← Nederland

Beleidsnota archeologie 2011 (Soest)

In het kort

Deze beleidsnota beschrijft de uitgangspunten en achtergronden van het archeologiebeleid van de gemeente Soest, met als doel het archeologisch erfgoed te beschermen en te integreren in de ruimtelijke ordening. Het beleid is opgesteld in het kader van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Beleidsnota archeologie 2011Voorwoord De gemeente Soest heeft een lange en rijke historie. Een deel van dit verleden bevindt zich onder de grond: het archeologisch erfgoed. Dit deel van ons verleden is vrijwel onzichtbaar voor iedereen. Maar onzichtbaar maakt niet onbemind! Daarom heeft de gemeente Soest ervoor gekozen om, in het kader van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, 2007) en de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2008), en ter bescherming van haar archeologisch erfgoed, een gemeentelijk archeologiebeleid te formuleren. In de voor u liggende Beleidsnotaarcheologie worden de uitgangspunten en de achtergronden van het nieuwe beleid beschreven. Met de vaststelling van de aangeleverde beleidsregels volgt implementatie van het archeologiebeleid. Ter onderbouwing van het beleid is in 2008/2009 een bureauonderzoek gedaan naar de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente Soest. Dit heeft geresulteerd in het rapport van De Boer e.a.: Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Soest (RAAP-rapport 1866, Weesp 2010). In deze beleidsnota wordt dit onderzoek toegankelijk gemaakt en omgezet naar beleidsregels voor de diverse archeologische waarden- en verwachtingsgebieden in Soest. Met voornoemde documenten in huis, is de gemeente Soest in staat om op verantwoorde wijze een gemeentelijk archeologiebeleid te voeren. Hiermee wordt een juiste balans gevonden tussen een goede omgang met het archeologisch erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden gewogen. Een woord van dank gaat uit naar Archeologisch Adviesbureau RAAP voor de prettige samenwerking bij het opstellen van de Archeologische Verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Soest. Opzet en leeswijzer Bij het opstellen van deze beleidsnota is dankbaar gebruik gemaakt van diverse gemeentelijke beleidsnota’s, vrijwel allen gebaseerd op het Voorbeeldbeleidsplan gemeentelijke archeologischemonumentenzorg van het Convent van Gemeentelijke Archeologen in Nederland (CGA), dat deel uitmaakt van de handreiking van de VNG1Alkemade en Hessing

(2009). In onderliggende beleidsnota wordt geregeld verwezen naar het bureauonderzoek van Archeologisch Adviesbureau RAAP2De Boer e.a.
(2010), welke heeft geleid tot het opstellen van de Archeologische Beleidsadvieskaart voor de gemeente Soest. Deze beleidsnota bestaat uit 3 delen: DEEL I : Archeologische achtergrond Het eerste deel van deze nota schetst een archeologische achtergrond van de gemeente Soest. Het gaat in op het Soester bodemarchief en haar karakteristieken middels een beknopte bewoningsgeschiedenis, een uiteenzetting van de diverse archeologische / historische aandachtsgebieden en een kritische kijk op de staat van het archeologische erfgoed in de gemeente. Tevens wordt het archeologiebeleid in verleden, heden en toekomst uiteengezet. DEEL II: Archeologische beleidsinstrumenten In dit deel worden de benodigde archeologische beleidsinstrumenten beschreven. Hierbij staan drie belangrijke onderdelen centraal: de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor Soest, de (regels, toelichting en verbeelding in) toekomstige bestemmingsplannen, en de gemeentelijke Erfgoedverordening. DEEL III: Archeologische monumentenzorg in de praktijk Alle relevante facetten van het proces van de archeologische monumentenzorg komen in dit deel aan bod. De inrichting van de beleidsmatige, wetenschappelijke, financiële en communicatieve aspecten van het archeologiebeleid in de gemeente Soest wordt behandeld. Deze beleidsnota sluit af met het hoofdstuk Aanbevelingen en beleidskeuzes. Hier worden enkele aanbevelingen gedaan met betrekking tot de (toekomstige) beleidskeuzes en tot de gemeentelijke ambities inzake archeologie. Deel I: Archeologische achtergrond I-1 Inleiding “Al wie kerken voor God van de grond af opbouwt of kerken die door onverlaten verwoest zijnbegunstigt door ze te herstellen, verwerft zich vermeerdering van zijn aardse welvaart en van zijn verwachting voor de eeuwigheid” 3Een vertaald fragment uit een oorkonde uit het jaar 1028 waarin Zoys (het huidige Soest) voor het eerste vermeld wordt.. De eerste sporen van het lange en rijke verleden van Soest zijn gevonden in de Lange en Korte Duinen. Ongeveer 11.000 jaar geleden (Midden Steentijd) bevolkten enkele jagersgroepen dit gebied. Hun nalatenschap bestaat uit resten van kampementen, getuige de vuurstenen werktuigjes en resten van haardvuren, die zijn aangetroffen. Van regionaal groot belang zijn de vele grafheuvels in Soest (waaronder het Enghenbergje op de Eng), opgeworpen voor overledenen. Deze dateren variërend uit de Nieuwe Steentijd (5300-2000 v. Chr.) en de Bronstijd (2000-800 v. Chr.). Ze behoren tot een grotere groep van dergelijke grafmonumenten, welke zich uitstrekt over de hoge zandgronden van Rhenen tot Laren in Noord-Holland. Soest vormt hierin het geografische middelpunt. Het dorp Soest ontstond pas vele eeuwen na deze vroegste bewoners. De eerste boeren vestigden zich mogelijk al in de 7de of 8ste eeuw n. Chr. op de zuidoosthelling van de Engh, een uitloper van de Utrechtse Heuvelrug. Door hier te gaan wonen waren ze beschermd tegen de Zuiderzee, die regelmatig de Eempolder overstroomde. De Engh werd ontgonnen en bemest, zodat deze geschikt werd voor akkerbouw. De kolonie groeide uit tot een klein boerendorp; zo ontstond het middeleeuwse engdorp. De eerste vermelding van het dorp Soest dateert uit 1028. Toen Soest in de 14de eeuw een zelfstandige parochie werd met een eigen kerkgebouw kwam er ook een eigen kerkhof. In 1470 werd er ook een klooster bij het dorp gesticht: Mariënburg. De eeuwen hierna werden gekenmerkt door invallen en plunderingen van de Spaanse, Franse en Pruisische troepen. In deze periode groeide Soest echter ook; de ene na de andere stenen boerderij werd gebouwd. Ze werden getypeerd door hun grootte, met een brede voorgevel en een stomp dak. Voortkomend uit oude boerderijclusters ontstonden er steeds meer verschillende buurtschappen. Deze zijn nog steeds kenmerkend voor de gemeente Soest. Ruim honderd eeuwen verleden! Waarvan de sporen zich grotendeels nog in de bodem van onze gemeente bevinden. Voor de meeste perioden uit de geschiedenis en voor de meeste menselijke activiteiten bied het bodemarchief de enige bron van kennis. Van iedereen, zowel burgers als gemeente, mag worden verwacht, dat op een zorgvuldige wijze wordt omgegaan met dit historisch bodemarchief. De gemeente Soest is begonnen met het vormgeven van het gemeentelijk archeologiebeleid. Zij wil hiermee aangeven dat zij uitvoering wil geven aan de nieuwe wetgeving, maar vooral ook, dat zij de waarde van haar gemeentelijk archeologisch erfgoed onderkent en voor de toekomst wil beschermen! 1.1Aanleiding: Wet op de archeologische monumentenzorg Door de toenemende bodemverstorende werkzaamheden in Nederland is het bodemarchief in gevaar. Met het van kracht worden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007, onderkent het Rijk dit gevaar en wil het maatregelen treffen om te zorgen dat dit verborgen verleden niet zomaar verdwijnt. De hernieuwde wetgeving - de Wamz is een herziening van de Monumentenwet 1988 - legt een grotere verantwoordelijkheid en een sturende rol neer bij de gemeentelijke overheid. Archeologische waarden en verwachtingen, en de manier om dit te beschermen, moet op verantwoorde wijze worden geïntegreerd in het ruimtelijke beleid. Uitgangspunt is, dat er op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze hoort te worden omgegaan met het archeologische erfgoed. Een goed beleidsinstrumentarium zorgt voor afgewogen beslissingen van financiële en maatschappelijke aard. Het doorvoeren van deze ontwikkelingen heeft uitwerkingen op gemeentelijk bestuurs- en uitvoeringsniveau. Het is aan de gemeente zelf om in het ruimtelijke beleid een juiste balans te vinden tussen een goede zorg voor het archeologische erfgoed en de diverse andere maatschappelijke afwegingen, die binnen het proces van ruimtelijke ordening moeten worden gemaakt. De gemeente Soest heeft met het vormgeven van haar archeologiebeleid zeker niet alleen plichten, maar ook de mogelijkheid om binnen de wettelijke kaders een eigen koers te varen en keuzes te maken. Deze koers wordt in de beleidsnota archeologie uitgezet. De gemeente Soest heeft ervoor gekozen om in het kader van de Wamz en de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2008) een gemeentelijk archeologiebeleid te formuleren. In de voor u liggende beleidsnota archeologie worden de beleidsuitgangspunten en de achtergronden ervan beschreven. Daarnaast is een instrumentarium aangeleverd dat dient ter implementatie van het beleid. Met het vaststellen van deze beleidsnota archeologie volgt implementatie van het gemeentelijk archeologiebeleid. 1.2Uitgangspunten voor een nieuw archeologiebeleid In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Europese Verdrag van Malta
(1992)voor Nederland nader uitgewerkt. De belangrijkste veranderingen betreffen: Het streven naar behoud en bescherming van archeologische waarden in de bodem; De kosten van archeologische werkzaamheden komen in principe voor rekening van de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten (veroorzakerprincipe); De archeologische monumentenzorg wordt een geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijke ordeningsproces. In het nieuwe bestel wordt daarnaast een grotere verantwoordelijkheid en een sturende rol neergelegd bij de gemeentelijke overheid. Met de beleidsuitvoering komt een aantal nieuwe taken op de gemeente af: De omgang met de archeologie binnen de gemeentegrenzen wordt primair een verantwoordelijkheid van de gemeente; De gemeente dient gebieden met (te verwachten) archeologische waarden op te nemen in bestemmingsplannen; De gemeente stelt zelf voorwaarden of verleent ontheffingen bij het verlenen van omgevingsvergunningen; De gemeente is verantwoordelijk voor (en aanspreekbaar op) haar beslissingen aangaande haar omgang met archeologische waarden. De gemeente Soest heeft voor een verantwoord archeologiebeleid een aantal beleidsinstrumenten nodig. Deze stellen de gemeente in staat de vanuit de wetgeving opgedragen taken, maar ook de eigen gemaakte keuzes zo efficiënt mogelijk uit te voeren. Daarnaast, maar zeker niet minder belangrijk, is het voorgenomen beleid erop gericht de cultuurhistorische identiteit van Soest te beschermen en versterken. De benodigde beleidsinstrumenten zijn: Beleidsnota Archeologie, die dient om het voorgestelde beleid te verantwoorden en te onderbouwen; Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart met voorschriften ten behoeve van de archeologische monumentenzorg; Archeologische waarden en verwachtingen verankeren in bestemmingsplannen (regels, toelichting en verbeelding), en in vergunningsvoorwaarden voor de omgevingsvergunning; Gemeentelijke Erfgoedverordening als instrument om nog niet geactualiseerde bestemmingsplannen ‘archeologievriendelijk’ te maken. Andere instrumenten die hier, naar wens en ambitie van de gemeente Soest, in de toekomst aan toegevoegd kunnen worden zijn: Voorlichtingsmateriaal met informatie voor aanvragers, bedrijven e.d. (via website, foldermateriaal e.d.); Gemeentelijke richtlijnen voor bureau- en veldonderzoek, en rapportage; Gemeentelijke of regionale onderzoeksagenda en selectiebeleid; Financiële regelingen of een archeologiefonds. De beleidsinstrumenten 2 t/m 4 worden in deel II van deze beleidsnota nader uitgewerkt; de instrumenten 5 t/m 8 in deel III. Gezien de serieuze financiële en maatschappelijke belangen is het een gemeentebestuur er vanzelfsprekend alles aan gelegen om over een goed beleidsinstrumentarium te beschikken. Hieruit dient te blijken dat alle belangen zijn gezien en gewogen. Uitgangspunt is dat er op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt omgegaan met het archeologische erfgoed. Daarnaast biedt het nieuwe beleid de kans om bij de inwoners van Soest het cultuurhistorisch besef te bevorderen en iets wezenlijks toe te voegen aan de historische identiteit van Soest. Het is aan de gemeente zelf om in het ruimtelijke beleid een juiste balans te vinden tussen een goede zorg voor het archeologische erfgoed en de andere maatschappelijke afwegingen die hierbij moeten worden gemaakt. I-2 Het Soester bodemarchief In de komende paragrafen wordt een beknopte bewoningsgeschiedenis gegeven van Soest. Deze informatie is afkomstig uit het in 2010 opgestelde bureauonderzoek van RAAP4De Boer e.a.
(2010). Dat onderzoek bevat een actueel en omvattend beeld van het Soester bodemarchief alsook een biografie met betrekking tot de Soester archeologie en historie. 2.1Bewoningsgeschiedenis van Soest 2.1.1Vroege Prehistorie (Steentijd: 2,5 miljoen - 4000 jaar geleden) Enkele van de oudste bewijzen van bewoning in Nederland zijn gevonden in Soest. Dit is niet zo verwonderlijk, aangezien de stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug en het Gooi de langste bewoningsgeschiedenis van ons land hebben. Rondtrekkende groepen prehistorische jagersverzamelaars hebben hier hun primitieve artefacten achtergelaten, zoals vuurstenen vuistbijlen, afslagen en rolstenen. Deze vondsten dateren uit de Vroege-Steentijd. In De Paltz zijn dergelijke vondsten gedaan. Groepjes Neanderthalers maakten in dit gebied jacht op (grote) zoogdieren, zoals het edelhert en de oude bosolifant, en ze verzamelden noten, vruchten en bessen om te overleven. Deze jagers-verzamelaars leefden in kleine kampementen; een leefwijze die duizenden jaren heeft bestaan. Het bewijs hiervan blijkt ‘slechts’ uit de achtergebleven vuursteenafslagen en (resten van) haardkuilen. Kenmerkend voor de Midden-Steentijd zijn de zogenoemde microlieten: kleine, vaak geometrische stukjes vuursteen die een pijl een harpoenachtige functie gaven, wanneer ze in een serie vlak onder de punt geplaatst werden. Het voordeel van zulke pijlen of harpoenen was dat wanneer één microliet stuk ging, het wapen nog wel effectief was. Daarnaast maken ze bloederige wonden waardoor aangeschoten wild makkelijker terug te vinden was. Behalve uit deze microlieten bestond de uitrusting van de jagers-verzamelaars ook uit vuurstenen kern- en/of afslagbijlen. Deze zullen gebruikt zijn voor (zwaardere) houtbewerking, zoals het kappen van bomen en het uithollen ervan voor de vervaardiging van boomstamkano’s. Behalve vuursteenvondsten en houtskoolconcentraties (van haardkuilen) hebben de kampementen nauwelijks sporen achtergelaten in de bodem. Toch zijn uit de gemeente Soest meerdere vondsten bekend uit de Steentijd. Verschillende clusters artefacten die duiden op de aanwezigheid van kampplaatsen zijn aangetroffen in de Lange en Korte Duinen en in het Eemland. Het is goed mogelijk dat binnen de stuifzandgebieden en op de dekzandruggen en -flanken in de gemeente nog vele restanten van dergelijke vindplaatsen aanwezig zijn. 2.1.2Late Prehistorie (Bronstijd, IJzertijd en Romeinse Tijd: 2000 v. Chr. - 450 n. Chr.) In de periode volgend op de Steentijd, de Bronstijd (2000-800 v. Chr.), trokken veel bewoners weg uit deze regio. Door het kappen van bossen en intensieve veeteelt waren de eerste heidevelden en kleinschalige zandverstuivingen ontstaan, waardoor hun akkerarealen uitgeput waren geraakt. In de lager gelegen delen van de gemeente was daarnaast mogelijk al sprake van veenvorming. In de Late Bronstijd veranderde het begravingsritueel. Waar tot voor toen de doden werden begraven (inhumatie), kwam nu de gewoonte in zwang om de doden voorafgaand aan de begrafenis te cremeren. In veel gevallen werden uit de overblijfselen van de brandstapel verzamelde menselijke botresten in een urn aan de aarde toevertrouwd, waarna het geheel door een heuveltje werd afgedekt. Ook werden de bestaande (oudere) grafheuvels voor meerdere bijzettingen gebruikt. Deze gewoonte zette zich voort tot in de IJzertijd (800-15 v. Chr.) en Romeinse tijd (15 v. Chr.-450 n. Chr.). De bekende grafheuvels in de gemeente Soest hebben een datering uiteenlopend van Late Steentijd tot en met Vroege IJzertijd. Vooralsnog zijn bewoningsresten uit de Brons- en IJzertijd niet bekend in de gemeente Soest. Aangezien er in Soest veel grafheuvels liggen, moet er vanzelfsprekend ook bewoning zijn geweest! Bewoningsresten uit deze perioden worden verwacht op de huidige (grotendeels) bebouwde eng van Soest en mogelijk ook op de flanken van de stuwwal in het zuiden van de gemeente. Gedurende de Romeinse Tijd maakte Soest geen deel uit van het Romeinse Rijk, maar lag het net benoorden het grensgebied. Van bewoning in deze periode zijn in Soest tot op heden geen aanwijzingen aangetroffen. In de 4de en 5de eeuw n. Chr. was het stuwwallengebied mogelijk een belangrijke schakel tussen de Germaanse stammen in het noorden en het wegkwijnende Romeinse Rijk in het zuiden. Aanwijzingen voor bewoning in deze periode zijn schaars in deze regio en tot op heden niet aangetoond in Soest. Het weinige archeologisch onderzoek dat gedaan is op de stuwwallen, is hier zeker debet aan. 2.1.3Vroege en Late Middeleeuwen (450 - 1500 n. Chr.) De oudst bekende schriftelijke bron die betrekking heeft op het grondgebied van Soest dateert uit de 8ste eeuw. In het jaar 777 schonk Karel de Grote een groot koninklijk domein, waarvan de 'villa Lisiduna' (het huidige Oud-Leusden, langs de Rijksweg A28) het centrum vormde, aan de bisschoppelijke Sint Maartenskerk in Utrecht. De villa omvatte 'gronden, hoeven, huizen, gebouwen, horigen, bossen en velden, weiden en hooiland, water en beken', onder meer langs de rivier de Eem. Tegelijk met de villa Leusden werden ook vier foreesten aan de Sint Maartenskerk geschonken: Hengistscoto, Fornhese, Mocoroht en Widoc of Wido. Dit waren grondgebieden buiten het gebied van de villa die op andere wijze werden geëxploiteerd. Meest aannemelijk is dat het grondgebied van de huidige gemeente Soest deel uitmaakte van het foreest Fornhese. In de Vroege Middeleeuwen was het akkerareaal nog vrij beperkt, maar dit groeide aanzienlijk naar mate de bevolking toenam. Hierop werd meer graasgebied gecreëerd, waarbij bossen werden gekapt en heidevelden werden aangelegd. Waarschijnlijk begon men in de Late Middeleeuwen (1000-1500 na Chr.) met systematische plaggenbemesting. Hierdoor ontstonden plaggenbodems, die vruchtbaarder waren en het vocht beter vasthielden dan de zandgronden. De Eng is hier een goed voorbeeld van. De ontginning van de hoger gelegen gebieden op de Utrechtse Heuvelrug was al vóór 800 n. Chr. begonnen. Door de uitputting van de grond op de stuwwal en de groei van de bevolking trok men in de 10de eeuw ook naar lager gelegen gebied. Zo is in 950-975 ook het land tussen de Grote en Kleine Melm aangepakt. Dit lijkt deel te zijn geweest van een grotere onderneming aan beide zijden van de Eem. Aan de oostzijde van de Eem (Amersfoort) liggen op heuveltjes oude boerderijen die hun oorsprong mogelijk al in deze tijd hebben. Het lager gelegen veenlandschap veranderde ook met de komst van de eerste ontginners. In de Late Middeleeuwen heeft men de natte veen- en broekgebieden rond Soest verdeeld onder de gerechtigden, en ontgonnen. Enerzijds, omdat er meer landbouwgrond nodig was, anderzijds voor de turfwinning. Hiervoor was het eerst nodig om deze natte gebieden te ontwateren, waartoe een stelsel werd aangelegd dat op de Eem afwaterde. Binnen de ontginningseenheden werden, in de afwateringsrichting, parallelle sloten gegraven. Hierdoor ontstond in deze gebieden de nog altijd herkenbare strokenverkaveling met smalle langgerekte percelen. De eerste zandverstuivingen - door uitputting van landbouwgrond - kwamen mogelijk al in de Late Steentijd voor. Het waren echter vooral de middeleeuwse ontwikkelingen die hun stempel op het landschap drukten. Door een sterke toename van de bevolking en de hiermee gepaard gaande ontginningen, intensieve ontbossing (ten behoeve van de ijzerindustrie), overbeweiding en plaggen steken, raakten veel gronden uitgeput en verdween de vegetatie. Voorbeelden hiervan zijn de Lange en Korte Duinen in Soest, maar ook de Leusderheide in Leusden. De aanwezigheid van stuifzandcomplexen in Soest wijst erop dat de akkers en heidevelden soms te intensief werden gebruikt. Kennelijk hadden ze na begrazing, afbranden of plaggensteken niet voldoende de tijd gekregen om te herstellen. Hierdoor raakten de relatief arme zandgronden snel uitgeput en verdween de vegetatie, met zandverstuivingen als gevolg. 2.1.4Nederzettingen Hees De oudst bekende nederzetting in Soest waarvan de oorspronkelijke naam nog bekend is, is Hees. Deze naam werd in het jaar 838 vermeld in verband met schenkingen van de Utrechtse bisschop aan een zekere graaf Rodgar. De graaf kreeg in Hees de beschikking over een horige familie met alle bijbehorende gebouwen en landerijen. De nederzetting Hees bevond zich hoogstwaarschijnlijk bij Den Dolder, ter hoogte van de huidige gemeentegrens tussen Soest en Zeist. In 2004-2005 is op het bedrijventerrein Fornhese in de gemeente Zeist een gedeelte van een laat-middeleeuwse nederzetting (11de-12de eeuw) opgegraven, waarbij ook resten van akkerlagen, karrensporen, zandwinningsgaten en een ronde palenconfiguratie zijn aangetroffen. Deze bewoningssporen worden toegeschreven aan de nederzetting Hees. De nederzetting heeft zich voortgezet in noordelijke en oostelijke richting. In 2001 zijn ook op het grondgebied van de gemeente Soest mogelijke sporen van de middeleeuwse nederzetting aangetroffen. Behalve het akkerland op de HezerEng hoorde ook het noordelijk daarvan gelegen Hezerveen of Laag Hees bij de nederzetting. Soest De nederzetting en de eng van Soest zijn gesitueerd op een stuwwal, bekend als de Engeberg en de Lazarusberg. De oude kern van de nederzetting werd gevormd door de Kerkebuurt, die aan weerszijden werd ingesloten door een langgerekt lint van boerderijen. Het dorp lag langs de zuidoostelijke begrenzing van de Soester Eng. De meeste boerderijen in het dorp lagen ten noorden van de Oude Kerk, tussen de huidige Lange- en Korte Brinkweg en de (voormalige) Rijksstraatweg of Bovenweg. Het terrein tussen deze wegen werd van oudsher aangeduid als de 'brink'. Deze brink schijnt oorspronkelijk een gemeenschappelijke open grasvlakte te zijn geweest, die in gebruik was voor het grazen van vee dat men dicht bij huis wilde hebben en de opslag van onder andere turf, hooi en mest. De Birkt Ten oosten van Soest is op het huidige grondgebied van de gemeente nog een derde middeleeuwse ontginningseenheid ontstaan: De Birkt. Een theorie is, dat de ontginning van De Birkt later moet hebben plaatsgevonden dan de ontginningen in de 10de eeuw. Het vermoeden is wel dat de ontginningen hier al vroeg zullen hebben plaatsgevonden, omdat de oudste zeven hoeven van Soest ook in deze omgeving lagen. In de 14de eeuw bestond het grondgebied van De Birkt voornamelijk uit lager gelegen broekgronden langs de Eem en voor een klein deel uit bossen en heidevelden op de stuwwal tussen Amersfoort en Soest. 2.1.5Nieuwe Tijd (1500 tot heden) Als gevolg van houtkap, ontginningen en overbeweiding nam de hoeveelheid bos op de Utrechtse Heuvelrug in de loop van de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd verder af. Tegen het einde van de 18de eeuw was vrijwel de gehele Utrechtse Heuvelrug ontbost en bestond het landschap hier uit uitgestrekte heidevelden en zandduinen. De introductie van de kunstmest aan het einde van de 19de eeuw maakte de functie van heidevelden als weidegebied en plaggengrond overbodig. Veel heidegebieden konden nu worden ontgonnen tot landbouwgrond. Op de Utrechtse Heuvelrug, waar de bodem minder geschikt was voor akkerbouw, werden veel heidevelden omgezet in bos. In de gemeente Soest is het merendeel van de heidegebieden in de loop van de 20ste eeuw met bos beplant. In dezelfde periode ondergaat de landbouw een sterke modernisering en schaalvergroting. Veel kleinere boeren moesten hierdoor hun bedrijf beëindigen. Bovendien werd veel cultuurgrond opgegeven als gevolg van de sterke uitbreiding van de bebouwing. Het aantal boerenbedrijven in de gemeente is daardoor in de 20ste eeuw sterk afgenomen. In de periode 1977-2007 is de ruilverkaveling Eemland uitgevoerd, die ook het gebied met broekontginningen langs de Eem omvatte. Hierbij zijn percelen samengevoegd, boerderijen verplaatst en nieuwe wegen aangelegd. In hoofdzaak is het oorspronkelijke verkavelingspatroon gehandhaafd. 2.2Beschermde dorpsgezichten Soest De gemeente Soest beschikt over één rijksbeschermd dorpsgezicht5Onder Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten worden in artikel 1 sub f van de Monumentenwet 1988 verstaan: ‘Groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden’. en acht gemeentelijk beschermde dorpsgezichten.6Gegevens uit het ‘Voorstel tot het vaststellen van beschermde dorpsgezichten’, d.d. 17-09-1992, aan de gemeenteraad van Soest. 2.2.1Rijks beschermd dorpsgezicht In 1966 heeft het Rijk in Soest een beschermd dorpsgezicht aangewezen rond de Oude Kerk: de Kerkebuurt. De Kerkebuurt in Soest is een kleine historische kern. Een van de meest karakteristieke panden hier is het voormalige Oude Mannen en Vrouwenhuis, uit
  1. Het hoogteverschil en de afleesbaarheid van de cultuurhistorische ontwikkeling maken de Kerkebuurt tot een karakteristieke plek in Soest. De forse oude boomgroepen en in niet mindere mate de hagen, dragen eveneens bij aan de karakteristiek, vooral doordat ze opvallend in het zicht liggen. Doordat het beschermde dorpsgezicht vanaf de Torenstraat als onderbreking in de rijkswegbebouwing en begeleiding met bomen duidelijk opvalt en duidelijk lager ligt, wordt de identiteit van de Kerkebuurt benadrukt. 2.2.2Gemeentelijk beschermde dorpsgezichten Kerkpad, de Soester brink Een zone van de Soester brink, globaal begrensd door de Korte Melmweg, de Lange Brinkweg, de Korte Middelwijkstraat en het Kerkpad NZ/ZZ. Het gebied vormt een overgangszone tussen de bouwlanden van de Eng en de graslanden van de Eempolder en vormde de langgerekte voormalige brink van Soest. In het zuiden grenst het gebied aan de Kerkebuurt. Een nauwkeurige lokalisering van het gebied werd aangetroffen in een document uit
  2. Gezien de structurele gaafheid van het gebied met de hierin nog aanwezige boerderijen moet het als cultuurhistorisch waardevol worden aangemerkt. De Soester Eng Het betreft hier het belangrijkste restant van de Soester Eng. Dit nagenoeg onbebouwde gebiedbezit nog het agrarische karakter en is van grote cultuurhistorische betekenis voor de identiteit van Soest. De verkaveling dateert uit de Vroege Middeleeuwen. Het restant van de Soester Eng, als hoger gelegen open bouwland doorsneden door enige landelijke wegen met het Enghenbergje als hoogste punt, bezit naast haar eigen cultuurhistorische waarden nog een aantal waardevolle relaties met de omgeving. Genoemd in dit verband wordt het zicht vanaf de Eng op de Kerktoren, de relatie tussen de Enggrond en Soest-Zuid en die tussen het Enghenbergje en de Lazarusberg. De Birkt Naast de boerderijstrook langs het Kerkpad wordt een dergelijke situatie eveneens aangetroffen langs de Birkstraat. Deze strook kan als de meest gave concentratie van boerderijen worden beschouwd, gekarakteriseerd door monumentale boerderijen en oprijlanen. Bij enkele boerderijen zijn de schaapskooien nog aanwezig die in relatie staan tot de in deze omgeving vroeger aanwezige heidevelden. Het gebied heeft een open agrarisch karakter. Mede omdat door de recente ruilverkaveling in dit gebied het agrarische gebruik en dito bestemming van een aantal percelen is beperkt, moet een verdere teloorgang van dit gebied worden voorkomen. Ruimtelijk is de grens van het te beschermen gebied vastgesteld op een afstand van 250m. uit het hart en evenwijdig aan de Birkstraat. De Paltas, de Kleine Paltz en een gebied met grafheuvels gelegen ten zuiden van de spoorlijn Amersfoort Utrecht Het landgoed de Paltz werd vroeger de "Grote Eng" genoemd, maar komt op een kaart uit 1698van du Roy voor als "Hoogh Hees". Het heeft dan nagenoeg dezelfde omtrek als de huidige Paltz en vormt een soort enclave in het woeste heide- en duingebied uit die tijd. De structuur van de verkaveling van de landbouwgronden met een vijftal hofsteden is nog steeds herkenbaar binnen het rechte lanenstelsel. De naam Paltz is van Duitse oorsprong. In 1874 liet Copijn er een landschapspark aanleggen met bijzondere boomsoorten waaronder een sequoia en andere waardevolle elementen. Aansluitend wordt ten oosten van de Soesterbergsestraat een gebied van cultuurhistorische waarde aangetroffen waarin grafheuvels zijn gesitueerd. Het landgoed Pijnenburg en Op Hees De kaart geeft nog exact het gebied aan dat in opdracht van de St. Paulus abdij van Utrecht vanaf 1399 is verkaveld als veen-ontginningsgebied met als basis de Zoom. De 14de eeuwse strokenontginning is nagenoeg geheel in tact. Het veengebied dat vroeger Laag Hees werd genoemd, werd verdeeld in 6 hoeven. Op de kaart van du Roy uit 1698 wordt de strokenontginning parallel aan de Wieksloterweg en de 6 hofsteden bij de Zoom aangegeven. In de 18de eeuw komt het gebied in bezit van de eigenaar van Pijnenburg die er gedeeltelijk parkbos van maakte. Ook het Spiehuis (op een wigvormig perceel), stamt uit die tijd. De Grote Melm Een voor de nederzettingshistorie van Soest zeer belangrijke plaats, aangelegd als los- en laadplaats ten behoeve van het vervoeren van turf afkomstig uit het Soesterveen. Het gebied Kostverloren Gebied begrensd door de Praamgracht met bebouwing die van waarde is als voorbeeld van de oude bebouwing binnen de grenzen van het landgoed Pijnenburg. Aan de Jachthuislaan (voorheen Beckeringhstraat) ligt nog de buitenplaats in landschapsstijl, de Eikenhorst, welke oorspronkelijk uit 1745 dateert. Omgeving Egghermonde, Oude Tempel, het Cenakel en het Kontakt der Kontinenten Aaneengesloten reeks van buitenplaatsen, aangelegd op de midden 17de eeuwse vakkenverkaveling van de Amersfoortsestraat. Deze buitenplaatsen vormen tezamen het belangrijkste cultuurhistorisch waardevolle gebied in Soesterberg. Bij het landhuis Egghermonde is de oorspronkelijke tuinaanleg herkenbaar, op het terrein van het Cenakel en het Kontakt der Kontinenten is de lanenstructuur met oude bomen herkenbaar die vroeger deel uitmaakte van de buitenplaats op deze plek. Het is gebruikelijk dat aangewezen beschermde dorps- en stadsgezichten in bestemmingsplannen een dubbelbestemming uit de hoofdgroep ‘Waarde’ krijgen. In de regels van het bestemmingsplan kan vervolgens worden aangesloten op het Aanwijzingsbesluit waarin de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van de bebouwing en het gebied gelegen binnen de grenzen van het beschermd dorps- of stadsgezicht zijn opgenomen. In een bestemmingsplan kunnen voor beschermde dorps- en stadsgezichten verdergaande regelingen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden worden opgenomen dan in een ‘gewoon’ bestemmingsplan. Het staat gemeenten vrij in bestemmingsplannen een beschermende regeling voor de door zichzelf aangewezen beschermde gezichten op te nemen, dit op basis van de eigen monumentenverordening. Op de verbeelding, in de toelichting en in de regels van een bestemmingsplan dienen beschermde dorpsgezichten te worden opgenomen en beschreven. Vanuit de bescherming voor het archeologisch erfgoed kunnen voorwaarden aan de sloopvergunning (als onderdeel van een omgevingsvergunning) binnen een Rijksbeschermd dorpsgezicht gekoppeld worden.7Monumentenwet, art. 41.
  3. 2.3Staat van het bodemarchief Met name in de afgelopen honderd jaar heeft het bodemarchief het zwaar te verduren gehad. Door de bouw van woningen en bedrijven, ontgrondingen, egalisatie en de aanleg van infrastructuur zijn veel archeologisch resten verstoord of mogelijk zelfs geheel verloren gegaan. Het is daarom belangrijk dat het overgebleven bodemarchief goed in kaart wordt gebracht en (waar nodig) beschermd wordt. De precieze omvang van de schade aan het bodemarchief is op voorhand moeilijk in te schatten. Uit veel archeologische onderzoeken is gebleken dat zelfs na grootschalige (ondiepe) ontgrondingen, infrastructurele werkzaamheden of de sloop van een fabriek of woning nog archeologische resten op die locaties in de bodem aanwezig zijn. De mate waarin dergelijke ingrepen in het recente verleden van invloed zijn geweest op archeologische resten, hangt sterk af van de verstoringsdiepte, funderingswijze van het (gesloopte) bouwwerk, de aan- of afwezigheid van onderkeldering etc. Tijdens archeologische plantoetsing zal dergelijke informatie zoveel mogelijk moeten worden meegenomen én meegewogen, om te bepalen of archeologisch veldonderzoek op een locatie nog voldoende informatie kan opleveren. Op voorhand is het onmogelijk om op perceelsniveau voor de hele gemeente vast te stellen in hoeverre recente bodemingrepen de archeologische resten al geheel vernietigd zullen hebben. Op de archeologische beleidsadvieskaart zijn daarom slechts de zones waarvan bekend is dat er grootschalige ontgrondingen of afgravingen (bijv. waterpartijen) hebben plaatsgevonden gekarteerd als ‘Gebied zonder archeologische waarde of verwachting’. Op bepaalde plaatsen in de gemeente is juist een beschermende ophogingslaag aanwezig, zoals het plaggendek op de Soester Eng, of de stuifzandgebieden van de Lange en Korte Duinen. Deze antropogene of natuurlijke lagen hebben een conserverende werking op de onderliggende archeologische resten. Het bepalen van de staat van het bodemarchief blijft hiermee vaak perceelsgebonden maatwerk. Historische gegevens als luchtfoto’s, hoogtekaarten, milieuonderzoeken, oude bouwtekeningen, ontgrondingsgegevens e.d. geven allemaal een beter inzicht in de staat van de bodem en de potentieel aanwezige archeologische resten. Alvorens bij bodemingrepen (boven de gestelde ondergrenzen, zie verder) bepaald wordt of archeologisch onderzoek noodzakelijk is, worden deze gegevens - indien aanwezig - geraadpleegd. I-3 Archeologiebeleid: verleden, heden en toekomst 3.1Het archeologiebeleid tot op heden Tot voor kort werd, bij gebrek aan een nader uitgewerkt en vastgesteld eigen archeologiebeleid, in de gemeente Soest aangesloten bij het provinciaal en rijksbeleid. Hierbij werden de vrij grofmazige en verouderde landelijke Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) en de provinciale Archeologische Monumentenkaart (AMK) gebruikt om de archeologisch waardevolle (verwachtings) gebieden in de bestemmingsplannen op te nemen. De provincie vervulde met behulp van deze instrumenten een belangrijke toezichthoudende en toetsende rol bij nieuwe bestemmingsplannen en vrijstellings- en wijzigingsbesluiten ex artikelen 11 en 19 van de WRO, alsmede bij het verlenen van vergunningen voor ontgrondingen. Inmiddels ligt deze verantwoordelijkheid geheel bij de gemeente zelf. Indicatieve Kaart Archeologische Waarden De IKAW is een landelijke kaart, met dus ook een (over het algemeen) landelijk opgestelde verwachting. Dit uit zich onder meer in het detailniveau van de kaart, welke te grof is om op gemeentelijk niveau (laat staan perceelsniveau) te gebruiken. Bij inzoomen blijkt al dat de verwachting per perceel niet helder is. De IKAW is ook niet gemaakt om op gemeentelijk, laat staan perceelsniveau te gebruiken; het diende om een indicatie te geven van de te verwachten kwantiteit aan archeologische resten in een bepaald gebied. Lokale verschillen zijn dus ook niet meegenomen in de beoordeling van een regio. Daarnaast beschrijft de aan de IKAW ten grondslag liggende bodemkaart slechts de bovenste 120cm van de bodem. Diepere en dus afgedekte aardkundige waarden zijn dus niet meegenomen in het verwachtingsmodel. De IKAW doet tevens geen uitspraken over de (mogelijke) diepteligging van de verwachtte archeologische sporen. 3.2Een nieuw nationaal archeologiebeleid Op 16 april 1992 werd in Valletta, de hoofdstad van Malta, het Europees Verdrag inzake debescherming van het archeologische erfgoed ondertekend. Nederland heeft dit Verdrag van Malta ook ondertekend. Ruim twee jaar later, op 25 mei 1995, is het verdrag in werking getreden. Het Verdrag van Malta is de opvolger van een eerder Europees verdrag uit 1969, waarin vooral de bescherming van archeologische monumenten werd geregeld. Uitgangspunt van het nieuwe verdrag is, dat het archeologische erfgoed al voordat het tot monument is verklaard, integrale bescherming nodig heeft en krijgt. De implementatie van het Verdrag van Malta in onze nationale wetgeving heeft plaatsgevonden in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), die op 1 september 2007 in werking is getreden. Dit is een herziening van de Monumentenwet
  4. 3.2.1Kernpunten uit de Wamz Middels de invoering van de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta voor Nederland nader uitgewerkt. De drie meest ingrijpende punten uit dit verdrag worden hieronder kort uiteengezet:8In deel II van deze nota worden deze punten verder uitgewerkt. Het streven naar in-situ behoud en bescherming van archeologische waarden. Voordat een bodemverstoring plaatsvindt, dient aangetoond te worden dat de archeologische resten in de bodem niet (onevenredig) worden geschaad. Blijkt uit de resultaten van een (bureau)onderzoek, dat waardevolle sporen in de bodem aanwezig zijn, dan moet de gemeente een belangenafweging maken. Een initiatiefnemer kan, gelet op het groot wetenschappelijk belang van de aanwezige archeologische resten, door de gemeente gevraagd worden om zijn bouwplannen aan te passen (in-situ behoud). Meestal zullen de archeologische resten echter door middel van een archeologische opgraving veilig gesteld moeten worden (ex-situ behoud). De kosten van archeologische werkzaamheden komen in principe voor rekening van de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten (‘veroorzakerprincipe’). Indien behoud in-situ niet mogelijk is, dan moeten de archeologische waarden veiliggesteld worden middels een opgraving. De Wamz kent het veroorzakersprincipe: ‘de verstoorder betaalt’. Dit betekent, dat een initiatiefnemer (vergunningaanvrager) de kosten dient te dragen van de aanpassing van zijn plannen of van het archeologisch (voor)onderzoek. De archeologische monumentenzorg wordt een geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijke ordeningsproces. De Wamz is een wijzigingswet waarmee niet alleen de Monumentenwet uit 1988 is aangepast, maar ook de Ontgrondingwet, de Wet milieubeheer, de Woningwet en de Wet ruimtelijke ordening. De nieuwe wet gaat ervan uit dat bij het maken van plannen rekening gehouden wordt met aanwezige danwel te verwachten archeologische monumenten.9Het begrip monument slaat hierbij niet op een wettelijk beschermd monument, maar op alle terreinen die zaken bevatten die ouder zijn dan vijftig jaar en ‘van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde’. (MW art. 1.b,sub 1) Daarom is voorgeschreven dat bij het maken van een bestemmingsplan de archeologische belangen worden afgewogen. Het gaat dus niet alleen maar om documentatie op het moment dat er iets wordt verstoord, maar om de afweging vooraf. Aan elk bestemmingsplan moet daarom een paragraaf worden toegevoegd waar in staat op welke plaatsen sprake is van (verwachte) archeologische waarden en hoe daarmee omgegaan dient te worden.10MW art. 38a stelt namelijk: ‘De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening […] en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten’. In navolging hierop kan de gemeente een goedgekeurd archeologisch onderzoeksrapport verlangen als voorwaarde tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Deze koppeling is logisch, omdat in het proces van de ruimtelijke ordening immers besluiten worden voorbereid, die verstrekkende gevolgen hebben voor het archeologische bodemarchief: bijvoorbeeld de bouw van woningen of bedrijfsgebouwen, de aanleg van infrastructuur of de inrichting van natuurgebieden. Een voorbeeld Wanneer in een bepaald gebied belangrijke archeologische resten worden vermoed, kan in een bestemmingsplan geregeld worden dat eerst een (verkennend) archeologisch onderzoek moet worden gedaan. Dit met als doel om vast te stellen of er ook daadwerkelijk archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, wat de waarde daarvan is. De kosten van dat onderzoek komen ten laste van de initiatiefnemer (aanvrager van de vergunning). Blijken er dan inderdaad belangrijke resten aanwezig te zijn dan dient geprobeerd te worden de plannen zodanig aan te passen dat de resten in-situ behouden kunnen worden. Als dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld, omdat er een kelder moet komen, dan is de initiatiefnemer verplicht de kosten van archeologisch onderzoek te betalen. Het is de nadrukkelijke bedoeling van de wetgever dat de initiatiefnemer op deze wijze de kosten van het onderzoek afweegt tegen zijn belang om een kelder te maken. Uit het verkennend onderzoek kan natuurlijk ook blijken dat de archeologische resten zo belangrijk zijn dat ze moeten blijven zitten. In dat geval kan geen kelder worden gebouwd. Dit soort zaken werd tot voor kort niet in bestemmingsplannen geregeld en is dus nieuw. De gemeente streeft ernaar om het verstoorders principe zodanig toe te passen dat geen onnodige verplichtingen worden opgelegd, maar dat wel het doel van de wetgeving voor ogen wordt gehouden. 3.2.2Wettelijke onderzoeksplicht De wettelijke ondergrens voor het in een bestemmingsplan, beheersverordening of omgevingsvergunning verplicht stellen van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen bedraagt 100 m2.11MW art. 41a. Door het hanteren van de IKAW is het vaak niet duidelijk of het zinvol, dan wel noodzakelijk is, om in bepaalde gebieden archeologisch onderzoek verplicht te stellen. Nadeel van deze werkwijze is, dat, gelet op het globale karakter van de IKAW, archeologische belangen bij bouwplannen zwaarder worden meegewogen, dan wanneer deze belangen worden meegewogen op basis van een kaart op gemeentelijke schaal. Er zou vaker onderzoek moeten plaatsvinden. Hierop heeft de gemeente Soest in 2008 opdracht gegeven tot het laten ontwikkelen van een Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart met voorschriften ten behoeve van de archeologische monumentenzorg. Deze kaart en het bijbehorende rapport zijn in het voorjaar van 2010 opgeleverd.12De Boer e.a.
(2010)Deze kaart, die de gemeente indeelt in zones met archeologische waarden en verwachtingen, stelt de gemeente in staat gefundeerd af te wijken van de wettelijke ondergrens van 100m2.13MW art. 41a stelt ook dat de gemeenteraad een afwijkende oppervlakte-ondergrens voor het verplicht stellen van archeologisch onderzoek kan vaststellen. Kleinschalige ingrepen kunnen zo in bepaalde zones worden vrijgesteld van de verplichtingen van ‘Malta’. Wat verantwoord kan worden vrijgesteld is afhankelijk van de archeologische waarde of verwachting, en verschilt dus per gebied. Op basis van de kennis over de spreiding en intensiteit van vondsten wordt in Soest voor sommige gebieden een strengere norm voorgesteld dan de wet als richtlijn (100m2) stelt. In andere gebieden wordt een minder strenge norm voorgesteld. Zie hiervoor paragraaf 4.2. 3.2.3Nieuwe gemeentelijke taken In Nederland worden de meeste beslissingen over de ruimtelijke inrichting genomen op gemeentelijk niveau. Begrijpelijk is dan ook dat in het nieuwe bestel (Wamz, Wro) de meeste taken en bevoegdheden zijn verschoven naar dat gemeentelijke niveau. Nieuw is dat gemeenten de rol krijgen van bevoegd gezag. De gemeentelijke zorg voor het bodemarchief is hiermee niet meer vrijblijvend, maar een (verplichte) verantwoordelijkheid. De gemeente zal dus bij ruimtelijke plannen ervoor moeten zorgen dat de archeologische belangen bekend zijn en dat deze zorgvuldig worden meegewogen in een afwegingsproces met andere (maatschappelijke, sociale, economische, ecologische) belangen. In hoofdlijnen betekent dit het volgende voor iedere gemeente: De omgang met de archeologie binnen de gemeentegrenzen wordt primair een verantwoordelijkheid van de gemeente; De gemeente dient gebieden met (te verwachten) archeologische waarden op te nemen in bestemmingsplannen; De gemeente stelt zelf voorwaarden of verleent ontheffingen bij het verlenen van omgevingsvergunningen; De gemeente is verantwoordelijk voor (en aanspreekbaar
  1. op)haar beslissingen aangaande haar omgang met archeologische waarden. 3.3Realisatie van het gemeentelijk archeologiebeleid van Soest Sinds de inwerkingtreding van de Wamz heeft de gemeente Soest diverse stappen ondernomen om tot een beter gemeentelijk archeologiebeleid te komen. De aanzet vond in 2008 plaats met de opdracht tot het vervaardigen van een Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart met voorschriften ten behoeve van de archeologische monumentenzorg (zie hoofdstuk 4). In de jaren erna kreeg het nieuwe beleid steeds meer vorm, mede door het aansluiten bij een regioverband. 3.3.1Samenwerking met buurgemeenten De gemeente Soest ligt in een landschappelijk regio die de gemeentegrenzen overschrijdt. De stuwwal, zandgronden en het Eemdal zijn niet alleen kenmerkend voor Soest, maar (deels) ook voor Amersfoort, Bunschoten en Leusden. Deze gemeenten hebben daardoor een hoge mate van overeenkomstigheid van archeologische waarden en verwachtingen. Dit is een belangrijke basis voor samenwerking en kennisdeling, en ook bij het opstellen van een archeologiebeleid. Op 26 augustus 2009 is middels een Raamovereenkomst Archeologie de regionale samenwerking met het Centrum voor Archeologie (CAR) van de gemeente Amersfoort bezegeld. De gemeenten Leusden en Bunschoten waren eerder al een dergelijke overeenkomst met het CAR aangegaan. Centrum voor Archeologie Het CAR voert al 25 jaar archeologisch onderzoek in Amersfoort uit en beschikt over de mensen en middelen om Soest bij te staan in raad en daad. Door middel van de uitbreiding van de opgravingsvergunning, die het CAR van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft verkregen op 28 oktober 2009, is zij tevens bevoegd om binnen de gemeentegrenzen van Soest archeologisch onderzoek te verrichten. Met de Raamovereenkomst Archeologie heeft de gemeente Soest een archeologische adviseur (regio-archeoloog) ter beschikking, die haar ondersteunt in het beoordelen van onderzoeksplichtige vergunningaanvragen en archeologische rapporten, het aanleveren van bestemmingsplanteksten en -regels, en andere archeologische onderzoeks- en beleidszaken. 3.3.2Startnotitie archeologie Op 8 juli 2010 heeft de gemeente Soest het CAR opdracht gegeven tot het opstellen van een Startnotitie Archeologie. In deze notitie werden drie varianten (scenario’
  2. s)om het gemeentelijk archeologiebeleid van Soest gestalte te geven voorgesteld. In de collegevergadering van 26 oktober 2010 is ingestemd met het voorgestelde scenario 2, waarmee tevens opdracht werd verstrekt tot het opstellen van deze beleidsnota. Scenario 2 is een variant, waarbij de gemeente Soest streeft naar een zekere autonomie, zowel bij het selecteren van archeologische waarden, die beschermende maatregelen behoeven, als bij de daaruit voortvloeiende acties. Op grond van een eigen Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is de gemeente Soest door middel van een Beleidsnota en Archeologieverordening in staat onderbouwd en maatschappelijk verantwoord eigen ondergrenzen vast te stellen (afwijkend van de wettelijke 100m2-grens) voor het verplicht stellen van archeologisch onderzoek. In de aanloop naar het eigen beleid zal dit scenario enige kosten met zich meebrengen, maar deze kosten worden na implementatie terugverdiend. Op grond van de in veel gevallen ruimere ondergrenzen voor onderzoek en een betere nuancering van de archeologische (verwachtings)waarden op een eigen gemeentelijke kaart, zijn minder onderzoeken nodig. Dit zorgt voor een lichtere belasting van het ambtelijk apparaat, maar pakt zeker ook gunstig(
  3. er)uit voor de burger! Zo kan een eigen archeologische verwachtingskaart gebruikt worden als een archeologische quickscan (kort bureauonderzoek) bij planbeoordeling. De kosten voor een dergelijk onderzoek hoeven in de regel dus niet meer te worden bekostigd door een initiatiefnemer, bijvoorbeeld bij een vergunningsaanvraag. Sinds de vaststelling van de Startnotitie Archeologie werkt de afdeling Ruimte al ‘in de geest van Malta’ bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen. De laatste informatie met betrekking tot bekende archeologische waarden en verwachtingen is meegenomen in de in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen Boerenstreek Overhees, Soester Eng, Klaarwater, Smitsveen en Bosstraat, Soestdijkse Grachten en Soest Midden Zuid. Hierin worden reeds de regels, toelichting en verbeelding opgenomen, afkomstig van, en geënt op de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Uitgaande van het bovengenoemde scenario 2 heeft de gemeente Soest voor een verantwoord archeologiebeleid een aantal beleidsinstrumenten nodig. Deze stellen de gemeente in staat de vanuit de wetgeving opgedragen taken, maar ook de eigen gemaakte keuzen zo efficiënt mogelijk uit te voeren. Daarnaast, maar zeker niet minder belangrijk, is het voorgenomen beleid erop gericht de cultuurhistorische identiteit van Soest te versterken. De beleidsinstrumenten worden in deel II en III van deze beleidsnota nader uitgewerkt. Deel II: Archeologische beleidsinstrumenten II-4 Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart De onderbouwing voor het archeologiebeleid van Soest vormt het bureauonderzoek van RAAP14De Boer e.a.
(2010). Uit dit onderzoek zijn diverse kaarten en een begeleidend rapport voortgekomen. De vervaardigde kaarten zijn een: Overzichtskaart van archeologische vindplaatsen. Een inventarisatiekaart met archeologische monumenten, vindplaatsen en onderzoeken; Landschappelijke eenhedenkaart. Een synthese van de geomorfologische kaart, de bodemkaart Nederland en gegevens van het Algemeen Hoogtebestand Nederland, met bekende archeologische vindplaatsen; Cultuurhistorische waarden- en archeologische vindplaatsenkaart (Late Middeleeuwen - Nieuwe Tijd). Met historisch-landschappelijke eenheden, elementen en vindplaatsen; Samengestelde archeologische verwachtingskaart. Aan de verschillende landschappelijke eenheden is voor twee archeologische hoofdperioden (jagers-verzamelaars en landbouwers) een archeologische verwachting toegekend (zie verder); Archeologische beleidsadvieskaart met voorschriften ten behoeve van de archeologische monumentenzorg (zie verder). In het bijbehorende rapport wordt een landschappelijk, archeologisch en historisch overzicht gegeven van Soest. Daarnaast wordt een inhoudelijke onderbouwing gegeven voor het toekennen van de archeologische waarden en verwachtingen aan de diverse zones binnen de gemeenten, op de beleidsadvieskaart. De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart vormen hiermee de belangrijkste eindproducten van het door RAAP uitgevoerde bureauonderzoek. Deze kaarten vormen de basis van het toekomstige toetsingskader voor planbeoordeling en verdienen daarom extra uitleg. 4.1Samengestelde archeologische verwachtingskaart De basis voor de Samengestelde archeologische verwachtingskaart wordt gevormd door de ‘onderliggende’ kaarten (kaarten 1 t/m 3; zie boven). Op de kaart zijn archeologische waarden en verwachtingen opgenomen. De bekende archeologische waarden zijn locaties en gebieden waar archeologische resten daadwerkelijk zijn aangetoond, zoals AMK-terreinen (monumenten), buitenplaatsen en bijzondere vindplaatsen. Daarnaast is er de categorie van de archeologische verwachtingszones. Deze verwachtingszones gelden voor twee archeologische hoofdperioden; die van de jagers-verzamelaars en van de (prehistorische) landbouwers (zie paragraaf 2.1). De archeologische verwachtingskaart is voor een groot deel gebaseerd op de opbouw van het landschap. De reden hiervoor is dat de verspreiding van archeologische vindplaatsen een duidelijk verband heeft met de landschappelijke gesteldheid. De samenhang tussen landschappelijke kenmerken en archeologische vindplaatsen is met name gebaseerd op de voorkeur voor vestigingslocaties (in een bepaalde periode) binnen bepaalde landschapstypen. Dit geldt vooral voor agrarische gemeenschappen. Door gebruik te maken van archeologische kennis over locatiekeuzefactoren in het verleden en de geologische, bodemkundige en waterhuishoudkundige kenmerken van het landschap, is een duidelijk onderscheid te maken tussen de verschillende waarden- en verwachtingsgebieden. Afbeelding 1: De Samengestelde archeologische verwachtingskaart van de gemeente Soest door RAAP (versie maart 2010). De archeologische verwachtingskaart maakt voor zowel het bebouwde als landelijke grondgebied van Soest inzichtelijk waar archeologische resten zich (kunnen) bevinden. De kaart biedt hiermee een actueel overzicht van de stand van kennis van het gemeentelijk bodemarchief. 4.2Totstandkoming Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Soest De archeologische verwachtingskaart met waarden en verwachtingen vormde de basis voor een eerste versie van de Archeologische beleidsadvieskaart met voorschriften ten behoeve van de archeologische monumentenzorg door RAAP.15Vanuit het gezichtspunt van het gemeentelijk beleid is een enkele kaart als eindprodukt veel praktischer dan afzonderlijke kaarten, omdat een dergelijke kaart eenduidig vertaald kan worden naar een ‘archeologie-advies’ ten behoeve van bijvoorbeeld een bestemmingsplan. Voor het achterhalen van de oorsprong van een bepaalde (verwachtings)waarde, en daarmee ook de implicaties of mogelijkheden voor het te volgen beleid, dienen de achterliggende kaarten geraadpleegd te worden. De gemeente is verdeeld in waarde- en verwachtingsgebieden. De waardegebieden betreffen de Archeologische Rijksmonumenten, de grafheuvels en de overige gebieden met een hoge archeologische waarde. De verwachtingsgebieden zijn verdeeld in de categorieën hoog, middelmatig, laag, of onbekend. Deze zones hebben hiermee verschillende implicaties: in zones met een hoge archeologische verwachting wordt de hoogste dichtheid aan archeologische vindplaatsen (m.n. nederzettingsterreinen) verwacht; in zones met een middelmatige archeologische verwachting worden archeologische vindplaatsen verwacht, maar in een lagere dichtheid dan in de zones met een hoge archeologische verwachting; in zones met een lage archeologische verwachting wordt de kans op het voorkomen van archeologische vindplaatsen respectievelijk klein of zeer klein geacht. Wel dient opgemerkt te worden dat de aanwezigheid van archeologische resten niet kan worden uitgesloten (de reeds bekende vindplaatsen in deze eenheden bewijzen dit); in zones met een onbekende archeologische verwachting zijn te weinig gegevens voorhanden om tot een betrouwbare archeologische verwachting te komen.16Deze verwachting geldt met name voor nederzettingen en nederzettingsgebonden activiteiten. Minder archeologisch zichtbare activiteiten (activiteiten uit het verleden die weinig archeologische resten hebben gegenereerd) worden in deze verwachting niet meegenomen. Voor deze verschijnselen wordt echter wel een inschatting gemaakt op basis van informatie uit vergelijkbare gebieden. De waarden- en verwachtingskaarten zijn gecombineerd tot één geïntegreerd verwachtingsbeeld: een ‘gestapelde’ Samengestelde archeologische verwachtingskaart. Bij een dergelijke gestapelde verwachtingskaart wordt van de aanname uitgegaan dat wanneer op één punt in de tijd een willekeurige locatie voor een van de archeologische hoofdperioden een hoge archeologische verwachting heeft, de samengestelde archeologische verwachting hoog is. Er wordt niet uitgegaan van een gemiddelde van de archeologische verwachtingen voor de verschillende perioden/ landschappen. De samengestelde kaart geeft dus in feite de totale archeologische verwachting weer. Afbeelding 2: De Archeologische beleidsadvieskaart met voorschriften ten behoeve van de archeologische monumentenzorg van de gemeente Soest door RAAP (versie maart 2010). In afwachting van het bestuurlijk vaststellen van de beleidsadvieskaart is al enkele maanden gewerkt met deze kaart bij het ontwerpen van bestemmingsplannen. In deze periode zijn door de gemeente Soest en het CAR enkele onvolkomenheden ontdekt in de kaart. Tevens is kritisch gekeken naar het voorgestelde beleid. Hierop zijn door het CAR enkele wijzigingen voorgesteld en verwerkt.17Deze wijzigingen zijn middels een brief (d.d. 15-04-2011) aan de afdeling Ruimte voorgelegd. Hieronder volgen puntsgewijs de aanpassingen aan de (legenda van de) beleidsadvieskaart, begeleid door een uitsnede uit de kaart met het betreffende wijzigingsvoorstel: Legenda: Voorstel tot nieuwe waarden en verwachtingindeling (met zonekleur): Wettelijk beschermde archeologische Rijksmonumenten rood met blauwe omlijning Archeologisch Waardevol Gebied 1 (AWG1) rood Archeologisch Waardevol Gebied 2 (AWG2) roze Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 1 (AWV 1) oranje Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 2 (AWV 2) licht geel Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 3 (AWV 3) licht groen Gebied waarvoor afwijkend archeologiebeleid geldt licht grijs Gebied zonder archeologische waarde / verwachting wit (blanco) Voorstel tot nieuwe beleidsadviezen-omschrijving per categorie: Rijksmonumenten: Bij bodemingrepen een Monumentenvergunning aanvragen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. AWG 1: Bodemingrepen vermijden. Bij bodemingrepen geldt een archeologische onderzoeksplicht. AWG 2: Bij bodemingrepen dieper dan 30cm en groter dan 50m2 geldt een archeologische onderzoeksplicht. AWV 1: Bij bodemingrepen dieper dan 30cm en groter dan 100m2 geldt een archeologische onderzoeksplicht. AWV 2: Bij bodemingrepen dieper dan 30cm en groter dan 500m2 geldt een archeologische onderzoeksplicht. AWV 3: Bij bodemingrepen dieper dan 30cm en groter dan 10.000m2 geldt een archeologische onderzoeksplicht. Afwijkend archeologie beleid: Bij plantoetsing binnen zone Vliegbasis Soesterberg of Militair agglomeraat Soesterberg geldend beleidsadvies uit respectievelijk BAAC-rapport V.07.014.6 (bijlage 7) en ADC ArcheoProjecten-rapport 1653 (bijlage 2) overnemen. Water / grootschalige verstoring: Geen archeologische onderzoeksplicht. Voorstel tot afvoeren van Beschermde stads- en dorpsgezichten. Deze gegevens zijn namelijk al gekoppeld aan de Monumentenverordening Soest 2010. Voorstel tot afvoeren Grens bebouwd gebied. Deze informatie is niet van belang voor de mate van archeologische waarde of verwachting. Water afvoeren. Deze legenda-eenheid heeft in de beleidsadvieskaart geen waarde / verwachting gekregen. Op de beleidsadvieskaart worden deze zones daarom als Gebied zonder archeologische waarde / verwachting vermeld. Kaart: De Landgoederen (Heezer eng / De Paltz; Vosseveld; Pijnenburg; Eickenhorst; Vredehof: zie uitsnedes, paars omlijnd) verplaatsen van AWG2 naar AWV1. De landgoederen omvatten grote gebieden, waarvan mogelijk slechts beperkte delen een archeologische waarde hebben. Met een ondergrens van 100m2 worden deze waarden voldoende beschermd. Het oppervlakte-ondergrensbeleid van de resterende AWG2 zones (Brink, Eng, Grote Melm, Nonneveld etc.) van 0m2 verruimen naar 50m2. Met een ondergrens van 50m2 worden de hier aanwezige waarden voldoende beschermd. Hiermee worden kleine bodemingrepen vrijgegeven van archeologisch onderzoek. De 50m2 oppervlakte-ondergrens sluit hiermee ook beter aan bij de Wabo-wetgeving. Desmalle strook AWG2 langs de Biltseweg (noordwestzijde van gemeente)vervangen door AWV3. Deze strook is onderdeel van een landgoed in de gemeente Baarn en loopt per abuis door op de beleidsadvieskaart van Soest. De AWV1-zones waarbij een middelhoge archeologische verwachting isopgewaardeerd naar een hoge archeologische verwachting op basis van situering binnen bebouwd gebied devalueren naar AWV2. De archeologische verwachting neemt niet toe door de ligging binnen bebouwd gebied, slechts de (mogelijke) mate van verstoring. Het betreft enkele zones rondom de stuwwal van Soest. Twee ontgrondingsgebieden indelen in categorie 8. De percelen in de hoek van Oude Leusderweg en Monnikenboschweg, en die tussen Monnikenboschweg en Heezerspoor Oostzijde (Vitens) vanwege bekende grootschalige ontgrondingen indelen in categorie 8: gebied zonder archeologische waarde / verwachting (zie uitsnede; voor precieze begrenzingen worden de originele kaartgegevens gebruikt). Twee gebieden indelen in categorie 7. Vliegbasis Soesterberg en Militair Agglomeraat Soesterberg indelen in Categorie 7. Voor deze gebieden is recentelijk een gebiedsgerichte archeologische beleidsadvieskaart opgesteld, welke reeds door het bevoegd gezag goedgekeurd zijn (zie uitsnede: voor precieze begrenzingen worden de originele kaartgegevens gebruikt). De zones water indelen in categorie 8. Water heeft geen waarde / verwachting en dient daarom in een aparte categorie opgenomen te worden; categorie 8 Gebied zonder archeologische waarde / verwachting. De lijn grens bebouwd gebied afvoeren. Zie legenda-wijzigingen. Het tracé van de Rijksweg A28. Dit tracé zal in de nieuwste versie van de kaart in de categorie Gebied zonder archeologische waarde / verwachting worden opgenomen, gezien de grootschalige bodemverstoring alhier. 4.2.1Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Soest Met het goedkeuren van deze wijzigingen en de vaststelling van de beleidsadvieskaart (versie mei 2011), zal deze de titel Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Soest krijgen. Afbeelding 3: De Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Soest (versie mei 2011). Het doel van de archeologische beleidsadvieskaart is het bieden van een beslissingskader bij de verlening van omgevingsvergunningen. Daartoe dienen de archeologische waarden- en verwachtingszones opgenomen te worden in de nieuwe bestemmingsplannen van de gemeente Soest. Bodemingrepen die de beide ondergrenzen (diepte en oppervlakte) niet overschrijden worden direct vrijgegeven van een archeologische onderzoeksplicht. Bij bodemingrepen die de beide ondergrenzen (diepte en oppervlakte) wel overschrijden geldt een onderzoeksplicht. De archeologische onderzoeksplicht bestaat uit plantoetsing door een archeologisch deskundige (van het CAR). Deze toetsing kan leiden tot archeologisch (voor)onderzoek in het plangebied, begeleiden van de bodemverstorende werkzaamheden, het in de bodem beschermen van de aanwezige archeologische resten of het vrijgeven van het plangebied. 4.2.2Legenda Archeologische beleidsadvieskaart (ondergrenzen) In de legenda van de beleidsadvieskaart staat per categorie aangegeven vanaf welke diepte- en oppervlakte-ondergrenzen bij bodemingrepen een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In tabel 1 is de legenda vertaald naar ‘situatie’ en ‘te ondernemen actie’. Tabel 1: Categorieën en ondergrenzen voor onderzoeksplicht. *18 Zie De Boer e.a.
(2010)voor de precieze omschrijvingen van de diverse categorieën en de wetenschappelijke onderbouwing ervan. *19 Een sandr (of spoelzandwaaier) is een waaiervormige afzettingsvorm die voor een ijskap of gletsjerfront gevormd is. Bij wettelijk beschermde monumenten dient altijd een vergunning te worden aangevraagd bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed als er bodemverstoring gaat plaatsvinden. Bij de grafheuvels wordt een onderzoeksplichtige ondergrens van 0cm en 0m2 voorgesteld, gezien de kwetsbaarheid van dergelijke archeologische overblijfselen. Bij de overige categorieën geldt de onderzoeksplicht pas bij bodemingrepen dieper dan 30cm én een verstoringsoppervlak van respectievelijk 50, 100, 500 en 10.000 m2. 4.3Ondergrenzen en onderzoeksplicht De voorgestelde ondergrenzen voor onderzoeksplicht (zie tabel 1) voor de verschillende archeologisch waardevolle (verwachtings)gebieden zijn een van de adviezen die voortkomen uit het bureauonderzoek van RAAP. De ondergrenzen zijn te verdelen in oppervlakte-ondergrenzen en diepte-ondergrenzen. De ondergrenzen, zowel qua diepte als oppervlakte, sluiten aan bij die gehanteerd in de regio (Amersfoort, Bunschoten, Leusden). Daarnaast zijn de ondergrenzen bepaald op grond van maatschappelijke afwegingen, waarbij onder meer op basis van vergunningverleningen is bekeken hoe de burger als initiatiefnemer van relatief kleine ontwikkelingen zo veel als mogelijk kan worden vrijgesteld van onderzoek, zonder dat dit ernstig ten koste gaat van (mogelijke) archeologische waarden. 4.3.1Oppervlakte-ondergrenzen De basis voor de voorgestelde oppervlakte-ondergrenzen vormt de wettelijke 100m2-ondergrens (MW, art. 41a). Uitzondering hierop vormen de vergunningaanvragen ter plekke van beschermde archeologische rijksmonumenten, die altijd door de RCE beoordeeld dienen te worden. De wettelijke 100m2-grens voor een archeologische onderzoeksplicht mag door een gemeenteraad beargumenteerd naar boven of beneden bijgesteld worden. De bureaustudie van RAAP richtte zich met name op de vraag, waar dient de ondergrens strenger te worden, en waar kan het ondergrensbeleid versoepelt worden. De gekozen ondergrenzen zijn mede gebaseerd op de eigenschappen van de bodem en op de aard (en de kwetsbaarheid) van het bodemarchief, dat in onze gemeente is te verwachten. Uit de bureaustudie van RAAP bleek dat er in de gemeente Soest diverse gebieden aanwezig zijnwaar een hoge archeologische waarde geldt. Dit zijn hoofdzakelijke de AMK-terreinen (Soester Eng, Brink, grafheuvels en andere bekende archeologische vindplaatsen). Voor deze Archeologisch Waardevolle Gebieden (AWG 1 en 2-gebieden) is ter bescherming van de aanwezige archeologische resten in de bodem een strengere ondergrens nodig. Voor de AWG1-gebieden (grafheuvels) is een ondergrens van 0m2 voorgesteld. Grafheuvels zijn namelijk zulke kwetsbare vindplaatsen dat iedere bodemingreep hier desastreus kan zijn. Voor vergunningaanvragen ter hoogte van een grafheuvel, of zijn directe omgeving (straal van enkele meters eromheen), is altijd een archeologietoets nodig door het bevoegd gezag! Voor de AWG2-gebieden (Eng, Brink, boerderijplaatsen, vindplaatsen) is een ondergrens van 50m2 voorgesteld. In deze gebieden zijn archeologische resten in de bodem aanwezig die bij geringe bodemverstoring al vernietigd kunnen worden. Om kleine ‘huis-tuin-en-keukenprojecten’ toch vrij te stellen van een archeologische onderzoeksplicht, is de grens van 50m2 voorgesteld. Voor de Archeologisch Waardevolle Verwachtingsgebieden (AWV 1, 2 en 3-gebieden) vindt de gemeente het niet nodig een strengere ondergrens op te stellen dan de wettelijke ondergrens van 100m2. Waar de gemeente het mogelijke acht, zal de ondergrens zelfs verruimd worden. Voor de AWV1-gebieden, met een hoge archeologische verwachting, kiest de gemeente in haar ondergrensbeleid voor aansluiting bij de wettelijke 100m2-grens. Voor de AWV2-gebieden, met een middelhoge (of onbekende) archeologische verwachting, verruimt de gemeente de ondergrens naar 500m2. In deze gebieden zijn veelvoorkomende bodemingrepen, bijvoorbeeld de bouw van een woning, kleiner dan 500m2 vrijgesteld van een archeologische onderzoeksplicht. Voor de AWV3-gebieden, met een lage archeologische verwachting, verruimt de gemeente de ondergrens naar 10.000m2. In deze gebieden zijn bodemingrepen toegestaan, tenzij sprake is van grootschalige ontwikkelingen waarbij bodemverstoring groter dan 10.000m2 optreedt. De oppervlakte-ondergrens van het projectgebied betreft bij bestemmingsplanwijzigingen, ontheffingen en projectbesluiten het totale gebied waar een (nieuwe) bestemming wordt opgelegd. Omdat het Verdrag van Malta van het principe in situ- bescherming uitgaat, is het zaak voor die delen die - vooralsnog - niet verstoord worden een beschermingsregime op te leggen. Bij een bouw- of aanlegactiviteit (middels omgevingsvergunning) wordt voor de ondergrens uitgegaan van het omtrek-oppervlak binnen het projectgebied waar daadwerkelijk bodemverstoring gaat plaatsvinden. Als voor een projectgebied twee of meer categorieën gelden, dan geldt de hoogste verwachting/waarde voor het gehele terrein. 4.3.2Diepte-ondergrenzen Naast de oppervlakte-ondergrenzen zijn er ook diepte-ondergrenzen geformuleerd. Voor de AWG1-gebieden geldt een ondergrens van 0cm onder maaiveld. De prehistorische grafheuvels in deze gebieden liggen direct aan het oppervlak / maaiveld en daardoor uiterst kwetsbaar voor elke vorm van bodemverstoring! Veel grafheuvels zijn zelfs al door hun iets hogere ligging in het landschap herkenbaar. Voor alle overige waardevolle (verwachtings)gebieden geldt een diepte-ondergrens van 30cm onder maaiveld. Er is voor gekozen in deze gebieden een dergelijke ondergrens te hanteren, omdat de bouwvoor in deze regio normaliter ca. 30cm dik is.18Indien middels archeologisch bureauonderzoek en bodemkundige / verkennende boringen is vastgesteld dat de bouwvoor in een plangebied aanzienlijk dikker is dan 30cm, dan kan afgeweken worden van de ‘dieper dan 30cm-regel’. Indien dit geen nadelige gevolgen heeft voor het aanwezige of verwachte bodemarchief kan de ondergrens dan gelegd worden op de minimaal aangetoonde dikte van de aanwezige bouwvoor, inclusief een kleine marge. Onder deze bouwvoor bevindt zich de overgang naar de archeologisch interessante ondergrond, zoals oud akkerland, podzolbodems, dekzand e.d. Verstoringen dieper dan 30cm onder maaiveld zouden dus al een verstoring van het bodemarchief kunnen betekenen. 4.3.3Onderzoeksplicht Met het indelen van archeologische waarden in bestemmingsplancategorieën, het (gemotiveerd) stellen van ondergrenzen ten aanzien van onderzoeksplicht voor de diverse categorieën en het opnemen van bestemmingsplanvoorschriften, is getracht een verantwoorde balans te vinden tussen enerzijds wetenschappelijke en cultuurhistorische belangen en anderzijds de maatschappelijke en praktische uitvoerbaarheid. Hieruit voortgekomen zijn twee soorten beleidsadviezen gedefinieerd: ‘archeologische onderzoeksplicht’ bij overschrijding van de gestelde ondergrenzen, en ‘geen archeologische onderzoeksplicht’ bij het niet overschrijden van de gestelde ondergrenzen. Als een eerste interne archeo-toets door de behandelend ambtenaar (vooroverleg Omgevingsvergunning, zie volgende paragraaf: Beslisboom) aangeeft dat archeologisch onderzoek op basis van de beleidsadvieskaart noodzakelijk is, zullen de bodemverstorende plannen ter toetsing aan het CAR voorgelegd worden. Pas dan zal exact worden bekeken in welke vorm het onderzoek plaats dient te vinden. Ook kan het betekenen dat bij nader inzien, op inhoudelijke gronden, toch geen onderzoek nodig is. De onderzoeksplicht zoals gesteld in de bijlage van de beleidsadvieskaart (zie ook tabel hierboven) is dus niet per definitie een archeologisch veldonderzoek. De onderzoeksplicht behelst het ‘ter toetsing overleggen van de plannen aan het bevoegd gezag’. Vervolgens vindt een beoordeling van de plannen (verstorende bodemingrepen) plaats door een archeologisch deskundige.19De gemeente Soest beschikt over een archeologisch deskundige, in de vorm van een regio-archeoloog. Deze is ter beschikking op basis van de Raamovereenkomst Archeologie met het Centrum voor Archeologie van de gemeente Amersfoort. Het onderzoek kan vervolgens bestaan uit een nadere bureaustudie (archeologische quickscan) door het Centrum voor Archeologie, op basis waarvan de plannen alsnog worden vrijgegeven van verder archeologisch onderzoek, of uit het advies aan het bevoegd gezag om de vergunningaanvrager te verplichten tot het doen van een (verkennend of karterend) veldonderzoek. 4.4Beslisboom omgevingsvergunningaanvraag (vooroverleg) In de bijlagen is een beslisboom opgenomen, die het beoordelingstraject van een bouw- of aanlegplan weergeeft. Het traject wordt doorlopen door de behandelende ambtenaren binnen de omgevingsvergunningaanvraag. De beslisboom toont wanneer plannen ter toetsing aan het CAR overlegd moeten worden. Pas dan wordt gekeken of er daadwerkelijk archeologisch onderzoek noodzakelijk is, en zo ja, welk soort onderzoek het beste is voor de betreffende locatie en plan. Ook kan blijken dat de vergunning toch zonder verdere voorwaarden verleend kan worden, bijvoorbeeld, omdat er nieuwe informatie (recente verstoring, voortschrijdend inzicht e.d.) over de locatie bekend is. II-5 Bestemmingsplannen In de Monumentenwet20Dit komt voort uit de Wamz, die stelt dat het bestemmingsplan het geijkte instrument is om archeologische en cultuurhistorische waarden op verantwoorde wijze te integreren binnen de ruimtelijke ordening. (MW, art. 38a) wordt gesteld dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.21De definitie van de Monumentenwet voor ‘monumenten’is: “alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde” (MW, art. 1, sub b. lid 1) en “terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar aanwezige zaken als bedoeld onder 1” (MW, art. 1, sub b. lid 2). De gemeente Soest houdt vanaf oktober 2010 (vaststelling Startnotitie Archeologie) bij vaststelling of wijziging van bestemmingsplannen al rekening met de (verwachte) aanwezigheid van archeologische waarden, zoals aangegeven op de beleidsadvieskaart. Per bestemmingsplan wordt daarbij ingezoomd op de archeologische verwachting en zal geprobeerd worden deze te specificeren en verder te onderbouwen. Daarbij wordt indien bekend ook rekening gehouden met mogelijke verstoringen en de diepte waarop de archeologische resten te verwachten zijn.22In diverse voorontwerpen van nieuwe bestemmingsplannen in Soest is archeologie inmiddels al volwaardig opgenomen. Dit geldt onder meer voor de (voorontwerpen van
  1. de)bestemmingsplannen Richelleweg, Soestdijkse Grachten, Soester Eng, Soest Midden Zuid, Boerenstreek Overhees en Klaarwater Smitsveen. Ten aanzien van de planologische bescherming van archeologische waarden bij de vaststelling van bestemmingsplannen gelden de volgende uitgangspunten, welke in de volgende paragrafen uiteengezet worden: in de toelichting op de bestemmingsplanregels wordt aangegeven waarom de aangewezen terreinen vanuit archeologisch oogpunt bescherming verdienen. Hier ligt een belangrijke relatie met het archeologiebeleid zoals geformuleerd in een Beleidsnota archeologie; in de regels wordt vastgelegd welke gevolgen de gemeente Soest verbindt aan de aanwezigheid van archeologische waarden of verwachtingen bij geplande bouwactiviteiten of andere bodemverstorende activiteiten. Die gevolgen kunnen zeer uiteenlopend zijn, variërend van ‘geen gevolgen voor de geplande bodemingrepen’ via ‘eerst onderzoeken, dan uitvoeren van geplande bodemingrepen’ tot en met ‘geen bodemverstoring, maar behoud in de bodem’; de archeologische waardevolle (verwachtings)gebieden worden opgenomen in de verbeelding; het is niet verplicht om wettelijk beschermde archeologische terreinen (rijksmonumenten) op de verbeelding aan te duiden. Met het oog op volledigheid van de informatie wordt echter geadviseerd de contouren van rijksmonumenten op de verbeelding op te nemen; de voorwaarden voor het verlenen van de omgevingsvergunning worden hierop aangepast. 5.1Toelichting In de toelichting van het bestemmingsplan komen een algemene archeologische paragraaf en een gebiedsspecifieke archeologische paragraaf. De algemene paragraaf behandelt onder meer de wetgeving waarbinnen de archeologische verplichtingen vallen, welke (beleids)keuzes de gemeente Soest heeft gemaakt en welke instrumenten ze hierbij hanteert. De gebiedsspecifieke paragraaf zoomt - met behulp van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaarten - in op het bestemmingsplangebied en omschrijft de diverse aanwezige waarden- en verwachtingsgebieden, hun inhoudelijke archeologische (en historische) kenmerken en het geldende beleidsregime, en verwijst naar de geldende regels (artikelnummers). 5.2Regels Aan de verschillende categorieën opgenomen op de Archeologische beleidsadvieskaart (en de verbeelding) worden door middel van bestemmingsplanvoorschriften regels verbonden. De beleidsadviezen uit de legenda-eenheden van de beleidsadvieskaart dienen hiervoor in het bestemmingsplan in standaardregels te worden omgezet. Een uitzondering geldt voor de wettelijk beschermde Rijksmonumenten (onderdeel van categorie 1), die direct door de Monumentenwet beschermd worden. Met het indelen van archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplancategorieën, het (gemotiveerd) stellen van ondergrenzen ten aanzien van onderzoeksplicht voor de diverse categorieën en het opnemen van bestemmingsplanregels, wordt een verantwoorde balans gezocht tussen enerzijds wetenschappelijke en cultuurhistorische belangen en anderzijds de maatschappelijke belangen en praktische uitvoerbaarheid.23De standaardregels voor de vijf waarden- en verwachtingscategorieën zijn in de bijlagen opgenomen. Het betreffen regels voor alle waarden- en verwachtingsgebieden (AWG1, AWG2, AWV1, AWV2, AWV3). 5.3Verbeelding Ter bescherming van archeologische waarden door middel van het bestemmingsplan zal in vrijwel alle gevallen aan de betreffende gebieden een dubbelbestemming worden toegekend. In de nieuwe Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2008) wordt in dit kader gesproken van een dubbelbestemming Waarde-Archeologie (WR-A) op de verbeelding (voorheen: plankaart). Een onderscheid tussen de categorieën wordt op de verbeelding kenbaar gemaakt door een numerieke toevoeging (bijv. WR-A1). De nummerieke toevoeging verwijst naar de betreffende bestemmingsplanregel, waarin de ondergrenzen omschreven worden. 5.4Rijksmonumenten Van een beperkt aantal terreinen is vastgesteld dat zich in de ondergrond archeologische resten bevinden die van dusdanig nationaal belang zijn dat bescherming in situ noodzakelijk is. Deze terreinen zijn aangemerkt als archeologisch rijksmonument. In de gemeente Soest liggen 8 archeologische rijksmonumenten.24De rijksbeschermde terreinen met een zeer hoge archeologische waarde in de gemeente Soest betreffen allemaal specifieke complexen, namelijk kampjes van jagers-verzamelaars (Laat Paleolithicum-Vroeg Neolithicum) of grafheuvels (Laat Neolithicum-Vroege IJzertijd). Dit zijn terreinen van zeer hoge archeologische waarde (terreinen van oudheidkundige betekenis die op grond van door de RCE gehanteerde criteria: kwaliteit, zeldzaamheid, contextwaarde) die zijn aangewezen als behoudenswaardig. Ze zijn beschermd middels de Monumentenwet 1988. Voor deze terreinen geldt dat alle voorgenomen ingrepen/werkzaamheden vergunningplichtig zijn. Bij vergunningsaanvragen (monumenten-vergunning) voor bodemingrepen binnen deze specifieke terreinen treedt het rijk (RCE) op als bevoegd gezag. Zij bepaald of de vergunning (onder voorwaarden) verleend kan worden. Het is niet verplicht om wettelijk beschermde archeologische terreinen (rijksmonumenten) op de verbeelding aan te duiden. Met het oog op volledigheid van de informatie wordt echter geadviseerd de contouren van het rijksmonument op de verbeelding op te nemen. Een koppeling met de regels is niet nodig, aangezien het beschermingsregime van archeologische rijksmonumenten is geregeld via de Monumentenwet, en het rijk hier bevoegde overheid is. 5.5Omgevingsvergunning De omgevingsvergunning is een vergunning die in Nederland op 1 oktober 2010 werd ingevoerd ter vervanging van de verschillende vergunningen voor wonen, ruimte en milieu. De omgevingsvergunning komt in de plaats van de milieuvergunning, bouwvergunning, sloopvergunning, aanlegvergunning, de gebruiksvergunning, de monumentenvergunning en de natuurbeschermingswetvergunning alsmede vergunningen voor indirecte lozingen, kap-, reclame-, aanleg-, en uitritvergunningen. Het project omgevingsvergunning is onderdeel van het programma 'Modernisering VROM-regelgeving'. Dit programma heeft tot doel het aantal wetten en regels op het gebied van de fysieke leefomgeving flink te verminderen en te verbeteren. De omgevingsvergunning is er een onderdeel van. De belangrijkste verandering voor de aanvrager is dat deze te maken krijgt met minder vergunningen en dus minder procedures hoeft te doorlopen. De omgevingsvergunning kan bij één loket bij de gemeente worden aangevraagd. Hiervoor gaat één procedure gelden waarop één besluit volgt. Voor beroep tegen dat besluit zal er één beroepsprocedure zijn. De omgevingsvergunning is wettelijk geregeld met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Naast bouwactiviteiten (voormalige bouwvergunning) zijn meerdere soorten graafwerkzaamheden vergunningplichtig, zoals het afgraven en verplaatsen van grond, het graven van sloten en het aanleggen van verhardingen, het aanleggen van wegen en paden, het verwijderen van boomstronken en dergelijke (voormalige aanlegvergunning). In deze procedure geldt een zogenoemde fatale termijn. Dat wil zeggen dat de vergunning, als die niet tijdig is verstrekt, automatisch (van rechtswege) wordt verstrekt. De uitgebreide procedure geldt voor meer complexe projecten waar een belangenafweging en inspraakmogelijkheid nodig is, zoals voor het bouwen van een bedrijf in afwijking van het bestemmingsplan. De vergunning vereist dan maatwerkvoorschriften voor het betreffende project. In de uitgebreide procedure geldt de fatale termijn niet. Het bevoegd gezag voor de vergunningverlening, is ook bevoegd toezichthouder op de naleving van de voorschriften die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning. Vanuit de bescherming van archeologische en monumentale waarden en de eigenschappen van een beschermd gezicht is een aantal ingrepen aangewezen als vergunningplichtig: Slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een gebouwd rijksmonument, of het zodanig herstellen of (laten)gebruiken van een gebouwd rijksmonument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht (Wabo, artikel 2.1. lid 1 onder f); Hetzelfde geldt ook voor gemeentelijke en provinciale monumenten (gebouwde en archeologische) mits deze activiteiten in een gemeentelijke of provinciale verordening zijn opgenomen als vergunningplichtig (Wabo, artikel 2.1 lid 1 onder h); Sloop van een bouwwerk binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht (Wabo, artikel 2.1 lid 1 onder h); Bovenstaande geldt ook voor gemeentelijke en provinciale gezichten, mits deze sloopactiviteit in de verordening of in het bestemmingsplan als vergunningplichtig is aangemerkt (Wabo, artikel 2.2 lid 1 onder c); Activiteiten die in een bestemmingsplan als vergunningplichtig zijn aangemerkt.25www.cultureelerfgoed.nl Archeologie en vergunningsvrij bouwen Het vergunningvrij bouwen is bedoeld om het voor de burger makkelijker te maken: minder regels, minder rompslomp, minder ellenlange procedures en lagere kosten. Voor veel kleine bouwwerken op achtererven hoeft geen vergunning meer te worden gevraagd. De overheid heeft getracht de effecten van het vergunningvrij bouwen op de ruimtelijke kwaliteit te minimaliseren. Vandaar dat de regeling beperkt is tot achtererven, en dat voor de omvangrijke vergunningvrije bouwwerken niet getornd wordt aan de bepalingen uit het bestemmingsplan. Vergunningvrij bouwen is niet toegestaan bij monumenten en in door het rijk beschermde stads- en dorpsgezichten. Ook geldt de absolute ondergrens uit de welstandsnota, zodat excessen op het gebied van de beeldkwaliteit gerepareerd kunnen worden. Met de Wabo en het bijbehorende Besluit Omgevingsrecht (BOR) worden vele soorten vergunningvrije bouwwerken mogelijk gemaakt. Een tweedeling kan gemaakt worden tussen enerzijds kleine vergunningvrije bouwwerken (de complete lijst vergunningvrije bouwwerken in deze categorie staat in art. 2 van bijlage II van het BOR) en omvangrijke vergunningvrije bouwwerken (de regels voor deze categorie staan in art. 3 van bijlage II van het BOR). Het blijkt dat gemeenten nauwelijks mogelijkheden hebben om het kleine vergunningvrije bouwen te beïnvloeden. De nationale regels zijn hier leidend. Alleen bij cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden die op de gemeentelijke, provinciale of rijks-monumentenlijst staan, is vergunningvrij bouwen niet toegestaan. Ook voor kleine bouwwerken is dan een vergunning vereist, die om advies wordt voorgelegd aan de welstands- en monumentencommissie. Door plaatsing van waardevolle gebouwen op de lokale monumentenlijst kan een gemeente de aan- en bijgebouwen dus onder het vergunningenregime brengen. Daarnaast heeft de gemeente meer instrumenten om de invloed van het omvangrijke vergunningvrije bouwen op de ruimtelijke kwaliteit te reguleren. Zie voor een uitgebreide uitweiding over dit onderwerp en een lijst van instrumenten die de gemeente kan hanteren de publicatie Vergunningvrij bouwen en ruimtelijke kwaliteit. Een handreiking voor gemeenten en welstandcommissies. 26F. ten Cate, Vergunningvrij bouwen en ruimtelijke kwaliteit. Een handreiking voor gemeenten en welstandcommissies, Amsterdam 2010 (via www.cultureelerfgoed.nl). De precieze gevolgen hiervan voor het archeologisch erfgoed zijn op het moment van opstellen van deze nota nog onbekend. II-6 Erfgoedverordening De integratie van het archeologiebeleid in de gemeentelijke ruimtelijke ordening hoeft (en kan) niet in één keer gebeuren. Met de aanwijzing van bestemmingsplannen als sturend element, kiest de Wamz voor een ingroeimodel. Archeologie dient verplicht te worden meegenomen in het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en bestemmingsplannen die worden herzien/gewijzigd. Aangezien bestemmingsplannen binnen een termijn van tien jaar herzien moeten worden, leidt deze bepaling er toe dat op termijn alle bestemmingsplannen ‘archeologievriendelijk’ zullen zijn. Aangezien de meeste gemeenten niet op stel en sprong alle bestemmingsplannen ‘archeologievriendelijk’ hebben (bijvoorbeeld, omdat er voor 2010 een aantal niet-archeologievriendelijke bestemmingsplannen is vastgesteld) voorziet de Wamz in een vangnetconstructie in de vorm van een verordening (MW art. 38). Op basis van een archeologieparagraaf in de Erfgoedverordening is er voor niet-archeologievriendelijke bestemmingsplannen een juridische basis om archeologische (verwachtings)waarden veilig te stellen, voorafgaand aan bodemverstorende werkzaamheden. Uiteraard alleen geldend indien een vergunningsaanvraag de gehanteerde ondergrenzen overschrijdt. De verordening regelt tevens hoe de aanwijzing tot gemeentelijke archeologische monumenten in zijn werk gaat, welke archeologische verplichtingen er (kunnen) gelden, de mogelijkheden voor vrijstelling van archeologisch onderzoek etc. Een bijkomend voordeel is, dat een verordening veel dynamischer is dan een bestemmingsplan, dat voor 10 jaar wordt vastgelegd. Een bestemmingsplan staat overigens boven de verordening. Zodra alle bestemmingsplannen archeologievriendelijk zijn, dient te worden gekeken welke rol de Erfgoedverordening op het gebied van de archeologie nog moet spelen. De gemeente Soest heeft op 28 oktober 2010 - in navolging op het van kracht worden van de Wabo - een nieuwe Monumentenverordening vastgesteld. De oude Monumentenverordening dateerde uit 1997. Tijdens overleg op 4 augustus 2010 tussen de afdeling Ruimte van de gemeente Soest en het CAR is door beide partijen de wens uitgesproken, dat in een later stadium een onderdeel Archeologie aan de Monumentenverordening toegevoegd wordt, om zo tot een Erfgoedverordening Soest te komen. Als format hiervoor zal gebruik worden gemaakt van de Model Erfgoedverordening van de VNG. Deel III: Archeologische monumentenzorg in de praktijk III-7 Het AMZ-proces in stappen De zorg voor het archeologisch erfgoed behelst behalve een beleidsmatig proces vooral ook een keten van diverse uitvoerende onderzoeksvormen: het AMZ-proces genoemd. Het AMZ-proces is een vorm van trechtering, waarbij meestal begonnen wordt met betrekkelijk eenvoudige (en minder kostbare) onderzoeksmethoden. De meer complexe werkzaamheden worden pas later in het proces toegepast op vindplaatsen waar in het belang van een onderbouwd selectiebesluit nader onderzoek noodzakelijk is. Zo wordt via een proportionele inzet van middelen gekomen tot een afweging van het archeologische belang in het kader van de ruimtelijke ordening. In gevallen waar voldoende duidelijkheid is omtrent de archeologische verwachting, kan om het planproces te versnellen, overwogen worden om bepaalde stappen achterwege te laten. Deze afweging vindt plaats in overleg met een deskundige op het gebied van de AMZ.27 Soest beschikt over diverse deskundigen op het gebied van de AMZ middels de Raamovereenkomst Archeologie met het CAR van de gemeente Amersfoort. 7.1Onderdelen van het AMZ-proces Het AMZ-proces dient te leiden tot de vraag of er een omgevingsvergunning (voor bouw- ofaanlegwerkzaamheden) binnen een aangewezen archeologische zone kan worden verleend (selectiebesluit) en zo ja, of dit onder bepaalde voorwaarden dient te gebeuren. Hiervoor kent het AMZ-proces de volgende fasen Inventarisatie, Selectie en Maatregelen (zie figuur 1). Hierbinnen vinden diverse processtappen plaats: Bureauonderzoek (en opstellen van Programma van Eisen (PvE)); Inventariserend veldonderzoek (verkennende/karterende/waarderende fase); Archeologische opgraving; Archeologische begeleiding; Bescherming/vrijgeven (middels selectiebesluit) Figuur 1: Het AMZ-proces in schematische vorm weergegeven. Iedere fase eindigt met de afweging of er voldoende informatie is verzameld om een verantwoorde beslissing over eventuele vervolgacties te kunnen nemen. Als er niet voldoende bekend is over de aard en kwaliteit van de archeologische resten (en dus over de gevolgen van de geplande ingreep) kan de gemeente verlangen dat de initiatiefnemer onderzoek laat verrichten om dit in kaart te brengen. Op basis van het onderzoeksrapport daarover, neemt de gemeente een besluit over het al dan niet verlenen van een vergunning en of daaraan nadere voorwaarden worden verbonden: aanpassing van het ontwerpplan (behoud in situ), een opgraving of begeleiding van de werkzaamheden (behoud ex situ). Het Verdrag van Malta, en daarmee ook de Wamz, heeft als doelstelling het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk te beschermen in de bodem. Als behoud in situ echter niet mogelijk blijkt, kan worden besloten tot een archeologische opgraving voorafgaand aan de planuitvoering. Vanuit de beleidsoptiek van de wet is een opgraving ook een vorm van behoud: behoud ex situ. Of voor een opgraving gekozen wordt, is afhankelijk van een afweging die gemaakt moet worden, waarbij economische argumenten afgewogen worden tegen archeologische argumenten. Indien minder waardevolle archeologische resten worden aangetroffen, kan het nodig zijn om tijdens de planuitvoering archeologische begeleiding te laten uitvoeren. De resultaten van een inventariserend archeologisch onderzoek kunnen ook zodanig zijn dat er geen verdere beperkingen gelden ten aanzien van de geplande ingrepen. Het proces voorafgaand aan bodemverstorende ingrepen in een gebied draait alleen om de vraag: is er sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? Dit wordt vastgesteld middels een opgestelde puntentelling (‘waardestelling’) aan de hand van vastliggende criteria in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Ten behoeve van de besluitvorming formuleert en onderbouwt de archeologisch uitvoerder (een gekwalificeerd bedrijf of instelling) de waardestelling en legt dit in een onderzoeksrapport vast middels een selectieadvies. Een definitieve uitspraak over deze behoudenswaardigheid wordt door het bevoegd gezag gedaan en selectiebesluit genoemd. Richtlijnen Voor alle stappen binnen het AMZ-proces gelden vastgelegde richtlijnen, protocollen en leidraden. De uitvoering van de diverse stappen dient plaats te vinden conform specificaties vastgelegd in de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). Daarnaast geldt, op basis van de Monumentenwet 1988 (art. 45), dat voor de stappen inventariserend veldonderzoek, opgraven en archeologische begeleiding de uitvoering alleen is voorbehouden aan bedrijven met een opgravingsvergunning. Het uitvoeren van IVO-overig (boren, veldkartering) dient te geschieden op basis van een door een senior archeoloog opgesteld Plan van Aanpak (PvA). Wettelijk hoeft een PvA niet door het Bevoegd Gezag te worden goedgekeurd, maar de gemeente Soest heeft in de gemeentelijke richtlijnen inzake archeologie vastgelegd dat zij de mogelijkheid wil krijgen PvA’s te toetsen. Het uitvoeren van de stappen IVO-proefsleuven, archeologische begeleiding en opgraven, alsook fysieke bescherming dient plaats te vinden op basis van een door het Bevoegd Gezag goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE), opgesteld onder verantwoordelijkheid van een senior-archeoloog. Hieronder worden de diverse stappen uit het AMZ-proces behandeld. 7.2Bureauonderzoek en opstellen van PvE’s Tijdens het bureauonderzoek wordt informatie verworven, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied, omvattend de aan- of afwezigheid, aard en omvang, datering, gaafheid en conservering en relatieve kwaliteit daarvan. Het raadplegen van de archeologische verwachtingskaart inclusief achterliggende informatie voorziet in hoge mate in de noodzakelijke informatie ten behoeve van een bureauonderzoek. Voor de historische kern(
  2. en)dienen in ieder geval nog de beschikbare historische kaarten geraadpleegd te worden (bijv. kadastrale kaarten van rond 1830). Indien relevant dient in deze fase tevens lokaal aanwezige expertise (gemeentearchief, historische kring, vereniging van amateurarcheologen, Centrum voor Archeologie Amersfoort) te worden geraadpleegd. Het bureauonderzoek resulteert in een advies voor het vervolg. Er zijn 2 mogelijkheden: het kan zijn dat er niets hoeft te gebeuren, of het kan zijn dat ten behoeve van de besluitname inzake de vergunningverlening een inventariserend veldonderzoek nodig is. Als het gaat om gravend onderzoek zal een PvE moeten worden opgesteld door een daartoe bevoegd archeoloog. Een gecertificeerd bureau kan hiervoor opdracht verleend worden. Het CAR is ook bevoegd PvE’s op te stellen. Het bevoegd gezag toetst vervolgens dit PvE en stelt het vast. Voor booronderzoeken is een PvE niet verplicht. Wel dient voor elk booronderzoek een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld te worden dat deel uitmaakt van het onderzoeksvoorstel. De gemeente Soest heeft in de gemeentelijke richtlijnen opgenomen dat zij graag de PvA’s voorafgaand aan het veldonderzoek toetst. Bij het stellen van voorwaarden zal er op worden gelet om de kosten voor de initiatiefnemer te beperken. Op basis van de resultaten van een (waarderend) onderzoek kan bijvoorbeeld met de initiatiefnemer overeen gekomen worden het bouwplan met zo min mogelijk verstoring uit te voeren, bijvoorbeeld door aanpassing van het palenplan.28In geval van het funderen van een huis of schuur middels palen, is uit studies gebleken dat schroefpalen minder schadelijk voor het bodemarchief zijn dan (geslagen) heipalen. Daarnaast is het aantal gebruikte palen bepalend voor de mate van verstoring. Deze zorgen naast directe verstoring van de bodem (diameter paal en directe zone eromheen) ook voor een indirecte verstoring, door aantasting van het grondwaterniveau e.d. Dit kan zeer schadelijk zijn voor de conserverende toestand van de bodem ter plekke. Zie voor literatuur Caspers, S., W. Knol & H. Kars, Richtlijnen voor Maatwerk. Onderzoeksrapport project Archeologievriendelijk bouwen en fysiek behoud. Instituut voor Geo- en Bioarcheologie, VU, Amsterdam 2011. Groenendijk, M.J., Archeologievriendelijk bouwen op de Koningshof te Gouda, Gouda 2009. Keunen, L.J. & F. de Roode, ‘Archeologisch beleid m.b.t. onderzoek en bouwen in de gemeente Harderwijk’, RAAP-rapport 1921, Weesp, 2009. Ook zal de in het verleden reeds verzamelde kennis over een gebied zoveel mogelijk worden ingezet om de kosten zo laag mogelijk te houden. Het staat de particuliere initiatiefnemer van ruimtelijke ingrepen vrij om voor de uitvoering van archeologisch onderzoek dat hij zelf moet betalen een keuze te maken uit (vergunninghoudende) aanbieders op de archeologische markt. Behalve het Centrum voor Archeologie van de gemeente Amersfoort zijn er in de regio nog meer gecertificeerde onderzoeksbureaus werkzaam (zie hiervoor www.voia.nl). Archeologische eisen werken voor een initiatiefnemer kostenverhogend. In veel gevallen zijn deze kosten ondergeschikt aan de totale (bouw)kosten. In sommige gevallen kunnen de kosten van archeologisch onderzoek zo hoog zijn, dat ze niet meer in verhouding staan tot de volledige (bouw)kosten. Toch kan het maatschappelijk belang eisen, dat het bouwplan doorgang vindt. De gemeente Soest gaat de komende jaren kijken of hier een gemeentelijke regeling voor moet worden getroffen, die voorziet in een ondergrens voor en bijdrage in deze excessieve kosten. Meer hierover in paragraaf 8.6. Gemeente als opdrachtgever Indien de gemeente Soest initiator is van bodemverstorende werkzaamheden zal zij in eerste instantie het CAR inschakelen voor onderzoeksadvies, opstellen van Programma van Eisen, uitvoeren van archeologisch vooronderzoek of opgraving en rapportage. Dit zal aanmerkelijk kostenbesparend zijn ten opzichte van het commercieel uit laten voeren van het onderzoek. Met instemming van beide partijen kan besloten worden om archeologisch onderzoek uit te besteden aan derden.29Raamovereenkomst Archeologie Soest – Amersfoort, 2009, artikel 4.1c en 4.4. 7.3Inventariserend veldonderzoek Tijdens het inventariserend veldonderzoek wordt (extra) informatie verworven over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied, als aanvulling op en toetsing van de archeologische verwachting, gebaseerd op het bureauonderzoek en middels waarnemingen in het veld. Het veldonderzoek bestaat uit een aantal fasen waarin steeds verder wordt ingezoomd op de aanwezige archeologische waarden. 7.3.1Verkennende fase De verkennende fase is gericht op het in detail in beeld krijgen van de archeologische verwachting voor een plangebied. De gedetailleerde gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voorziet hier in grote lijnen in. Er zijn echter situaties denkbaar dat aanvullende gegevens nodig zijn over de specifieke geologische opbouw van een gebied en de hieraan te relateren archeologische verwachting. Een voorbeeld zijn gebieden met niet bekende maar mogelijk omvangrijke bodemverstoringen, waardoor de toegekende verwachting naar beneden dient te worden bijgesteld. Dit zal vooral op perceelsniveau altijd nader onderzocht moeten worden. De verkennende fase moet worden gezien als een voorbereiding op een gerichte karterende fase (en is dan ook niet verplicht). In sommige gevallen kunnen de resultaten van de verkennende fase leiden tot het vrijgeven van een (bodemverstorende ingreep in een) plangebied. Dit zal alleen het geval zijn als blijkt dat de bodem recentelijk dermate diepe is verstoord (tot ver in het dekzand, de zogenaamde C-horizont30Het dekzand, de C-horizont, is de bodemlaag waarin zich de meeste archeologische sporen aftekenen. Als de C-horizont diep verstoord is, bijvoorbeeld door ontgronding, zijn hiermee de meeste archeologische sporen ook vernietigd.) dat alle (mogelijk aanwezige) archeologische waarden reeds vernietigd zijn. Vaak kan dit op voorhand al aangetoond worden middels oude bouwtekeningen van gesloopte panden, ontgrondings- of saneringsgegevens etc. De verkennende fase aanvullen met het zetten van grondboringen is met name interessant en zinvol voor grotere plangebieden. Hoe kleiner het gebied, hoe lager het rendement van een verkennende fase, omdat naar verhouding meer boringen nodig zijn. 7.3.2Karterende fase Het doel van de karterende fase is het in kaart brengen van (nog onbekende) archeologische vindplaatsen. In de meeste gevallen bestaat een kartering uit booronderzoek, aangevuld met een oppervlaktekartering. De boordichtheid en -strategie worden bepaald door de specifieke onderzoeksvraag en de archeologische verwachting. In de KNA zijn richtlijnen opgenomen over de te hanteren boordichtheden onder verschillende omstandigheden. Deze zijn gebaseerd op een omvangrijke studie naar de betrouwbaarheid en toepasbaarheid van booronderzoek in de prospectiearcheologie en de leidraad booronderzoek van de SIKB. Het kan blijken dat niet een booronderzoek de beste methode is voor een karterende fase, maar dat juist gravend onderzoek (proefsleuven of proefputten) noodzakelijk zijn (bijv. voor het opsporen van vroege en late prehistorische vindplaatsen met een lage tot matige vondstdichtheid en voor het karteren van een mogelijk grafveld). De meest geschikte onderzoeksmethode is sterk afhankelijk van de aanwezige bodemsoort in het plangebied, de gespecificeerde archeologische verwachting en de geplande bodemverstoring. De gemeente toetst daarom graag voorafgaand aan het onderzoek het Plan van Aanpak en de voorgestelde onderzoeksmethode! 7.3.3Waarderende fase De waarderende fase van het inventariserend veldonderzoek dient om meer duidelijkheid te verkrijgen over de aard van een vastgestelde archeologische vindplaats ten behoeve van de waardebepaling. Zo kan het gewenst zijn om een archeologische vindplaats zo optimaal mogelijk te behouden, bijvoorbeeld door middel van inpassing. Een waarderend inventariserend veldonderzoek (vaak door middel van proefsleuven/proefputten) is tevens gewenst voorafgaand aan een archeologische opgraving, teneinde gedetailleerde gegevens te verkrijgen met het doel de opgraving zo doelgericht mogelijk te kunnen uitvoeren. De vindplaatsen worden onderzocht op hun fysieke kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging. Een waarderend onderzoek bestaat in veel gevallen uit een proefsleuvenonderzoek, maar kan ook andersoortig onderzoek inhouden (geofysisch onderzoek of waarderend booronderzoek). 7.4Proces van waardestelling (selectieadvies) De vorige stappen leiden tot een waardestelling van de (eventueel) aangetroffen vindplaats(
  3. en)en een selectieadvies. Hierbij worden de (eventueel) aangetroffen vindplaatsen in eerste instantie op hun fysieke kwaliteit (gaafheid en conservering) beoordeeld. De beoordeling van de fysieke kwaliteit is gerelateerd aan de archeologische regio waarin de vindplaats zich bevindt; op deze wijze wordt de conserveringstoestand in relatie tot andere relevante sites bekeken. Indien te verwachten is dat op een van de inhoudelijke criteria ‘hoog’ wordt gescoord, wordt de vindplaats in principe behoudenswaardig geacht. Dit vangnet heeft tot doel ervoor te zorgen dat aan terreinen die van beperkte fysieke kwaliteit zijn, maar desondanks inhoudelijk van groot belang, geen negatief selectiebesluit wordt toegekend. Vindplaatsen die op grond van hun fysieke kwaliteit als behoudenswaardig zijn aangemerkt, worden vervolgens gewaardeerd op hun inhoudelijke kwaliteit. Eerst vindt een afweging plaats op de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria: zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Na deze weging wordt bij vindplaatsen met een lagere inhoudelijke waardering nagegaan of het criterium representativiteit van toepassing is. Hierbij dient ook de (nog op te stellen) gemeentelijk onderzoeksagenda te worden betrokken. Uiteindelijk volgt op basis van deze waardestelling een selectieadvies door het uitvoerende archeologische bureau. Het resultaat van een vooronderzoek (IVO: inventariserend veldonderzoek) is een rapport met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld), aan de hand waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) genomen kan worden.31Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 3.2, protocol 4003. Het selectiebesluit bestaat uit één van de volgende acties: 7.4.1Archeologische opgraving Een archeologische opgraving heeft als doel vondst- en spoorgegevens van een archeologische vindplaats te verzamelen en te documenteren en is gericht op vooraf geformuleerde onderzoeksdoelstellingen (vastgelegd in een PvE). Tijdens een archeologische opgraving worden sleuven en putten aangelegd en wordt de archeologische vindplaats gecontroleerd vernietigd (behoud van informatie ex situ). Alleen de te verstoren oppervlakken worden onderzocht. Na opgraving kunnen de geplande werkzaamheden zonder beperkingen worden uitgevoerd. Wel kunnen beschermende maatregelen (o.a. regelgeving) worden getroffen voor niet opgegraven delen van een vindplaats. 7.4.2Archeologische begeleiding Een archeologische begeleiding kan verschillende doelen hebben. Dit is afhankelijk van de plaats van het onderzoek in het AMZ-proces. De voorwaarden en richtlijnen hiervoor staan nader beschreven in de KNA. Tijdens een archeologische begeleiding worden vondst- en spoorgegevens van een (mogelijk aanwezige) vindplaats geregistreerd, zonder dat daarbij sprake is van het aanleggen van sleuven of putten. Archeologische begeleiding wordt uitgevoerd tijdens bodemverstorende activiteiten die om niet-archeologische redenen plaatsvinden en waar gegronde redenen zijn om aan te nemen dat archeologische waarden aanwezig zouden kunnen zijn. Bij vaststelling van archeologische waarden kan een begeleiding alsnog resulteren in een archeologisch opgraving.32Let op: archeologische begeleiding is alleen onder strikte voorwaarden een gangbare onderzoeksmethode. Er moet sprake zijn van een situatie waarin het normale archeologische onderzoekstraject niet kan worden doorlopen. De volgende mogelijke aanleidingen voor een begeleiding zijn denkbaar: Wanneer als gevolg van fysieke belemmeringen het niet mogelijk is om adequaat vooronderzoek te doen; Wanneer er op grond van de beschikbare archeologische informatie wordt geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) nodig is, maar men toch graag het zekere voor het onzekere wil nemen; Wanneer sprake is van bijzondere onderzoeksvragen bij uitvoeringstrajecten. In de regel zal de archeologische oogst bij het doen van een dergelijke begeleiding gaan om fragmentarische resten van het lokale bodemarchief. Als echter archeologische resten worden aangetroffen, waarvan men redelijkerwijs kan vermoeden dat het gaat om een vondst van algemeen belang wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde, dan dient de vondst verplicht gemeld te worden bij de RCE. In zeer bijzondere gevallen kan alsnog een professioneel onderzoek worden afgedwongen, maar meestal zal worden gezocht naar een praktische oplossing. Reden om te kiezen voor dit ‘flankerend beleid’ is dat hiermee, zonder dat er kosten mee zijn gemoeid en zonder dat oponthoud van de werkzaamheden ontstaat, de uitwerking van het beleid wordt getoetst en zo nodig in de toekomst kan worden bijgesteld. Eventuele nieuwe vindplaatsen die hierbij ontdekt worden, kunnen een bijdrage leveren aan de bewoningsgeschiedenis van het gemeentelijk grondgebied. 7.4.3Bescherming Bescherming houdt in dat er fysieke maatregelen worden getroffen op het terrein met archeologische waarden zelf (bescherming in situ). Doel daarvan is de meest gunstige randvoorwaarden te scheppen voor duurzaam behoud, zonder de aanwezige archeologische waarden te beschadigen. Bescherming betekent niet per definitie dat op terreinen geen ontwikkelingen meer mogelijk zijn. Onder strenge voorwaarden kunnen ook op beschermde terreinen bovengronds ontwikkelingen plaatsvinden. Nota Belvedère: behoud door ontwikkeling De Nota Belvedere is een Nederlandse beleidsnota over de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting. De nota is in de zomer van 1999 uitgebracht en ondertekend door vier ministeries: de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Verkeer en Waterstaat. De doelstelling van de nota is de cultuurhistorische waarde meer prioriteit te geven bij de inrichting van Nederland. De overheid erkent daarmee dat cultuurhistorie een inspiratiebron kan zijn voor (landschaps) architectuur en ruimtelijk ontwerp, waardoor tevens de positie van het cultuurhistorisch erfgoed wordt versterkt. Erkend wordt dat er tussen de zorg voor het cultuurhistorisch erfgoed en de dynamiek van de ruimtelijke inrichting een spanning bestaat. Er moet gezocht worden naar een nieuw evenwicht tussen behoud en ontwikkeling. Er moeten nieuwe gebruiksmogelijkheden voor oude landschappen en bouwwerken worden gezocht, want zonder vitale functies gaat het cultuurhistorisch erfgoed verloren. De nota heeft niet de status van een wet, maar moet worden gezien als een bron van inspiratie voor provinciaal en lokaal beleid, voor concrete ontwerpopgaven en ruimtelijke plannen. De Nota Belvedere vindt zijn oorsprong in de opvatting dat het cultuurhistorisch erfgoed beter benut kan worden en dat het behoud van het erfgoed meer moet zijn dan zorgvuldige conservering. De nota stelt daarom een strategie van ‘behoud door ontwikkeling’ voor, ook wel aangeduid als culturele planologie. In de nota wordt een aantal overwegingen genoemd voor het behouden en integreren van cultuurhistorische kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Specifiek met de Belvedère-doelstelling `behoud door ontwikkeling` in het achterhoofd, kunnen ruimtelijke ontwikkelingen op monumentale terreinen juist zelfs wenselijk zijn om het hier verborgen verleden beleefbaar te maken. (Bron: wikipedia.
  4. nl)7.4.4Vrijgeven De resultaten van het archeologisch (voor)onderzoek kunnen tenslotte ook zodanig zijn dat geen vervolgstappen hoeven te worden voorgesteld. De geplande bodemingrepen kunnen in dat geval zonder beperkingen ten aanzien van archeologische waarden worden uitgevoerd. Hiertoe kan besloten worden als er geen archeologische waarden aanwezig zijn of van zo’n marginale betekenis zijn dat verder onderzoek of bescherming een te zwaar middel is. Ook zwaar verstoorde vindplaatsen, waarvan op grond van waarderend onderzoek duidelijk is geworden dat de wetenschappelijke informatiewaarde te sterk is aangetast, kunnen genomineerd worden om zonder verder onderzoek te worden vergraven. Dergelijke situaties zijn nogal eens punt van discussie, met name vanwege de kans op bijzondere vondsten (bijvoorbeeld een diep ingegraven waterput). Die situaties zullen zich altijd blijven voordoen, wat geen belemmering moet zijn een beargumenteerd, selectief beleid te voeren ten aanzien van een adequate archeologische monumentenzorg. 7.5Deponering De resultaten van ieder archeologisch onderzoek of archeologische waarnemingen bestaan uit vondsten en documenten (rapporten, tekeningen, beschrijvingen). Deze dienen te worden bewaard. Zowel de vondsten als de documentatie dient te worden overgedragen aan door de provincie aan te wijzen archeologische informatie centra, vroeger depots voor bodemvondsten genoemd. Sommige gemeenten (waaronder Amersfoort) beschikken over een eigen erkend depot en archeologisch archief dat deze bewaarfunctie voor de eigen gemeente vervult. Aangezien de gemeente Soest niet over een gemeentelijk depot beschikt, zullen vondsten en documentatie van opgravingen in Soest worden overgedragen aan het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten in Utrecht. De Monumentenwet (MW art. 46) verplicht een opgravingsinstantie ertoe dat binnen twee jaar na voltooiing van een opgraving de roerende monumenten aan het provinciaal depot geleverd dienen te worden. De bodemschatten in het archeologisch depot van de provincie weerspiegelen ook de rijkdom van het gemeentelijk bodemarchief. Zij zijn niet alleen afkomstig van archeologische opgravingen. Ook de bevolking draagt bij aan het verzamelen van informatie door vondstmeldingen, waarnemingen en zelfs het aanbrengen van vondsten. Het provinciaal depot draagt zorg voor behoud en beheer, taken die bij uitsluiting toekomen aan de provincie. Daarnaast waarborgt de provincie een centrale toegankelijkheid van de archeologische vondsten en vondstmeldingen, en het vasthouden van inhoudelijke kennis en ook continuïteit in kennis. Een gemeentelijke depotvoorziening is in Soest daarom op dit moment niet gewenst. 7.6Rapportage De Monumentenwet regelt met betrekking tot de rapportage van archeologisch onderzoek, dat de eerste bevindingen van het onderzoek binnen twee weken na voltooiing ervan gemeld dienen te worden. In de praktijk gebeurt dit in ARCHIS. “Binnen twee jaar na voltooiing van een opgraving legt de houder van een opgravingsvergunning zowel aan onze minister als aan de eigenaar als aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de opgraving is voltooid, een rapport over, waarin de resultaten van de opgraving zijn beschreven” (MW art. 46). In het PvE kan worden vastgelegd binnen welke redelijke termijn33Een termijn van vier werkweken is gangbaar. er een evaluatierapport met de eerste bevindingen en het selectieadvies aan de opdrachtgever en bevoegde overheid geleverd dient te worden. III-8 Randvoorwaarden voor een goede AMZ Een juridische bescherming van het archeologisch erfgoed en een kwalitatief goede uitvoering van het proces van de archeologische monumentenzorg zijn een eerste vereiste. Daarnaast zijn er aandachtspunten die minder goed verankerd zijn in de wetgeving, maar daarom zeker niet minder belangrijk zijn! Sterker nog, de in dit hoofdstuk besproken randvoorwaarden zijn, zeker op de lange termijn, onmisbaar voor een goed functioneren van het gemeentelijk archeologiebeleid en van groot belang om de toekomst van het archeologisch erfgoed van Soest te waarborgen. 8.1Adviesmoment: het vooroverleg De gemeente raadt aan om voorafgaand aan het indienen van een vergunningaanvraag contact te zoeken met de gemeente. Er kan dan - indien nodig - een vooroverleg gepland worden. Hoe eerder in het traject dit gebeurt, hoe beter! In een vooroverleg worden de wederzijdse verwachtingen helder en wordt in een vroeg stadium voorkomen dan de vergunning later wordt afgewezen. Tijdens dit overleg kan de aanvrager zich goed laten informeren door het bevoegd gezag dat het besluit neemt. In bijna alle gevallen is dat de gemeente. Goed vooroverleg kan vertraging in de procedure voorkomen. Tijdens het vooroverleg komen onder andere de kaders aan de orde waar de aanvrager rekening mee moet houden. Het betreft formele en informele kaders. Formele kaders zijn de kaders waaraan het bevoegd gezag toetst of een vergunning verleend kan worden (toetsingskaders). De informele kaders en kansen ontstaan in en door het vooroverleg. Cruciaal in deze fase is dat het bevoegd gezag - de gemeente - weet wat haar ambitie is en wat haar prioriteiten zijn op het gebied van cultureel erfgoed. In het vooroverleg kan dit bestuurlijk kader worden gebruikt om sturing te geven aan de omgevingsvergunning. De aanvrager en het bevoegd gezag kunnen samen de kans benutten om de voorgenomen ontwikkeling van meer ruimtelijke kwaliteit te voorzien door het cultureel erfgoed te zien als kans voor ontwikkeling. Het bevoegd gezag kan daarnaast ook nog voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, mits de activiteit als vergunningplichtig is aangemerkt (in bestemmingsplan of verordening). Op www.omgevingsloketonline.nl kan de aanvrager een vergunningencheck doen om te bepalen voor welke ingrepen een omgevingsvergunning aangevraagd dient te worden.34 www.cultureelerfgoed.nl 8.2Handhaving en toezicht op kwaliteit Iedereen die beroepshalve archeologische werkzaamheden verricht, is gehouden aan de uitvoeringseisen, zoals geformuleerd in de KNA. De gemeente heeft de plicht om bij het uitvoeren van archeologisch onderzoek erop toe te zien dat dit gebeurt door gecertificeerde bedrijven en conform de procedures en specificaties van de KNA. Dat geldt zowel voor de werkzaamheden waarvoor de gemeente als opdrachtgever fungeert als voor werkzaamheden die door de gemeente op grond van een vergunningaanvraag verlangd worden van initiatiefnemers. De gemeente vaardigt regels en stelt voorwaarden inzake archeologie, en is daarom ook verantwoordelijk voor het handhaven daarvan.35Algemene wettelijke bepalingen over handhaving en toezicht op de uitvoering zijn geregeld in de Awb (hoofdstuk 5) en de Wro (art. 7.1). Waar handhaving duidelijk is geregeld voor bouwvoorschriften (een bouwinspecteur van de gemeente controleert tijdens en na afloop van de bouw of er aan alle voorschiften is voldaan), geldt dit bij veel gemeenten (nog) niet voor handhaving van voorschriften ter bescherming van archeologische waarden. Met name het handhaven van aanlegactiviteiten is problematisch terwijl tal van niet toegestane grondwerkzaamheden aanzienlijke schade kunnen toebrengen aan het bodemarchief. Gemeenten hebben veelal niet duidelijk benoemd welke ambtenaar belast is met het handhaven van aan vergunningen voor archeologische bescherming verbonden voorwaarden en op welke wijze die ambtenaar dat moet doen. Handhaving in de praktijk De handhaving zal in principe worden uitgevoerd door medewerkers van de afdeling Dienstverlening die ook belast zijn met het toezicht op de naleving van de bouwplannen. Bij het constateren van een overtreding op één van onderstaande punten kan besloten worden de werkzaamheden stil te leggen en alsnog de benodigde stappen uit het AMZ-proces te laten uitvoeren. Indien dit niet meer mogelijk is, omdat de werkzaamheden de archeologische resten al geheel hebben verstoord zal aangifte worden gedaan bij de politie. Het zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning verrichten van een vergunningplichtige activiteit met betrekking tot een monument geldt als een economisch delict en is strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten. Naast het toezicht op de kwaliteit van het onderzoek (bijvoorbeeld middels de gestelde eisen in het PvE) is de gemeente ook verantwoordelijk voor het toezicht op het naleven van de regels die in het bestemmingsplan worden gesteld en de randvoorwaarden die aan een vergunning worden gesteld. De volgende zaken vallen onder de handhavingstaken van de gemeente: Het toezien of er geen werkzaamheden plaats vinden zonder vergunning die op grond van de omvang (en diepte) van de ingreep wel vergunningsplichtig zijn; Het toezien of bij werkzaamheden waarvoor op grond van de geringe omvang van de verstoring vergunning is verleend de grond niet meer wordt verstoord dan in het bouwplan was aangegeven; Het toezien of werkzaamheden waarvoor vergunning is verleend met als randvoorwaarden technische aanpassingen van het bouwplan deze technische maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd; Het toezien of werkzaamheden waarvoor vergunning is verleend onder voorwaarde dat eerst archeologisch onderzoek dient plaats te vinden dit onderzoek ook daadwerkelijk is uitgevoerd en het terrein door het bevoegd gezag is vrijgegeven. Wanneer de vergunninghouder zich niet aan de voorschriften houdt kan de burgemeester van de gemeente de werkzaamheden stilleggen (Woningwet, art. 100). Dit kan dus alleen als aan de bouw- sloop- of aanlegvergunning voorschriften voor archeologie zijn verbonden en die voorschriften niet zijn opgevolgd. Toezicht en handhaving voor rijksmonumenten De RCE ziet toe op de handhaving en kan, wanneer het om een overtreding gaat, de werkzaamheden direct stil laten leggen. Wie een beschermd monument vernielt of beschadigt begaat een overtreding en wie dat opzettelijk doet begaat een misdrijf. Zowel bij een overtreding als bij een misdrijf kan daarom ook een melding bij politie of justitie worden gedaan, er start dan een strafrechtelijke procedure. Onderdeel van het AMZ-proces is, dat particuliere initiatiefnemers zelf aan een door hen te kiezen gecertificeerd archeologisch bureau opdracht kunnen geven voor het doen van archeologisch onderzoek. De gemeente heeft in dit systeem een rol als bevoegd gezag om de kwaliteit van het archeologisch onderzoek in de gemeente te waarborgen. Zij doet dit middels de in de KNA gestelde protocollen en in aanvullende richtlijnen, welke gepubliceerd zijn op de website van de gemeente Soest. Deze aanvullende richtlijnen voor Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzo

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.