← Nederland

Provinciale omgevingsverordening Drenthe (Drenthe)

Kort samengevat

Deze verordening regelt diverse aspecten van de leefomgeving in de provincie Drenthe, met een focus op milieu, natuur, landschap en waterbeheer. Het stelt regels vast voor onder andere afvalstoffen, bodemsanering, grondwaterbescherming en waterhuishouding.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Inhoud DEEL I,

Hoofdstuk 1

. Begripsbepalingen Hoofdstuk 2.

Inspraak Hoofdstuk

  1. [Vervallen.] Hoofdstuk
  2. Geluidhinderdienst Drenthe DEEL II, MILIEU Hoofdstuk
  3. Afvalstoffen Titel 5.
  4. Huishoudelijke afvalstoffen Titel 5.
  5. Bedrijfsafvalstoffen Paragraaf 5.2.1.

Paragraaf 5.2.

  1. Het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen Paragraaf 5.2.
  2. Het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen Paragraaf 5.2.
  3. De melding inzake de afgifte van bedrijfsafvalstoffen Titel 5.
  4. Gevaarlijke afvalstoffen Paragraaf 5.3.1.

Paragraaf 5.3.

  1. De melding inzake de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen Hoofdstuk
  2. Bodemsanering Titel 6.
  3. Landbodemsanering Titel 6.
  4. Waterbodemsanering Hoofdstuk
  5. Gebieden Titel 7.
  6. Aanwijzing gebieden Titel 7.
  7. Zorgplichtbepaling Titel 7.
  8. Grondwaterbescherming Paragraaf 7.3.
  9. Waterwingebieden Paragraaf 7.3.
  10. Grondwaterbeschermingsgebieden Paragraaf 7.3.
  11. Gebieden tegen fysische bodemaantasting Paragraaf 7.3.
  12. Verbodszone diepe boringen Paragraaf 7.3.
  13. Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa Paragraaf 7.3.
  14. Aanduiding gebieden Titel 7.
  15. Stilte Paragraaf 7.4.
  16. Begripsbepalingen Paragraaf 7.4.
  17. Verbodsbepalingen Paragraaf 7.4.
  18. Vrijstellingen Paragraaf 7.4.
  19. Aanduiding gebieden DEEL III, NATUUR EN LANDSCHAP Hoofdstuk
  20. Ontgrondingen Hoofdstuk
  21. Vaarverbod Drentsche Aa Titel 9.
  22. Aanwijzing gebied Titel 9.
  23. Het vaarverbod DEEL IV, WATER Hoofdstuk
  24. Waterhuishouding Titel 10.
  25. Algemene bepalingen Titel 10.
  26. Het beheersplan van het waterschap Titel 10.
  27. Het peilbesluit Titel 10.
  28. Het waterakkoord Titel 10.
  29. Vergunning, registratie, meld- en meetplicht Titel 10.
  30. Bevoegdheden gedeputeerde staten van Drenthe Hoofdstuk
  31. Grondwateronttrekkingen Titel 11.
  32. Registratie- en meldingsplicht Titel 11.
  33. Uitzondering vergunningplicht Titel 11.
  34. Algemene regels Titel 11.
  35. Te overleggen gegevens Titel 11.
  36. Uitzondering horen commissie DEEL V, WEGEN EN WATERWEGEN Hoofdstuk
  37. Wegen en waterwegen Titel 12.
  38. Algemene bepalingen Titel 12.
  39. Bepalingen inzake instandhouding en dergelijke Titel 12.
  40. Gebods- en verbodsbepalingen Titel 12.
  41. Ontheffing DEEL VI, OVERIGE BEPALINGEN Hoofdstuk
  42. Vergoeding van schade en kosten Hoofdstuk
  43. Handhaving Hoofdstuk
  44. Overgangs- en slotbepalingen Toelichting op de Provinciale omgevingsverordening Toelichting op de eerste wijzigingstranche Toelichting op de tweede wijzigingstranche BIJLAGEN I. Categorieën van bedrijven als bedoeld in artikel 7.5 II. Aanwijzing categorieën van afvalstoffen Deel I,

DEEL I.

hoofdstuk 1, begripsbepalingen Artikel 1.1 In deze verordening wordt verstaan onder: a. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Drenthe; b. [vervallen] c. saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; d. bestrijdingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962; e. waterleidingmaatschappij: een bedrijf dat grond¿ of oppervlaktewater wint met het doel dit te gebruiken voor de bereiding van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening; f. waterbeheerder: het openbaar gezag, dat is belast met het oppervlaktewaterkwantiteits¿ en oppervlaktewaterkwaliteitsbeheer, zijnde de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa's, Reest en Wieden en Velt en Vecht en de provincie Drenthe, voor zover belast met het kwantiteitsbeheer van de bij haar in beheer zijnde kanalen; g. peilbesluit: een peilbesluit als bedoeld in artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding; h. waterakkoord: een waterakkoord als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de waterhuishouding; i. waterstaatkundige eenheid: een stelsel van met elkaar in open verbinding staande oppervlaktewateren; j. boezem: een stelsel van met elkaar in open verbinding staande waterlopen en meren waarop het water van lager gelegen polders wordt uitgeslagen en dienend voor eventueel tijdelijke berging van afstromend water van hoger gelegen gebieden en lozing op het buitenwater; k. afvoeren: het door middel van een werk of langs natuurlijke weg brengen of laten stromen van water uit een oppervlaktewater naar een ander oppervlaktewater; l. aanvoeren: het door middel van een werk of langs natuurlijke weg naar een oppervlaktewater halen of stromen van water uit een ander oppervlaktewater; m. lozen van water in oppervlaktewater: het door middel van een werk brengen van water in een oppervlaktewater, zonder dat het water daarbij uit een ander oppervlaktewater wordt gehaald; n. onttrekken van water aan oppervlaktewater: het door middel van een werk halen van water uit een ander oppervlaktewater, zonder dat het water daarbij in een ander oppervlaktewater wordt gebracht; r. nader onderzoek: het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming; s. evaluatieverslag: het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming; t. nazorgplan: het nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming. Hoofdstuk 2, Inspraak Artikel 2.1 Bij wijzigingen van deze verordening wordt de Algemene Inspraakverordening Drenthe toegepast. Hoofdstuk 3, Provinciale Commissie voor het Omgevingsbeleid Artikelen 3.

  1. tot en met 3.4 [Vervallen.] Hoofdstuk 4, Geluidhinderdienst Drenthe Artikel 4.1 Er is een provinciale geluidhinderdienst die in elk geval een meetdienst en een klachtendienst omvat. Artikel 4.2 Geluidhinderklachten, waarvan de behandeling en verwerking tot de bevoegdheid van een andere instantie dan de provincie behoren, worden zo spoedig mogelijk aan die instantie ter behandeling doorgegeven. Artikel 4.3
  2. De klachtendienst licht de indiener van een geluidhinderklacht zo spoedig mogelijk in over de behandeling en verwerking van de klacht.
  3. In het geval van artikel 4.2 bericht de klachtendienst de indiener van de geluidhinderklacht over het doorgeven van de klacht, met vermelding van de reden van het doorgeven. Het bericht vermeldt tevens aan welk bestuursorgaan de klacht is doorgegeven.
  4. Indien de klacht niet binnen 3 maanden is afgehandeld, verzoekt de klachtendienst het betrokken bestuursorgaan de indiener van de klacht over de stand van zaken met betrekking tot de behandeling van de klacht te informeren.
  5. Indien de behandeling en verwerking van de klacht tot de bevoegdheden van gedeputeerde staten behoren en de klacht niet binnen 3 maanden is afgehandeld, informeert de klachtendienst de indiener over de stand van zaken met betrekking tot de behandeling van de klacht. Artikel 4.4
  6. De klachtendienst brengt ten minste eenmaal per kalenderjaar van de ingekomen klachten en de behandeling daarvan verslag uit aan gedeputeerde staten.
  7. Het verslag bevat een overzicht van de ontvangen geluidhinderklachten, met inbegrip van de klachten in de zin van artikel 4.
  8. Het verslag vermeldt de wijze waarop de klachten zijn behandeld en verwerkt. Deel II, Milieu DEEL II. MILIEU Hoofdstuk 5, Afvalstoffen Titel 5.1, Huishoudelijke afvalstoffen Artikel 5.1 [Vervallen.] Titel 5.2, Bedrijfsafvalstoffen Paragraaf 5.2.1,

Artikel 5

.2 Als categorieën van inrichtingen waarop de regels van deze titel rechtstreeks van toepassing zijn, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlagen I en II van het Inrichtingen¿ en vergunningenbesluit milieubeheer. Paragraaf 5.2.2, Het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen Artikel 5.3 Een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, van de Wet milieubeheer, aan wie bedrijfsafvalstoffen gescheiden worden afgegeven die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage II, onderdeel a, is ¿ indien die afvalstoffen hem gescheiden van andere stoffen en afvalstoffen die niet behoren tot dezelfde categorie zijn aangeboden ¿ verplicht die afvalstoffen gescheiden te houden van andere stoffen en afvalstoffen die behoren tot een andere categorie en gescheiden af te geven wanneer hij zich daarvan ontdoet. Artikel 5.4 Degene die bedrijfsafvalstoffen vervoert die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage II, onderdeel a, is verplicht die afvalstoffen van andere stoffen en afvalstoffen die niet behoren tot dezelfde categorie gescheiden te houden indien deze hem gescheiden zijn aangeboden. Artikel 5.5 Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van de verplichtingen, bedoeld in artikelen 5.3 en 5.4, indien het belang van de doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet. Artikel 5.6 Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing van de verplichtingen, bedoeld in artikelen 5.3 en 5.4, een beschikking op de aanvraag om ontheffing op grond van artikel 10.63, derde lid, van de Wet milieubeheer, dan wel de voorbereiding van een beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing. Paragraaf 5.2.3, Het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen Artikelen 5.7 en 5.8 [Vervallen.] Paragraaf 5.2.4, De melding inzake de afgifte van bedrijfsafvalstoffen Artikelen 5.9 tot en met 5.16 [Vervallen.] Titel 5.3, Gevaarlijke afvalstoffen Paragraaf 5.3.1,

Artikel 5

.17 [Vervallen.] Paragraaf 5.3.2, De melding inzake de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen Artikel 5.18 tot en met 5.24 [Vervallen.] Hoofdstuk 6, Bodemsanering Titel 6.1, Landbodemsanering Artikel 6.1

  1. De melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming, het rapport van het nader onderzoek, het saneringsplan, een melding van wijziging van het saneringsplan, het evaluatieverslag en het nazorgplan worden met de daarbij behorende stukken in vijfvoud bij gedeputeerde staten ingediend, waarbij gebruik wordt gemaakt van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier.
  2. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot gegevens die moeten worden vermeld bij de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming, in het rapport van het nader onderzoek, in het saneringsplan, bij een melding van wijziging van het saneringsplan, in het evaluatieverslag en in het nazorgplan. Artikel 6.2 Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk 13 weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan. Artikel 6.3 Indien gedeputeerde staten opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. Artikel 6.4
  3. De projectgroep als bedoeld in artikel 6.3 heeft tot taak gedeputeerde staten haar zienswijze te geven over de uitvoering van het in artikel 48 van de Wet bodembescherming bedoelde nader onderzoek en saneringsonderzoek, respectievelijk de in dat artikel bedoelde sanering.
  4. Een projectgroep bestaat ten minste uit: a. een vertegenwoordiger van gedeputeerde staten; b. een vertegenwoordiger van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen het geval van verontreiniging is gelegen; c. voor zover mogelijk een vertegenwoordiger van de ingezetenen van de betrokken gemeente en van andere belanghebbenden bij de uitvoering van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek of de sanering van dat geval. Titel 6.2, Waterbodemsanering Artikel 6.5 Op een saneringsplan als bedoeld in artikel 63e van de Wet bodembescherming is artikel 6.1 van overeenkomstige toepassing. Artikel 6.6 Op de uitvoering van een sanering op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 63e van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, is artikel 6.2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 6.7 De waterkwaliteitsbeheerder verschaft gedeputeerde staten de informatie omtrent de resultaten van de door hem uitgevoerde saneringen en de besteding van de daarvoor aan hem toegekende gelden, overeenkomstig de voorschriften die gedeputeerde staten stellen bij het verlenen van een bijdrage. Artikel 6.8 In de aanvraag om ontheffing, zoals genoemd in artikel 63i, eerste lid, onder c, van de Wet bodem-bescherming worden vermeld: a. de risico's ten aanzien van verspreiding van de achterblijvende ernstige verontreinigingen, alsmede de wijze waarop deze risico's worden geminimaliseerd; b. de bestemming van de vrijkomende baggerspecie en de eventuele fracties daarvan. Hoofdstuk 7, Gebieden Titel 7.1, Aanwijzing gebieden Artikel 7.1
  5. Als gebieden ter bijzondere bescherming van het grondwater met het oog op de winning van grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening worden aangewezen de gebieden die als gebieden ter bescherming van het grondwater zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten.
  6. Een gebied ter bescherming van het grondwater kan bestaan uit de volgende zones:
  7. waterwingebied
  8. grondwaterbeschermingsgebied
  9. gebied tegen fysische bodemaantastingen
  10. verbodszone diepe boringen
  11. grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa
  12. In de gebieden ter bescherming van het grondwater gelden de in titel 7.3 opgenomen regels voor zover dat voor de verschillende zones is aangegeven. Artikel 7.2 Als gebieden ter voorkoming of beperking van geluidhinder worden aangewezen de gebieden die als stiltegebieden zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten. In deze gebieden gelden de in titel 7.4 opgenomen regels. Titel 7.2, Zorgplichtbepaling Artikel 7.3
  13. Ieder die in een gebied als bedoeld in artikel 7.1 of artikel 7.2 handelingen verricht en weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen in dat gebied het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als beschermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.
  14. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op handelingen verricht in inrichtingen, waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer gestelde verbod geldt; b. op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer; c. voor zover artikel 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 13 van de Wet bodem-bescherming of artikel 10.1 van de Wet milieubeheer van toepassing is. Titel 7.3, Grondwaterbescherming Paragraaf 7.3.1, Waterwingebieden Artikel 7.4
  15. De waterleidingmaatschappij stelt, voor de bij haar in gebruik zijnde waterwingebieden, beheersplannen op waarin is aangegeven op welke wijze de waterwingebieden zijn of worden ingericht en beheert en op welke wijze de bodem en het grondwater worden beschermd met het oog op de waterwinning. In de beheerplannen is minimaal aangegeven welke activiteiten en handelingen in de waterwingebieden zijn toegelaten.
  16. Een vastgesteld beheerplan wordt toegezonden aan gedeputeerde staten. Paragraaf 7.3.2, Grondwaterbeschermingsgebieden Artikel 7.5 Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in de in bijlage I van deze verordening opgenomen lijst. Artikel 7.6 Gedeputeerde staten kunnen, op verzoek van burgemeester en wethouders, ten behoeve van experimenten gericht op het vergroten van kennis en inzicht, vrijstelling verlenen van het in bepaling 7.5 vervatte verbod, voor zover aan de volgende onderdelen wordt voldaan: a. het experiment is nog niet eerder binnen de provincie Drenthe uitgevoerd; b. het experiment is zodanig onderbouwd en wordt zodanig uitgevoerd dat:
  17. het risico van de inrichting, gelet op het beschermingsdoel, zoveel als mogelijk wordt beperkt, waarbij ten minste gebruik wordt gemaakt van de laatste wetenschappelijke inzichten, van de beste technische (hulp)middelen en van voorzieningen van bewezen kwaliteit;
  18. een adequate inspectie, monitoring en evaluatie worden uitgevoerd en de daarbij onder meer beschikbaar komende gegevens om niet ter beschikking worden gesteld aan gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders;
  19. garanties worden gegeven dat de eventueel bij het experiment ontstane verontreiniging of aantasting ongedaan wordt gemaakt; c. de extra kosten als gevolg van het bepaalde in dit artikellid niet ten laste worden gebracht van de provincie of de desbetreffende gemeente. Artikel 7.7 Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden de werking van: a. een inrichting als bedoeld in categorie 5 van bijlage I behorend bij het Inrichtingen¿ en vergunningenbesluit milieubeheer, waarin de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen ondergronds plaatsvindt; b. een inrichting als bedoeld in de categorieën 1 tot en met 4 of 6 tot en met 29 van bijlage I behorend bij het Inrichtingen¿ en vergunningenbesluit milieubeheer, waarbinnen zich een of meer ondergrondse tanks voor de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen bevinden; c. een inrichting als bedoeld in categorie 7 van bijlage I behorend bij het Inrichtingen¿ en vergunningenbesluit milieubeheer, voor de opslag van dierlijke mest; d. een inrichting als bedoeld in de categorieën 1 tot en met 6 of 8 tot en met 29 van bijlage I behorend bij het Inrichtingen¿ en vergunningenbesluit milieubeheer, waarbinnen zich een of meer opslagen van dierlijke mest bevinden; voor wat betreft de hiervoor genoemde opslagen te veranderen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering wat betreft aard of omvang nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Artikel 7.8 Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden buiten inrichtingen: a. begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing van as als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging, alsmede dierenbegraafplaatsen of terreinen voor de uitstrooiing van as van gecremeerde dieren op te richten, te hebben of te gebruiken; b. bestrijdingsmiddelen te gebruiken indien:
  20. in de voor die bestrijdingsmiddelen afgegeven toelatingsbeschikking als bedoeld in artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen: "Het is verboden dit middel in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodem-bescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen, zoals grondboringen zijn verboden, te gebruiken";
  21. in de voor die bestrijdingsmiddelen afgegeven toelatingsbeschikking als bedoeld in artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen dat het gebruik in bepaalde perioden, op bepaalde gronden of in bepaalde gewassen verboden is binnen grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen zoals grondboringen zijn verboden, waar het gaat om toepassingen in die bepaalde perioden, op die bepaalde gronden of in die bepaalde gewassen. Paragraaf 7.3.3, Gebieden tegen fysische bodemaantastingen Artikel 7.9 Het is verboden: a. werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, tot stand te brengen met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken; b. in de bodem ingrepen uit te voeren of te laten uitvoeren voor zover deze bestaan uit:
  22. boringen dieper dan 2 m beneden het maaiveld;
  23. werkzaamheden dieper dan 2 m beneden het maaiveld ten behoeve van seismisch onderzoek;
  24. werkzaamheden waarop op grond van artikel 8.1 van deze verordening de Ontgrondingenwet niet van toepassing is verklaard. Artikel 7.10
  25. Het verbod in artikel 7.9, onder a, geldt niet voor werken, die voorzien in: a. het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik; b. het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen.
  26. Het verbod in artikel 7.9, onder b, geldt niet voor boringen: a. ten behoeve van onderzoek naar bodemverontreinigingen; b. ten behoeve van onderzoek ten behoeve van de waterhuishouding; c. ten behoeve van onderzoek naar en winning van grondwater met het oog op drinkwater-voorziening. Artikel 7.11 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 7.10 kunnen gedeputeerde staten voor de volgende categorieën van gevallen ontheffing verlenen: a. van het bepaalde in artikel 7.9, onder a, voor het vervoeren van delfstoffen, het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik en het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen; b. van het bepaalde in artikel 7.9, onder b, voor boringen ten behoeve van de winning van delfstoffen, boringen ten behoeve van de winning van grondwater, seismisch onderzoek en ingrepen met geringe gevolgen voor de bodem. Artikel 7.12 [Vervallen.] Paragraaf 7.3.4, Verbodszone diepe boringen Artikel 7.13
  27. Het is verboden om buiten inrichtingen boringen uit te voeren of te laten uitvoeren die verder gaan dan de voor die zone geldende en op kaart aangegeven maximale diepte.
  28. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Paragraaf 7.3.5, Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa Artikel 7.14 Het is verboden om vanuit de op kaart aangegeven waterlopen oppervlaktewater in te nemen bestemd voor het (rechtstreeks) vullen en spoelen van machines voor het verspuiten van bestrijdingsmiddelen. Artikel 7.15
  29. Het is verboden om binnen een afstand van 5 m vanaf de rand van het oppervlaktewater van de op kaart aangegeven waterlopen bestrijdingsmiddelen toe te passen.
  30. Het verbod in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op het gebruik van op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet toegelaten bestrijdingsmiddelen door middel van de pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, brandnetel en ridderzuring op gronden in gebruik als grasland, wegbermen, plantsoenranden en/of bermen langs spoorwegen, met uitzondering van: a. die bestrijdingsmiddelen waarbij in de voor die bestrijdingsmiddelen afgegeven toelatingsbeschikking als bedoeld in artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen: "Het is verboden dit middel in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen zoals grondboringen zijn verboden, te gebruiken"; b. die bestrijdingsmiddelen waarbij in de voor die bestrijdingsmiddelen afgegeven toelatingsbeschikking als bedoeld in artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen dat het gebruik in bepaalde perioden, op bepaalde gronden of in bepaalde gewassen verboden is binnen grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen zoals grondboringen zijn verboden, waar het gaat om toepassingen in die bepaalde perioden, op die bepaalde gronden of in die bepaalde gewassen. Paragraaf 7.3.6, Aanduiding gebieden Artikel 7.16
  31. De waterleidingmaatschappij dient de grondwaterbeschermingsgebieden en de waterwingebieden aan te duiden door middel van borden, waarvan het model door gedeputeerde staten is vastgesteld.
  32. De borden met het opschrift "grondwaterbeschermingsgebied" respectievelijk "waterwingebied" dienen te worden geplaatst langs alle verharde en onverharde openbare wegen die de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk de waterwingebieden doorkruisen c.q. daaraan grenzen en wel bij de buitenste grens van de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk waterwingebieden. Titel 7.4, Stilte Paragraaf 7.4.1, Begripsbepalingen Artikel 7.17 In deze titel wordt verstaan onder: a. een geluidsapparaat, toestel, motorvoertuig en bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder; b. openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip "wegen", met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegen-verkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers en fietsers. Paragraaf 7.4.2, Verbodsbepalingen Artikel 7.18 Het is verboden een grootschalig evenement waarbij gebruik wordt gemaakt van: a. een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen; b. een modelvliegtuig, modelboot, of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; c. een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan geluidversterker, te houden of te organiseren. Artikel 7.19 Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. Artikel 7.20 Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen. Paragraaf 7.4.3, Vrijstellingen Artikel 7.21 De verboden in artikelen 7.19 en 7.20 gelden niet voor zover deze betrekking hebben op: a. een motorvoertuig of bromfiets dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land¿, tuin¿, bosbouw of vervening of ten behoeve van het onderhoud van het stiltegebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies; b. motorvoertuigen en bromfietsen voor zover sprake is van elektrische aandrijving. Paragraaf 7.4.4, Aanduiding gebieden Artikel 7.22 Gedeputeerde staten duiden een stiltegebied aan door middel van borden, waarvan het model door gedeputeerde staten is vastgesteld. Deel III, Natuur en landschap DEEL III. NATUUR EN LANDSCHAP Hoofdstuk 8, Ontgrondingen Artikel 8.1, Vrijstellingen
  33. Het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet geldt niet voor de hierna genoemde werkzaamheden, die uitsluitend zijn of omvatten: a. het uitvoeren van rijkswaterstaats- en waterschapswerken, door het bevoegde gezag goedgekeurde bodemsaneringen en werken door of op last van de provincie uit te voeren; b. het aanleggen en wijzigen van watergangen, deel uitmakend van een stelsel van waterlopen, voor zover deze een bovenbreedte van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m en een diepte van niet meer dan 2 m beneden het maaiveld ter plaatse hebben of zullen verkrijgen; c. het delven, openen en ruimen van graven, het leggen, onderhouden en opruimen van buisleidingen en kabels met toebehoren, het plaatsen, aanbrengen, oprichten, wijzigen, onderhouden en opruimen van bouwwerken en hun funderingen, beplantingen, palen en andere in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen en het doen van grondboringen en sonderingen; d. het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van tuinen, vijvers, putten, reservoirs en bassins, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd op erven bij woningen of bedrijven, de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven en er niet meer dan 1.000 m3 bodemmateriaal van het erf wordt afgevoerd; e. het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van mestbassins, mits de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; f. het aanleggen en wijzigen van poelen ten behoeve van natuurontwikkeling met een maximale doorsnede van 12 m, mits de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; g. het aanleggen, onderhouden en wijzigen van openbare werken, wegen, waterkeringen, spoor-wegen, vliegvelden, industrieterreinen, bouwterreinen, sport¿ en recreatieterreinen, plantsoenen, parken, vijvers en andere waterpartijen, mits de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld, dan wel bij bestaande waterpartijen 3 m beneden het vlak dat wordt gevormd door denkbeeldige rechte lijnen die het maaiveld ter plaatse van de tegenover elkaar liggende oevers met elkaar verbinden, ongemoeid blijven, de hoogteligging van de terreinen na beëindiging van de werkzaamheden, behoudens ter plaatse van waterpartijen, met niet meer dan 1,5 m zal zijn verminderd en de werken plaatshebben ter uitvoering van een geldend bestemmingsplan of krachtens een vrijstelling of een aanlegvergunning op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, nadat gedeputeerde staten daarvoor een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven; h. het oprichten en veranderen van een inrichting, waarvoor krachtens de Wet milieubeheer een vergunning is vereist, tot het op of in de bodem brengen van afvalstoffen of tot het opslaan van bodemmateriaal, mits de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; i. het verrichten van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie.
  34. Het eerste lid is niet van toepassing op ontgrondingen die geschieden ter verkrijging van bodemmateriaal, behoudens ten behoeve en ter plaatse van de activiteiten genoemd in het eerste lid, onder d, e en h.
  35. Het verbod van artikel 3, eerste lid van de Ontgrondingenwet geldt eveneens niet voor: a. werkzaamheden aan en in gronden, gebezigd voor de uitoefening van een land¿, tuin¿ of bosbouwbedrijf, mits deze werkzaamheden uitsluitend geschieden ten dienste van het bedrijf en de daartoe behorende gronden, de hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden met niet meer dan 0,5 m zal zijn verminderd, er geen afvoer van bodemmateriaal plaatsheeft voor gebruik buiten het bedrijf waartoe de gronden behoren en de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen; b. werkzaamheden verricht door of in opdracht van natuurterreinbeherende instanties aan en in gronden die door deze instanties worden beheerd, mits de werkzaamheden zijn gericht op behoud of ontwikkeling van natuur¿ en landschapswaarden, de hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden met niet meer dan 0,5 m zal zijn verminderd, er geen afvoer van ander dan humeus bodemmateriaal plaatsheeft en de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen. Artikel 8.2, Meldingen Degene die voornemens is een ontgronding uit te voeren als bedoeld in artikel 8.1, waarbij 10.000 m3 of meer bodemmateriaal wordt afgevoerd of in depot gezet, meldt dit uiterlijk 4 weken voor de aanvang van de werkzaamheden aan gedeputeerde staten met gebruikmaking van een door hen vastgesteld formulier. Bij de melding worden de gegevens verstrekt die op het meldingsformulier worden gevraagd. Artikel 8.3, Vergunningen
  36. Een aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning wordt met gebruikmaking van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier ingediend, vergezeld van de op grond van het aanvraagformulier verlangde gegevens en bescheiden.
  37. Een aanvraag tot intrekking van een vergunning bevat een aanduiding van de vergunning waarop de aanvraag betrekking heeft en de reden van de aanvraag.
  38. Gedeputeerde staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het eerste lid buiten behandeling laten indien de aanvrager geen eigenaar is van alle onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft en hij geen verklaring van toestemming van de eigenaar overlegt. Artikel 8.4 Gedeputeerde staten kunnen bestuursorganen, instanties en organisaties aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een beschikking betreffende het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning, of die op een andere wijze worden betrokken bij de voorbereiding van zodanige beschikking. Artikel 8.5, Eenvoudige procedure
  39. Gedeputeerde staten kunnen artikel 10, eerste, tweede en derde lid, van de Ontgrondingenwet buiten toepassing laten, indien de aanvraag als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, of de ambtshalve te geven beschikking, betrekking heeft op een ontgronding van geringe omvang of op een geringe uitbreiding van een ontgronding waarvoor reeds vergunning is verleend, indien andere belangen hierbij niet of nauwelijks zijn betrokken.
  40. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van wijziging van een vergunning betreffende verlenging van de geldigheidstermijn, de tenaamstelling, de in de vergunningsvoorschriften genoemde zekerheidstelling en wijziging van ondergeschikte betekenis van vergunningsvoorschriften.
  41. Het eerste lid is eveneens van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van de vergunning op aanvraag van de vergunninghouder. Hoofdstuk 9, Vaarverbod Drentsche Aa Titel 9.1, Aanwijzing gebied Artikel 9.1 Als gebied Vaarverbod Drentsche Aa wordt ter bijzondere bescherming van natuur en landschap aangewezen het gebied dat op de bij deze verordening behorende kaarten is aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa, met uitzondering van de waterlopen ten zuiden van het wegvak Assen-Rolde van de provinciale weg N
  42. In het gebied Vaarverbod Drentsche Aa gelden de in titel 9.2 opgenomen regels. Titel 9.2, Het vaarverbod Artikel 9.2 Het is verboden in een waterloop te varen of een vaartuig in een waterloop te leggen of te laten drijven of te laten liggen. Artikel 9.3 Het verbod als bedoeld in artikel 9.2 geldt niet voor zover het betrekking heeft op een vaartuig dat wordt gebruikt ten behoeve van het onderhoud van de waterloop en het aangrenzende gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies. Artikel 9.4
  43. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 9.2 gestelde verbod.
  44. Een ontheffing kan alleen worden verleend voor zover deze betrekking heeft op het verrichten van onderzoek. Artikel 9.5 Staatsbosbeheer duidt de waterlopen, waarvoor het in artikel 9.2 bedoelde verbod geldt, aan door middel van borden waarvan het model door gedeputeerde staten is vastgesteld. Deel IV, Water DEEL IV. WATER Hoofdstuk 10, Waterhuishouding Titel 10.1, Algemene bepalingen Artikel 10.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. beheer: de zorg voor de kwantiteit en de kwaliteit van het oppervlaktewater met het oog op de daarbij betrokken; b. beheersplan: een plan van de waterbeheerder als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de waterhuishouding. Titel 10.2, Het beheersplan van het waterschap Artikel 10.2, Inhoud Een beheersplan geeft aan hetgeen de waterbeheerder ter vervulling van zijn taak verricht en bevat ten minste: a. een beschrijving van de toestand van de oppervlaktewateren of stelsels van oppervlaktewateren, waarover het beheer zich uitstrekt, alsmede een weergave van de externe invloeden op de waterkwaliteit en waterkwantiteit; b. de doelstellingen van het beleid inzake het beheer van het oppervlaktewater, gericht op de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies; c. een beschrijving van de maatregelen die moeten worden genomen om de gestelde doelstellingen te realiseren, alsmede de prioriteiten en de fasering van die maatregelen; d. een beschrijving van het beheer zoals dat, onder normale en buitengewone omstandigheden, zal worden uitgevoerd; e. een raming van de kosten van de maatregelen, voor zover deze gedurende de planperiode tot stand worden gebracht, een overzicht van de wijze waarop deze worden gedekt en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode; f. het gewenste grond¿ en oppervlaktewaterregiem voor de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies. Artikel 10.3, Totstandkoming van het gewenste grond¿ en oppervlakte-waterregiem
  45. Gedeputeerde staten en de waterbeheerder stellen in gemeenschappelijk overleg de uitgangspunten en methodiek vast die worden gebruikt om het gewenste grond¿ en oppervlaktewaterregiem te bepalen.
  46. De waterbeheerder stelt het gewenste grond¿ en oppervlaktewaterregiem vast na gemeenschappelijk overleg met gedeputeerde staten, de betrokken gemeenten, het waterleidingbedrijf en andere betrokken instanties. Artikel 10.4, Voorbereiding van het beheersplan
  47. De waterbeheerder voert overleg met de aangrenzende waterbeheerders, de geheel of gedeeltelijk inliggende gemeenten, gedeputeerde staten en de bevoegde Duitse autoriteiten over de inhoud en de totstandkoming van het beheersplan en legt de afspraken daaromtrent vast in een plan van aanpak.
  48. Op de voorbereiding van het beheersplan is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 10.5, Evaluatie van het beheersplan
  49. De waterbeheerder rapporteert tenminste 1 keer per 2 jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van het geldende beheersplan en de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt.
  50. De waterbeheerder geeft aan of de uitkomsten van de voortgangsrapportage aanleiding zijn tot (gedeeltelijke) herziening van het plan. Artikel 10.6, Looptijd en relatie tot het Provinciaal omgevingsplan Het beheersplan wordt, uiterlijk 2 jaar na vaststelling van het Provinciaal omgevingsplan, vastgesteld dan wel aangepast aan het Provinciaal omgevingsplan. Titel 10.3, Het peilbesluit Artikel 10.7, Verplichte en vrijwillige peilbesluiten
  51. De waterbeheerder stelt peilbesluiten, als bedoeld in artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding, vast voor die gebieden die deel uitmaken van provinciegrensoverschrijdende peilvakken.
  52. Gedeputeerde staten kunnen, op verzoek van de waterbeheerder, van het bepaalde in het eerste lid, ontheffing verlenen.
  53. De waterbeheerder voegt bij het beheersplan een kaart van de gebieden, waarvoor hij voornemens is een peilbesluit vast te stellen. Dit betreft de gebieden anders dan vermeld in het eerste lid.
  54. De waterbeheerder en gedeputeerde staten kunnen, in overleg, overgaan tot het vaststellen van beleidsregels voor het opstellen van peilbesluiten.
  55. De waterbeheerder baseert zijn peilbesluit op het vastgestelde gewenst grond¿ en oppervlaktewaterregiem.
  56. Kan het gewenst grond¿ en oppervlaktewaterregiem, om praktische redenen, niet als zodanig fungeren dan kan de waterbeheerder gemotiveerd afwijken van het bepaalde in het vijfde lid. Artikel 10.8, Voorbereiding in overleg
  57. Bij de voorbereiding van het ontwerppeilbesluit voert de waterbeheerder overleg met de daarvoor in aanmerking komende gemeenten, waterschappen en andere naar zijn oordeel noodzakelijkerwijs daarbij te betrekken belanghebbenden.
  58. Indien een ontwerppeilbesluit betrekking heeft op een waterstaatkundige eenheid die grensvormend of grensoverschrijdend is ten opzichte van het beheersgebied van andere waterbeheerders, het grondgebied van overige provincies of het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, houdt de waterbeheerder rekening met de belangen van de bevoegde bestuursorganen en raadpleegt hen. Artikel 10.9, Vaststelling De waterbeheerder stelt, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 15 weken na afloop van de termijn van terinzagelegging van het ontwerppeilbesluit, het peilbesluit vast. De waterbeheerder kan deze termijn met 15 weken verlengen. Artikel 10.10, Herziening peilbesluit Het peilbesluit wordt in ieder geval herzien, indien uit het beheersplan de noodzaak daartoe blijkt. Titel 10.4, Het waterakkoord Artikel 10.11, Aanwijzing waterakkoorden Een waterakkoord wordt gesloten voor: a. de wateraanvoer vanuit het Drents primair aanvoersysteem; b. de wateraanvoer vanuit het waterschap Velt en Vecht naar het waterschap Hunze en Aa's. Titel 10.5, Vergunning, registratie, meld- en meetplicht Artikel 10.12, Vergunning voor lozing en onttrekking De waterbeheerder wijst bij verordening de vergunningplichtige gevallen aan voor het lozen van water in of het onttrekken van water aan oppervlaktewater, als bedoeld in artikel 24 van de Wet op de water-huishouding. Artikel 10.13, Melding en meting De waterbeheerder wijst, bij verordening, de meldingplichtige en meetplichtige gevallen aan als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet op de waterhuishouding en stelt nadere regels vast over de frequentie en wijze van melding. Artikel 10.14 (register en toegang tot registratiesystemen)
  59. De waterbeheerder houdt een register bij van vergunningplichtige onttrekkingen en lozingen, alsmede van de in artikel 10.13 bedoelde meldingen en metingen. Na afloop van een kalenderjaar zendt de waterbeheerder een kopie van het register aan gedeputeerde staten.
  60. De waterbeheerder verleent gedeputeerde staten, op hun verzoek, rechtstreeks toegang tot de registratiesystemen voor waterstanden en debieten. Indien gedeputeerde staten dat wensen, verschaft de waterbeheerder hen de gegevens over de waterstanden. Titel 10.6, Bevoegdheden gedeputeerde staten van Drenthe Artikel 10.15
  61. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot het vaststellen van het beheersplan, het vaststellen van een peilbesluit en het aangaan van een waterakkoord voor die wateren waarvoor de provincie Drenthe waterbeheerder is.
  62. Gedeputeerde staten treden op als waterbeheerder om uitvoering te geven aan de bepalingen van de artikelen 10.12, 10.13 en 10.14, eerste lid voor die wateren waarvoor de provincie Drenthe waterbeheerder is. Hoofdstuk 11, Grondwateronttrekkingen Titel 11.1, Registratie- en meldingsplicht Artikel 11.1 De verplichting, omschreven in artikel 11, eerste lid, van de Grondwaterwet, geldt niet: a. voor een inrichting, voor zover:
  63. de te onttrekken hoeveelheid grondwater van de inrichting niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur;
  64. de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 5.000 m3 per kwartaal; b. het een noodvoorziening betreft. Artikel 11.2
  65. De houder van een inrichting waarvan de pompcapaciteit 10 m3 per uur of meer is, doet voordat daadwerkelijk met een onttrekking wordt begonnen daarvan melding aan gedeputeerde staten. Bij de melding worden de volgende gegevens overgelegd: a. een kadastrale aanduiding van de plaats waar de inrichting is gelegen; b. een opgave van de pompcapaciteit van de inrichting, alsmede een schatting van de onttrekking door middel van die inrichting per maand en per jaar; c. de diepte waarop de onttrekking plaatsvindt.
  66. Gedeputeerde staten kunnen opgave van andere gegevens voorschrijven.
  67. Indien de te onttrekken hoeveelheid grondwater van de inrichting wordt vergroot of wanneer anderszins wijziging optreedt in de bestaande toestand, deelt de houder van de in het eerste lid opgegeven inrichting dit terstond mee aan gedeputeerde staten. Artikel 11.3
  68. Gedeputeerde staten kunnen een inrichting die niet ingevolge artikel 11 van de Grondwaterwet en artikel 11.1, tweede lid, van de verordening is opgegeven ambtshalve inschrijven in het register genoemd in artikel 13 van de Grondwaterwet.
  69. Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is begonnen. Titel 11.2, Uitzondering vergunningplicht Artikel 11.4 Een vergunning tot het onttrekken van grondwater als genoemd in artikel 14, eerste lid, van de Grondwaterwet is niet vereist: a. voor een inrichting, voor zover:
  70. de te onttrekken hoeveelheid grondwater van de inrichting niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur;
  71. de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 5.000 m3 per kwartaal; b. indien het een noodvoorziening betreft. Titel 11.3, Algemene regels Artikel 11.5 Als gebieden met beperkte gebruiksmogelijkheden in verband met natuurwaarden worden aangewezen de gebieden die als zodanig staan aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten. Artikel 11.6
  72. Houders van inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor het drooghouden van een bouwput voor (water)bouwkundige of civieltechnische werken en inrichtingen die bij wijze van proef of voor een grondsanering grondwater onttrekken, waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50.000 m3 per aangesloten periode van 30 dagen met een maximum van 200.000 m3 per periode van 6 maanden en de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden, zijn verplicht: a. in de in artikel 11.5 bedoelde gebieden gedurende de periode 1 april tot 1 september het onttrokken grondwater weer terug te brengen op dezelfde diepte als waarop het is onttrokken, voor zover de onttrekking meer bedraagt dan 10.000 m3 per maand; b. de onttrokken hoeveelheid grondwater per pompput/cluster onttrekkingsfilters te meten op een zodanige wijze dat het meetresultaat in enige maand niet meer dan 10% afwijkt van de werkelijk onttrokken hoeveelheid; c. de watermeter vóór de aanvang van de onttrekking te ijken; d. het ijkbewijs op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar te tonen; e. de meetresultaten wekelijks te registreren op een meetstaat; f. onder opgave van datum, op de meetstaat aantekening te houden van voorvallen die van invloed zijn op de meting; g. de meetstaat binnen 2 weken na afloop van de onttrekking te zenden aan gedeputeerde staten; h. slecht waterdoorlatende lagen bij het boren van de put met klei af te dichten; i. na afloop van de werkzaamheden de putten op een door gedeputeerde staten goed te keuren wijze af te dichten.
  73. De verlaging van de grondwaterstand of potentiaal voor (water)bouwkundige of civieltechnische werken, als bedoeld in het eerste lid, mag niet meer bedragen dan 50 cm onder het kritische punt van de bouwput.
  74. De houder van de inrichting moet voor de aanvang van de onttrekking overleg voeren met gedeputeerde staten over de gevolgen van de onttrekking voor aanwezige bodem- en grondwaterverontreiniging.
  75. Voor onttrekkingen met een duur van meer dan 30 dagen wordt de verlaging van de grondwaterstand bepaald aan de hand van een dagelijkse stijghoogtemeting in een waarnemingsbuis. De waarnemingsbuis wordt geplaatst binnen 5 m van de rand van de bouwput. Artikel 11.7
  76. De houder van een inrichting voor noodvoorziening is verplicht de inrichting te melden overeenkomstig het bepaalde in artikel 11.
  77. De inrichting mag maximaal drie maal per jaar worden getest waarbij per test maximaal 100 m3 per uur en totaal 1.000 m3 mag worden onttrokken.
  78. Jaarlijks moet in de maand januari aan gedeputeerde staten het aantal malen dat de noodvoorziening gebruikt en/of getest is, worden gemeld.
  79. De houder van de inrichting moet voor aanvang van de onttrekking overleg voeren met gedeputeerde staten over de gevolgen van de onttrekking voor aanwezige bodem- en grondwaterverontreiniging. Artikel 11.8
  80. Het is verboden door middel van een inrichting met een pompcapaciteit groter dan 10 m3 per uur die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend wordt gebruikt voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden en waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 60 m3 per uur grondwater te onttrekken: a. in de in artikel 11.5 bedoelde gebieden:
  81. voor beregening van grasland en akkerbouw, behalve voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden voor hoogsalderende teelten en vollegrondstuinbouw;
  82. als naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende oppervlaktewater beschikbaar is. b. buiten de in artikel 11.5 bedoelde gebieden:
  83. als naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende oppervlaktewater beschikbaar is;
  84. voor beregening van grasland in de periode van 16 augustus tot 1 juni en beregening van akkerbouw in de periode van 1 september tot 15 juni, behalve voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden voor hoog salderende teelten en vollegrondstuinbouw.
  85. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op onttrekkingen die al bestonden op 1 april
  86. Houders van inrichtingen als bedoeld in het eerste lid zijn verplicht: a. de onttrokken hoeveelheid grondwater per pompput te meten door vermenigvuldiging van de door gedeputeerde staten vast te stellen gemiddelde volumestroom met de gemeten tijd dat de inrichting in werking is; b. de onttrokken hoeveelheid grondwater wekelijks per pompput te registreren op een meetstaat; c. jaarlijks in de maand januari opgave te doen aan gedeputeerde staten van de in het voorafgaande jaar onttrokken hoeveelheid. Artikel 11.9 Houders van inrichtingen met een pompcapaciteit groter dan 10 m3 per uur die uitsluitend worden gebruikt voor grondwatersanering en waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50.000 m3 per maand en met een maximum van 200.000 m3 per jaar zijn verplicht: a. in de in artikel 11.5 bedoelde gebieden gedurende de periode 1 april tot 1 september het gezuiverde onttrokken grondwater weer terug te brengen op dezelfde diepte als waarop het is onttrokken, voor zover de onttrekking meer bedraagt dan 10.000 m3 per maand; b. de onttrokken hoeveelheid grondwater per pompput/cluster onttrekkingsfilters te meten op een zodanige wijze dat het meetresultaat in enige maand niet meer dan 10% afwijkt van de werkelijk onttrokken hoeveelheid; c. de watermeter vóór de aanvang van de onttrekking te ijken; d. het ijkbewijs op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar te tonen; e. de meetresultaten wekelijks te registreren op een meetstaat; f. onder opgave van datum, op de meetstaat aantekening te houden van voorvallen die van invloed zijn op de meting; g. de meetstaat binnen 2 weken na afloop van de onttrekking te zenden aan gedeputeerde staten; h. slecht waterdoorlatende lagen bij het boren van de put met klei af te dichten; i. de putten na afloop van de werkzaamheden op een door gedeputeerde staten goed te keuren wijze af te dichten; j. voor aanvang van de onttrekking overleg te voeren met gedeputeerde staten over de gevolgen van de onttrekking voor aanwezige bodem- en grondwaterverontreiniging. Artikel 11.10 In noodsituaties kunnen gedeputeerde staten het onttrekken van grondwater door inrichtingen bedoeld in de artikelen 11.6 tot en met 11.8 verbieden of toestaan op ruimere schaal dan daar geregeld. Titel 11.4, Te overleggen gegevens Artikel 11.11
  87. Indien de registratieverplichting, als bedoeld in artikel 11 van de Grondwaterwet, van toepassing is dienen de volgende gegevens te worden overgelegd: a. een of meer kaarten op zodanige schaal, dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de bestaande en/of geprojecteerde inrichting c.q. de infiltratie waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een kadastrale tekening, aanduidende de percelen waarop de bestaande of geprojecteerde inrichting c.q. de infiltratie zich bevindt, en van het gebied binnen een afstand van 100 m daarvan; c. een beschrijving van de bestaande of geprojecteerde inrichting c.q. de infiltratie, waarbij ten aanzien van de inrichting wordt vermeld:
  88. de diepte van de onderkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld;
  89. de diameter en de lengte van de filters in iedere put;
  90. de pompcapaciteit van de inrichting;
  91. de te onttrekken hoeveelheid grondwater in m3 per uur, per etmaal, per maand, per kwartaal en per jaar en de daaraan ten grondslag liggende berekening;
  92. het doel waarvoor het grondwater zal worden gebruikt;
  93. de wijze waarop het gebruikte grondwater zal worden geloosd;
  94. de benodigde diepte van de bouwput;
  95. het (te verwachten) chloridengehalte van het te onttrekken grondwater.
  96. Bij een aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, en artikel 16, eerste lid, van de Grondwaterwet, worden naast de in het eerste lid genoemde gegevens de volgende gegevens overgelegd: a. de bodemgesteldheid; b. de stand van het grondwater ter plaatse van de onttrekking c.q. de infiltratie en van de omgeving daarvan; c. de gevolgen van de onttrekking of de infiltratie voor de stand en de samenstelling van het grondwater; d. de gevolgen voor de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen; e. de noodzaak voor het gebruik van grondwater; f. de deelstromen van het onttrokken grondwater in het bedrijf; g. alternatieven voor het grondwatergebruik; h. ten aanzien van infiltratie:
  97. de wijze waarop het water in de bodem wordt gebracht;
  98. de te infiltreren hoeveelheden water in m3 per uur, per etmaal, per maand, per kwartaal en per jaar;
  99. de herkomst en de samenstelling van het te infiltreren water. Titel 11.5, Uitzondering horen commissie Artikel 11.12 De commissie behoeft niet omtrent de aanvraag om vergunning te worden gehoord, indien naar de mening van gedeputeerde staten de onttrekking of de wijziging daarvan in overeenstemming is met het plan, zoals genoemd in artikel 8 van de Wet op de waterhuishouding, tenzij: a. het een onttrekking betreft door middel van een inrichting die uitsluitend wordt gebruikt voor het drooghouden van een bouwput ten behoeve van bouw¿ en waterbouwkundige werken, van 1.000.000 m3 of meer per jaar, dan wel een uitbreiding daarvan; b. het een onttrekking betreft, niet begrepen onder a, van 100.000 m3 of meer per jaar, dan wel een uitbreiding daarvan. Deel V, Wegen en waterwegen DEEL V. WEGEN EN WATERWEGEN Hoofdstuk 12, Wegen en waterwegen Titel 12.1, Algemene bepalingen Artikel 12.1, Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. wegen: wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet met inbegrip van verhardingen, bermen, glooiingen en bermsloten, met alle bijhorende werken of op enigerlei wijze daarmee verbonden voorzieningen en begroeiingen; b. waterwegen: openbaar water bestemd voor scheepvaart en/of aanvoer en afvoer van water, met waterkeringen en alle bijbehorende werken, voorzieningen en begroeiingen; c. waterkering: alle werken en gronden die het oppervlaktewater bij de hoogste stand keren en geleiden; d. CVB: Commissie Vaarweg Beheer. Artikel 12.2, Toepassing
  100. Dit hoofdstuk is van toepassing op wegen en waterwegen in beheer bij de provincie Drenthe en tevens op situaties buiten wegen en waterwegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen en waterwegen in het geding is.
  101. Op de bij deze verordening behorende kaarten zijn deze wegen en waterwegen aangegeven.
  102. Voor wat betreft waterwegen zijn de richtlijnen CVB onverminderd van toepassing. Titel 12.2, Bepalingen inzake instandhouding en dergelijke Artikel 12.3, Bescherming
  103. Dit hoofdstuk kan mede strekken ter bescherming van ecologische, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve, toeristische of landschappelijke belangen.
  104. Gedeputeerde staten kunnen ten behoeve van de in het eerste lid genoemde belangen nadere regels stellen.
  105. De geboden en verboden worden voor zover noodzakelijk aangegeven door middel van de verkeerstekens van bijlage 7 van het Binnenvaartpolitiereglement en bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
  106. Artikel 12.4, Tijdelijke beperking Gedeputeerde staten en de door hen aan te wijzen personen zijn bevoegd om in geval van dringende omstandigheden de scheepvaart tijdelijk te beperken. Artikel 12.5, Bediening Gedeputeerde staten stellen regels voor de bediening van bruggen en sluizen, behalve voor spoorbruggen. Artikel 12.6, Afmetingen Gedeputeerde staten stellen voor de scheepvaart regels voor lengte, breedte en diepgang. Artikel 12.7, Dijken
  107. Provinciale staten stellen de afmetingen vast van de dijken met een waterkerende functie.
  108. Gedeputeerde staten dragen zorg voor de handhaving van deze afmetingen. Titel 12.3, Gebods¿ en verbodsbepalingen Artikel 12.8
  109. Het is verboden zodanig te handelen of na te laten: a. dat aan wegen of waterwegen schade wordt of kan worden toegebracht; b. dat het veilig en doelmatig gebruik of de instandhouding van wegen en waterwegen in de ruimste zin wordt of kan worden belemmerd of belet; c. dat voorwerpen of stoffen, indien daardoor schade of verontreiniging ontstaat of kan ontstaan, in welke vorm dan ook, met wateraanvoer naar waterwegen worden gevoerd. Bereiken dergelijke voorwerpen of stoffen desondanks de waterwegen, dan zijn de beheerders van de wateren waarmee ze zijn aangevoerd verplicht deze op te ruimen.
  110. De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten wegen en waterwegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen en waterwegen in het geding is. Artikel 12.9
  111. Het is verboden: a. enig werk aan te brengen, te hebben, te wijzigen of op te ruimen, beplanting aan te brengen of te hebben binnen een afstand van 5 m landinwaarts uit de insteek van het talud van een waterweg; b. enig werk aan te brengen, te hebben of te wijzigen, beplanting aan te brengen of te hebben binnen een dusdanige afstand uit de grens van de weg, indien daardoor het vrije zicht op de weg zodanig wordt belemmerd dat daardoor de verkeersveiligheid in het gedrang komt of kan komen; c. onverminderd het bepaalde in artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement, een waterweg te gebruiken voor het houden van wedstrijden of evenementen.
  112. De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten wegen en waterwegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen en waterwegen in het geding is. Artikel 12.10 Het in de artikelen 12.8 en 12.9 genoemde geldt niet voor handelingen ten behoeve van het provinciaal belang. Titel 12.4, Ontheffing Artikel 12.11
  113. Gedeputeerde staten kunnen schriftelijk ontheffing verlenen van de in de artikelen 12.8 en 12.9 genoemde bepalingen.
  114. Gedeputeerde staten kunnen voorschriften verbinden aan een ontheffing.
  115. Een ontheffing kan worden ingetrokken indien: a. de omstandigheden zodanig gewijzigd zijn dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou zijn verleend; b. de ontheffing gedurende een aaneengesloten periode van 2 jaar niet is gebruikt; c. de aan de ontheffing verbonden voorschriften en/of beperkingen niet of niet behoorlijk worden nageleefd; d. gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de aanvrager verstrekte onjuiste gegevens. Deel VI, Overige bepalingen DEEL VI. OVERIGE BEPALINGEN Hoofdstuk 13, Vergoeding van schade en kosten Artikel 13.1
  116. Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van gedeputeerde staten met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van de hoofdstukken 5, 6, 7 en 9 van deze verordening.
  117. De bepalingen in dit hoofdstuk betrekking hebbende op "de waterleidingmaatschappij in wiens belang de bescherming van het beschermingsgebied is gerealiseerd" zijn slechts van toepassing voor zover het verzoek om schadevergoeding betrekking heeft op bepalingen op grond van hoofdstuk 7, titel 7.3, van deze verordening. Artikel 13.2 De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat ten minste de volgende gegevens: a. de bepalingen van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt; b. de aard en omvang van de kosten dan wel de schade; c. de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt. Artikel 13.3
  118. Gedeputeerde staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 13.
  119. Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het gestelde in het eerste lid, brengen deze deskundigen advies uit inzake: a. de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening; b. de omvang van de kosten dan wel de schade; c. de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de aanvrager behoren onderscheidenlijk behoort te blijven; d. de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; e. de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt; f. de hoogte van de toe te kennen vergoeding.
  120. Alvorens een advies aan gedeputeerde staten uit te brengen horen de aangewezen deskundigen de aanvrager. Tevens stellen de aangewezen deskundigen de waterleidingmaatschappij in welker belang de bescherming van het beschermingsgebied is gerealiseerd in de gelegenheid haar opvattingen over de voorliggende aanvraag aan hen kenbaar te maken. Artikel 13.4 Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedeputeerde staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 7, titel 7.3, dient dat verzoek ten minste vergezeld te gaan van: a. indien het bestuursorgaan een verzoek om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van dat verzoek en de daarbij gevoegde stukken; b. een afschrift van de schriftelijke opvattingen die de waterleidingmaatschappij over het verzoek of het voornemen een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt aan het bestuursorgaan; c. indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 15.20, vierde lid, van de Wet milieubeheer heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies; d. het ontwerp van de beschikking houdende een toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking. Hoofdstuk 14, Handhaving Artikel 14.1 Een gedraging in strijd met artikel 5.3, 5.4, 7.3, 7.5, 7.7, 7.8, 7.9, 7.13, eerste lid, 7.14, 7.15, eerste lid, 7.18, 7.19, 7.20 of 9.2 is een strafbaar feit. Artikel 14.2 Overtreding van de artikelen 11.2, eerste en derde lid, 11.6, eerste en tweede lid, 11.7, 11.8, eerste en derde lid, 11.9, 12.8 of 12.9 wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste 2 maanden of een geldboete van de tweede categorie. Artikel 14.3
  121. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in hoofdstuk 12 zijn belast de daartoe door gedeputeerde staten aangewezen personen.
  122. Met de opsporing van overtredingen van het bepaalde in hoofdstuk 12 zijn belast de krachtens de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren en de door gedeputeerde staten aangewezen personen. Hoofdstuk 15, Overgangs- en slotbepalingen Artikel 15.1 Een ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing op grond van één van de in artikel 15.3 genoemde verordeningen wordt gelijkgesteld aan een ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing op grond van de Provinciale omgevingsverordening Drenthe, voor zover de juridische grondslag voor de ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing in de Provinciale omgevingsverordening Drenthe is opgenomen. Artikel 15.2 Indien de aanvraag tot het geven van een ontheffing van het bepaalde in een verordening als bedoeld in artikel 15.3 is ingediend voor het tijdstip waarop dat artikel ten aanzien van die verordening in werking treedt, blijft die verordening op de aanvraag van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. Artikel 15.3 De volgende verordeningen worden ingetrokken:
  123. de Provinciale milieuverordening Drenthe;
  124. de Verordening wegen en waterwegen provincie Drenthe 1994;
  125. de Verordening waterhuishouding Drenthe;
  126. de Ontgrondingenverordening voor Drenthe
  127. Artikel 15.4
  128. Op het tijdstip waarop de algemene maatregelen van bestuur op grond van de artikelen 10.28, 10.29, 10.41, 10.44, 10.46 en 10.51 van de Wet milieubeheer in werking zijn getreden, vervalt: a. artikel 1.1, voor zover het betreft de onderdelen o, p en q; b. artikel 5.2; c. artikel 5.17; d. bijlage II.
  129. Op het tijdstip dat alle in het eerste lid bedoelde algemene maatregelen van bestuur in werking zijn getreden, komt artikel 14.1 als volgt te luiden: Artikel 14.
  130. Een gedraging in strijd met artikelen 7.3, 7.5, 7.7, 7.8, 7.9, 7.13, eerste lid, 7.14, 7.15, eerste lid, 7.18, 7.19, 7.20 of 9.2 is een strafbaar feit. Artikel 15.5 Deze verordening treedt in werking op een nader door gedeputeerde staten te bepalen tijdstip, dat voor onderdelen van de verordening verschillend kan zijn. Artikel 15.6 Deze verordening kan worden aangehaald als: Provinciale omgevingsverordening Drenthe. Toelichting op de Provinciale omgevingsverordening TOELICHTING OP DE PROVINCIALE OMGEVINGSVERORDENING DRENTHE

Inleiding Tot nu toe kende de provincie Drenthe vier provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving. Dit zijn de Provinciale milieuverordening Drenthe, de Verordening waterhuishouding Drenthe, de Verordening wegen en waterwegen provincie Drenthe 1994 en de Ontgrondingenverordening voor Drenthe

  1. Zowel de Provinciale milieuverordening als de Verordening waterhuishouding Drenthe werden de afgelopen tijd grondig herzien. Dit heeft geleid tot de nieuwe voorontwerpen van de Provinciale milieuverordening en de Verordening waterhuishouding Drenthe. Deze zijn gelijktijdig met het voorontwerp¿Provinciaal omgevingsplan II naar buiten gebracht. De ontgrondingenverordening en de Verordening wegen en waterwegen zijn niet herzien. De ontgrondingenverordening bestaat pas sinds 2000 en is in alle opzichten actueel. De Verordening wegen en waterwegen dateert van
  2. In verband met het Interprovinciaal overleg wordt gewerkt aan 2 nieuwe modelverordeningen voor respectievelijk wegen en waterwegen. Deze zijn medio 2004 gereed en worden dan verwerkt in de Provinciale omgevingsverordening. Bij de evaluatie en herziening van de Provinciale milieuverordening en de Verordening waterhuis-houding Drenthe stond "zuinig omgaan met regelgeving" voorop. Uitgangspunt was de vraag of een bepaalde activiteit op provinciaal niveau diende te worden gereguleerd. Dit heeft voor beide verordeningen geleid tot een aanzienlijke beperking van het aantal bepalingen. De ontgrondingenverordening en de Verordening wegen en waterwegen werden eerder al volgens ditzelfde principe opgesteld. Toen werd vastgesteld dat het aantal regels in de afzonderlijke verordeningen niet verder kon worden teruggebracht is onderzocht of integratie van de verordeningen nog voordeel zou opleveren. Dat bleek inderdaad het geval te zijn. De omvang van de Provinciale omgevingsverordening, ten opzichte van de vier verordeningen, kon verder worden beperkt. Dit vloeit voort uit het uniformeren van een aantal begripsbepalingen en het samenvoegen van een aantal bepalingen die betrekking hebben op onder meer de totstandkoming van het Provinciaal omgevingsplan. Door de integratie is de overzichtelijkheid en leesbaarheid ten opzichte van de 4 aparte verordeningen sterk verbeterd. Doel en de strekking van de diverse verordeningen zijn uiteraard niet aangetast. Deregulering Door de samenvoeging van de verschillende verordeningen wijkt de Provinciale omgevingsverordening, wat betreft zijn vorm, af van de verordeningen die andere provincies hebben vastgesteld voor de fysieke leefomgeving. De Provinciale omgevingsverordening is opgesteld aan de hand van duidelijke criteria. Deze waren eerder ook richtsnoer bij de totstandkoming van de voorontwerp-Provinciale milieuverordening en de voorontwerp¿Verordening waterhuishouding Drenthe. Het betreft hier onder andere de volgende criteria: - duidelijkheid/leesbaarheid; - bestuurslast; - effect (toegevoegde waarde van de regeling om het gewenst effect te bereiken); - motivatie (noodzaak provinciale regeling); - handhaafbaarheid (maatschappelijk draagvlak, objectieve en werkbare regels); - doeltreffende vertaling van het provinciale omgevingsbeleid in formele bepalingen. Opbouw De Provinciale omgevingsverordening bevat 6 delen. Dit zijn de delen

, Milieu, Natuur en landschap, Water, Wegen en waterwegen en Overige bepalingen. Per deel staat hierna aangegeven welke (delen van) verordeningen in het desbetreffende hoofdstuk zijn verwerkt. Deel I,

Dit deel is samengesteld uit 4 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat begripsbepalingen die eerder waren ondergebracht in de Provinciale milieuverordening en de Verordening waterhuishouding Drenthe. Het beknopte tweede hoofdstuk bevat een inspraakbepaling. Hoofdstuk 3 bevat de geïntegreerde regeling voor de Provinciale Commissie voor het Omgevingsbeleid. Daarin is neergelegd de instelling, werkwijze en samenstelling van de Provinciale Commissie voor het Omgevingsbeleid. Eerder bevatten de Provinciale milieuverordening en de Verordening waterhuishouding Drenthe voor dit onderwerp afzonderlijke regelingen. Hoofdstuk 4 regelt de instelling van de geluidhinderdienst Drenthe. Eerder maakte dit hoofdstuk deel uit van de Provinciale milieuverordening. Deel II, Milieu Deel II bestaat uit de hoofdstukken 5 tot en met

  1. Hoofdstuk 5 bevat de Provinciale afvalstoffenregelgeving met bepalingen voor huishoudelijke afvalstoffen. Hoofdstuk 6 regelt bodemsaneringen. Aan de orde komen landbodem¿ en waterbodemsaneringen. Het gebiedenbeleid is neergelegd in hoofdstuk
  2. Het bevat bepalingen ten aanzien van de stiltegebieden en de gebieden ter bescherming van het grondwater met het oog op de waterwinning. Eerder maakten deze 3 hoofdstukken deel uit van hoofdstuk 9 van de Provinciale milieuverordening. Deel III, Natuur en Landschap Dit deel bevat in hoofdstuk 8 regels voor ontgrondingen en regelt in hoofdstuk 9 het vaarverbod op de Drentsche Aa ter bescherming van belangen van natuur en landschap. Eerder maakten deze hoofdstuk 8 deel uit van de Ontgrondingenverordening en hoofdstuk 9 van de Provinciale milieuverordening. Deel IV, Water Deel IV bestaat uit de hoofdstukken 10 Waterhuishouding en 11 Grondwateronttrekkingen. Het hoofdstuk Waterhuishouding bevat onder meer bepalingen ten aanzien van de beheersplannen van de waterschappen, peilbesluiten en waterakkoorden. Hoofdstuk 11 bevat onder meer algemene regels voor meldingsplichtige grondwateronttrekkingen. Eerder waren deze regels neergelegd in de Verordening waterhuishouding Drenthe. Deel V, Wegen waterwegen Dit deel bevat het hoofdstuk 12, waarin onder meer is opgenomen dat gedeputeerde staten nadere regels kunnen stellen ten aanzien van wegen en waterwegen ter behartiging van een breed scala aan belangen. Ook bevat het hoofdstuk een aantal gebods¿ en verbodsbepalingen. Eerder waren deze regels neergelegd in de Verordening wegen en waterwegen provincie Drenthe
  3. Deel VI, Overige bepalingen De volgende onderwerpen komen aan de orde in deel VI. Hoofdstuk 13 regelt de vergoeding van schaden en kosten met betrekking tot de hoofdstukken 5, 6, 7 en
  4. Dit onderdeel maakte eerder deel uit van de Provinciale milieuverordening. Hoofdstuk 14 bevat handhavingsbepalingen. Deze waren eerder opgenomen in de afzonderlijke verordeningen. Hoofdstuk 15 bevat de overgangs¿ en slotbepalingen. Het regelt onder andere de intrekking van de bestaande vier verordeningen en de inwerkingtreding van de Provinciale omgevingsverordening. Grondslag De Provinciale omgevingsverordening is gebaseerd op meerdere wetten met elk een eigen doel en werkingssfeer. De verordenende bevoegdheid van provinciale staten is neergelegd in de volgende bepalingen. Artikel 1.2 van de Wet milieubeheer Dit artikel bepaalt dat provinciale staten een verordening vaststellen ter bescherming van het milieu. Artikel 5, tweede lid, van de Ontgrondingenwet Dit artikel bepaalt dat, bij provinciale verordening, nadere regelen worden gesteld omtrent ontgrondingen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Ontgrondingenwet. De artikelen 8, eerste lid, 9, vierde lid, 16, derde lid en 24, derde lid, van de Wet op de waterhuishouding Deze artikelen bepalen dat provinciale staten, bij verordening, onder meer nadere regelen kunnen stellen ten aanzien van het Provinciaal omgevingsplan, het beheersplan van het waterschap, peilbesluiten en vergunningen voor het onttrekken aan en lozen op oppervlaktewater. Artikel 15a van de Grondwaterwet Dit artikel bepaalt dat provinciale staten bij verordening met betrekking tot daarbij aan te wijzen gevallen ten aanzien van het onttrekken van grondwater regels kunnen stellen ter bescherming van bij het grondwaterbeheer betrokken belangen. Deze regels kunnen ten aanzien van het onttrekken verboden en beperkingen inhouden. Bij die regels kan aan gedeputeerde staten de bevoegdheid worden verleend in bij die regels aan te geven omstandigheden het onttrekken te verbieden. Artikel 105, eerste lid, van de Provinciewet Dit artikel bepaalt dat de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de provincie aan het provinciebestuur wordt overgelaten. De bepalingen ten aanzien van wegen en waterwegen zijn gebaseerd op dit artikel. Toelichting op de eerste wijzigingstranche TOELICHTING OP DE EERSTE WIJZIGINGSTRANCHE VAN DE PROVINCIALE OMGEVINGSVERORDENING (POV) DRENTHE WIJZIGINGEN De eerste wijzigingstranche van de POV omvat de volgende onderwerpen. - Aanpassing aan de Wet uniforme voorbereidingsprocedure Algemene wet bestuursrecht (samenvoeging van de afdelingen 3.4 en 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht). - Corrigeren kennelijke verschrijvingen en onduidelijkheden. - Afstemming met het IPO-model voor zover het betreft het onderdeel Wegen en waterwegen. - Wijziging van de begrenzing van het grondwaterbeschermingsgebied Gasselte. ARTIKELSGEWIJS Artikel 6.1 Abusievelijk wordt in het vierde lid verwezen naar het tweede lid. Dit moet zijn het derde lid. Artikel 6.3 Om in aanmerking te komen voor de in dit artikellid bedoelde vrijstelling is het van belang dat aan alle 3 genoemde voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende duidelijk te zijn, is dit artikellid op deze wijze aangepast. Artikel 6.4 Abusievelijk wordt in het vierde lid verwezen naar het tweede lid. Dit moet zijn het derde lid. Artikel 6.9 Op grond van artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht heeft eenieder het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij dat bestuursorgaan. Dit is tevens van toepassing op gedragingen van personen die werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. Voor de afhandeling van deze klachten heeft de provincie een eigen klachtenregeling. Deze is laatstelijk in 2003 gewijzigd vastgesteld. Een aparte regeling voor de afhandeling van klachten die betrekking hebben op bodemsanering is dan ook niet noodzakelijk. Artikel 7.12 Voor de afhandeling van aanvragen om ontheffing van verboden binnen deze titel is aangesloten bij de nieuwe procedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien de Wet milieubeheer deze procedure ook op deze ontheffingen van toepassing heeft verklaard, is een aparte opname in de POV van de te volgen procedure niet noodzakelijk. Artikel 7.13 Zie toelichting bij artikel 7.
  5. Artikel 9.4 Zie toelichting bij artikel 7.
  6. Artikel 10.9 De termijn (13 weken) is aangepast aan de termijnen genoemd in de Algemene wet bestuursrecht (15 weken). Artikel 11.6 Herstel van een verschrijving. In het eerste lid, onder h, is het woord "slechte" vervangen door slecht. Artikel 11.9 Herstel van een verschrijving. Onder h is het woord "slechte" vervangen door slecht. Artikelen 12.1 tot en met 12.4 Om hoofdstuk 12 qua systematiek meer in overeenstemming te brengen met de rest van de POV is ervoor gekozen de bestaande artikelen 12.1 tot en met 12.4 onderling te verplaatsen. Daarnaast zijn in de artikelen zelf enige aanpassingen aangebracht. Deze aanpassingen zijn in overeenstemming met de voorstellen die zijn gedaan voor een IPO-model Wegen en waterwegen. De hieronder gebruikte nummering van de artikelen betreft de nieuwe nummering. Artikel 12.1 Aan dit artikel is een begripsomschrijving toegevoegd van de CVB: de Commissie Vaarweg Beheer. Deze commissie is een landelijke commissie, onder andere bestaande uit vertegenwoor-digers van de sector van vaarwegbeheerders van regionale directies van Rijkswaterstaat, provinciale waterstaat en de havenautoriteiten. De commissie geeft richtlijnen uit met betrekking tot het vaarwegbeheer. Deze richtlijnen zijn ten principale bindend, maar de beheerder heeft de mogelijkheid ervan af te wijken. De provincie Drenthe wil in haar POV aangeven dat zij bij deze richtlijnen aansluit. Artikel 12.2 Dit artikel regelt het toepassingsbereik van hoofdstuk
  7. Met de wijziging van het eerste lid is dit hoofdstuk ook van toepassing op situaties buiten wegen en waterwegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen en waterwegen in het geding is. Hierbij gaat het nadrukkelijk alleen om de belangen van doelmatig en veilig gebruik. Artikel 12.3 De wijziging van het eerste lid heeft tot gevolg dat de bescherming van de in dit artikellid genoemde belangen ook voor wegen van toepassing is. Op grond van het aangepaste tweede lid zijn gedeputeerde staten bevoegd nadere regels te stellen met betrekking tot de in het eerste lid genoemde belangen. Artikel 12.6 In artikel 12.2 (nieuw) is reeds aangegeven dat dit hoofdstuk onder andere van toepassing is op in Drents beheer zijnde waterwegen. De nu vervallen zinsnede was dan ook overbodig. Artikel 12.8 De eerste wijziging is een tekstuele wijziging. De toevoeging van het tweede lid aan dit artikel is een gevolg van de verruimde toepassing opgenomen in het nieuwe artikel 12.
  8. De in het eerste lid genoemde verboden gelden dus ook voor situaties buiten wegen en waterwegen met de in het artikellid genoemde beperking. Artikel 12.9 De toevoeging van het tweede lid aan dit artikel is een gevolg van de verruimde toepassing opgenomen in het nieuwe artikel 12.
  9. De in het eerste lid genoemde verboden gelden dus ook voor situaties buiten wegen en waterwegen met de in het artikellid genoemde beperking. Artikel 12.11 Het toegevoegde derde lid geeft aan in welke situaties gedeputeerde staten een verleende ontheffing kunnen intrekken. Bijlage II Het betreft hier een tekstuele aanpassing. Tevens is de begrenzing van het grondwaterbeschermingsgebied Gasselte gewijzigd. Wijziging van dit gebied is noodzakelijk omdat uit onderzoek is gebleken dat het intrekgebied een andere is dan jarenlang is aangenomen. Dit wordt veroorzaakt doordat de doorlatendheid in de noord-zuidrichting groter is dan in de west-oostrichting. Door dit verschil in doorlatendheid zal het grondwater makkelijker vanuit de lengterichting (noord-zuid) van de Hondsrug toestromen dan dwars op de Hondsrug. Hierdoor krijgt het intrekgebied van de winning deze andere vorm. Toelichting op tweede wijzigingstranche TOELICHTING OP DE TWEEDE WIJZIGINGSTRANCHE VAN DE PROVINCIALE OMGEVINGSVERORDENING (POV) DRENTHE Inleiding Een aantal ontwikkelingen maakt het noodzakelijk de Provinciale omgevingsverordening Drenthe (POV) aan te passen. Het betreft hier de volgende zaken:
  10. aanpassing hoofdstuk 6 (Bodemsanering) in verband met de wijziging van de saneringsdoelstelling van multifunctioneel naar functioneel;
  11. aanpassing hoofdstuk 11 (Grondwateronttrekkingen) in verband met de overdracht van bevoegdheden voor bepaalde onttrekkingen naar de waterschappen en de hierdoor ontstane behoefte tot verdere afstemming met Groningen en Overijssel;
  12. aanpassing artikel 12.11, tweede lid;
  13. aanpassing van de waterwingebieden Nietap en De Groeve in verband met afstemming tussen POV en door waterleidingbedrijf op te stellen beheerplannen. Ad
  14. De belangrijkste wijziging van de Wet bodembescherming is de wijziging van de saneringsdoelstelling. Niet langer is het noodzakelijk multifunctioneel te saneren, maar mag functie-gericht worden gesaneerd. Bij functiegericht saneren kan echter verontreiniging in de bodem achterblijven. Het beheer van deze restverontreiniging is daarom belangrijk geworden. Om dit te benadrukken heeft de wetgever het evaluatieverslag van de sanering en het nazorgplan een wettelijke status gegeven. Aan provinciale staten is de bevoegdheid gegeven om nadere regels te stellen waaraan beide moeten voldoen. Hieraan wordt in deze wijzigingstranche invulling gegeven. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt kritisch te kijken naar de inhoud van Hoofdstuk
  15. De nu voorgestelde wijzigingen dragen bij aan deregulering en betere leesbaarheid van de POV. Gedeputeerde staten hebben een aantal bevoegdheden overgedragen gekregen van provinciale staten. In afzonderlijke besluiten van gedeputeerde staten zal hieraan invulling worden gegeven. In verband met de wijziging van de saneringsdoelstelling is het noodzakelijk om aan de begripsbepalingen de onderdelen evaluatieverslag en nazorgplan toe te voegen. Voor de goede orde is tevens een begripsomschrijving opgenomen voor het nader onderzoek. Ad
  16. Per 8 januari 2007 wordt de bevoegdheid voor bepaalde grondwateronttrekkingen overgedragen van provincie naar waterschappen. Dit past binnen de gewenste bestuurlijke ontwikkeling binnen Noord-Nederland. In verband met verdere afstemming heeft binnen Noord-Nederland overleg plaatsgevonden over de provinciale regelgeving voor grondwateronttrekkingen. Dit afstemmingsoverleg heeft geleid tot de nu voorliggende wijzigingen. Ad
  17. In het tweede lid van artikel 12.11 was aangegeven dat gedeputeerde staten voorwaarden kunnen verbinden aan een te verlenen ontheffing. Juridisch is hier echter sprake van de bevoegdheid om voorschriften aan een ontheffing te verbinden. In deze wijzigingstranche is daarom het begrip voorwaarden vervangen door voorschriften. Ad
  18. Bij het opstellen van de beheerplannen voor de waterwingebieden van De Groeve en Nietap door het Waterbedrijf Groningen bleek dat de begrenzingen die het waterbedrijf in het veld gebruikte afweken van de begrenzingen zoals in de POV waren vastgesteld. Om beide begrenzingen op elkaar af te stemmen wordt de huidige in de POV opgenomen begrenzing aangepast. De begrenzing valt binnen de eigendomsgrenzen van het Waterbedrijf Groningen zodat er geen gevolgen zijn voor derden. Toelichting per hoofdstuk (

+ artikelsgewijs) HOOFDSTUK 6 Per 1 januari 2006 is de Wet houdende wijziging van de Wet bodembescherming en enkele andere wetten in verband met de wijzigingen in het beleid inzake bodemsanering (Staatsblad 2005, nummer 680) in werking getreden. Hierdoor is de Wet bodembescherming ingrijpend gewijzigd. Voorts maakt de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Staatsblad 2005, nummer 282) een wijziging van hoofdstuk 6 van de POV noodzakelijk. De belangrijkste wijziging die tot gevolg heeft dat de POV moet worden aangepast, is de wijziging van de saneringsdoelstelling van artikel 38 van de Wet bodembescherming. Niet langer is het noodzakelijk om multifunctioneel te saneren, maar mag worden volstaan met een sanering die is afgestemd op de functie van het te saneren gebied. Functiegericht saneren heeft echter als gevolg dat na afloop van de sanering verontreiniging in de bodem kan achterblijven. Het beheer van deze restverontreiniging is daarom belangrijk geworden. Om dit te benadrukken heeft de wetgever het evaluatieverslag en het nazorgplan een wettelijke status gegeven. Beide behoeven bovendien de instemming van gedeputeerde staten. Aan provinciale staten wordt de bevoegdheid gegeven om nadere regels te stellen waaraan het evaluatieverslag en het nazorg[plan moeten voldoen. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om kritisch te kijken naar de bestaande regelgeving. Hierbij is gekeken naar nut en noodzaak van de regelgeving, praktische hanteerbaarheid en leesbaarheid. Dit alles heeft geleid tot een nogal drastische wijziging van Hoofdstuk

  1. Wij zijn echter van mening dat met de nu nog resterende regels op voldoende zorgvuldige wijze de bodemsanering in Drenthe kan worden uitgevoerd. Omdat deze wijziging nogal ingrijpend is, hebben wij besloten om het bestaande hoofdstuk 6 in z¿n geheel te laten vervallen en een nieuw hoofdstuk 6 vast te stellen. Dit komt de duidelijkheid en leesbaarheid ten goede. Bovendien is ook de nummering van de artikelen gewijzigd. Hierna is per artikel aangegeven welke wijzigingen zijn aangebracht en wat hiervoor de motivering is. Het betreft hier de nummering van het oude (vervallen) hoofdstuk
  2. Bij de verwijzing naar de verwerking in deze wijzigingstranche wordt verwezen naar het nieuwe (vastgestelde) hoofdstuk
  3. Tot slot wordt nog aangegeven welke wijzigingen van de POV zijn veroorzaakt door de wijziging van de saneringsdoelstelling. De hierbij gebruikte nummering verwijst naar het nieuwe (vastgestelde) hoofdstuk
  4. Artikel 6.1 In dit artikel was aangegeven welke procedure moest worden gevolgd bij de voorbereiding van een beschikking op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming. De Wet bodembescherming geeft namelijk niet aan welke procedure gevolgd moet worden. Bij het opstellen van hoofdstuk 6 is destijds gekozen voor toepassing van de procedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierbij was in het derde lid een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in situaties waarbij "in redelijkheid kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat". In de praktijk blijkt dat toepassing van deze uitzonderingsbepaling in feite de regel is. In deze wijzigingstranche is er dan ook voor gekozen om niet langer afdeling 3.4 van de Awb van toepassing te verklaren. Dit betekent echter niet dat geen rekening meer gehouden zou moeten worden met de bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht. De "basisbepalingen" uit de Awb blijven op de voorbereiding van deze beschikking van toepassing. Hiermee worden de belangen van de aanvrager als ook die van belanghebbenden voldoende gewaarborgd. Daarnaast is het mogelijk om in voorkomende gevallen per besluit te bepalen dat in die concrete situatie gebruik wordt gemaakt van afdeling 3.4 van de Awb. Te denken valt aan situaties met veel belanghebbenden en/of grote maatschappelijke aandacht. Verwerking in deze wijzigingstranche: artikel 6.1 is komen te vervallen. Artikel 6.2 In dit artikel was aangegeven op welke wijze een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming moet gebeuren. Hierbij is de verplichting opgenomen gebruik te maken van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier en het indienen in vijfvoud. Deze verplichtingen zijn in deze wijzigingstranche overgenomen. Verwerking in deze wijzigingstranche: de verplichtingen uit dit artikel zijn overgenomen in het nieuwe artikel 6.
  5. Artikel 6.3 In dit artikel was de verplichting opgenomen om een groot aantal gegevens te vermelden in het saneringsplan. Het artikel is van een omvang en gedetailleerdheid dat gezocht is naar een manier om het artikel te beperken. Er is voor gekozen om de bevoegdheid voor het opstellen van deze verplichte gegevens neer te leggen bij gedeputeerde staten. Alhoewel formeel gezien geen sprake is van deregulering (de invulling van de verplichte gegevens zal terugkomen in een besluit van gedeputeerde staten) heeft dit wel als gevolg dat hoofdstuk 6 van de POV een stuk overzichtelijker en leesbaarder wordt. Ook heeft deze constructie het voordeel dat bij wijziging van deze verplichte gegevens niet telkens de POV gewijzigd behoeft te worden. Verwerking in deze wijzigingstranche: artikel 6.3 is komen te vervallen. De bevoegdheid voor gedeputeerde staten tot het opstellen van de verplichte gegevens (nadere regels) is opgenomen in artikel 6.1, tweede lid. Artikel 6.4 Dit artikel ging in op de te volgen procedure bij de voorbereiding van een besluit over de instemming van een saneringsplan. Zie voor de verdere motivering hetgeen is opgemerkt bij artikel 6.
  6. Verwerking in deze wijzigingstranche: artikel 6.4 is komen te vervallen. Artikel 6.5 In dit artikel waren aanvullende regels gesteld die van toepassing waren op situaties waarin gedeputeerde staten overgingen tot sanering van een ernstig geval van verontreiniging. Deze aanvullende regels hadden betrekking op het opstellen van een saneringsplan, het opnemen in het saneringsplan van bepaalde gegevens en de te volgen voorbereidingsprocedure. De Wet bodembescherming is echter van toepassing op "een ieder" die een sanering uitvoert dus o ok op overheden. Het opnemen van een aparte regeling voor het geval gedeputeerde staten de sanering uitvoert is dan ook niet noodzakelijk en juridisch overbodig. Verwerking in deze wijzigingstranche: artikel 6.5 is komen te vervallen. Artikel 6.6 In het eerste lid van dit artikel was de verplichting voor gedeputeerde staten opgenomen tot het instellen van een projectgroep ter begeleiding van een nader onderzoek of een sanering. Deze bepaling is in de wijzigingstranche gehandhaafd. De verplichting opgenomen in het tweede lid om ook een dergelijke projectgroep in te stellen als anderen dan gedeputeerde staten opdrachtgever zijn, is komen te vervallen. In de praktijk blijkt dat aan deze bepaling nimmer invulling wordt gegeven. Verweking in de wijzigingstranche: artikel 6.6, tweede lid, is komen te vervallen; het eerste lid van artikel 6.6 is opgenomen in artikel 6.
  7. Artikel 6.7 In artikel 6.7 wordt ingegaan op de taak en samenstelling van de projectgroep als bedoeld in het vorige artikel (6.6). Aangezien de projectgroep alleen wordt ingesteld als gedeputeerde staten opdrachtgever is, hoeft de projectgroep ook alleen maar aan gedeputeerde staten te adviseren. Het eerste lid is in die zin aangepast. Het tweede lid is zodanig aangepast dat een vertegenwoordiger van gedeputeerde staten en een vertegenwoordiger van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen het geval van verontreiniging is gelegen lid zijn van deze projectgroep. Hiermee is het derde lid overbodig geworden. Verwerking in deze wijzigingstranche: het eerste en tweede lid van artikel 6.7 zijn aangepast en opgenomen in artikel 6.4; het derde lid is komen te vervallen. Artikel 6.8 In artikel 6.8 was aangegeven dat gedeputeerde staten jaarlijks verslag uitbrengen o ver de uitvoering van de artikelen 6.
  8. en 6.
  9. Ook zonder deze bepaling kunnen gedeputeerde staten een jaarlijks verslag opmaken, of dit verwoorden in andere jaarlijkse documenten. Verwerking in deze wijzigingstranche: artikel 6.8 is komen te vervallen. Artikel 6.10 In artikel 6.10 was opgenomen dat in het saneringsplan als bedoeld in artikel 63e van de Wet bodembescherming (waterbodemsanering) aanvullende gegevens moesten worden opgenomen. Deze verplichting is in de wijzigingstranche ondergebracht bij artikel 6.
  10. Verwerking in deze wijzigingstranche: artikel 6.10 is komen te vervallen en vervangen door artikel 6.5 waarbij artikel 6.1 van toepassing wordt verklaard op deze saneringen. Artikel 6.11 Dit artikel ging in op de te volgen procedure bij de voorbereiding van een besluit over de instemming van een saneringsplan. Zie voor de verdere motivering hetgeen is opgemerkt bij artikel 6.
  11. Verwerking in deze wijzigingstranche: artikel 6.11 is komen te vervallen. Artikel 6.12 Is inhoudelijk niet gewijzigd maar is vernummerd. Verwerking in deze wijzigingstranche: artikel 6.12 is vernummerd tot artikel 6.
  12. Artikel 6.13 Is inhoudelijk niet gewijzigd maar is vernummerd. Verwerking in deze wijzigingstranche: artikel 6.13 is vernummerd tot artikel 6.8, Gevolgen hoofdstuk 6 van de wijziging van de saneringsdoelstelling. Artikel 6.1 In artikel 6.1 is tevens een verwijzing opgenomen naar het evaluatieverslag van de sanering en het nazorgplan. Dit houdt in dat bij de indiening van het evaluatieverslag en het nazorgplan gebruik moet worden gemaakt van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier. Ook hebben gedeputeerde staten de bevoegdheid nadere regels te stellen met betrekking tot de gegevens die moeten worden vermeld. Artikel 6.2 Artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming geeft aan dat het evaluatieverslag "zo spoedig mogelijk" na de uitvoering van de sanering dient te worden aangeboden bij gedeputeerde staten. Deze ruime formulering maakt het mogelijk en gewenst om in de POV vast te leggen binnen welke termijn het evaluatieverslag uiterlijk moet zijn ingediend. In dit artikel is vastgelegd dat dit uiterlijk 13 weken na afloop van de sanering ingediend moet zijn. HOOFDSTUK
  13. De wijzigingen houden verband met de overdracht van een aantal operationele grondwatertaken aan de waterschappen. Deze overdracht wordt per 1 januari 2007 gerealiseerd. De overdracht is gezamenlijk voorbereid met de provincies Overijssel en Groningen en de waterschappen Hunze en Aa¿s, Noorderzijlvest, Reest en Wieden, Velt en Vecht, Groot Salland, Regge en Dinkel en Rijn en IJssel. Omdat er in alle provincies sprake is van interprovinciale waterschappen is door de provincies gekeken waar de verschillende verordeningen op elkaar afgestemd kunnen worden. De doelstelling was om de provinciale verordeningen van de provincies Groningen, Drenthe en Overijssel zoveel mogelijk te uniformeren zodat de (interprovinciale) waterschappen er goed mee kunnen werken. De wijzigingen hebben hoofdzakelijk betrekking op uitvoering gerichte zaken. Het provinciale beleid blijft onaangetast. Artikel 11.1 De term pompcapaciteit is vervangen door de term "de te onttrekken hoeveelheid grondwater". Hierdoor wordt beter aangesloten bij de terminologie van de Grondwaterwet. In de Grondwaterwet wordt namelijk ook gevraagd om de te onttrekken hoeveelheid grondwater. De pompcapaciteit zegt niets over de hoeveelheid die men wenst te onttrekken. Verder is mede als gevolg van nadere afstemming met de provincies Groningen en Overijssel de registratiegrens verruimd van 1.000 m3 per maand naar 5.000 m3 per kwartaal. Artikel 11.2 De wijziging van de meldingsgrens van 1 naar 10 m3 per uur wordt ingegeven door het feit dat onttrekkingen minder dan 10m3 per uur niet relevant zijn voor de meldingsplicht of de registratie. Het betreft hier hoofdzakelijk particuliere pompen (beregening van tuinen en dergelijke. Om te voorkomen dat een melding pas wordt ingediend nadat met de onttrekking is begonnen, is de verplichting opgenomen om de melding vooraf te doen. Voor de toelichting op de wijziging van het tweede lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 11.
  14. Artikel 11.4 Voor de toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 11.
  15. Artikel 11.6 De reden voor wijziging van de term "per maand" voor "per 30 dagen" is dat hierdoor onttrekkers niet in zeer korte tijd meer dan eigenlijk is toegestaan kunnen onttrekken. Nu begint de termijn op de dag van de onttrekking. Met de definitie "per maand" was het mogelijk om bijvoorbeeld op de laatste dag van een maand een grote onttrekking te doen en vervolgens op de eerste dag ook. Dus men zou in theorie in 2 dagen 100.000 m3 kunnen onttrekken. Met de 30 dagen-definitie is dat niet meer mogelijk. De invoeging van een nieuw derde lid heeft tot gevolg dat het bestaande derde lid wordt vernummerd tot het vierde lid. In dit nieuwe derde lid is de verplichting voor de houder van de inrichting opgenomen om voor aanvang van de onttrekking overleg te voeren met gedeputeerde staten over de gevolgen van de onttrekking voor aanwezige bodem- en grondwaterverontreinigingen. In de praktijk blijkt dat met name in stedelijk gebied de invloed van deze onttrekkingen op aanwezige verontreinigingen aanzienlijk kunnen zijn. De overige wijzigingen zijn van tekstuele aard. Artikel 11.7 De bestaande tekst van artikel 11.7 is opgenomen in het eerste lid. In het tweede lid is een algemene regel opgenomen voor het jaarlijks testen van de noodvoorziening. Hiermee wordt voorkomen dat relatief kleine inrichtingen op grond van capaciteit of totale hoeveelheid vergunningplichtig worden. Wel is het zo dat als een bestaande inrichting als nevenfunctie brandbestrijding krijgt, deze nevenfunctie onder de vergunning komt te vallen. In het derde lid is een jaarlijkse meldingsplicht aan gedeputeerde staten opgenomen. Voor een toelichting op het vierde lid wordt verwezen naar de toelichting op het derde lid van artikel 11.
  16. Artikel 11.8 In het eerste lid is de pompcapaciteit van 1 m3 vervangen door 10 m
  17. Voor de toelichting hierop wordt verwezen naar de toelichting op artikel 11.
  18. De overige wijzigingen zijn van tekstuele aard. Artikel 11.9 Het betreft hier een aanscherping van de grondwatersaneringen. Met de nieuwe begrenzing wordt het langdurig onttrekken van aanzienlijke hoeveelheden beperkt, waardoor eventuele nadelige gevolgen voor derde belangen worden tegengegaan. Artikel 12.11 In het tweede lid was de term voorwaarden opgenomen. Deze is nu vervangen door de term voorschriften. Dit sluit beter aan bij de (juridische) bedoeling van dit artikellid. Toelichting op Deel I DEEL I.

Hoofdstuk 1

, Begripsbepalingen

Voor de inhoud van verschillende van de in de verordening gehanteerde begrippen (zoals bijvoorbeeld inspecteur) behoeft geen omschrijving te worden gegeven, omdat veelal de afzonderlijke wetten waarop deze verordening is gebaseerd, bepalen dat de daar gegeven omschrijvingen doorwerken in de verordening. Begrippen waarbij in een van de wetten geen begripsbepaling is opgenomen, zijn opgenomen in dit artikel. Bij het begrip "waterbeheerder" kan nog worden opgemerkt dat alle bevoegdheden voortvloeiend uit de hoofdstukken 10 en 11 van deze verordening, overeenkomstig artikel 77 van de Waterschapswet, aan het

bestuur van een waterschap worden toegedeeld tenzij de wet of de Waterschapswet hierin reeds heeft voorzien. Binnen de grenzen van de Provinciewet, de Waterschapswet en de waterschapsreglementen bepaalt het waterschap zelf de verdeling van taken en bevoegdheden tussen het

en dagelijks bestuur. Hoofdstuk 2, Inspraak In dit artikel wordt de Algemene Inspraakverordening Drenthe van toepassing verklaard op het wijzigen van deze verordening. Hierdoor is het niet noodzakelijk om in deze verordening de inspraak verder uit te werken. Hoofdstuk 3, Provinciale Commissie voor het Omgevingsbeleid [Vervallen.] Hoofdstuk 4, Geluidhinderdienst Drenthe

De artikelen in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op hoofdstuk XIII, paragraaf 3, van de Wet geluidhinder. Voor uitvoering van de door de Wet geluidhinder aan het provinciaal bestuur opgedragen taken is de provincie verplicht noodzakelijke geluidmetingen te verrichten en klachten te behandelen, voor zover die betrekking hebben op het bij of krachtens de Wet geluidhinder is bepaald. De organisatie van de geluidhinderdienst moet bij provinciale verordening geregeld worden. Artikelsgewijs Artikel 4.1 Op grond van artikel 159, eerste lid, van de Wet geluidhinder dient de provincie zorg te dragen dat een provinciale geluidhinderdienst functioneert die in elk geval een meetdienst en een klachtendienst omvat. De meetdienst en de klachtendienst (ondergebracht bij het Meldpunt Milieuklachten Drenthe) zijn organiek ondergebracht bij de Productgroep Handhaving. Ze verrichten hun werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van het hoofd van deze productgroep. Artikel 4.2 Behandeling en verwerking van geluidhinderklachten die tot de bevoegdheid horen van een andere instantie, worden door het secretariaat van de klachtendienst direct doorgegeven aan de desbetreffende instanties. Voorbeelden zijn geluidhinderklachten over de luchthavens in Eelde en Hoogeveen. Artikel 4.3 en 4.4 Op grond van artikel 159, derde lid, van de Wet geluidhinder dient de provincie bij verordening regels te stellen die betrekking hebben op de registratie van ingekomen klachten en de verwerking van de uitkomsten van de behandeling van die klachten (artikel 4.3.), alsmede de regelmatige openbaar-making van de gegevens (artikel 4.4.). Toelichting op Deel II DEEL II. MILIEU Hoofdstuk 5, Afvalstoffen

Op 8 mei 2002 is de Wijzigingswet Wet milieubeheer in werking getreden (Wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de Wet milieubeheer; structuur beheer afvalstoffen; Staatsblad 2001/346, in werking: Staatsblad 2002/206). De structuur van het beheer van afvalstoffen is daarmee sterk gewijzigd. De wijzigingswet legt de sturing van het afvalstoffenbeleid op landelijk niveau, in plaats van op provinciaal niveau. De Wijzigingswet Wet milieubeheer heeft gevolgen voor de regelgeving van de provincies. De wijzigingswet is een raamwet. Dit betekent dat de hoofdlijnen vastliggen, maar dat daarbinnen nog veel vastgelegd moet worden in plannen of Algemene maatregelen van bestuur. Bij de inwerkingtreding van de wijzigingswet op 8 mei 2002 is een groot aantal artikelen van de toentertijd fingerende Provinciale milieuverordening* reeds van rechtswege komen te vervallen. Voor de provincies en de Provinciale omgevingsverordening is van belang dat er nog een aantal Algemene maatregelen van bestuur bij Koninklijk besluit moeten worden vastgesteld. In de wijzigingswet is in artikel XVII een overgangsregeling opgenomen. Daardoor geldt een overgangsperiode, waarin de nog "bestaande" provinciale regelgeving met betrekking tot deze onderwerpen van toepassing blijft, totdat in het betrokken onderwerp wordt voorzien door een Algemene maatregel van bestuur. * De op 8 mei 2002 vervallen artikelen hebben betrekking op de lijst van inzamelbedrijven inzake bedrijfsafvalstoffen, onderdelen van de meldingsregelingen, inzake de afgifte van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, het provinciegrensoverschrijdend verkeer van bedrijfsafvalstoffen, het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen en voorschriften voor inrichtingen. De Algemene maatregel van bestuur op basis van artikel 10.52 van de Wet milieubeheer, waarin regels zijn opgenomen voor mobiele puinruimers, is per 1 maart 2004 in werking getreden. Vandaar dat er in deze Provinciale omgevingsverordening, in afwijking van de Provinciale milieuverordening, geen regels zijn opgenomen voor mobiele puinbrekers. De Algemene maatregelen van bestuur op basis van de artikelen 10.28 en 10.29 van de Wet milieubeheer (Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur), waarin regels voor huishoudelijk afval (wit- en bruingoed, afkomstig van particuliere huishoudens) zijn opgenomen, is per 13 augustus 2004 in werking getreden (Staatsblad 2004/340). Hierdoor vervalt van rechtswege artikel 5.1 van de Provinciale omgevingsverordening. De Algemene maatregelen van bestuur op basis van de artikelen 10.41 en 10.44 van de Wet milieu-beheer (Besluit melden), waarin regels voor het melden van afgifte, ontvangst en vervoer van afval zijn opgenomen, is per 1 januari 2005 in werking getreden (Staatsblad 2004/552). Hiervoor vervallen van rechtswege de artikelen uit de paragrafen 5.2.3, 5.2.4 en 5.3.2 van de Provinciale omgevingsverordening. Naar verwachting zullen de Algemene maatregelen van bestuur op basis van artikel 10.51 van de Wet milieubeheer in 2005 in werking treden. Hierin worden regels opgenomen voor het scheiden en gescheiden houden van afval. Als deze Algemene maatregel van bestuur in werking treedt, vervallen van rechtswege de artikelen uit paragraaf 5.2.2 van deze verordening die betrekking hebben op het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen. Naast vorengenoemde artikelen, die van rechtswege zijn of komen te vervallen, bevat de Provinciale milieuverordening ook ondersteunende bepalingen voor vorengenoemde artikelen. Door de wetswijziging vervallen deze ondersteunende bepalingen niet van rechtswege. Formeel kunnen deze ondersteunende artikelen (en bijlagen) in de milieuverordening gehandhaafd blijven, maar ze zijn overbodig. Een aantal ondersteunende artikelen en bijlagen kan onmiddellijk vervallen, andere kunnen vervallen op het moment dat alle desbetreffende Algemene maatregelen van bestuur in werking zijn getreden (zie overgangs- en slotbepalingen). Als alle genoemde Algemene maatregelen van bestuur in werking zijn getreden, zijn alle artikelen van hoofdstuk 5 (Afvalstoffen) van de Provinciale omgevingsverordening vervallen. Artikelsgewijs Titel 5.1, Huishoudelijke afvalstoffen Artikel 5.1 [Vervallen.] Titel 5.2, Bedrijfsafvalstoffen Paragraaf 5.2.1,

Artikel 5

.2 Volgens artikel 1.2, zesde lid, van de Wet milieubeheer kunnen regels ter uitvoering van een aantal bepalingen van het hoofdstuk Afvalstoffen van die wet rechtstreeks betrekking hebben op categorieën van inrichtingen die bij die regels zijn aangewezen. In dit artikel is die aanwijzing opgenomen. In artikel 5.2 zijn alle categorieën van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer aangewezen, omdat in beginsel in alle inrichtingen de administratieve voorschriften van deze verordening dienen te worden nageleefd. Uitzonderingen worden gemaakt voor specifieke categorieën van afvalstoffen of van gevallen (bijvoorbeeld kleine hoeveelheden) niet naar categorieën van inrichtingen. De aanwijzing van inrichtingen betreft zowel vergunningplichtige als niet-vergunning-plichtige inrichtingen waarvoor een Algemene maatregel van bestuur geldt. Ook deze laatste inrichtingen zijn inrichtingen die in het Inrichtingen¿ en vergunningenbesluit zijn aangewezen. Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat de regels van de inrichtingen alleen op inrichtingen betrekking zouden hebben. Wij zijn van mening dat dat ook niet in deze verordening kan worden gelezen. De verplichtingen van de artikelen 5.3 en volgende richten zich immers tot personen die handelingen verrichten, vervoeren, inzamelen etc. Het is overigens niet geheel duidelijk in welke gevallen afvalregels rechtstreeks op inrichtingen betrekking hebben. De regels richten zich volgens het hoofdstuk Afvalstoffen van de wet immers tot personen ("degene die...") en in veel gevallen gaat het om handelingen (bijvoorbeeld de afgifte van afvalstoffen) die niet binnen inrichtingen behoeven plaats te vinden. Wel wordt ervan uitgegaan dat voor zover de afvalstoffenregels handelingen betreffen die binnen inrichtingen plaatsvinden ¿ daargelaten of deze handelingen "rechtstreeks" betrekking hebben op inrichtingen ¿ het bevoegd gezag voor de inrichting die regels zal handhaven. Paragraaf 5.2.2, Het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen Met deze regeling wordt ¿ samen met stimulering van afvalpreventie, hergebruik en nuttige toepassing ¿ invulling gegeven aan het gestelde in artikel 10.1 van de Wet milieubeheer (uitwerking van de "Ladder van Lansink"). Deze verordening bevat een minimumregeling voor het scheiden en gescheiden houden van afvalstoffen. De scheidingsverplichtingen die op grond van vergunningvoorschriften zijn opgelegd aan een bedrijf, blijven onverminderd van kracht. Artikel 5.3 Afvalstoffen, die ten behoeve van hergebruik, nuttige toepassing of de verdere verwijdering ervan gescheiden zijn gehouden, dienen ook na afgifte en na het verdere transport gescheiden gehouden te worden van andere stoffen of andere afvalstoffen. Het in de tekst van deze verordening gebezigde begrip "categorieën van afvalstoffen" duidt op specifieke soorten stoffen en afvalstoffen, zoals zijn opgenomen in de lijsten van bij deze verordening behorende bijlage II, onderdeel a. Artikel 5.4 Degene die afvalstoffen transporteert, dient afvalstoffen, die voor hergebruik worden aangeboden, zoals in het vorige artikel is aangegeven, gescheiden te houden van andere stoffen en afvalstoffen, die het hergebruik of de nuttige toepassing ervan zouden kunnen frustreren. Ook mogen geen afvalstoffen van verschillende categorieën, die op verschillende wijze verder worden verwijderd en die gescheiden zijn aangeboden, worden gemengd. Zo mogen bijvoorbeeld geen brandbare afvalstoffen vermengd worden met afvalstoffen, die gestort moeten worden. Artikel 5.4 richt zich tot de transporteur die rijdt in opdracht van hetzij degene die zich van de afvalstoffen ontdoet, hetzij degene die die afvalstoffen in ontvangst heeft genomen. Voor zover de ontvanger zelf afvalstoffen ophaalt, is hij reeds op grond van artikel 5.3 verplicht die afvalstoffen van andere stoffen en afvalstoffen die niet behoren tot dezelfde categorie, gescheiden te houden. Artikel 5.5 In specifieke omstandigheden kunnen gedeputeerde staten gevallen aanwijzen waarvoor de scheiding van aangewezen componenten niet verplicht is. Daarbij kan gedacht worden aan gevallen waarbij uit doelmatigheidsoverweging de componenten glas, oud papier/karton en textiel gemengd worden ingezameld en in een scheidingsinstallatie worden nagescheiden. Ook als om andere reden scheiding niet doelmatig is in verband met de verdere verwijdering van die afvalstoffen, kan vrijstelling van de scheidingsverplichtingen worden gegeven. Voor de totstandkoming van een besluit tot vrijstelling geldt geen openbare voorbereidingsprocedure. Omdat de vrijstelling een bepaalde categorie van afvalstoffen betreft en niet gericht is tot een bepaald bedrijf, is geen sprake van een beschikking; afdeling 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht is dus evenmin van toepassing. Dat is niet anders als een besluit tot vrijstelling op verzoek zal worden genomen. Echter, de in afdeling 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde rechtsregels zullen dan toch op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen. Artikel 5.6 In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten op grond van artikel 10.63, derde lid, van de Wet milieubeheer ontheffing verlenen van de in paragraaf 5.2.2 opgenomen verplichtingen. Paragraaf 5.2.3, Het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen Artikelen 5.7 en 5.8 [Vervallen.] Paragraaf 5.2.4, De melding inzake de afgifte van bedrijfsafvalstoffen Artikelen 5.9 tot en met 5.16 [Vervallen.] Titel 5.3, Gevaarlijke afvalstoffen Paragraaf 5.3.1,

Artikel 5

.17 [Vervallen.] Paragraaf 5.3.2, De melding inzake de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen Artikel 5.18 tot en met 5.24 [Vervallen.] Hoofdstuk 6, Bodemsanering Titel 6.1, Landbodemsanering

De inhoud van het saneringsplan Op grond van artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming kunnen bij provinciale verordening regels worden gesteld voor de inhoud van het saneringsplan. Deze regels zijn opgenomen in artikel 6.3. Aan het artikel behoeft vanzelfsprekend alleen te worden voldaan als op grond van de Wet bodembescherming een saneringsplan moet worden ingediend. Dat is het geval als een melding wordt gedaan dat bij een geval van ernstige verontreiniging de bodem zal worden gesaneerd dan wel handelingen zullen worden verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst (artikel 28 van de Wet bodemsanering). De in artikel 6.3 opgenomen eisen leiden niet zonder meer tot een standaard voor een saneringsplan. Met de bijzondere omstandigheden van een geval kan rekening worden gehouden. In de eerste plaats blijkt uit artikel 40 van de Wet bodembescherming dat als het gaat om een geringe verplaatsing van verontreinigde bodem met een saneringsplan voor dat gedeelte kan worden volstaan. Een gefaseerde aanpak heeft dus gevolgen voor de inhoud van het saneringsplan. Verder zullen meer in het

de eisen die aan het saneringsplan worden gesteld, afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval. Waar het om gaat is dat gedeputeerde staten kunnen beoordelen of de saneringsdoelstelling gelet op artikel 38 van de Wet bodembescherming juist is gesteld en of de gestelde doelstelling met de voorgestelde aanpak kan worden gerealiseerd. Om het risico van vertraging als gevolg van problemen bij de ontvankelijkheid in het verzoek om goedkeuring te voorkomen, is bij twijfel aan de eisen die aan het plan zullen worden gesteld, vooroverleg met de provincie over die eisen raadzaam. De betrokkenheid van belanghebbenden; procedures Op grond van artikel 52 van de Wet bodembescherming dienen provinciale staten een verordening vast te stellen waarin regels worden gegeven voor de wijze waarop burgemeester en wethouders van de gemeente, waarin een (mogelijk) geval van ernstige verontreiniging is gelegen, alsmede ingezetenen en andere belanghebbenden bij de uitvoering van onderzoek en sanering worden betrokken. In de verordening is onderscheid gemaakt naar inspraak bij de totstandkoming van beschikkingen in het kader van de bodemsanering en betrokkenheid bij de uitvoering van onderzoek en sanering. Inspraak richt zich op de besluiten van het bevoegd gezag. In het kader van de bodemsanering zijn er ¿ naast het onderdeel van het milieuprogramma waarin onderzoeksgevallen en gevallen van verontreiniging worden aangewezen ¿ twee besluiten die volgens een openbare voorbereidingsprocedure tot stand zouden moeten komen. Het eerste besluit is de beschikking op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming, waarbij wordt vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Deze beschikking wordt zowel bij onderzoek in opdracht van gedeputeerde staten op grond van artikel 48 van de Wet bodembescherming, als bij onderzoek door anderen (bijvoorbeeld onderzoek in eigen beheer door gemeenten of waterkwaliteits- of waterkwantiteitsbeheerder) gegeven. Het tweede besluit is de goedkeuring van het saneringsplan. Voor deze besluiten is in artikel 6.1, respectievelijk artikel 6.4, de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard. Procedurekeuze In inspraak bij de totstandkoming van de beschikking wordt voorzien door afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht in deze verordening van toepassing te verklaren. De in deze afdeling geregelde openbare voorbereidingsprocedure voorziet in: - terinzagelegging van het stuk naar aanleiding waarvan de beschikking wordt gegeven (het rapport van het nader onderzoek of de melding bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming); - een kennisgeving hiervan in dag- en/of nieuwsbladen; - de mogelijkheid voor belanghebbenden om ter zake schriftelijk of mondeling zienswijzen naar voren te brengen. Deze procedure wordt in bepaalde situaties als te zwaar en niet voldoende toegesneden op de praktijk ervaren. Daarom wordt nu bepaald dat in voorkomende gevallen kan worden afgeweken, mits dat wordt gepubliceerd. Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van de procedure geen behoefte bestaat. Een dergelijk besluit moet worden aangemerkt als een voorbereidingshandeling waartegen op grond van artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht in beginsel geen bezwaar of beroep open staat. Gedeputeerde staten hebben bij beleidsregel criteria geformuleerd, waarbij wordt aangegeven wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geen behoefte bestaat. Indien gekozen voor niet toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Ook indien geen toepassing wordt gegeven aan afdeling 3.4, gelden wel de bepalingen van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht voor het totstandkomen van beschikkingen. Voor de voorbereiding van beschikkingen zijn met name de artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht van belang. Zij vormen een minimumregeling. Artikel 4:7 ziet toe op het horen van de aanvrager van de beschikking. Artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht wordt ruim toegepast. Dit houdt in dat artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast indien redelijkerwijs verwacht kan worden dat de aanvrager bedenkingen heeft (en niet alleen maar wanneer het een afwijzing van het verzoek betreft zoals de onthouding van de goedkeuring aan het saneringsplan). Een en ander is met name van belang voor de aanvraag Beschikking ernst en urgentie. Het is immers mogelijk dat de aanvrager verwacht dat het een ernstig en niet¿urgent geval van verontreiniging is, terwijl gedeputeerde staten beschikken dat het een ernstig en urgent geval van verontreiniging is. Er is dan strikt formeel geredeneerd geen sprake van een (gedeeltelijk) afwijzende beschikking, maar met een ruime interpretatie van artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken. Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht ziet toe op het horen van belanghebbenden die de beschikking niet hebben aangevraagd. Hiervan is sprake bij derden-belanghebbenden en de gevallen waarin ambtshalve besluitvorming plaatsvindt. Verdere procedurele eisen Als bij de feitelijke uitvoering van het onderzoek en de sanering derden betrokken zijn, kan de instelling van een projectgroep gewenst zijn. In de verordening wordt ervan uitgegaan dat dat in het

het geval is bij saneringen van overheidswege. Voor saneringen in opdracht van de provincie is in de verordening bepaald dat een projectgroep wordt ingesteld tenzij mag worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. Voor onderzoek en saneringen op grond van artikel 53 van de Wet bodemsanering kan een gelijke bepaling in de gemeentelijk verordening op grond van artikel 54 van de Wet bodemsanering worden opgenomen. Bij onderzoek en saneringen in eigen beheer kan instelling van een projectgroep gewenst zijn, doch of daartoe wordt overgegaan is een verantwoordelijkheid van degene die de opdracht voor het onderzoek of de sanering geeft. In de verordening is wel bepaald dat gedeputeerde staten in daarvoor in aanmerking komende gevallen instelling van een projectgroep bevorderen. Ook is bepaald dat in het saneringsplan wordt aangegeven hoe belanghebbenden zullen worden betrokken. De regeling voor het instellen van projectgroepen is opgenomen in de artikelen 6.6 en 6.

  1. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij die artikelen. In artikel 52 van de Wet bodembescherming is voorgeschreven dat de verordening een regeling voor het beklag over de uitvoering van de verordening bevat. Deze regeling is opgenomen in artikel 6.
  2. Artikelsgewijs Titel 6.1, Landbodemsanering Artikel 6.1 Naar aanleiding van een bij hen bekend geworden nader onderzoek dienen gedeputeerde staten in een beschikking vast te stellen of er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Als dit het geval is, dienen zij daarbij de urgentie om dat geval te saneren aan te geven. In deze beschikking kunnen zij voorts aangeven welke tijdelijke beveiligingsmaatregelen aan de sanering vooraf dienen te gaan. Indien een melding als bedoeld in artikel 28 van de Wet bodembescherming betrekking heeft op een ernstig geval van verontreiniging, dient deze melding vergezeld te gaan van een saneringsplan. Dit saneringsplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten. In de inspraak met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking wordt voorzien door afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op deze procedure van toepassing te verklaren. Op grond van het derde lid kunnen gedeputeerde staten afzien van een openbare voorbereidingsprocedure voor de saneringsbeschikking. Het vierde lid schrijft voor dat indien gedeputeerde staten besluiten dat er geen behoefte is aan de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, zij deze beslissing vermelden in de openbare kennisgeving als bedoeld in artikel 28, vijfde lid, van de Wet bodembescherming. Het doel van deze bepaling is belanghebbenden die bij het bepalen van de kring van belanghebbenden mogel

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.