Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2022Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Losser, besluit vast te stellen: De navolgende Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2022 1.Algemene bepalingen 1.1Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (AwB): "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, zoals de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Beleidsregels gaan over de vaststelling van feiten, wet interpreterend beleid of over hoe bepalingen in de verordening door het college worden toegepast. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. De procedure is voor iedereen hetzelfde, maar het resultaat is in iedere situatie maatwerk. 1.2Begripsbepalingen In de beleidsregels wordt verstaan onder: Financieel besluit: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser; Nadere regels: Financiële Compensatieregeling Algemene voorziening Wasservice Losser; Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser; Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Resultatenoverzicht: een weergave van afspraken tussen de gemeente en de zorgaanbieder omtrent de te bereiken resultaten voor de cliënt. Het resultatenoverzicht is een onderdeel van het Twents Model. Alle begrippen die niet nader zijn omschreven, maar wel in deze Beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening maatschappelijke ondersteuning Losser, de Financiële Compensatieregeling Algemene voorziening Wasservice Losser, Het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Losser en de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). In de beleidsregels wordt omwille van de leesbaarheid in de mannelijke vorm naar personen verwezen. Overal waar hij staat, is ook zij bedoeld. 2.De procedure Artikel 2.3.2 Wmo 2015 Artikel 2.3.3 Wmo 2015 Artikel 2.3.4 Wmo 2105 Artikel 2.3.8 Wmo 2015 Hoofdstuk 2,3 en 8 van de verordening 2.1Inleiding De Wmo 2015 bepaalt dat de inwoner met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zijn hulpvraag eerst moet melden bij het college. Als iemand zich meldt met een ondersteuningsvraag noemt de Wmo deze inwoner een ‘cliënt’. Daarom spreken wij in de beleidsregels ook van ‘cliënt’. Dan bestaat er recht op een onderzoek. Het college kan op deze manier in samenspraak met de cliënt en zijn eventuele mantelzorger eerst zorgvuldig de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. De Wmo 2015 voorziet in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek (na de melding van de hulpvraag) moeten worden meegenomen. Nadat het onderzoek is afgerond kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening ingediend worden. Als het onderzoek naar aanleiding van de melding niet binnen zes weken is afgerond, kan cliënt na zes weken een aanvraag indienen (art. 2.3.2, negende lid, van de wet). De regels van de Awb zijn niet van toepassing op de procedure van de melding en het onderzoek. Het onderzoek behoort wel tot de voorbereiding van het besluit (art. 3:2 Awb). Verordening De verordening is voor wat betreft de toegang tot maatschappelijke ondersteuning procedureel ingericht zodat het voor de inwoners van de gemeente Losser duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij hun ondersteuningsvraag hebben gemeld. Criteria verordening In de verordening zijn diverse criteria vastgesteld. Die criteria verschillen naar gelang de aard van de ondersteuning waarop de cliënt is aangewezen. Het college baseert de beslissing op de aanvraag mede op basis van de verordening. Leeswijzer In dit hoofdstuk wordt de procedure van melding tot aan de beslissing van het college nader uitgelegd. 2.2.De melding Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. De wijze waarop de melding kan worden gedaan is vormvrij. Het college registreert de datum van ontvangst van de melding. 2.3Spoedeisende situatie Aangezien het onderzoek zes weken in beslag kan nemen, moet het college tijdens het onderzoek na een melding in spoedeisende situaties onverwijld een passende tijdelijke maatregel nemen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van betrokkene (art. 2.3.3 Wmo 2015). De noodzaak om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. In een spoedeisende situatie is een persoonsgebonden budget (pgb) niet mogelijk. Immers, het onderzoek naar de vraag of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening moet nog worden uitgevoerd. 2.4Onafhankelijke cliëntondersteuner Het college informeert de cliënt bij het doen van de melding of bij het plannen van een gesprek over de mogelijkheid om een onafhankelijke cliëntondersteuner in te schakelen. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1 Wmo 2015). 2.5Persoonlijk Plan Na de melding kan de cliënt binnen zeven dagen een persoonlijk plan indienen bij het college. In dit plan legt de cliënt zijn persoonlijke situatie uit, wat hij wil bereiken met zijn hulpvraag en hoe hij denkt dat de maatschappelijke ondersteuning in zijn situatie vorm gegeven kan worden. Het indienen van een persoonlijk plan is niet verplicht. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek en bij de beoordeling op een aanvraag. 2.6Onderzoek De Wmo 2015 schrijft voor dat het college een onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als de cliënt dat bij het college heeft gemeld. De onderwerpen die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen zijn neergelegd in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015. Daarin staat dat het college het volgende onderzoekt: wat de ondersteuningsvraag is; de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving, in geval van beschermd wonen en opvang; welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving en de resultaten te bereiken; in hoeverre: de eigen kracht; gebruikelijke hulp; mantelzorg; ondersteuning van andere personen uit het sociale netwerk; gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening; gebruikmaking van algemene voorzieningen; gebruikmaking van andere voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; welke eigen bijdrage voor de cliënt van toepassing is. Keuze zorg in natura (zin) of pgb Tijdens het onderzoek wordt de cliënt ook geïnformeerd over de mogelijkheid om te kiezen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Cliënt moet in het pgb-plan motiveren waarom deze een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst (zie hoofdstuk 14) Identificatieplicht In artikel 2.3.4 lid 1 Wmo 2015 is de identificatieplicht voor alle leeftijden vastgelegd. Het college moet bij het onderzoek naar de melding de identiteit van de cliënt vaststellen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. Onder een geldig identiteitsbewijs wordt verstaan een reisdocument als bedoeld in de Paspoortwet: een nationaal paspoort, een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort, een reisdocument voor vluchtelingen, een reisdocument voor vreemdelingen; andere reisdocumenten door de Minister van Veiligheid en Justitie vast te stellen; een Nederlandse identiteitskaart; een geldig rijbewijs. De cliënt is verplicht hier aan mee te werken (artikel 2.3.4 lid 2 Wmo 2015). Als een cliënt zich niet kan legitimeren als het college hierom vraagt, dan kan dit ertoe leiden dat het college de cliënt geen maatwerkvoorziening kan verstrekken. Medisch advies Wanneer het onderzoek specifieke deskundigheid vereist, kan het college gebruik maken van de deskundigheid van een onafhankelijk (medisch) deskundige. Het advies van de deskundige wordt dan meegewogen bij de beoordeling op een aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning. Beschermd wonen Indien blijkt dat de cliënt beschermd wonen of opvang nodig heeft, wordt deze situatie gemeld bij de centrumgemeente Enschede (zie hoofdstuk 12). De noodzaak voor beschermd wonen of opvang wordt beoordeeld door de centrumgemeente Enschede samen met de melder gebaseerd op de bepalingen van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning van de gemeente Enschede. 2.7Inlichtingen- en medewerkingsplicht Om een onderzoek volledig uit te kunnen voeren is het van belang dat de cliënt daaraan zijn medewerking verleend. In artikel 2.3.2 lid 7 van de Wmo 2015 is bepaald dat de cliënt danwel zijn wettelijke vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van artikel 4.2 van de Awb. Artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 bepaalt de inlichtingen- en medewerkingsplicht voor cliënten aan wie ondersteuning is verstrekt. 2.8Ondersteuningsplan Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in een ondersteuningsplan en deelt binnen zes weken na de melding de uitkomsten van het onderzoek met de cliënt. In het ondersteuningsplan zijn in ieder geval omschreven: de stappen zoals genoemd in hoofdstuk 2.6 van deze beleidsregels; hetgeen besproken is tijden het (keuken)tafelgesprek; de resultaten die bereikt moeten worden met de ondersteuning; bij toekenning van een maatwerkvoorziening in welke vorm, in natura of een pgb, deze verstrekt wordt. 2.9Aanvraag Een cliënt kan een aanvraag doen als het onderzoek is afgerond. Als het onderzoek niet is afgerond binnen zes weken na de melding van de hulpvraag (art.2.3.2, negende lid, van de wet) mag de cliënt zes weken na de melding een aanvraag indienen. De wijze waarop de aanvraag kan worden gedaan is vormvrij. Het college registreert de datum van ontvangst van de aanvraag. De procedure van melding tot beslissing op de aanvraag duurt in totaal acht weken. Het college kan deze termijn verlengen in samenspraak met de cliënt of als het college de termijn opschort op grond van artikel 4:14 van de Awb. 2.10Weigeren aanvraag Indicatie Wlz De wet kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen, behoudens de uitzonderingsbepalingen (art. 2.3.5, lid 6 Wmo 2015). Er geldt één uitzondering op het mogen weigeren van een aanvraag: voor de cliënt die thuis woont mag een aanvraag om een hulpmiddel of woningaanpassing niet worden geweigerd (art. 8.6a Wmo 2015). Voor huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, groepsondersteuning of kortdurend verblijf geldt geen uitzondering. Dat wil zeggen dat het college bij de melding van de ondersteuningsvraag altijd onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie of zo’n indicatie heeft, tenzij er geen enkele aanleiding is om dat aan te nemen. Bij dit vermoeden neemt het college contact op met het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg) en legt hen de situatie van de cliënt anoniem voor. Het CIZ maakt dan een inschatting of deze situatie mogelijk reden is voor een Wlz-indicatie. Wanneer het CIZ denkt dat er inderdaad reden is voor een Wlz-indicatie heeft het college voldoende reden om aan te nemen dat de cliënt aanspraak kan maken op deze Wlz-indicatie. Het college kan wel een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo verstrekken als overbrugging tot de Wlz-indicatie ingaat. Het aanvragen van een Wlz-indicatie kan namelijk enige tijd duren. Daarom kan het college voor een tijdelijke oplossing zorgen door een korte indicatie af te geven. Inwoners met een psychische stoornis kunnen ook toegang krijgen tot de Wlz. Het gaat om mensen die permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben. Zij moeten daarbij voldoen aan de bestaande Wlz-toegangscriteria. Terugwerkende kracht Heeft het college een indicatie voor een maatwerkvoorziening vastgesteld, al dan niet in de vorm van een pgb, dan kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt deze met terugwerkende kracht te verstrekken. De Verordening bepaalt dat het college zo’n verzoek in principe weigert als de maatwerkvoorziening al voor de melding van de hulpvraag is gerealiseerd. Dit geldt ook als de maatwerkvoorziening is gerealiseerd ná de melding van de hulpvraag, maar voordat het college heeft beslist op de aanvraag, tenzij zij de cliënt schriftelijk toestemming heeft verleend. 2.11Beschikking In principe neemt het college uiterlijk 2 weken na de aanvraag een beslissing op de aanvraag. Als bewijs van het al dan niet toekennen van een maatwerkvoorziening door het college zal het college een beschikking afgeven. Het ondersteuningsplan is onderdeel van de beschikking. In hoofdstuk 8 van de Verordening staat vermeld wat in de beschikking wordt vastgelegd. 2.12Bezwaar en beroep De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb (zie art. 6.4) en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Als een cliënt het niet eens is met een beslissing van het college op een aanvraag kan de cliënt binnen zes weken schriftelijk bezwaar indienen bij het college. Het is alleen mogelijk bezwaar te maken tegen de beslissing van de het college op een aanvraag. Het is niet mogelijk in bezwaar te gaan tegen de uitkomsten van een onderzoek na de melding. Hiervoor moet eerst een aanvraag worden ingediend en de beschikking worden afgewacht. De onafhankelijke bezwarencommissie van de gemeente geeft een advies aan het college over hoe om te gaan met het bezwaar en de aanvraag van de cliënt. Voordat de commissie een advies geeft, wordt meestal een hoorzitting georganiseerd. De cliënt wordt uitgenodigd voor deze hoorzitting om zijn bezwaar toe te lichten. De cliënt ontvangt na enkele weken een beslissing op bezwaar. Is de cliënt het niet eens met deze beslissing op bezwaar dan kan de cliënt binnen zes weken in beroep gaan bij de rechtbank. 2.13Evaluatiemomenten Bij alle indicaties vindt een tussenevaluatie plaats; bij het afgeven van een indicatie wordt een evaluatiemoment gepland. Het afnemen van een tussenevaluatie is vormvrij, dat betekent dat dit onder andere per telefoon, mail of fysieke afspraak kan. Frequentie van de evaluatie en tijdig informeren voor het einde van de indicatie Bij een indicatie korter dan één jaar vindt de vormvrije tussenevaluatie in principe op de helft van de indicatietermijn plaats. Consulent kan van deze richtlijn afwijken. Acht weken voor het einde van de indicatie wordt de cliënt hierover geïnformeerd en wordt een evaluatiegesprek ingepland. Bij een indicatie langer dan één jaar vindt de vormvrije tussenevaluatie in principe op de helft van de indicatietermijn plaats. Wanneer de integraal consulent, zorgaanbieder of cliënt dit nodig vindt, vindt er nogmaals voor het einde van de indicatie een evaluatiemoment plaats. Minimaal acht weken voor afloop van de indicatie wordt de cliënt hierover geïnformeerd en wordt er een eindevaluatie ingepland met zorgaanbieder en cliënt. Bij een indicatie voor onbepaalde tijd wordt de voortgang in ieder geval om de drie jaar getoetst door middel van een vormvrije tussenevaluatie. Wanneer integraal consulent, zorgaanbieder of cliënt dit nodig vindt, vindt er vaker een evaluatie plaats. 2.14Klachten Voor (gecontracteerde) zorgaanbieders en leveranciers geldt dat zij moeten beschikken over een klachtenregeling en een onafhankelijke klachtencommissie. Wanneer een cliënt een klacht heeft over het handelen van een ambtenaar of een bestuurder van de gemeentelijke organisatie geldt de gemeentelijke klachtenregeling. Deze regeling is bedoeld voor klachten over gedragingen. https://www.losser.nl/Inwoners/Meldingen_klachten_en_bezwaren/Klachten_over_de_gemeente/Klacht_over_bestuurlijk_of_ambtelijk_optreden 3.Beoordelen van de aanspraak Artikel 1.1.1 Wmo 2015 Artikel 2.3.5 van de wet Hoofdstuk 3 van de verordening 3.1Inleiding Op het moment dat de cliënt een aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning indient, zal het college beoordelen of de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Met andere woorden, de gemeente bekijkt of de cliënt gecompenseerd moet worden voor zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo 2015. 3.2Criteria maatwerkvoorzieningen Het is aan het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken ter bevordering van de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, voor zover er geen andere oplossingen voor de hulpvraag mogelijk zijn. Uitgangspunt voor een Wmo-verstrekking is niet louter de diagnose of de beperking van de cliënt. De Wmo 2015 betrekt uitdrukkelijk ook de eigen mogelijkheden van de cliënt of zijn sociale netwerk bij de oplossing van zijn probleem. Een maatwerkvoorziening is het op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van: zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen; beschermd wonen en opvang. 3.3Wettelijk kader voor een maatwerkvoorziening In de Wmo staat dat een inwoner van de gemeente in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening als hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen zijn beperkingen op het gebied van zijn zelfredzaamheid of participatie naar de mening van het college niet kan verminderen of wegnemen: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met ondersteuning van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van een algemene gebruikelijke voorziening; met gebruikmaking van een algemene voorziening; met gebruikmaking van een andere voorziening. Beschermd wonen Als een inwoner van Nederland gebruik wil maken van de voorziening beschermd wonen, moet hij aan de voorwaarden voor beschermd wonen voldoen. In de Wmo staat dat een persoon in aanmerking komt voor beschermd wonen als hij in verband met psychische of psychosociale problemen niet in staat is zich te handhaven in de samenleving: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met ondersteuning van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van een algemene gebruikelijke voorziening; met gebruikmaking van een algemene voorziening; met gebruikmaking van een andere voorziening. Opvang Als een inwoner van Nederland gebruik wil maken van de voorziening maatschappelijke opvang, moet hij aan de voorwaarden voor maatschappelijke opvang voldoen. In de Wmo 2015 staat dat een persoon in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang als hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld niet in staat is zich te handhaven in de samenleving: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met ondersteuning van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van een algemene gebruikelijke voorziening; met gebruikmaking van een algemene voorziening; met gebruikmaking van een andere voorziening. Voor meer informatie over beschermd wonen en opvang zie hoofdstuk 12. 3.3.1 Eigen kracht Het college vindt dat de eigen kracht een belangrijk onderdeel vormt van de beoordeling of iemand is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt verstaan wat naar het oordeel van het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en/of participatie te komen. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd. Het college zal altijd kijken naar de individuele situatie van een cliënt. 3.3.2 Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is in de wet gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 van de Wmo 2015). Gebruikelijke hulp strekt zich daarom alleen uit tot personen die met de cliënt woonachtig zijn in een woning. De zogeheten leefeenheid bestaat uit de bewoners die gemeenschappelijk een woning bewonen met het oog op het voeren van een huishouden. Onder een huisgenoot wordt iedere andere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt kan worden gerekend. Dat wil zeggen dat volwassen huisgenoten alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie geen deel uitmaken van de leefeenheid. Het gaat dan om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. In dat geval stemt het college de omvang van de ondersteuning daarop af. Onder gebruikelijke hulp wordt in ieder geval verstaan: het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken; het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de thuisadministratie; het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden die naar oordeel van het college volgens algemene aanvaardbare opvattingen tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren. Hiermee is geen limitatieve opsomming beoogd. Andere ondersteuning kan naar oordeel van het college ook volgens algemene aanvaardbare opvattingen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Dat is ook afhankelijk van de individuele situatie. Er wordt ook geen rekening gehouden met traditionele rolpatronen op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijk opvattingen over het verrichten van gebruikelijke hulp. Bijvoorbeeld wanneer de man niets in het huishouden doet en alles voor rekening van de partner komt of redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijk werk willen en/of kunnen verrichten' . Dit zijn geen redenen om af te zien van gebruikelijke hulp. Het college vraagt, indien, noodzakelijk, medisch advies bij een onafhankelijk (medisch) deskundige om te bepalen wat de belastbaarheid van de huisgenoot is, of hij kan bijdragen en zo ja, hoeveel. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp baseert het college zich op de volgende feiten en omstandigheden: De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt; De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft; De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen; De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Ad 1. De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt Het college inventariseert als eerste de hier genoemde omstandigheden. De aard De aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op hulp bij: huishoudelijke taken; zelfzorg; de thuisadministratie; het plannen of ondernemen van dagelijkse activiteiten in het kader van participatie; of problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de cliënt daarbij ondervindt. De mate waarin de cliënt ondersteuning nodig heeft zal eerst geïnventariseerd moeten worden (CRVB:2018:373). Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de cliënt wel zelf kan al dan niet met hulp van anderen of met gebruikmaking van bijvoorbeeld algemene voorzieningen. Het college houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar kunnen worden geboden. De omvang Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot in verband met bijvoorbeeld werk. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op ondersteuning bij het vervoer of de administratie of aansporing nodig hebben bij zelfzorg. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, et cetera. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt. De duur Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurende ondersteuningsbehoefte bestaan bij de cliënt. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de cliënt. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij kortdurende situaties wordt van huisgenoten verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Het kan bij een langdurige ondersteuningsbehoefte nog steeds gaan om hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen tot de (persoonlijke) levenssfeer behoren en om die reden geacht worden onderling aan elkaar te worden geboden. Ad 2. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp bieden. Immers, huisgenoten binnen de leefeenheid voeren een huishouden met elkaar. Dat maakt hen ook verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, van kinderen ten opzichte van hun ouders en van huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Algemene aanvaardbare opvattingen in de persoonlijke levenssfeer Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn hulp: bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. Denk ook aan het vervoer; bij of het overnemen van taken die tot een huishouden behoren zoals de administratie; aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc.; van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Zie bijlage 1 Richtlijn gebruikelijke zorg van ouder(
- s)voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels. Echtgenoten/partners Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar in ieder geval meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene aanvaardbare opvattingen; de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg. Gebruikelijke hulp van kinderen aan ouders Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van inwonende kinderen aan hun ouders. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat voor begeleiding anders liggen. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(
- s)begeleiding bieden. Huisgenoten ten opzichte van elkaar Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Gebruikelijke hulp van ouders aan kinderen Het college verstaat onder gebruikelijke hulp aan kinderen dat ouders een zorgplicht hebben voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun mentale en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de hulp bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie bijlage 1 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(
- s)voor minderjarige kinderen. Huishoudelijke taken Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in de lijn met de vaste jurisprudentie (CRVB:2018:2721, RBGEL:2018:2007, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198). Het college zal- als het onderzoek daartoe aanleiding geeft- vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. (financiële) administratie Voor begeleiding bij of het overnemen van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat partners de thuisadministratie van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke. Het kan ook zijn dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot ondersteuning bij de thuisadministratie. Ook van ouder(
- s)wordt verwacht dat zij de thuisadministratie van een inwonend meerderjarig kind overnemen. Bij inwonende kinderen tot 23 jaar kan een uitzondering gelden voor het overnemen van de thuisadministratie van hun (alleenstaande) ouder. Het bieden van gebruikelijke hulp bij de thuisadministratie moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt. Begeleiding gericht op zelfzorg Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van echtgenoten/partners mag bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte in ieder geval worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt. Bij een langdurige ondersteuningsbehoefte van de cliënt wordt gebruikelijke hulp van de echtgenoot/partner verwacht voor zover het activiteiten betreft die hen gezamenlijk aangaan, zoals het eten en drinken. Bij andere adl-activiteiten overlegt het college met de cliënt en zijn partner/echtgenoot wat redelijk is. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(
- s)aansporen tot zelfzorg. Begeleiding bij het doen van aankopen Van de echtgenoot/partner ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken, boodschappen doen of andere normale aankopen. Daarmee is overigens nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(
- s)incidenteel begeleiding bieden bij bijvoorbeeld het boodschappen doen. Begeleiding bij structureren van de dag/week Van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken en bespreken van een dag- of weekplanning. Daarin staat de volgorde waarin activiteiten plaatsvinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan: bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist; regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, e.d.; bezoek aan familie; deelname aan geïndiceerde groepsondersteuning (brengen en/of opgehaald worden); Dergelijke activiteiten kunnen onder meer betrekking hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. Begeleiding bij participatie Onder participatie wordt onder meer verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname aan maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. Zoals gezegd geldt in het algemeen dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind wel mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of begeleiding bij het vervoer aan de cliënt wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen. Individuele vervoersbehoefte, geen gebruikelijke hulp De cliënt kan ook een individuele lokale vervoersbehoefte hebben en om die reden dus niet voor alle ondersteuning afhankelijk gemaakt worden van zijn huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening noodzakelijk zijn. Ad 3. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van (huishoudelijke) werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. Kinderen binnen de leefeenheid In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat het college er van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Een volwassenen huisgenoot van 23 jaar en ouder dient het huishouden geheel over te nemen. Een 18- tot 23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een eenpersoonshuishouden zijn: schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en een kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen. Verder gelden de volgende uitgangspunten: kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding; bij kinderen tussen 5-12 jaar worden hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien; kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, zoals rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Ad 4. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier de gebruikelijke hulp geboden moet worden. Maar hij kan dat wel aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe vanuit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting; de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken; de huisgenoot heeft geobjectiveerde beperkingen en/of mist de kennis dan wel vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren; de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(
- n)van ten minste zeven etmalen niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. In dergelijke situaties kan het college al dan niet tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten zodat de cliënt en zijn huisgenoot in de gelegenheid worden gesteld een oplossing te vinden. Boven-gebruikelijke hulp Verder kan het zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijke hulp substantieel wordt overschreden. Denk aan de situatie van een langdurige ondersteuningsbehoefte in combinatie met het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van noodzakelijke begeleiding. De verhouding tussen de draaglast en de draagkracht De vraag is of er in individuele situaties nog een uitzondering kan zijn, op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degene van wie wordt verwacht gebruikelijke hulp te bieden, overbelast is (geraakt) en daarom niet meer in staat is dat te doen. Soms is het direct duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om niet planbare hulp te bieden, is van invloed op de belastbaarheid van de degene die geacht wordt (ook nog) gebruikelijke hulp te verlenen. Het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid gevraagd wordt. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met zorg die wordt geboden in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan zijn dat niet planbare zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. (dreigende) overbelasting Bij (dreigende) overbelasting van een huisgenoot moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. Met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Een onafhankelijk medisch advies kan noodzakelijk zijn om de (dreigende) overbelasting te beoordelen. Weigert de betreffende huisgenoot zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek, dan kan het recht op een maatwerkvoorziening mogelijk niet worden vastgesteld (CRVB:2019:2616). Voorkomen of oplossen overbelasting Wanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, zullen deze aangewend moeten worden. Er kan sprake zijn van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf onbetaald leveren van te indiceren zorg (verpleging en/of verzorging). In die gevallen kan het college met de cliënt en zijn huisgenoot overleggen of voor deze zorg aanspraak wordt gemaakt op de Zvw zodat de (dreigende) overbelasting kan worden opgeheven. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten (buiten de gebruikelijke hulp) al dan niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Wanneer een huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, geen eigen mogelijkheden heeft om de (dreigende) overbelasting op te heffen, kan een tijdelijke maatwerkvoorziening voor een periode van drie maanden worden verstrekt. Van cliënt en huisgenoot wordt verwacht dat zij op zoek gaan naar eigen oplossingen om de overbelasting te verminderen, eventueel met ondersteuning van een mantelzorgconsulent. Alleen wanneer blijkt dat -na een tijdelijke indicatie- ondanks aantoonbare pogingen van betrokkenen om tot andere oplossingen te komen het niet mogelijk is om de overbelasting te reduceren, kan voor een langere periode ondersteuning worden ingezet. 3.3.3 Mantelzorg en hulp van personen uit het sociale netwerk Sociaal netwerk Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Tot personen uit de huiselijke kring worden gerekend familieleden, huisgenoten, (voormalig) echtgenoot (of partner) of mantelzorgers. Andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt, zijn mensen met wie de inwoner regelmatig contact heeft zoals bijvoorbeeld buren en medeleden van een vereniging. Het bieden van ondersteuning door personen uit het sociaal netwerk is niet afdwingbaar, maar kan in bepaalde gevallen een verplichtend karakter hebben (voorbeeld aanvraag huishoudelijke ondersteuning, waarbij huisgenoten dit uit kunnen voeren). Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie worden verminderd of weggenenomen. Mantelzorg Mantelzorg is niet afdwingbaar. Het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. In het onderzoek bekijkt het college of de cliënt mantelzorg ontvangt. In het gesprek kan het college de cliënt vragen om in zijn netwerk te vragen of iemand mantelzorg wil bieden. Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17, CRvB 2017:3209). Het is van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke ondersteuningsbehoefte de mantelzorger heeft om de mantelzorgtaken te kunnen volhouden. Zie hoofdstuk 11. 3.3.4 Algemene gebruikelijke voorziening Artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie - naar oordeel van het college – met een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De achtergrond is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Dat komt omdat iedereen ongeacht het hebben van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie daarover beschikt of zou kunnen beschikken. Beoordelingskader De Centrale Raad van Beroep heeft in 2019 een belangrijke uitspraak gedaan over hoe het college moet beoordelen of een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt en er om die reden geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt (CRVB:2019:3535). Dat moet gebeuren aan de hand van vier punten. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie, en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Ad. 1 Niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking Het gaat bij het eerste criterium om de vraag of op basis van maatschappelijke opvattingen (normen) kan worden gezegd dat een ‘voorziening’ niet specifiek bedoeld is voor mensen met beperkingen. Dat wil zeggen: iedereen zou daarover kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen. Eenvoudige hulpmiddelen die in de reguliere handel of online verkrijgbaar zijn worden niet verstrekt door het college. Er wordt alleen beoordeeld of de voorziening algemeen gebruikelijk is en niet of dat in het geval van de cliënt zo is. Ad. 2 Daadwerkelijk beschikbaar Het tweede criterium moet concreet worden beoordeeld. Dat wil zeggen dat het college feitelijk moet vaststellen dat bijvoorbeeld de boodschappendienst of maaltijdservice beschikbaar is. Ad. 3 Een passende bijdrage De beoordeling van het derde criterium is feitelijk onderdeel van het onderzoek na de melding van de hulpvraag; het gaat om een concrete beoordeling. Het college moet tijdens dat onderzoek zorgvuldig in kaart brengen welke beperkingen (problemen) de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid of participatie en vervolgens welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is. Het ligt daarom voor de hand dat het college tijdens het onderzoek ingaat op gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen. De beoogde algemeen gebruikelijke voorziening moet, net als een maatwerkvoorziening, een passende bijdrage leveren, zodat een situatie ontstaat waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie. Ad. 4 Financieel te dragen met een inkomen op minimumniveau Het college beoordeelt niet of de kosten specifiek door de aanvráger financieel gedragen kunnen worden, maar voor iedereen ongeacht de specifieke hoogte van het inkomen. Dit betekent dat de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening uiteindelijk bepalend is voor de beoordeling van het vierde en laatste criterium (CRvB 2019:3690). Waar de grens ligt voor de hoogte van de kosten moet zich in de jurisprudentie nog uitkristalliseren. Hoogte van de kosten duurzaam gebruiksgoed Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt. Het bedrag dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op: de aflossingsduur van 36 maanden die geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen); een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (op grond van de Participatiewet). Het percentage sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt. Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084). Berekening de van toepassing zijnde bijstandsnorm x 5 % x 36 maanden Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag dat van toepassing is op datum aanvraag. Het is niet mogelijk om een limitatief overzicht te geven van algemeen gebruikelijke voorzieningen. De financiële draagbaarheid voor een inkomen op minimumniveau moet getoetst worden. Hiervoor onderzoekt het college ook de kosten en beschikbaarheid van een tweedehandsvoorziening. Hieronder volgen enkele voorbeelden van voorzieningen die als algemeen gebruikelijk beschouwd worden (dit is geen uitputtende opsomming): Woonvoorzieningen: aanrechtblad; hendel mengkranen en thermostatische kranen; keukenapparatuur; keramische- of inductiekookplaat; vervanging van stoffen meubilair door glad meubilair; airco; antislipvloer/coating; inrichtingskosten; ophogen tuin/bestrating bij verzakking; drempelhulpen tot 10 cm; douche/toiletstoel op poten; tweede toilet/sanibroyeur; verhoogd toilet of toiletverhoger; wandbeugels; zonwering (inclusief elektrische bediening); babyfoon/intercom; stalling (driewiel)fiets/scootmobiel. Vervoersvoorzieningen: fiets; aanhangfiets; bakfiets; (elektrische) fiets (al dan niet met lage instap); (elektrische) tandem (al dan niet met lage instap); fiets met lage instap; fiets met trapondersteuning (in de vorm van een hulpmotor); snorfiets, bromfiets of spartamet; fietskar; ligfiets; aanhangfiets; een eigen auto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn; autoaccessoires zoals: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak, cruise control; openbaar vervoer. Diversen: alarmering; boodschappendienst; glazenwasser; kinderopvang; kreuk-/strijkvrije kleding; maaltijdvoorziening; schoonmaakmiddelen; stofzuiger; wasmachine; wasdroger; wandelstok; rollator. 3.3.5 Algemene voorziening Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning (artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Een algemene voorziening kan een voorliggend en volwaardig alternatief zijn voor een maatwerkvoorziening. Of dit in een individueel geval ook zo is, onderzoekt de gemeente indien door of namens een betrokkene een melding is gedaan dat deze maatschappelijke ondersteuning nodig heeft. Een cliënt die naar het oordeel van het college voor een specifieke vorm van ondersteuning gebruik kan maken van een algemene voorziening, komt dus niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor die ondersteuning (artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Voor gebruikmaking van algemene voorzieningen hoeft cliënt geen aanvraag in te dienen, dit kan zonder indicatie. Voorbeelden van algemene voorzieningen in Losser zijn: Was- en strijkservice Maatschappelijk werk Thuisbegeleiding Koffie inloop (Kiekerskaamp) De Actieve Ontmoeting Mantelzorgondersteuning Formulieren informatie team ANWB Automaatje Luisterlijn Dit is geen limitatieve opsomming. 3.3.6 Andere wettelijke regeling of voorziening De eigen verantwoordelijkheid van de cliënt speelt in de Wmo 2015 een hele belangrijke rol. Om te beoordelen of een cliënt in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning, zal het college bekijken of de cliënt een beroep kan doen op een andere (wettelijke) regeling of bij een andere organisatie terecht kan om zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo te verminderen of weg te nemen. In het geval een cliënt mogelijk aanspraak kan doen op een voorziening op grond van een andere wet dan de Wmo 2015 kan het college de cliënt verwijzen naar die ‘andere’ wet. Onder omstandigheden van het individuele geval kan daar ook een privaatrechtelijke regeling onder worden verstaan (denk bijvoorbeeld aan een geval van letselschade). Het college is niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken als een andere (wettelijke) regeling kan voorzien in de behoefte. In dat kader speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een belangrijke rol. Regresrecht Vanaf 1 januari 2015 is het voor gemeenten mogelijk om de kosten van een door hen verstrekte maatwerkvoorziening of pgb te verhalen op degene die, door zijn onrechtmatig handelen, er de oorzaak van is dat de cliënt een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening of pgb (artikel 2.4.3 Wmo 2015). Dit heet regresrecht. Aansprakelijkheidsverzekeraars en het VNG hadden hierover tot 2019 een overeenkomst afgesloten waarbij de schade was afgekocht. Vanaf 1 januari 2019 bestaat er geen schade-regresovereenkomst meer. Daarom moet het college voor nieuwe regresslachtoffers, die vanaf 2019 te maken hebben met een ongeval waarvoor een derde aansprakelijk is, zelf verhaal halen bij de aansprakelijkheidsverzekeraars wanneer slachtoffers kosten hebben voor Wmo- voorzieningen. Zorgverzekeringswet (Zvw) De afbakening met de Zvw is niet geregeld bij wet. Wanneer de cliënt via de Zvw zorg die voldoet aan de ondersteuningsbehoefte kan ontvangen ziet het college dit als een passende oplossing vanuit de eigen kracht. Voorbeelden van mogelijk passende oplossingen vanuit de Zvw zijn: behandeling, persoonlijke verzorging (wanneer er sprake is van een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop). 3.4Algemene uitgangspunten 3.4.1 Goedkoopst adequate maatwerkvoorziening Het college verstrekt altijd de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven de goedkoopste is. Indien de cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens adequaat
- is)komen de meerkosten voor rekening van de cliënt. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een pgb gebaseerd op de kosten van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening. 3.4.2 Langdurig noodzakelijk Het college verstrekt in principe geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie als deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of ondersteuning. Langdurig noodzakelijk betekent dat de voorziening een periode van zes maanden of langer nodig is. Deze termijn is afgestemd op de termijn waarop een inwoner voor een korte tijd een hulpmiddel of voorziening kan lenen op basis van de Zvw. Uitzonderingen Bij een cliënt die terminaal ziek is en een levensverwachting heeft van minder dan zes maanden kan langdurig noodzakelijk bijvoorbeeld ook een periode korter dan zes maanden zijn. Bij een wisselend ziektebeeld, waarbij verbetering in de toestand opgevolgd wordt door periodes van terugval, kan uitgegaan worden van een langdurende medische noodzaak. De gemeente beoordeelt voor het verstrekken van kortdurende huishoudelijke ondersteuning of deze onder de aanvullende verzekering van de Zorgverzekeringswet valt (bijvoorbeeld na een ziekenhuisopname). Van cliënt wordt verwacht dat hij navraag doet bij de zorgverzekeraar. 3.4.3 Passende bijdrage Bij de beslissing op de aanvraag gaat het om maatwerk. Uit de Wmo 2015 volgt dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dat wil zeggen dat het bij het bieden van maatwerk door het college om een resultaatsverplichting gaat. Het resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Daarom is het bij het onderzoek na de melding van de hulpvraag van groot belang dat het onderzoek zich richt op het bereiken van een resultaat. Dit in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociaal netwerk. Het resultaat van de ondersteuning zal waar mogelijk en nodig zo veel mogelijk moeten aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt zelf en zijn sociale netwerk, waarbij wij onze visie zo licht en dichtbij als mogelijk en zo zwaar als nodig hanteren. 3.4.4 Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voordat hij ondersteuning nodig had. Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat er om dat de cliënt in aanvaardbare mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving (vergelijk CRVB: 2012:BV5448). 4.Regels voor eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. Artikel 2.1.4 a en b Wmo 2015 Hoofdstuk 10 van de verordening 4.1Inleiding De Wmo maakt een onderscheid tussen (eigen) bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen mag het college bepalen en dit mag kostendekkend zijn. De eigen bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen mag nooit hoger zijn dan de kostprijs van de voorziening. 4.2Eigen bijdrage maatwerkvoorziening Iedere cliënt dient voor een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo een vaste eigen bijdrage per maand te betalen (het abonnementstarief); ongeacht het inkomen, vermogen en de hoeveelheid hulp en/of ondersteuning. De eigen bijdrage wordt geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Zie artikel 2.1 Financieel Besluit. In de volgende situaties hoeft een cliënt geen eigen bijdrage te betalen (art. 2.1.4 a en art. 2.1.4 b Wmo): cliënt is getrouwd/heeft een geregistreerd partnerschap/ leeft samen en vormt een gezamenlijk huishouden met iemand en één van beide heeft de pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt. cliënt betaalt al een eigen bijdrage voor beschermd wonen of voor ondersteuning vanuit de Wlz. Voor de volgende maatwerkvoorzieningen betaalt cliënt geen abonnementstarief: rolstoelvoorzieningen; maatwerkvoorzieningen verstrekt aan kinderen tot 18 jaar; regiotaxi; financiële tegemoetkomingen. De gemeente Losser hanteert bij voorzieningen de datum van beschikking en bij ondersteuning de startdatum van de ondersteuning als ingangsdatum voor het abonnementstarief. Het CAK start met innen in de maand volgend op de maand van de startdatum. Alleen bij een startdatum gelegen op de eerste van de maand, wordt wel al de volledige maand geïnd. Duur eigen bijdrage De cliënt betaalt het abonnementstarief zolang hij gebruik maakt van de maatwerkvoorziening of voor de periode waarvoor een pgb is verstrekt. Uitzonderingen hierop zijn hulpmiddelen en woningaanpassingen, daarvoor geldt de kostprijs als maximum eigen bijdrage. Voor onderhoud, keuring en reparatie van woonvoorzieningen betaalt de cliënt geen eigen bijdrage. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang Voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang gelden andere regels. De hoogte van de eigen bijdrage wordt vastgesteld door het CAK op basis van de persoonlijke gegevens van de cliënt en het geïndiceerde leveringsbudget dat door de gemeente aan het CAK is doorgegeven. 4.2.2 Ritbijdrage regiotaxi Voor het reizen met het collectief vervoer (Regiotaxi) wordt een opstaptarief en een ritbijdrage per kilometer gevraagd. De ritbijdrage wordt betaald aan de vervoerder. Zie voor tarieven artikel 2.2 van het Financieel besluit. 4.3Eigen bijdrage algemene voorziening De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik van een algemene voorziening, zoals de was- en strijkservice. De cliënt is de bijdrage verschuldigd aan de aanbieder. Zie voor tarieven artikel 2.3. van het Financieel besluit. 4.3.1 Financiële tegemoetkoming in de bijdrage van de Wasservice Losser Het college verstrekt een financiële tegemoetkoming in de bijdrage voor de Wasservice Losser indien: het netto-inkomen per maand lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; en inwoner niet in staat is om het wassen- en strijken zelf te doen of te regelen met mensen vanuit zijn of haar (sociaal) netwerk. Zie voor de hoogte van de tegemoetkoming artikel 2.3.1. van het Financieel besluit. 5.Huishoudelijke ondersteuning Hoofdstuk 4 van de verordening 5.1Inleiding Als een cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening kan het college ondersteuning in de vorm van huishoudelijke ondersteuning verstrekken. De inzet van huishoudelijke ondersteuning heeft als doel een bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Uit de jurisprudentie van de CRvB is duidelijk geworden dat huishoudelijke ondersteuning binnen het bereik valt van de wet. In het kader van de huishoudelijke ondersteuning is het uitgangspunt dat de leefeenheid primair verantwoordelijk is voor het uitvoeren van alle huishoudelijke taken. 5.2Beleidsuitgangspunten Een cliënt met een beperking, chronisch psychisch of psychosociaal probleem die geen gestructureerd huishouden kan voeren kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van huishoudelijke ondersteuning, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen door eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk of door gebruikmaking van algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen of door een beroep te doen op een andere (wettelijke) regeling (zie hoofdstuk 3.4) Onder een gestructureerd huishouden wordt verstaan: het kunnen beschikken over een leefbaar huis(houden); het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding en beddengoed; het hebben van regie over het huishouden; het kunnen beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden; en het thuis kunnen zorgen voor de kinderen die tot het gezin behoren. 5.2.1 Eigen kracht Eigen kracht algemeen Onder eigen kracht wordt verstaan de activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd ten aanzien van een gestructureerd huishouden. Deze activiteiten worden niet overgenomen door middel van een maatwerkvoorziening. In de praktijk kan dit betekenen dat een deel van het huishouden door de inwoner zelf wordt uitgevoerd en voor een ander deel een maatwerkvoorziening wordt ingezet. Onder eigen kracht wordt ook de eigen verantwoordelijkheid verstaan. Daaronder vallen: de aanwezigheid (lees ook: aanschaf) van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zo efficiënt mogelijk medewerking, inrichting van de woning et cetera (zie verder hierna). Eigen kracht: met inachtneming van leefregels Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd. Het kan zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen of huishoudelijke ondersteuning (CRvB:2011: BP1804 en CRvB:2018:2721) Eigen kracht: zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden (lees ook: eigen verantwoordelijkheid) is het verlenen van medewerking, zodat de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning (aanschaf van) gordijnen of (
- te)volle vensterbanken die- voordat de ramen aan de binnenkant gewassen kunnen worden- eerst verwijderd moeten worden, (
- te)volle kasten met allerlei kleinheden, et cetera. Eigen verantwoordelijkheid houden van huisdieren Heeft de cliënt huisdieren, dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Als de cliënt is aangewezen op een zogeheten hulphond, die verstrekt is op van grond van de Zvw, zal daar wel rekening mee moeten worden gehouden (RBGEL:2018:1741). Eigen verantwoordelijkheid gesaneerde woning Verder is het zo dat bij huishoudelijke ondersteuning wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de cliënt bijvoorbeeld allergisch voor vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door cliënt gehouden dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd. 5.2.2. Gebruikelijke hulp Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in de lijn met de vaste jurisprudentie (CRVB:2021:1114, CRVB:2021:823, CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721, CRVB:2016:4351). Het college zal- als het onderzoek daartoe aanleiding geeft- vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 3.3.2). 5.2.3 Met hulp van mantelzorg en personen uit het sociaal netwerk. De Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociale netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar (CRVB:2017:17). Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg (zie hoofdstuk 3.2.3). 5.2.4 Algemeen gebruikelijk Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, waarmee de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, et cetera (CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde zaken, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau. Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke voorziening een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Op basis van de vaste rechtspraak over de relatief lage periodieke kosten van de boodschappendienst en de maaltijdservice kan worden afgeleid dat in het algemeen verondersteld mag worden dat deze kosten financieel gedragen kunnen worden uit een inkomen op of rond het sociaal minimum (CRVB:2019:397). De kosten van het inzetten van een glazenwasser opgeteld bij de kosten voor de boodschappendienst acht de CRVB niet zodanig dat cliënt, met een inkomen op het niveau van het sociaal minimum, deze financieel niet zou kunnen dragen (CRVB: 2019:397) (zie hoofdstuk 3.3.4). 5.2.5 Algemene voorzieningen Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen, die door de cliënt worden ondervonden. Dat brengt met zich mee dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Wasservice Losser De Wasservice Losser is een algemene voorziening die, mits deze toereikend is, voorrang heeft op de module Wasverzorging. Het college beoordeelt of het voor de cliënt passend/toereikend is om gebruik te maken van de Wasservice. De voorwaarden van gebruik en de eigen bijdrage van de Wasservice Losser heeft het college uitgewerkt in de nadere regels. De regels zijn terug te vinden in de Financiële compensatieregeling Wasservice Losser en op de site van de gemeente Losser. 5.3Inhoud maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit zes modules met elk een eigen resultaat en objectief vastgestelde activiteiten, frequenties en normtijden. De zes modules zijn: Basismodule, bedoeld voor het realiseren van een schoon en leefbaar huis; Aanvullende module Extra hygiëne, voor het inzetten van ondersteuning met een hogere frequentie dan wat vanuit de basismodule geboden kan worden vanwege objectiveerbare medische/fysieke belemmeringen; Aanvullende module Wasverzorging, bedoeld voor het op orde en schoon houden van de kleding en het linnen- en/of beddengoed; Aanvullende module Maaltijdverzorging, bedoeld voor het beschikken over benodigde dagelijkse maaltijden; Aanvullende module Regie, bedoeld voor het voeren van de regie en het op orde houden van het huishouden; Aanvullende module Zorg voor minderjarige kinderen, bedoeld voor het bieden van ondersteuning voor een maximale duur van drie maanden wanneer ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor de zorg aan minderjarige, gezonde kinderen. De basismodule heeft betrekking op de woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning en die daadwerkelijk in gebruik zijn. In principe zijn dit de volgende woonruimten: Woonkamer; Slaapkamer(
- s)in gebruik bij de cliënt en zijn huisgenoten; Badkamer; Toilet; Keuken; Verkeersruimten (hal, overloop, bijkeuken); Trap, mits één van de hierboven genoemde ruimten zich op een andere etage bevinden. Schoon en leefbaar huishouden Het te bereiken resultaat bestaat uit het kunnen wonen in een woning die schoon en leefbaar is. Dat wil zeggen op orde zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Ook staat leefbaar voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Per casus beoordelen we welke ruimten daadwerkelijk door cliënt worden gebruikt, waarbij voor ruimten die niet dagelijks worden gebruikt een lagere frequentie voor schoonmaak kan worden gehanteerd. Hiermee sluiten we op voorhand categoriaal geen ruimtes uit (ECLI:NL:RBLIM:2019:8813). De grootte van een huis (houden) is in het algemeen geen aanleiding om een aanvullende module toe te kennen. Geen huishoudelijke ondersteuning Uitgezonderd zijn activiteiten zoals de zorg voor dieren en planten en werkzaamheden die buiten de woning plaatsvinden zoals tuinonderhoud of ramen lappen aan de buitenkant of de grote schoonmaak. Objectief en onafhankelijk normenkader Het normenkader voor de basismodule is gebaseerd op het “Onderzoek: Norm huishoudelijke ondersteuning in Twente: van het bureau HHM
(2017). De uitkomsten van dit onderzoek zijn ook bevestigd door verschillende andere onderzoeken naar een normenkader huishoudelijke ondersteuning in Nederland. In aanvulling op het hierboven genoemde onderzoek, heeft HHM op verzoek van de Twentse gemeenten een nader en verdiepend onderzoek gedaan naar het normenkader van de aanvullende module Was verzorging. Daarbij zijn de activiteiten van de wasverzorging, zoals genoemd in het CIZ-protocol als uitgangspunt genomen. Bij de totstandkoming van de normenkaders voor de overige aanvullende modules is gebruik gemaakt van de meest recente versie van de CIZ richtlijn uit 2011 (MO-zaak). Het CIZ-protocol uit 2006 is door de Centrale Raad van Beroep voldoende onderbouwd en objectief bevonden. Door voortschrijdend inzicht, jurisprudentie en ervaringen uit de praktijk is in 2011 een herziende en geactualiseerde richtlijn opgesteld, waarbij het protocol uit 2006 als basis diende. 5.4Activiteiten, frequentienorm en tijdsbesteding De activiteiten, frequentienorm en tijdsbesteding die nodig zijn om een bepaald resultaat te bereiken binnen de basismodule en/of aanvullende modules, is maatwerk. De tijdsbesteding in tijd is om consulenten inzicht te geven in de opbouw van de basismodule en aanvullende modules. 5.4.1 De Basismodule Bij de basismodule wordt per woonruimte aangegeven welke activiteiten met welke frequentie moeten worden verricht om het resultaat schoon en leefbaar huishouden te behalen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen reguliere basisactiviteiten (tabel 1) en incidentele activiteiten (tabel 2) die beiden onder de basismodule vallen. De tijdsbesteding die hieronder in de kolom ‘Tijdsbesteding’ wordt weergegeven, betreft het aantal minuten dat gemiddeld voor deze activiteit aan de orde is in een gemiddelde situatie. Op basis hiervan is het budget van de basismodule bepaald. Naar rato zal de aanbieder hiermee uitkomen, waarbij de inzet per cliënt maatwerk is. Tabel
- basismodule ondersteuning bij het huishouden reguliere activiteiten Woonruimte Basisactiviteit Frequentie/norm Tijdsbesteding minuten Woonkamer Stof afnemen hoog 1x per 2 weken 3,7 Stof afnemen midden 1x per week 8,2 Stof afnemen laag 1x per week 4,3 Opruimen 1x per week 4,1 Stofzuigen 1x per week 8,5 Dweilen 1x per 2 weken 6,3 Slaapkamer Stof afnemen hoog 1x per 6 weken 2,2 Stof afnemen midden 1x per week 3,9 Stof afnemen laag 1x per week 2,4 Opruimen 1x per week 2,1 Stofzuigen 1x per week 4,6 Dweilen 1x per 4 weken 3,6 Bed verschonen 1x per 2 weken 8,3 Keuken Stofzuigen 1x per week 3,1 Dweilen 1x per week 3,1 Keukenblok (buitenzijde) inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventueel tafel 1x per week 9,7 Keukenapparatuur (buitenzijde) 1x per week 3,0 Afval opruimen 1x per week 4,7 Sanitair Badkamer schoonmaken 1x per week 11,7 Toilet schoonmaken 1x per week 6,2 Hal Stof afnemen hoog 1x per week 2,0 Stof afnemen midden 1x per week 2,3 Stof afnemen laag 1x per week 1,3 Stofzuigen 1x per week 3,0 Dweilen 1x per 2 weken 2,4 Afstemming/sociaal contact Aankomst, vertrek, evt. afstemming derden, contact cliënt 1x per bezoek 21,9 Tabel
- Basismodule huishoudelijke ondersteuning incidentiele activiteiten Woonruimte Incidentele activiteit Frequentie/norm Woonkamer Gordijnen wassen 1x per jaar 20,0 Reinigen lamellen/luxaflex 2x per jaar 1,1 Ramen binnenzijde 4x per jaar 12,0 Deuren/deurposten nat afdoen 1x per 8 weken 1,4 Meubels afnemen (droog/nat) 1x per 8 weken 5,8 Radiatoren afnemen 2x per jaar 2,4 Slaapkamer Gordijnen wassen 1x per jaar 16,8 Reinigen lamellen/luxaflex 2x per jaar 44,6 Ramen binnenzijde 4x per jaar 8,9 Deuren/deurposten nat afdoen 2x per jaar 1,6 Radiatoren afnemen 2x per jaar 0,6 Keuken Gordijnen wassen 1x per jaar 10,0 Reinigen lamellen/luxaflex 3x per jaar 15,0 Ramen binnenzijde 4x per jaar 5,4 Deuren/deurposten nat afdoen 1x per 8 weken 1,9 Radiatoren afnemen 3x per jaar 1,1 Keukenkastjes (binnenzijde) 2x per jaar 5,7 Koelkast (binnenzijde) 3x per jaar 5,4 Oven/magnetron (binnenzijde) 4x per jaar 3,4 Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid) 1x per jaar 5,7 Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - vaatwasser bestendig 2x per jaar 2,0 Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - niet vaatwasser bestendig 2x per jaar 0,6 Bovenkant keukenkastjes 1x per 6 weken 3,3 Tegelwand (los van keukenblok) 2x per jaar 2,2 Sanitair Radiatoren afnemen 2x per jaar 1,3 Tegelwand badkamer afnemen 4x per jaar 4,1 Gordijnen wassen 1x per jaar 5,0 Ramen binnenzijde 4x per jaar 0,8 Reinigen lamellen/luxaflex 3x per jaar 15,0 Hal Radiator afnemen 2x per jaar 1,9 Deuren/deurposten nat afdoen 2x per jaar 3,0 5.4.2 Module Extra hygiëne De module Extra hygiëne kan worden verstrekt wanneer sprake is van: Medische beperkingen waardoor een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is; Medische en/of fysieke beperkingen die leiden tot een snellere vervuiling van het huis. De extra noodzakelijke ondersteuning bij het huishouden dient een medische en/of fysieke oorzaak te hebben bij de cliënt, welke objectief medisch aantoonbaar is. Voorbeelden hiervan zijn (niet limitatief) ernstige klachten ten gevolge van COPD of een hogere vervuilingsgraad door gebruik van noodzakelijke hulpmiddelen. Extra huishoudelijke ondersteuning De module Extra hygiëne kan ook worden verstrekt wanneer extra huishoudelijke ondersteuning noodzakelijk is in verband met thuiswonende kind(eren) jonger dan 12 jaar. De module Extra hygiëne is qua activiteiten gelijk aan de basismodule. Alleen de frequentie van (enkele van) de activiteiten verschilt met de basismodule. De module Extra hygiëne kan worden verstrekt wanneer uit onderzoek door het college blijkt dat vanwege en objectiveerbare beperking zoals hiervoor genoemd, de hulpvraag van de cliënt de basismodule overstijgt. Bij de module Extra hygiëne is geen vaste frequentie toe noemen bij huishoudelijke activiteiten. Dit omdat dit per cliënt verschillend kan zijn. In het ondersteuningsplan worden specifieke activiteiten beschreven en met welke frequentie deze moeten worden verricht bij de cliënt. Licht en zwaar huishoudelijk werk Bij de module Extra hygiëne wordt onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar huishoudelijke werk aan de hand van de desbetreffende activiteiten. Het is mogelijk dat de cliënt extra ondersteuning nodig heeft bij zowel het licht als zwaar huishoudelijk werk, maar het is ook mogelijk dat dit bij een van beide noodzakelijk is. De maximale omvang van de module Extra hygiëne is in principe maximaal 78 uren per jaar (maximaal 90 minuten per week). In uitzonderlijke situaties kan hier beargumenteerd van afgeweken worden. Tabel
- Activiteiten module Extra hygiëne Activiteiten Frequentie Maximale tijdsbesteding in minuten per week Licht huishoudelijk werk (Bijvoorbeeld afstoffen) Wekelijks 30 minuten Zwaar huishoudelijk werk (Bijvoorbeeld stofzuigen en dweilen) Wekelijks 60 minuten 5.4.3 Module Wasverzorging De Wasservice Losser is een algemene voorziening die, mits deze toereikend is, voorrang heeft op de module Wasverzorging. Zie hoofdstuk 5.2.5 De module Wasverzorging kan worden verstrekt als een cliënt het niet lukt om zijn kleding, linnen- of beddengoed zelfstandig op orde en schoon te houden. Het resultaat van deze aanvullende module is dat de cliënt de beschikking heeft over schone en draagbare kleding en linnen- en/of beddengoed. Van de cliënt wordt verwacht dat hij beschikt over een wasmachine en droger. Als er geen wasmachine en droger is, behoort het realiseren van een wasmachine of droger tot de verantwoordelijkheid van de cliënt. Daarnaast wordt van de cliënt verwacht al het mogelijke te doen om het ontstaan van extra was te beperken. Door bijvoorbeeld incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten te gebruiken. Op basis van de onderzoeken van HHM is gebleken dat er gemiddeld vijf wassen per twee weken moeten worden gedaan. Dit betekent een frequentie van twee en halve (2,5) was per week, voor een meerpersoonshuishouden. Voor een eenpersoonshuishouden betreft dit gemiddeld twee wassen per week. Bij de module Wasverzorging wordt er onderscheid gemaakt in vijf activiteiten op basis van het CIZ-protocol. Tabel
- Overzicht activiteiten module was verzorging op grond van de normen uit het CIZ- protocol Activiteiten Deelactiviteiten Frequentie Tijd per keer (min) Tijd per was (min) Wasgoed sorteren* en wassen in wasmachine Wasgoed sorteren 1 keer per week 1,8/2,5= 0,7 Totaal 3,7 Wassen in wasmachine Elke was 3,0 Wasgoed ophangen en afhalen Elke was 6,9 6,9 Wasgoed drogen in de droger Elke was 4,9 4,9 Wasgoed vouwen en opbergen Elke was 7,4 7,4 Totale tijd per was 22,9 Wasgoed strijken (bovenkleding) 1x per week 19,8 n.v.t * Sorteren van wasgoed Het sorteren van het wasgoed hoeft niet bij elke was gedaan te worden, maar kan één keer per week plaatsvinden. Om deze activiteit te kunnen toedelen naar de tijd per was, (bij de activiteit wasgoed sorteren en wassen in de wasmachine) is het sorteren verdeeld over het aantal wassen dat wordt uitgevoerd. Hierbij is op basis van het gemiddeld aantal wassen per week als deelfactor 2,5 gebruikt (bij delen door “2” blijft de uitkomst per saldo gelijk door afronding). * Wasgoed strijken Kreuk-/strijkvrije kleding kan als algemeen gebruikelijk gezien worden. Daarmee kan het toekennen van de activiteit wasgoed strijken beperkt blijven tot uitzonderingsgevallen, zoals bijvoorbeeld in het geval van medische noodzaak. Uit onderzoek is gebleken dat wanneer cliënten ondersteuning nodig hebben bij de was en het strijken, zij vaak niet bij alle activiteiten met betrekking tot de was en het strijken ondersteuning nodig hebben. Wanneer ondersteuning noodzakelijk is vanuit de aanvullende module Wasverzorging brengt het college in beeld welke activiteiten, eventueel met ondersteuning vanuit het sociale netwerk van de cliënt of door gebruik te maken van een algemene voorziening, de cliënt nog zelf kan uitvoeren. Het college brengt daarna in kaart bij welke activiteiten de cliënt ondersteuning nodig heeft vanuit de aanvullende module Wasverzorging. De cliënt krijgt dus ook alleen een indicatie voor ondersteuning bij die specifieke activiteiten. Gemiddeld meerpersoonshuishouden De totale tijd per week voor het wassen en strijken bij een gemiddeld meerpersoonshuishouden van cliënten met huishoudelijke ondersteuning, gaat uit van 2,5 wassen per week. Dat betekent dat maximaal 77,05 minuten per week ((2,5 x 22,9) +19,8)) ondersteuning bij de was en het strijken kan worden verstrekt vanuit de aanvullende module wasverzorging bij een meerpersoonshuishouden. Gemiddeld eenpersoonshuishouden De totale tijd per week voor het wassen en strijken bij een gemiddeld eenpersoonshuishouden van cliënten met huishoudelijke ondersteuning gaat uit van twee wassen per week. Dat betekent dat maximaal 65,6 minuten per week ((2 x 22,9) + 19,8)) ondersteuning bij de was en het strijken kan worden verstrekt vanuit de aanvullende module wasverzorging bij een eenpersoonshuishouden. Naast deze activiteiten zijn er ook factoren waardoor meer hulp bij de wasverzorging noodzakelijk kan zijn. Hierbij kan gedacht worden aan (meerdere opties mogelijk): Thuiswonende kind(eren) jonger dan 16 jaar; Bedlegerige cliënten; Extra bewassing in verband met overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies, etc. Als er sprake is van bovenstaande factoren dan kan aanvullend op de module Wasverzorging extra ondersteuning van maximaal 30 minuten per bovenstaande factor per week worden verstrekt. 5.4.4 Module Maaltijdverzorging Ondersteuning van de maaltijden valt gedeeltelijk onder de Wmo
- Het (voor) bereiden van maaltijden en het eventueel begeleiden (stimuleren of herinneren) bij de maaltijden valt onder de Wmo
- De module Maaltijden kan worden verstrekt als het een cliënt niet lukt om zelfstandig de benodigde dagelijkse maaltijden te bereiden. Deze module bestaat uit activiteiten die moeten worden verricht om het resultaat “beschikken benodigde over dagelijkse maaltijden” te bereiken. Ondersteuning bij maaltijden kan onder de Zorgverzekeringswet vallen als: Een cliënt niet in staat is zelfstandig te eten en te drinken (in zijn mond doen); Maaltijdondersteuning medisch noodzakelijk is (bijv. bijvoeding); Toezicht tijdens het eten noodzakelijk is. Tijdens het onderzoek worden alle mogelijkheden beoordeeld. Denk bijvoorbeeld aan: Is er een huisgenoot aanwezig die in staat is de maaltijd klaar te zetten en/of op te warmen? Zo ja, dan hoeft het college op grond van gebruikelijke hulp geen ondersteuning te bieden. Kan cliënt op eigen kracht of met ondersteuning van de mensen om hem heen een maaltijd verzorgen? Is een kind of één van de buren in staat een maaltijd klaar te zetten of op te warmen? Ook wordt bij het onderzoek beoordeeld of algemeen gebruikelijke diensten of algemene voorzieningen een oplossing kunnen bieden, zoals kant-en-klaar maaltijden, mee-eten bij een welzijnsvoorziening (een open eettafel of inloophuis), maaltijdbezorging aan huis, et cetera. Als een cliënt niet (meer) in staat is zelf of met hulp van de omgeving maaltijden te verzorgen en voorliggende oplossingen niet of onvoldoende toereikend zijn, kan ondersteuning vanuit de aanvullende module Maaltijden worden verstrekt. De kosten voor aanschaf van de maaltijden komen ten laste van de cliënt. In de onderstaande tabel zijn de activiteiten voor de module maaltijden opgenomen. Tabel 7: Overzicht activiteiten aanvullende module Maaltijden op grond van de normen uit het CIZ-protocol Activiteiten Frequentie Maximale tijdsbesteding Broodmaaltijd bereiden/smeren 1x per dag 15 minuten voor 2 maaltijden Warme maaltijd opwarmen 1x per dag 15 minuten Afwasmachine in en uitruimen 1x per dag 15 minuten Broodmaaltijd Een broodmaaltijd kan één keer per dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de jurisprudentie qua frequentie (CRVB:2016:2960, CRVB: 2011:BU5492). Daarnaast is het mogelijk dat cliënten bij bijvoorbeeld psychische problematiek, ondersteuning nodig hebben bij de boodschappen. Hiervoor geldt dat bijvoorbeeld een boodschappenservice via een supermarkt in principe als algemeen gebruikelijke dienst wordt aangemerkt. Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, resulteert niet in extra tijd voor boodschappen doen. Voor de boodschappen gelden de volgende activiteiten: Tabel
- Overzicht activiteiten sub-module Boodschappen Activiteiten Frequentie Maximale tijdsbesteding in minuten per week Boodschappen samenstellen, inkopen en opslaan Wekelijks 60 minuten 5.4.5 Module Regie Deze module kan worden verstrekt wanneer de cliënt met eigen kracht of met zijn sociaal netwerk niet in staat is tot het voeren van regie, organiseren en plannen van de werkzaamheden met betrekking tot de huishoudelijke taken. Behalve dat er huishoudelijke taken moeten worden overgenomen, heeft de hulp ook aansturende- en regietaken. Daarbij geldt voor de ondersteuner een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij de cliënt. Ook kan ondersteuning bestaan uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van de cliënt verwacht kan worden dat hij/zij zelfstandig beslissingen neemt ten aanzien van zijn huishouden. Of als disfunctioneren dreigt door bijvoorbeeld dementie. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf of afhankelijkheid van huisgenoten. Hierdoor wordt de cliënt zowel binnen- als buitenshuis belemmerd in zijn functioneren. Bij de aanvullende module Regie kan overwogen worden of deze vanuit de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning moet worden verstrekt of dat een andere maatwerkvoorziening meer passend is bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Een afweging die hierbij gemaakt kan worden is of de ondersteuning gericht is op het huishouden of dat er ook ondersteuning op andere gebieden noodzakelijk is. Bij de ondersteuning bij het voeren van regie wordt de cliënt betrokken bij te maken keuzes en wordt zoveel mogelijk verantwoordelijkheid bij de cliënt neergelegd. Daarbij wordt aangesloten bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en het leervermogen van de cliënt. Bij een deel van deze groep cliënten is waarschijnlijk geen sprake van ontwikkelingsmogelijkheden, eerder van afnemende zelfredzaamheid. Het bewaken of het nog verantwoord is dat de cliënt zelfstandig woont, is daarom onderdeel van deze module. In onderstaande tabel zijn de activiteiten voor de module Regie opgenomen. Tabel
- Overzicht activiteiten module Regie Activiteiten Maximale tijdbesteding in minuten per week Organisatie, plannen en beheren van middelen en huishoudelijke taken 30 minuten Factoren voor meer hulp Thuiswonende kinderen jonger dan 16 jaar 30 minuten Psychogeriatrische problematiek en/of gedragsproblematiek 30 minuten Communicatieproblemen als gevolg van beperkingen, niet door het niet machtig zijn van de Nederlandse taal 30 minuten Daarnaast is het mogelijk dat de cliënt extra ondersteuning nodig heeft bij advies, instructie en voorlichting gericht op een of meer activiteiten in het huishouden voor de maximale duur van zes weken. In de onderstaande tabel zijn de hiervoor geldende activiteiten opgenomen. Tabel
- Overzicht activiteiten sub- module Instructie Activiteiten Frequentie Instructie omgaan met (technische)hulpmiddelen; instructie bij huishoudelijke taken; boodschappen doen; maaltijd bereiden; het licht en zwaar huishoudelijk werk, de wasverzorging en de dagelijkse organisatie van het huishouden. 30 minuten per activiteit (maximaal 90 minuten per week en dit komt bovenop de normtijd die geldt voor overnemen van de activiteit). Tabel
- Overzicht activiteiten sub-module Boodschappen Activiteiten Frequentie Maximale tijdsbesteding in minuten per week Boodschappen samenstellen, inkopen en opslaan Wekelijks 60 minuten 5.4.6 Module Zorg voor minderjarige kinderen Het zorgen voor kinderen is en taak van ouders/verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door een beperking niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van één van de ouders, de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg daar waar mogelijk overneemt. Een eventuele maatwerkvoorziening is er voor ouders die door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor de zorg voor minderjarige, gezonde kinderen. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een structurele oplossing. Ondersteuning vanuit deze module wordt afgegeven met een maximale duur van drie maanden om ouders/verzorgers de mogelijkheid te bieden een (structurele) oplossing te creëren. Van hen mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij moet ook bekeken worden of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via de Zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo
- Tevens zijn mogelijkheden zoals zorgverlof, crèche, kinderopvang, buitenschools/tussenschoolsopvang en gastouders voorliggende oplossingen voor de opvang van kinderen. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat. In onderstaande tabel zijn de activiteiten van de module Zorg voor minderjarige kinderen opgenomen. Tabel
- Overzicht activiteiten module zorg voor kinderen op grond van de normen uit het CIZ protocol Activiteiten Frequentie Maximale tijdsbesteding in minuten per activiteit per kind Naar bed brengen / uit bed halen Dagelijks 10 minuten per keer per kind Wassen en kleden Dagelijks 30 minuten per dag per kind Eten en/of drinken geven Dagelijks 20 minuten (broodmaaltijd) of 25 minuten (warme maaltijd) Babyvoeding (flesje/ borstvoeding) Dagelijks 20 minuten per keer per kind Luier verschonen Dagelijks 10 minuten per keer per kind Naar school/crèche brengen/halen Dagelijks 15 minuten per gezin Factoren voor meer hulp Als opvang noodzakelijk is Dagelijks Tot 40 uur per week 5.5Verstrekkingsvormen Huishoudelijke ondersteuning kan zowel in zorg in natura als in de vorm van een pgb worden verstrekt. De gemeente heeft voor huishoudelijke ondersteuning contracten gesloten met verschillende aanbieders. De cliënt kan kiezen bij welke van de gecontracteerde aanbieders hij de huishoudelijke ondersteuning wil afnemen. Indien de cliënt dit wenst, kan een pgb worden verstrekt. Er moet echter wel worden voldaan aan de eisen uit artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 (zie hoofdstuk 14). In hoofdstuk 9 van de Verordening is bepaald hoe de hoogte van het pgb voor huishoudelijke ondersteuning wordt vastgesteld. Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb wordt onderscheid gemaakt tussen: Tarief voor formele ondersteuning Tarief voor informele ondersteuning De tarieven zijn vastgesteld in het Financieel Besluit (zie hoofdstuk 4 Financieel besluit). Omzetten van het pgb naar zorg in natura (en andersom) Als in de praktijk blijkt dat een pgb geen gepaste leveringsvorm is voor de cliënt kan de gemeente zorg in natura als alternatief aanbieden. De cliënt kan één keer per jaar wisselen tussen het pgb en een verstrekking in natura (of andersom). Herindicatie en verzoek om pgb Acht weken voor het einde van de indicatie wordt de cliënt hierover geïnformeerd en wordt een evaluatiegesprek ingepland met het oog op verlenging van de indicatie voor ondersteuning (zie hoofdstuk 2.13). Hebben zich in de voorafgaande periode geen onregelmatigheden voorgedaan en heeft het college ook anderszins geen reden om te twijfelen of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden (wet en verordening), dan kan het onredelijk zijn om met de cliënt de intensieve beoordeling van voorwaarden opnieuw te doorlopen. Dit betekent dat het college slechts een lichte toetsing toepast. Wel geldt onverkort dat (opnieuw) een pgb-plan moet worden opgesteld. Bij een verlenging of wijziging in de indicatie en de ondersteuning wordt door dezelfde ondersteuner uitgevoerd hoeft er niet opnieuw een verklaring omtrent gedrag (VOG) ingediend te worden. 6.Ondersteuning bij zelfredzaamheid en participatie Hoofdstuk 5 van de verordening 6.1Inleiding De gemeente kan een inwoner met beperkingen zoals bedoeld in de Wmo een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1 Wmo2015). Binnen het Twents Model wordt niet gesproken over begeleiding, maar over ondersteuning. Zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving. Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren, moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn en ook over vaardigheden beschikken om daar regie over te kunnen voeren. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Een vaardigheid op een of ander gebied wordt veelal vergaard door praktische ervaring, door korte of langere tijd regelmatig te oefenen. Cliënten die zijn aangewezen op individuele of groepsgerichte ondersteuning ondervinden problemen in hun functioneren op het gebied van: sociale redzaamheid (dagelijkse bezigheden, problemen oplossen en besluiten nemen, dagelijkse routine regelen, et cetera); probleemgedrag (gedragsproblemen); psychisch functioneren (concentratie, geheugen en denken en perceptie van omgeving); geheugen en oriëntatie. Voordat het college een maatwerkvoorziening ondersteuning toekent, onderzoekt het college of de cliënt zijn problemen kan verminderen of wegnemen door eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp uit het sociale netwerk van de inwoner, of door algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen of door een beroep te doen op een andere (wettelijke) regeling of organisaties (zie hoofdstuk 3.3) Daarnaast kan een cliënt ook worden doorverwezen naar het Cimot (Enschede) voor ondersteuning in de vorm van beschermd wonen of maatschappelijke opvang (zie hoofdstuk 13 van deze beleidsregels). 6.2Ondersteuning cliënten met een zintuigelijke beperking Het college is in het kader van de Wmo 2015 ook verantwoordelijk voor de ondersteuning van cliënten met een zintuiglijke beperking (ZG). De aantallen cliënten met een zintuigelijke beperking zijn per gemeente dermate klein en het aantal aanbieders landelijk beperkt dat het ministerie VWS en de VNG landelijke inkoopafspraken hebben gemaakt voor deze vorm van ondersteuning. Van deze groep heeft een aantal cliënten vanwege de aard van de aandoening een structurele behoefte aan specialistische ondersteuning. Deze behoefte is er omdat deze mensen vaak, naast de zintuigelijke beperking, te maken hebben met andere (vaak verstandelijke en/of psychiatrische) beperkingen. Vaak volstaat reguliere ondersteuning niet. In veel gevallen is het noodzakelijk specialistische ondersteuning in te zetten door een aanbieder die gespecialiseerd is in het werken met deze doelgroep. 6.3Tolkvoorziening Er is een landelijke regeling tolkvoorziening voor mensen met een zintuigelijke beperking welke namens alle gemeenten ondergebracht is bij de Vereniging voor Nederlandse gemeenten (VNG). 1 Landelijke regeling tolkvoorziening voor mensen met een zintuigelijke beperking VNG. De dienstverlening bestaat uit: de uitvoering van de Landelijke regeling Tolkvoorziening in het kader van de Wmo (de regeling); de bemiddeling tussen tolk en gebruiker. Onder een gebruiker wordt verstaan een Nederlander die volgens de landelijke regeling tolkvoorziening voldoet aan de criteria en een beroep mag doen op doventolkvoorziening. 6.4Twents Model Het Twents Model is een toeleidingsmodel dat dient te voorzien in een gewenst zorgaanbod gebaseerd op de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Het model stelt de inwoner centraal en er kan integraal maatwerk geboden worden. Het Twents Model is zo ontworpen dat het aansluit op lokale verschillen en mee kan bewegen met lokale, regionale en landelijke ontwikkelingen. In het Twents Model is het niet de gemeente die bepaalt hoe er aan een oplossing moet worden gewerkt maar de aanbieder in dialoog met de inwoner. De gemeente bepaalt in gesprek met de inwoner wat (welk resultaat) er behaald moet worden. De aanbieder krijgt een budget om de inwoner zodanig te ondersteunen dat dit resultaat daadwerkelijk kan worden behaald. In het Twents Model is keuzevrijheid voor inwoners en daarmee ook diversiteit van aanbieders gegarandeerd. 6.5Aard en niveau van de ondersteuningsbehoefte Samen met de cliënt wordt gekeken welk resultaat de cliënt (of het gezinssysteem) wil bereiken. Vervolgens wordt gekeken welk type ondersteuningsbehoefte de cliënt (of het gezinsysteem) nodig heeft. Binnen het Twents Model zijn voor de Wmo Ondersteuningsbehoefte 1 en 2 gedefinieerd. Het is mogelijk voor een cliënt of gezinssysteem een combinatie van ondersteuningsbehoeften in te zetten. De beide ondersteuningsbehoeften worden zowel individueel als in groepsverband geboden. Ondersteuningsbehoefte 1 De cliënt heeft ondersteuning nodig bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden waarbij hij in staat is om de eigen regie over zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen te voeren. Het doel van de ondersteuning is om in de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Ondersteuningsbehoefte 2 De cliënt heeft ondersteuning nodig bij het voeren van de regie over, en uitvoering van zijn dagelijkse handelingen en vaardigheden. Het doel van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het helpen overzien van dagelijkse handelingen en vaardigheden (regie) en het leeftijdsadequaat uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Per ondersteuningsbehoefte worden verschillende niveaus onderscheiden op basis van kenmerken van de cliënt (of gezinssysteem). Het combineren van verschillende niveaus is mogelijk. Let wel, de niveaus beschrijven persoons/gezinskenmerken. Wanneer de inzet van meerdere ondersteuningsbehoeften betrekking hebben op één persoon, is de inzet van verschillende niveaus niet logisch. In het geval van een gezinssysteem met meerdere personen zou deze inzet wel verklaarbaar zijn. Niveau A Voorbeelden van kenmerken van inwoners die hieronder vallen: er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek. de inwoner en/of het cliëntsysteem kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning. de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering. de zorgvrager heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren. de inwoner of het gezinssysteem is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen. Niveau B Voorbeelden van kenmerken van inwoners die hieronder vallen: er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerd werkt bij de uitvoering van ondersteuning. de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot. de inwoner of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf signaleren, maar is/zijn onvoldoende in staat om hierop te reageren. de motivatie van de inwoner/gezinssysteem voor het volgen van de ondersteuning is wisselend. Niveau C Voorbeelden van kenmerken van inwoners die hieronder vallen: er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning. de ondersteuning is niet routinematig. er is geen stabiele (ontwikkel- en/of opvoed-) context. er is hoog risico op escalatie/gevaar. met de inwoner/gezinssysteem is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig. de inwoner of het gezinssysteem kunnen veranderingen zelf in het geheel niet signaleren. er kan verscherpt toezicht nodig zijn. de inwoner of het gezinssysteem is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. 6.6Vormen van ondersteuning Afhankelijk van het te bereiken resultaat kan de ondersteuning individueel, groepsgericht of in een combinatie van beide worden geboden. Als dezelfde resultaten kunnen worden behaald en als de geboden ondersteuning een adequate oplossing is voor de inwoner, is ondersteuning in groepsverband voorliggend op individuele ondersteuning. De ondersteuning in groepsverband is dan de goedkoopst passende oplossing in de zin van de Wmo
- Uitgangspunt is dat passende ondersteuning zo licht mogelijk, zo kort mogelijk en zo dichtbij mogelijk wordt ingezet. 6.6.1 Individuele ondersteuning Bij individuele ondersteuning gaat het om het ondersteunen bij het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL-verrichtingen) gericht op behoud of verbetering van zelfredzaamheid en/of participatie door de cliënt zelf, zoals overzicht houden, planning of contacten met organisaties. Andere voorbeelden waarbij individuele ondersteuning aangeboden kan worden zijn: post doornemen en archiveren; (sociale) vaardigheden oefenen; ondersteuning in het nemen van beslissingen / maken van keuzes; communicatie met instanties; een weekritme opzetten; het aanleren van routes om van A naar B te komen; ondersteuning in het opbouwen van een sociaal netwerk. 6.6.2 Groepsgerichte ondersteuning Voor de ondersteuning in groepen betreft het de groepsgewijze uitvoering van de ondersteuning waarvoor iedere deelnemer in de groep eigen resultaten geformuleerd zijn en de omvang en duur van de ondersteuning bepaald is. De groepsgerichte ondersteuning moet programmatisch/methodisch zijn, gericht op het structureren van de dag en uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Ook kan de groepsgerichte ondersteuning gericht zijn op het aanleren van nieuwe vaardigheden met betrekking tot (psychosociaal) functioneren en bijdragen aan gedragsverandering. Groepsgerichte ondersteuning houdt in een structurele tijdsbesteding met een welomschreven resultaat waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent anders dan arbeid of onderwijs. Voor de groepsgewijze uitvoering van de ondersteuning wordt uitgegaan dat de cliënt per dagdeel minimaal 3 uren deelneemt aan de groepsgerichte ondersteuning. Voorbeelden waarbij groepsgerichte ondersteuning aangeboden kan worden zijn: activering van de inwoner; leren omgaan met dementie; ontlasten van mantelzorger; sociaal netwerk onderhouden / vergroten via dagbesteding; een zinvolle invulling van de dag; het voorkomen van vereenzaming; het overnemen van toezicht en het bieden van ritme en regelmaat; het in stand houden van bestaande vaardigheden. 6.7Omvang en duur van de ondersteuning Het college bepaalt, op basis van onderzoek en in afstemming met de cliënt, welke resultaten behaald moeten worden. Het college bepaalt in welke ondersteuningsbehoefte (of combinatie van meerdere ondersteuningsbehoeften) het te bereiken resultaat past en bepaalt het niveau. Directe tijd Het college bepaalt de totale hoeveelheid directe tijd (omvang) die nodig is om het resultaat te behalen. De directe tijd is de tijd waarin er één op één, oftewel direct contact plaatsvindt tussen de cliënt en de zorgaanbieder. Indirecte tijd en reistijd Indirecte tijd is de tijd waarin er zorg gerelateerde handelingen plaatvinden, die in het belang van de cliënt plaats dienen te vinden. Reistijd is de tijd die nodig is om vanuit het hoofdkantoor van de zorgaanbieder naar het adres van de cliënt te reizen. Let wel: reistijd en indirecte tijd geldt alleen in geval van individuele ondersteuning, dus niet bij groepsgerichte ondersteuning en/of wonen en verblijf. Het is aan de zorgaanbieder om de benodigde indirecte tijd en eventuele reistijd te bepalen. Duur Het college bepaalt de duur van de ondersteuning. Individuele of groepsgerichte ondersteuning kan maximaal voor een periode van 5 jaar worden ingezet. 6.8Module wonen en verblijf Naast de ondersteuningsbehoeften kan de module wonen en verblijf worden ingezet. Onder wonen en verblijf wordt verstaan: een 24 uurs voorziening voor volwassenen (Wmo 2015) en/of kinderen (Jeugdwet) ter vervanging van de eigen thuissituatie. Beschermd wonen voor volwassenen maakt geen onderdeel uit van de module wonen en verblijf. In het Twents model wordt een onderscheid gemaakt tussen de ondersteuning en het verblijf waarbij het verblijf aanvullend kan worden ingezet op de ondersteuning. De dakjes kunnen aanvullend ingezet worden wanneer er naast een ondersteuningsbehoefte ook behoefte is aan wonen en verblijf. De aanbieder die de ondersteuningsbehoefte levert is eindverantwoordelijk voor het behalen van het resultaat. De van toepassing zijnde ondersteuningsbehoefte moet geleverd worden door een gecontracteerde aanbieder voor de ondersteuningsbehoeften indien er sprake is van zorg in natura. De inzet vindt plaats in onderlinge afstemming. De module wonen en verblijf voor de Wmo is inzetbaar: voor cliënten met een licht verstandelijk beperking (lvb) die (tijdelijk) een beschermde woonomgeving nodig hebben (dakje 2) en niet in aanmerking komen voor een indicatie voor beschermd wonen of een Wlz-indicatie ter ontlasting van mantelzorgers in de vorm van kortdurend verblijf (dakje 1), zie hoofdstuk 12.3). De module wonen en verblijf bestaat uit twee vormen: Dakje 1 en Dakje
- Een dakje bestaat uit de volgende elementen: Accommodatie; Eten en drinken; Hotelmatige aspecten (zoals schoonmaak, keuken, portier, gastvrouw, slaapdienst, bewaking en nachtwacht); Leefklimaat (dagelijks/nachtelijke zorg ter vervanging van de zorg in de eigen natuurlijke omgeving zoals bijvoorbeeld het gezin). Passend leefklimaat Welk leefklimaat passend is, is onder meer afhankelijk van de thuissituatie en de ondersteuningsbehoefte. Het kan zijn dat er geen bijzonderheden zijn en dat enkel de ‘normale’ thuissituatie worden vervangen. Maar het kan ook zijn dat de cliënt in de eigen thuissituatie al een ondersteuningsbehoefte heeft bij: de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden; of de regie bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Dakje 1: tijdelijke vervanging van de thuissituatie zonder bijzonderheden in een professionele 24-uurssetting. Er is sprake van betaalde professionele hulp. Er is iemand aanwezig op de momenten dat de persoon dit nodig heeft en op de momenten dat er wordt gealarmeerd. De mate waarin dit noodzakelijk is, is leeftijd- en persoonsafhankelijk. Kenmerken van de cliënt De cliënt functioneert sociaal redelijk zelfstandig. Voor zijn sociale redzaamheid is beperkte begeleiding nodig. Dit betreft met namen toezicht en stimulatie bij het aangaan van sociale relaties en contacten en deelname aan het maatschappelijk leven. De cliënt heeft ten aanzien van psychosociale/ cognitieve functies af en toe hulp, toezicht en sturing nodig. Bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) functioneert de cliënt leeftijdsadequaat. Er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek of psychiatrische problematiek, of deze problematiek is beheersbaar. In het kader van de verblijfsfunctie wordt uitgegaan dat er gemiddeld één begeleider aanwezig is op zes cliënten. Dakje 2: tijdelijke vervanging van de thuissituatie in een professionele setting waarbij er sprake is vanactief toezicht. Vanwege de complexiteit van de problematiek en het feit dat de cliënt niet thuis kan wonen, heeft de cliënt specifieke zorg nodig. Wanneer nodig, is er 24 uur per dag op afroep een behandelaar beschikbaar. De huisvesting is passend bij het gedrag van de cliënt. Dit betekent dat het een veilige omgeving is voor de cliënt en bestand is tegen mogelijk geweld/molest. Er is sprake van betaalde professionele hulp. Er is sprake van 24 uurs actief toezicht. Kenmerken van de cliënt De cliënt vertoont onvoorspelbaar gedrag. Er is een (pedagogisch) gekwalificeerde slaapdienst aanwezig. Er is sprake van gedragsproblematiek. De cliënt heeft hierbij veel sturing, regulering en toezicht nodig. Er is met name sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatief gedrag, ongecontroleerd, ontremd gedrag en reactief gedrag met betrekking tot interactie. Op het gebied van sociale redzaamheid hebben de cliënten vaak hulp en soms overname nodig, zij kunnen taken vaak niet zelf uitvoeren. Het gaat dan met name om het uitvoeren van complexere taken, het regelen van de dagelijkse routine en taken die besluitnemings- en oplossingsvaardigheden vereisen. Ten aanzien het psychosociaal/cognitief functioneren hebben cliënten af en toe tot vaak hulp, toezicht of sturing nodig. Op het gebied van de ADL functioneert de cliënt leeftijdsadequaat. Maar er is wel regelmatig behoefte aan toezicht en stimulatie, met name bij de kleine verzorgingstaken, de persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagel, huid en bij het wassen, eten en drinken. Ten aanzien van mobiliteit is er doorgaans geen sprake van beperkingen. In het kader van de verblijfsfunctie wordt uitgegaan dat er gemiddeld één begeleider aanwezig is op zes cliënten. Binnen dit kader wordt gestreefd naar een zo kleinschalig mogelijke setting. 6.9Module Consultatie Via de module consultatie uit het Twents Model kan externe consultatie worden ingezet. In complexe situaties kan dit nodig zijn. Normaliter is de afstemming tussen de gemeente, de zorgaanbieder en cliënt toereikend en zal het inzetten van deze module niet nodig zijn. Inzet van consultatie dient als hulpmiddel en is bedoeld om incidenteel in te zetten. De module kan voor maximaal 6 weken worden ingezet. Bij het indiceren van de module consultatie wordt geen gebruik gemaakt van het resultatenoverzicht. Over de specifieke bedoeling van het verzoek tot consultatie en de omvang kan voor aanvang afstemming plaatsvinden tussen de gemeente en de zorgaanbieder. Inzet van de module leidt niet automatisch tot inzet van (vervolg)ondersteuning. Consultatie wordt onderverdeeld in vier typen professionals die ingezet kunnen worden: MBO, HBO, WO en WO++. Het betreft veelal een kort contact, waarbij de cliënt niet (per definitie) wordt gezien en waarbij geen schriftelijke rapportage opgeleverd hoeft te worden. Het contact zal veelal mondeling/telefonisch of per mail plaatsvinden. 6.10Vervoer Het college is verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de groepsgerichte ondersteuning en bij de module wonen en verblijf, als de cliënt en zijn omgeving zelf niet in een oplossing kunnen voorzien. Uitgangspunt is dat de ondersteuning zo dicht mogelijk bij de cliënt wordt georganiseerd. Vervoer van en naar de groepsgerichte ondersteuning en de module wonen en verblijf kan als onderdeel van de maatwerkvoorziening worden toegekend. Het vervoer is aanbesteed en de cliënt moet gebruik maken van de gecontracteerde vervoerder wanneer er zorg in natura is ingezet. De maatwerkvoorziening Regiotaxi mag niet worden ingezet voor vervoer van en naar de groepsgerichte ondersteuning. 6.11 Verstrekkingsvormen Ondersteuning kan zowel in zorg in natura als in de vorm van een pgb worden verstrekt. De gemeente heeft voor ondersteuning contracten gesloten met verschillende aanbieders. De cliënt kan kiezen bij welke van de gecontracteerde aanbieders hij de ondersteuning wil afnemen. Indien de cliënt dit wenst, kan een pgb worden verstrekt. Er moet echter wel worden voldaan aan de eisen uit artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 (zie hoofdstuk 14). In hoofdstuk 9 van de Verordening is bepaald hoe de hoogte van het pgb voor ondersteuning wordt vastgesteld. Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb wordt onderscheid gemaakt tussen: tarief voor formele ondersteuning tarief voor informele ondersteuning De tarieven zijn vastgesteld in het Financieel Besluit (zie hoofdstuk 4 Financieel besluit). Omzetten van het pgb naar zorg in natura (en andersom) Als in de praktijk blijkt dat een pgb geen gepaste leveringsvorm is voor de cliënt kan de gemeente zorg in natura als alternatief aanbieden. De cliënt kan één keer per jaar wisselen tussen het pgb en een verstrekking in natura (of andersom). Herindicatie en verzoek om pgb Acht weken voor het einde van de indicatie wordt de cliënt hierover geïnformeerd en wordt een evaluatiegesprek ingepland met het oog op verlenging van de indicatie voor ondersteuning (zie hoofdstuk 2.13). Hebben zich in de voorafgaande periode geen onregelmatigheden voorgedaan en heeft het college ook anderszins geen reden om te twijfelen of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden (wet en verordening), dan kan het onredelijk zijn om met de cliënt de intensieve beoordeling van voorwaarden opnieuw te doorlopen. Dit betekent dat het college slechts een lichte toetsing toepast. Wel geldt onverkort dat (opnieuw) een pgb-plan moet worden opgesteld. Bij een verlenging of wijziging in de indicatie en de ondersteuning wordt door dezelfde ondersteuner uitgevoerd hoeft er niet opnieuw een VOG ingediend te worden. De module wonen en verblijf kan niet worden verstrekt in de vorm van een pgb voor informele ondersteuning. De module consultatie kan niet verstrekt worden in een pgb. 7.Rolstoelvoorziening Hoofdstuk 6 van de verordening 7.1Inleiding Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Bij het verstrekken van een rolstoel gaat het om cliënten met geen of onvoldoende loopcapaciteit. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook gebruiken voor lokale verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving. 7.2Voorwaarden Om in aanmerking te komen voor een rolstoelvoorziening gelden de volgende voorwaarden: de persoon ervaart belemmeringen in het zich verplaatsen in en om woning, die niet afdoende opgelost kunnen worden op eigen kracht, met behulp van een algemene gebruikelijke of algemene voorziening of door aanspraak op een andere (wettelijke) regeling (3.4.6); de voorziening is langdurig noodzakelijk. Dit betekent langer dan zes maanden. De tijdelijk uitleenmogelijkheden moeten zijn benut; bij incidenteel gebruik wordt onderzocht wat de daadwerkelijk behoefte is. Afhankelijk van de behoefte wordt een rolstoelvoorziening verstrekt. Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans worden deze rolstoelen gebruikt als men zich naar elders moet verplaatsen (wat zonder rolstoel niet kan), zoals tijdens een uitstapje of ziekenhuisbezoek. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke. 7.3Rolstoelen Er worden de volgende rolstoelvoorzieningen onderscheiden: Handmatig voortbewogen rolstoel; Elektrisch voortbewogen rolstoel; Aanpassingen aan de rolstoel. Programma van eisen Als er een noodzaak bestaat voor een rolstoelvoorziening, dan stelt het college, zo nodig op basis van medisch of ander deskundig advies, een functioneel programma van eisen op. Aan de hand van het functioneel programma van eisen stelt het college vast welke categorie rolstoel passend is. De leverancier onderzoekt vervolgens welke type rolstoel uit deze categorie het meest passend is en levert deze rolstoel. Aanpassingen Aanpassingen zijn noodzakelijke maatwerkvoorzieningen om de rolstoel een adequate voorziening te laten zijn. Rolstoelen zijn in diverse maatvoeringen leverbaar. Toch zijn dan nog vaak individuele aanpassingen nodig. Een deel hiervan kan gerealiseerd worden door standaardcomponenten aan de rolstoel toe te voegen. Een ander deel moet individueel en op maat gemaakt worden. Accesoires Accessoires zijn extra’s die, in tegenstelling tot aanpassingen, in principe niet noodzakelijk zijn om de rolstoel op zich een adequate voorziening te laten zijn. Accessoires worden daarom in principe niet vergoed. Rolstoelaccessoires vallen alleen onder de ondersteuningsplicht van het college voor zover deze noodzakelijk zijn voor dagelijks gebruik van de rolstoel. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld: spaakbeschermers of een zonnescherm wanneer er sprake is van allergie. Rijvaardigheidslessen Voor een elektrische rolstoel is een rijles door de hulpmiddelenleverancier inbegrepen. Indien er meer dan één rijles noodzakelijk blijkt te zijn, wordt contact opgenomen met de consulent om af te stemmen wat de mogelijkheden zijn van het volgen van (extra) rijlessen bij een eerstelijns ergotherapeut. Een ergotherapeut kan ook beoordelen of de cliënt kan leren om gebruik te maken van de (elektrische) rolstoel. 7.4Verstrekkingsvormen Zorg in natura Rolstoelvoorzieningen worden via gecontracteerde leveranciers in bruikleen verstrekt. De kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering zijn inbegrepen bij de verstrekking in natura. Er dient een bruikleenovereenkomst te worden ondertekend door zowel de cliënt als het college. Wanneer de passende oplossing niet binnen de door de gemeente gesloten contracten valt, kan de maatwerkvoorziening bij de gecontracteerde leverancier (of als dit niet mogelijk is in een uitzonderlijke situatie bij een andere niet-gecontracteerde leverancier) worden ingekocht en in natura worden geleverd. Bij voorzieningen waarvoor geen overeenkomst is afgesloten blijkt de goedkoopst adequate oplossing uit een door het college goedgekeurde offerte voor aanschaf en instandhoudingskosten De voorziening wordt in bruikleen verstrekt bij levering door een gecontracteerde leverancier en de voorziening wordt in uitzonderlijke situaties in eigendom verstrekt bij levering door een niet-gecontracteer