← Nederland

Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026 (Capelle aan den IJssel)

In het kort

Deze verordening regelt de jeugdhulp in de gemeente Capelle aan den IJssel, waarbij de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen primair bij ouders en de jeugdige zelf ligt. Het beschrijft hoe jeugdhulp wordt aangevraagd, toegekend en georganiseerd.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

lege van burgemeester en wethouders van 23 september 2025; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet en gezien het advies van de Commissie Samenleving en Economie (SLE

Artikel1

.Begripsbepalingen 1.In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; budgetbeheerder: degene die namens de budgethouder het pgb beheert, zijnde de ouder of voogd van een jeugdige jonger dan 18 jaar, een voogd, of een door hen gevolmachtigde; budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet; CIZ: het Centrum indicatiestelling zorg, genoemd in artikel 7.1.1 van de Wet langdurige zorg; CJG: het centrum voor Jeugd en Gezin Capelle aan den IJssel; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel; draagkracht: de normale, dagelijkse hulp die ouder(s), andere huisgenoten en/of het sociale netwerk vanuit eigen kracht elkaar onderling kunnen bieden. Ouders moeten de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen verzorgen, opvoeden en toezicht op hen houden. Ook al is er sprake van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Het betreft hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf. draaglast: de belasting die het gezin ervaart, veroorzaakt door de dagelijkse verzorging, opvoeding en toezicht van de tot het gezin behorende minderjarige jeugdigen, overige problematiek binnen het gezin, en omstandigheden en eisen uit de omgeving die spanningen kunnen veroorzaken; evaluatieverslag: weergave van de uitkomsten van de evaluatie van de afspraken uit het familiegroepsplan of het gezinsplan; familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; gemeente: gemeente Capelle aan den IJssel; gezinsplan: weergave van de uitkomsten van het onderzoek bedoeld in artikel 6, eerste lid en van de afspraken die met de jeugdige of zijn ouders zijn gemaakt omtrent de concrete doelen die men wil bereiken en de manier waarop men zich inzet om deze doelen te behalen; hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouder(

  1. s)aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; iJw: door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1 van de Regeling Jeugdwet; ingezetene: persoon die is ingeschreven op een adres in de gemeente en ook feitelijk in de gemeente woont; jeugdhulpvoorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2 van de verordening melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid; ouders: De wet sluit voor het begrip "ouders" aan bij het Burgerlijk Wetboek (Boek 1). Daarin zijn de juridische ouders degene van wie het kind afstamt of die het kind hebben geadopteerd. Een ouder kan met of zonder gezag zijn. Alleen ouders met gezag zijn ook wettelijk vertegenwoordiger. overige voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet; sociaal netwerk: het netwerk, bestaande uit onder andere familie, vrienden, kennissen, buren, buurtgenoten, basisvoorzieningen dat een bijdrage kan leveren aan de oplossing van de hulpvraag van de jeugdige en de ouders; vrij toegankelijke voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de verordening; verordening: de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026; Verzorgers: Verzorgers zijn personen die het kind feitelijk verzorgen en opvoeden, zonder dat zij automatisch ook gezag of juridische status hebben. De Jeugdwet erkent hun rol in de opvoedsituatie, maar zij zijn niet beslissingsbevoegd tenzij zij ook gezag hebben of gemachtigd zijn. wet: Jeugdwet. wettelijk vertegenwoordigers De wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige is de persoon die op grond van artikel 1:245 e.v. Burgerlijk Wetboek het gezag over het kind uitoefent. Dat kunnen zijn: de ouder met gezag; een voogd (indien het gezag daar is neergelegd) of een instelling / gezinsvoogdijinstelling bij een maatregel van kinderbescherming. 2.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Regeling Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Hoofdstuk2:Vormen van jeugdhulp Artikel2.Vormen van jeugdhulp 1.De in bijlage 1 van de verordening opgenomen vrij toegankelijke voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar. 2.De in bijlage 2 van de verordening opgenomen niet vrij toegankelijke voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar. 3.De maximale duur en de intensiteit van de onder het derde lid genoemde voorzieningen is opgenomen in bijlage 3.1 van de verordening. 4.Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie en met inachtneming van het derde lid met jeugdhulpaanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen: doelgroepen; activiteiten; doorlooptijd; intensiteit; kwaliteit; beoogd resultaat; vermelding productcode iJw. Hoofdstuk3.Toegang tot de jeugdhulpvoorzieningen Artikel3.Toegang jeugdhulp via de gemeente 1.Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het Centrum Jeugd en Gezien Capelle aan den IJssel. 2.Het eerste contact over de hulpvraag is gericht op verheldering van de hulpvraag en op advies aan jeugdigen en ouders. 3.Van een aanvraag voor een jeugdhulpvoorziening in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is sprake op het moment dat een aanvraag duidelijk, concreet en schriftelijk is ingediend. 4.Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 9 aan als een aanvraag als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven. 5.Als een jeugdige of zijn ouder(
  2. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in als bedoeld in artikel 18. Een door de jeugdige of zijn ouder(
  3. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend pgb-plan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb. 6.Als een jeugdige of zijn ouder(
  4. s)een budgetbeheerder willen aanwijzen om jeugdhulp in te kopen met een pgb, dan dienen zij binnen acht weken na de aanvraag een vertegenwoordiger te vinden die naar het oordeel van het college voldoet aan alle eisen die deze verordening hieraan stelt. 7.Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan gemotiveerd worden verlengd met nog eens maximaal acht weken. 8.Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. 9.In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. 10.Als uit het ondersteuningsplan blijkt dat de gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(
  5. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening. Artikel4.Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(
  6. s)is verleend door een jeugdhulpaanbieder die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3.Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden. 4.De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Artikel5.Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter 1.Het college zorgt conform de wet voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 2.De gecertificeerde instelling treedt conform artikel 3.5, eerste lid, van de wet in overleg met de gemeente over de inzet van de benodigde jeugdhulp. 3.Jeugdhulp die door de gecertificeerde instelling wordt bepaald, betreft geen jeugdhulp van een jeugdhulpaanbieder die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 4.Van het derde lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening. Hoofdstuk4:Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening Artikel6.Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1.Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(
  7. s)dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2.Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5 van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3.Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(
  8. s)het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(
  9. s)daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. De termijn van 6 weken, bedoeld in het eerste lid, start vanaf de dag waarop het college het familiegroepsplan heeft ontvangen. 4.Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(
  10. s)dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dit gebeurt conform artikel 9, vierde lid. 5.Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijk vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(
  11. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger: wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(
  12. s)is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan; de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(
  13. s)of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens: welke problemen of stoornissen dat zijn; welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
  14. s)en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s); indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 6.Als de jeugdige of zijn ouder(
  15. s)een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Artikel7.Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1.Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2.Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. 3.Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt. Artikel8Identificatie 1.Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(
  16. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 2.Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan: een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); een buitenlands paspoort; of een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Artikel9.Verslag 1.Binnen 6 weken na de datum waarop het college de aanvraag heeft ontvangen, of binnen 6 weken na ontvangst van het familiegroepsplan, verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(
  17. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(
  18. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden door hen aan het verslag toegevoegd. 2.Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(
  19. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen. 3.Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(
  20. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(
  21. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. 4.Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(
  22. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening. Artikel10.Criteria voor toekenning van een individuele voorziening 1.Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. 2.Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1 van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt uitgegaan van het overzicht van normen gebruikelijke zorg voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen zoals opgenomen in bijlage 5 bij de verordening. 3.Er wordt, ook bij bovengebruikelijke zorg, geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige indien de draagkracht van de ouders en/of het sociale netwerk wordt beoordeeld als gelijk aan, dan wel groter dan de draaglast. 4.Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: daadwerkelijk beschikbaar is; en passend en toereikend is voor de hulpvraag. 5.Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. 6.Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. 7.Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(
  23. s)zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: Movisie: Databank Effectieve Sociale Interventies; Nederlands Jeugd Instituut (NJi): Databank Effectieve Jeugdinterventies; Trimbos Instituut: Databank Erkende interventies GGZ; De Grote Methodiekengids; Praktijkstandaarden Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie Vergelijkbaar: een interventie die beschikt over een vergelijkbare onafhankelijke beoordeling en erkenning; In het geval van een (nieuwe) interventie of methodiek die niet is opgenomen in de onderdeel a tot en met e vermelde databanken en tevens niet voldoet aan de onderdeel f omschreven vereisten kan het college besluiten de methodiek te verifiëren en accorderen. 8.In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben die ondersteunend of voorwaardelijk is voor het oplossen van de hulpvraag van de jeugdige mag van de ouders een inzet worden verwacht dat zij hieraan deelnemen. 9.Het college kan nadere regels stellen voor de geïntegreerde aanpak van meervoudige problematiek in de context van het gezin. Artikel11.Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1.Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(
  24. s)toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). 2.Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). 3.Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(
  25. s)zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
  26. s)tekortschiet, omdat sprake is van: geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 4.Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan; de ondersteuning vanuit het sociale netwerk; het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. 5.Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp door de ouder waar de jeugdige niet bij woont. Artikel12.Vervoer 1.Uitgangspunt is dat ouder(
  27. s)in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het (regelen van) vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. 2.Bij de individuele voorzieningen kan vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, worden toegekend, voor zover het naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de betreffende jeugdige, mits niet vanuit andere regelingen of instanties vergoed of anderszins verzekerd. 3.Er is geen sprake van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid in de volgende situaties: Ouders kunnen de jeugdige niet naar de jeugdhulplocatie vervoeren vanwege beïnvloedbare werkverplichtingen; Ouders hebben gekozen voor een jeugdhulpaanbieder buiten de regio, terwijl een vergelijkbaar aanbod binnen de regio beschikbaar is; Jeugdige is in staat om zelfstandig met eigen of met het openbaar vervoer te reizen; Ouders aangeven onvoldoende financiële middelen te hebben voor de reiskosten, hiervoor zijn de regelingen binnen de Participatiewet voorliggend; Ouders die op basis van een andere wet of verzekering in aanmerking komen voor een vergoeding van de vervoerskosten; Ouders die een aangepast vervoersmiddel voor de jeugdige hebben ontvangen op grond van onder andere Wmo of de verordening leerlingenvervoer. De afstand naar de jeugdhulplocatie minder is dan de in bijlage 3.2 genoemde afstand en/of het aantal keren halen en brengen per week minder is dan het in bijlage 3.2 opgenomen aantal. 4.Er is sprake van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid in de volgende situaties: de jeugdige kan niet reizen met het openbaar vervoer, ook niet onder begeleiding van een volwassene, en ouders beschikken niet over passend vervoer om de jeugdige naar de jeugdhulplocatie te vervoeren, en er is door ouders aangetoond dat ouders of andere personen uit het sociaal netwerk niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer. 5.Indien er sprake is van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid ten aanzien van het vervoer van en naar een jeugdhulplocatie voorziet het college alleen in dat deel van de vervoersbewegingen dat niet zelf door de ouders en/ of andere personen uit het sociaal netwerk kunnen worden verzorgd. Artikel13.Dyslexie 1.Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg in het geval het vermoeden van ernstige dyslexie conform het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie volgens de versie welke wordt vermeld in bijlage 5 bij de verordening. 2.De dyslexiezorg die door het college wordt toegekend bestaat uit: Diagnostiek bij een vermoeden van ernstige dyslexie; Behandeling van ernstige dyslexie. 3.Dyslexiezorg is alleen beschikbaar voor leerlingen van 7 tot en met 12 jaar, waarbij op de school voor primair onderwijs het vermoeden van ernstige dyslexie is geconstateerd. 4.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de afbakening van dyslexiezorg, de werkwijze van de toegang tot dyslexiezorg en de eisen waaraan het leerlingendossier dient te voldoen. Artikel14.Vaktherapie 1.Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines: beeldende therapie; danstherapie; dramatherapie; muziektherapie; psychomotorische therapie; psychomotorische kindertherapie; en speltherapie. 2.Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de desbetreffende beroepsvereniging voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding heeft volbracht. 3.De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder en/of het CJG moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling. 4.Vaktherapie kan alleen worden ingezet als onderdeel van de totale behandeling onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. 5.Van het bepaalde in het vierde lid kan alleen worden afgeweken als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is. 6.Indien ouders over een aanvullende zorgverzekering beschikken, wordt deze eerst aangesproken voor de vergoeding van vaktherapie wanneer deze geen onderdeel is van een totale behandeling. Artikel15.Kinderopvang, buitenschoolse opvang en onderwijs 1.Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. 2.Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college de verplichting om in samenwerking met het onderwijs tot een passende oplossing te komen voor de hulpvraag. 3.Het college kan nadere regels stellen inzake de inzet aanvullende begeleiding in uitzonderlijke situaties, waarin een jeugdige in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(
  28. s)kan worden verwacht. 4.Het college kan, na overleg met (regionale) onderwijsorganisaties, nadere regels stellen inzake de afstemming van jeugdhulp en onderwijs. Artikel16.Wonen en zorg 1.Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een jeugdhulpaanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie. Artikel17.Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening 1.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt, ingeval een voorziening in natura wordt verstrekt, in de beschikking in ieder geval vastgelegd: wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt, ingeval een voorziening in de vorm van een pgb wordt verstrekt, in de beschikking in ieder geval vastgelegd: waarom voor een pgb is gekozen; aan welk resultaat het pgb moet worden besteed; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. Hoofdstuk 5: Aanvullende regels persoonsgebonden budget (pgb) Artikel18.Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb 1.Als een jeugdige of zijn ouder(
  29. s)in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(
  30. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen: de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(
  31. s)niet passend is en een pgb gewenst is; welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(
  32. s)willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd; dat de in te kopen jeugdhulp in ieder geval voldoet aan alle relevante eisen die de wet, de verordening, branchenormen, governancecodes en professionele standaarden voorschrijven; de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(
  33. s)willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 19, eerste lid, onderdeel a tot en met j waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. 2.Het college verstrekt een pgb als: de jeugdige of zijn ouder(
  34. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, niet passend achten; uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 19 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(
  35. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat. 3.Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; op basis van de in artikel 29, tweede lid, onderdeel h, omschreven Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder; of de ondersteuning die de ouder en/of jeugdige met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; en bij de toekenning van een pgb aan een persoon uit het sociaal netwerk er geen risico op overbelasting is. 4.Een pgb is niet mogelijk: voor andere of overige voorzieningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste en tweede lid; voor pleegzorg en daarmee vergelijkbare vormen van verblijf; voor zover er sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet; voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die voorafgaand aan de indiening van de aanvraag zijn gemaakt; voor hulp van een jeugdhulpaanbieder die door het college is ingekocht voor het bieden van jeugdhulp in zorg in natura; voor hulp door een jeugdhulpaanbieder die tevens huisvesting en/of een huurovereenkomst aan de betrokkene wenst aan te bieden; indien door de beoogde jeugdhulpaanbieder druk is uitgeoefend op de aanvrager om dienstverlening, in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie af te nemen. 5.De volgende voorwaarden zijn van toepassing bij de besteding van een pgb: er is geen verantwoordingsvrij bedrag; voor budgethouders met meerdere pgb’s is schuiven tussen verschillende budgetten niet toegestaan, tenzij hierover schriftelijke afspraken zijn gemaakt met het college; het pgb mag worden besteed bij een jeugdhulpaanbieder zowel binnen als buiten de gemeente, maar in ieder geval binnen Nederland. Een pgb mag alleen na voorafgaande schriftelijke toestemming van het college besteed worden in EU-landen; deze jeugdhulpaanbieder dient te voldoen aan het afsprakenkader buitenlands hulpaanbod; betalingen van diensten geschiedt op declaratiebasis. Vaste, maandelijkse betalingen zijn niet toegestaan, tenzij er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen cliënt en zorgverlener. 6.Het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen. Artikel19.pgb-vaardigheid 1.Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2.Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder; er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden: problematische schuldenproblematiek; ernstige verslavingsproblematiek; aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; een aanmerkelijke verstandelijke beperking; een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag. 3.Het college kan nadere regels stellen aan de wijze waarop de pgb-vaardigheid van pgb-budgethouders en/of een vertegenwoordiger wordt getoetst. Artikel20.Onderscheid pgb-jeugdhulpaanbieders 1.Een pgb kan worden uitgevoerd door: een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007; of een zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007; of een persoon uit het sociaal netwerk van de jeugdige en de ouders. 2.Als het pgb wordt verzorgd door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onderdeel a of b, is er altijd sprake van hulp in het sociaal netwerk. 3.Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van hulp in het sociaal netwerk. 4.De norm verantwoorde werktoedeling zoals beschreven in het Kwaliteitskader Jeugd is van toepassing op alle in artikel 1 onderscheiden pgb-jeugdhulpaanbieders. Er wordt geen pgb verstrekt indien de jeugdhulpaanbieder niet kan voldoen aan de werktoedeling als vereist op basis van het Kwaliteitskader Jeugdhulp. Artikel21.Kwaliteitseisen pgb-jeugdhulpaanbieders 1.Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoen de in artikel 20, lid 1 onder a, b en c genoemde uitvoerders van een pgb aan de volgende eisen: beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s); stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(
  36. s)gebruik van maken; respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(
  37. s)en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(
  38. s)voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college. 2.Voor een instelling als uitvoerder van een pgb, als omschreven in artikel 20, eerste 1, onderdeel a, gelden de volgende aanvullende eisen: De instelling: beschikt als bedrijf over een recente (maximaal 2 jaar oude) Gedragsverklaring Aanbestedingen; beschikt over een recente (maximaal 6 maanden oude) verklaring van de Belastingdienst inzake het betalen van belastingen en premies; beschikt over een kwaliteitskeurmerk (zoals bijvoorbeeld HKZ) of een gelijkwaardig Kwaliteitshandboek; kan aantonen door middel van een recente jaarrekening dat de instelling financieel stabiel is; kan aantonen door middel van een recente jaarrekening dat er geen excessief hoge winsten worden gemaakt zonder opgaaf van bedrijfseconomische valide redenen; is niet recent veroordeeld dan wel verdachte in een lopend onderzoek naar fraude; dient naar waarheid een rechtsgeldige een Eigen Verklaring af te leggen over de financiële toestand, bekwaamheden en geschiktheid van een ondernemer. De door de instelling ingezette medewerkers: beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie; staat ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 3.Voor een ZZP-er als uitvoerder van een pgb als omschreven in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, gelden de volgende aanvullende eisen: De ZZP-er: beschikt over een recente (niet ouder dan 6 maanden) verklaring van de Belastingdienst inzake het betalen van belastingen en premies; beschikt over een kwaliteitshandboek, dan wel een beschrijving van de kwaliteitsborging bij de uitvoering van de jeugdhulp; is niet recent veroordeeld dan wel verdachte in een lopend onderzoek naar fraude; dient naar waarheid een rechtsgeldige een Eigen Verklaring af te leggen over zijn of haar financiële toestand, bekwaamheden en geschiktheid. De ZZP-er: beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie; staat ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 4.Voor een uitvoerder van jeugdhulp in het sociaal netwerk, als omschreven in artikel 20, lid 1, onder c, geldt de volgende aanvullende eis: De uitvoerder beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Artikel22.Hoogte pgb 1.De hoogte van het pgb voor jeugdhulp verzorgd door een uitvoerder als omschreven in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, bedraagt maximaal 90% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. 2.De hoogte van het pgb voor jeugdhulp verzorgd door een uitvoerder als omschreven in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, bedraagt maximaal 80% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. 3.De hoogte van het pgb voor jeugdhulp zoals omschreven in artikel 20, eerste lid onder c is gelijk aan het wettelijke minimum(uur)loon. 4.Inzake indexatie wordt het volgende bepaald: De in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde tarieven worden jaarlijks geïndexeerd met een gelijk percentage waarmee het in deze artikelen genoemde het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura wordt geïndexeerd. Het in het derde lid van dit artikel genoemde tarief wordt jaarlijks aangepast conform de indexering van het wettelijke minimum(uur)loon. 5.Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(
  39. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 6.Een pgb is nooit hoger dan de goedkoopste vergelijkbare voorziening in natura. 7.Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb-tarieven vast per 1 januari van ieder kalenderjaar en maakt deze bekend door het stellen van nadere regels. Artikel23.Uitgesloten van pgb 1.De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: kosten voor bemiddeling; kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; reiskosten; kosten voor het voeren van een pgb-administratie; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb; extra beloningen, zoals eindejaarsuitkering of overlijdensuitkering en gratificaties; contributie voor het lidmaatschap van belangenverenigingen voor budgethouders, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb, kosten voor het bestellen van informatiemateriaal; alle zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Jeugdwet valt; alle zorg en ondersteuning (door jeugdhulpaanbieders) buiten EU-landen. Hoofdstuk6:Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel24.Inlichtingen 1.Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(
  40. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Dit laat onverlet dat jeugdigen, zijn ouders dan wel budgetbeheerder geacht worden zich voldoende te verdiepen in alle relevante wettelijke kaders, de verordening, beschikkingen en overige voorschriften. 2.Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige of zijn ouder(
  41. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb. 3.Een jeugdhulpaanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) is verplicht het college onverwijld schriftelijk te melden als niet langer aan de eisen gesteld bij of krachtens de wet kan worden voldaan. 4.Het college treedt na ontvangst van een melding als bedoeld in het vorige lid in overleg met de jeugdhulpaanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: met de budgethouder), over de wijze waarop binnen een redelijke termijn wel aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen kan worden voldaan. Artikel25.Niet meewerken ouder(
  42. s)1.De jeugdige, zijn ouder(
  43. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2.Als de jeugdige, zijn ouder(
  44. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. Artikel26.Herziening en verlenging 1.Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te herzien. 2.Een aanvraag tot verlenging van een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb is alleen mogelijk indien: deze 3 maanden voor het aflopen van de beschikking is ingediend; de jeugdige, de ouders en de jeugdhulpaanbieder medewerking verlenen aan een evaluatiegesprek; de jeugdhulpaanbieder een evaluatieverslag overlegt waaruit blijkt dat een evaluatie heeft plaatsgevonden op de doelen, nieuwe doelen zijn gesteld, de hulp tot resultaat heeft geleid, er een perspectief ligt en er waar mogelijk (tussentijdse of geleidelijke) afbouw is ingericht. 3.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de uitvoering van periodiek onderzoek, herziening en verlenging. Artikel27.Intrekking, opschorting en terugvordering 1.Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat: de jeugdige of zijn ouder(
  45. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouder(
  46. s)niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten; de jeugdige of zijn ouder(
  47. s)niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb; de jeugdige of zijn ouder(
  48. s)het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is; de jeugdige of zijn ouder(
  49. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulpaanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan als bedoeld in artikel 31, 33, 35 of 36; de jeugdige langer dan vier weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 2.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 3.Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige of zijn ouder(
  50. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich niet binnen zes maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder. 4.Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het eerste lid onderdeel a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten pgb. 5.Als het college een beslissing op grond van het eerste lid, onderdeel a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 6.Het college kan bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, d, e of f, de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken. Artikel28.Toezichthouders 1.Het college kan toezichthoudende ambtenaren aanwijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.9 van de wet. 2.De aangewezen toezichthouder is in ieder geval belast met: de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen; de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener; de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de pgb-beheerder; vorderen van identificatie; inzage van documenten en toegang tot gegevens; het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen); controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst met het college naleeft; ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de pgb-beheerder heeft gesloten: voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie; de uitvoering van al datgene wat voortvloeit uit de uitvoering van artikelen 29 tot en met 38 van deze verordening. Artikel29.Controle en onderzoek 1.Het college onderzoekt periodiek, steekproefsgewijs of incidenteel (signaalgestuurd of themagericht), of: de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn; het gebruik van pgb’s overeenkomt met het doel waarvoor deze zijn verstrekt met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan; de dienstverlening van jeugdhulpaanbieders redelijkerwijs plaatsvindt of zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de wet gestelde regels; de verwijzingen door derden rechtmatig zijn. 2.De volgende typen onderzoek kunnen worden onderscheiden: intern onderzoek: een onderzoek op basis van statistische analyses, datamining, verbandcontrole; controle jaarrekening/accountant: het onderzoeken en analyseren van de jaarrekeningen en accountantsverklaringen van jeugdhulp aanbieders; controle naleving contract/subsidie/beschikking: een onderzoek of de afspraken in contracten, subsidies en beschikkingen worden nagekomen; materiële controle: een onderzoek of de gedeclareerde prestatie is geleverd en of deze aansluit bij een door of namens het college afgegeven beschikking; formele controle: een onderzoek of het gedeclareerde bedrag een prestatie betreft die voldoet aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, overeenkomst of subsidieafspraken; detailcontrole: onderzoek naar bij een jeugdhulpaanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot cliënten dan wel jeugdigen en/of diens ouders die hun woonplaats hebben in de gemeente Capelle aan den IJssel, ten behoeve van een materiële controle of fraudeonderzoek; fraudeonderzoek: onderzoek waarbij nagegaan wordt of degene die bij de gemeente of een door het college aangewezen persoon of organisatie een bedrag in rekening brengt voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben. Bibob-onderzoek: een integriteitsbeoordeling op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 3.Het college kan nadere regels stellen over welk type onderzoeken in beginsel aangekondigd dan wel onaangekondigd plaatsvinden. Daarbij geldt dat onderzoek onaangekondigd plaatsvindt als de belangen van het onderzoek zich verzetten tegen het aankondigen van een onderzoek. 4.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het uitvoeren van onderzoek, bijvoorbeeld door het vaststellen van een algemeen controleplan. Artikel30.Rapport toezichthouder over jeugdhulpaanbieder 1.De toezichthouder legt zijn bevindingen en oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 29 vast in een onderzoeksrapport. 2.Indien de toezichthouder oordeelt dat bij of krachtens de wet gestelde regels, overeenkomsten of andere schriftelijk vastgelegde afspraken niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. 3.Voordat het rapport definitief wordt, stelt de toezichthouder de jeugdhulpaanbieder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en feitelijke onjuistheden daarover binnen 14 dagen kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de reactie van de jeugdhulpaanbieder in een bijlage bij het rapport of past het rapport hierop aan. 4.De toezichthouder zendt het definitieve rapport, bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan de jeugdhulpaanbieder en het college. Het college draagt zorg voor verzending naar eventuele budgethouders. 5.Na vaststelling van het onderzoeksrapport wordt deze openbaar gemaakt, tenzij zwaarwegende redenen zich tegen openbaarmaking verzetten. Artikel31.Aanwijzing voor jeugdhulpaanbieder of pgb-budgethouder 1.Indien gebleken is dat door een jeugdhulpaanbieder of een pgb-budgethouder niet wordt voldaan aan een of meer eisen bij of krachtens de wet gestelde regels, start het college een hersteltraject. Dit traject is gericht op de beëindiging van de overtreding(-
  51. en)en voorkoming van herhaling van de overtreding(-en). 2.Het hersteltraject start met een schriftelijke aanwijzing, tenzij de aard en omvang van de onrechtmatigheid zich daartegen verzet. Met name bij fraude kan het college, gelet op de ernst, bij een jeugdhulpaanbieder direct overgaan tot het opleggen van sancties, het ontbinden van de overeenkomst en/of het intrekken van het subsidiebesluit; bij een pgb-budgethouder dan wel budgetbeheerder overgaan tot intrekking, herziening, opschorting en/of terugvordering van het verstrekte pgb. 3.In een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid geeft het college met redenen omkleed aan: op welke punten voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd; de in verband daarmee te nemen maatregelen; de hersteltermijn waarbinnen de tekortkomingen moeten zijn verholpen. 4.Het college kan gedurende het hersteltraject een cliëntenstop en of verscherpt toezicht instellen. Dit zal in de schriftelijke aanwijzing worden opgenomen. 5.Indien de overtreding hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten om bepaalde onderdelen van het hersteltraject over te slaan dan wel meerdere keren toe te passen. Artikel32.Hersteltermijn 1.Bij het opleggen van een hersteltermijn geldt als uitgangspunt een hersteltermijn van 12 weken. 2.Het college kan een andere hersteltermijn bepalen in verband met veiligheidsrisico’s of als het herstellen van de overtreding binnen een termijn van 12 weken redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel33.Cliëntenstop en verscherpt toezicht bij Jeugdhulpaanbieder 1.Gedurende het hersteltraject, dan wel bij een gegrond vermoeden van fraude, kan het college besluiten dat: geen nieuwe cliënten aan de jeugdhulpaanbieder worden toegewezen, geen nieuwe persoonsgebonden budgetten worden toegekend waar de pgb- jeugdhulpaanbieder als leverancier genoemd wordt of dat een zorgovereenkomst waarin de pgb-aanbieder partij is, niet geaccordeerd zal worden; geen herindicaties aan de jeugdhulpaanbieder worden toegewezen, geen persoonsgebonden budgetten worden toegekend waar de pgb- jeugdhulpaanbieder als leverancier genoemd wordt of dat een zorgovereenkomst waarin de pgb- jeugdhulpaanbieder partij is, niet geaccordeerd zal worden; de jeugdhulpaanbieder onder verscherpt toezicht wordt geplaatst. Bij een persoonsgebonden budget ligt de verantwoordelijkheid van verscherpt toezicht bij de budgethouder. 2.De jeugdhulpaanbieder (en in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) wordt van het instellen van een cliëntenstop dan wel verscherpt toezicht schriftelijk op de hoogte gesteld. 3.Besluiten over het instellen van een cliëntenstop of verscherpt toezicht worden openbaar gemaakt tenzij zwaarwegende redenen zich tegen openbaarmaking verzetten. 4.De jeugdhulpaanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) dient gedurende de periode van het verscherpt toezicht de toezichthouder periodiek door middel van een rapportage op de hoogte te brengen van de voortgang van de verbetering. Artikel34.Vervolgonderzoeksrapport 1.Na de in artikel 31, derde lid 3, onderdeel c, of artikel 32 genoemde hersteltermijn toetst de toezichthouder de jeugdhulpaanbieder (in het geval van een onderzoek naar een pgb-budgethouder: de budgethouder) opnieuw. 2.De toezichthouder legt zijn bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek vast in een vervolgonderzoeksrapport. Het gestelde in artikel 30 is van overeenkomstige toepassing op het vervolgonderzoeksrapport. Artikel35.Handhavingsmaatregelen 1.Het college kan naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouder aan de jeugdhulpaanbieder de volgende herstelsancties opleggen: (opnieuw) een schriftelijke aanwijzing geven; een last onder bestuursdwang opleggen; een last onder dwangsom opleggen. 2.Het college kan: de jeugdhulpaanbieder verbieden de levering van maatschappelijke ondersteuning voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt; het toekenningsbesluit aan de budgethouder van het persoonsgebonden budget op grond van artikel 2.3.10, eerste lid, van de wet intrekken waarbij dit het recht op ondersteuning in natura of een persoonsgebonden budget waarbij een andere pgb-jeugdhulpaanbieder wordt gekozen onverlet laat; het toekenningsbesluit aan de budgethouder van het persoonsgebonden budget op grond van artikel 2.3.10, eerste lid, van de wet intrekken, herzien en/of over gaan tot terugvordering. Artikel36.Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling jeugdhulpaanbieder 1.De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen gepaard gaan met de inzet van privaatrechtelijke maatregelen op grond van de (contractuele) afspraken die tussen het college en de jeugdhulpaanbieder zijn gemaakt. 2.Indien een jeugdhulpaanbieder na de eerste hersteltermijn niet voldoet aan de opgelegde verbeteringen, kan het college besluiten om naast de bestuursrechtelijke maatregelen de jeugdhulpaanbieder privaatrechtelijk schriftelijk in gebreke te stellen. 3.Indien de (contractuele) afspraken tussen het college en jeugdhulpaanbieder na het verstrijken van de termijn van de ingebrekestelling nog niet (volledig) zijn nagekomen, kan het college de overeenkomst ontbinden. 4.De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen eveneens gepaard gaan met een verzoek van het college aan de Sociale Verzekeringsbank tot geheel of gedeeltelijke beëindiging, weigering of opschorting van een betaling uit het pgb als bedoeld in artikel 2b, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. 5.De door het college genomen maatregelen moeten in redelijke verhouding staan tot de aard van de overtreding of melding. Artikel37.Meldpunt en register 1.Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet. 2.Door en namens het college wordt een actueel register gepubliceerd waarin gecontracteerde jeugdhulpaanbieders zijn opgenomen. 3.Indien op een jeugdhulpaanbieder een cliëntenstop is ingesteld, wordt dit in het register vereld. Artikel38.Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik 1.Het college maakt met gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. Hoofdstuk7.Afstemming met andere voorzieningen Artikel39.Voorliggende voorzieningen 1.Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 2.Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen. 3.De jeugdige of zijn ouder(
  52. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld. Artikel40.Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1.Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van andere wetten zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(
  53. s)actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(
  54. en)of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. 2.De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld in onderdeel a; een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 3.Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder en de mogelijkheden van het sociale netwerk; welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 4.Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. 5.Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om: voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. 6.Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar kan worden ingezet. Hoofdstuk8.Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel 41. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulp 1.Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen: cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; overheadkosten; kosten voor indexering. 2.Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 3.Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten. Hoofdstuk9.Klachten en medezeggenschap Artikel42.Klachtregeling 1.Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen, ouders en hun wettelijk vertegenwoordigers die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2.Het college legt de uitvoering van deze regeling bij het Centrum Jeugd en Gezin. Artikel43.Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3.De betrokkenheid van ingezeten bij het beleid wordt verder geregeld in de Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel 2018. Hoofdstuk10.Slotbepalingen Artikel44.Hardheidsclausule 1.Het college kan afwijken van een of meer artikelen van deze verordening, als daaraan vasthouden voor de jeugdige of zijn ouders gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. 2.Toepassing van de hardheidsclausule bedoeld in het eerste lid wordt gemotiveerd in de betreffende beschikking. Artikel45.Bijlagen 1.Deze verordening heeft de volgende bijlagen: Bijlage 1: Overzicht vrij toegankelijke voorzieningen. Bijlage 2: Overzicht niet vrij toegankelijke voorzieningen. Bijlage 3.1: Normenkader duur en de intensiteit niet vrij toegankelijke voorzieningen Bijlage 3.2: Normenkader vervoer Bijlage 4: Normen gebruikelijk zorg voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen Bijlage 5: Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling 2.De in het eerste lid genoemde bijlagen vormen een integraal en onlosmakelijk onderdeel van de verordening. Artikel46.Overgangsrecht, intrekking oude verordening 1.Een jeugdige of zijn ouder(
  55. s)houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening. 2.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 3.Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(
  56. s)van worden afgeweken als heroverweging op grond van de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 leidt tot een gunstiger uitkomst. 4.Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 te herzien: op de gronden, vermeld in de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018; indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; indien de cliënt wenst te veranderen van jeugdhulpaanbieder of van verstrekkingsvorm. 5.Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 terug te vorderen op de in deze verordening[en] genoemde gronden. 6.De Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 wordt ingetrokken. Artikel47.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026”. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 november 2025. De voorzitter, De griffier,Bijlagen bij de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026 De volgende bijlagen vormen een integraal en onlosmakelijk onderdeel van de verordening. Bijlage 1: Overzicht vrij toegankelijke voorzieningen. Bijlage 2: Overzicht niet vrij toegankelijke voorzieningen. Bijlage 3.1: Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen Bijlage 3.2: Normenkader vervoer Bijlage 4: Normen gebruikelijke zorg voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen Bijlage 5: Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling Bijlage1:Vrij toegankelijke voorzieningen In aansluiting op het gestelde in artikel 2, eerste lid, van de Verordening jeugdhulp Capelle aan de IJssel 2026 zijn de volgende vrij toegankelijke voorzieningen in ieder geval beschikbaar: Informatie en (opvoed)advies Jeugdgezondheidszorg Algemene voorlichting Opvoed- en opgroeitrainingen Jeugdmaatschappelijk werk Algemeen maatschappelijk werk Jongerenwerk Cliëntondersteuning Ondersteuning relatie en scheiding Opvoed- en opgroeitrainingen Centrum Jeugd en Gezin Ondersteuning door Centrum Jeugd en Gezin Intensieve jongerencoach Vrij toegankelijke voorzieningen kunnen zowel in groeps- als in individuele vorm worden ingezet. Bijlage2:Niet vrij toegankelijk voorzieningen In aansluiting op het gestelde in artikel 2, tweede lid, van de Verordening jeugdhulp Capelle aan de IJssel 2026 zijn de volgende niet vrij toegankelijke individuele voorzieningen in ieder geval beschikbaar: Dagbehandeling Begeleiding individueel Behandeling Individueel Ambulante gezinsbehandeling Dagbesteding (week en weekend inzet) Basis GGZ Specialistische GGZ Persoonlijke verzorging Kortdurend verblijf Medicatiecontrole Pleegzorg Verblijf in een jeugdinstelling Crisisopvang Vervoer Dyslexiezorg Jeugdzorg Plus Niet vrij toegankelijke voorzieningen kunnen zowel in groeps- als in individuele vorm worden ingezet. Bijlage3.1:Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen In aanvulling op artikel 2, vierde lid, van Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026, worden de volgende normen gestel voor de maximale initiële indicatieduur, de maximale inzet in eenheden (dagdelen, uren of minuten) bij de initiële indicatie, de maximale verlenging en de maximale inzet in eenheden (dagdelen, uren of minuten) bij een eventuele verlenging. Voorzieningen Maximale initiële indicatieduur Maximale inzet initiële indicatie Maximale verlenging Maximale inzet verlenging Standaard Geen doorloop in de vakanties Alleen indien noodzakelijk Met doorloop in de vakanties Standaard Geen doorloop in de vakanties Alleen indien noodzakelijk Met doorloop in de vakanties Vastgesteld op basis van Data- analyse Dagbehandeling licht Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 277 dagdelen 360 dagdelen Maximaal 6 maanden 111 dagdelen 144 dagdelen Dagbehandeling zwaar Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 323 dagdelen 420 dagdelen Maximaal 1 jaar 258 dagdelen 336 dagdelen Begeleiding individueel licht Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 77 uren 100 uren Maximaal 1 jaar 62 uren 80 uren Begeleiding individueel midden Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 115 uren 150 uren Maximaal 1 jaar 92 uren 120 uren Begeleiding individueel zwaar Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 154 uren 200 uren Geen verlenging mogelijk Behandeling Individueel Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 77 uren 100 uren Maximaal 6 maanden 31 uren 40 uren Ambulante gezinsbehandeling Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 77 uren 100 uren Maximaal 1 jaar 62 uren 80 uren Dagbesteding licht week inzet Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 115 dagdelen 150 dagdelen Maximaal 1 jaar 92 dagdelen 120 dagdelen Dagbesteding midden week inzet Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 60 dagdelen 78 dagdelen Maximaal 1 jaar 48 dagdelen 62 dagdelen Dagbesteding zwaar week inzet Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 192 dagdelen 250 dagdelen Maximaal 6 maanden 77 dagdelen 100 dagdelen Dagbesteding licht weekend inzet Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 85 dagdelen 110 dagdelen Maximaal 1 jaar 68 dagdelen 88 dagdelen Dagbesteding midden weekend inzet Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 58 dagdelen 75 dagdelen Maximaal 1 jaar 46 dagdelen 60 dagdelen Dagbesteding zwaar weekend inzet Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 96 dagdelen 125 dagdelen Maximaal 6 maanden 38 dagdelen 50 dagdelen Vastgesteld op basis van GGZ normen Basis GGZ Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 10 uren Maximaal 6 maanden 4 uren Specialistische GGZ Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie 40 uren Maximaal 6 maanden 16 uren Specifieke voorzieningen Persoonlijke verzorging Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Inzet op basis van individuele afweging Maximaal 1 jaar Inzet op basis van individuele afweging Kortdurend verblijf Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Inzet op basis van individuele afweging Maximaal 1 jaar Inzet op basis van individuele afweging Medicatiecontrole Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Inzet op basis van individuele afweging Maximaal 1 jaar Inzet op basis van individuele afweging Bijlage3.2Normenkader vervoer Voor het vervoer van en naar de Jeugdlocatie worden, in aanvulling op artikel 12, derde lid, onderdeel g, de volgende normen gesteld. Er is geen sprake van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid in de volgende situaties: De afstand naar de jeugdhulplocatie is 6 kilometer of minder en/of Het aantal keren brengen en halen naar de jeugdhulp is 2 of minder per week. Bijlage4:Normen gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen 1.Normen gebruikelijke hulp Bij de toepassing van artikel 10 van de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026 gelden de volgende normen ten aanzien van gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind: Kinderen van 0 tot 3 jaar hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig; ouderlijke toezicht is zeer nabij nodig; zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 jaar kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand, de ouder kan bijvoorbeeld de was ophangen in een andere kamer; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; kunnen zelf zitten en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; kinderen vanaf 4 jaar hebben een reguliere dagbesteding van 22-25 uur per week; hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, toiletgang en zindelijkheidstraining, dag- en nachtritme en dagindeling; hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; hebben een beschermde woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 5 tot 7 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school van 22 tot 25 uur per week; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand, het kind kan bijvoorbeeld buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is; hebben toezicht, stimulans en controle nodig bij de persoonlijke verzorging zoals het wassen en tanden poetsen; zijn overdag zindelijk en ’s nachts merendeels ook, maar ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing, zoals begeleiding en gelegenheid bieden bij omgang met leeftijdsgenoten en begeleiding en waardering voor schoolwerk als thuis lezen; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school gaan, naar activiteiten ter vervanging van school of naar vrijetijdsbesteding; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 7 tot 10 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school van 22 tot 25 uur per week; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand, het kind kan bijvoorbeeld buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is; hebben steeds minder toezicht, stimulans en controle nodig bij de persoonlijke verzorging als het wassen en tanden poetsen; zijn overdag en ’s nachts zindelijk, maar ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing, zoals hulp bij bijvoorbeeld huiswerk; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school gaan, naar activiteiten ter vervanging van school of naar vrijetijdsbesteding; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 10 tot 12 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school van 22 tot 25 uur per week; zijn overdag en ’s nachts zindelijk; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand, het kind kan bijvoorbeeld buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is; hebben enig toezicht, stimulans en controle nodig bij de persoonlijke verzorging als het wassen en tanden poetsen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing, zoals hulp bij bijvoorbeeld huiswerk; hebben nog enige begeleiding en controle van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, naar activiteiten ter vervanging van school of naar vrijetijdsbesteding gaan; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 12 tot 18 jaar hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; kunnen vanaf 16 jaar een dag of een nacht alleen gelaten worden; hebben bij persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing (zoals hulp bij het zelfstandig gaan wonen); hebben tot 17 jaar een beschermde woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden; hebben vanaf 17 jaar een beschermde woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd; zijn vanaf 18 jaar jongvolwassene en kunnen zelfstandig wonen. 2.Normen gemiddelde tijdsbesteding Bij de toepassing van artikel 10 gelden de volgende normen ten aanzien van de gemiddelde tijdsbesteding aan gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind: Leeftijd Gemiddelde tijd per etmaal aan begeleiding Gemiddelde tijd per etmaal aan persoonlijke verzorging Handeling Gemiddelde tijd voor handeling 0 tot 4 jaar 6-10 uur (afhankelijk van aantal uur slaap) 3 uur en 45 minuten Alle handelingen aangaande persoonlijke verzorging 4 tot 7 jaar 6-7 uur 1 uur 15 minuten overname 1 uur en 15 minuten aansturing/toezicht Wassen 10 minuten 1x per dag Kleden 10 minuten 2x per dag Toiletgang 5 minuten 6x per dag Tanden/haren/nagels/ huid Ong. 15 minuten per dag Eten en drinken 1 uur en 15 minuten per dag 7 tot 10 jaar 4-5 uur 15 minuten overname Wassen 10 minuten 1x per dag Kleden 10 minuten 2x per dag Toiletgang 5 minuten 6x per dag Tanden/haren/nagels/ huid Ong. 15 minuten per dag Eten en drinken 1 uur en 15 minuten per dag 10 tot 12 jaar 3-4 uur 15 minuten aansturing/toezicht 12 tot 15 jaar 2-3 uur - 15 tot 18 jaar 1 uur - Bijlage5:Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling In aansluiting op het gestelde in artikel 13, eerste lid volgen wij het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie, versie 3.0 geldend vanaf 1 januari 2022. Toelichting Verordening jeugdhulp gemeente Capelle aan den IJssel 2026 Inhoudsopgave Verordening als verplichting op grond van de Jeugdwet Afbakening verordening Toelichting Hoofdstuk 1:

Artikel 1. Begripsbepalingen Toelichting Hoofdstuk 2: Vormen van jeugdhulp Artikel 2.

Vormen van jeugdhulp Toelichting Hoofdstuk 3: Toegang tot de jeugdhulpvoorzieningen Artikel

  1. Toegang jeugdhulp via de gemeente Artikel
  2. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Artikel
  3. Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter Toelichting Hoofdstuk 4: Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening Artikel
  4. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Artikel
  5. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming Artikel 8 Identificatie Artikel
  6. Verslag Artikel
  7. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening Artikel
  8. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Artikel
  9. Vervoer Artikel
  10. Dyslexie Artikel
  11. Vaktherapie Artikel
  12. Kinderopvang, buitenschoolse opvang en onderwijs Artikel
  13. Wonen en zorg Artikel
  14. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening Toelichting Hoofdstuk 5:Aanvullende regels persoonsgebonden budget (pgb) Artikel
  15. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb Artikel
  16. Pgb-vaardigheid Artikel
  17. Onderscheid pgb-jeugdhulpaanbieders Artikel
  18. Kwaliteitseisen pgb-jeugdhulpaanbieders Artikel
  19. Hoogte pgb Artikel
  20. Uitgesloten van pgb Toelichting Hoofdstuk 6: Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel
  21. Inlichtingen Artikel
  22. Niet meewerken ouder(s) Artikel
  23. Herziening en verlenging Artikel
  24. Intrekking, opschorting en terugvordering Artikel
  25. Toezichthouders Artikel
  26. Controle en onderzoek Artikel
  27. Rapport toezichthouder over jeugdhulpaanbieder Artikel
  28. Aanwijzing voor jeugdhulpaanbieder of pgb-budgethouder Artikel
  29. Hersteltermijn Artikel
  30. Cliëntenstop en verscherpt toezicht bij jeugdhulpaanbieder Artikel
  31. Vervolgonderzoeksrapport Artikel
  32. Handhavingsmaatregelen Artikel
  33. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling jeugdhulpaanbieder Artikel
  34. Meldpunt en register Artikel
  35. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik Toelichting Hoofdstuk 7: Afstemming met andere voorzieningen Artikel
  36. Voorliggende voorzieningen Artikel
  37. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning Toelichting Hoofdstuk 8: Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel
  38. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulp Toelichting Hoofdstuk 9: Klachten en medezeggenschap Artikel
  39. Klachtregeling Artikel
  40. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Toelichting Hoofdstuk 10: Slotbepalingen Artikel
  41. Hardheidsclausule Artikel
  42. Bijlagen Artikel
  43. Overgangsrecht, intrekking verordening 2018 Artikel
  44. Inwerkingtreding en citeertitel Toelichting bijlagen Bijlage
  45. Overzicht vrij toegankelijke voorzieningen Bijlage
  46. Overzicht niet vrij toegankelijke voorzieningen Bijlage 3.
  47. Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen Bijlage 3.
  48. Normenkader vervoer Bijlage
  49. Normen gebruikelijke zorg van voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen Bijlage
  50. Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 1.Verordening als verplichting op grond van de Jeugdwet De basis in de Jeugdwet De inhoud van de gemeentelijke verordening is vooral vastgelegd in artikel 2.9 van de Jeugdwet, Dit artikel bepaalt: De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of op grond van deze wet in ieder geval regels: over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, en; voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Daarnaast is de gemeente ook verplicht door middel van een verordening regels te stellen over de beleidsparticipatie, dit staat beschreven in artikel 2.10 van de Jeugdwet. Ook is de verordening bedoeld als waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp die de gemeente inkoopt, dit staat beschreven in artikel 2.11 van de Jeugdwet. Tot slot kunnen in de verordening voorwaarden rond het verstrekken van een persoonsgebonden budget in het sociaal netwerk worden opgenomen. Dit staat in artikel 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet. De gemeenteraad kan een aantal punten door het college in nadere regels laten uitwerken. Hierbij is zij gehouden om de wezenlijke en belangrijkste dingen in de verordening op te nemen. In de nadere regels worden alleen onderwerpen uitgewerkt waarvoor in de wet of verordening de grondslag is opgenomen. Waarom wordt de verordening 2018 aangepast? De gemeenteraad heeft door vaststelling van de maatregelen uit “Tegen de stroom in” de keuze gemaakt om een transparant en goed toepasbaar normenkader op te stellen voor de uitvoering van de Jeugdwet. We willen voordat jeugdhulp onnodig wordt ingezet eerst naar alternatieven kijken. Binnen de jeugdhulp willen we zo veel mogelijk afschalen waar dit kan. Het streven is om kinderen zoveel mogelijk binnen hun natuurlijke omgeving te zien en te voorzien van thuisgerichte ondersteuning. Het betrekken van gezinnen en het bieden van ondersteuning binnen hun gebruikelijke leefomgeving draagt bij aan de vroegtijdige interventie en voorkoming van escalatie van problematiek. Met deze aanpak gaat de gemeente Capelle terug naar de bedoeling van de Jeugdwet. Jeugdhulp wordt alleen ingezet als het valt binnen de grenzen van de Jeugdwet, als het echt nodig is, en dan doelgericht en niet langer dan nodig. Dit maakt het mogelijk om de steeds schaarser wordende middelen van de gemeente te concentreren op de jeugdigen en ouders die het echt nodig hebben. Deze ontwikkeling leidt tot de wens om de verordening 2018 vanuit de inhoud aan te passen. Verder gelden ook de volgende, meer technische overwegingen: De verordening 2018, met een aanpassing op het onderdeel toezicht en handhaving in 2023, was niet meer in lijn met de meest recente ontwikkelingen in het werkveld. De verordening 2018 sloot niet meer aan bij de beleidsontwikkeling, zoals verwoord in het raadsbesluit van 8 juli 2024: “Tegen de stroom in voor duurzame en betaalbare jeugdhulp”. De keuzes in het collegevoorstel “Uitgangspunten nieuwe gemeentelijke verordening jeugdhulp” moesten worden verwerkt in de verordening. De verordening 2018 sluit niet goed aan bij de landelijke Hervormingsagenda Jeugd. De verordening 2018 hield nog geen rekening met de ontwikkeling van de jurisprudentie, met name rond uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van mei
  51. Zie hiervoor onder meer: ECLI:CRVB:2024:1095, ECLI:CRVB:2024:1096, ECLI:CRVB:2024:1097, ECLI:CRVB:2025:408 en ECLI:CRVB:2025:
  52. De verordening 2018 sloot niet aan op de landelijke standaard zoals deze is uitgewerkt in de modelverordening VNG uit december
  53. Het is wenselijk dat de verordening regelmatig wordt geëvalueerd en indien nodig aangepast. Maatwerk en de menselijke maat De verordening is naar zijn aard gesteld in juridische termen. Bij het opstellen van de aangepaste verordening is, op basis van een suggestie van de Adviesraad Sociaal Domein, vergelijkend onderzoek gedaan naar voorbeelden van gemeenten die korte verordening op hoofdlijnen hebben opgesteld. Daarbij is gebleken dat juist bij deze gemeenten de CRvB heeft geoordeeld dat deze aanpak “onvoldoende rechtszekerheid, althans onvoldoende concrete op de individuele situatie betrekking hebbende duidelijkheid” biedt (ECLI:NL:CRVB:2024:1096). Deze weg kan dus niet gevolgd worden. Het college ziet echter duidelijk het belang om jeugdigen en ouders te ondersteunen met informatiemateriaal waarin de verordening op een niet juridische en begrijpelijke wijze wordt samengevat. Dit krijgt vorm door een aantal factsheets waarin de verschillende onderwerpen uit de verordening worden samengevat. Voorafgaand aan de specifieke toelichting per artikel wenst het college te benadrukken dat het bij het inzetten van jeugdhulp altijd gaat om een individuele afweging in specifieke individuele omstandigheden. Ieder besluit is dus maatwerk, waarbij altijd het belang van de jeugdige centraal staat. Bij individuele besluiten kan van de gestelde normen worden afgeweken indien daaraan vasthouden voor de jeugdige of zijn ouders gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Dit beginsel is verankerd in de hardheidsclausule 2.Afbakening verordening Reikwijdte jeugdhulpplicht De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de jeugdwet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdhulp. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp beschikbaar blijft voor de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt. Er is een wetsvoorstel in voorbereiding om een landelijk kader te bieden voor reikwijdte van de jeugdhulpplicht. De planning is om het wetsvoorstel in de loop van 2025 gereed te hebben voor openbare internetconsultatie. De verwachting is dat het daarna nog twee jaar zal duren voordat het voorstel van kracht wordt. Het college zal, zodra duidelijk is wat de strekking en verwachte ingangsdatum is van de geplande wet, beoordelen of een en ander in de verordening moet worden aangepast. 3.Toelichting Hoofdstuk 1:

Artikel 1

. Begripsbepalingen Algemeen In dit artikel worden de omschrijvingen gegeven van de meest voorkomende begrippen. Verder wordt geregeld dat de begrippen die niet zijn omschreven dezelfde betekenis hebben als in de achterliggende wet- en regelgeving. Deze begripsbepalingen zijn integraal van toepassing op deze artikelsgewijze toelichting. Voor alle duidelijkheid nemen we hier ook de omschrijving op van het begrip jeugdhulp zoals dat in artikel 1.1 van de Jeugdwet is als volgt gedefinieerd: ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen; het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Gebruik term “stoornissen” De Adviesraad Sociaal Domein heeft gewezen op het gebruik van de term “stoornissen”. Dit begrip is als juridische term opgenomen in de Jeugdwet. Daardoor wordt het begrip onvermijdelijk ook gebruikt in de verordening en in de artikelsgewijze toelichting. Het college is zich er goed van bewust dat dit begrip als discriminerend of stigmatiserend kan worden ervaren. Het college benadrukt dat het begrip strikt gebruikt wordt om uitvoering te geven aan wetgeving en jurisprudentie en geen maatschappelijk of ander oordeel uitdrukt over jeugdigen die gebruik maken van voorzieningen in de Jeugdwet. Verordening Jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 In de toelichting wordt op een aantal punten een vergelijking gemaakt met de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 en/of de Nadere regels jeugdhulp Capelle aan den IJssel

  1. Deze verwijzingen zijn ingekort tot respectievelijk “Verordening 2018” en Nadere regels 2019”. Mandatering CJG Het college heeft de uitvoering van de jeugdwet gemandateerd aan het Centrum voor Jeugd en Gezin Capelle aan de IJssel (CJG). Dit is neergelegd in de “Mandaatregeling gemeente Capelle aan den IJssel 2025” en in het “Besluit tot mandatering bevoegdheden aan de directeur van de Stichting Centrum voor jeugd en gezin Capelle aan den IJssel”. Het CJG biedt vrij toegankelijk hulp en voert de beoordelingstaak voor de toegang namens het college uit. Bij aanvragen voor niet vrij toegankelijke voorzieningen voert het CJG uitsluitend de toegang en het onderzoek uit. De uitvoering van niet vrij toegankelijke voorzieningen zal op geen manier door het CJG worden verricht. De beoordeling voor niet vrij toegankelijke voorzieningen vindt binnen het CJG plaats door onafhankelijke medewerkers van het Besluitteam. 4.Toelichting Hoofdstuk 2: Vormen van jeugdhulp Artikel
  2. Vormen van jeugdhulp Eerste en tweede lid In de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen vrij toegankelijke voorzieningen en niet vrij-toegankelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een deel van de hulpvragen kan worden beantwoord met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. Vrij toegankelijke voorzieningen worden uitgevoerd door het CJG en andere in de gemeente werkzame organisaties. Bij een vrij toegankelijke voorzieningen zal altijd worden beoordeeld of de voorziening een gepaste oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdigen en de ouders. Voor een vrij toegankelijke voorziening wordt geen beschikking afgegeven. Daarnaast kent de gemeente niet vrij-toegankelijke voorzieningen die alleen na een onderzoek door medewerkers van het CJG of door een wettelijke verwijzer toegankelijk zijn. Hierbij wordt wel een beschikking afgegeven. Als uitvloeisel van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, wordt in lid 1 en 2 van dit artikel en in de bijlagen 1 en 2 bij de verordening een overzicht gegeven van de voorzieningen die in deze drie groepen in ieder geval beschikbaar zijn. Van verschillende genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. Welke variant wordt ingezet zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders. Het uitgangspunt van de gemeente is er voldoende aanbod moet zijn van jeugdhulpverleners met een culturele, religieuze of andere achtergrond die aansluit bij die van de jeugdigen en de ouders. Het CJG heeft een brede samenstelling in het medewerkersbestand. De lokale inkoop van niet vrij toegankelijke jeugdhulp heeft de vorm van een toetredingsregeling die voldoende ruimte biedt voor jeugdhulpaanbieders van iedere achtergrond. Ook in de regionale contractering via de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdzorg Rijnmond (GRJR) is diversiteit een belangrijk uitgangspunt. Derde lid Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt dat de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.9, van de wet, in de verordening (op geaggregeerd niveau) kan sturen op duur, omvang en frequentie van individuele voorzieningen (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 148 en Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 40). In het raadsbesluit ‘Tegen de stroom in” van 8 juli 2024 heeft de gemeente de keuze gemaakt om hier inderdaad op te sturen. Dit wordt uitgewerkt in lid 3 en in bijlage 3.1 bij de verordening. Vierde lid Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de wet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In het vierde lid is bepaald over welke elementen het college in het kader van zijn inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket. De kwaliteitseisen waaraan jeugdhulpaanbieders moeten voldoen vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn verder uitgewerkt in de aanbestedingen en de overeenkomsten voor lokale jeugdhulp en in de contractering via de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond. 5.Toelichting Hoofdstuk 3: Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen Artikel
  3. Toegang jeugdhulp via de gemeente Algemeen Dit artikel regelt de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. De toegang tot de jeugdhulp is door de gemeente neergelegd bij het CJG. Eerste tot en met vierde lid Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen van wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken. Voor de verstelling van de te hanteren termijnen is pas sprake van een aanvraag vanaf het moment dat de gemeente een duidelijk, schriftelijk verzoek om hulp heeft ontvangen (ECLI:NL:CRVB:2018:1783) .Een mondelinge melding of hulpvraag een eerste contact met het CJG is nog géén formele aanvraag (ECLI:NL:CRVB:2020:1570 en ECLI:NL:CRVB:2022:1227). Bij het gehele proces wordt overeenkomstig de jurisprudentie medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (ECLI:NL:CRVB:2019:276). Vijfde en zesde lid Als de jeugdige oen/of zijn ouders jeugdhulp in de vorm van zorg in natura niet passend vinden en zelf jeugdhulp willen inkopen door middel van een pgb dan zullen zij daartoe in het kader van de aanvraag ook een door hen zelf op te stellen pgb-plan in moeten dienen. Als de jeugdige of zijn ouders ook een budgetbeheerder willen aanwijzen dan dienen zij binnen acht weken na de aanvraag een vertegenwoordiger te vinden die naar het oordeel van het college voldoet aan alle eisen die deze verordening hieraan stelt. Zevende lid In dit geval wordt in algemene zin tien weken redelijk geacht om een besluit te nemen. Jeugdigen en ouders hebben in beginsel namelijk de gelegenheid om tot twee weken na de aanvraag een familiegroepsplan in te dienen. Dit plan betrekt het college vervolgens bij het onderzoek. Om dit onderzoek zorgvuldig uit te kunnen voeren én het plan hierbij te kunnen betrekken, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat het onderzoek uiterlijk zes weken na ontvangst van de aanvraag uitgevoerd moet zijn. Vervolgens heeft het college nog twee weken om de beschikking af te geven. Zodoende wordt een totale doorlooptijd van tien weken redelijk geacht. In uitzonderlijke gevallen kan deze gemotiveerd worden verlengd met nog eens maximaal acht weken. Hierbij moet gedacht worden een complexe casussen, of aan situaties waarin informatie moet worden verkregen van andere instanties. Achtste lid Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Negende lid Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Tiende lid Een aanvraag kan leiden tot de ook door de ouders/vertegenwoordigers gedragen conclusie dat het de hulpvraag kan worden opgepakt binnen de eigen draagkracht. Of er kan een andere of overige voorziening worden ingezet. In die situatie geldt het door de ouders/vertegenwoordigers ondertekende verslag als intrekking van de aanvraag. Artikel
  4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Eerste lid De wet regelt dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en/of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij meervoudige problematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is en stuurt op collectief niveau op de omvang en duur van de beschikte individuele voorzieningen. De bepalingen in de verordening over het onderzoek naar de hulpvraag zijn onverkort op jeugdhulpaanbieders van toepassing, ook bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In Capelle aan den IJssel aan alle huisartsen een Praktijkondersteuner Huisarts GGZ Jeugd en Gezin (POH) gekoppeld. Een verwijzing naar een jeugdhulpaanbieder gaat altijd in overleg met de POH. De POH neemt samen met huisarts het besluit voor een verwijzing. De huisarts kan vervolgens de verwijzing via het Zorgdomein invoeren. De POH volgt de cliënt t/m aanmelding bij de jeugdhulpbieder. Tweede en derde lid De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een jeugdhulpaanbieder van die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II, 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden. Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken als het college heeft ingestemd met de levering van de jeugdhulp door een jeugdhulpaanbieder die niet is gecontracteerd of gesubsidieerd. Deze instemming dient voorafgaand aan de zorgverlening schriftelijk te worden verkregen. De instemming van het college is geen automatisme. Er zal sprake moeten zijn van een bijzondere situatie die dit rechtvaardigt. Vierde lid Ook na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts is een jeugdhulpaanbieder gehouden aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Dit betekent concreet dat hij zich onder meer houdt aan het beoordelingskader in deze verordening en het stappenplan van de CRvB volgt. Ook dient hij zich in beginsel te beperken tot de inzet van individuele voorzieningen die in artikel 2, en daarbij behorende bijlagen zijn opgesomd. Hiermee legt de verordening een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute. Artikel
  5. Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter Eerst, tweede en derde lid Jeugdhulp kan ook worden ingezet op initiatief van een gecertificeerde instelling. Gecertificeerde instellingen voeren kinderbeschermingsmaatregelen uit. Dit zijn (voorlopige) voogdij maatregelen en (voorlopige) ondertoezichtstellingen. Daarnaast voeren zij de jeugdreclasseringsmaatregelen uit. In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel kan de gecertificeerde instelling bepalen dat jeugdhulp nodig is (dit staat in artikel 3.5, eerste lid van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering is het niet alleen de gecertificeerde instelling die deze bevoegdheid heeft, ook andere instanties kunnen besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die de gecertificeerde instelling nodig acht ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Ook in het kader van de jeugdreclassering moet de gemeente ervoor zorgen dat de jeugdhulp wordt ingezet die de rechter, het Openbaar Ministerie, de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting of de gecertificeerde instelling nodig acht. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (dit staat in artikel 2.4, tweede lid onderdeel b Jeugdwet). Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een (voorlopige) ondertoezichtstelling of een (voorlopige) voogdijmaatregel uitspreekt en daardoor er geen ouder meer het gezag heeft, wijst hij gelijktijdig in de beschikking aan welke gecertificeerde instelling de maatregel gaat uitvoeren. De Raad voor de Kinderbescherming geeft in zijn verzoekschrift een concreet advies over welke gecertificeerde instelling dat moet zijn. De Raad voor de Kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De Raad voor de Kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen.
  6. Toelichting Hoofdstuk 4: Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening Artikel
  7. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Eerste lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger. Mocht tijdens die gesprekken blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn. Tweede lid Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon. Voor de functie van vertrouwenspersoon doet het college een beroep op het landelijke Klachtenportaal Zorg. De cliëntondersteuning is door het college neergelegd bij de Stichting Welzijn Capelle (SWC). Op grond van artikel 2.2.4, van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015), stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de wet. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen. Derde lid Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college. Ouders kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen. Vierde lid Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouders, na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouders zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken dor het ondertekenen van het verslag. Het college hoeft in di geval geen besluit meer te nemen. Vijfde lid De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (ECLI:NL:2017:1477). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen: Stap 1: Inventariseer de vraag. Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente. Stap 2: Breng de onderliggende problematiek zorgvuldig in kaart leg dat vast. Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te breng

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.