behoefte van het individu staat centraal en het voorzien daarin wordt door de gemeente gewaarborgd vanuit haar verantwoordelijkheid (regie) die de Wmo haar opdraagt. 3.3 Uitgangspunten van de visie De visie, de gesignaleerde ontwikkelingen en het overleg in het voorbereidingstraject voor dit Wmo-beleidskader 2011 – 2014 heeft geleid tot brede consensus over de volgende uitgangspunten voor het beleid in de jaren 2011-
  4. Meer samenleving, minder overheid In aansluiting op het uitgangspunt “uitgaan van eigen kracht” kunnen we stellen dat het zwaartepunt ligt bij participatie, waarbij de gemeente in ieder geval zorgt voor het vangnet. De Wmo legt de nadruk op brede participatie; de letter van de wet richt zich meer op individuele voorzieningen. Voor beide nemen we als startpunt eigen kracht. “Zelf doen en zelf betalen” voorkomt afhankelijkheid van de overheid. Welzijnsvoorzieningen als voorliggende voorziening kunnen daarbij een belangrijke rol spelen. Het verwerven en behouden van een stabiele eigen positie vormt de eerste uitdaging. Als de eigen kracht tekort schiet, is ondersteuning nodig. Ondersteuning in eerste instantie door de eigen omgeving, in tweede instantie door de bredere omringende samenleving en in de laatste plaats door de gemeente. De zekerheid bieden dat er een goed vangnet is, zien we als de gemeentelijke kerntaak in de Wmo, tezamen met het invulling geven aan de regierol in beleid. Dit komt neer op: faciliteren en stimuleren van maatschappelijke initiatieven waarbij eigen kracht wordt gestimuleerd. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het maken van afspraken met familieleden van een cliënt of instellingen over het bieden van zorg en begeleiding, zoals bijvoorbeeld hulp bij het boodschappen doen. Die zorg en begeleiding is het middel om de deelname van inwoners van de gemeente aan de samenleving te vergroten. vanuit onze overzichtspositie en verantwoordelijkheid/regie voor het algemeen belang, initiatieven stimuleren, samenwerking bevorderen en randvoorwaarden creëren om betrokken partners hun medeverantwoordelijkheid te laten nemen en te laten invullen. optreden als spelverdeler, coach, aanjager. Bij het goed uit de verf komen van het uitgangspunt “meer samenleving, minder overheid” is het belangrijk dat er zoveel mogelijk samenhang in beleid wordt aangebracht en win-winsituaties worden bevorderd. Mensen zullen eerder bereid zijn iets voor een ander te doen als ze er zelf ook beter van worden. Daarnaast is de samenhang met het gezondheidsbeleid van belang: een goed uitgevoerde nota gezondheidsbeleid levert een gezondere samenleving op en maakt meedoen in de Wmo makkelijker. Het is daarbij wel onontkomelijk door de financiële omstandigheden van de economische crisis dat er een sober en effectief beleid gevoerd wordt. Uitgaan van eigen kracht van mensen en hun sociale netwerken Hierbij wordt de eigen verantwoordelijkheid van mensen als uitgangspunt genomen. Daarmee wordt gestimuleerd dat mensen de regie op hun leven verkrijgen, behouden en waar nodig vergroten. Hierin wordt nadrukkelijk ook de sociale omgeving van mensen betrokken. Eigen kracht is iets waar mensen trots op kunnen zijn. Als we er in slagen om de eigen kracht van de samenleving te herontdekken en te benutten kunnen we zeker spreken van een attitudeverandering. Het gaat om een houding (attitude) van herkenning, erkenning, respect en vertrouwen. Een houding, die binding en samenhang bevordert en die het verantwoordelijkheidsgevoel bij alle partijen stimuleert in lijn met de nieuwe rolverdeling. Een manier van werken, die ruimte geeft en burgers en organisaties stimuleert om zelf initiatieven te nemen. Minder ieder voor zich, meer ‘Wij met ons’, als alternatieve uitleg voor de afkorting Wmo. Gemeenten kunnen dat stimuleren door nieuwe vormen van samenwerking te creëren, ook met het bedrijfsleven: bijvoorbeeld samenwerking op het terrein van wonen, welzijn en zorg, samenwerking op het terrein van één loket, samenwerking tussen professionele- en informele ondersteuners, samenwerking tussen bedrijven en welzijnsorganisaties, vrijwilligersorganisaties etc. Sterkste schouders dragen de zwaarste lasten Het is logisch als eerst gekeken wordt wat mensen in alle redelijkheid zelf kunnen bijdragen voor het verkrijgen van de benodigde voorzieningen (conform de behoeften) voordat naar de overheid als vangnet wordt gekeken. Dat is in lijn met het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de eigen kracht en verantwoordelijkheid van mensen en hun omgeving. Logisch is het ook dat mensen die niet of nauwelijks in staat zijn om zelf bij te dragen, op de vangnetfunctie van de gemeente kunnen rekenen. Niet alleen is het logisch dat mensen zelf bijdragen, het is ook nodig om de voorzieningenstructuur overeind te kunnen houden. Daarvoor is het nodig dat er minder (snel) individuele voorzieningen verstrekt worden. Door de bezuinigingen zijn de gemeenten genoodzaakt om heel kritisch naar alle uitgaven te kijken, ook de uitgaven die betrekking hebben op de Wmo. De compensatieplicht zoals die in de Wmo staat genoemd, blijft overeind. Van gelijkheid naar maatwerk Was het kernbegrip in de uitbouw van de verzorgingsstaat gelijkheid; sinds de invoering van de Wmo is het kernbegrip verschil kunnen maken meer gepast en haalbaar. Verschil kunnen maken betekent maatwerk, kijken naar de mogelijkheden (eigen kracht) en onmogelijkheden van de persoon in kwestie en zijn/haar sociale netwerk (“meer samenleven”). Het tekort voor ‘zo gewoon mogelijk meedoen aan de samenleving’ wordt gecompenseerd, conform de strekking van de compensatieplicht in de Wmo en op basis van iemands persoonlijke behoefte op het gebied van de compensatie. Compensatieplicht betekent dat iemands beperking gecompenseerd wordt, zodat volwaardig meedoen aan en in de samenleving weer mogelijk is. Daarbij kan gekeken worden naar wat collectief kan en specifiek moet. Het uitgangspunt van maatwerk betekent wat voor het beleid (het uitgangspunt moet intern bij de gemeente voldoende gedragen worden door het bewerkstelligen van aansluiting tussen beleidsonderwerpen), voor het gedrag van mensen en van organisaties, voor de vraag en het aanbod en uiteindelijk ook voor het prijskaartje. Daar waar welzijns- of algemene voorzieningen of de eigen omgeving van mensen kunnen worden ingezet om goed in de behoefte te voorzien, geldt dat per definitie vóór het verstrekken van voorzieningen door de overheid. Ook die vorm van voorrang geven aan eigen kracht past in het uitgangspunt “meer samenleven”. Preventief werken Voorkomen is beter dan genezen. Zo lang mogelijk en zo gewoon mogelijk mee kunnen blijven doen aan de samenleving is het doel van de Wmo. Het bevorderen van een gezonde leefstijl en het zorgdragen voor veiligheid zijn hierbij belangrijke thema’s. Door middel van goed preventief beleid kunnen duurdere vormen van zorg (zoals intramurale zorg en dure verstrekkingen) voorkomen of uitgesteld worden. Een andere invulling van preventie is vroege signalering van problemen, waarmee vaak erger te voorkomen is. 4 Terugblik 4.1 Van 9 prestatievelden naar 6 domeinen De Wmo kent een onderverdeling in negen prestatievelden waarop beleid gemaakt moet worden onder de brede Wmo paraplu. Nu is de insteek om breder te kijken, namelijk ook naar wonen, werk en inkomen, onderwijs, veiligheid en gezondheid. Deze beleidsvelden hebben veel met de Wmo te maken, en daarom betrekken we ze er van het begin af aan bij. We hebben net als vier jaar geleden gekozen voor een eigen onderverdeling van de Wmo die we logischer en meer werkbaar vinden dan de indeling die de Wmo voorstaat. Wel is domein 3 in twee delen gesplitst. We onderscheiden zes domeinen: Samen leven in buurt en dorp (prestatieveld 1) Opgroeien en ontwikkelen (prestatieveld 2) Mantelzorg en vrijwilligers (prestatieveld 4), onderverdeeld in: Vrijwilligerswerk Mantelzorg, mantelzorgondersteuning en vrijwillige zorg Meedoen makkelijker maken (prestatievelden 3, 5 en 6) Preventie, zorg en opvang(prestatievelden 7,8 en 9) Anders te werk Het vervolg van dit hoofdstuk is gebaseerd op de domeinindeling. Als voorbereiding op deze kadernota is het huidige beleid geëvalueerd. Dit samenvattende overzicht per domein geeft zoveel mogelijk aan wat er van de actiepunten de afgelopen periode van vier jaar (2007-2010) is gerealiseerd en wat het maatschappelijke effect daarvan is geweest. In de bijlage is de terugblik per domein over de afgelopen vier jaar opgenomen. In dit hoofdstuk volstaan wij met de conclusie. 4.2 Conclusie Uit de evaluatie blijkt dat de samenwerkende gemeenten van de subregio een flink aantal van de actiepunten heeft weten te volbrengen of in gang heeft gezet, waarbij ook een aantal zaken lokaal zijn ingevuld. Voorbeelden van gerealiseerde onderwerpen: participeren in de beleidsontwikkeling van centrumgemeenten, uitvoering van de Wmo, doorontwikkeling van het focusproject, de regionale backoffice CJG etc. Voorbeelden van onderwerpen waarvan de realisering in gang is gezet zijn: het jeugdzorgbeleid en het betrekken van de gezamenlijke Adviesraden Wmo bij het vormgeven van het regionaal beleid. Een voorbeeld van een onderwerp dat niet gerealiseerd is, is: vormgeven van de uitwerking van woonservicegebieden door uitwisseling van ervaringen en uitwerking van regionale componenten. Wel wordt er lokaal gewerkt aan de vormgeving van woonservicegebieden. Overall gezien kan gesteld worden dat de regionale samenwerking zeker nuttig is en meerwaarde heeft gehad. De regio is een belangrijke gesprekpartner op het gebied van de Wmo, en legt daarmee gewicht in de schaal bij externe partijen. Daarbij komt dat de samenwerking voor elk van de gemeenten efficiënt is geweest omdat werkzaamheden verdeeld konden worden. Het is aan te bevelen om de goede samenwerking voort te zetten zodat de onderwerpen die in gang gezet zijn kunnen worden afgerond, en waarbij naar bevind van zaken de onderwerpen die nog niet zijn gerealiseerd, of nieuwe actuele onderwerpen, kunnen worden opgepakt.
  5. De weg naar het streefbeeld 5.1 Inleiding Het mag duidelijk zijn: de komende jaren staan we voor immense opgaven. De samenleving zal er anders uit gaan zien, waarin zowel de lokale overheid als de individuele burger een andere rol krijgt. Op basis van de in de vorige hoofdstukken aangegeven domeinen kijken we vooruit naar de komende periode (2011-2014) en geven we per domein aan hoe dit domein zich verhoudt tot de Wmo, wat de bestemming is op dat domein, hoe onze strategie eruit ziet en welke actiepunten we ondernemen. Voor de keuze van de actiepunten hebben we eerst onszelf de vraag gesteld welke belangrijke vraagstukken er in de verschillende domeinen te onderscheiden zijn in het licht van de Wmo. 5.2 De domeinen in de periode 2011-2014 In dit hoofdstuk kijken we vooruit naar de komende periode en geven we per domein aan hoe dit domein zich verhoudt tot de Wmo, wat de ontwikkelingen zijn binnen het domein, wat de bestemming is op dat domein, hoe ons vertrekpunt eruit ziet en welke actiepunten we onderscheiden voor de periode 2011 –
  6. Per domein is aandacht besteed aan domein 6 omdat dat domein in feite de cultuur betreft ten aanzien van de aanpak van de overige domeinen. 5.2.1 Domein 1: Samen leven in buurt en dorp Relatie tussen dit domein en de Wmo Binnen dit domein valt prestatieveld 1 van de Wmo: Het bevorderen van sociale samenhang en leefbaarheid. Om zo lang mogelijk gezond en zelfredzaam te blijven is het voor bewoners belangrijk een woon- en leefomgeving te hebben waarin zij zich goed voelen. En dat zij vertrouwen hebben in de buurt. Het gaat daarbij niet alleen om fysieke inrichting van de woonomgeving, maar ook om een goed functionerend leefklimaat met een sterke sociale samenhang. Dat wil zeggen dat bewoners onderling contact hebben. Dat kan variëren van elkaar groeten op straat en elkaar, als het nodig is, ondersteunen tot het gezamenlijk ondernemen van activiteiten, zoals het organiseren van een straat of buurtfeest. Het gaat er ook om dat mensen elkaar op zaken kunnen aanspreken als dat nodig is. Leefbaarheid gaat vaak over het ‘schoon, heel en veilig’ zijn van de openbare ruimte in de woonomgeving. De laatste jaren wordt een leefbare wijk ook gezien als een ‘zorgzame wijk’: een wijk waar mensen met een beperking zoveel mogelijk zelfstandig kunnen wonen en deelnemen aan de samenleving, waar nodig ondersteund door vrijwilligers, mantelzorgers en professionele voorzieningen. Welke ontwikkelingen spelen zich af binnen dit domein? Vergrijzing en extramuralisering De trend tot extramuralisering houdt in dat verwacht wordt dat ouderen en mensen met een beperking zelfstandig blijven wonen. Door de dubbele vergrijzing (mensen worden ouder en meer mensen worden oud) geldt op termijn daarom ook nog eens dat meer oudere mensen zelfstandig blijven wonen. De vergrijzing in de vijf Twentse gemeenten is de komende jaren fors. Het aantal 65-plussers in de vijf Twentse gemeenten is volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (cijfers medio 2010) in 2010 15,6% en in 2025 22,4%. Dit betekent een stijging van bijna 7% in de komende 15 jaar. Deze ontwikkeling heeft een sterke invloed op de toekomstige vraag naar zorg- en dienstverlening, geschikte woningen en met name de kwaliteit daarvan. Aanpassingen van woningen (met name specifieke individuele aanpassingen) en de inzet van hulpmiddelen komen dan voor rekening van de gemeente. Ook de woonomgeving zal de nodige aandacht en aanpassing vragen. Het is daarom van belang te beschikken over een passend woningaanbod, zodat daadwerkelijk gebruik kan worden gemaakt van bijvoorbeeld het primaat van verhuizen. Ook is het van groot belang dat er bij nieuw te bouwen woningen en renovaties rekening wordt gehouden met het principe van levensloopbestendig bouwen en dat de openbare ruimte makkelijk toegankelijk is voor mensen die slecht ter been zijn of zich in een rolstoel verplaatsen. Trends in vrijwilligerswerk Het werk van vrijwilligers is van onschatbare waarde voor sociale samenhang en leefbaarheid. Vrijwilligers kunnen aangeduid worden als “het cement van de samenleving”. De trends in vrijwilligerswerk worden beschreven bij domein
  7. Sport en de Wmo Sport en bewegen speelt een belangrijke rol in onze maatschappij. Sport is meer dan alleen een leuke vorm van vrijetijdsbesteding. Sport biedt veel mogelijkheden om aan de samenleving mee te doen en levert een grote bijdrage aan de maatschappelijke participatie. Binnen de Wmo zouden meer gemeenten creatieve verbindingen met sport kunnen maken dan nu het geval is. Door een integrale benaderingswijze kan sport een bijdrage leveren aan de Wmo, bijvoorbeeld door middel van de combinatiefuncties. Cultuur en de Wmo De Wmo wil burgers ondersteunen deel te nemen aan het maatschappelijk leven. Cultuurparticipatie is daar een vorm van. Dit gaat, vanuit de Wmo gezien, wel verder dan alleen het bezoeken van een toneelvoorstelling of expositie. Een cursus beeldhouwen kan iemand bijvoorbeeld helpen om weer sociale contacten te leggen na lange tijd ziek te zijn geweest. Een theaterstuk voor en door wijkbewoners kan lokale buurtnetwerken versterken én bijdragen aan een meer genuanceerde beeldvorming over de betreffende wijk. Een expositie met werk van jongeren met een verstandelijke beperking kan een positief effect hebben op de integratie van deze mensen in wijken waar ze begeleid wonen. Kansen genoeg dus. Burgerparticipatie Participatie begint bij de eigen kracht van mensen. Door eigen kracht versterken we de basis en zijn voorzieningen zo veel mogelijk bereikbaar voor iedereen en zijn aanvullende ondersteuning en vangnet minder nodig. De gemeente zal steeds vaker de rol krijgen om samen met inwoners en organisaties, zoals de Adviesraad Wmo, de voorwaarden te scheppen voor een sociaal krachtige samenleving, waarin mensen kunnen meedoen omdat zij worden aangesproken op hun kwaliteiten en op hun mogelijkheden om een bijdrage te leveren aan het leven van anderen. Als het nodig is worden mensen daarin ondersteund. Bij burgerparticipatie neemt de overheid het initiatief om inwoners te betrekken bij haar beleid(voornemens). In het geval van overheidsparticipatie nemen inwoners het initiatief, bijvoorbeeld in het kader van leefbaarheid, om iets te realiseren. Zij kunnen de overheid vragen om mee te denken. Deze fungeert dan als partner (zonder het initiatief over te nemen) en helpt door drempels te slechten, netwerkrelaties aan te boren, mee te denken, om het initiatief tot een succes te maken. Burgerparticipatie vraagt om een andere overheid, een andere rol dus. Dit zal in de toekomst steeds vaker voorkomen. Immers, de Wmo is een participatiewet maar zal steeds meer verantwoordelijkheden voor de samenleving tot gevolg zal hebben. Hier ligt een duidelijke relatie met domein 6 ‘andere dingen anders doen’: niet alleen de burgers moeten een cultuuromslag maken, maar ook de overheid! Digitalisering Digitalisering raakt alle maatschappelijke domeinen. Zowel de wijze van informatievoorziening als dienstverlening komt in aanraking met digitalisering en biedt nieuwe mogelijkheden. Mondige burger Het wordt al enkele jaren geroepen dat de burger van nu steeds mondiger wordt. De mondige burger komt graag en goed voor zichzelf op, maar hoe verhoudt zich dat tot de belangen van anderen? En nog meer, hoe verhoudt zich dat tot de belangen van anderen die niet (zo) mondig zijn? Een mondige burger kan nu voor zichzelf opkomen, maar wordt daarbij ook geacht zijn verantwoordelijkheid te nemen en te kiezen uit de vele mogelijkheden die hem worden aangeboden. Geen duurzaam stelsel van zorg, welzijn en AWBZ Het stelsel van maatschappelijke ondersteuning bestaande uit zorg, welzijn en AWBZ past niet meer binnen de huidige maatschappelijke context en is niet toekomstbestendig. Het systeem is inefficiënt en moet effectiever. De uitgavenstijging voor zorg en welzijn is onbeheersbaar. Het huidige systeem is onvoldoende in staat om goed antwoord te geven op de vraag van de mensen van nu en morgen. Er gaat ongelooflijk veel geld in om en als er niets verandert, wordt het huidige hoge niveau van zorg- en welzijnsvoorzieningen in de toekomst onbetaalbaar. Door het groter aantal ouderen en doordat meer ziektes behandeld kunnen worden nemen de kosten voor de (gezondheids)zorg steeds meer toe. De welzijnssector is nog te veel aanbodgericht en de samenleving wordt voor veel mensen steeds ingewikkelder waardoor meer ondersteuning nodig is om hen volwaardig te laten functioneren. Daarbij hebben we met elkaar een erg hoog niveau aan voorzieningen ingericht dat naar de toekomst toe niet houdbaar is. Waar gaan we heen? Domein 1 gaat over samen leven in buurt en dorp en schept als het ware de randvoorwaarde om prettig te leven in de wijk. Het gaat uit van de gedachte dat leefbaarheid en sociale samenhang een preventieve werking hebben en onnodig gebruik maken van voorzieningen kunnen voorkomen. Dit correspondeert met de uitgangspunten “uitgaan van eigen kracht”, “preventief werken” en “meer samenleving, minder overheid”. Het is de burger die in belangrijke mate bepaalt hoe de sfeer is in buurt of dorp en die een bijdrage kan leveren aan meer en beter contact tussen mensen onderling. Domein 1 is vooral een lokale aangelegenheid. De winst die behaald kan worden met regionale samenwerking is vooral kennisuitwisseling. Wat gaan we doen om er te komen? Domein 1 is vooral een lokale aangelegenheid. Elke gemeente is bezig met een zoektocht samen met burgers en belangrijke organisaties/spelers uit sectoren zoals wonen, veiligheid, zorg, welzijn, werk en onderwijs om een juiste invulling te geven aan dit domein. Gegeven de forse bezuinigingen zullen organisaties in dit domein te maken krijgen met subsidieverlagingen of zelfs subsidiebeëindigingen. Ook vragen als privatisering of afstoting van gemeentelijke accommodaties zullen de komende periode spelen, evenals het teruggaan naar kerntaken. Dit geldt niet alleen voor de lokale overheid, maar ook voor andere (gesubsidieerde) organisaties. Door afstemming tussen de regionale gemeenten kunnen we de succes- en faalfactoren van deze zoektocht in beeld krijgen en van elkaar leren. Actiepunten domein 1 Afhankelijk van de jaarplanning van de samenwerkende gemeenten, waarin onderwerpen voor samenwerking worden gedeeld en gewogen, komen de betrokken ambtenaren c.q. bestuurders welke dit onderwerp behartigen bijeen. Het doel van deze bijeenkomst is kennisuitwisseling en het delen van succes en faalfactoren binnen het onderwerp leefbaarheid en sociale samenhang op bijvoorbeeld de volgende thema’s: Woonservice, Subsidiebeleid, Maatschappelijk ondernemen, Sport en vrije tijd, Dorpsplannen, Bevolkingskrimp, Overheidsparticipatie, Welzijn Nieuwe Stijl, enz. Actuele ontwikkelingen bepalen mede de jaaragenda. 5.2.2 Domein 2: Opgroeien en ontwikkelen Relatie tussen dit domein en de Wmo Dit domein omvat in ieder geval prestatieveld 2 (Op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden). Met het oog op een toekomstbestendige, uitgebalanceerde Wmo, lijkt het ons van belang om dit domein breder te maken. We willen werken aan een toekomst waarin burgers zoveel mogelijk op eigen kracht kunnen doen en zelfredzaam zijn en hun medeverantwoordelijkheid nemen in de samenleving (zie de uitgangspunten “uitgaan van eigen kracht” en “meer samenleving, minder overheid”). Jonge burgers kunnen daar niet vroeg genoeg ervaring mee opdoen en daarin begeleid worden. De eerste verantwoordelijkheid van de opvoeding ligt bij de ouders/opvoeders. De gemeente heeft de taak ouders/opvoeders te ondersteunen en te stimuleren bij hun opvoedende taken. We richten ons dus niet alleen op de jeugd en gezinnen met een verhoogd risico op wat voor terrein dan ook, maar op alle jeugd en gezinnen. Dit is overigens niet iets dat we nu, met de Wmo voor ogen, voor het eerst gaan doen. Dit gebeurt al jaren via het brede jeugdbeleid en onder die noemer zullen we dat ook blijven doen, alleen zullen we op onderdelen de verbinding met de geest van de Wmo nadrukkelijker gaan leggen. Welke ontwikkelingen spelen zich af binnen dit domein? Jeugdzorg naar gemeenten De rijksoverheid heeft ingrijpende plannen voor een stelselwijziging binnen de jeugdzorg. De verantwoordelijkheid voor de vrijwillige jeugdzorg, maar ook voor delen van de AWBZ (zoals zorg voor jeugdige licht verstandelijk gehandicapten), moet hierin naar (samenwerkende) gemeenten. Door de gemeenten verantwoordelijk te maken moet de nadruk komen te liggen op het voorkomen van problemen en op hulpverlening in de buurt. Het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) vormt hierin een belangrijke spil. Dit betekent één geldstroom om het preventieve jeugdbeleid, de vrijwillige jeugdzorg, de hulp aan licht verstandelijk gehandicapten en de geestelijke gezondheidszorg voor jongeren te betalen. Ook moeten kinderen in de vrijwillige jeugdzorg zonder indicatie geholpen kunnen worden. Het nieuwe kabinet zal hierin voorstellen moeten doen. Komende wijziging van de Wet op de jeugdzorg in verband met de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de jeugdketen De gemeenten krijgen op grond van dit wetsvoorstel drie taken. Allereerst dient het college van burgemeester en wethouders (het college) zorg te dragen voor de organisatie van een Centrum voor Jeugd en Gezin. Ten tweede draagt het college er zorg voor dat alle betrokken partijen op het terrein van jeugdigen effectief met elkaar samenwerken. Het college voert de regie en ziet erop toe dat er sluitende afspraken gemaakt worden tussen instanties die hulp of zorg verlenen. Ten slotte krijgt de burgemeester de bevoegdheid om in een individueel geval de instelling aan te wijzen die met de coördinatie van de zorg wordt belast. CJG en integrale JGZ ontwikkeling De CJG ontwikkeling lokaal én in Twents verband gaat de komende tijd door. Belangrijke ontwikkeling in Twente is ook de nadere vormgeving van de integrale jeugdgezondheidszorg. Nu de zorg van 0-19 jaar in één organisatie is ondergebracht zal ook de meerwaarde volledig benut moeten worden. Demografisch Zoals bij de algemene ontwikkelingen is geschetst, zal de bevolking de komende decennia in absolute aantallen dalen, maar zal het percentage ouderen (65+) van de bevolking verdubbelen tot ongeveer 24%. Er komen (verhoudingsgewijs) dus minder jongeren en meer ouderen, waardoor de druk op voorzieningen toeneemt. Verzakelijking Door middel van beleidsgestuurde contractfinanciering (BCF) wordt tegemoet gekomen aan de wens om de subsidiesystematiek te verbeteren. In een moderne subsidierelatie krijgen maatschappelijke en culturele organisaties de rol van ondernemende opdrachtnemer. Door het leggen van een duidelijke relatie tussen de gemeentelijke beleidsdoelstellingen en beoogde resultaten, de prestaties van de instellingen en het hiervoor beschikbare budget wordt de bijdrage van instellingen aan het realiseren van de gemeentelijke beleidsdoelstellingen inzichtelijk gemaakt. De rolverdeling tussen gemeente en instellingen kan hierbij getypeerd worden als een rolverdeling tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. De gemeente bepaalt wat er moet gebeuren en de instellingen geven aan hoe dat het beste kan gebeuren. BCF heeft dus de volgende kenmerken: Regie op hoofdlijnen/vooraf vastgestelde doelen Vragen, ‘hoe’ het doel bereikt gaat worden, niet ‘of’ het doel bereikt gaat worden Cultuurverandering in samenleving en binnen de gemeentelijke organisatie Gemeente blijft wel faciliteren maar zaken zijn niet meer zo vrijblijvend ‘voor wat, hoort wat’ Gemeente moet duidelijker doelen formuleren. Deze kenmerken sluiten ook goed aan op Welzijn nieuwe stijl, waarvan een belangrijk kenmerk immers is dat er vraaggericht gewerkt wordt, gericht op een goede kwaliteit van het welzijnswerk. BCF is dus een instrument om Welzijn Nieuwe Stijl te kunnen vormgeven. Uitgangspunten bij het vormgeven van de verzakelijking zijn: Eigen verantwoordelijkheid van het individu benadrukken Maatwerk leveren in de weg naar het doel toe Aanpak aanpassen aan de huidige kennis (nieuw voor oud) Keuze voor kwaliteit in plaats van kwantiteit Investeren in bestaande kwaliteit Trends: Er komt veel op kinderen en jongeren af in de huidige tijd, maar ook op opvoeders. Veel (prestatie)druk, digitalisering van de maatschappij maakt dat de tijdsbesteding van jongeren anders is dan vroeger. Een bijbaantje prevaleert boven vrijwilligerswerk. Als er problematiek ontstaat, dan is zij vaak zwaarder. Bijzondere aandachtspunten zien we rond sociale vaardigheden, verslavingsproblematiek, overgewicht en huiselijk geweld, jonge mantelzorgers en effecten van de recessie op kinderen (armoede in gezinnen). Preventief beleid blijft nodig. Waar gaan we heen? Alle gemeenten hebben de opdracht opgepakt om een integraal preventief jeugdbeleid te voeren. Binnen de Wmo danwel het CJG staan hierbij 5 functies centraal: informatie en advies, signaleren van problemen, toegang tot het hulpaanbod, licht-pedagogische hulp en coördinatie van zorg. Schakels met onderwijs (zorgadviesteams), jeugdzorg en veiligheid zijn hierin ook een vereiste. Hierbij werken we op basis van de multidisciplinaire aanpak vanuit het principe ‘een kind/gezin – een plan’. Waar mogelijk wordt de eigen kracht benut. Verdere decentralisatie naar gemeenten van jeugdzorgtaken zien wij op ons afkomen als kans, mits voldoende randvoorwaarden meekomen. Het volgende doel streven we op dit domein na: Jeugdigen groeien evenwichtig op zodat zij als volwassenen volwaardig kunnen deelnemen aan de maatschappij. Dit vertalen we door de volgende doelstellingen: Het bevorderen van ontwikkelingskansen voor jeugdigen Het bevorderen van ontspanningsmogelijkheden voor jongeren Het activeren en ondersteunen van jongeren en opvoeders Het bevorderen van sociale vaardigheden van jeugd Het verhogen van het kennis- en opleidingsniveau Het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden Het versterken van het cultureel bewustzijn van jeugd Wat gaan we doen om er te komen? Uitgangspunt hierbij is dat er gestreefd wordt naar een sluitende aanpak door middel van ketensamenwerking. In de ketenaanpak dienen de taakstellingen van overheden en het producten- en voorzieningenaanbod van instellingen (informatie/advies, hulp- en dienstverlening en zorg) aan elkaar gekoppeld te worden om de keten sluitend te maken waarbij een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt. De inkleuring in het aanbod zal per gemeente verschillend ingevuld worden. De keten zorgt vervolgens gezamenlijk voor het sturen, faciliteren, ondersteunen en realiseren van de kerndoelstelling van integraal jeugd(zorg)beleid: opgroeien en ontwikkelen, waardoor je kunt meedoen. Ook de komende periode werken we als 5 gemeenten samen binnen het jeugdbeleid. In beleidsontwikkeling, vertegenwoordiging (in regionale overleggen/project CJG Twente) en operationeel (CJG) waar mogelijk. Eendracht is efficiënt en geeft kracht, zeker op dit terrein waar veel in beweging is. Ook richting de Provincie Overijssel wordt positief kritisch opgetrokken. De goede samenwerking, vertaald in het ondertekende convenant Jeugdagenda 2009-2012 en de gezamenlijke afspraken rond het Integraal realisatieprogramma (IRP) Twente, willen we laten renderen tot bruikbare producten. De komende periode volgen we de lokale CJG-ontwikkeling (incl. de zorgstructuur) en optimaliseren deze. Het project CJG Twente loopt in ieder geval tot en met 2011 met de ontwikkelgroepen: informatie en advies, pedagogische praktijk, coördinatie van zorg en RAAK (aanpak kindermishandeling), die verder zullen werken aan de implementatie van de adviezen uit het IRP. Actiepunten domein 2 De Subregionale samenwerking met betrekking tot de CJG-ontwikkeling en het jeugd(zorg)beleid op (sub)regionaal niveau wordt verder voortgezet; De 5 subregionale gemeenten blijven actief participeren in CJG Twente (een plan van de 14 Twentse gemeenten) Uitvoeren afspraken convenant jeugdagenda 2009-2012 met de provincie; De gemeenten nemen de regie bij het uitvoering geven aan de komende decentralisatie van de jeugdzorg. Verder ontwikkelen en optimaliseren van de zorgstructuur met als resultaat een sluitende keten van 0 tot 100 jaar. Bij de sluitende keten kijken wij nadrukkelijk naar de verbinding tussen de zorgketen en de justitiële keten. 5.2.3 Domein 3: Vrijwilligerswerk en mantelzorg Prestatieveld 4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning of domein 3 van deze nota gaat over het ondersteunen van mantelzorgers, daaronder valt ook steun bij het vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken tijdelijk niet kunnen waarnemen. Dit prestatieveld gaat ook over het ondersteunen van vrijwilligers. De doelstelling, de doelgroep en het bereik van mantelzorgondersteuning en het ondersteunen van vrijwilligers zijn totaal verschillend. In deze kadernota wordt dan ook duidelijk onderscheid gemaakt tussen het brede Vrijwilligerswerk enerzijds en Mantelzorg (mantelzorg, mantelzorgondersteuning en vrijwillige zorg) anderzijds. Vrijwilligerswerk is onbetaald, onverplicht maar niet vrijblijvend werk in (enig) georganiseerd verband, waarmee een maatschappelijk belang wordt gediend. Vrijwilligerswerk staat voor eigen verantwoordelijkheid en georganiseerde zelfwerkzaamheid van inwoners. Het vindt plaats op uiteenlopende maatschappelijke terreinen als wonen, cultuur, sport, religie, welzijn, onderwijs en zorg. Zowel vrijwilligers- als professionele organisaties zetten vrijwilligers in. Mantelzorg wordt omschreven als extra zorg - voortvloeiend uit een familiaire of sociale relatie - die niet vanuit een beroep en niet als betaalde arbeid wordt verleend. Mantelzorg overkomt mensen: men komt voor de keuze te staan en neemt dan de (vaak als vanzelfsprekend ervaren) verantwoordelijkheid. Mantelzorg kan allerlei vormen van hulp en zorg omvatten zoals huishoudelijke hulp, praktische steun, verzorging, verpleging, begeleiding, emotionele steun en toezicht. Bij een indicering voor AWBZ-zorg wordt mantelzorg geïnterpreteerd als indiceerbare zorg, uitgaande boven gebruikelijke zorg die huisgenoten elkaar geacht worden te verlenen. De CIZ protocollen geven daarvoor criteria. Er is een duidelijk onderscheid tussen mantelzorg en vrijwillige zorg. Vrijwillige zorg is vrijwilligerswerk: het vloeit niet voort uit een familiaire of sociale relatie, is een bewuste keuze, wordt verleend vanuit georganiseerd verband, is afgebakend in tijd en betrokkenheid en vindt met begeleiding plaats. Tien Twentse gemeenten hebben de vrijwillige zorg ondergebracht bij de Stichting Informele Zorg. De gemeenten Hellendoorn, Rijssen-Holten, Twenterand en Wierden en zes andere Overijsselse gemeenten behoren tot het werkgebied van de Stichting Vrijwillige Thuiszorg Overijssel, voor mantelzorgers en vrijwilligerszorg. Beide regionale stichtingen, alsmede enkele lokale aanbieders zoals Carinova, Mantelzorg Hulp Rijssen en de Stichting Mantelzorg Wierden-Enter voeren tevens de mantelzorgondersteuning uit. Bovendien wordt vrijwillige zorg vaak ingezet ter ontlasting van de mantelzorger (respijtzorg) en als vervangende mantelzorg. Om deze redenen is ervoor gekozen om de vrijwillige zorg onder het onderdeel Mantelzorg - en niet onder het onderdeel Vrijwilligerswerk - te laten vallen. 5.2.3.
  8. Domein 3A: Vrijwilligerswerk Relatie tussen dit domein en de Wmo Met de komst van de Wmo is wettelijk vastgelegd dat elke gemeente adequaat vrijwilligersbeleid moet hebben ter ondersteuning van het vrijwilligerswerk. In de geest van de Wmo “Iedereen moet (kunnen) meedoen” gaat het hierbij om het bevorderen van actief burgerschap, maar ook om het versterken van het maatschappelijk (midden)veld. Vrijwilligerswerk is de basis van zelfredzaamheid, participatie, sociale samenhang en leefbaarheid en daarmee een belangrijk fundament voor maatschappelijke ondersteuning. Vrijwilligerswerk is met name van belang voor de domeinen Samen leven in buurt en dorp, Opgroeien en ontwikkelen en Meedoen makkelijker maken. Vrijwillige inzet vertegenwoordigt een groot sociaal, economisch, democratisch en dienstverlenend kapitaal: vier tot vijf miljoen burgers verrichten gezamenlijk zo’n 20 miljoen uur vrijwillige inzet per week oftewel ruim 1 miljard uur per jaar hetgeen overeenkomt met 600.000 fulltime arbeidsplaatsen per jaar [5]. De samenleving is continu in beweging waardoor steeds nieuwe vraagstukken ontstaan. Het betrekken van vrijwilligers en andere belanghebbenden zorgt voor de juiste maatschappelijke veerkracht om deze vraagstukken op te lossen. Gezien de grote diversiteit tussen gemeenten hebben deze de ruimte om - vanuit de voorgeschreven basisfuncties - lokaal invulling te geven aan de ondersteuning van het vrijwilligerswerk. Wel dient hierbij aangegeven te worden hoe bovenlokale vraagstukken opgepakt zullen worden. [5] Basisfuncties Lokale ondersteuning vrijwilligerswerk en mantelzorg - VNG, VNOV en ministerie VWS Welke ontwikkelingen spelen zich af binnen dit domein? Maatschappelijke ontwikkelingen - zoals de economische recessie, de bevolkingskrimp, de vergrijzing, de ontgroening, de hogere arbeidsparticipatie van vrouwen, de verhoging van de AOW-leeftijd, de veranderende leefstijl en de vermaatschappelijking van zorg - zullen enerzijds een groeiende vraag naar vrijwilligers en anderzijds druk op het beschikbaar aantal vrijwilligers doen ontstaan. Uit de landelijke toekomstverkenning voor vrijwilligerswerk blijkt dat het aantal vrijwilligers tot 2015 redelijk stabiel blijft. Positieve krachten, zoals een gemiddeld hoger opleidingsniveau (dat leidt tot meer vrijwilligerswerk) compenseren het negatieve effect van een afname in de beschikbare vrije tijd. Er lijkt dus geen aanleiding voor ingrijpende (beleids)maatregelen. Voor de toekomst worden echter wel enkele trends, zoals vergrijzing, gesignaleerd die dit evenwicht in vraag en aanbod in gevaar kunnen brengen. Vrijwilligers vergrijzen. Onder jongeren neemt het vrijwilligerswerk niet evenredig toe. De veranderende leefstijl van burgers (minder vrije tijd, combineren van diverse rollen en verantwoordelijkheden) vraagt bovendien om een eigentijdse manier waarop vrijwilligersactiviteiten worden aangeboden en georganiseerd. Voorheen waren vaste uren en patronen vanzelfsprekend. Nu is er behoefte aan een meer flexibele en gerichte invulling van vrijwilligerswerk. Er is volgens het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) een kwaliteitsslag nodig om actieve vrijwilligers te behouden en om nieuwe groepen (jongeren, allochtonen en hoger opgeleide ouderen) aan te boren. De situatie is dat de (potentiële) vrijwilliger steeds meer een kritische consument wordt, die eisen stelt aan de werkzaamheden en de organisatie waarvoor hij zich als vrijwilliger inzet. Verder zijn er mogelijkheden ontstaan voor vrijwillige inzet vanuit inburgering, arbeidsreïntegratie, maatschappelijke stages en maatschappelijk ondernemerschap. Dit brengt nieuwe samenwerkingsmogelijkheden met zich mee. In het kader van maatschappelijke stages bijvoorbeeld hebben de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Vereniging Nederlandse Gemeenten een convenant gesloten over de ontwikkeling van een makelaarsfunctie ten behoeve van maatschappelijke stages en de stimulering van vrijwilligerswerk. Vanaf schooljaar 2011-2012 dienen alle leerlingen op het voortgezet onderwijs stage te lopen. Regio Twente is als pilot al in het schooljaar 2009-2010 van start gegaan. Gezien de kenmerken van Welzijn Nieuwe Stijl en het uitgangspunt “meer samenleving, minder overheid” heeft het vrijwilligerswerk een spilfunctie in maatschappelijke ondersteuning. Vrijwilligerswerk verbindt het individu met de gemeenschap, heeft de opdracht om mensen te activeren, gaat uit van de eigen kracht van mensen, heeft een preventieve werking, zit in de haarvaten van de samenleving en heeft grote economische waarde. De vijf gemeenten maken - mede met het oog op het belang van vrijwilligerswerk en de krimpende (financiële) middelen - een omslag naar beleidsgestuurde financiering. Hierbij wordt, op basis van prestatieafspraken met de gesubsidieerde instellingen, met zo min mogelijk middelen een zo optimaal mogelijk maatschappelijk rendement nagestreefd. Ook in de “Kanteling” waarbij het invulling geven aan de compensatieplicht optimale zelfredzaamheid en participatie van inwoners met een beperking wordt nagestreefd, heeft het vrijwilligerswerk een belangrijke functie. Hierbij kan gedacht worden aan dienstverlening door vrijwilligers, maar ook aan vrijwillige inzet van de inwoner met een beperking. Voorbeeld Moet die eenzame man eens per week bezocht worden door een professional uit de AWBZ? Of moet het geregeld worden, dat hij kan aanschuiven bij de gezamenlijke maaltijd in de buurt - die verzorgd wordt door vrijwilligers - waar hij met buurtgenoten in contact komt en op zijn beurt iets kan betekenen voor de buurtgenoten? Voor de ondersteuning van vrijwilligerswerk is in de afgelopen decennia al een infrastructuur opgebouwd van landelijke organisaties, provinciale - en lokale steunpunten. Voor de lokale steunpunten is een kader ontworpen met functies die bijdragen aan de ondersteuning van het vrijwilligerswerk. In de beleidsbrief ‘Mantelzorg en Vrijwilligerswerk 2008 – 2011 Voor Elkaar’ wordt het beleid van VWS beschreven. Bij de uitwerking van de lokale ondersteuning van het vrijwilligerswerk is - voortbouwend op het bestaande kader - gekozen voor de volgende verplichte basisfuncties:
  9. Vertalen maatschappelijke ontwikkelingen In de gemeente is men in staat een visie op maatschappelijke ontwikkelingen te formuleren en daar - door interactieve beleidsvorming - beleid op te maken en hier uitvoering aan te geven.
  10. Verbinden en makelen In de gemeente is men in staat om een netwerk tot stand te brengen en te onderhouden, waarin tussen vrijwilligersorganisaties en ondersteuningsorganisaties verbindingen worden gelegd. Dit platform kan een belangrijke rol spelen bij de interactieve beleidsvorming. Makelen is het actief en bewust bij elkaar brengen van vraag en aanbod op het gebied van vrijwilligerswerk. Dit veronderstelt de aanwezigheid van een bemiddelende instantie of persoon, met een onafhankelijke positie in het maatschappelijk (midden)veld.
  11. Versterken In de gemeente is men in staat om een effectieve lokale of regionale ondersteuningsinfrastructuur op te bouwen en te onderhouden waarmee het vrijwilligerswerk wordt ondersteund en versterkt.
  12. Verbreiden In de gemeente is men in staat om het vrijwilligerswerk te promoten en uiting te geven aan waardering voor het vrijwilligerswerk.
  13. Veranken In de gemeente is men in staat opgedane kennis en ervaring in het vrijwilligerswerk te borgen en vast te leggen. Daarnaast is het van belang kennis en ervaring te evalueren en de evaluatiegegevens te gebruiken voor innovatie. Hierin speelt het lokale steunpunt een rol, maar het ontwikkelen van methodieken en trainingen kan ook op regionaal of landelijk niveau in gang gezet worden. De rijksoverheid wil dat vanaf 2012 in 75% van de Wmo-plannen de basisfuncties lokale ondersteuning vrijwilligerswerk zijn opgenomen. In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft SVWO/Arcon in 2009 in alle Overijsselse gemeenten de “Goed voor Elkaar – nulmeting / basisfuncties vrijwilligerswerk” uitgevoerd. Tijdens het congres van 22 maart 2010 zijn de uitkomsten gepresenteerd en zijn de Overijsselse ontwikkelpunten - zijnde doelgroepenbeleid, Erkenning Verworven Competenties (EVC) en rol van de overheid - verder uitgewerkt. Er wordt een vervolg gegeven aan de provinciale bijeenkomst. Waar gaan we heen? Uit de evaluatie van de “Wmo regionale kadernota: samenwerken, verbreden en verbinden - oktober 2007” is naar voren gekomen, dat vrijwilligerswerk een belangrijk fundament is voor maatschappelijke ondersteuning. Door maatschappelijke ontwikkelingen en veranderende wet- en regelgeving neemt het belang van (ondersteuning van) vrijwilligerswerk alleen maar toe. Als vijf gemeenten willen we de komende jaren dan ook nadrukkelijk het voorzieningenniveau voor vrijwilligers op peil houden. Elke gemeente wil in het Wmo-plan de basisfuncties lokale ondersteuning vrijwilligerswerk hebben opgenomen. Verder wil men zorg dragen voor een blijvende situatie van voldoende én voldoende toegeruste vrijwilligers. Er is geconstateerd dat subregionale afstemming hierbij grote meerwaarde kan hebben onder andere wat betreft: het verder vormgeven aan de basisfuncties het vormgeven aan publiciteit voor (h)erkenning vrijwilligerswerk het uitvoeren van maatschappelijke stages het bevorderen van deskundigheid van vrijwilligers het uitwisselen van kennis en ervaring tussen de lokale steunpunten vrijwilligerswerk en gemeenten Wat gaan we doen om er te komen? Per gemeente zal - onder andere met behulp van de 0-meting “Goed voor Elkaar/basisfuncties vrijwilligerswerk” - beoordeeld worden in hoeverre de basisfuncties lokale ondersteuning vrijwilligerswerk zijn ingevuld. De ontbrekende zaken zullen subregionaal worden ingebracht, zodat bekeken kan worden of het meerwaarde heeft dat informatie wordt uitgewisseld en gezamenlijk actiepunten worden uitgewerkt. Diepgang van de afstemming en samenwerking is hierbij punt van bespreking. Bij het vormgeven aan subregionale afstemming wordt gebruik gemaakt van de bestaande overlegstructuur (Stuurgroep Wmo, Racow en werkgroepen). Actiepunten domein 3A Per gemeente wordt in 2011 beoordeeld in hoeverre de basisfuncties lokale ondersteuning vrijwilligerswerk zijn ingevuld. Subregionaal wordt vervolgens bekeken of door samenwerking de eventueel ontbrekende zaken op het gebied van vrijwilligerswerk ingevuld kunnen worden (Plan eind 2011). (Indien meerwaarde) Plan van Aanpak voor subregionale samenwerking en uitvoering
(2012). .2.3.2 Domein 3 B: Mantelzorg, mantelzorgondersteuning en vrijwillige zorg Relatie tussen dit domein en de Wmo De Wmo heeft voor het eerst een wettelijk kader aan het beleidsterrein mantelzorg-ondersteuning gegeven. In mantelzorgondersteuning vinden de kernbegrippen van maatschappelijke ondersteuning hun weerslag: zelfredzaamheid, zorg in eigen kring, participatie, sociale samenhang en wederkerigheid. Mantelzorg staat voor een aantal belangrijke waarden in maatschappelijke ondersteuning namelijk zorg in eigen kring en het meedoen van naasten mogelijk maken. Het staat symbool voor de verschuiving van verzorgingsmaatschappij naar participatiemaatschappij. Het heeft met name raakvlak met de domeinen Opgroeien en ontwikkelen, Meedoen makkelijker maken en Preventie, zorg en opvang. Ook mantelzorg vertegenwoordigt een groot sociaal, economisch, democratisch en dienstverlenend kapitaal. In 2008 waren er 3,5 miljoen Nederlanders van 18 jaar en ouder die mantelzorg verleenden. Dit komt overeen met 28% van het totaal aantal Nederlanders van 18 jaar en ouder. Van het totaal aantal Ned

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.