WelstandsnotaDe raad van de gemeente Ede: gelezen het voorstel “Welstandsnota 2013” van burgemeester en wethouders d.d. 26-11-2013, met zaaknummer 7635 Besluit De Welstandsnota gemeente Ede
(2005)in te trekken met ingang van de dag waarop de Welstandsnota gemeente Ede 2013 in werking treedt; in te stemmen met de Nota van Zienswijzen; te besluiten tot vaststelling van de Welstandsnota Ede 2013, een en ander met inachtneming van de bijgevoegde Nota van Wijzigingen; te bepalen dat de Welstandsnota Ede 2013 alleen van toepassing is op verzoeken om een omgevingsvergunning die ná haar inwerkingtreding zijn ingekomen; te bepalen dat verzoeken om vergunning, ingekomen vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Welstandsnota en waarop op dat tijdstip nog niet is beslist, worden afgewikkeld volgens de Welstandsnota Ede 2005; te bepalen dat de opzet, het doel en de uitwerking van de Welstandsnota 2013 één jaar na inwerkingtreding door de gemeente Ede worden geëvalueerd waarbij zij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en relevante maatschappelijke vertegenwoordigingen betrekt. De raad voornoemd, G.H. Hagelstein de griffier, C. van der Knaap de burgemeester. Hoofdstuk1:Doel en uitgangspunten Deze welstandsnota heeft als doel een bijdrage te leveren aan het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde omgeving. Dit doen we door middel van transparante, objectieve en daarmee voor iedereen begrijpelijke criteria waar bouwplannen aan worden getoetst. Daarnaast geeft deze nota inzicht in de achter- gronden van deze criteria en in de procedures die daarbij gevolgd worden. Hiermee streven we naar een welstandsbeleid dat bestuurlijk en maatschappelijk breed gedragen wordt en dat vooral gezien wordt als een stimulans en inspiratiebron voor goede architectuur, nadrukkelijk niet als een instrument om van alles te verbieden. We verwachten dat dit leidt tot passende ontwerpen in de woon- of werkomgeving. Voor wie is de welstandsnota bedoeld? Deze nota is vooral bedoeld om de Edese burgers, architecten en andere opdrachtgevers te informeren over de criteria die de gemeente hanteert bij de welstandsbeoordeling van bouwplannen. De gemeenteraad stelt deze nota vast. Het college van burgemeester en wethouders besluit aan de hand van de ambtelijke adviezen of adviezen van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK, de oorspronkelijke welstandscommissie) of een plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Welstandsniveaus Uit enquêtes onder bewoners van de gemeente Ede blijkt dat het merendeel van de geënquêteerden een door de overheid gereguleerde zorg voor het uiterlijk van de omgeving wenselijk acht. Maar dan niet overal even streng; in zekere mate terughoudend en eenvoudiger dan het huidige welstands- beleid. Omdat niet alle gebieden overal even belangrijk zijn voor het ‘gezicht’ van de gemeente Ede is gekozen voor een indeling in gebieden met verschillende welstandsniveaus: van ‘bijzonder’ voor gebieden die zeer beeldbepalend of anderszins waardevol zijn, een soepel niveau voor de reguliere woonwijken, tot welstandsvrij voor gebieden waar aanbevelingen voldoende zijn voor de gewenste beeldkwaliteit. Samen verantwoordelijk Het welstandsbeleid van de gemeente Ede is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid samen met haar inwoners verantwoordelijk is voor het behoud en de ontwikkeling van een aantrekkelijke gebouwde omgeving. Dit betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van een eigenaar van het bouwwerk alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Het welstandstoezicht beweegt zich dus op het grensvlak van private en collectieve belangen. Bij het opstellen van welstandsbeleid moet er een afweging worden gemaakt tussen individuele vrijheid en algemeen belang. De individuele vrijheid gaat tot daar waar een ander er last van heeft of tot waar het algemene belang er onder lijdt. Conserverend en vernieuwend Het welstandsbeleid richt zich in hoofdzaak op het beschermen van belangrijke bestaande karakteristieken van een gebied. Daarmee richt het beleid zich op de zorg dat nieuwe ontwikkelingen daar verantwoord op aansluiten en voortbouwen. Behoud van bestaande kwaliteiten hoeft niet te betekenen dat alles gelijk moet zijn aan de bestaande omgeving. Voor een levensvatbare toekomst van de gebouwde omgeving is het noodzakelijk dat er ook ruimte is voor creatieve bouwideeën, die wellicht anders zijn dan wat ter plekke gebruikelijk is. Hierbij staat steeds een zorgvuldige afstemming op de bestaande omgeving voorop. Van groot belang is daarbij dat iedereen de waardevolle karakteristieken van zijn eigen buurt kan herkennen. Bij het ontwerpen van nieuwe gebouwen of aanpassingen van bestaande bouwwerken moet daarmee dus rekening worden gehouden. Leeswijzer De welstandsnota is opgedeeld in informatie voor het gebruik, achtergrondinformatie en de bijlagen. Om snel aan de slag te kunnen met een concrete bouwaanvraag begint u met hoofdstuk 2 ‘Toetsing in grote lijnen’. In de bijlagen A en B zijn de kaarten opgenomen die u kunt raadplegen voor de wel- standstoets. Informatie voor gebruik Hoofdstuk 2: Toetsing in grote lijnen geeft een korte beschrijving van alles wat komt kijken bij de welstandstoets. Hoofdstuk 3: Kleine bouwwerken laat een overzicht zien van de criteria voor kleine bouwwerken. Hoofdstuk 4: Gebiedscriteria omvat alle gebiedsbeschrijvingen met de daarbij behorende beeldkenmerken en criteria. De bijbehorende kaarten zijn als bijlage opgenomen. Hoofdstuk 5: Algemene criteria beschrijft de criteria die bij elk bouwplan van toepassing zijn. Hoofdstuk 6: Excessencriteria beschrijft wanneer iets als een exces wordt beschouwd. Hoofdstuk 6: Excessencriteria beschrijft wanneer iets als een exces wordt beschouwd. Achtergrondinformatie Hoofdstuk 7: Bijzondere gebieden gaat in op het hoe en waarom van bijzondere gebieden Hoofdstuk 8: Achtergronden welstandsnota gaat over de totstandkoming van de welstandsnota, de ambitie van de gemeente en de relatie met overig beleid. Hoofdstuk 8: Achtergronden welstandsnota gaat over de totstandkoming van de welstandsnota, de ambitie van de gemeente en de relatie met overig beleid. Hoofdstuk 9: Toelichting bij toetsingsproces licht onderdelen uit het proces van toetsing en advisering nader toe. Bijlagen Bijlage A: Welstandsniveaus bevat kaarten waarop per kern aangegeven is waar welk welstandniveau van toepassing is (bijzonder, regulier en welstands- vrije gebieden). De bijlage geeft ook een overzicht van waar welke beeldkwaliteitsplannen van toepassing zijn en voor welke gebieden aanvullende beeldkenmerken gelden. Bijlage B: Gebiedskaarten bevat kaarten waarop is aangeven waar welke gebiedsbeschrijving en gebiedscriteria van toepassing zijn. Bijlage C: Begrippenlijst geeft uitleg van de begrip- pen die in deze nota worden gehanteerd. Op de pagina hiernaast is het stroomschema weergegeven voor de gemeentelijke afhandeling van een aanvraag in het kader van het welstandsbeleid. Om te bepalen wat van toepassing is voor een specifiek plan kan de aanvrager de stappen uit het stroomschema hiernaast doorlopen. In hoofdstuk 2 wordt de welstandstoets en het welstandsproces op hoofdlijnen verder toegelicht. Hoofdstuk2: Toetsing in grote lijnen In het vorige hoofdstuk is het stroomschema weergegeven voor de gemeentelijke afhandeling van een aanvraag in het kader van het welstands- beleid. Het schema beschrijft in het kort welke stappen van belang zijn bij het aanvragen van een welstandsadvies. In dit hoofdstuk wordt de welstandstoets en het welstandsproces op hoofdlijnen verder toegelicht. Toelichting bij het stroomschema Vergunningvrij bouwen Om te kunnen bouwen of verbouwen is meestal een vergunning nodig. Het Rijk heeft echter een aantal situaties aangegeven waar geen omgevingsvergunning voor aangevraagd hoeft te worden. Bijvoorbeeld bij gewoon onderhoud zoals schilderwerk of gevelonderhoud of voor een kleine dakkapel aan de achterkant van de woning. Met het introduceren van vergunningsvrije bouwwerken wil de wetgever eigenaren van woningen en panden meer vrijheid geven voor aanpassingen van hun woning. Alleen aan de achterkant en zijkant van woningen zijn bepaalde bouwwerken vergunningsvrij. Achterliggende gedachte hiervan is dat de voorkant van woningen uit oogpunt van het gemeenschappelijk belang kwetsbaarder is. Zij-erven die grenzen aan de openbare ruimte worden daarbij ook tot de voorkant gerekend. Overigens moet elk bouwwerk wel aan de regels uit het Bouwbesluit en het burenrecht uit het Burgerlijk Wetboek voldoen. Meer informatie hierover vindt u bij balie Bouwen, Wonen en Milieu van gemeente Ede of op www. rijksoverheid.nl. Bestemmingsplan In een bestemmingsplan is geregeld wat je mag bouwen en hoe je gronden mag gebruiken voor andere doelen dan bouwen. De welstandsnota is een apart toetsingskader en doet uitspraken over de architectonische vormgeving van het bouwwerk. Wanneer een bouwwerk niet in het bestemmingsplan past moet eerst beoordeeld worden of de gemeente bereid is mee te werken aan een wijziging van het bestemmingsplan. Een welstandstoets of advies kan dan nog niet worden gevraagd, omdat andere redenen dan welstand doorslaggevend kunnen zijn om af te zien van medewerking. Monumenten Monumenten vormen een bijzondere categorie binnen het Edese culturele erfgoed. Deze objecten, complexen of structuren zijn om verschillende redenen zo waardevol dat ze een beschermde status hebben. Ze geven gemeente Ede namelijk karakter en identiteit en zijn daarom van belang voor het omgevingsbeeld. Monumenten worden beschermd door de Monumentenwet, de Erfgoedverordening van de gemeente Ede en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daaruit volgen richtlijnen en eisen ter bescherming van het monument. Een geplande aan- of verbouw van een monument wordt eerst aan deze richtlijnen getoetst, daarna pas aan de criteria in deze welstandsnota. Werken aan ruimtelijke kwaliteit De welstandsnota staat niet op zich zelf. In de welstandsnota wordt slechts de verschijningsvorm van bebouwing geregeld. Allerlei aspecten van ruimtelijke kwaliteit kunnen ook door middel van andere instrumenten worden vastgelegd, vaak op verschillende momenten. Het bestemmingsplan en het monumentenbeleid zijn daar een voorbeeld van. In hoofdstuk 8 is een uitgebreider overzicht opgenomen van de instrumenten die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. Welstandstoets De welstandstoets is opgebouwd uit twee onderdelen: het welstandsniveau en de welstandscriteria. Het welstandsniveau bepaalt hoe streng of hoe soepel er getoetst wordt. De welstandscriteria bepalen op welke onderdelen een bouwplan wordt getoetst. Welstandsniveaus Op basis van gebiedskenmerken en waarden worden drie welstandsniveaus onderscheiden. Op de kaart in bijlage A staat per kern vermeld voor welk gebied welk welstandsniveau geldt. Voor het grootste deel van het bebouwde gebied geldt een soepel welstandsniveau. Dit betreft in hoofdzaak de reguliere woongebieden. In gebieden die bijzondere waarden hebben of een grotere bijdrage leveren aan het de beleving van het ruimtelijke beeld wordt een bijzonder niveau ingevoerd. In gebieden die weinig invloed hebben op de beleving van het ruimtelijk beeld, wordt een welstandsvrij regime gevoerd. De toetsing wordt als volgt afgestemd op het welstandsniveau: 1.soepel Een (verbouw-) plan leidt tot een positief welstandsadvies als het plan geen afbreuk doet aan de bestaande omgeving. De toetsing is globaal van opzet en vindt plaats aan de hand van de gebieds- beschrijvingen en de daarin weergegeven toetsbare beeldkenmerken. Gebieden kennen een soepel welstandsniveau, tenzij anders aangegeven. In gebieden met een soepel welstandsniveau volstaat in principe een ambtelijk toets. In bijzondere gevallen of bij twijfelgevallen kan de ambtelijke toetser besluiten alsnog een onafhankelijk advies te vragen bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. 2.bijzonder Een (verbouw-) plan leidt tot een positief wel- standsadvies als het plan leidt tot een goede (of verrijkende) inpassing in de omgeving in gebieden met belangrijke waarden zoals: landschappelijke, stedenbouwkundige, architectonische, of historische waarden, identiteit dragend of anderszins vastgesteld. De toetsing is gedetailleerd van opzet en vindt plaats aan de hand van de gebiedsbeschrijvingen en de daarin weergegeven toetsbare beeldkenmerken. Voor een aantal gebieden gelden daarnaast ook aanvullende beeldkenmerken. De hierna volgende gebieden zijn als bijzonder aangemerkt: historische structuren en gebieden; dorpskernen en historische dorpsgebieden; hoofdwegen; dorpsranden; agrarische relicten; bijzondere woon- of werk gebieden; opmerkelijke en solitaire gebouwen(clusters); parken en pleinen. Bovenstaande gebieden kunnen elkaar overlappen. Een groot deel van deze gebieden heeft betrekking op cultuurhistorisch waardevolle gebieden zoals aangegeven op de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Ede. In gebieden waar een bijzonder welstandsniveau geldt, vraagt het college in principe voor alle vergunningplichtige bouwwerken een onafhankelijk advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK); Bij veel voorkomende plannen en kleine bouwwerken -waarvan bij voorbaat het standpunt van de CRK bekend mag worden verondersteld- is een ambtelijke toets voldoende. In hoofdstuk 7 leest u meer over de aanleiding en achtergrond van gebieden met een bijzondere waarde binnen de gemeente Ede. 3.welstandsvrij Volledig welstandsvrije gebieden zijn er slechts weinig: alleen (delen van) bedrijventerreinen zijn aangewezen als welstandsvrij. Daarnaast geldt voor bepaalde achtererfgebieden eveneens een wel- standsvrij regime (zie hoofdstuk 3). Een aanvraag voor een omgevingsvergunning binnen deze gebieden wordt niet getoetst aan welstandscriteria. Voor de nu opgenomen welstandsvrije gebieden worden aanbevelingen in plaats van criteria meegegeven. U kunt hier in uw plan rekening mee houden. Dat een gebied welstandsvrij is wil overigens niet zeggen dat er geen omgevingsvergunning nodig is om te kunnen bouwen. Welstandscriteria Toetsing en advisering vinden plaats aan de hand van criteria. De gemeente Ede maakt onderscheid in criteria voor kleine bouwwerken en gebiedscriteria. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de algemene criteria en de criteria voor de excessenregeling. Hieronder leest u meer over deze criteria. Criteria voor veel voorkomende en kleine bouwwerken en reclame-uitingen Bij veel voorkomende en kleine bouwwerken en reclame-uitingen (waarvoor u een omgevings- vergunning nodig heeft) wordt een eenvoudige toets toegepast. Voor deze bouwwerken heeft de gemeente specifieke criteria opgesteld. Als het bouwwerk of de reclame-uiting voldoet aan de criteria, dan krijgt u een positief welstandsadvies. Als het bouwwerk of de uiting niet voldoet aan de criteria of bij twijfel zal, afhankelijk van de locatie, alsnog een nadere toets of advisering nodig zijn. De criteria voor veel voorkomende en kleine bouw- werken en reclame-uitingen zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Gebiedscriteria Voor bouwplannen die niet vallen onder de categorie ‘kleine bouwwerken’ zijn gebiedscriteria van toepassing. Deze criteria zijn ontleend aan de ruimtelijke kenmerken en karakteristieken van de verschillende herkenbare gebiedseenheden binnen de gemeente. Deze karakteristieken zijn het resultaat van bijvoorbeeld wordingsgeschiedenis, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische vormgeving. De gebiedscriteria zijn niet beschreven als harde richtlijnen en eisen, maar als beeldkenmerken. Het streven van de gemeente is erop gericht om aan te sluiten bij de beeldkenmerken van een gebied. De gebiedscriteria laten daar- mee ook ruimte voor creativiteit en interpretatie. De beeldkenmerken voor gebieden zijn opgenomen bij de gebiedsbeschrijvingen in hoofdstuk 4. Voor sommige locaties of gehele gebieden zijn aanvullende, meer gedetailleerde beeldkenmerken beschreven. Dit komt alleen voor binnen gebieden waarvoor een bijzonder welstandsniveau geldt. Deze aanvullende beeldkenmerken hebben steeds betrekking op een specifiek bebouwingscluster met een eigen karakteristiek. Deze bebouwingsclusters staan met buurt- of straatnaam vermeld onder het kopje ‘Bijzonder welstandsbeleid’ bij de betreffende gebiedsbeschrijving in hoofdstuk 4. Voor een beperkt aantal gebieden zijn geen beeldkenmerken geformuleerd, bijvoorbeeld omdat de kenmerken te uiteenlopend of bijzonder zijn. Binnen deze gebieden zijn de zogenaamde algemene criteria van toepassing. Bij de gebiedsbeschrijvingen is dat expliciet aangegeven. Algemene criteria De algemene criteria zijn criteria die bij elk bouwplan van toepassing zijn. Deze criteria richten zich op het vakmanschap van de ontwerper en de expressie van het bouwplan. Het gaat dan om de basiselementen van het bouwen zoals: klopt de vormgeving met de functie en het gebruik van het gebouw, levert het bouwwerk een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de openbare ruimte, is er gekozen voor een begrijpelijke bouwstijl, is het een samenhangend gebouw en kloppen maat- en schaalverhoudingen. Deze criteria vormen altijd het eerste uitgangspunt voor de welstandsbeoordeling, maar dienen, in combinatie met de gebiedsbeschrijvingen, ook als inspiratiebron voor ontwerpers en opdrachtgevers. In bijzondere situaties kan ervoor worden gekozen om alleen aan de algemene criteria te toetsen. In deze nota is er expliciet voor gekozen om de algemene criteria van toepassing te laten zijn voor gebieden waarbinnen de bebouwing te zeer uiteenlopende kenmerken in architectuur heeft, of in geval van afgebakende gebieden met bijzondere waarden, zoals bijvoorbeeld een landgoed. Ook kunnen de algemene criteria gebruikt worden als sprake is van een architectonisch ontwerp dat niet past binnen de specifieke welstandscriteria in deze nota, maar wel op overtuigende wijze een positieve bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een gebouw, waarvan de vormgeving afwijkt van de omgeving, maar die wel een bijzonder fraaie aanvulling vormt op de omgeving. Expressie en architectonisch vakmanschap worden belangrijker naarmate een bouwwerk zich sterker van de omgeving onder- scheidt. De algemene criteria zijn verwoord in hoofdstuk 5. Criteria voor de excessenregeling Een bouwwerk dat in dusdanig negatieve zin afwijkt van haar omgeving, noemen we een exces. Het betreft een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen duidelijk is. Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar van dat bouwwerk (of degene die uit andere hoofde bevoegd
- is)vragen de ‘ernstige strijd met redelijk eisen van welstand’ op te heffen. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert het college op verzoek. De excessenregeling is voor alle gebieden van toepassing. De criteria voor de excessenregeling vindt u in hoofdstuk 6. Beeldkwaliteitsplannen Bij gebieden met een geldend beeldkwaliteitsplan is het bijzondere welstandsniveau van toepassing. Naast de welstandsnota kan de gemeenteraad beeldkwaliteitsplannen voor specifieke ontwikkelingen vaststellen. Het gaat dan om nieuwe ontwikkelingen of transformaties die zodanig van schaal zijn dat ze niet meer aansluiten bij de oorspronkelijke situatie. Er ontstaan dan nieuwe waarden en nieuwe karakteristieken. In beeldkwaliteitsplannen worden meer specifieke, ontwikkelingsgerichte criteria voor toetsing opgenomen. Het beeldkwaliteitsplan vormt dan het beleids- en toetsingskader, ook als het afwijkend is van deze nota. De gemeente gebruikt veel beeldkwaliteitsplannen. Beeldkwaliteitsplannen waarvan de ontwikkeling is afgerond komen te vervallen. Om de bijzonder karakteristiek van een aantal van deze ontwikkelingen te behouden zijn hiervoor aanvullende criteria opgenomen binnen het bijzondere welstandsniveau (zie ook hoofdstuk 4). Bij ontwikkelingen die nog niet zijn afgerond is het beeldkwaliteitsplan nog geldend. Een overzicht van de geldende beeldkwaliteitsplannen vindt u in bijlage A. Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Voor de welstandstoets in het buitengebied geldt het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied’, dat door de raad in 2012 is vastgesteld. Dit plan maakt als separaat document deel uit van deze nota. Het gaat hier niet om criteria voor een bepaalde nieuwe ontwikkeling. In dit beeldkwaliteitsplan zijn in feite de gewone welstandscriteria voor bouwplannen in het gehele buitengebied beschreven. Binnen het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied is eveneens een verdeling gemaakt in welstandsniveaus, te weten: regulier en bijzonder. Deze zijn niet op de kaarten in bijlage A aangegeven, maar zijn terug te vinden in het beeldkwaliteitsplan. Binnen beide welstands- niveaus vormt de landschappelijke inpassing altijd een belangrijke toets. In het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied wordt daar uitgebreid aandacht aan besteed. Alle plannen in het buitengebied worden in principe getoetst door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Toetsing en advisering Werkwijze Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Burgemeester en wethouders worden bij hun beoordeling van bouwplannen geadviseerd door een ambtelijk toetser of de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). De CRK is een onafhankelijke commissie van deskundigen: zij zijn werkzaam in, of hebben anderszins kennis van of raakvlakken met, de architectuur, landschap, stedenbouw en cultuur- historie. De CRK kent ook een burgerlid. De commissie adviseert vooral over het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met zijn omgeving. Haar adviezen zijn openbaar. De CRK neemt de uitgangspunten en criteria van deze welstandsnota als vertrekpunt bij de advisering, maar vindt haar taak toch vooral het enthousiasmeren en stimuleren om samen te werken aan de kwaliteit van Ede. Jaarlijks verschijnt er een verslag van haar werkzaamheden en door middel van rechtstreekse contacten met burgers, aan de balie van het gemeentehuis of tijdens open dagen, treedt ze naar buiten. Om kennis te kunnen nemen van wat er in de wijken en dorpen leeft maakt de CRK tegenwoordig ook afspraken met dorps- of wijkraden. En dat alles om de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde omgeving van Ede te behouden en te versterken. Planbeoordeling Toetsing of advisering vindt in principe plaats binnen de daarvoor geldende wettelijke termijnen van de omgevingsvergunning. Resultaten van toetsing en advisering worden schriftelijk vastgelegd. Afhankelijk van het specifieke geval kan dit met een akkoordstempel, dan wel met een uitgebreidere beschrijving van het plan, verwijzing naar criteria en een weergave van de planbeoordeling. De uitkomsten kunnen zijn: Akkoord: het ingediende plan voldoet, eventueel in afwijking van beschreven criteria. Beoordeling aan de algemene criteria moet dan wel gemotiveerd worden. Niet akkoord: het ingediende plan voldoet niet en dient te worden aangepast. Een aanvraag kan worden aangehouden als nadere informatie nodig is om het plan daadwerkelijk te kunnen beoordelen. Het plan wordt dan pas behandeld, wanneer alle benodigde stukken bij de ambtelijke toetser of CRK aanwezig zijn. Vooroverleg Een initiatiefnemer kan het bouwplan ook in een vroeg stadium informeel aan de CRK of ambtelijke toetser voorleggen. Dit kan door het indienen van een verzoek om een preadvies van de CRK of door een afspraak te maken bij de balie Bouwen, Wonen & Milieu. Het gaat dan om plannen die nog niet tot in detail zijn uitgewerkt. Dit vooroverleg is bedoeld om de mening van de CRK of ambtelijke toetser te peilen en om samen de mogelijkheden of eventuele aanpassingen te bespreken. De gemeente raadt u aan om gebruik te maken van dit vooroverleg. Uw plan moet dan wel passen binnen het geldende bestemmingsplan of de gemeente moet bereid zijn mee te werken aan een bestemmingsplanwijziging. Advisering naar aanleiding van een vooroverleg wordt altijd schriftelijk vastgelegd. Indieningsvereisten In de ministeriële regeling omgevingsrecht is aangegeven welke gegevens moeten worden ingeleverd bij een aanvraag om een omgevingsvergunning. Informatie hierover is te vinden op www.rijksoverheid.nl, of bij de gemeente (balie Bouwen, Wonen en Milieu) www.omgevingsloket.nl. Het staat u vrij om meer gegevens aan te leveren, als u van mening bent dat het uw plan beter toelicht. Omgevingsvergunning en WABO Per 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van kracht (WABO). Ter bevordering van de dienstverlening van de overheid aan burgers en het bedrijfsleven zijn de vergunningen samengevoegd die nodig zijn voor de burger of een bedrijf om op een bepaalde plek iets te willen slopen, (ver)bouwen, oprichten of gaan gebruiken. De Wabo integreert hierbij ongeveer 25 vergunningen, ontheffingen en meldingen die tot één omgevingsvergunning. Criteria voor veel voorkomende en kleine bouwwerken en reclame-uitingen Veel voorkomende en kleine bouwwerken die omgevingsvergunningsplichtig zijn kunnen eenvoudig aan welstand worden getoetst. Hiertoe heeft de gemeente criteria opgesteld voor deze bouwwerken. Dit is een vereenvoudigde welstandstoets. Indien het bouwwerk voldoet aan de geformuleerde criteria, volgt een positief advies. Bij twijfel wordt getoetst aan de geldende gebiedscriteria. Het gaat om de volgende bouwwerken: Bouwwerken aan de niet zichtbare zijde van het hoofdgebouw in gebieden met een soepel welstandsbeleid Kleine bouwwerken bij woningen zoals: aan- of uitbouwen; bijgebouwen of overkappingen; kozijn- of gevelwijzigingen; dakkapellen; dakramen; erf- of perceelafscheidingen; zonnecollectoren of zonnepanelen; (Schotel)antennes. Kleine bouwwerken bij woningen en andere gebouwen zoals: zonwering of (rol)luiken; reclame-uitingen. Bouwwerken aan de niet-zichtbare zijde van het hoofdgebouw in gebieden met een soepel welstandsbeleid De gemeente Ede vindt dat voor het straatbeeld de beleving van bebouwing direct zichtbaar vanaf het openbaar toegankelijk gebied een grotere rol speelt dan van bebouwing gelegen op of aan de (private) binnenzijde van een bouwblok. Om deze reden wil de gemeente meer ruimte geven voor veel voorkomende bouwwerken die niet direct in het zicht liggen in gebieden met een soepel welstandsbeleid. Een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand wanneer het voldoet aan de hierna volgende voorwaarden. Het bouwwerk: Maakt geen deel uit van een monumentaal gebouw of ensemble; Heeft geen betrekking op de voorgevel of naar de openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel; Bevindt zich niet op het voorerf of binnen 10 meter van het openbaar toegankelijk gebied op het achtererf. En het achtererf grenst niet aan het open en/of openbaar toegankelijk gebied (zie afbeelding hieronder); Bevindt zich niet op het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; Bevindt zich niet op het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar het openbaar toegankelijk gebied; Is volgens het bestemmingsplan mogelijk, of burgemeester en wethouders overwegen afwijking toe te staan. De excessenregeling blijft van toepassing op dergelijke bouwwerken. Als het bouwwerk niet voldoet aan bovengenoemde criteria kan het zijn dat criteria onder overige kleine bouwwerken van toepassing zijn. Kleine bouwwerken Een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand wanneer het voldoet aan de hierna volgende voorwaarden. Het bouwwerk: Is overeenkomstig het ontwerp dat de architect al van tevoren bij het betreffende project ontworpen heeft en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven. Of het bouwwerk: Maakt geen deel uit van een monumentaal gebouw of ensemble; En ligt niet in een gebied met een vastgesteld beeldkwaliteitsplan waarin regels voor kleine bouwwerken zijn opgenomen; En is mogelijk volgens het bestemmingsplan, of burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen; én voldoet aan de van toepassing zijnde criteria zoals vermeld in de tabellen op de hiernavolgende bladzijden. Indien het bouwwerk hieraan niet voldoet is alsnog een reguliere welstandstoets vereist. 1.Aan- of uitbouwen bij een woning 1a. Aan- of uitbouwen aan de voorgevel of zichtbare zijgevel: (SCHEMA IN PDF) Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing Gebouwd aan: - De oorspronkelijke voorgevel; - Een naar de weg of het openbaar groen gekeerde oorspronkelijke zijgevel. Vorm - Rechthoekige of een andere eenvoudige hoofdvorm; - Geen doorgetrokken dakvlakken van het hoofdgebouw; - Kapvorm: plat, schuin afgedekt tot 15 graden of dezelfde dakhelling als het hoofdgebouw; - Aan de voorgevel: zonder vergroting van de oorspronkelijke gevelopening(en). Maatvoering Hoogte: - Maximaal 4 meter gemeten vanaf het aansluitende terrein; - Maximaal 0,30 meter boven de vloer van de eerste verdieping van de woning of het woongebouw. Of, indien schuin afgedekt: - Goothoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, maximaal 3 meter; - Daknok, gemeten vanaf het aansluitend terrein, maximaal 5 meter; - Daknok maximaal tot de borstwering van de ramen op de verdieping; - Hoogte daktrim, bovendorpel of boeiboord is minder dan 0,25 meter Diepte: - Aan de voorgevel en zijgevel minder dan 1,5 meter. Materiaal - Overeenkomstig materiaal hoofdgebouw, of, als een serre wordt gebouwd, van glas. Kleur - Overeenkomstig kleurgebruik hoofdgebouw. Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 1a. Aan-/uitbouw aan de zichtbare zijgevel 1b. Aan- of uitbouwen aan de achtergevel en de niet openbaar gelegen zijgevel: SCHEMA IN PDF Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing - Direct aan de oorspronkelijke achter- of zijgevel, 1 m terug van de voorgevelrooilijn Vorm - Plat afgedekt, of schuin afgedekt tot 15 graden; of dezelfde dakhelling als het hoofdgebouw; - Geen doorgetrokken dakvlakken vanaf het hoofdgebouw. Maatvoering Hoogte: - Maximaal 4 meter, gemeten vanaf het aansluitende terrein; - Maximaal 0,30 meter boven de vloer van de eerste verdieping van de woning of het woongebouw. Of, indien schuin afgedekt: - Daknok maximaal 5 meter, gemeten vanaf het aansluitend terrein; - Daknok maximaal tot de borstwering van de ramen op de verdieping; Percentage bebouwd: - Zij- of achtererf voor niet meer dan 50% bebouwd. Materiaal - Overeenkomstig materiaal hoofdgebouw, of, als een serre wordt gebouwd, van glas. Kleur - Overeenkomstig kleurgebruik hoofdgebouw. Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 1b. Aan- / uitbouwen aan de achtergevel 2.Bijgebouwen of overkappingen bij een woning. 2a. Bijgebouwen of overkappingen op het voorerf en zichtbaar gelegen zijerf: Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing Gebouwd aan: - Op het zijerf, 3 m achter de voorgevelrooilijn en meer dan 1,5 m van de weg of het openbaar groen. Vorm - Plat afgedekt, of; - Schuin afgedekt met een dakhelling overeenkomstig het hoofdgebouw. Maatvoering Hoogte: - Op het zijerf maximaal 3 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein. - Indien schuin afgedekt: dakvoet maximaal 3m, daknok maximaal 5 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein. Materiaal - Indien aan het hoofdgebouw geplaatst of op minder dan 3 m afstand daarvan: overeenkomstig materiaal hoofdgebouw. Kleur - Indien aan het hoofdgebouw geplaatst of minder dan 3 m afstand daarvan: overeenkomstig kleurgebruik en hoofdgebouw Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 2a. Bijgebouw op het zichtbaar gelegen zijerf 2b. Bijgebouwen of overkappingen op het achtererf en met openbaar gelegen zijerf Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing - Op het achter- of zijerf, 1 m achter de voorgevelrooilijn. Vorm - Plat afgedekt, of; - Schuin afgedekt met een dakhelling overeenkomstig het hoofdgebouw. Maatvoering Hoogte: - Indien plat afgedekt: boeirand max 3 m; - Indien schuin afgedekt: dakvoet maximaal 3m, daknok maximaal 5 m. Materiaal - Indien aan het hoofdgebouw geplaatst of op minder dan 3 m afstand daarvan: overeenkomstig materiaal hoofdgebouw. Kleur - Indien aan het hoofdgebouw geplaatst of minder dan 3 m afstand daarvan: overeenkomstig kleurgebruik en hoofdgebouw. Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 2b. Overkapping op het achtererf 3.Kozijn- of gevelwijzigingen bij een woning 3a Kozijn- of gevelwijzigingen in de voorgevel en de zichtbaar gelegen zijgevel Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing In de voorgevel van een woning of woongebouw of een naar de we of het openbaar groen gekeerde zijgevel. Vorm - Zonder aantasting van de omvang van de bestaande gevelopening; - Bij vervanging van een garagedeur door een pui: geen gemetselde borstwering: Maatvoering - Profielmaten gelijk of nagenoeg gelijk aan bestaande kozijnonderdelen; - Nieuwe gevelopeningen in de zijgevel. Materiaal - Overeenkomstig materiaal bestaande kozijnen Kleur - Overeenkomstig kleurgebruik hoofdgebouw Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 3b. Kozijn- of gevelwijzigingen in de achtergevel en niet openbaar gelegen zijgevel Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing In de achtergevel of niet openbaar gelegen zijgevel van een woning of woongebouw of een daarbij behorend bijgebouw. Vorm Maatvoering Materiaal Kleur - Vorm, maatvoering, materiaal en kleur zijn welstandsvrij voor wat betreft de achtergevel op de begane grond en bijgebouwen. Voor de gevels op de verdieping(
- en)en de zijgevel geldt hetgeen voor de voorgevel en de openbaar gelegen zijgevel is bepaald. Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 3a. Kozijnwijziging in de voorgevel 3b. Kozijnwijziging in achtergevel 4.Dakkapellen bij een woning 4a. Dakkapellen in het voordakvlak of het zichtbaar gelegen zijdakvlak: Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing - Op het voordakvlak of een naar de weg of het openbaar groen gekeerd zijdakvlak; - Bij een dwarskap: afstand tot de voorgevel meer dan 3 m; - Onderkant meer dan 0,5 m en niet meer dan 1 m boven de dakvoet; - Zijkant meer dan 1 m van de zijkanten van het dakvlak; - Bovenkant meer dan 1 m uit de nok. Vorm - Voorzien van een plat dak; - Geen borstwering; - Afstemmen op bestaande dakkapellen van buurwoningen - Eén dakkapel per dakvlak; Maatvoering Hoogte en breedte: - Hoogte dakkapel maximaal 1,50 m; - Breedte dakkapel maximaal 3m; - Hoogte boeiboord maximaal 0,2 m; Bebouwingspercentage: - Niet meer dan 50% van de breedte van het dakvlak, en; - Niet meer dan 50% van de oppervlakte van het dakvlak gebruikt voor dakkappellen, dakramen, zonnepanelen en andere dakdoorbrekingen gezamenlijk. Materiaal - Hout of conform materiaalgebruik van de woning Kleur - (gebroken) wit of overeenkomstig kleurgebruik hoofdgebouwe Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 4a. Dakkapel in het voordakvlak 4b. Dakkapellen in het achterdakvlak of niet openbaar gelegen zijdakvlek Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing - Onderzijde meer dan 0,5 m en niet meer dan 1 m boven de dakvoet; - Bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; - Zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkant van het dakvlak, bij hoekkepers aan de bovenkant van de dakkapel gemeten; - Bij meer dan één dakkapel regelmatig rangschikking op een horizontale rij met een minimale tussenruimte van 0,5 m. Vorm - Plat afgedekt, of; - Bij een dakhelling van meer dan 45 graden plat afgedekt of aangekapt. Maatvoering Hoogte: - Niet meer dan 1,75 m, gemeten boven de zoldervloer; - Boeiboord nooit hoger dan 0,2 m; Bebouwingspercentage: - Niet meer dan 60% van de breedte van het dakvlak, en; - Niet meer dan 50% van de oppervlakte van het dakvlak gebruikt voor dakkappellen, dakramen, zonnepanelen en andere dakdoorbrekingen gezamenlijk. Materiaal - Overeenkomstig materiaalgebruik hoofdgebouw Kleur - Overeenkomstig kleurgebruik hoofdgebouw, of in de kleur van de dakbedekking Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 4b. Dakkapel in het achterdakvlak 5.Dakramen bij een woning 5a. Dakramen op het voordakvlak en het openbaar gelegen zijdakvlak Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing - Onderzijde meer dan 0,5 m boven de dakvoet; - Bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; - Zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkant van het dakvlak, bij hoekkepers aan de bovenkant van de dakraam gemeten; - Bij meer dan één dakraam regelmatige rangschikking op een horizontale rij met een minimale tussenruimte van 0,5 m. Vorm - Rechthoekig; - Verzonken in het dakvlak (onder de pannenlijn) Maatvoering Bebouwingspercentage: - Niet meer dan 50% van de breedte van het dakvlak, en; - Niet meer dan 50% van de oppervlakte van het dakvlak gebruikt voor dakkappellen, dakramen, zonnepanelen en andere dakdoorbrekingen gezamenlijk. Materiaal en kleur - Donker, of in de kleur van de dakbedekking, mat oppervlak. Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 5b. Dakramen op het achterdakvlak en het niet openbaar gelegen zijdakvlak Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing - Onderzijde meer dan 0,5 m boven de dakvoet; - Bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; - Zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkant van het dakvlak, bij hoekkepers aan de bovenkant van de dakraam gemeten; - Bij meer dan één dakraam regelmatige rangschikking op een horizontale rij met een minimale tussenruimte van 0,5 m. Vorm - Rechthoekig; - Verzonken in het dakvlak (onder de pannenlijn) Maatvoering Bebouwingspercentage: - Niet meer dan 60% van de breedte van het dakvlak, en; - Niet meer dan 50% van de oppervlakte van het dakvlak gebruikt voor dakkappellen, dakramen, zonnepanelen en andere dakdoorbrekingen gezamenlijk. Materiaal en kleur - Donker, of in de kleur van de dakbedekking, mat oppervlak. Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden 5a. Dakramen op het voordakvlak 5b. Dakramen in het achterdakvlak 6.Erf- of perceelafscheidingen bij een woning 6a. Erf- of perceelafscheidingen op het openbaar gelegen zijerf en openbaar gelegen achtererf Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing - Op het zijerf tot 3 m achter de voorgevel Vorm - In één lijn en horizontaal Maatvoering - Maximaal 2 m hoog. Materiaal - Haag of volledig begroeid gaashekwerk of - ≥50% transparant/begroeid gaashekwerk- en ≤ 50% natuurlijke materialen (steen, hout) Kleur - Naturel, verzinkt of overeenkomstig kleurgebruik hoofdgebouw. Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 6b. Erf - of perceelafscheidingen op het niet openbaar gelegen achtererf en het niet openbaar gelegen zijerf Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing - Op het achtererf op de erfgrens; - Op het zijerf tot 3 m achter de voorgevel Vorm - In één lijn en horizontaal Maatvoering - Maximaal 2,25 m hoog. Materiaal - Duurzaam en natuurlijk materiaal, zoals steen of hout of een hek van smeedijzer Kleur - Aardkleuren, groen of zwart Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 6a. Erf-/ perceelafscheiding op het openbaar gelegen zij erf 6b. Erf-/ perceelafscheiding op het achtererf 7.Zonnecollectoren of zonnepanelen bij een woning Zonnecollectoren of -panelen op het voordakvlak en het zichtbaar gelegen zijdakvlak Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing - Onderzijde meer dan 0,5 m boven de dakvoet; -Bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; -Zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkant van het dakvlak, bij hoekkepers aan de bovenkant van het paneel gemeten. Vorm - Rechthoekig; - Verzonken in het dakvlak (onder de pannenlijn) Maatvoering - Niet meer dan 50% van de breedte van het dakvlak, en; - Niet meer dan 50% van de oppervlakte van het dakvlak gebruikt voor dakkapellen, dakramen, zonnepanelen en andere dakdoorbrekingen gezamenlijk. Materiaal en kleur - Donker, of in de kleur van de dakbedekking, mat oppervlak. Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 8.(Schotel)Antennes op het voorerf en het openbaar gelegen zijerf bij een woning Omschrijving In de bouwregelgeving rond antennes wordt onderscheid gemaakt tussen een aantal soorten antennes: antennes ten behoeve van mobiele communicatie. Dit betreft de zogenaamde gsm-antennes; C2000 antennes. Dit zijn antennes ten behoeve van de communicatie tussen hulpdiensten, zoals politie, brandweer en ambulances; overige antennes. Onder deze categorie vallen schotelantennes en andere antennes voor de ontvangst van radio of tv-signalen en sprietantennes, zoals bijvoorbeeld voor 27 mc zendinstallaties. Voor de loketcriteria wordt uitsluitend ingegaan op de laatste categorie. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing - Uitsluitend op een inpandig balkon achter de voorgevelrooilijn Vorm - Een spriet of staafantenne, of; - Een schotelantenne Maatvoering - Hoogte maximaal 3 m, gemeten vanaf de voet van de antennedrager; - diameter schotelantenne maximaal 1 m Materiaal en kleur - In kleur achterliggende gevel of donker van kleur. Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 9.Zonwering of (rol)luiken op het voorerf op het openbaar gelegen zijerf Omschrijving Zonweringen zijn voorzieningen zoals markiezen of uitvalschermen om gebouwen tegen zonlicht en warmte te beschermen. Rolhekken*, luiken en rolluiken zijn voorzieningen om vensters van gebouwen tegen inbraak en vandalisme te beveiligen. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onder- staande voorwaarden wordt voldaan: Vereisten - Bouwwerk is mogelijk volgens het bestemmingsplan, het betreft geen monument en ligt niet binnen een beeldkwaliteitsplan. Plaatsing - Binnen de bestaande gevelopening; - Een gesloten (rol)luik op 1 m achter de winkelpui. Bijzonder welstandsniveau - Bij plannen binnen het bijzondere welstandsniveau kunnen meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. Overig - Gemeentelijke rolluikenverordening op basis van de APV * Met rolhek wordt hier niet bedoeld het rolhek in een erfafscheiding 10.Reclame Omschrijving Reclame is een openbare aanprijzing om de afzet van goederen of diensten te bevorderen. Vergunning Voor reclameborden van welke vorm dan ook is een vergunning van de gemeente nodig. Ook muren of gedeelten daarvan, waarop de reclame wordt aangebracht, vallen onder het begrip reclamebord. Onder reclame wordt ook verstaan tekeningen en opschriften voor het aankondigen van bijvoorbeeld politieke-, culturele- of sportactiviteiten en naams- aanduidingen. Op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (A.P.V.) is een vergunning nodig voor borden die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en die ge- plaatst worden langs de openbare weg of ergens in de open lucht. Dit laatste betekent dat de reclame- uiting esthetisch moet passen in de omgeving en bij het gebouw waar het geplaatst is. Voor het plaatsen van (permanente)reclame, waaronder lichtreclames, is meestal een bouwvergunning vereist. Tijdelijke reclame mag niet eerder dan vier weken voor de te houden activiteit worden aangebracht en moet na afloop van het evenement zo spoedig mogelijk worden verwijderd. De aanvraag zal ook getoetst worden aan de zogenaamde redelijke eisen van welstand. Bij nieuwbouw zal gezamenlijk met het bouwplan ook een reclameplan moeten worden ingediend ter beoordeling door de welstand. Randvoorwaarden waaraan reclames moeten voldoen: Loketcriteria reclame winkelgebied - Reclame dient verband te houden met de diensten of producten welke in het pand plaatsvinden of worden verkocht; - De huistijl van een winkel/bedrijf mag de gevel en de omgeving niet domineren maar moet zich voegen naar de welstandseisen van de gemeente Ede; - Geheel of grotendeels dichtgeplakte ruiten zijn niet toegestaan. Veertig procent van een raamoppervlak mag worden beplakt mits deze beplakking wordt los gehouden van de kozijnen en niet op ooghoogte wordt aangebracht; - Bewegende reclame zoals lichtkranten zijn niet toegestaan; - Maximaal 1 reclame-uiting plat op de gevel en 1 reclame-uiting loodrecht op de gevel; - Aan erkers of balkons zijn haakse lichtreclame niet toegestaan; - Indien er op de verdieping woonruimte of een bedrijfsbestemming zonder publieksfunctie aanwezig is mag de reclame niet op deze laag worden aangebracht of eventueel niet hoger dan de onderkant van de onderdorpels van de aanwezige ramen; - Geen reclame-uitingen die het zicht op de openbare ruimte ontnemen; - Indien er een duidelijke begrenzing is in een gevel tussen onder- en bovenbouw, bijvoorbeeld door een luifel, is dit de uiterste plaats van de reclame; - Reclame op een luifel mag maximaal 0.45 m hoog zijn of de helft van de aanwezige bovenliggende borstwering; - Reclame dient qua afmetingen te passen binnen de contouren van het gebouw; - Reclame op daken is niet mogelijk; - Platte reclame is alleen toegestaan binnen de contouren van de gevelopeningen; - Breedte van de reclame mag maximaal 50% van de gevelbreedte beslaan. Lange doorlopende banden zijn niet toegestaan; - Loodrecht op de gevel staande reclame mag een maximaal oppervlak hebben van 0,8 m2 . In zijn totaliteit, inclusief ophanging mag de haakse reclame niet verder dan 0.90 m uit de gevel komen. De minimale aanbrenghoogte is 2.30 m; - Reclame op luifels of gesloten gevelvlakken dienen te bestaan uit losse letters; - Een reclame-uiting is als zelfstandig element vormgegeven, waarbij de vorm, maatvoering detaillering en kleur zijn afgestemd op en harmoniëren met de oorspronkelijke gevel; - Reclame-uitingen waar mogelijk integreren in de architectuur van het achterliggende pand; - De samenhangende ritmiek in het bestaande gevelbeeld mag niet worden verstoord; - Geen mechanisch bewegende delen. Loketcriteria reclame woongebieden: Voor buurtwinkels is het mogelijk op beperkte wijze reclame-uitingen toe te staan mits dat - Niet hinderlijk is voor de omgeving; - Voor woningen met praktijk aan huis is beperkt onverlichte reclame toegestaan bestaande uit naam- en beroepsaanduiding. Loketcriteria reclame industrieterreinen: - Reclame-uitingen op en bij bedrijfspanden dienen in harmonie te zijn met de architectuur van het pand Loketcriteria reclame-uitingen los van bebouwing: - Maximaal 1 reclame-uiting per erf (behalve voor industrieterreinen); - Bij openbare instellingen max. 3 reclame uitingen per erf; - Geen reclame voor diensten en of producten die niet in het pand plaatsvinden of respectievelijk worden verkocht - Plaatsing bij de entree of op een parkeerplaats; - Bij een reclame in de vorm van een zuil de hoogte relateren aan achterliggende pand maar maximaal 2.00 m hoog (behalve voor industrieterreinen); - Geen reclame-uitingen die het uitzicht op de openbare ruimte ernstig belemmeren; - Reclame-uiting als zelfstandig element vormgeven waar bij de vorm,maatvoering, detaillering en kleur zijn afgestemd op en in harmonie zijn met het hoofdgebouw; - Reclame beperken tot het hoogst noodzakelijke; - Geen mechanische bewegende delen; - Geen lichtkranten; - Geen aangelichte reclame Alle reclamevormen en uitingen die niet aan bovengenoemde criteria voldoen dienen ter beoordeling aan de CRK te worden voorgelegd. Hoofdstuk4Gebiedscriteria De gebiedsbeschrijvingen en de beeldkenmerken uit dit hoofdstuk vormen het toetsingskader voor de welstandsbeoordeling. Het gaat hier om bouw- plannen binnen de komgrenzen van de kernen in de gemeente Ede. Gebiedstypen - leeswijzer In deze nota zijn de gebiedsgerichte welstandscriteria gekoppeld aan een specifieke gebiedsbeschrijving en de daarbij behorende beeldkenmerken. Voor alle kernen binnen de gemeente Ede is een gebiedsindeling gemaakt op basis van gelijke of vergelijkbare ruimtelijke kenmerken. Leidend daarbij is de ruimtelijke structuur die aan de verschillende wijken, buurten en terreinen ten grondslag ligt. Zo is onderscheid gemaakt in ongeveer 17 verschillende gebiedstypen. Bij elk gebiedstype wordt eerst een beschrijving en waardering gegeven van het gebied. Hier leest u meer over het ontstaan, de ruimtelijke structuur, de plaatsing van de bebouwing op het perceel, bouwmassa, vormgeving en het kleur- en materiaalgebruik. Vervolgens zijn per gebied de beeldkenmerken benoemd die karakteristiek zijn voor het gebied. Als algemeen criterium voor de welstandstoets geldt dat nieuwe bouwplannen aansluiten bij de beeldkenmerken van het gebied waarin ze plaatsvinden. Uitgangspunt is daarbij dat bestaande situaties die afwijken van de beeldkenmerken niet verder worden versterkt. Voor die gebieden waar sprake is van een matige kwaliteit zijn de beeldkenmerken verwoord in een wensbeeld. Voor het gehele gebied of voor delen van het gebied kan een bijzondere welstandstoets gelden. Deze waardevolle gebieden zijn per kern aangegeven op de kaarten in bijlage A. Voor deze gebieden kunnen ook meer specifieke, aanvullende kenmerken en criteria zijn geformuleerd. Deze zijn in dit hoofdstuk beschreven als aanvulling op de gebiedskenmerken en criteria. Bouwplannen worden in dat geval getoetst aan de algemene beeldkenmerken en de aanvullende kenmerken. De hierna volgende beschrijvingen verwijzen naar de kaarten in bijlage B. De kleuren van de pagina- tabs bij de gebiedsbeschrijvingen komen overeen met de kleuren op de welstandskaarten. Centrumgebied Gebiedsbeschrijving Algemeen Betreft de centrumgebieden van Ede, Bennekom en Lunteren. Achtergrond, plaatsing in de historie In Ede, Bennekom en Lunteren hebben de oudste delen van de kern nog altijd een centrale functie als centrum. In Bennekom en Lunteren zijn deze oude straten in de loop der tijd verdicht en uitgegroeid tot levendige centrumgebieden op dorpse schaal. In Ede is het historische dorpscentrum uitgegroeid tot stadscentrum met een regionale centrumfunctie. Ruimtelijke structuur In de centrumgebieden van Bennekom en Lunteren is het oude historische webachtige wegenpatroon nog goed te herkennen. De oude wegen vormen de ruimtelijke dragers van het gebied. Deze zijn in de loop der tijd steeds verder verdicht met winkels, wonen, dienstverlening, horeca en kantoren. Verder zijn er rondom het centrumgebied parkeerruimten gelegen. De organisch ontstane bebouwing heeft geleid tot een gevarieerd bebouwingspatroon. Aan de randen neemt de bebouwingsdichtheid af en neemt de woonfunctie toe. In Ede is met het doortrekken van de Molenstraat het zwaartepunt van het historische centrum naar het zuiden verplaatst. Hier heeft in de loop der tijd een schaalvergroting plaatsgevonden, waarbij uiteenlopende stedenbouwkundige en architectonische principes zijn toegepast. Deels is nog de kleinschalige open dorpse bebouwing herkenbaar, maar er zijn ook latere, grootstedelijke en meer gesloten uitbreidingen. Binnen het gebied komen ook stedenbouwkundige structuurwijzigingen voor, die gedeeltelijk historische patronen hebben vervangen. Ook zijn bij deze ingrepen nieuwe pleinruimten gecreëerd zoals de Markt en het Kuyperplein. Plaatsing op het perceel In de centrumgebieden is sprake van een grote bebouwingsdichtheid. In de dorpse delen staan individuele panden (hier en daar onderbroken door een steegje) aaneengesloten naast elkaar in een herkenbare rooilijn. Grotere elementen, zoals kerken, supermarkten en grotere winkelpanden zijn ingebed tussen de meer kleinschalige bebouwing. De positie van de kerk is daarin veelal verbijzonderd, doordat deze vrij staat van de omliggende bebouwing en omgeven wordt door een pleinachtige ruimte. In de stedelijke delen beslaat projectmatig ontwikkelde bebouwing complete straatwanden, waarbij de begane grond is opgedeeld in kleine en grotere (winkel-)ruimten. De meeste bebouwing is direct aan de straat gelegen, waardoor het gebied een steenachtig karakter heeft. Alle bebouwing is op de weg georiënteerd. De bebouwing begeleidt de straat. Daar waar de rooilijn sterk wijkt of verspringt ontstaan vaak bijzondere (plein)ruimten. Massa en vorm In het gebied komen verschillende massa’s en bouwvormen voor die afzonderlijk herkenbaar zijn. In de dorpse delen is sprake van een perceelsgewijze invulling, waardoor er een grote diversiteit is aan bouwstijlen die varieert per individueel pand. De bebouwing in de centrumgebieden bestaat over het algemeen uit één à twee bouwlagen met een hoge kap. Drie bouwlagen komen ook geregeld voor. De stedelijke delen van Ede centrum variëren van drie tot vijf bouwlagen. Deze bebouwing heeft veelal één herkenbare bouwstijl, waarbij soms in de gevelindeling individuele panden worden gesuggereerd. Hogere bebouwing, tot zeven bouwlagen, komt voor als nieuw oriëntatiepunt in het winkelgebied (Ede). Als kapvorm komen overwegend zadel- en schild- daken voor haaks op of evenwijdig aan de straat. De stedelijke invullingen hebben veelal een plat dak. Een deel van de winkelpanden heeft aan de voorzijde een luifel die boven- en onderpui van elkaar scheidt. Detaillering, kleur en materiaal Omdat de bebouwing in de centrumgebieden organisch en over lange tijd is gegroeid en vernieuwd, is er geen eenduidige detaillering te onderscheiden. Karakteristieke oude bebouwing met rijke detail- lering staat hier naast moderne invullingen met een sobere detaillering. Ook in kleur- en materiaal- gebruik is er verscheidenheid. Gevels zijn evenwel grotendeels opgetrokken uit baksteen en soms gepleisterd of wit geverfd. Panden met kappen zijn veelal gedekt met rode of donkergrijze pannen. Kleuren zijn overwegend sober en rustig. Bij de meest recente nieuwbouw die aaneengesloten gebieden beslaat, zoals in Ede, is sprake van een grotere eenheid in detaillering, kleur- en materiaalgebruik. Het straatbeeld langs de oudere delen wordt in sterke mate bepaald door de vele reclame-uitingen. Deze zijn zowel horizontaal als verticaal aan de gevels zijn bevestigd en hebben vaak geen relatie met de achterliggende gevels. Waarde Het centrumgebied heeft grote waarde als aantrekkelijk winkel- en verblijfsgebied. Hierbij spelen zichtbaarheid en herkenbaarheid van historie, cultuur en eigenheid een grote rol; de dynamiek van de verscheidenheid aan functies zoals wonen, werken, cultuur etc.; het aanbod van prettige verblijfsruim- ten zoals winkelstraten en pleinen. Beeldkenmerken en welstandscriteria Beeldkwaliteitsplannen Voor het centrumgebied van Ede geldt het beeld- kwaliteitsplan Centrum Ede. De richtlijnen uit dit plan zijn leidend voor de welstandstoets. De beeldkwaliteitsplannen voor de centra van Bennekom en Lunteren komen te vervallen. De karakteristieke waarden zijn verwerkt in onderstaande beeldkenmerken. Beeldkenmerken Voor de bebouwing in de centrumgebieden van Bennekom en Lunteren gelden de volgende beeld- kenmerken: Aaneensluitende bebouwing met een kleinschalige korrel begeleidt de ruimtelijke dragers en stedelijke ruimten van het dorp; Gevarieerd straatbeeld: elk individueel pand is anders (geen eenvormigheid); Variatie in bouwstijl, kapvorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik. Panden hebben een rechthoekige basisvorm met een royale kap of daklijst. Gevelbreedte is beperkt, panden hebben een duidelijke geleding en zijn niet grootschalig; Oriëntatie op de weg; Etalages verlevendigen het straatbeeld en beperken zich alleen tot de eerste bouwlaag; Begane grond- en bovenverdieping zijn een samenhangend geheel; Reclame uitingen hebben een beperkte omvang; Aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw; Bijgebouwen staan achter de hoofdbebouwing. Welstandscriteria De bebouwing sluit aan bij de beeldkenmerken van het gebied; De gegeven situatie vormt het uitgangspunt. Bijzonder welstandsbeleid Voor de centrumgebieden geldt een bijzonder welstandsniveau. Gezien de overeenkomsten tussen Bennekom en Lunteren zijn geen specifieke beeldkenmerken per kern opgenomen. Historisch dorpsgebied Gebiedsbeschrijving Algemeen Betreft de oude kernen en bebouwingslinten van de dorpen Harskamp, Wekerom, Otterlo, Ederveen en de Klomp en de nog bestaande linten van Ede, Bennekom en Lunteren. Achtergrond, plaatsing in de historie Het historisch dorpsgebied laat een beeld zien van de ontstaansgeschiedenis van het dorp. Het merendeel van de kernen maakt deel uit van een reeks nederzettingen die op de overgang van het Veluwemassief naar de Gelderse vallei zijn ontstaan: een strategische plek tussen de laag gelegen bouw- en graslanden en de hoog gelegen bos- en heidegebieden. Verbindingswegen tussen de nederzettingen kwamen evenwijdig aan de hoogtelijnen te liggen. Deze kernen, met uitzondering van Ederveen en Wekerom, zijn van oorsprong engdorpen. Ede is ontstaan als agrarisch dorp met een spinvormige structuur van wegen met verspreide boerderij- en (Maanderweg, Molenstraat, Amsterdamseweg). Bennekom en Lunteren groeiden vooral langs de verbindingswegen in noord-zuidrichting (Edeseweg, Dorpsstraat, Bovenweg(Bennekom)) en daarnaast langs de uitwaaierende verbindingswegen over de engen. Bennekom ontwikkelde zich tot een brinkdorp in de 19e eeuw. Harskamp ontwikkelde zich vanaf 1900 zich steeds meer tot een wegdorp met de Dorpsstraat en de Otterloseweg als ontwikkelingsas. Otterlo heeft van oorsprong een belangrijke ligging aan de Harderwijkerweg/Arnhemseweg. Wekerom is (na de Tweede Wereldoorlog) tot ontwikkeling gekomen op de kruispunten van de wegen, te weten de Lage Valkseweg-Edeseweg en de Koperensteeg-Schoolsteeg. Van oorsprong lag de kern meer naar het zuiden. Vanwege de overlast van zandverstuivingen heeft het dorp zich noordwaarts ontwikkeld. Ederveen en de Klomp zijn ontstaan als veenontginning met de Hoofdstraat als ontginningas. Ruimtelijke structuur Het historisch dorpsgebied is nog altijd bepalend voor de hoofdstructuur van het dorp. Vooral in de kleine kernen vormen de oude wegen de ruimtelijke dragers en belangrijkste wegen in het dorp. In Bennekom en Lunteren is het ontstaanslint de ruggen- graat van het dorp. In Ede is de oude structuur nog wel deels aanwezig, maar deze is niet overal meer als lint herkenbaar omdat de oude bebouwing heeft plaatsgemaakt voor nieuwe stedelijke ingrepen. Boven de Molenstraat ligt nog een bijzonder deel van het oude centrum van Ede: het Bospoortgebied, dat los van het huidige winkelcentrum is komen te liggen. Dit gebied ademt nog grotendeels een historische dorpse sfeer met kleinschalige, individuele bebouwing. Ook de oude centrumvorming rond het station Ede-Wageningen is nog altijd herkenbaar in de bebouwing langs de Parkweg. In de verschillende kernen zijn de oude nog bestaande linten in de loop der tijd steeds verder verdicht. Boerderijen langs de oude linten zijn aan- gevuld of vervangen door woningen, herenhuizen en moderne eengezinswoningen. Er is sprake van een verscheidenheid aan functies. Naast woningen zijn er winkels, kerken, scholen, bedrijven en enkele horecagelegenheden gevestigd. In de dorpen Harskamp, Ederveen en Wekerom is geen sprake van een historisch centrum met voorzieningen. Voorzieningen en bedrijven liggen verspreid langs de bebouwingslinten. Wel zijn in deze dorpen in een later stadium pleinvormige ruimten gebouwd om een centrale plek in het dorp te creëren. Otterlo kent van oudsher wel een duidelijke kern, waar sprake is van een concentratie van voorzieningen (winkels, school, kerk). De Klomp is in hoofdzaak een langgerekt bebouwingslint gebleven aan weerszijden van het station Veenendaal-De Klomp. De linten hebben veelal een profiel met een doorgaand karakter, vaak met grote bomen en aan weerszijden bebouwing. In de kleine kernen krijgt de lintbebouwing aan de rand van het dorp vaak een landelijk karakter, met individuele woningen en soms schuren op grote diepe percelen en grote open percelen tussen de bebouwing. In Bennekom en Lunteren wordt het lint aan weerszijden van het centrum in sterke mate bepaald door villa’s op lommerrijke percelen. Plaatsing op het perceel De plaatsing van de bebouwing op het perceel is los en informeel. De bebouwing is op de weg georiënteerd. De rooilijn is veelal verspringend en de bebouwing heeft een vrij losse en open structuur. In de kleine kernen zijn er tussen de afzonderlijke bouwmassa’s zo nu en dan doorzichten naar het open buitengebied. Overgangen van privé naar openbaar bestaan uit tuinen. De bebouwingsdichtheid varieert. In het hart van de centrumgebieden is sprake van dichtere tot aaneengesloten bebouwing, voortuinen ontbreken hier vaak en de panden staan direct aan het trottoir. Aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen, zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw en staan naast en/of achter de voorgevels. Als erfafscheiding fungeren lage heggen, lage muren en kleine open hekken. Massa en vorm Doordat de periode waarin de panden zijn gebouwd varieert - historische panden worden afgewisseld met moderne(
- re)invullingen - is er een zeer divers bebouwingsbeeld ontstaan. De bebouwing in het deelgebied is grotendeels kleinschalig en bestaat overwegend uit vrijstaande panden van een of twee lagen met een kap. De woonbebouwing betreft vooral grondgebonden woningen, enkele boerderijen en herenhuizen, maar ook villa’s zoals in Bennekom. Incidenteel staat er een bungalow tussen de lintbebouwing. Op centrale plekken komt wat hogere bebouwing voor in twee of drie bouwlagen met een kap. De graansilo’s in Ederveen, de Klomp en Wekerom wijken wat massa en vorm betreft af van de rest van de bebouwing en vormen als het ware de landmarks van het dorp. De silo’s zijn in deze nota opgenomen als solitaire bebouwing. De nokrichtingen van de panden varieert, van overwegend haaks op de weg tot juist afwisselend evenwijdig en haaks. De bebouwing is divers van karakter. Er is vaak sprake van een perceelsgewijze invulling, waardoor de bebouwing een geheel eigen en individueel karakter heeft. Deze wordt gekenmerkt door een verscheidenheid in architectuur, kapvormen, nokrichtingen, aan- en uitbouwen en gevelindelingen. De karakteristieke lintbebouwing wordt in een aantal gevallen ontsierd door storende reclame-uitingen, wijzigingen van de begane grondlaag ten behoeve van een winkelfunctie en door aan- en uitbouwen aan de voorgevels van bedrijfspanden. Detaillering, kleur en materiaal Omdat de bebouwing in verschillende perioden tot stand is gekomen, is er sprake van een zeer grote verscheidenheid in detaillering, kleur- en materiaal- gebruik binnen een veelal traditionele architectuur. Gevels zijn grotendeels opgetrokken uit baksteen en soms gepleisterd of wit geverfd. Daken worden gedekt met oranje of donkergrijze pannen en zo nu en dan een rieten kap. Kleuren zijn overwegend sober en rustig. Waarde De waarde van deze gebieden ligt in het historische karakter van de bebouwing en straten. Ze laten een beeld zien van de ontstaansgeschiedenis van de dorpen. De veelal kleinschalige en gevarieerde bebouwing en functies geven de straten levendigheid en een eigen kleur aan het dorp. Beeldkenmerken en welstandscriteria Beeldkwaliteitsplan Voor enkele locaties binnen het historisch dorpsgebied van Wekerom geldt een beeldkwaliteitsplan. Beeldkenmerken Voor de bebouwing in het historisch dorpsgebied gelden de volgende beeldkenmerken: De bebouwing begeleidt de ruimtelijke dragers van het dorp; Gevarieerd straatbeeld: elk individueel pand is anders (geen eenvormigheid); Variatie in bouwstijl, kapvorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik; Panden hebben een rechthoekige basisvorm met een beeldbepalend kap of daklijst; Oriëntatie op de weg, nokrichting varieert; Voortuin is groen en representatief; Aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw; Bijgebouwen staan achter de hoofdbebouwing. Welstandscriteria De bebouwing sluit aan bij de beeldkenmerken van het gebied; De gegeven situatie vormt het uitgangspunt. Bijzonder welstandsbeleid Voor het historisch dorpsgebied geldt een bijzonder welstandsniveau. Specifiek voor de Bospoort in Ede gelden aanvullende criteria. Ede: Bospoort Het Bospoort gebied is uniek voor Ede. Veel inwoners waarderen het historische karakter van het gebied. De waarde van de Bospoort ligt in de dorpse, historische sfeer en de geborgen kleinschalige opbouw. Er is eenheid in verscheidenheid. De entrees naar de Bospoort hebben weinig uitstraling en behoeven een kwaliteitsverbetering. Aanvullende beeldkenmerken kleinschalige afzonderlijk herkenbare bebouwing; veelal traditionele bouwstijl of daaraan verwant; royale kappen of daklijsten en kloeke kozijnen; zorgvuldige detaillering en natuurlijk kleurgebruik; traditionele materialen: baksteen, hout, zink, soms stucwerk; reclame uitingen bescheiden en afgestemd op de gevelindeling; winkelpuien zijn levendig, etalages beperken zich tot de eerste bouwlaag. Eerste planmatige uitbreidingen STATIONSWEG Gebiedsbeschrijving Algemeen Betreft de bebouwing langs de Stationsweg in Ede. Achtergrond, plaatsing in de historie Gedurende de tweede helft van de 19e eeuw groeide Ede ongebreideld en lintvormig langs de bestaande wegen. Van planmatige stedenbouw was geen sprake, met uitzondering van het plan Tulp voor de Stationsweg. Met de komst van het station had Ede twee kerngebieden ontwikkeld: de oude kern en ter hoogte van het station. Het plan voor de Stationsweg droeg ertoe bij dat beide polen naar elkaar toe groeiden. De lokale ‘projectontwikkelaar’ J. Tulp ontvouwde in 1874 een plan om aan weerszijden van deze weg vrijstaande woningen te bouwen in een strook van 70 meter diep. Het deel van de Stationsweg tot aan de Beukenlaan werd op basis van het plan Tulp verkaveld. In de periode 1880-1930 verrees een groot aantal villa’s langs de Stationsweg. Een zandpad met bomen aan weerszijden moest aan de westkant van het plangebied een halt toeroepen aan de zandverstuivingen vanuit het aangrenzende Maanderzand, het huidige Zwartelaantje. Ruimtelijke structuur De ruimtelijke structuur van de Stationsweg wordt bepaald door de eenvoudige rechte loop van de weg met aan weerszijden bebouwing op ruime percelen met een vaste kaveldiepte. Langs de Stationsweg werden rijk gedecoreerde villa’s en rentenierswoningen met tuinen met een parkachtige aanleg gebouwd. Veel villa’s aan de Stationsweg hebben in de loop der tijd een andere functie gekregen, vooral als kantoor. Opvallend is de aanwezigheid van enkele grote (woon-)complexen in het gebied. De rijk aanwezige loofboombeplanting in de verschillende tuinen geeft de Stationsweg een statige allure. Plaatsing op het perceel De bouwmassa’s zijn centraal gesitueerd op grote percelen. Rooilijnen aan de stationsweg liggen relatief ver op de kavel. Deze verspringen per woning. De woningen zijn dan ook voorzien van relatief grote voortuinen die door stijl gebonden erfafscheidingen gescheiden worden van de openbare ruimte. Hoofdgevels en entrees zijn op straat georiënteerd. Massa en vorm De Stationsweg wordt gekenmerkt door een afwisseling van grote vrijstaande villa’s uit verschillende perioden en moderne appartementencomplexen. De bebouwing varieert in hoogte van twee bouwlagen met kap tot ongeveer vier bouwlagen bij de woon-zorgcomplexen voor ouderen. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik Omdat er in uiteenlopende perioden in het deelgebied gebouwd is, is de bebouwing pluriform van karakter. Imposante 19de-eeuwse herenhuizen staan naast witte, brede bungalows. Wel is over het algemeen sprake van een hoge architectonische kwaliteit. Ook bij recent gebouwde appartementen- complexen is veel zorg aan de detaillering besteed. Waarde De waarde van de Stationsweg ligt in de ruime opzet van de villaverkaveling met stadsvilla’s (grote woningen met compact volume en bijzondere architectuur) op ruime en rijk begroeide percelen. Beeldkenmerken en welstandscriteria Beeldkenmerken Vrijstaande panden (stadsvilla’s en urbanvilla’
- s)met een compact bouwvolume op een ruim, overwegend groen erf; Voorname panden met representatieve voor- en zijgevels en karakteristieke elementen, “gebouwd om gezien te worden”; Royale onderlinge afstanden tussen de panden; Oriëntatie van de huizen op de Stationsweg; Huizen op ruime afstand van de weg (grote voortuinen); Grote variatie in architectuurstijlen; Royale kappen met veelal een samengestelde kapvorm; Monumentale solitaire bomen in de voortuinen bepalen het groene beeld van de weg; Representatieve voor- en achtertuinen bepalen in sterke mate de kwaliteit van het straatbeeld; Lage erfscheiding bij voor- en hoektuinen; Aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Welstandscriteria De bebouwing sluit aan bij de beeldkenmerken van het gebied; De gegeven situatie vormt het uitgangspunt. Bijzonder welstandsbeleid Voor bebouwing aan de Stationsweg geldt een bijzonder welstandsbeleid. Er zijn geen aanvullende criteria. TUINDORPEN Gebiedsbeschrijving Algemeen Betreft de Kolkakkerbuurt en Oud Ede-Zuid in Ede. De Oranjebuurt (Park Maanen) is hier niet aan toegevoegd, omdat deze buurt zich niet of nauwelijks meer als eenheid onderscheidt. Achtergrond, plaatsing in de historie Aan het begin van de 20e eeuw was er in Ede weinig industriële bedrijvigheid. De vestiging van de Enka-fabriek (‘Nederlandse Kunstzijdefabriek’, in de volksmond kortweg ‘Enka’ genoemd) in Ede in 1921 betekende een grote groei-impuls voor de gemeen- te. Voor de werknemers van de ENKA werden onder andere Park Maanen (Oranjebuurt) en Vooruit (Oud Ede Zuid) gebouwd. Ook het tuindorp Kolkakker ontstond in deze periode. Van grote invloed bij de ontwikkeling van deze buurten was de tuinstadgedachte. Het streven was gericht op een gezonde woonomgeving, waarbij werd uitgegaan van functiemenging (woningbouw en voorzieningen), een geringe dichtheid, een besloten straatbeeld en verbijzonderingen in straatruimten. Het beoogde karakter was dorps en landelijk. In Kolkakker en Vooruit is dat nog steeds te zien. De kenmerkende eenheid in architectuur had tot doel de gemeenschapsgeest te versterken. De wens van de architecten voor gesloten straat- wanden stuitte op bezwaar van de gemeenteraad. Deze wilde geen stedelijke straatwanden maar een open bebouwing. In de Kolkakkerbuurt is daartoe de twee-onder-een-kap het meest voorkomende woningtype in het plan. Aaneengesloten bebouwing is uiteindelijk wel in het eerste deel van de Parkweg en in het tuindorp Vooruit gerealiseerd. De gemeenteraad vond tevens dat groen vooral productief groen moest zijn. Er werd gepleit voor veel tuinbouwgrond bij de woning voor moes en vee, zodat men zich deels zelf kon blijven redden en de huur kon blijven opbrengen. Ruimtelijke structuur De buurten zijn oorspronkelijk ontworpen als een samenhangend geheel met specifieke architectonische en stedenbouwkundige kenmerken. Vooral het samenspel tussen de bebouwing en de straatruimte is van belang. De straatgevels vormen veelal kleinschalige, intieme openbare ruimten. Verspringende rooilijnen, geknikte of gekromde woonstraten, poorten en hofjes, versmallingen of juist verbredingen van het straatprofiel en groene pleintjes zijn ingezet om variatie in straatruimten te creëren. Op hoeken zijn veelal verbijzonderingen in de bebouwing aangebracht. Gedachte buurtvoorzieningen zijn vrijwel niet gerealiseerd of inmiddels verdwenen. Wel is bedrijvigheid te vinden op achter terreinen. De buurten zijn ruim opgezet, de woningen zijn grondgebonden en hebben ruime tuinen. De buurten zijn opgebouwd uit gesloten bouwblokken en vormen als geheel een herkenbare eenheid. Door de samenhang in straat, bebouwing, tuinen en pleinen is een aangename en vriendelijke woonomgeving ontstaan. Plaatsing op het perceel De woningen zijn allemaal georiënteerd op de straat. De rooilijn van de bebouwing begeleidt de straat of pleinruimte. Op hoeken zijn veelal verbijzonderingen aangebracht in de rooilijn, de gevel en dakopbouw, waarmee de bebouwing zich naar twee kanten richt. De overgang van privé naar openbaar is van oorsprong zorgvuldig vormgegeven met een voortuin en een eenduidige erfafscheiding. Deze herkenbare erfafscheiding is niet overal behouden gebleven. Bijgebouwen zijn ondergeschikt en zijn veelal achter de woning gesitueerd. Massa en vorm Er is een sterke eenheid in architectuur. De bebouwing is niet uniform vormgegeven, maar er zijn steeds variaties op een samenhangend thema. De grote dakvlakken spelen hierin een belangrijke rol. De nokrichting is haaks of evenwijdig aan de weg en hangt samen met de plek in de straat, bijvoorbeeld als verbijzondering van een hoek of als accent aan een plein. De bebouwing bestaat uit een of twee lagen en een kap. Verspringende gootlijnen binnen het bouwblok brengen variatie aan in het straat- beeld. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik Er is een duidelijke samenhang in kleur- en materiaalgebruik. De huizen zijn opgetrokken uit baksteen en hebben een pannendak. Per buurt komt de kleurstelling overeen. De bebouwing is met zorg ontworpen en heeft kenmerkende details en ornamenten in de gevel en het dak. Waarde De waarde van de tuindorpen ligt in de herken- baarheid van de woonbuurten met een sterke samenhang tussen bebouwing en straatruimte. Dit geeft, tezamen met de aandacht voor vormgeving, detaillering en groen, deze woonbuurten een vriendelijk karakter. Beeldkenmerken en welstandscriteria Beeldkenmerken Eenheid in architectuur en stedenbouw; Eenheid in materiaal- en kleurgebruik en detaillering; Kleinschalige uitstraling en detaillering; Grondgebonden woningen met een uitgesproken dakvorm; Oriëntatie op de weg, verbijzondering bij hoekpanden; Zorgvuldig ontworpen overgang tussen open- baar en privé (voortuinen, erfafscheiding); Aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Welstandscriteria De bebouwing sluit aan bij de beeldkenmerken van het gebied; De gegeven situatie vormt het uitgangspunt. Bijzonder welstandsbeleid Voor de Kolkakkerbuurt en Oud Ede-zuid geldt een bijzonder welstandsbeleid. Per buurt gelden daarbij de hierna volgende aanvullende criteria: Tuindorp Kolkakker Karakteristiek voor het tuindorp zijn de besloten straten en verspringende rooilijnen. Het oudste deel is in één hand ontworpen en kent een samenhang in sobere architectuur en materiaalgebruik. Latere invullingen zijn op basis van particulier initiatief en daar bevinden zich de karakteristieke ‘Veluwe puntjes’, vrijstaande woningen voor de middenklasse. De beeldkenmerken voor bebouwing in Tuindorp Kolkakker zijn opgedeeld in: Vrijstaande woningen aan de Bremlaan, de Papekoplaan en de Korenbloemlaan; Woningen aan de Brinkweg, Klaprooslaan, Kolkakkerweg, Talmalaan, Den Brink en de Patrimoniumweg. Aanvullende beeldkenmerken Hoekhuizen en huizen aan het einde en/of begin van de straat zijn vaak beeldbepalend en verdienen hierdoor extra aandacht; De voorgevels staan over het algemeen op gelijke afstand van de straat (in een rooilijn). Huizen die buiten de rooilijn zijn geplaatst, hebben vaak een bijzondere positie in de stedenbouwkundige structuur (bijvoorbeeld markeren van een begin van de straat) en verdienen hierdoor extra aandacht. Vrijstaande woningen aan de Bremlaan, de Papekoplaan en de Korenbloemlaan: Over het algemeen vrijstaande woningen, het zogenaamde ‘Veluwse puntje’; De huizen hebben een steil zadeldak met lage goot. De nokrichting van de kap staat dwars op de richting van de straat. De kap heeft een klein overstek; Variatie in kleur: er is een mooie genuanceerde variatie gemaakt in de wijk door per woning te variëren in kleur baksteen en kleur dakpan; Voor- en hoektuinen zijn representatief en vormen een belangrijk onderdeel van het straatbeeld. Voor- en hoektuinen hebben een lage erfscheiding. Woningen aan de Brinkweg, Klaprooslaan, Kolkakkerweg, Talmalaan, Den Brink en de Patrimoniumweg: Het merendeel van de woningen is planmatig en in sterke samenhang ontworpen; Sobere woningen met kap. De nokrichting van de kap staat parallel of dwars op de straat. Het dak is voorzien van dakpannen. Karakteristiek is dat het dak geen overstek heeft; De gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk van roodbruine baksteen; De gevels zijn versierd met horizontale metselwerk banden; Voor- en hoektuinen zijn representatief en vormen een belangrijk deel van het straatbeeld. Voor- en hoektuinen hebben een lage erfscheiding. Oud Ede-Zuid De woonbuurt heeft de herkenbare stedenbouwkundige opzet van een tuindorp met een duidelijke samenhang tussen bebouwing en de straatruimte. Dit is gebeurd door middel van verspringen, poortjes en straatbeëindigingen met bijzondere woningtypen. De woningen zijn uit één hand ontworpen en hebben nog veel originele architectonische details. Het grootste deel van de woningen in Oud Ede-Zuid zijn aangemerkt als gemeentelijk monument. De twee-onder-een-kapwoningen aan de Blokkenweg en de Zijdelaan zijn niet aangemerkt als monument. Aanvullende beeldkenmerken: de voorgevels staan in een rechte rooilijn. Deze verspringt als markering van de zijstraat en het einde van de rij. Deze woningen hebben hierdoor een grotere voortuin; bijgebouwen staan (vrijwel direct) achter de voorgevellijn (rooilijn); twee-onder-een-kapwoningen (twee bouwlagen) met schilddak. De nokrichting van het schilddak is parallel aan de straatrichting. Het schilddak is voorzien van gebakken gesmoorde dakpannen; de voorgevel is spiegel-symmetrisch opgebouwd met naast elkaar in het midden de voordeuren; de gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk van bruinrode baksteen; de gevels zijn versierd met siermetselwerk: horizontale metselwerk banden die iets uitsteken ten opzicht van het muurvlak; voordeuren zijn extra gemarkeerd door gemetseld kader; houten goot met groot overstek, afgewerkt met zinken kraal; karakteristiek zijn de gemetselde schoorstenen. Deze zijn verticaal opgetrokken vanaf het midden van de zijgevel (dwars op de zijgevel); voor- en hoektuinen zijn representatief en vormen een belangrijk onderdeel van het straatbeeld. Voor- en hoektuinen hebben een lage erfscheiding. Dorpse uitbreidingen Algemeen Betreft de gebieden rond de oude kernen van Ede, Lunteren en Bennekom die volgens de eerste vooroorlogse uitbreidingsplannen zijn aangelegd en waar ook na de Tweede Wereldoorlog op is voortgebouwd. Achtergrond, plaatsing in de historie Om de groei van de dorpen te sturen wordt in de periode van 1924 tot 1940 een aantal uitbreidingsplannen opgesteld voor de dorpen Ede, Lunteren en Bennekom. Deze plannen kenmerken zich door een fijnmaziger stratenpatroon dat tussen de oude linten of veldwegen is gelegd. Bennekom en Lunteren groeien met name in oostelijke richting. In Ede wordt de groei aan de oost en noordzijde beperkt door de natuur, het uitdijende militaire complex en de nieuwe rijksweg (nu N224). Uitbreidingen vinden hier vooral in westelijke en zuidelijke richting plaats. Binnen het gemeentebestuur is een voorkeur voor een (half) open verkaveling, ook langs doorgaande wegen en stedenbouwkundige assen. Het dorpse karakter wordt gekoesterd. Aaneengesloten bebouwing wordt alleen toegelaten in de dorpskern. Voor Lunteren volstaat tot de Tweede Wereldoorlog het raamwerk van bestaande straten omdat daarbinnen nog voldoende ruimte is voor woningbouw. Na de Tweede Wereldoorlog wordt in de dorpen nog enige tijd voortgeborduurd op de fijnmazige dorpse uitbreidingsstructuren. Ook de nieuwe uitbreidingsplannen uit halverwege de jaren ’50 voorzien voor een deel in de afronding van vooroorlogse aanzetten. Aaneengesloten bebouwing is dan inmiddels geen bezwaar meer. Ruimtelijke structuur Kenmerkend is de informele stedenbouwkundige structuur met nieuwe verbindingen tussen de oude linten en nieuwe dwarsstraten. De straten vormen tezamen min of meer rechthoekige of driehoekige bouwblokken in verschillende afmetingen. Hierlangs werden nieuwe woningen gebouwd. In de loop der tijd zijn de straten steeds verder verdicht. Deze verdichting met -in hoofdzaak- particuliere woningbouw heeft uiteindelijk geleid tot een variatie aan individuele grondgebonden woningen uit verschillende perioden. Woningbouw overheerst, maar er is nog wel enige menging van functies. Verspreid over de buurten zijn ook scholen, kerken en andere voorzieningen in het stratenpatroon opgenomen. Karakteristiek in deze uitbreidingsbuurten zijn de relatief grote achterterreinen. Deze zijn deels ingevuld met diepe tuinen, maar bieden hier en daar ook ruimte aan bijvoorbeeld bedrijven, scholen of andere functies. Daarentegen is er weinig tot geen openbaar groen aanwezig. Nieuwe stedenbouwkundige structuren komen eigenlijk niet voor. Alleen het Beatrixpark kent een ‘barokke’ symmetrische opzet met assen die als een driepoot vanuit het centrum uitlopen richting spoor. Dit vooroorlogse stratenpatroon is pas na de Tweede Wereldoorlog bebouwd met woningen. Plaatsing op het perceel Woningen op de kavels zijn haaks of evenwijdig ten opzichte van de straat georiënteerd. De oriëntatie van de hoofdgevel van de woningen is op de weg gericht. De rooilijn is veelal verspringend en de bebouwing heeft een vrij losse en open structuur. Overgangen van privé naar openbaar bestaan uit tuinen. De bebouwingsdichtheid varieert. Aan de oostzijde van de dorpen is sprake van ruimere percelen tegen en in de bosrand. Nabij de kern en aan de westzijde zijn de percelen en woningen kleiner. Het Beatrixpark kent ook enkele portiekflats die als ensemble diagonaal op het bosachtige perceel staan. Massa en vorm De bebouwing is kleinschalig en bestaat overwegend uit vrijstaande of dubbele woningen van een of twee lagen met een kap. De nokrichting varieert: overwegend haaks op de weg (vrijstaande woningen) of een variatie van haaks en parallel aan de weg. De bebouwing die na de Tweede Wereldoorlog is gerealiseerd betreft ook rijenwoningen en enkele portiekflats. De bebouwing is divers van karakter. Er is vaak sprake van een perceelsgewijze invulling waardoor de bebouwing een geheel eigen en individueel karakter heeft. Deze wordt gekenmerkt door een verscheidenheid in architectuur, kapvormen, nokrichtingen, aan- en uitbouwen en gevelindelingen. De na-oorlogse bebouwing kent vaak een sterkere herhaling van dezelfde eenheden vooral bij rijenwoningen. Aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen, zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Materiaal, detaillering en kleur De gevels zijn in de meeste gevallen opgetrokken uit baksteen. Het dak is bedekt met pannen. Er is sprake van een zeer diverse detaillering en een traditioneel kleur- en materiaalgebruik. Waarde De waarde van deze buurten ligt in de dorpse informele opbouw. Er is samenhang in diversiteit, panden hebben een eigen identiteit zonder opzichtig te zijn. Tezamen met de ongedwongen ritmiek in het bebouwingspatroon zorgt dit voor een gevarieerd straatbeeld. Beeldkenmerken en welstandscriteria Beeldkenmerken kleinschalige, informele uitstraling; gevarieerd straatbeeld, elk individueel pand is anders (eenvormigheid beperkt zich in hoofdzaak tot rijenwoningen); variatie in bouwstijl, kapvorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik. Bij rijenwoningen is er wel eenheid binnen het blok; panden hebben een rechthoekige basisvorm met kap; oriëntatie op de weg, nokrichting eenduidig of juist variabel; aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw; bijgebouwen staan achter het hoofdgebouw. Welstandscriteria de bebouwing sluit aan bij de beeldkenmerken van het gebied; de gegeven situatie vormt het uitgangspunt. Bijzonder welstandsbeleid Voor een aantal locaties geldt een bijzonder welstandsbeleid (zie bijlage A). Voor de onderstaande gebieden gelden daarbij de volgende aanvullende criteria: Ede: Beatrixpark De waarde van het Beatrixpark betreft vooral de bijzondere stedenbouwkundige structuur. De stedenbouwkundige plattegrond is van voor de oorlog. Deze is in een voor Ede bijzondere een formele stijl met verschillende (zicht)assen en een middenas. Van de bebouwing is alleen de monumentale kerk voor de oorlog gebouwd. De overige bebouwing is na-oorlogs. De sobere bouw en beperking in kleur en materiaalgebruik maakt dat ondanks de architectonische diversiteit en de verschillende woningtypologieën toch een zekere samenhang gewaarborgd is. Bijzondere en hoogwaardige beplanting en groen elementen in de openbare ruimte en op private terreinen maken het beeld compleet. Aanvullende beeldkenmerken: de gevels zijn opgetrokken in metselwerk; de architectuur van de woningen is sober. Er is geen tot weinig contrast; kleur en materiaal gebruik zijn afgestemd op het straatbeeld; de aanwezige woongebouwen in 4 lagen vormen een duidelijk ensemble; de hoge woongebouwen zijn met de entrees op de straat gericht en hebben een plat dak. Ede: Willem Witselaan Wigvormig pleintje omsloten door stedenbouwkundig ensemble bestaande uit huizenrijen van twee lagen met zadeldak. Ondiepe woningen met sobere baksteenarchitectuur met pannendaken. Verbijzondering betonnen luifel boven entreedeur. Diepe voortuinen met oorspronkelijk gemetselde erfscheidingen gecombineerd met haag. Aanvullende beeldkenmerken: Karakteristiek zijn de eerste en de laatste woningen in de rij ten westen van de Willen Witsenlaan. Het dak van de woningen is verhoogd. Hierdoor vormen zij samen een poort naar het achterpad; Sobere rijwoningen met zadeldak. Het zadeldak is voorzien van donker gesmoorde gebakken dakpannen; De gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk van roodbruine baksteen; De woningentrees zijn extra gemarkeerd; Karakteristiek zijn de kopse tuitgevels; Voor- en hoektuinen zijn representatief en vormen een belangrijk deel van het straatbeeld. Voor- en hoektuinen hebben een lage erfscheiding. Ede: Thomaslaan eo Woonbuurt ter plaatse van de straten Thomaslaan, Van Voorthuizenlaan en IJssel de Schepperlaan. De symmetrisch opgezette lanen hebben aan weerszijden van de weg bomenrijen en diepe voortuinen. De Thomaslaan en de IJssel de Schepperlaan zijn geknikt. Het bouwblok tussen Thomaslaan, Van Voorthuizenlaan en IJssel de Schepperlaan heeft een overmaat met een collectieve groene binnenruimte die als speelterrein is ingericht. Deze is verbonden via een smalle doorgang met de Thomaslaan. De woningen aan de lanen bestaan uit gelijke huizenrijen met een hoogte van twee lagen met zadeldak. De ondiepe woningen hebben een sobere baksteenarchitectuur. De entrees zijn extra geaccentueerd met betonnen luifels en ruitvormige decoraties in het metselwerk. De kopgevels met raamopeningen zijn extra markant uitgewerkt als tuitgevel met hoog opgemetselde schouders. De totale verschijningsvorm borduurt voort op het vooroorlogse principe van de tuinwijk. Aanvullende beeldkenmerken: Rijwoningen met zadeldak. De nokrichting van het zadeldak is parallel aan de straat. Kappen zijn nog gaaf en zonder dakopbouw; De Kopse gevels zijn voorzien van gevelopeningen en zogenaamde schouders. De woningentrees zijn gemarkeerd; Aanbouwen vormen één geheel met de kopgevel; De gevels zijn opgetrokken in sobere baksteenarchitectuur; Het zadeldak is voorzien van rode gebakken dakpannen. Wederopbouw vroeg na-oorlogs Gebiedsbeschrijving Algemeen Betreft de eerste na-oorlogse woonbuurten die volgens een rationele verkaveling zijn opgezet, maar nog wel binnen het historische wegenpatroon. Achtergrond, plaatsing in de historie Na de Tweede Wereldoorlog is de woningnood ongekend groot. Halverwege de jaren ’50 worden de vooroorlogse uitbreidingsplannen van Ede, Bennekom en Lunteren vervangen door nieuwe uitbreidingsplannen. Ook voor de andere dorpen worden dan uitbreidingsplannen gemaakt. In deze plannen wordt deels voortgeborduurd op een traditionele manier van uitbreiden en deels worden ook modernistische principes zichtbaar in het scheiden van wonen, werken en sport. Men wil Ede ontwikkelen van agrarisch dorp naar industriële stad. Het uitbreidingsplan uit 1954-1955 blijft tot halverwege de jaren zestig het ruimtelijke kader voor de groei van Ede en voorziet onder andere in nieuwe uitbreidingen in het westen en oosten van de kern. In Bennekom en Lunteren worden aan de westzijde nieuwe meer rationeel verkavelde woonbuurten geïntroduceerd. Op beperkte schaal worden deze nieuwe woonbuurten ook in de plannen voor de kleine dorpen opgenomen. In deze periode wordt de ambachtelijke manier van bouwen aangevuld met nieuwe industriële bouwsystemen. En in de jaren vijftig worden de eerste portiekflats gebouwd, incidenteel, en later ook in reeksen, soms als begeleidingen van de hoofdstructuur. Ruimtelijke structuur De eerste naoorlogse uitbreidingen vinden in hoofdzaak plaats binnen de bestaande ruimtelijke structuren. Deze uitbreidingen zijn nog steeds opgebouwd uit een fijnmaziger stratenpatroon tussen de al aanwezige wegen, maar de opzet is rationeler met rechte straten en strakkere rooilijnen en de bebouwing is eenvormiger dan voor de oorlog. Op een enkele plek liggen nieuwe hoofdwegen met begeleidende bebouwing, zoals de Proosdijerveldweg in Ede. De bebouwing in deze buurten bestaat volop uit rijenwoningen. Daarnaast staan op enkele plekken rijenwoningen en middelhoge flats in strokenbouw. Behalve woningen zijn hier ook voorzieningen te vinden, waaronder kerken, scholen en winkelcentra (bouwblokken met winkels op de begane grond) op centrale plekken in de buurt. Deze voorzieningen vormen markeringspunten in de wijk. Het aandeel openbaar groen in de buurten is beperkt. Plaatsing op het perceel De naoorlogse bebouwing kent een strakker regime in situering op de kavels. De woningen zijn per straat hetzelfde op de kavels geplaatst. Flats en rijenwoningen staan evenwijdig of diagonaal ten opzichte van de weg. De woonbebouwing is op de straat georiënteerd. Bij de rijenwoningen en etagewoningen is soms sprake van dichte kopgevels op de hoeken. Een kleine voortuin zorgt voor de overgang van privé naar openbare ruimte. Enkele flats en rijenwoningen zijn als stroken in een in bosachtig of open plantsoen geplaatst. Massa en vorm De bebouwing is overwegend kleinschalig en bestaat uit woningen van een of twee lagen met een zadel(dak). Dit zijn in hoofdzaak rijenwoningen. Daarnaast is er sprake van dubbele en vrijstaande woningen en op enkele plaatsen staat etagebouw van drie à vierbouwlagen hoog zonder kap. Vrijstaande en dubbele woningen hebben hun nokken veelal haaks op de as van de straat gericht. Bij rijenwoningen is de nokrichting evenwijdig aan de weg. De kappen zijn laag, vrij vlak en vaak bedoeld als bergzolder. De rijtjeswoningen en etagebouw zijn gelijkvormig. De architectuur en uitstraling van de verschillende woningen binnen een deelgebied zijn nagenoeg gelijk. De laagbouw kenmerkt zich door ambachtelijk metselwerk en relatief kleine verticaal gerichte gevelopeningen. De etagebouw kent een horizontale opbouw met grote raampartijen. Aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen, zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw en staan opzij of achter de woningen. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik De naoorlogse woningen vertonen grote overeenkomsten in detaillering en kleur- en materiaalgebruik. De gevels zijn in de meeste gevallen opgetrokken uit baksteen. Het dak van grondgebonden woningen is bedekt met pannen. De flats hebben veelal een plat dak en zijn horizontaal geleed. Veelal is sprake van een traditioneel kleurgebruik, dat wil zeggen met wit en groen geschilderd houtwerk. Veel vrijstaande en dubbele woningen zijn in de loop der tijd verbouwd of vernieuwd, waardoor enige verscheidenheid in kleur- en materiaalgebruik is ontstaan. Waarde De waarde van deze buurten ligt in het kleinschalige karakter, de eenheid in vormgeving en de heldere straatopbouw. Beeldkenmerken en welstandscriteria Beeldkenmerken Strakke ritmiek, kleinschalige uitstraling; Eenheid in massaopbouw, kapvorm en architectuur; Daken met een flauwe hellingshoek; Eenheid in materiaal- en kleurgebruik; Oriëntatie op de weg; Aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw; Bijgebouwen staan veelal op het achtererf. Welstandscriteria De bebouwing sluit aan bij de beeldkenmerken van het gebied; De gegeven situatie vormt het uitgangspunt. Bijzonder welstandsbeleid Voor een aantal locaties geldt een bijzonder welstandsbeleid (zie bijlage A). Voor de onderstaande gebieden gelden daarbij de volgende aanvullende criteria. In een aantal gevallen zijn de algemene criteria van toepassing. Dit is dan specifiek vermeld. Bennekom: Ericapark Het Ericapark ten noorden van de Heelsumseweg is een park met seniorenwoningen. De gelijke lage rijwoningen (één laag + kap) staan schuin ten opzichte van de Heelsumseweg geplaatst. De buitenruimte van de woningen is beperkt tot een klein voortuintje. Kenmerk is de parkachtige omgeving (collectieve tuin) waarin de huizen zijn geplaatst. Aanvullende beeldkenmerken: Smalle lange bouwvolumes met een flauw hellend zadeldak. Elke woning heeft een gelijke uitbouw van één laag met plat dak. Karakteristiek is de forse gemetselde schoorsteen ter plaatse van de uitbouw; Het zadeldak heeft een klein overstek met op de kopgevels zichtbare uiteinden van de gordingen (wit geschilderd) en aan de langsgevel een zogenaamde overhoekse goot met gootklossen (wit geschilderd). Het dak is bedekt met een donker gesmoorde gebakken dakpan; De gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk van geel baksteen; De zijgevel van de uitbouw ter plaatse van de woning is gemaakt van verticale houten rabatdelen, oorspronkelijk geschilderd in een uniforme kleur. Kozijnen, ramen en voordeur en dakranden zijn van hout en wit geschilderd; Het gehele Ericapark is omheind met een lage haag; Eén architectuurstijl; Bijgebouwen maken onderdeel uit van de architectuur. Ede: Proosdijerveldweg Nieuw aangelegd deel van een aanpassing op het vooroorlogse uitbreidingsplan. Het maakte onderdeel uit van een verkeerskundige ingreep die voorzag in een (nooit) voltooide ringvormige ontsluiting rond het centrum. De bebouwing aan de Proosdijerveldweg vormt samen een begeleidende straatwand. Deze bebouwing bestaat uit rijwoningen (2 lagen + kap) en portieketageflats (3 tot 4 lagen met of zonder kap). De straatwand wordt zo nu en dan onderbroken met open groene tussenruimtes . In de open tussenruimte bij de Timorstraat staat een gemeentelijk beeldbepalend kerk, de Sionkerk. Het kruispunt tussen Proosdijerveldweg en de Veenderweg wordt gemarkeerd door de Proosdijkerk. Daarnaast zijn er twee bijzondere voorzieningencomplexen, namelijk: de winkelvoorzieningen aan de Soembalaan en de winkelvoorzieningen aan het Rozenplein. Aanvullende beeldkenmerken: Straatwand Lange gebouwen begeleiden de wegen (portieketageflats en rijwoningen); Indien kap, zadeldak in de lengterichting van het bouwvolume. Kaprichting parallel aan de richting van de weg; Oriëntatie van de gebouwen naar de Proosdijerveldweg. Entrees aan de straat; De bebouwing heeft een sobere architectuur. Er is een architectonische samenhang tussen de diverse gebouwtypen in materiaal en kleur; Horizontaliteit in het gevelbeeld; Functionele architectuur. Kerken en voorzieningen De bijzondere eigen en tijdgebonden architectonische stijlkenmerken van de kerken en winkelvoorzieningen vormen het kwalitatieve referentiepunt voor ieder vergunningplichtig bouwwerk. Hier zijn de algemene criteria van toepassing. Ede: Regentesseplein e.o. De Jan Th. Tooroplaan is een kronkelende weg die een dynamisch perspectief biedt op de wijk. Dit dynamische beeld wordt versterkt door de dwars op de weg gepositioneerde portiekflats van drie lagen hoog. Het begin en einde van het buurtje worden gemarkeerd door kerken. De Bethelkerk met zijn markante toren en stenen voorplein is direct georiënteerd op de Jan Th. Tooroplaan. De Nieuw-Apostolische Kerk ontleent haar uitstraling aan de overhoekse positie achter een parkachtig voorplein. Aanvullende beeldkenmerken Flats aan de Jan TH. Tooroplaan De flats staan met hun kopse gevels op gelijke afstand aan weerszijden van de Jan TH. Tooroplaan en volgen de slingerende lijn van de laan; De flats zijn qua beeldkenmerken in sterke samenhang ontworpen als rechthoekig bouwvolume met plat dak; Ze vormen samen één architectonisch geheel door een sobere architectuur zonder contrasten; Dubbelzijdige oriëntatie. Rijwoningen aan de Jan TH. Tooroplaan Sobere rijwoningen (2 lagen) met zadeldak. De nokrichting van het zadeldak is parallel aan de straat. Het zadeldak is voorzien van rode gebakken dakpannen; De gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk van gele baksteen; Voor- en hoektuinen zijn representatief en vormen een belangrijk onderdeel van het straatbeeld. Voor- en hoektuinen hebben een lage erfscheiding; Karakteristiek is de laatste woning in de rij aan de Anton Mauvestraat. De woning heeft een tweezijdige oriëntatie. In de kopse gevel zijn meerdere gevelopeningen en de voordeur tot de woning. Kerken De bijzondere eigen en tijdgebonden architectonische stijlkenmerken van de kerken vormen het kwalitatieve referentiepunt voor ieder vergunningplichtig bouwwerk. De algemene criteria zijn van toepassing. Ede: Vogelbuurt Het gebied heeft een kenmerkende rechthoekige structuur met rijenwoningen en voorzieningen. Het centraal gelegen plein met schoolvoorziening en vooral de kerk als oriëntatiepunt completeren het beeld van een zogenaamde ‘parochiewijk’. Een groot deel van de privé-tuinen aan de het plein is voorzien van een lage gemetselde muur op de erfgrens. Aanvullende beeldkenmerken Rijenwoningen Sobere rijwoningen met zadeldaken in veel gevallen beëindigd met een schild. De nokrichting van de daken is parallel aan de straat. Kappen zijn nog gaaf zonder dakopbouw; De gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk van baksteen, het metselwerk is versierd met verschillende elementen. Sommige rijen zijn geparceleerd door over de gehele hoogte gemetselde penanten; De entrees van de woningen worden paarsgewijs gemarkeerd; Alle kopse gevels zijn voorzien van gevelopeningen (representatief); Het schilddak is voorzien van gebakken dakpannen in verschillende kleuren per eenheid. Voorzieningen gebouwen De bijzondere eigen en tijdgebonden architectonische stijlkenmerken van de kerk en de school vormen het referentiepunt voor ieder vergunningplichtig bouwwerk. De algemene criteria zijn van toepassing. Ede: Banckertplein Betreft een ensemble van een groen plein omgeven door bebouwing, met rijenwoningen aan noord- en zuidzijde en een school en portiekwoningen aan respectievelijk de west en oostzijde. De plek is ook bijzonder als vrijwel enig openbaar plantsoen te midden van in hoofdzaak woonstraten. Aanvullende beeldkenmerken Portiekflat en school hebben plat dak met elk een specifieke dak beëindiging; Rijenhuizen zijn nagenoeg identiek, met loggia’s aan de zuidgevel en een meer gesloten noordgevel. Opvallend: Woningen zijn niet gespiegeld ten opzichte van het plantsoen; Rijenhuizen hebben zadeldak met nokrichting parallel aan de straat en een ritmiek van bakstenen schoorstenen. Kap is nog gaaf zonder dakopbouw en voorzien van donker (gesmoorde) gebakken dakpannen; Voortuinen als overgang naar de straat en het groene plantsoen; Grote samenhang in de vormgeving van de gevels met een strakke ritmiek van gesloten en open geveldelen: Gemetselde gevelvlakken (baksteen), kleine raamopeningen en een entree; Open gevelvlakken met veel glas, loggia’s, houten kozijnen en een dichte borstwering; Sterke samenhang in materialisering en het -gedekte- kleurgebruik. Ede: Van Heutszlaan e.o. Ten noorden van de Van Heutzlaan en aan de Gen. Chasselaan staan gelijke twee-onder-een-kapwoningen met flauw hellend zadeldak. De woningen met sobere architectuur staan op gelijke afstand van de weg en hebben diepe voortuinen. Aan de zuidzijde van de Van Heutzlaan staan vierlaagse gebouwen met beneden-bovenwoningen. Deze gebouwen staan schuin ten opzichte van de weg met de kopse kant naar de weg georiënteerd. Op de kopse kant staan trappenhuizen die met een ‘portico’ zijn verbonden met garageboxen. Tussen de gebouwen zijn collectieve groene ruimtes met bossages die het beeld oproepen van een typische Veluwse woonbuurt. Aanvullende beeldkenmerken Twee-onder-een-kapwoningen ten noorden van de Heutzlaan en aan de Generaal Chasselaan Sobere twee-onder-een-kapwoningen (twee lagen) met flauw hellend zadeldak. De nokrichting van het zadeldak is parallel aan die van de straat. Het zadeldak is voorzien van bitumineuze dakbedekking. Het dak heeft zowel aan de zij- als de voorgevels een overstek; De woningen staan op gelijke afstand van de weg en hebben diepe voortuinen; De gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk van roodbruine baksteen; De voordeur bevindt zich in de zijgevel van de woning; Karakteristiek zijn de uitgemetselde schoorstenen in de zijgevel net achter de noklijn. Vierlaagse gebouwen met maisonnettewoningen aan de zuidzijde van de Heutzlaan De gebouwen staan schuin ten opzichte van de weg met de kopse kant naar de weg georiënteerd. Op de kopse kant staan trappenhuizen die met een ‘portico’ zijn verbonden met garageboxen en voorzieningen; Sobere bouwvolumes met plat dak die qua beeldkenmerken in sterke samenhang ontworpen en vormen samen één architectonisch geheel; De gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk van baksteen; Witte kozijnen en de raamdelen en voordeuren hebben een donker groene kleur; Situering op bospercelen; Begane grond woningen hebben een privé-tuin. Ede: Buurtscheuterlaan De woonbuurt heeft een sterke sfeer van wonen in het bos. Het is gebouwd op een hoogteverloop dat van zuid naar noord verloopt. De hoofdwegenstructuur (Buurtscheuterlaan) is dwars op het hoogteverloop gemaakt. Ten noorden van de Buurtscheuterlaan liggen de kavels hoger ten opzichte van de weg. De huizenrijen op deze kavels zijn ten opzichte van elkaar verschoven. Bomen in de diepe voortuinen versterken het beeld van wonen in het bos. Aan de zuidzijde van de Buurtscheuterlaan zijn twee open hofjes (close) gemaakt rondom bospercelen. Op de koppen van de hofbebouwing zijn voorzieningen gemaakt van één laag gecombineerd met garageboxen. Aan de Buurtmeesterweg zijn specifieke twee-onder-een-kapwoningen gemaakt die met de korte zijden aan elkaar zijn verbonden. De woningen van één laag met kap hebben schuurachtig bouwvolume en staan schuin ten opzichte van de weg gepositioneerd. Aanvullende beeldkenmerken: Rijwoningen aan de Buurtscheuterlaan Sobere rijwoningen (twee lagen) met flauw hellend zadeldak. De nokrichting van het zadeldak is parallel aan die van de straat. Het zadeldak is voorzien van bitumineuze dakbedekking. Het dak heeft zowel aan de zij- als de voorgevels een overstek; De gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk van gele baksteen; De voorgevels zijn verticaal opgedeeld in: gemetselde gevelvlakken (gele baksteen) met kleine raamopeningen en voordeur; houten gevelelementen. Deze gevelelementen zijn horizontaal opgedeeld in een transparante onderlaag (houten kozijnen), een borstwering en een transparante bovenlaag (houten kozijnen). Karakteristiek zijn de éénlaagse voorzieningen gecombineerd met garageboxen op de koppen van de woningen aan de hofjes: Plat dak met groot overstek ter plaatsen van de voorzieningen; Terug liggend gevelvlak ter plaatsen van de voorzieningen; Grote overhoekse etalageramen; Lager plat dak ter plaatsen van de garageboxen. Twee-onder-een-kapwoningen aan de Buurtmeesterweg Situering vrij op het perceel (schuin op de straat); Sobere langgerekt twee-onder-een-kapwoningen (één laag) met zadeldak in de lengterichting van het bouwvolume; De gevels zijn opgetrokken in metselwerk van baksteen; Zadeldak met rode gebakken dakpannen; Eenheid in vormgeving; Bebouwing op bospercelen. Huizen nauwelijks zichtbaar vanaf de straat. Lunteren: Dr. Schaepmanstraat e.o. Met het bijzondere, zogenaamde Panegrobouwsysteem opgezette functionele woonbuurt. Aanvullende beeldkenmerken: Rijwoningen Sobere rationele rijwoningen met zadeldak. Het zadeldak is voorzien van dakpannen; De gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk van rood baksteen; Voor- en hoektuinen zijn representatief en vormen een belangrijk deel van het straatbeeld. Voor- en hoektuinen hebben een lage erfscheiding; Witte kozijnen en de ramen en voordeuren hebben een donkere kleur. Voorziening gebouwen Sobere architectuur; Gevels zijn voor een groot deel opgetrokken in schoon metselwerk; Platte daken. Wederopbouw Grootschalig Gebiedsbeschrijving Algemeen De modernistische wederopbouw is vooral herkenbaar in Veldhuizen A en de Componistenbuurt in Ede. Daarnaast is hoogbouw langs hoofdwegen gebouwd zoals de Kastelenlaan, de Keesomstraat en Jan Th. Tooroplaan. In de dorpen is deze manier van bouwen niet of nauwelijks te vinden. Achtergrond, plaatsing in de historie Begin jaren ’60 is de woningnood nog altijd erg groot. Omdat de bestaande manier van uitbreiden niet langer voldoet, worden in stedenbouwkundig opzicht nieuwe wegen ingeslagen. Het principe van voortborduren op de historisch gegroeide ruimtelijk structuur maakt plaats voor het toevoegen van autonome wijken veelal los van de landschappelijke ondergrond. De modernistische principes van de CIAM, waarbij uitgegaan wordt van scheiding van wonen, werken, groen, recreëren en verkeer worden volop toegepast. Er is behoefte aan nieuwe woonwijken, werkgebieden en een ruimer wegenplan. In de uitbreidingsplannen worden aparte woonwijken/buurten gecreëerd voor arbeiders, middenstanders en rijken. Dit uit zich o.a. aan grotere woningen aan de boszijde van de dorpen (veelal oostzijde) en kleinere woningen op de mindere gronden (veelal westzijde van de kern). De wijkgedachte doet zijn intrede waarbij wordt uitgegaan van een hiërarchische indeling in buurten en wijken voor elke levensfase, elk met bijpassende voorzieningen. De industrialisatie en standaardisatie in de bouw wordt verder voortgezet. Dit maakt grootschalige en snelle bouwwijzen mogelijk. In de architectuur verschuift het accent van het vernuft en de kwaliteit naar het grote gebaar en de kwantiteit. Het historische wegenpatroon wordt radicaal gemoderniseerd en aangevuld met nieuwe grootschalige hoofdwegen als dragers van de stedelijke ontwikkeling. Ruimtelijke structuur De zelfstandige wijk Veldhuizen A is volgens de wijkgedachte opgebouwd uit een aantal woonbuurten gekoppeld aan de wijkontsluitingsweg. De wijk is door een groene bufferzone gescheiden van de organisch gegroeide kern. De Componistenbuurt en Veldhuizen A kennen een orthogonale stedenbouwkundige opzet met rationele stempelverkavelingen. Door de schakering van de stempels is variatie aangebracht in de stedenbouwkundige compositie. In Veldhuizen maakt ook hoogbouw deel uit van de bebouwingsstructuur en staat langs de randen of belangrijke ontsluitingswegen. Elders in Ede is hoogbouw toegepast om de belangrijke verkeersassen in Ede te accentueren, deze flats staan los van de achterliggende buurten in het groen. Er is een duidelijke scheiding tussen gebieden met de functie wonen, werken, winkelen, groen en verkeer. De groenstructuur volgt het orthogonale opbouw met groenstroken tussen de bebouwing. In Veldhuizen zijn hier bijzondere functies in ondergebracht zoals scholen. De Componistenbuurt kent een soort dambordstructuur van stempels met rijenwoningen en bosstempels. Perceel De grondgebonden woningen zijn gegroepeerd in stempels en staan evenwijdig of haaks ten opzichte van de weg. De hoofdgevels zijn op straat georiënteerd. Aan- en uitbouwen staan achter de woningen. Langs de randen van buurten en stempels staan portiekflats en etagebouw, opgenomen in de ontworpen stedenbouwkundige hoofdstructuren. In Veldhuizen A zijn veel portiekflats en hoogbouw gesloopt en zijn/worden vervangen door nieuwe ontwikkelingen. De grootschalige flats liggen parallel aan belangrijke routes van Ede. De ruimte om flats is openbaar en bestaat uit parkeerplaatsen en groen. Elk flatgebouw heeft aan de achterzijde zijn eigen ontsluiting op doorgaande buurtontsluitingswegen. Massa en vorm In een groot deel van de bebouwing is de invloed van de geïndustrialiseerde bouwmethoden goed zichtbaar in het ritme van woningscheidende wanden en puien met glas en hout ertussen. Deze stijl is bij alle woningtypen (rijen, drive-in, portiek, flat) herkenbaar. De rijenwoningen bestaan uit twee lagen zonder (Veldhuizen A) of met (Componistenbuurt) kap. In de loop der tijd hebben verscheidene woningen zonder kap een dakopbouw gekregen, waardoor de hele rij of incidenteel een extra woonlaag zichtbaar is. Hierbij is overwegend gekozen voor eenzelfde type opbouw. Dubbele en vrijstaande woningen zijn beperkt in aantal en bestaan uit een of twee lagen met een kap en kennen meer variëteit in uitstraling. Etage- en drive-inwoningen hebben tot vier bouwlagen zonder kap. De grootschalige gallerijflats hebben tot veertien bouwlagen en zijn daarmee beeldbepalende elementen binnen Ede. Op de daken zijn hier en daar bouwwerken als antennes en GSM-masten aangebracht, wat de eenheid in het beeld verstoort. Een enkele flat heeft een meer gestileerde gevel dan de andere. De gevelgeleding is horizontaal. Langs de zuidelijke rand van Veldhuizen staan ook enkele sterflats aan de rand van het Proosdijerveldpark. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik Het ambachtelijke metselwerk heeft plaats gemaakt voor prefab-elementen. De bebouwing uit de jaren zestig kent daardoor een grote de uniformiteit in detaillering, kleur- en materiaalgebruik. In de loop der tijd is door verschil in schilderwerk en dakopbouw enige variatie ontstaan bij de laagbouw. De bebouwing van latere datum kent meer variëteit in detaillering, kleur- en materiaalgebruik. Per rij of cluster is er wel sprake van uniformiteit. De flats langs de Keesomstraat/J. Tooroplaan vertonen variatie in detaillering en kleurgebruik. De flats hebben elk een eigen kleurgebruik. De liftschaften sluiten hier op aan. De verschillen in ontwerp, detaillering en kleurgebruik geven de flats een bijzondere uitstraling als beeldbepalende elementen in een groene omgeving. Waarde De waarde van deze buurten zit in de heldere opbouw en grote groenstructuren (licht en lucht rond de bebouwing). Functiescheiding en grootschaligheid maken de buurten eenzijdig en kwetsbaar, evenals nieuwe invullingen die de waarden in de oorspronkelijke opbouw en samenhang loslaten. Beeldkenmerken en welstandscriteria Beeldkwaliteitsplan Voor het noordelijke deel van Veldhuizen A geldt een beeldkwaliteitsplan. Beeldkenmerken Compositie van bebouwing in stempels/ herhaling-ritme van gelijke bouwvolumes; Eenheid in vormgeving, detaillering en materiaalgebruik; Samenhang in vormgeving tussen verschillende type woningen (bungalow, rij, flat, etc.); Hoe groter het bouwvolume hoe meer lucht rond het gebouw; Aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw; Bijgebouwen staan achter het hoofdgebouw. Welstandscriteria De bebouwing sluit aan bij de beeldkenmerken van het gebied; De huidige situatie vormt het uitgangspunt. Bijzonder welstandsbeleid Voor een aantal locaties geldt een bijzonder welstandsbeleid (zie bijlage A). Voor de onderstaande gebieden gelden daarbij de volgende aanvullende criteria: Ede: Componistenbuurt De stedenbouwkundige opzet bestaat uit een dambordstructuur (grid) met afwisselend bouwvelden en bosparkjes. De bouwvelden zijn volledig bebouwd met grondgebonden woningen, de bosparkjes bestaan uit dichte bebossing met alleen bebouwing aan de zuidelijke rand. Het groene karakter bepaalt sterk het beeld. Aanvullende beeldkenmerken Bouwvelden De bebouwing bestaat uit sobere rijwoningen met een duidelijk samenhangende architectuur; De woningen zijn voorzien van een zadeldak met de kaprichting parallel aan de straat; Gevelbeeld: ritme van woningscheidende wanden en een pui met houten gevelelementen. Kopgevels van donkerrode baksteen. Het zadeldak is voorzien van donkere dakpannen. Bosparkjes De bebouwing aan de rand van de bosparkjes bestaat uit: een hoog (4 lagen), langwerpig en rechthoekig woongebouw met plat dak; twee bungalowwoningen met plat dak met voorzijde naar de straat. De hogere bebouwing heeft een dubbele oriëntatie naar de straat en naar het bosparkje; Gevelbeeld: ritme van woningscheidende wanden en verdiepingsvloeren en een pui met vooral glas en houten gevelelementen. Kopgevels van gelige baksteen. Uitbreidingen woonervenstructuralisme Gebiedsbeschrijving Algemeen Betreft de woonwijken en buurten uit de jaren ’70-’80: Veldhuizen B (Ede) en Maandereng (Ede), Hubertusbuurt (Ede), Witte de Withstraat (Ede), “Kroonwijk” (Ede), Kleefsehoek (Ede), Halderbrink (Bennekom),De Kempjes (Lunteren), Prangsmalaan (Otterlo), Tepelenburgbuurt (Harskamp), omgeving de Ring (Wekerom), Ederveen Oost. Achtergrond, plaatsing in de historie In de jaren ’70 en ‘80 wordt een andere stedenbouwkundige aanpak gehanteerd als reactie op de grootschaligheid en uniformiteit zoals in Veldhuizen A: het woonerf. Hierin staat de menselijke maat (kleinschaligheid, herbergzaamheid) centraal. Deze wijken/buurten kennen een introverte opzet die zich veelal afkeert van omliggende wegenstructuren. De historische verkavelingsstructuur wordt overschreven door een nieuw onregelmatig patroon van verkeersluwe, meanderende en veelal doodlopende woonstraten met overwegend grondgebonden woningen in verspringende rooilijnen. De grillige verkaveling en hiërarchische, veelal lusvormige ontsluitingsstructuur heeft deze wijken ook wel de naam bloemkoolwijken bezorgt. Ruimtelijke structuur De wijken en buurten hebben een introverte opzet met een heel eigen meanderende ontsluitingsstructuur. De ontsluitingswegen takken op een aantal plekken aan op de bestaande wegenstructuur, maar trekken zich verder weinig aan van de omgeving. Achtertuinen van woningen liggen gerust langs hoofdwegen. De grotere woonwijken zijn opgebouwd uit verschillende buurten die ontsloten worden op een ringvormige ontsluitingsweg. Een fijnmazig stelsel van voetgangers- en fietspaden ontsluit de verschillende buurten onderling. Een belangrijke rol voor de aanblik van deze wijken spelen de groene zones aan de randen en midden in de wijk. De groenstructuur varieert van een wijd vertakte groene doornadering van de wijk tot enkele geconcentreerde centrale groenzones (parken, plantsoenen). Het bebouwingsbeeld wordt gedomineerd door rijtjeswoningen. Op enkele centraal gelegen plekken komen etagewoningen voor. Parkeren langs de straat maakt plaats voor geclusterd parkeren op woonerven, garageboxen en parkeren in voortuinen. De verschillende buurten hebben een fijnmazige woonerfachtige verkavelingstructuur. De bebouwingsstructuur per cluster of buurt vormt steeds een samenhangend geheel. Deze structuur varieert van verkavelingen met rechte bouwblokken langs een steeds verspringend wegenpatroon tot schijnbaar willekeurig kronkelende wegen tussen bebouwing met alsmaar verspringende rooilijnen. Ook is er sprake van bijzondere schakeringen van woningen ten opzichte van elkaar die als clusters in een bepaald ritme gegroepeerd zijn. Perceel De woningen zijn gebouwd rondom verkeersluwe straatjes of hoven. De hoven hebben een stenig karakter en de bebouwingsdichtheid is relatief hoog. Er is geen eenduidige plaatsing van de bebouwing ten opzichte van de straat. Ook wordt een deel van de woningen ontsloten vanaf woonpaden. Rooilijnen zijn recht en volgen de straat of verspringen regelmatig. In Veldhuizen B is daarbij sprake van één overheersende verkavelingsrichting. Ongeacht het stratenverloop is vrijwel alle bebouwing gesitueerd onder één bepaalde hoek of loodrecht daarop. Er is geen strakke scheiding tussen voor- en achterkanten van woningen. Bebouwing is dikwijls met de achterzijde naar de straat gericht of heeft een omgekeerde oriëntatie dan het rijenblok ernaast. Overgangen tussen privé- en openbare ruimte bestaan uit voor- en/of achtertuinen. Voortuinen worden veelvuldig benut voor parkeren en bergingen. Massa en vorm Het grootste deel van de woningen bestaat uit een of twee bouwlagen met een zadeldak. Ook zijn er woningen met een kap aan één zijde en een deel plat dak. Etagebouw heeft veelal een plat dak, maar op enkele plaatsen is de etagebouw ook voorzien van een zadeldak. De massaopbouw is nauwkeurig bepaald, met toenemende bouwhoogtes aan de randen van de wijk. Kenmerkend voor Ede zijn de terrasflats zoals de flats langs de Kastelenlaan die lange tijd de entree van Ede markeerden. De nokrichting volgt de weg haaks of evenwijdig. Deze is per woonstrook of cluster gelijk. Kenmerkend zijn de individuele kappen bij rijenwoningen (zadeldak met nokrichting haaks op de weg). In Veldhuizen B is niet het wegenpatroon maar de verkavelingsrichting leidend voor de nokrichting. Per cluster of buurt zijn de indelingen en geledingen van gevels gelijk. In veel gevallen staan bergingen voor de woningen opgesteld. Een groot aantal woningen heeft mede daardoor een gesloten karakter aan de straatzijde. Aan- en uitbouwen, dakkapellen, carports en dakramen, zijn projectmatig aangebracht. Aanbouwen/bergingen aan de voorzijde hebben een eigen kap of het dak van de woningen loopt door. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik De woningen vertonen per cluster een eenheid in detaillering en kleur- en materiaalgebruik. De architectuur van de woningen is relatief ingetogen en sluit in materialisering aan bij de cultuur van de jaren zeventig: ambachtelijke materialen, bruine, rode of gele baksteen, hout als gevelbekleding op de bovenste verdieping en donkere pannen. Beige kleurstellingen komen voor. Etagewoningen aan de rand van de wijk hebben ongeveer dezelfde kleurstelling als de rijtjes woningen (rode kleuren). Afwerkingsmaterialen bestaan veelal uit witte volkernplaat (trespa). De hoogbouw heeft een eigen functionele detaillering met glaspuien en betonvloeren. De kopgevels en beganegrondlaag zijn overwegend in rode baksteen uitgevoerd. Bij de terrasflats is veelal de kleur wit toegepast om de terrassen te markeren. Waarde De waarde van deze