← Nederland

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Leiden houdende regels omtrent de fysieke leefomgeving (Verordening voor de fysieke leefomgeving Leide

Kort samengevat

Deze verordening van de gemeente Leiden regelt de fysieke leefomgeving en activiteiten die daar invloed op hebben, met als doel een veilige, gezonde en kwalitatief goede leefomgeving te waarborgen en te ontwikkelen.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Leiden houdende regels omtrent de fysieke leefomgeving (Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020)De raad van de gemeente Leiden: Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders (Raadsvoorstel RV 20.0079 van 2020), mede gezien het advies van de commissie, BESLUIT Vast te stellen de Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020, luidende aldus: Verordening fysieke leefomgeving Leiden Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen Bijlage 1 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening. Artikel1.2Toepassingsbereik 1.Deze verordening gaat over: De fysieke leefomgeving, en; Activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. 2.De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval: Bouwwerken; Infrastructuur; Watersystemen; Water; Bodem; Lucht; Landschappen; Natuur; Cultureel erfgoed; Werelderfgoed. 3.Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval aangemerkt gevolgen die kunnen voortvloeien uit: Het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan; Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; Activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt; Het nalaten van activiteiten. 4.Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt, of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving.

  1. Deze verordening is niet van toepassing op bijzondere markten en/of braderieën waarvoor het gebruiken van gemeentegrond op grond van privaatrecht is met het college is geregeld en/of waarvoor op grond van de Algemene plaatselijke verordening een evenementenvergunning is verleend. Artikel1.3Doel van deze verordening Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang” bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel1.4Wijze van meten 1.Onder peil wordt verstaan: Voor bouwwerken die in of op het water worden gebouwd: het gemiddelde waterpeil ter plaatse van het bouwwerk; Voor bouwwerken waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met 2 cm; In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein vermeerderd met 2 cm. 2.De afstand van de erfgrenslijn als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek is voor bomen vastgesteld op 50 centimeter en voor heesters en heggen op 0 centimeter. Artikel1.5Meest recente versie Bij het toepassen van artikelen uit deze verordening die verwijzen naar documenten buiten deze verordening, wordt steeds uitgegaan van de meest recente versie van die documenten, tenzij anders is aangegeven. Hoofdstuk2Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 2.1 Bebouwde kom Paragraaf2.1.1Terrassen Artikel2.1.1.1Algemene voor terrassen (Regels terrassen) Het college kan gebieden aanwijzen waar het niet is toegestaan een terras te hebben. Paragraaf 2.1.2 Markten Artikel 2.1.2.1 Reguliere warenmarkten (Instellingsbesluit markten) Het college stelt de volgende reguliere warenmarkten in: Dinsdag, bij winkelcentrum de Luifelbaan/Bevrijdingsplein in Leiden Zuidwest, van 08.00 tot 13.00 uur; Woensdag, in het centrum, Nieuwe Rijn, Vismarkt, Visbrug, Botermarkt, Aalmarkt en de Koornbeursbrug, van 08.00 tot 17.00 uur. Een deel van deze markt is exclusief bestemd voor de biologische markt. Op de inrichtingskaart die bij het inrichtingsplan van deze markt hoort, is ingetekend welke standplaatsen daarvoor zijn bestemd; Donderdag, bij winkelcentrum de Stevensbloem in de Stevenshof, van 09.00 tot 16.00 uur; Vrijdag, bij winkelcentrum de Kopermolen in de Merenwijk van 10.00 tot 17.00 uur; Zaterdag, in het centrum, Nieuwe Rijn, Vismarkt, Visbrug, Botermarkt, Gangetje, Karnemelksbrug, Aalmarkt, Koornbeursbrug en Koornbrugsteeg, en de Nieuwstraat, van 08.00 tot 17.00 uur. Artikel 2.1.2.2 Inrichtingsplan (Marktverordening)
  2. Het college stelt voor iedere markt een inrichtingsplan vast. Dat plan bevat in ieder geval: een aanduiding van de dagen en de uren waarop en eventueel de periode waarin de markt wordt gehouden (markttijd); een kaart van de markt; indien van toepassing: de mededeling dat het anciënniteitsstelsel van toepassing is; een aanduiding van de manier waarop vergunning op grond van deze verordeningen kunnen worden verleend; voor zover van toepassing: dat het verbod om te bedienen zonder vergunning geldt, en het maximum aantal bedienvergunningen dat kan worden verleend.
  3. Op de kaart moeten de volgende zaken worden aangegeven: de grenzen van de markt; de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor houders van een vergunning voor een vaste standplaats; voor zover van toepassing: de afmetingen of maten van de standplaatsen; voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden waar een of meer branches of artikelgroepen voorrang hebben, en indien van toepassing de maximum aantallen vaste standplaatsvergunningen die kunnen worden afgegeven voor één of meer branches of artikelgroepen, of combinaties daarvan; voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden waar houders van een dagplaatsvergunning voorrang hebben; voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden waar houders van een standwerkvergunning voorrang hebben; voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden die bedoeld zijn voor standplaatsen die zijn voorzien van bakinstallaties of andere voorzieningen die bedoeld zijn voor het verhitten of warmhouden van voedingsmiddelen; voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden die bedoeld zijn voor houders van een bedienvergunning voor zover van toepassing: de plaatsen of gebieden die bedoeld zijn voor het opstellen van kraammateriaal.
  4. Als bij de aanvang van de markt een standplaats die is bedoeld voor de houder van een vergunning voor een vaste standplaats nog niet door de vergunninghouder of zijn plaatsvervanger is ingenomen, kan voor die plaats een dagplaatsvergunning worden afgegeven.
  5. Het inrichtingsplan is tijdens de markttijd bij de markt aanwezig en in te zien. Artikel 2.1.2.3 Biologische markt (Marktverordening)
  6. Het college kan een biologische markt instellen.
  7. Op de biologische markt mogen uitsluitend biologische producten worden verhandeld.
  8. Voor deze markt wordt een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 2.1.2.2 vastgesteld. Artikel 2.1.2.4 Lakenmarkt en 3 oktobermarkt (Marktverordening)
  9. Het college kan een speciale markt instellen voor de Lakenmarkt tijdens de Lakenfeesten en voor de 3 oktobermarkt tijdens de viering van Leidens Ontzet.
  10. Voor deze markten worden een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 2.1.2.2 vastgesteld. Artikel 2.1.2.5 Geen markt op feestdagen (Instellingsbesluit markten) Op Nieuwjaarsdag, eerste en tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, eerste en tweede Pinksterdag en op eerste en tweede Kerstdag wordt geen markt gehouden. Op verzoek van de Commissie Ambulante Handel kan worden bekeken of de warenmarkt op een andere dag kan worden gehouden. Als 3 oktober op een woensdag of een zaterdag valt wordt er geen markt gehouden. Artikel 2.1.2.6 Afwijking reguliere warenmarkt (Instellingsbesluit markten) Het college kan afwijken van artikel 2.1.2.1 en bepalen dat om dringende redenen een markt tijdelijk zal plaatsvinden op: een andere dag; een andere tijd, of; een andere plaats. Artikel 2.1.2.7 Afgelasten of anders inrichten markt (Instellingsbesluit markten) Het college kan een markt geheel of gedeeltelijk afgelasten of opdragen dat een markt geheel of gedeeltelijk anders wordt ingericht, als dit nodig is in het kader van het algemeen belang, ter uitvoering van werken of in het geval van extreme weersomstandigheden. Artikel 2.1.2.8 Mandaatverboden (Marktverordening) De bevoegdheid om inrichtingsplannen vast te stellen en te wijzigen kan niet worden gemandateerd. Afdeling2.2 Water Paragraaf2.2.1Ligplaatsenplan Artikel2.2.1.1Categorieën bedrijfs- en pleziervaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) De gemeenteraad kan bij of krachtens deze verordening in het ligplaatsenplan verschillende categorieën ligplaatsen vaststellen voor bedrijfs- en pleziervaartuigen. Artikel2.2.1.2Vaststelling ligplaatsenplannen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.De gemeenteraad stelt een ligplaatsenplan vast waarin staat op welke locaties ligplaatsvergunningen voor pleziervaartuigen en bedrijfsvaartuigen zijn toegestaan (bijlage 2 van deze verordening). 2.Per ligplaats kunnen voorschriften worden gegeven over: De toegestane categorie of categorieën vaartuigen; Het toegestane aantal vaartuigen; De minimale afstand tussen vaartuigen of tussen ligplaatsen; De maximale afmetingen en diepgang die vaartuigen mogen hebben om een ligplaats in te nemen.
  11. In het ligplaatsenplan kunnen bestaande afvaartplaatsen, opstapplaatsen, passantenplaatsen en passantenhavens worden vastgelegd.
  12. Het college kan aan bestaande afvaartplaatsen, opstapplaatsen, passantenplaatsen en passantenhavens nadere eisen stellen.
  13. Het college kan nieuwe afvaartplaatsen, opstapplaatsen, passantenplaatsen en passantenhavens aanwijzen en daaraan nadere eisen stellen. Afdeling 2.3 Cultureel erfgoed Paragraaf2.3.1Gemeentelijk erfgoedregister Artikel2.3.1.1Gemeentelijk erfgoedregister (Erfgoedverordening) 1.Het college houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij waarin het op grond van deze verordening aangewezen cultureel erfgoed is opgenomen. Dit register kan door iedereen worden ingezien. 2.In het gemeentelijk erfgoedregister staat: Gegevens over de inschrijving van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, waaronder de beschermde gemeentelijke monumenten; Gegevens waaruit blijkt om welk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed het gaat; Gegevens over de afschriften die het college heeft ontvangen van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister zoals bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet. Paragraaf2.3.2De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument Artikel2.3.2.1De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument (Erfgoedverordening) 1.Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak of terrein aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. 2.Als het college het voornemen heeft om een onroerende zaak aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument, maakt zij dit schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 3.De zakelijk gerechtigden kunnen gedurende vier weken na de bekendmaking van de agenda van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden schriftelijk reageren op het voornemen tot aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument. 4.Dit artikel is niet van toepassing op: Rijksmonumenten; Monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van de provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel2.3.2.2Termijn aanwijzingsbesluit Het college beslist binnen 14 weken na ontvangst van het advies van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden zoals bedoeld in artikel 6.2.1.1, maar in ieder geval binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel het bekendmaken van het voornemen als bedoeld in artikel 2.3.2.1, tweede lid. Artikel2.3.2.3Voorlopige aanwijzing bij spoed (Erfgoedverordening) 1.In spoedeisende gevallen kan het college een onroerende zaak of terrein aanwijzen als voorlopig beschermd gemeentelijk monument, zonder toepassing van artikel 2.3.2.1, tweede en derde lid, en artikel 6.2.1.1, eerste lid. 2.Zodra een belanghebbende schriftelijk in kennis is gesteld van het besluit van het college tot voorlopige aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument, zijn artikel 3.5.1.1, 3.5.1.2 en 6.2.3.1 van deze verordening van toepassing. 3.De voorlopige aanwijzing vervalt na 26 weken of op het moment dat het college een definitief besluit neemt over de aanwijzing. 4.Bij het voorbereiden van het definitieve besluit over de aanwijzing zijn artikel 2.3.2.1 en 6.2.1.1 van overeenkomstige toepassing. Artikel2.3.2.4Bekendmaking en registratie (Erfgoedverordening) 1.De aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.2.1, eerste lid, en in artikel 2.3.2.3, eerste lid, wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Wanneer een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 3.In het erfgoedregister staan in ieder geval de locatie en kadastrale gegevens van het beschermd gemeentelijk monument, de datum van de aanwijzing en een beschrijving van het gemeentelijk monument. Artikel2.3.2.5Wijzigen van de aanwijzing (Erfgoedverordening) 1.Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, de aanwijzing wijzigen. 2.Bij het wijzigen van de aanwijzing zijn artikel 2.3.2.1, 2.3.2.2 en 6.2.1.1 van overeenkomstige toepassing. 3.Als de wijziging volgens het college van ondergeschikte betekenis is, zijn artikel 2.3.2.1, 2.3.2.2 en 6.2.1.1 niet van overeenkomstige toepassing. 4.De inhoud en de datum van de wijziging worden in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend. Artikel2.3.2.6Intrekken en vervallen van de aanwijzing (Erfgoedverordening) 1.Het college kan de aanwijzing intrekken. 2.Als het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 2.3.2.1, 2.3.2.2 en 6.2.1.1 van overeenkomstige toepassing. 3.De aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument vervalt met ingang van de dag waarop het wordt ingeschreven in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. 4.De intrekking of het vervallen van de aanwijzing van het beschermd gemeentelijk monument wordt in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend. Paragraaf2.3.3De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht Artikel2.3.3.1De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening) 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, groepen van onroerende zaken aanwijzen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht. 2.Als een stadsgezicht is aanwezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of op grond van een provinciale verordening, kunnen deze niet worden aangewezen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Artikel2.3.3.2Termijn aanwijzingsbesluit en registratie in erfgoedregister 1.De gemeenteraad beslist binnen 14 weken na ontvangst van het advies van de Adviescommissie Cultuurhistorie Leiden als bedoeld in artikel 6.2.2.1, maar in ieder geval binnen 26 weken na de adviesvraag. 2.Een aangewezen gemeentelijk beschermd stadsgezicht wordt direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel2.3.3.3Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening) 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 16, eerste lid, wijzigen of intrekken. Hierop zijn artikel 2.3.3.2, eerste lid, en artikel 6.2.2.1, eerste lid, van overeenkomstige toepassing, tenzij het gaat om een aanpassing van ondergeschikte betekenis, of het stadsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig teniet is gegaan. 2.Een aanwijzing vervalt zodra het stadsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: Beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of Beschermd stadsgezicht op grond van een provinciale verordening. 3.Wanneer de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel2.3.3.4Vaststellen beschermend bestemmingsplan (Erfgoedverordening) 1.De gemeenteraad stelt een bestemmingsplan als bedoeld in de Wro vast ter bescherming van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Bij een besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht wordt hier een termijn voor gesteld. 2.Het college bepaalt bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht of de geldende bestemmingsplannen als beschermende plannen kunnen worden aangemerkt, dan wel een beheersverordening als bedoeld in de Wro kan worden vastgesteld. Afdeling2.4Groen Paragraaf2.4.1Groene Norm voor waardevolle bomen en boomstructuren Artikel2.4.1.1Aanwijzing waardevolle bomen 1.Het college stelt een Register Ecologische Bomen vast. 2.Alle aanwezige bomen in gemeente Leiden worden, voorafgaand aan activiteiten daaraan of het voornemen daartoe getoetst aan de in dit artikel onder lid 3 neergelegde aanwijscriteria, de Groene Norm. 3.Een boom is in ieder geval waardevol als deze voldoet aan tenminste één of meer van de volgende waarden, toegelicht in het Beleidskader met afwegingen voor Aanwijzing en bescherming bomen Leiden: monumentale waarde: op grond van leeftijd van minimaal 80 jaar of minimale grootte van 80 centimeter stamdiameter op 1,3 meter boven maaiveld (250 centimeter stamomtrek); ecologische waarden: conform het Register Ecologische Bomen met minimaal 3 punten, met een minimale leeftijd van 50 jaar of minimale grootte van 50 centimeter stamdiameter op 1,3 meter boven maaiveld (157 centimeter stamomtrek); cultuurhistorische waarden: als herdenkingsboom, onderdeel van monumentaal stadsgezicht, of in ensemble met monumentaal pand; bijzondere waarde: door de aanwezigheid binnen de gemeentegrenzen van Leiden van maximaal 10 volwassen exemplaren van de soort. Artikel2.4.1.2Aanwijzing waardevolle boomstructuren 1.Alle aanwezige bomen in gemeente Leiden worden, voorafgaand aan activiteiten daaraan of het voornemen daartoe getoetst aan de in het Werkboek Groene Hoofdstructuur

(2018)en het Uitvoeringsprogramma 2020-2023 beschreven groene hoofdstructuren. 2. Een boom is in ieder geval onderdeel van een waardevolle boomstructuur als deze: Staat in een van de parken, zoals deze zijn vastgelegd in figuur 3.3 van Uitvoeringsprogramma 2020-2023 - Leiden biodivers en Klimaatbestendig (RV 20.0027) ; Onderdeel is van een van de in het Uitwerkingsplan Groene Hoofdstructuur (BW 18.0148) beschreven ecologische hoofdstructuren; Vermeld staat als boomstructuur of laan op de Groene Kaart (versie 2017) en gesitueerd zijn in de openbare ruimte in eigendom van de gemeente Leiden. Artikel2.4.1.3Het voorstel tot aanwijzing of afvoer (nadere regels Bomenverordening) [vervallen] Artikel2.4.1.4Jaarlijkse vaststelling van de Groene Kaart (nadere regels Bomenverordening) [vervallen] Hoofdstuk3Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling3.1 Inleidende bepalingen Paragraaf3.1.1Algemene bepalingen Artikel3.1.1.1Toepassingsbereik Dit hoofdstuk gaat over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving Artikel3.1.1.2Vergunningplicht Activiteiten waarvoor op grond van deze verordening een vergunning voor nodig is, mogen niet worden uitgevoerd zonder of voordat die vergunning is verleend, of in afwijking van de verleende vergunning. Paragraaf3.1.2Bepalingen ten aanzien van vergunningen Artikel3.1.2.1Beslistermijn (APV) 1.Het college beslist binnen acht weken na ontvangst op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, tenzij in deze verordening anders is bepaald. 2.Het college kan de termijn met maximaal acht weken verlengen. 3.Als beslist wordt op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, en een vergunning als bedoeld in artikel 3.4.4.3, tweede lid uit deze verordening, is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing. Artikel3.1.2.2Voorschriften en beperkingen (APV) 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel3.1.2.3Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing (APV) De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel3.1.2.4Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing (APV) 1.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: voor het verkrijgen daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; na het verlenen van de vergunning of ontheffing de omstandigheden of inzichten zijn veranderd waardoor het noodzakelijk is deze te wijzigen of in te trekken vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verleend; de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning of ontheffing zijn verbonden niet worden nageleefd; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn, of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn; de houder dit verzoekt. 2.Naast deze intrekkings- en wijzigingsgronden kunnen voor specifieke vergunningen of ontheffingen nog aanvullende gronden gelden. Artikel3.1.2.5Termijnen (APV) De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald, of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel3.1.2.6Weigeringsgronden (APV) 1.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Als de aanvraag voor een vergunning of ontheffing minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend, kan deze ook worden geweigerd als daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Afdeling3.2 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten Paragraaf3.2.1Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten Artikel3.2.1.1Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen (Bouwverordening) 1.Het college kan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbinden, als zij van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. 2.Voor het vormen van dit oordeel maakt het college van een onderzoeksrapport en/of andere bij haar bekende onderzoeksresultaten zoals bedoeld in de Regeling omgevingsrecht, dan wel een saneringsplan op grond van artikel 39, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming. 3.Deze voorwaarden kunnen worden gesteld naast de voorwaarden uit artikel 3.2.1.2 en artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht. Artikel3.2.1.2Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem (Bouwverordening) Er mag niet worden gebouwd op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar voor de gezondheid van de gebruikers is te verwachten, voor zover dat bouwen betrekking heeft op: een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist en dat de grond raakt, of waarvan het ter plaatse toegestane gebruik wordt gewijzigd. Artikel3.2.1.3Het onderzoek naar bodemverontreiniging (Bouwverordening) 1.Het onderzoek met betrekking tot de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. 2.Als op basis van het vooronderzoek de aanleiding bestaat te veronderstellen dat er asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, wordt het onderzoek ook uitgevoerd volgens NEN 5707. 3.De verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, met uitzondering van de in deze artikelen genoemde hoogtebepalingen. 4.Als voor toepassing van artikel 3.2.1.2 bij het college al bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, staat het college het toe geheel of gedeeltelijk af te wijken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen. 5.Als voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is, dan wel dat de gerezen verdenkingen een volledig onderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen, kan het college toestaan dat gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen. 6.Als er niet kan worden begonnen met bouwen nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek worden uitgevoerd nadat is gesloopt, maar voordat is begonnen met de bouw. Paragraaf 3.2.2 Huisvesting Artikel 3.2.2.1 Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte (Huisvestingsverordening) 1. Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college: woonruimten met een koopprijs beneden de koopprijsgrens, dan wel met een huurprijs beneden de huurprijsgrens, geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar; woonruimten met een koopprijs beneden de koopprijsgrens, dan wel een huurprijs beneden de huurprijsgrens, geheel of gedeeltelijk samen te voegen, anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar; zelfstandige woonruimten om te zetten in onzelfstandige woonruimten; woonruimten te verbouwen tot twee of meer zelfstandige woonruimten, als ten minste één van de te vormen woonruimten een gebruiksoppervlakte heeft van 40m2 of minder. 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing: ten aanzien van woonwagens; ten aanzien van woningen van een woningcorporatie die ten behoeve van herstructurering worden gesloopt; in gevallen waar sprake is van inwoning. Artikel 3.2.2.2 Aanvraag vergunning (Huisvestingsverordening) 1. De aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 wordt ingediend bij het college door middel van een daartoe vastgesteld formulier. 2. Bij de aanvraag worden, naast het bepaalde in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, ten minste de volgende gegevens verstrekt: Het adres van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft; De naam en het adres van de aanvrager, zijnde de eigenaar van de woonruimte of het gebouw; Straat, huisnummer(s), kadastrale aanduiding(
  1. en)en huur- of koopprijs van de betrokken woonruimte(n); Een omschrijving van de activiteit waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, waarbij ten minste wordt aangegeven: Ten behoeve van welke (andere) bestemming een woonruimte aan de bestemming tot bewoning wordt onttrokken, en welk deel van de woonruimte dit betreft, of; Welke woonruimten worden samengevoegd, of; Het aantal (on)zelfstandige woonruimten waarin een zelfstandige woonruimte wordt omgezet; De gewenste vergunningstermijn; De gegevens over de bestaande situatie, waaronder, voor zover van toepassing, de huur- of koopprijs, het aantal kamers, de gebruiksoppervlakte, de woonlaag en de staat van onderhoud; De gegevens over de beoogde situatie, waaronder, voor zover van toepassing, de huurprijs, het aantal kamers, het aantal bewoners en de bouwtekening of omgevingsvergunning; Bij een aanvraag om een vergunning voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte: gegeven waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de regels zoals gesteld in de vastgestelde Beleidsregel onttrekking en woningvorming, zoals een geluidsisolatieplan. Artikel 3.2.2.3 Voorwaarden en voorschriften (Huisvestingsverordening) Aan een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 kunnen voorwaarden en voorschriften worden verbonden over onder andere: een beperkte geldingsduur van de vergunning als deze voorziet in een tijdelijke behoefte; de periode waarbinnen van de vergunning gebruik moet worden gemaakt; de voorwaarde dat de huurprijs wordt bepaald op grond van het woningwaarderingssysteem volgens de Huurprijzenwet woonruimte; geluidsisolatie-eisen; goed verhuurderschap; het voorkomen van overlast; het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning waarop de aanvraag betrekking heeft, als de vergunning betrekking heeft op het omzetten van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimten of meerdere zelfstandige woonruimten. Artikel 3.2.2.4 Weigeringsgronden (Huisvestingsverordening) 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 wordt in ieder geval geweigerd als: Naar het oordeel van het college het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het belang dat met het onttrekken, samenvoegen, omzetten of woningvorming wordt gediend; Het verlenen van de vergunning zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de betreffende woning; De onder a en b genoemde belangen niet voldoende kunnen worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning; Het verlenen van de vergunning zou leiden tot strijdigheid met de voorschriften uit het bouwbesluit of het ter plaatse geldende bestemmingsplan. 2. Een vergunning als bedoeld in artikel 21, onder c, van de Huisvestingswet, wordt in ieder geval ook geweigerd als: Het verlenen van de vergunning zou leiden tot het overschrijden van het maximum percentage onttrokken woningen per straat, zoals bedoeld in de vastgestelde Beleidsregel onttrekking en woningvorming; Er tussen de woningen met onzelfstandige ruimte horizontaal, en indien van toepassing verticaal, niet ten minste 2 aaneengesloten zelfstandige woonruimten of andere panden niet zijnde woonruimte zijn. 3. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 onder d, van de Huisvestingswet, wordt geweigerd als ten minste één van de te realiseren woonruimtes een gebruiksoppervlakte heeft van minder dan 24m2. 4. Het college kan afwijken van het bepaalde in het tweede lid als de aanvraag voor een onttrekkingsvergunning is bedoeld voor het huisvesten van kwetsbare groepen. Artikel 3.2.2.5 Intrekking (Huisvestingsverordening) Het college kan in aanvulling op het bepaalde in artikel 26 van de Huisvestingswet 2014, een vergunning als bedoeld in artikel 3.2.2.1 intrekken als: de woning niet in goede staat van onderhoud wordt gehouden; er sprake is van aantoonbare en stelselmatige overlast waardoor het woon- en leefklimaat voor omliggende woningen niet langer aanvaardbaar is, en dit niet kan worden opgelost door het stellen van nadere voorwaarden en voorschriften; de feitelijke situatie of het feitelijk gebruik niet meer in overeenstemming is met de vergunde situatie. Afdeling3.3 Milieubelastende activiteiten Paragraaf3.3.1Festiviteiten en geluidhinder Artikel3.3.1.1Aanwijzing collectieve festiviteiten (APV) 1.Het college kan per kalenderjaar collectieve festiviteiten met daarbij dagen of dagdelen aanwijzen wanneer de geluidsnormen als bedoeld in artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.3.1.4 van deze verordening niet gelden. 2.Het college kan per kalenderjaar collectieve festiviteiten met daarbij dagen of dagdelen aanwijzen wanneer de voorwaarden met betrekking tot verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet gelden. 3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing alleen geldt in een of meerdere delen van de gemeente. 4.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college het eindtijdstip bepalen en andere maximaal toelaatbare geluidsniveaus vaststellen, maar deze mogen niet meer bedragen dan 70 dB(A) én 80 dB(C), gemeten op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. 5.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid mag het equivalente geluidniveau Leq,T dat wordt veroorzaakt door de inrichting niet meer dan 55 dB(A) bedragen in een geluidgevoelige ruimte van een woning van derden terwijl de ramen en deuren van de woning gesloten zijn. 6.Muziek mag alleen binnen het gebouw van de inrichting ten gehore worden gebracht. Ramen en deuren moeten hierbij gesloten blijven, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel3.3.1.2Melding incidentele festiviteiten (APV) 1.Mits de houder van een inrichting het college minstens twee weken van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting mag maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de geluidnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.3.1.4 van deze verordening niet van toepassing zijn. 2.Mits de houder van een inrichting het college minstens twee weken van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de voorwaarden met betrekking tot verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van kennisgeving. 4.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het formulier volledig en naar waarheid is ingevuld, en tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier is vermeld. 5.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het college op het verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, meteen toestaat. 6.Het equivalente geluidniveau Leq,T dat wordt veroorzaakt door de inrichting mag niet meer bedragen dan 70 dB(A) én 80 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, en 55 dB(A) in een geluidgevoelige ruimte van een woning van derden terwijl de ramen en deuren van de woning gesloten zijn. 7.Als dagen bedoeld in het eerste lid op een zondag tot en met donderdag vallen wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer uiterlijk om 24.00 uur beëindigd. 8.Als dagen bedoeld in het eerste lid op een vrijdag of zaterdag vallen wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 9.Muziek mag alleen binnen het gebouw van de inrichting ten gehore worden gebracht. Ramen en deuren moeten hierbij gesloten blijven, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 10.Op dagen als bedoeld in het tweede lid wordt de verlichting uiterlijk om 00.00 uur gedoofd. 11.De drijver van de inrichting waar een incidentele festiviteit plaatsvindt, licht omwonenden binnen een straal van 50 meter van de inrichting minstens 48 uur voor het begin van de festiviteit daarover in op de manier die is aangegeven op het meldingsformulier. 12.Een aanwezige omroepinstallatie mag alleen worden gebruikt voor het aankondigen van het starten of beëindigen van wedstrijd- of feestonderdelen. Artikel3.3.1.3Wijze van geluidmeten (APV) 1.Metingen en berekeningen ter controle van de eerder genoemde geluidniveaus worden gedaan volgens de HMRI-99. 2.In tegenstelling tot de HMRI-99 worden op het gemeten signaal in dB(A) of dB(C) geen correcties meer toegepast. 3.In tegenstelling tot de HMRI-99 mogen metingen ook worden uitgevoerd met een, volgens de specificaties van IEC-publicatie 60651, type 2 geluidniveaumeter. 4.Metingen in de buitenlucht vinden plaats op een hoogte van minimaal 1,5 meter en maximaal 2 meter boven het plaatselijk maaiveld. 5.Metingen in geluidgevoelige ruimten vinden plaats op minstens 1,5 meter boven de vloer, 1,5 meter van ramen en 1 meter van muren. 6.Als het geluidniveau op de gevel van een geluidgevoelig gebouw wordt vastgesteld, wordt de gevel op de begane grond ook als gevel van het geluidgevoelig gebouw gezien als geluidgevoelige ruimten alleen op de hoger gelegen etages aanwezig zijn. Artikel3.3.1.4Overige geluidhinder (APV) 1.Buiten een inrichting is het niet toegestaan handelingen te verrichten, of toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben zodat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening. 4.Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 3.3.2Overige milieubelastende activiteiten Artikel3.3.2.1Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke (APV) 1.In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid is het niet toegestaan op door het college aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de open lucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare, of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, ingekuild gras, loof of pulp, of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Afdeling3.4 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente Paragraaf3.4.1Algemene bepalingen met betrekking tot ligplaatsvergunningen Artikel3.4.1.1Verbodsbepalingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.Het is niet toegestaan een ligplaats in het openbaar water in te nemen met een vaartuig of ander drijvend voorwerp zonder een vergunning van het college. 2.Het is niet toegestaan een vaartuig, met uitzondering van woonschepen, te gebruiken om te overnachten of voor tijdelijk of permanent woonverblijf, buiten de daarvoor in het ligplaatsenplan aangewezen passantenhavens. Artikel3.4.1.2Tijdelijke ligplaatsen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Het is toegestaan een tijdelijke ligplaats in te nemen in de daartoe aangewezen passantenhavens of op de passantenligplaatsen zoals die zijn opgenomen in het ligplaatsenplan. Artikel3.4.1.3Karakter van de vergunning (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.Een vergunning voor een ligplaats die op grond van deze verordening is verleend kan niet worden overgedragen, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2.De vergunninghouder mag de ligplaats waar een vergunning voor is verleend niet verhuren of op andere wijze aan een ander in gebruik geven. 3.De vergunninghouder zorgt dat de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. Artikel3.4.1.4Algemene weigeringsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.Een vergunning voor een ligplaats op grond van deze verordening kan worden geweigerd als: De aanvraag niet in overeenstemming is met de voorschriften die door het college zijn gesteld; Dit in strijd is met het bestemmingsplan; De toestand van het vaartuig, bijvoorbeeld de technische en uiterlijke staat van onderhoud, daartoe aanleiding geeft; Alle betreffende ligplaatsen bezet zijn; Het innemen van de ligplaats feitelijk onmogelijk is; Dit in het belang van de veiligheid, verkeersveiligheid, het milieu of de welstand noodzakelijk is. 2.Er kunnen per categorie vaartuig bij of krachtens deze verordening nog aanvullende weigeringsgronden worden bepaald. Artikel3.4.1.5Algemene intrekkings- of wijzigingsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.De vergunning voor een ligplaats kan worden ingetrokken of gewijzigd als: De gegevens die zijn verstrekt onjuist of onvolledig blijken en op basis van de juiste gegevens een andere beslissing zou zijn genomen over de aanvraag; De vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend; De gegevens in de vergunning niet meer kloppen met de werkelijke situatie; Niet aan de voorschriften die bij of krachtens deze verordening zijn gegeven wordt voldaan; De voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden niet worden nagekomen; De vergunninghouder hierom vraagt; De vergunninghouder het verschuldigde binnenhavengeld, als bedoeld in de Verordening binnenhavengeld, niet betaalt; Het college van mening is dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van het vergunde negatief wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het vergunde; De toestand van het vaartuig, bijvoorbeeld de technische en uiterlijke staat van onderhoud, daartoe aanleiding geeft, of als de toestand het uiterlijk aanzien van de gemeente aantast, of het landschap verstoort; De ligplaats niet wordt gebruikt waarvoor deze is bedoeld. 2.Er kunnen per categorie vaartuig bij of krachtens deze verordening nog aanvullende intrekkings- of wijzigingsgronden worden bepaald. Artikel3.4.1.6Voorschriften en beperkingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.Een vergunning voor een ligplaats kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden verleend, afhankelijk van waar de vergunning voor bedoeld is. 2.Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van de hierna genoemde belangen. 3.De voorschriften en beperkingen, zoals bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op: De bescherming van de kwaliteit van het water of de bodem; Het voorkomen van gevaar, schade of hinder; De verkeersveiligheid en goede doorstroming van het verkeer, zowel op het water als op het land; De bescherming en het ongestoorde gebruik van naburige ligplaatsen; De afstemming met andere gebruikers van het openbaar water; Het bepalen van het tijdstip waarop de ligplaats feitelijk in gebruik mag of moet worden genomen; De omvang van de ligplaats waarbinnen het vaartuig moet worden aangelegd; Het uiterlijk van het vaartuig als naar mening van het college afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente of het landschap verstoort; De bescherming van het historisch- en archeologisch erfgoed. 4.Het college kan de vergunning wijzigen met het oog op de in het tweede lid genoemde belangen. 5.De vergunninghouder is verplicht de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel3.4.1.7Verplaatsen van vaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.Het college kan de vergunninghouder schriftelijk de opdracht geven een vaartuig te verplaatsen of te doen verplaatsen naar een andere ligplaats, als dit nodig is in het kader van de bescherming van de openbare orde, de veiligheid of het milieu in, op of aan het water. 2.Als de vergunninghouder de opdracht uit het eerste lid niet opvolgt, kan het college besluiten het vaartuig te verplaatsen of te doen verplaatsen. Het risico en de kosten zijn hierbij voor de vergunninghouder. 3.In spoedeisende gevallen, of als de vergunninghouder niet bekend is, kan het college besluiten het vaartuig direct te verplaatsen of te doen verplaatsen. Het risico en de kosten zijn voor de vergunninghouder. Artikel3.4.1.8Nakoming aanwijzingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) De vergunninghouder is bij het innemen van een ligplaats en bij het uitvoeren van werkzaamheden door de gemeente aan of nabij de ligplaats verplicht de aanwijzingen op te volgen die door of namens het college worden gegeven. Artikel3.4.1.9Meldingsplicht (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) De vergunninghouder is verplicht verontreiniging, gevaar of hinder, en beschadigingen, die betrekking hebben op zijn ligplaats direct te melden aan het college. Artikel3.4.1.10Termijn voor verwijdering (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Als de ligplaatsenvergunning (van rechtswege) vervalt, wordt opgezegd of ingetrokken moet de vergunninghouder het/de vaartuig(
  2. en)direct, dan wel binnen een door het college te bepalen termijn, verwijderen en verwijderd houden. Paragraaf3.4.2Ligplaatsen voor pleziervaartuigen Artikel3.4.2.1Aanvraag ligplaatsvergunning voor pleziervaartuigen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.De aanvraag voor een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt digitaal ingediend. Het college stelt hiervoor een aanvraagformulier beschikbaar op de website van de gemeente Leiden. 2.Het college beslist binnen acht weken over de aanvraag van een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig, gerekend vanaf de dag nadat het aanvraagformulier is ingediend. 3.Een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.4, geweigerd als: De aanvrager niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Leiden; De aanvrager niet beschikt over een pleziervaartuig en/of het niet aannemelijk is dat de aanvrager de betreffende ligplaats binnen 12 weken na het indienen van de aanvraag kan innemen met een pleziervaartuig; De lengte van het pleziervaartuig, wanneer het is gelegen aan een particuliere wal, groter is dan de maat van het aan het water grenzende deel van het betreffende perceel. 4.De ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt gekoppeld aan de naam van de aanvrager. De vergunning vermeldt de plaatsaanduiding van de betreffende ligplaats en de kenmerken van het pleziervaartuig, waaronder in ieder geval de lengte, breedte, kleur en naam. Artikel3.4.2.2Karakter van de vergunning (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.Een verleende ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig is persoonsgebonden. 2.Als de vergunninghouder komt te overlijden vervalt zes maanden na de datum van overlijden de ligplaatsvergunning van rechtswege. 3.Als de vergunninghouder niet meer staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Leiden, vervalt een jaar na de datum van uitschrijving uit de gemeente Leiden de ligplaatsvergunning van rechtswege. 4.Als de vergunninghouder komt te overlijden, kan het college de vergunning overschrijven op naam van de gehuwd of geregistreerd partner. Dit gebeurt met instemming van de gehuwd of geregistreerd partner. De overschrijving wordt binnen zes maanden geregeld. 5.Als de gehuwd of geregistreerd partner als bedoeld in het vierde lid zelf al een ligplaatsvergunning heeft, kan de vergunning van de overleden vergunninghouder niet worden overgeschreven. Artikel3.4.2.3Wachtlijst ligplaatsvergunning pleziervaartuig (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.Gegadigden voor het verkrijgen van ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig kunnen zich (laten) inschrijven op een wachtlijst die wordt gepubliceerd op de website van de gemeente Leiden. Het college stelt hiervoor een formulier beschikbaar op de website van de gemeente Leiden. 2.Vergunninghouders die al in het bezit zijn van een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig die in aanmerking willen komen voor een andere ligplaats kunnen zich ook op de wachtlijst (laten) plaatsen. 3.De volgorde op de wachtlijst wordt bepaald op basis van de datum en het tijdstip waarop de aanvraag is binnengekomen. 4.Het college stelt periodiek vrijgekomen ligplaatsen beschikbaar aan alle op de wachtlijst geplaatste gegadigden. 5.Nadat een ligplaats is toegewezen aan een gegadigde die op de wachtlijst stond ingeschreven, vervalt deze registratie. 6.Als aan een gegadigde zoals bedoeld in lid twee een ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wordt verleend, vervalt de eerder aan deze gegadigde verleende ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig. Artikel3.4.2.4Geldigheidsduur, intrekkings- en wijzigingsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.Als de vergunninghouder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig is begonnen met het zichtbaar gebruiken van de ligplaats zoals beschreven in de vergunning, komt de vergunning van rechtswege te vervallen. Het college kan hiervan afwijken in het besluit tot toekenning van de vergunning. 2.Het college kan, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.5, eerste lid, de ligplaatsvergunning voor een pleziervaartuig wijzigen of intrekken als: Dit nodig is vanwege het uitvoeren van werken en/of evenementen; Het pleziervaartuig bedrijfsmatig wordt gebruikt. Artikel3.4.2.5Voeren vergunningsticker (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.De vergunninghouder ontvangt jaarlijks een vergunningsticker van het college. 2.De vergunninghouder is verplicht de vergunningsticker aan te brengen op zijn vaartuig. De vergunningsticker moet zo zijn aangebracht dat deze van buitenaf goed zichtbaar is. Paragraaf3.4.3Ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen Artikel3.4.3.1Nadere regels omtrent vergunningverlening (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Het college stelt nadere regels op met betrekking tot het proces van vergunningverlening, waaronder begrepen – maar niet beperkt tot – de vorm en de inhoud van de aanvraag, de verdelings- en verleningssystematiek, en de wachtlijst en wijze waarop deze wordt gebruikt. Artikel3.4.3.2Karakter van de vergunning (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.Een verleende ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen is gebonden aan de (rechts)persoon aan wie de vergunning is verleend. 2.De verleende ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen vervalt bij het faillissement van de (rechts)persoon van rechtswege. Artikel3.4.3.3Weigeringsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) Een ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wordt, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.4, geweigerd als: De aanvrager niet beschikt over een bedrijfsvaartuig en/of het niet aannemelijk is dat de aanvrager de betreffende ligplaats binnen 12 weken na het indienen van de aanvraag kan innemen met een bedrijfsvaartuig; De lengte van het bedrijfsvaartuig, wanneer het is gelegen aan een particuliere wal, groter is dan de maat van het aan het water grenzende deel van het betreffende perceel waar de beoogde ligplaats is gesitueerd en waarvan de aanvrager eigenaar of gebruiker is. Artikel3.4.3.4Overdracht vergunning in geval van bedrijfsoverdracht en wijzigen rechtsvorm (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.In afwijking van artikel 3.4.1.3 kan een ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen worden overgedragen, als de vergunninghouder zijn gehele onderneming (waarin als activum de vergunning is opgenomen) of een afgebakend bedrijfsonderdeel (waarin als activum de vergunning is opgenomen) verkoopt en in eigendom aan een derde overdraagt. De oude en de nieuwe vergunninghouder melden dit direct schriftelijk aan het college. 2.Als de vergunninghouder in een andere rechtsvorm wordt omgezet, meldt deze dit direct schriftelijk aan het college. 3.De aanvraag voor het overschrijven van de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wordt ten minste zes weken voor de juridische eigendomsoverdracht digitaal ingediend. Het college stelt hiervoor een formulier beschikbaar op de website van de gemeente Leiden. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst op de aanvraag. Deze termijn kan met acht weken worden verlengd. 4.Het overschrijven van de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wordt in ieder geval geweigerd als niet wordt voldaan aan wat daarover is bepaald bij of krachtens deze verordening. Artikel3.4.3.5Het gebruik van de ligplaats (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.De vergunninghouder van één of meerdere ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen mag die ligplaatsen voor al zijn bedrijfsvaartuigen gebruiken, mits de buitengrenzen van de individuele ligplaats niet worden overschreden. 2.De vergunninghouder van aaneengesloten ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen mag die ligplaatsen voor al zijn bedrijfsvaartuigen gebruiken, inclusief de vaartuigvrije zone van twee meter die tussen ligplaatsen wordt gerekend, mits de buitengrenzen van de gezamenlijk aaneengesloten ligplaatsen niet worden overschreden. 3.De vergunninghouder van een ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen is verplicht het bedrijfsvaartuig op duidelijke wijze te voorzien van de naam van de vergunninghouder. Artikel3.4.3.6Voorschriften en beperkingen (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.In de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen staat met welke categorie of categorieën bedrijfsvaartuigen de betreffende ligplaats mag worden ingenomen. 2.Door het college kunnen aan de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van het oogmerk van deze verordening. Artikel3.4.3.7Geldigheidsduur, intrekkings- en wijzigingsgronden (Bedrijfs- en pleziervaartuigenverordening) 1.Als de vergunninghouder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen is begonnen met het zichtbaar gebruiken van de ligplaats zoals beschreven in de vergunning, komt de vergunning van rechtswege te vervallen. Het college kan hiervan afwijken in het besluit tot toekenning van de vergunning. 2.Het college kan, naast de redenen genoemd in artikel 3.4.1.5, eerste lid, de ligplaatsvergunning voor bedrijfsvaartuigen wijzigen of intrekken als: Dit nodig is vanwege het uitvoeren van werken en/of evenementen; Het vaartuig dat op de ligplaats is afgemeerd niet behoort tot of niet herkenbaar is als een van de bedrijfsvaartuigen van de vergunninghouder. Paragraaf3.4.4Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare ruimten Artikel3.4.4.1Voorwerpen op of aan de weg (APV) 1.Het gebruiken van de weg of een weggedeelte, anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, is alleen toegestaan als het college daar een vergunning voor heeft verleend. 2.De vergunning wordt als omgevingsvergunning verleend als het gebruik als bedoeld in het eerste lid een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3.Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 kan een vergunning worden geweigerd: Als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; Als het beoogde gebruik, op zichzelf of in verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Om overlast voor gebruikers van een nabij gelegen onroerende zaak te voorkomen of te beperken. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV; terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid, van de APV; standplaatsen als bedoeld in artikel 3.4.9.1; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; categorieën van voorwerpen die door het college zijn aangewezen; situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. 5.De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeersweg 1994. 6.De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 7.De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder c is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 8.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel3.4.4.2(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (APV) 1.Het is niet toegestaan om zonder vergunning of in afwijking daarvan een weg aan te leggen, of de aanleg, de aard of de wegverharding op enige manier te veranderen. 2.De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.Het verbod is niet van toepassing als de werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht. 4.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. 5.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel3.4.4.3Maken, veranderen van een uitweg (APV) 1.Het maken van een uitweg naar de weg, of een verandering aanbrengen in een bestaande uitweg naar de weg, is alleen toegestaan als het college daar een omgevingsvergunning voor heeft verleend. 2.Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 moet een vergunning worden geweigerd: Om gevaar op de weg te voorkomen; Als een openbare parkeerplaats door de uitweg verdwijnt, zonder dat dat nodig is; Als door de uitweg het openbaar groen op een onaanvaardbare manier wordt aangetast; Als de uitweg is bedoeld om een perceel te ontsluiten dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en door de aanleg van de tweede uitweg een openbare parkeerplaats of openbaar groen verdwijnen. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Artikel3.4.4.4Winkelwagentjes (APV) 1.De rechthebbende op een bedrijf dat winkelwagentjes ter beschikking stelt die mede zijn bedoeld om winkelwaren over de weg te vervoeren, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken. 2.De rechthebbende als bedoeld in het eerste lid mag buiten het door het college aangewezen winkelgebied geen onbeheerde winkelwagentjes hebben, met uitzondering van de door het betreffende bedrijf aangebrachte uitgifte-/verzamelpunten voor deze winkelwagentjes. 3.De gebruiker van een winkelwagentje mag deze niet buiten het door het college aangewezen winkelgebied gebruiken, aanwezig hebben of achterlaten, met uitzondering van het achterlaten van het winkelwagentje op een door het betreffende bedrijf aangebracht uitgifte-/verzamelpunt. Artikel3.4.4.5Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (APV) Het is niet toegestaan een voorwerp of beplanting te hebben of aan te brengen op een manier dat voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat, of voor het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd. Artikel3.4.4.6Voorzieningen voor verkeer en verlichting (APV) 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing waarin wordt voorzien door de Waterstaatsweg 1900, de Onteigeningswet, de Belemmeringenwet Privaatrecht, of de Verordening naamgeving van de openbare ruimte en nummering Leiden. Artikel3.4.4.7Objecten onder hoogspanningslijn (APV) 1.Binnen een afstand van 6 meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen is het niet toegestaan voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan 2 meter, te plaatsen of te hebben. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3.Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel3.4.4.8Veiligheid op het ijs (APV) 1.Het is niet toegestaan: IJsvlakten die voor het publiek toegankelijk zijn te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op welke manier dan ook te belemmeren of in gevaar te brengen; Bakens of andere voorwerpen ten behoeven van de veiligheid op de ijsvlakten als bedoeld onder a, te verplaatsen, weg te halen, te beschadigen of op welke manier dan ook het gebruik daarvan te verhinderen of te belemmeren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Artikel3.4.4.9Voorwerpen op, in of boven openbaar water (APV) 1.Het is niet toegestaan een voorwerp, anders dan een vaartuig, op, in of boven openbaar water te hebben of aan te brengen als dit op enige manier gevaar of belemmering oplevert voor het doelmatig en veilig gebruiken, beheren of onderhouden van het openbaar water. 2.Het plaatsen van een steiger, meerpaal of ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven het openbaar water is alleen toegestaan als daarvan minimaal twee weken van tevoren een melding aan het college is gedaan. 3.De melding als bedoeld in het tweede lid bevat in ieder geval de naam, het adres en de contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en de omvang van het voorwerp. 4.De melding wordt op de gebruikelijke manier bekendgemaakt. 5.Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepsvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Paragraaf3.4.5Terrassen Artikel3.4.5.1Terrasvergunning (APV) 1.Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college en daarnaast in afwijking van de regels als bedoeld in deze paragraaf, een terras in te richten, te exploiteren of in gebruik te geven op een openbare ruimte, op openbaar water of op een voor publiek toegankelijk terrein. 2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als: Een terras (op het water) niet direct grenst aan, of zich in de directe nabijheid van de horeca-inrichting van de aanvrager bevindt; Blijkt dat het terras gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg en het openbaar water, of voor het doelmatig beheer van de weg en het openbaar water; Blijkt dat het terras breder is dan de gevelbreedte van de horeca-inrichting, tenzij het college vindt dat een afwijkende breedtemaat vereist of aanvaardbaar is, gelet op onder meer de belangen van de eigenaren/gebruikers van aangrenzende percelen;’ De aanvraag betrekking heeft op een terras op een binnenplaats of binnenterrein omsloten door woningen, tenzij het college vindt dat overlast voor de eigenaren/gebruikers van aangrenzende percelen kan worden voorkomen door het verbinden van voorschriften aan de vergunning; De aanvraag betrekking heeft op een terras op het water voor het Rapenburg (met uitzondering van de locatie hoek Rapenburg/Noordeinde), de Herengracht, de Zoeterwoudsesingel, de Witte Singel, de Morssingel, de Rijnsburgersingel, de Maresingel, de Herensingel en de Zijlsingel; Het verlenen van de vergunning de rechten en/of vrijheden van anderen zal aantasten, dan wel voor ontoelaatbare overlast zal zorgen; Voor het terras ook andere vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en dergelijke zijn vereist, die krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 4.Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 5. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van: het waarborgen van de verkeersveiligheid op en nabij het terras; de inrichting van terrassen, inclusief het voeren van reclame op terrassen; het voorkomen van overlast voor eigenaren/gebruikers van belendende percelen; de veiligheid en gezondheid op het water vanwege een terras; de inrichting van terrassen in relatie tot de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Artikel3.4.5.2Aanvraag terrasvergunning en nadere regels voor gebruik van een terras (Regels terrassen) 1.Een terras en/of een terras op het water ligt direct aangrenzend aan, of in de directe nabije omgeving van de horeca-inrichting van de aanvrager. 2.Terrassen zijn alleen toegestaan binnen het vlak dat loodrecht op de voorgevel ligt, binnen de zijdelingse perceelgrenzen ter hoogte van de voorgevel (zie bijlage 3, voorbeeldkaartjes 1 en 2). 3. Terrassen die niet tegen de eigen gevel liggen mogen daarnaast ook niet binnen een afstand van 4 meter tot panden van derden worden geplaatst, tenzij met de eigenaar van deze panden overeenstemming is bereikt (zie bijlage 3, voorbeeldkaartje 3). 4.Een terrasboot op het water mag niet meer dan 10 centimeter boven de kademuur uitsteken. 5.Het is niet toegestaan voorwerpen zwaarder dan 15 kilogram te plaatsen, of voorwerpen in de grond te verankeren, binnen een straal van 90 centimeter rondom een brandkraan of -deksel, gemeten vanuit het hart van de brandkraan of –deksel. 6.Het is niet toegestaan nooduitgangen en –toegangen voor derden met de daarbij behorende looproutes te blokkeren. 7.Het is niet toegestaan objecten te plaatsen binnen een afstand van 50 centimeter van een geleidelijn, markering of natuurlijke gidslijn die is bedoeld ter aanduiding van looproutes voor mensen met een visuele beperking. 8.Het is niet toegestaan een terras te hebben op een binnenplaats, binnenterrein of andere door woningen omsloten terrein, tenzij het college anders besluit. 9.Als zich in straten trottoirs bevinden moet de vrije breedte voor voetgangers op trottoirs minimaal 1,5 meter bedragen. De vrije breedte moet minimaal 2 meter bedragen bij de trottoirs van de Stationsweg, de Steenstraat, de Nieuwe Beestenmarkt, de Turfmarkt, de Prinsessekade, het Kort Rapenburg, de Breestraat, de Korevaarstraat, de Lange Mare en de Doezastraat. 10.In stegen en straten die smaller zijn dan 4 meter en waar alleen voetgangers zijn toegestaan, zijn terrassen mogelijk tot 1 meter uit de eigen gevel, mits deze geen overlast (ten aanzien van geluid en vrije doorgang) voor omwonenden zullen veroorzaken en mits de looproute minimaal 1,5 meter breed blijft. 11.Op de Beestenmarkt moet voor de toegang van calamiteitendiensten een vrije breedte van minimaal 4 meter bestaan tussen de gevelterrassen en de eilandterrassen. De vrije breedte wordt gerekend vanaf de lijngoot (richting het plein) (zie bijlage 3, voorbeeldkaartje 4). Artikel3.4.5.3Nadere regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit van terrasmeubilair (Regels terrassen) 1.Onder terrasmeubilair vallen alle losstaande elementen op een terras. 2.De losse onderdelen van het terrasmeubilair mogen niet hoger zijn dan 1,5 meter en niet breder dan 2,5 meter. 3.Terrasmeubilair dat in aanleg niet binnen kan worden opgeslagen, kan worden aangemerkt als bouwwerk. Hiervoor moet een omgevingsvergunning voor een bouwwerk zijn verleend. 4.Terrasmeubilair moet passen bij de functie en beeldkwaliteit van de directe omgeving. 5.Terrasmeubilair moet in goede constructieve en onderhouden toestand zijn. 6.Terrasmeubilair mag niet in een fluorescerende kleur zijn uitgevoerd. 7.Terrasmeubilair en/of plantenbakken mogen niet worden geplaatst op een manier waardoor ze fungeren als zijwand of terrasafscheiding. 8.Terrasmeubilair en/of plantenbakken mogen niet meer dan 50% van een zijkant/rand van een terras vullen. 9.Plantenbakken mogen maximaal 70 centimeter hoog zijn en een oppervlakte hebben van maximaal 0,7 m2. 10.Het is niet toegestaan de (straat)verharding tijdelijk dan wel permanent te bedekken. 11.Verwijderbare en/of tijdelijke schermen zijn alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: De zijschermen worden loodrecht op de gevel geplaatst, binnen de grenzen van het terras en mogen niet langer zijn dan de diepte van het terras; De zijschermen mogen maximaal 1,5 meter hoog zijn, waarbij een eventueel ondoorzichtig deel maximaal 70 centimeter hoog (vanaf het maaiveld) mag zijn; Het doorzichtig deel van de zijschermen bestaat uit helder kleurloos glas of helder kunststof; De zijschermen mogen geen hinder voor het verkeer veroorzaken; Eventueel aangebrachte logo’s of teksten op het dichte deel of het transparante deel mogen maximaal 15% van het oppervlak van dat schermdeel beslaan; De zijschermen moeten buiten de terrasuren worden weggehaald; De zijschermen moeten voldoen aan de kwaliteitseisen uit de welstandsnota; Terrasschermen op terrasboten zijn niet toegestaan. 12.Voor permanente zijwanden, vaste parasols of vaste parasolvoeten bij terrassen in de openbare ruimte moet een omgevingsvergunning worden verleend. 13.Het overkappen van een terras is niet toegestaan, met uitzondering van de gevallen in artikel 5 of een uitvalscherm waarvoor een vergunning is verleend. 14.Een terras op het water is gelegen op een dekschuit met een historische uitstraling die is uitgevoerd in een gedekte kleur. 15.Het voeren van reclame is toegestaan op terrasmeubilair dat hoort bij het terras. De reclameboodschap mag maximaal 15% van het oppervlak van het object beslaan. 16.Gedrukte reclame op markiezen, uitvalschermen en parasols is alleen toegestaan op de volant tot maximaal 50% van de volantbreedte en een maximale hoogte van 20 centimeter. 17.Reclameboodschappen mogen uitsluitend de volgende zaken bevatten: De naam of het beeldmerk van het bedrijf of de inrichting waar het terras bij hoort; De naam van de betreffende eigenaar; De naam of een afbeelding van een product dat in het bedrijf wordt verkocht, en/of; De naam of het logo van een merk dat in het bedrijf wordt verkocht. 18.Het college kan op verzoek ontheffing verlenen van dit artikel. Artikel3.4.5.4Parasols (Regels terrassen) 1.Parasols die in aanleg niet binnen kunnen worden opgeslagen, kunnen worden aangemerkt als bouwwerk. Hiervoor moet een omgevingsvergunning voor een bouwwerk zijn verleend. 2.De afmetingen van uitgeklapte parasols mogen de grenzen van het terras niet overschrijden. 3.Tussen de bestrating en de onderkant van de volant moet minimaal 2,3 meter doorloophoogte blijven. 4.De vaste parasol mag in uitgeklapte stand niet hoger zijn dan de eerste verdiepingsvloer van het aangrenzende pand, met een maximum van 3,5 meter. 5.Een uitgeklapt, aaneengesloten parasoldak mag maximaal 36 m2 beslaan. 6.Tussen de verschillende aaneengesloten parasoldaken moet rondom minimaal 1 meter tussenruimte worden vrijgehouden. 7.Parasols moeten worden uitgevoerd in een gedekte kleur. Paragraaf3.4.6Stadsschoon en handelsreclame Artikel3.4.6.1Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame (APV) 1.Het is niet toegestaan om op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken met een opschrift, aankondiging of afbeelding als daardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving ontstaat. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel3.4.6.2Reclamevoertuigen (APV) 1.Het is niet toegestaan een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het doel daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 3.Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel3.4.6.3Vergunningsplicht stadsschoon en handelsreclame (APV) 1.Zonder vergunning is het niet toegestaan voor de eigenaar of gebruiker van een onroerend goed daarop of daarin opschriften, aankondigingen of afbeeldingen te hebben, in welke vorm dan ook en op welke manier dan ook. 2.Het verbod uit het eerste lid geldt alleen voor opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, in welke vorm dan ook, die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats, voor zover de bedoeling hiervan is een boodschap naar die plaatsen over te brengen. 3.Het verbod uit het eerste lid geldt niet voor: onroerend goed dat is gelegen in het landelijke gedeelte van de gemeente, als bedoeld in de provinciale verordening bescherming landschap en natuur Zuid-Holland; naamborden en opschriften die betrekking hebben op de dienst, het beroep of het bedrijf dat daar wordt uitgeoefend, mits het naambord of opschrift niet groter is dan 0,15 m2 waarbij geen afmeting groter is dan 0,50 meter; aankondigingen die worden gedaan om te voldoen aan een wettelijke verplichting, waarbij de in het wettelijk voorschrift genoemde minimum afmetingen niet mogen worden overschreden. Als er geen maten zijn vastgesteld dan geldt als maximum een oppervlakte van 0,15 m2 waarbij geen afmeting groter is dan 0,50 meter; aankondigingen waarbij een onroerend goed geheel of gedeeltelijk te koop of te huur wordt aangeboden, mits deze worden aangebracht op dat onroerend goed dan wel daar waar de verkoping zal plaatsvinden en de aankondiging niet groter is dan 0,35 m2 en geen afmeting groter is dan 1 meter. Per onroerend goed zijn maximaal twee aankondigingen toegestaan. De aankondigingen zijn slechts toegestaan zolang zij feitelijk betekenis hebben; aankondigingen die van tijdelijke aard zijn, mits de aankondiging niet groter is dan 0,75 m2 en geen afmeting groter is dan 1 meter. De aankondiging mag maximaal vier weken aanwezig zijn. Aankondigingen aan een onroerend goed die betrekking hebben op daar in gehouden wettelijk toegestane uitverkopen of opruimingen mogen niet groter zijn dan 3 m2 waarbij geen afmeting groter is dan 3 meter. Voor aankondigingen aan een bioscoop van de daarin te vertonen films gelden geen maximummaten; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in een onroerend goed voor zover deze niet de bedoeling hebben om een boodschap over te brengen naar de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen op zuilen, borden en muren die daarvoor door de gemeente zijn aangewezen; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen op stationsemplacementen; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen die zijn aangebracht op een gebouw en waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit Bouwen als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen die dienen ter uitoefening van artikel 7 van de Grondwet; monumenten in de zin van de Erfgoedwet en de Erfgoedverordening; handelsreclame, voor zover deze voldoet aan de in deze verordening opgenomen regels. 4.Een opschrift, aankondiging of afbeelding dat op, aan of in een onroerend goed is aangebracht volgens het bepaalde in het derde lid, onder b tot en met h, mag niet in ernstige mate in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand. Bij overtreding is het college bevoegd de eigenaar of de gebruiker van het onroerend goed aan te schrijven het opschrift, de aankondiging of de afbeelding binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen. 5.Als het college een eigenaar of gebruiker van een onroerend goed herhaaldelijk heeft aangeschreven op grond van het vierde lid, kan zij besluiten dat het verbod uit het eerste lid toch van toepassing is. 6.Bij het aanvragen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid moet een tekening of foto worden geleverd die aangeeft hoe het opschrift, de aankondiging of de afbeelding eruitziet, waarbij in ieder geval de materialen en kleuren worden vermeld. Deze stukken moeten in tweevoud worden aangeleverd. Het college beslist binnen acht weken nadat zij de aanvraag heeft ontvangen. 7.Het college kan een vergunning weigeren als het onroerend goed of de omgeving daarvan dreigen te worden ontsierd, of als het stadsschoon in het algemeen wordt geschaad. 8.Het college kan een vergunning in ieder geval intrekken als daar binnen zes maanden na dagtekening geen gebruik van is gemaakt, of, als de vergunning eerst wel is gebruikt, het gebruik hiervan ten minste zes achtereenvolgende maanden is gestaakt. 9.Als een opschrift, aankondiging, of afbeelding is aangebracht op, in of aan een roerend goed en deze het stadsschoon ontsiert, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat goed aan te schrijven het opschrift, de aankondiging of de afbeelding binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen. 10.Het bepaalde in het negende lid geldt ook voor voorwerpen of inrichtingen op, in of aan een onroerend goed die zijn bestemd of worden gebruikt voor het aanbrengen van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen. 11.De eigenaar of gebruiker van een gebouwd onroerend goed mag de muren daarvan niet zelf, of door een ander laten, verven, sausen of bepleisteren in een kleur die afwijkt van de omgeving, voor zover deze muren zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats. 12.De eigenaar of gebruiker van gebouwd onroerend goed mag de ruiten daarvan niet zelf, of door een ander laten, verven, voor zover deze muren zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats. 13.Het bepaalde in het elfde en twaalfde lid is niet van toepassing als het college hiervoor een vergunning heeft verleend. Het bepaalde in het zevende en achtste lid is hierop van toepassing. 14.Het bepaalde in het elfde en twaalfde lid is niet van toepassing op opschriften, aankondigingen en afbeeldingen als bedoeld in het eerste en tweede lid. 15.Als de kleur(
  3. en)van een gebouwd onroerend goed in samenhang met de omgeving het stadsschoon ontsiert/ontsieren, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat goed aan te schrijven de kleur(
  4. en)binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen. 16.Als geblindeerde ramen van een gebouwd onroerend goed in samenhang met de omgeving het stadsschoon ontsieren, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat goed aan te schrijven de blindering binnen een gestelde termijn te verwijderen of op de aan te geven manier te wijzigen. 17.Als een erf dat bij een bouwwerk hoort wordt gebruikt voor het stallen van één of meer motorrijtuigen op meer dan twee wielen op een manier waardoor het stadsschoon wordt ontsierd, is het college bevoegd de eigenaar of gebruiker van dat erf aan te schrijven dat deze moet zorgen dat de betreffende motorrijtuigen van het erf of een aangewezen deel daarvan worden verwijderd en verwijderd gehouden. 18.Het bepaalde in het negende, tiende, vijftiende, zestiende en zeventiende lid geldt alleen voor zover de ontsiering van het stadsschoon zichtbaar is vanaf de openbare ruimte, het openbaar water, de spoorbaan of enige andere voor het publiek toegankelijke plaats. 19.Om te bepalen of er sprake is van ontsiering van het stadsschoon als bedoeld in dit artikel, wordt advies gevraagd aan de Welstands- en monumentencommissie Leiden, dan wel de opvolger daarvan. De commissie betrekt de Welstandsnota bij haar oordeel. 20.Het bepaalde in het elfde tot en met het vijftiende, en het zeventiende lid is niet van toepassing op monumenten in de zin van de Erfgoedwet en de Erfgoedverordening. Artikel3.4.6.4Vergunningsvrij (Nadere regels handelsreclame) 1.Het verbod als bedoeld in artikel 3.4.6.3, eerste lid geldt niet voor: Het wijzigen van het opschrift, de aankondiging of afbeelding van een bestaande en vergunde reclameaanduiding. Reclameaanduidingen waarvoor het glas wordt beplakt, mits het glasoppervlakte van de winkelpui voor niet meer dan 15% wordt beplakt; Opschriften, aankondigingen of afbeeldingen die zijn aangebracht op borden op of bij in uitvoering zijnde bouwwerken voor zover ze betrekking hebben op de naam of aard van die bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, voor zo lang als zij feitelijk van betekenis zijn. 2.Voor de criteria als bedoeld in het eerste lid geldt dat de reclameaanduiding betrekking moet hebben op de goederen of diensten die in het bedrijf worden verkocht. Paragraaf3.4.7Voertuigen Artikel3.4.7.1Voertuigen van autobedrijf en dergelijke (APV) 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt onder andere begrepen: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die niet langer dan een uur duren, voor zo lang als die werkzaamheden duren; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de persoon als bedoeld in het derde lid. 3.Het is niet toegestaan voor de persoon die er zijn bedrijf, nevenbedrijf of gewoonte van heeft gemaakt om voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen om: drie of meer voertuigen die aan hem toebehoren of zijn toevertrouwd op de weg te parkeren binnen een straal van 25 meter van een van deze voertuigen; de weg als werkplaats te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het derde lid. 5.Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel3.4.7.2Te koop aanbieden van voertuigen (APV) 1.Het is niet toegestaan een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen weg, met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 3.Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel3.4.7.3Defecte voertuigen (APV) Een voertuig waarmee niet kan of mag worden gereden door gebreken die niet eenvoudig te verhelpen zijn, mag niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geparkeerd. Artikel3.4.7.4Voertuigen met verlopen APK (APV) Het is niet toegestaan om een voertuig op de weg te parkeren waarvan de Algemene Periodieke Keuring langer dan één maand is verlopen. Artikel3.4.7.5Staat voertuigen (APV) 1.Het is niet toegestaan om een voertuig dat rijtechnisch onvoldoende is onderhouden en dat in een verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2.Het verbod is niet van toepassing situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel3.4.7.6Grote voertuigen (APV) 1.Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit volgens het college buitensporig is met het oog op de beschikbare parkeerruimte. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, die niet langer dan zeven achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 4.Het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen, van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 5.Het college kan ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel3.4.7.7Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen (APV) 1.Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een gebouw dat gebruikt wordt voor bewoning of ander dagelijks gebruik op een manier dat het uitzicht van de bewoners of gebruikers op een hinderlijke manier wordt verstoord of zij op een andere manier hinder of overlast ervaren. 2.Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing voor de tijd dat er werkzaamheden worden uitgevoerd waarvoor de aanwezigheid van het voertuig nodig is. Artikel3.4.7.8Parkeren nabij een wijkcontainer (APV) Het is niet toegestaan een voertuig op de weg bij een wijkcontainer te parkeren op een manier dat het legen daarvan op een hinderlijke manier wordt belemmerd. Artikel3.4.7.9Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan (APV) 1.Het is niet toegestaan een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een weggedeelte, anders dan de rijbaan, dat door het college is aangewezen. 2.Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden die in opdracht van een bestuursorgaan of een openbaar lichaam worden verricht. Artikel3.4.7.10Overlast van fietsen of bromfietsen (APV) 1.Het is niet toegestaan fietsen of bromfietsen onbeheerd te laten staan op de door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen plaatsen buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen, om overlast of schade aan de openbare gezondheid te voorkomen of op te heffen. 2.Het is niet toegestaan fietsen of bromfietsen die rijtechnisch onvoldoende zijn onderhouden en die in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan. Artikel3.4.7.11Weesfietsen (APV) Het is niet toegestaan om een fiets langer dan de door het college vastgestelde periode onafgebroken te stallen in de fietsparkeervoorzieningen in de door het college aangewezen gebieden. Paragraaf3.4.8Kampeermiddelen Artikel3.4.8.1Kampeermiddelen en andere voertuigen (APV) 1.Het is niet toegestaan om een voertuig dat voor recreatie wordt gebruikt: langer dan zeven achtereenvolgende dagen op de weg te hebben of te plaatsen; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is niet toegestaan een woonwagen, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat niet voor verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te hebben of te plaatsen; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 3.Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Artikel3.4.8.2Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen (APV) 1.Het is niet toegestaan om kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat daarvoor in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: natuur en landschap; of een stadsgezicht. Artikel3.4.8.3Aanwijzing kampeerplaatsen (APV) 1.Artikel 3.4.8.2, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2.Het college kan nadere regels stellen ter bescherming van de belangen als genoemd in artikel 3.4.8.2, vierde lid. Paragraaf3.4.9Standplaatsen Artikel3.4.9.1Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (APV) 1.Het innemen van een standplaats is alleen toegestaan als het college daar een vergunning voor heeft verleend. 2.Het college weigert de vergunning als deze in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.6 kan een vergunning worden geweigerd als: De standplaats op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; Een beperking in aantal of in plaats als gevolg van bijzondere omstandigheden nodig is in verband met een dwingende reden van algemeen belang in de gemeente of een deel daarvan. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. 5.De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. 6.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel3.4.9.2Toestemming rechthebbende (APV) De rechthebbende op een perceel mag daarop alleen een standplaats toestaan als het college daar een vergunning voor heeft verleend. Paragraaf3.4.10Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel3.4.10.1Crossterreinen (APV) 1.Het is niet toegestaan op enig terrein, anders dan een weg, met een motorvoertuig of bromfiets een wedstrijd, trainings- of proefrit te houden, voor te bereiden of daaraan deel te nemen of een motorvoertuig of bromfiets daar aanwezig te hebben met het doel dat te doen. 2.Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op terreinen die door het college zijn aangewezen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: Het voorkomen of beperken van overlast; De bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; De veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten, of van het publiek. 3.Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Artikel3.4.10.2Beperking verkeer in natuurgebieden (APV) 1.Het is niet toegestaan om zich met een motorvoertuig, bromfiets, fiets of paard te bevinden binnen voor het publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere terreinen die voor recreatief gebruik beschikbaar zijn. 2.Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op terreinen die door het college zijn aangewezen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: Het voorkomen van overlast; De bescherming van natuur- of milieuwaarden; De veiligheid van het publiek. 3.Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: Die worden gebruikt door de politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening of andere hulpverleningsdiensten die krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister zijn aangewezen. Die worden gebruikt in verband met het beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als bedoeld in het eerste lid; Die worden gebruikt in verband met werken die krachtens een wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; Van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die binnen de terreinen als bedoeld in het eerste lid liggen; Voor het verkeer ten behoeve van het bezoek of verzorging van de personen als bedoeld onder d. 4.Het verbod is verder niet van toepassing: Op wegen die liggen binnen de terreinen of gebieden als bedoeld in het eerste lid; Voor motorvoertuigen die bij of krachtens de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn aangewezen als toestel binnen de bij of krachtens die verordening aangewezen stiltegebieden. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Paragraaf 3.4.11 Markten Artikel 3.4.11.1 Vergunningen (Marktverordening) 1. Het is niet toegestaan om op een markt een standplaats voor het uitoefenen van markthandel in te nemen zonder een vergunning van het college voor een vaste standplaats, een seizoensplaats of een dagplaats. 2. Een vergunning voor een vaste standplaats geldt voor onbepaalde tijd en voor de standplaats die op de vergunning is vermeld, tenzij de vergunning anders bepaalt. Het college kan in bijzondere gevallen een andere standplaats aanwijzen. 3. Een dagplaatsvergunning geldt voor één dag en voor de standplaats die op de vergunning is vermeld. 4. Het is niet toegestaan om op een markt als standwerker op te treden zonder een standwerkvergunning van het college. 5. Het is niet toegestaan om voedsel en dranken die bedoeld zijn om ter plaatse te consumeren te verkopen aan vergunninghouders en degenen die hen vervangen of bijstaan zonder een bedienvergunning van het college. Een bedienvergunning geldt voor onbepaalde tijd, tenzij de vergunning anders bepaalt. 6. Het is niet toegestaan om marktkramen te plaatsen of daarvoor voorbereidingen te treffen zonder een vergunning van het college. 7. Er kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een vergunning die is verleend op grond van deze verordening. 8. Een vergunning kan alleen worden verleend aan een natuurlijk persoon die handelingsbekwaam is, die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten en die geen vergunning heeft voor een vaste standplaats voor de betreffende markt. 9. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 3.4.11.2 Mandaatverboden (Marktverordening) De bevoegdheid om een vergunning te verlenen of in te trekken als bedoeld in deze paragraaf kan niet worden gemandateerd aan de marktmeester of een andere toezichthouder. De dagplaatsvergunning kan als uitzondering hierop wel aan de marktmeester of een andere toezichthouder worden gemandateerd. Artikel 3.4.11.3 Overschrijven vergunning vaste standplaats (Marktverordening) 1. De vergunning voor een vaste standplaats, inclusief de daarbij behorende opgebouwde rechten, kan door het college worden overgeschreven op naam van de gehuwd of geregistreerd partner van de vergunninghouder, of een andere persoon met wie hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding vormt of vormde: op verzoek van de vergunninghouder als hij zelf geen gebruik meer wil maken van de vergunning; op verzoek van de curator van de vergunninghouder als hij onder curatele is gesteld; op verzoek van de erven van de vergunninghouders als hij is overleden. 2. Als de overschrijving als bedoeld in het eerste lid niet kan worden gedaan, dan kan de vergunning, exclusief de daarbij opgebouwde rechten, op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of zijn curator worden overgeschreven op: zijn kind, als deze ten minste drie aaneengesloten jaren in loondienst bij de vergunninghouder heeft gewerkt direct voorafgaand aan de gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid; de mede-eigenaar van diens bedrijf, als deze ten minste drie aaneengesloten jaren mede-eigenaar was direct voorafgaand aan de gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid; zijn medewerker, als deze ten minste drie aaneengesloten jaren in loondienst bij de vergunninghouder heeft gewerkt direct voorafgaand aan de gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid. 3. In het geval van het overlijden of de ondercuratelestelling van de vergunninghouder moet de aanvraag om de vergunning over te schrijven binnen twee maanden na die gebeurtenis worden ingediend. 4. Het college kan van het bepaalde in dit artikel afwijken als het toepassen hiervan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege de bijzondere omstandigheden niet in verhouding staan tot het doel van dit artikel. 5. De aanvraag om een vergunning over te schrijven wordt alleen geweigerd als niet wordt voldaan aan de eisen uit dit artikel of aan een eis waar een houder van een vergunning voor een vaste standplaats volgens deze verordening aan moet voldoen. 6. Als de nieuwe vergunninghouder al een vergunning voor een vaste standplaats voor de betreffende markt heeft, wordt deze vergunning ingetrokken. Artikel 3.4.11.4 Intrekking en vervallen vergunning voor vaste standplaats (Marktverordening) 1. De vergunning voor een vaste standplaats wordt door het college ingetrokken als: de vergunninghouder daar schriftelijk om verzoekt; binnen twee maanden na het overlijden of na de ondercuratelestelling van de vergunninghouder geen verzoek tot overschrijving is ingediend als bedoeld in artikel 3.4.11.3. 2. De vergunning voor een vaste standplaats kan door het college worden ingetrokken als: voor het verkrijgen van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; de gegevens in de vergunning niet meer kloppen met de werkelijke situatie; de vergunninghouder, degene die hem vervangt of iemand die hem bijstaat op de markt zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog, of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden; van de vergunning gedurende ten minste twee maanden geen gebruik is gemaakt; de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 3. Als de vergunninghouder, of zijn vervanger als bedoeld in artikel 3.4.11.6, zijn standplaats niet uiterlijk bij de aanvang van de markt heeft ingenomen, dan vervalt de vergunning voor de rest van de dag. De standplaats komt dan in aanmerking voor een dagplaats. De regels over het in acht nemen van de markttijden uit het inrichtingsplan gelden hierbij. Artikel 3.4.11.5 Tijdelijke intrekking van een vergunning voor een vaste standplaats (Marktverordening) Het college kan, eventueel voorwaardelijk, een vergunning voor een vaste standplaats telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen intrekken, als de vergunninghouder of degene die hem bijstaat: een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Dit geldt naast het bepaalde in artikel 3.4.11.4. Artikel3.4.11.6Persoonlijk innemen standplaats; vervanging (Marktverordening) 1. De houder van een vergunning voor een vaste standplaats neemt de standplaats die aan hem is toegewezen persoonlijk in. 2. Het college kan toestaan dat de standplaats door een vervanger wordt ingenomen in geval van vakantie, ziekte of bijzondere omstandigheden. Bij de aanvraag daarvoor worden de reden en de verwachte duur van de afwezigheid (maximaal zes aaneengesloten weken) en de naam van de vervanger vermeld. 3. Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid in het geval van ziekte of bijzondere omstandigheden die langer duren dan zes weken. 4. Voor de aanvraag als bedoeld in het tweede en het derde lid wordt het formulier gebruikt dat door het college is vastgesteld. 5. Als de vergunninghouder langer dan zes maanden ziek is moet hij zich laten keuren door een instantie die door het college wordt vastgesteld. 6. De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten en verplichtingen die bij of krachtens deze verordening gelden voor de vergunninghouder gelden gelijk voor de vervanger, met uitzondering van het recht op vervanging als bedoeld in dit artikel. Artikel 3.4.11.7 Vergunning voor een seizoensplaats (Marktverordening) 1. Een vergunning voor een seizoensplaats kan worden verleend voor het innemen van een standplaats voor het uitoefenen van markthandel op een markt, voor de periode van 5 oktober tot en met 4 april, op plaatsen die daarvoor in aanmerking komen op grond van het inrichtingsplan. 2. Als een seizoensplaats vrijkomt zal door middel van adverteren worden geprobeerd om deze op te vullen met een ontbrekende artikelgroep of een ontbrekend product uit een artikelgroep. 3. De seizoensplaats zal worden vrijgegeven voor alle artikelgroepen als na vier weken adverteren niet kan worden voorzien in een ontbrekende artikelgroep of een ontbrekend product uit een artikelgroep. 4. De vergunningen voor seizoensplaatsen worden verleend aan de gegadigden die in aanmerking komen op volgorde van wanneer de aanvragen zijn ontvangen. 5. Een vergunning voor een seizoensplaats is gelijk aan een vergunning voor een vaste standplaats voor wat betreft de regels voor overdracht, bijstand en vervanging. Artikel 3.4.11.8 Vergunning voor een dagplaats (Marktverordening) 1. Een vergunning voor een dagplaats kan worden verleend voor het innemen van een standplaats voor het uitoefenen van markthandel op een markt: op plaatsen die daarvoor in aanmerking komen op grond van het inrichtingsplan, en; op plaatsen die niet zullen worden ingenomen door de houder van een vergunning voor een vaste standplaats omdat: voor de plaats geen vergunning geldt; de vergunning (tijdelijk) is vervallen, of; de vergunninghouder niet in staat is de plaats in te nemen en niet is vervangen als bedoeld in artikel 3.4.11.6. 2. Voor een vergunning voor een dagplaats komen degenen in aanmerking die: staan ingeschreven op de meeloperslijst, zich minstens 15 minuten vóór de aanvang van de markttijd bij de marktmeester hebben gemeld, en; die niet zijn uitgesloten omdat zij tijdens een of meer van de vier voorafgaande marktdagen: een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling hebben overtreden; zich schuldig hebben gemaakt aan wangedrag of bedrog; niet of niet tijdig heb verschuldigde marktgeld hebben betaald dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 3. Het college kan bepalen dat ten aanzien van een gegadigde een uitsluitingsgrond niet geldt, of dat voor de toepassing van het vorige lid een langere termijn geldt. 4. De vergunningen voor een dagplaats worden verleend aan de gegadigden die in aanmerking komen in de volgorde van hun positie op de meeloperslijst. 5. Een dagplaatsvergunning kan niet worden overgedragen. De vergunninghouder kan zich niet laten vervangen. 6. Het is niet toegestaan om deel te nemen aan de loting als bedoeld in artikel 3.4.11.9 en daarnaast in aanmerking te willen komen voor een vergunning voor een dagplaats voor dezelfde dag. Artikel 3.4.11.9 Standwerkvergunning (Marktverordening) 1. Een standwerkvergunning kan worden verleend voor die plaatsen of gebieden die zijn aangewezen voor standwerken op grond van het inrichtingsplan. 2. In de standwerkvergunning staat vermeld voor welke markt, dag en standwerkplaats deze geldt, en welk(
  5. e)artikel(
  6. en)mag/mogen worden verkocht. 3. Een standwerkvergunning wordt verleend door middel van een loting. 4. De loting vindt plaats op de marktdag bij aanvang van de markt. 5. Iemand die staat ingeschreven op de meeloperslijst mag niet deelnemen aan de loting zolang deze inschrijving niet definitief is vervallen. 6. Als een standwerker zich wil laten bijstaan, moet hij dit vooraf aan de marktmeester melden samen met de naam van degene die hem zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan mag niet op eigen naam deelnemen aan de loting. 7. Een standwerker mag geen weegapparatuur gebruiken of prijskaartjes tonen bij zijn producten of aan zijn kraam. Artikel 3.4.11.10 Bedienvergunning (Marktverordening) 1. Het college kan op aanvraag een bedienvergunning verlenen. In de vergunning staat vermeld voor welke artikelen deze geldt. 2. Artikel 3.4.11.2 van deze verordening is hierop van toepassing. Artikel 3.4.11.11 Opbouwvergunning (Marktverordening) 1. Het college kan op aanvraag een opbouwvergunning verlenen. In de vergunning staat vermeld voor welke artikelen deze geldt. 2. Het college kan in de opbouwvergunning nadere eisen stellen over de opbouwtijden, het te gebruiken materiaal en de opstelplaatsen daarvan. 3. Artikel 3.4.11.2 van deze verordening is hierop van toepassing. Artikel 3.4.11.12 Uitsluiting standwerker of houder van een vergunning voor een dagplaats (Marktverordening) 1. Het college kan een verleende vergunning voor een dagplaats of een standwerkvergunning intrekken als de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet; niet als standwerker actief is op de standwerkplaats die aan hem is toegewezen; direct of indirect de goede gang van zaken op de markt in gevaar brengt of verstoort. 2. Het college kan een houder van een vergunning voor een dagplaats of van een standwerkvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd uitsluiten van de toewijzing van een dagplaats of standwerkplaats als de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling of de voorschriften van de vergunning overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld betaalt dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet; niet als standwerker actief is op de standwerkplaats die aan hem is toegewezen; direct of indirect de goede gang van zaken op de markt in gevaar brengt of verstoort. Artikel 3.4.11.13 Bijstand (Marktverordening) De houder van een vergunning voor een vaste standplaats, voor een seizoensplaats, voor een dagplaats of van een bedienvergunning kan zich laten bijstaan door één of meer andere personen. Artikel 3.4.11.14 Markt schoonhouden (Marktverordening) 1. Een vergunninghouder is verplicht afval dat vrijkomt tijdens de door hem uitgeoefende verkoop op zijn standplaats te bewaren op een manier dat het marktterrein daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden verwijderd. Daaronder valt verpakkingsmateriaal. De vergunninghouder voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt af. 2. Een vergunninghouder is verplicht na afloop van de markt de standplaats die door hem is ingenomen en de naaste omgeving daarvan veegschoon achter te laten. Artikel 3.4.11.15 Versterkt geluid en muziek (Marktverordening) 1. Het is niet toegestaan om tijdens de markt op het marktterrein: luidsprekers, versterkers en andere middelen om geluid te versterker te gebruiken; radiotoestellen, afspeelapparatuur of dergelijke apparatuur te gebruiken. 2. Het college kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1. Artikel3.4.11.16Vervroegd einde markt (Instellingsbesluit markten) De marktmeester kan toestemming geven aan standplaatshouders om af te wijken van de plicht om tot het einde van de markt aanwezig te blijven, in het geval van weersomstandigheden of andere dringende redenen. Afdeling3.5 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Paragraaf3.5.1Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Artikel3.5.1.1Verbodsbepalingen en vergunning (Erfgoedverordening) 1.Het is niet toegestaan een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of aan het monument onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding ervan noodzakelijk is. 2.Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college, of in strijd met de voorschriften bij die vergunning: een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen; een beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een manier dat het monument wordt aangetast, ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het verbod en de vergunningplicht als bedoeld in het tweede lid gelden niet als: het college nadere regels stelt met betrekking tot de manier waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, of; de activiteit betrekking heeft op normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort, kleur, en aanleg (in geval van een tuin, park of andere aanleg) niet wijzigt, of; de activiteit alleen leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. 4.De vergunning als bedoeld in het tweede lid kan alleen worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet. Bij de beslissing houdt het college rekening met het gebruik van het monument. 5.Wanneer de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening van een beschermd religieus monument in het geding zijn, geeft het college geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, zonder overeenstemming met de eigenaar. Artikel3.5.1.2Intrekken van de vergunning (Erfgoedverordening) De vergunning kan door het college worden ingetrokken als: blijkt dat de vergunning is verleend op basis van een onjuiste of onvolledige opgave; blijkt dat de vergunninghouder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.5.1.1 niet naleeft; de omstandigheden van de vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd, dat het belang van monument zwaarder moet wegen; gedurende 26 weken geen gebruik is gemaakt van de vergunning; de vergunningverlener hierom verzoekt en het belang van het monument zich hier niet tegen verzet. Artikel3.5.1.3Verbodsbepaling en aanvraag sloopvergunning (Erfgoedverordening) 1.Het is niet toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stadsgezicht geheel of gedeeltelijk te slopen. 2.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als het college het niet aannemelijk acht dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen: Als gevolg van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet; Waarvoor op grond van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist. Artikel3.5.1.4Intrekken van de vergunning voor sloop in gemeentelijk beschermd stadsgezicht (Erfgoedverordening) De vergunning kan door het college worden ingetrokken als: blijkt dat de vergunning is verleend op basis van een onjuiste of onvolledige opgave; er geen begin met de werkzaamheden is gemaakt binnen de termijn die bij de vergunning is bepaald; de werkzaamheden langer dan een in de vergunning bepaalde termijn zijn gestaakt; er wordt gehandeld in strijd met de beperkingen waaronder de vergunning is verleend, of met de voorwaarden die aan de vergunning zijn verbonden. Afdeling3.6Activiteiten met betrekking tot planten en dieren Paragraaf3.6.1Activiteiten met betrekking tot houtopstanden Artikel3.6.1.1Activiteiten met betrekking tot houtopstanden Deze paragraaf gaat over de activiteiten die een tenietdoende invloed hebben op de houtopstanden in gemeente Leiden. Deze activiteiten omvatten: het vellen van bomen; het direct of indirect onomkeerbaar aantasten van bomen. Artikel3.6.1.2Vergunningsplicht voor waardevolle houtopstand 1.Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een boom die voldoet aan de criteria voor waardevolle bomen of onderdeel is van een waardevolle boomstructuur in Leiden te vellen of te doen vellen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang van het college. De bepalingen in deze verordening over herplant en schadevergoeding blijven daarbij van kracht. 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor een houtopstand die slecht groeit (“kwarrende boom”). Artikel3.6.1.3Vergunningsplicht voor vellen van houtopstanden in van een boomstructuur 1.Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een als zodanig te herkennen boomstructuur voor geheel of gedeeltelijk te vellen; 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt cumulatief voor alle vellingen binnen een als eenheid te herkennen boomstructuur binnen 1 groeiseizoen. 3. De vergunningsplicht zoals bedoeld in het eerste lid wordt omgezet in een meldplicht als bedoeld in artikel 3.6.1.6 van deze verordening als het gaat om een individuele boom in een boomstructuur die verwijderd wordt in het kader van overlast of veiligheid, niet zijnde een ruimtelijke ontwikkeling, en met het verwijderen van die boom het structuurverband niet verslechtert, ook met inachtneming van het tweede lid. 4. Het verbod als bedoeld in het eerste en tweede geldt niet voor een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang van het college. De bepalingen in deze verordening over herplant en schadevergoeding blijven daarbij van kracht. Artikel3.6.1.4Vergunningsplicht voor bomen in de openbare ruimte 1.Het is niet toegestaan om zonder vergunning of melding als bedoeld in deze paragraaf een boom in de openbare ruimte met een omtrek van 45 centimeter, gelijkstaand aan een diameter van 14 centimeter, of groter te vellen of te doen vellen. 2. Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een boom te vellen of te doen vellen die op grond van artikel 3.6.1.8, lid 2, sub f en / of artikel 3.6.1.12 is geplant (herplantplicht) als deze nog niet de omvang heeft bereikt als bedoeld in artikel 3.6.1.4, lid 1. 3. Het verbod als bedoeld in het eerste en tweede lid geldt niet voor een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang van het college. De bepalingen in deze verordening over herplant en schadevergoeding blijven daarbij van kracht. 4. Het verbod als bedoeld in het eerste en tweede lid geldt niet voor een boom die onderdeel is van een compensatieplan en die binnen 3 jaar na aanplant niet is aangeslagen, zoals bedoeld in artikel 3.6.1.10, lid 2 van deze verordening. Artikel3.6.1.5Vergunningsplicht voor houtopstanden bij (her)ontwikkelingen in de openbare ruimte 1.Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college in het kader van een activiteit zoals bedoeld in afdeling 3.2 en 3.4 van deze verordening een houtopstand in openbaar toegankelijke ruimte of in ruimte die na de ontwikkelactiviteiten wordt overgedragen naar de openbaar toegankelijke ruimte, te vellen of te doen vellen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang van het college. De bepalingen in deze verordening over herplant en schadevergoeding blijven daarbij van kracht. Artikel3.6.1.6Meldplicht voor vellen van houtopstanden in de openbaar toegankelijke ruimte 1.Voor het vellen van een houtopstand in de openbaar toegankelijke ruimte geldt een meldplicht, mits het niet betreft: Het vellen van meer dan 30 procent van een als zodanig te herkennen boomstructuur; of vellen van een houtopstand in de openbaar toegankelijke ruimte of in ruimte die na de ontwikkelactiviteiten wordt overgedragen naar de openbaar toegankelijke ruimte als onderdeel van een activiteit zoals bedoeld in afdeling 3.2 of 3.4. Een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een last onder bestuursdwang van het college. De herplantplicht als bedoeld in artikel 3.6.1.10 blijft hierbij van toepassing. 2. De melding dient tenminste 4 weken voor aanvang van het vellen bij het bevoegd gezag te zijn ingediend. De reactie van het bevoegd gezag op iedere melding wordt tijdig gepubliceerd. 3. Bij de melding worden gegevens en bescheiden overlegd waaruit blijkt dat de activiteiten ruimtelijke inpasbaar zijn. De gegevens omvatten ten minste: Een plaatsaanduiding van de betreffende houtopstand; Bij vellen uit veiligheid of beheerbaarheid vanwege sterk teruglopende kwaliteit of conditie een afschrift van een recente boomveiligheidscontrole of een boomveiligheidsrapportage , in opdracht van de aanvrager opgesteld door een ETT-er of gelijkwaardig niveau; Bij vellen uit oogpunt van waterveiligheid van een waterkering binnen gemeente Leiden een afschrift van een recente gemotiveerde negatieve beoordeling hiervan opgesteld door een daarvoor gecertificeerde partij in opdracht van de beheerder van de waterkering. Bij vellen vanwege overlast de afhandeling van de overlastmelding conform de daarvoor vastgestelde beleidsnota ‘Versterken en verbinden van groen in Leiden’, met de bijlage ‘Overlast van bomen?’; Een compensatieplan met beschrijving van de wijze waarop de te verwijderen houtopstand passend wordt gecompenseerd, binnen welke termijn, met welke boomsoort en welke groeiplaatsinrichting, mits het niet betreft het voor de eerste keer knotten of kandelaberen, of een beheermaatregel. Voor deze compensatie gelden de voorschriften zoals benoemd in artikel 3.6.1.12. 4. Het college kan aan de melding voorschriften verbinden die zien op het moment van herplant, de nazorg van de aanplant en de vervanging bij aanplant die niet aanslaat. 5. Het college zal indien de melding niet voldoet aan het in dit artikel gestelde eisen een kapverbod opleggen. Artikel3.6.1.7Indienen aanvraag kapvergunning voor waardevolle houtopstand en bij aantasting boomstructuren 1.Een vergunning als bedoeld in artikel 3.6.1.2 en artikel 3.6.1.3 wordt aangevraagd door de rechthebbende of gemachtigde daarvan van de betreffende houtopstand. 2. De aanvrager levert bij de aanvraag in ieder geval de volgende stukken en documenten: een kaart waarop de betreffende houtopstand en de huidige situatie zijn aangegeven; welk maatschappelijk belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van het in stand houden van de houtopstand op grond van de waarden als bedoeld in artikel 2.4.1.1, derde lid; welke alternatieven voor het behouden van de houtopstand zijn onderzocht en niet houdbaar zijn bevonden; een afschrift van een recente boomveiligheidscontrole, in opdracht van de aanvrager uitgevoerd door een boomtechnisch deskundige met certificaat als ETT of gelijkwaardig, als de aanvraag is ingediend voor vellen uit veiligheid of beheerbaarheid vanwege sterk teruglopende kwaliteit of conditie, gelet op het belang van het voorkomen van letsel of ernstige schade, of een afschrift van een recente gemotiveerde negatieve beoordeling hiervan opgesteld door een daarvoor gecertificeerde partij in opdracht van de beheerder van de waterkering; een Bomen Effect Analyse of gelijkwaardig technisch onderzoek waaruit blijkt dat de bomen niet duurzaam behouden kunnen blijven; Een compensatieplan (artikel 3.6.1.12) met voorstel voor duurzame, kwalitatieve compensatie, conform beleid, van de verloren gaande houtopstand, door middel van gelijkwaardige herplant en/of financiële compensatie. De kwaliteit wordt bepaald aan de hand van de mate waarop de herplant bijdraagt aan ecologie, klimaat en beeldkwaliteit. 3. Voor de financiële compensatie van het herplanten van een te vellen houtopstand wordt de rechthebbende daarvan gevraagd om een berekening van de actuele vervangingskosten van de houtopstand aan de aanvraag toe te voegen. Artikel3.6.1.8Indienen aanvraag kapvergunning voor bomen en houtopstanden bij (her)ontwikkelingen in (na geplande overdracht) openbaar toegankelijke ruimte 1.Een vergunning als bedoeld in artikel 3.6.1.4 en artikel 3.6.1.5 wordt aangevraagd door de rechthebbende of gemachtigde van de betreffende houtopstand. 2. De aanvrager levert bij de aanvraag in ieder geval de volgende stukken en documenten: een kaart waarop de betreffende houtopstand en de huidige situatie zijn aangegeven, en waarop te zien is waarom de houtopstand moet worden gekapt; welk maatschappelijk belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van het in stand houden van de houtopstand; welke alternatieven voor het behouden van de houtopstand zijn onderzocht en niet houdbaar zijn bevonden; een afschrift van een recente boomveil

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.