Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van de 22ste december 2023 houdende regels over de rechtspositie van ambtenaren van politie (Rechtspositiebesluit politie Sint Maarten)IN NAAM VAN DE KONING! De Gouverneur van Sint Maarten, In overweging genomen hebbende: dat bij het uitblijven van de formele inwerkingtreding van Besluit rechtspositie korps politie Sint Maarten, het Besluit rechtspositie korps politie Nederlandse Antillen 2000, naar transitoir recht voor ambtenaren van politie verbonden aan het Korps Politie Sint Maarten vooralsnog geldend is; dat mogelijk vanwege de voltooiing van het wetgevingstraject doch het uitblijven van het landsbesluit van inwerkingtreding en/of de publicatie Besluit rechtspositie korps politie Sint Maarten de toepassing van of aansluiting bij dat besluit heeft plaatsgevonden, reden waarom hieromtrent een officiële intrekking dient te volgen; dat ingevolge de wijziging Landsverordening Politie, strekkende tot opname van de Landsrecherche, conform het bepaalde in de Rijkswet Politie van Curaçao, Sint Maarten, en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, het wenselijk is geacht om een rechtspositieregeling in werking te doen treden die mede voorziet voor de ambtenaren verbonden aan de Landsrecherche; dat naast de Landsrecherche ambtenaren van de Grensbewaking van de Immigratie Dienst, eveneens de kwalificatie van ambtenaren van politie toekomt, terwijl afzonderlijke rechtspositieregelingen niet gewenst zijn; dat dientengevolge de aanzet is gevolgd om één rechtspositie regeling voor ambtenaren van politie te concipiëren; dat echter rekening gehouden moet worden met het feit dat de rechtspositie regeling ambtenaren van politie voor leden van het Korps Politie Sint Maarten, inwerking treedt ter vervanging van het Besluit Rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000, terwijl, deze rechtspositie regeling voor overige ambtenaren van politie voor wie nimmer een rechtspositie heeft bestaan, per 10 oktober 2010 moet worden ingevoerd; dat in navolging van het voorgaande vooralsnog een geactualiseerde-, complete- en passende rechtspositieregeling voor ambtenaren van politie gewenst is; dat behoud van een aparte rechtspositieregeling voor de ambtenaar van politie wenselijk blijft, gelet op het feit dat de uitvoering van politietaken een aparte positie in het maatschappelijk bestel heeft met daaraan verbonden afbreukrisico’s die inherent zijn aan de uitvoering van de politietaak; dat voortschrijdende inzichten, modernisering en veranderde omstandigheden het wenselijk maken om een rechtspositieregeling voor de ambtenaren van politie in werking te doen treden. Gelet op: de Rijkswet Politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; artikel 7 lid 2 van de Landsverordening politie; Heeft, de Raad van Advies gehoord, besloten: HOOFDSTUK1:Begripsbepalingen Artikel1 In dit besluit wordt verstaan onder: bevoegd gezag: de Minister van Justitie, met dien verstande dat aanstelling, bevordering, schorsing en ontslag bij landsbesluit worden vastgesteld; minister: de Minister van Justitie; korpschef: de korpschef van het Korps Politie Sint Maarten; diensthoofd: het hoofd van de Landsrecherche en het hoofd van Immigratie en Grensbewaking; ambtenaar van politie: de ambtenaar aangesteld ter uitvoering van de politietaak bij het korps Sint Maarten, de Landsrecherche en de Grensbewaking, alsmede de ambtenaar aangesteld ter uitvoering van technische- administratieve- of andere ondersteunende taken ten dienste van de politie; kandidaat-aspirant: degene die blijken een sollicitatie kenbaar heeft gemaakt toegelaten te willen worden tot een basis politieopleiding; aspirant: degene toegelaten tot een basis politieopleiding; ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van een politietaak: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, onder a, van de rijkswet, met uitzondering van de aspirant; ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, onder b, van de rijkswet; volledige betrekking: een betrekking met een arbeidstijd van gemiddeld 40 uur per week; deelbetrekking: een betrekking met een arbeidstijd van gemiddeld minder dan 40 uur per week; bezoldiging: het loon van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met inachtneming van de bepalingen van dit landsbesluit aan de hand van een bezoldigingsschaal vastgesteld, dan wel in de Bezoldigingsregeling ambtenaren, voor zover het betreft de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie; bezoldigingsschaal: een als zodanig in de bij dit landsbesluit behorende bijlage B vermelde, van een volgnummer voorziene reeks van bedragen van toepassing op ambtenaren van politie belast met een politietaak; bezoldigingstrede: elk afzonderlijk binnen de bezoldigingsschaal opgenomen bezoldigingsbedrag; detachering: een tijdelijke tewerkstelling elders dan bij het korps of dienst waar de ambtenaar van politie is geplaatst; plaats van tewerkstelling: het gebouw, het gebouwencomplex, het terrein of het vaartuig dat de ambtenaar van politie voor de normale uitoefening van zijn functie is aangewezen, of bij gebrek aan een dergelijke aanwijzing, het gebouw, het gebouwencomplex, het terrein of het vaartuig waar hij/zij gewoonlijk zijn/haar functie uitoefent; werkgebied: Sint Maarten; functie: het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar in zijn/haar ambt te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem/haar door het bevoegd gezag uitdrukkelijk of impliciet is opgedragen: zoals omschreven in de desbetreffende functiebeschrijving; maximum-bezoldiging: het bedrag behorende bij de hoogste bezoldigingstrede van een bezoldigingsschaal, waarvan de volgnummeraanduiding uitsluitend uit een getal bestaat; vertrouwensfunctie: een door de minister aangewezen functie, die door zijn aard kan leiden tot kwetsbaarheid van de functie ; rijkswet: de Rijkswet Politie van Curaçao, van Sint Maarten, van Bonaire, van Sint Eustatius en Saba; calamiteiten en buitengewone omstandigheden: een zwaar ongeval of een andere gebeurtenis waarbij het leven en de gezondheid van veel personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate zijn geschaad of worden bedreigd en waarbij een gecoördineerde inzet van diensten of organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of om de schadelijke gevolgen te beperken; beroepsincident: een dienstongeval of beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaar zettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de ambtenaar van politie en waaraan hij zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken; beroepsziekte: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten; dienstongeval: een ongeval, welk in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten; medische eindsituatie: situatie waarvan op objectief medisch wijze is vastgesteld dat beoordeling van de medische gevolgen van het beroepsincident mogelijk is en er in de toekomst geen belangrijke verbetering of verslechtering in de medische toestand van de ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak te verwachten is; invaliditeit: het objectief medisch vast te stellen blijvende gehele of gedeeltelijke functieverlies van een orgaan of enig ander deel van het lichaam of de objectief medisch vast te stellen mate van psychische beperkingen in het functioneren in het dagelijks leven; smartengeld: een vergoeding ter hoogte van een met inachtneming van dit besluit vast te stellen uitkeringspercentage van het bedrag genoemd in artikel 114, eerste lid, van het besluit; WO: wetenschappelijk onderwijs; VWO: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs; HAVO: hoger algemeen voortgezet onderwijs; Mavo: middelbaar algemeen vormend onderwijs; SBO: secundair beroepsonderwijs; VSBO: voorbereidend secundair beroepsonderwijs; HBO: hoger beroepsonderwijs; MBO: middelbaar beroepsonderwijs; TKL: theoretisch kadergerichte leerweg; PKL: praktisch kadergerichte leerweg; GED: general educational development; CXC: Caribbean Examination Council. HOOFDSTUK2:Aanstelling en beoordeling Artikel2 De hoofdstukken II en III van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie. Artikel3 1.Voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak bij het Korps Politie Sint Maarten, de Landsrecherche en Immigratie en Grensbewaking gelden de volgende rangen: aspirant: functies, die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 4; surveillant: functies, die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 5; agent: functies, die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 6; brigadier: functies, die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 7; hoofdagent: functies, die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 8; inspecteur: functies, die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 9, 10, 11; hoofdinspecteur: functies, die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 12, 13,14; commissaris: functies, die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 15 en 16; hoofdcommissaris: de functie, die is gewaardeerd op bezoldigingsschaal 17. 2.Een in het eerste, tweede en derde lid eerder genoemde rang is lager dan een later genoemde rang, tenzij een ambtenaar van politie krachtens aanwijzing met de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering. 3.De minister kan om redenen van dienstbelang, functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 12, 13 of 14 aanwijzen waaraan, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel g en h, de rang van commissaris is verbonden. Artikel4 1.Ambtenaren van politie kunnen worden aangesteld in tijdelijke of vaste dienst. De tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde tijd. 2.De aanstelling van de aspirant geschiedt in tijdelijke dienst voor de duur dat de basisopleiding wordt gevolgd. Paragraaf2.1:Aspirant Artikel5 1.Na het succesvol voltooien van een basis politieopleiding vindt aanstelling in tijdelijke dienst plaats als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak indien de aspirant de opleiding met succes heeft voltooid en een proeftijd van zes maanden, zo nodig in bijzondere gevallen op verzoek van betrokkene met zes maanden te verlengen en zo nodig ambtshalve te verlengen met het deel van de proeftijd dat hij niet in actieve dienst was heeft vervuld. 2.De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, die de proeftijd volgens de minister zonder bedenkingen voltooid heeft, wordt in vaste dienst aangesteld. Artikel6 1.De aanstelling van de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, kan in tijdelijke dienst plaatsvinden: voor een proeftijd van zes maanden, met een mogelijkheid tot verlenging in bijzondere gevallen, door de minister, met het deel van de proeftijd, dat hij niet in actieve dienst was; ter uitvoering van werkzaamheden met een kennelijk tijdelijk karakter; indien betrokkene in dienst wordt genomen als leerling ter opleiding voor een functie binnen de politiedienst dan wel in verband met zijn verdere praktische opleiding of vorming; indien een wijziging in de taak van betrokkene of het politiedienstonderdeel is voorgenomen. 2.Zodra de omstandigheid, die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, zich niet meer voordoet, vindt zo mogelijk na een positieve beoordeling aanstelling plaats in vaste dienst. Artikel7 Aanstelling of plaatsing in een functie vindt niet plaats van personen, niet ten minste een ononderbroken diensttijd van drie jaren doorgebracht kunnen hebben in een dergelijke functie in het Korps Politie Sint Maarten of de Landsrecherche. Artikel8 Voor een aanstelling als ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, komt uitsluitend in aanmerking degene, die: ingezetene van Sint Maarten is; de Nederlandse nationaliteit bezit; de leeftijd van ten minste 18 jaar heeft bereikt; voldoet aan de opleidingseisen vermeld in artikel 12; voldoet aan de eisen betreffende het geneeskundig en psychologisch onderzoek; van goed zedelijk gedrag is, hetgeen dient te blijken uit een verklaring, afgegeven door de daartoe bevoegde instantie; een lichaamslengte heeft van tenminste 1,70 meter indien van mannelijk geslacht en tenminste 1.65 meter indien van vrouwelijk geslacht. Artikel9 Voor de aanstelling als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, komt in aanmerking degene, die: Ingezetene van Sint Maarten is; de Nederlandse nationaliteit bezit; ten minste de leeftijd van 18 jaar bereikt heeft; voldoet aan de opleidingseisen of het nodige werk- en denkniveau; voldoet aan de eisen betreffende het geneeskundig onderzoek; voldoet aan de eisen betreffende het psychologisch onderzoek, indien daaraan naar het oordeel van de minister behoefte bestaat; van onbesproken levensgedrag is, hetgeen dient te blijken uit een verklaring, afgegeven door de daartoe bevoegde instantie; voldoet aan de overige door de minister te stellen eisen, die specifiek gerelateerd zijn aan de te vervullen functie binnen de politie. Artikel10 In uitzonderingsgevallen kan de minister afwijken van het vereiste van het hebben van de Nederlandse nationaliteit. In zodanig geval wordt de aan te stellen medewerker een tijdelijk dienstverband bij arbeidsovereenkomst aangeboden en afhankelijk van de nader door de Minister vast te stellen taken aangesteld als buitengewoon agent van politie als bedoeld in artikel 10 van de rijkswet. Dit artikel geldt alleen in gevallen waar specialistische en of bijzondere ondersteuning nodig is, onder voorbehoud dat een personeelslid reeds in dienst eerst in de gelegenheid wordt gesteld om de nodige opleiding te volgen. Artikel11 Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de artikelen 8 aanhef en 9 aanhef, in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor het vervullen van de functie, kan de Minister de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt en zijn geverifieerd zo nodig laten aanvullen. Paragraaf2.2:Opleidingseisen Artikel12 1.Voor toelating tot de basis politieopleiding komt in aanmerking degene, die in het bezit is van: een VSBO-niveau 2 diploma, theoretisch kadergerichte leerweg, TKL; een VSBO-niveau 2 diploma, praktisch kadergerichte leerweg, PKL; een SBO-diploma niveau 2 en 3; een MAVO-diploma, TKL of, een getuigschrift van een onderwijsinstelling, waaruit blijkt dat de eerste drie jaren van een HAVO- of VWO-opleiding met goed gevolg zijn doorgebracht of GED. 2.Voor toelating tot een onderwijstraject op HBO-niveau komt in aanmerking degene, die in het bezit is van: een HAVO-diploma; een CXC-diploma; een diploma politiemedewerker op VSBO-niveau 4 /MBO-niveau; of, een diploma Voortgezette Politieopleiding. 3.Voor toelating tot een onderwijstraject bij de politie op WO-niveau komt in aanmerking, degene die in het bezit is van: een VWO-diploma; een bewijsstuk, dat op grond van een voor Nederland, Curaçao of Sint Maarten in werking getreden internationale overeenkomst toelating biedt tot het universitaire onderwijs; een diploma politiekundige bachelor op HBO-niveau; of, een voltooide management opleiding op HBO-niveau of hoger. 4.Met een diploma of getuigschrift, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, wordt voor de toepassing van deze leden gelijkgesteld een diploma vergezeld van een verklaring van de daartoe door de Minister van Onderwijs, Cultuur, Jeugd en Sport erkende instelling. Artikel13 1.Kandidaat-aspirant wordt onderworpen aan een geschiktheidsonderzoek, bestaande uit achtereenvolgens: een taalvaardigheid onderzoek, waaruit zal blijken dat hij de Nederlandse taal op tenminste het niveau van het Staatsexamen Nederlands als tweede taal beheerst; een cognitief capaciteitenonderzoek; een fysiek motorisch onderzoek, hetgeen jaarlijks wordt herhaald; en, een milieu- en antecedentenonderzoek. 2.Het taalvaardigheids- en het cognitief capaciteitenonderzoek worden afgenomen door een door de minister aangewezen instantie, met inachtneming van de nader door de minister te bepalen richtlijnen. De door de minister aangewezen instantie doet het resultaat van de onderzoeken aan de korpschef of het diensthoofd toekomen. 3.Het fysiek motorisch onderzoek wordt jaarlijks afgenomen door de in het tweede lid bedoelde instantie en geschiedt met inachtneming van de nader door de minister te bepalen richtlijnen. 4.De richtlijnen ten behoeve van aanstellingseisen van de kandidaat-aspirant zijn vastgesteld conform de onderlinge regeling houdende kwaliteitseisen, opleidingen trainingsvereisten politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 5.De kosten van het geschiktheidsonderzoek komen voor rekening van de Landskas. Artikel14 1.Nadat alle overige beoordelingen van de geschiktheid van de kandidaat-aspirant hebben plaatsgevonden en de minister op grond daarvan voornemens is de betrokkene aan te stellen, wordt betrokkene onderworpen aan een geneeskundig onderzoek en een psychologisch onderzoek. 2.Het geneeskundig onderzoek geschiedt door een door de minister aangewezen geneeskundige, niet zijnde de behandelend arts van de betrokkene, met inachtneming van de nader door de minister te bepalen vereisten. 3.Het psychologisch onderzoek wordt afgenomen door een door de minister aangewezen onafhankelijke instantie, met inachtneming van de nader door de minister te bepalen vereisten. 4.De uitslag van het geneeskundig - en het psychologisch onderzoek wordt zo spoedig mogelijk aan de betrokkene en de korpschef of diensthoofd medegedeeld. 5.De kosten van het geneeskundig - en het psychologisch onderzoek komen voor rekening van 's Landskas. Artikel15 1.Indien aan het geneeskundig onderzoek voor de betrokken kandidaat-aspirant een negatieve gevolgtrekking onder bepaalde bedenkingen verbonden wordt, heeft de betrokkene recht op een herkeuring aan de hand van de vereisten, bedoeld in artikel 14, tweede lid. De betrokkene maakt zijn wens daartoe, met redenen omkleed, kenbaar aan de minister binnen twee weken nadat de genoemde gevolgtrekking aan hem is medegedeeld. 2.In geval van herkeuring wordt de door de minister te nemen beslissing uitgesteld totdat de uitslag van de herkeuring aan de minister is medegedeeld. 3.De herkeuring geschiedt door een door de minister aangewezen commissie van drie geneeskundigen. 4.De minister en de betrokkene wijzen elk een geneeskundige aan voor de commissie. Deze geneeskundigen wijzen een derde geneeskundige aan voor de commissie. 5.De geneeskundige, die het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 14, eerste lid, heeft verricht en de behandelend arts van de betrokkene maken geen deel uit van de commissie. 6.De kosten van de herkeuring komen voor rekening van de overheid. De minister kan van de betrokkene een redelijke bijdrage verlangen, door de omstandigheid te bepalen. Artikel16 Aanstelling van de kandidaat-aspirant geschiedt niet dan nadat een geneeskundig en psychologisch onderzoek met positief resultaat heeft plaatsgevonden. Artikel17 1.Aanstelling als ambtenaar van politie is slechts mogelijk, indien op grond van een door de minister ingesteld onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid van de betrokkene geen bezwaar lijkt te bestaan tegen de aanstelling. 2.Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, omvat het inwinnen van justitiële documentatie en politiegegevens van betrokkene door de Criminele Inlichtingen Dienst en Info-Unit. 3.Het tweede lid is niet van toepassing indien het een vertrouwensfunctie betreft, als bedoeld in artikel 20. Artikel18 1.Indien naar het oordeel van de minister de aard van de functie of van de werkzaamheden daartoe aanleiding geeft, kan ten aanzien van de ambtenaar in de volgende gevallen opnieuw een onderzoek als bedoeld in artikel 17, eerste lid, uitgevoerd worden: bij wijziging van werkzaamheden; bij aanstelling in een andere functie; bij het vervullen van een functie gedurende ten minste vijf dienstjaren; of, bij een redelijk vermoeden van ernstig plichtsverzuim dat de integriteit of de verantwoordelijkheid van de betrokkene raakt. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien het een vertrouwensfunctie betreft. Artikel19 1.De minister is verantwoordelijk voor de goede uitvoering van het onderzoek, bedoeld in artikel 17, eerste lid. 2.De minister draagt zorg voor een professionele uitvoering van het onderzoek, bedoeld in artikel 17, eerste lid. 3.De minister stelt nadere regels ter uitvoering van de artikelen 17 en 18. Deze nadere regels bevatten in ieder geval waarborgen omtrent voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. Artikel20 1.Aanstelling, plaatsing of beschikbaar stellen in een vertrouwensfunctie is slechts mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene op basis van een veiligheidsonderzoek door de bij landsverordening aangewezen autoriteit een verklaring is afgegeven dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van de vertrouwensfunctie. 2.De minister belast de betrokkene eerst met het vervullen van een vertrouwensfunctie, nadat ten aanzien van die betrokkene een verklaring als bedoeld in het eerste lid is afgegeven. Artikel21 1.De minister meldt een ambtenaar die belast is met het vervullen van een functie, die nadien als vertrouwensfunctie is aangewezen, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van het aanwijzingsbesluit aan bij de autoriteit, bedoeld in artikel 20, eerste lid. 2.De in het eerste lid bedoelde aanmelding geschiedt slechts met schriftelijke toestemming van de betrokken ambtenaar. De minister licht de betrokkene in over de betekenis en de rechtsgevolgen van deze aanmelding. 3.Indien de in het tweede lid bedoelde toestemming is geweigerd of indien ten aanzien van de ambtenaar een verklaring als bedoeld in artikel 20, eerste lid, is geweigerd, ontheft de minister de ambtenaar zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken, uit de functie. Artikel22 1.De minister draagt er zorg voor dat na het verstrijken van een termijn van vijf jaar of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 20, eerste lid, of indien blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, opnieuw een veiligheidsonderzoek wordt ingesteld. Voor het instellen van een veiligheidsonderzoek is de instemming van de ambtenaar niet vereist. 2.Indien een verklaring als bedoeld in het eerste lid is ingetrokken, ontheft de minister de betrokken ambtenaar zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken na de intrekking van voornoemde verklaring, uit de vertrouwensfunctie. Artikel23 De artikelen 20, 21 en 22 zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die door middel van de gemeenschappelijke voorziening politie, als bedoeld in artikel 20 van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, beschikbaar wordt gesteld aan de politie. Paragraaf2.3:Beëdiging Artikel24 1.Voor de aanvaarding van zijn ambt legt de ambtenaar van politie de volgende eed dan wel verklaring en belofte van zuivering af: "Ik zweer (verklaar) dat ik middellijk of onmiddellijk, in welke vorm of onder welk voorwendsel ook, tot het verkrijgen van mijn ambt aan niemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd dan wel zal geven of beloven. Ik zweer (beloof) dat ik, om iets hoegenaamd in mijn ambt te doen of te laten van niemand hoegenaamd, middellijk of onmiddellijk, beloften of geschenken zal aannemen. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat verklaar en beloof
- ik)". Daarna legt de ambtenaar van politie de eed of belofte af: "Ik zweer (beloof) dat ik de krachtens de wet uitgevaardigde voorschriften en verordeningen zal nakomen en handhaven, dat ik de aan mij verstrekte opdrachten plichtsgetrouw en nauwgezet zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd, of waarvan ik het vertrouwelijke karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben. Ik zweer (beloof) dat ik mij zal gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, dat ik zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zal zijn en dat ik niets zal doen dat het aanzien van het ambt zal schaden. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat beloof ik)". 2.De ambtenaar van politie legt de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van de minister of de door deze daartoe aangewezen korpschef of diensthoofd. Paragraaf2.4:Informatieverschaffing rechtspositie Artikel25 1.Aan de ambtenaar van politie wordt, zo mogelijk, voor de aanvaarding van zijn ambt, maar in ieder geval binnen twee maanden na aanvang van zijn werkzaamheden, door de minister een schriftelijke aanstelling uitgereikt, waarin in elk geval wordt vermeld: de naam, voornamen en geboortedatum; of de aanstelling geschiedt in tijdelijke of vaste dienst, al dan niet met een proeftijd en de duur van de eventuele proeftijd, waarbij indien de aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd, en zo ja, voor hoe lang dan wel vaste dienst, evenals de toepasselijke aanstellingsgrond; de functie waarin hij geplaatst wordt; de plaats van tewerkstelling; de datum van ingang van de aanstelling; de bezoldigingsschaal en de bezoldigingstrede die zijn toegekend; de rang. 2.Wijziging van de gegevens, genoemd in het eerste lid, wordt de ambtenaar van politie binnen twee maanden schriftelijk door de minister medegedeeld, behoudens wijziging van een regeling waarnaar verwezen is. Artikel26 1.De ambtenaar van politie wordt bij de aanstelling schriftelijk door de minister op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van de rechtspositie. 2.Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd, en andere voor hem geldende regelingen en schriftelijke instructies, die hij bij de uitoefening van zijn functie moet naleven, worden op een voor de ambtenaar van politie gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. De ambtenaar van politie die daarom verzoekt, ontvangt een elektronisch afschrift van deze regelingen en instructies. 3.Over wijzigingen in regelingen betreffende zijn rechtspositie wordt de ambtenaar van politie zo spoedig mogelijk schriftelijk door de minister op de hoogte gesteld. Paragraaf2.5:Beoordeling Artikel27 1.Het Landsbesluit beoordeling landsdienaren is niet van toepassing op de ambtenaar van politie. 2.De ambtenaar van politie wordt jaarlijks beoordeeld aan de hand van een door de minister vastgestelde leidraad voor beoordelings- en functioneringsgesprekken. 3.De beoordeling bestaat uit een plannings-, een functionerings- en een beoordelingsgesprek met de directe leidinggevende van de ambtenaar van politie. 4.De ambtenaar van politie en diens directe leidinggevende geven hun volle medewerking aan de beoordeling en nemen de geldende voorschriften en de aanwijzingen van de minister nauwgezet in acht. 5.De beoordeling geschiedt op basis van de voor de ambtenaar geldende functiebeschrijving of, bij afwezigheid daarvan, de door de minister opgedragen werkzaamheden. 6.De in het kader van de beoordeling gemaakte afspraken en de door de ambtenaar van politie bereikte resultaten worden vastgelegd in een daartoe door de minister beschikbaar gesteld beoordelingsformulier. 7.Het planningsgesprek vindt plaats in de maand januari en is gericht op het maken van afspraken met de ambtenaar van politie over de door hem te bereiken individuele doelstellingen in het daarop aansluitende jaar met betrekking tot de organisatie, prestaties en wijze van functioneren. 8.Het functioneringsgesprek vindt plaats tenminste eenmaal per kalenderjaar, uiterlijk in de maand juni. Het functioneringsgesprek is gericht op een evaluatie van de afspraken gemaakt in het planningsgesprek. 9.Het beoordelingsgesprek vindt plaats uiterlijk in de maand oktober en is gericht op de beoordeling van de algemene prestatie van de ambtenaar van politie, in het betreffende jaar alleen, ten opzichte van de afspraken gemaakt in het plannings- en functioneringsgesprek. 10.De beoordeling wordt afgesloten met ondertekening van het betreffende beoordelingsformulier door de ambtenaar en diens directe leidinggevende. 11.Indien de ambtenaar van politie weigert te ondertekenen wordt zulks met vermelding van de redenen door de directe leidinggevende op het beoordelingsformulier aangetekend. Leden 6 en 7 van artikel 28 zijn van overeenkomstige toepassing. 12.De beoordeling van een ambtenaar van politie die met ingang van 1 juli of later in het jaar in dienst is getreden, vindt voor de eerste maal plaats in de maand juni van het daaropvolgende jaar. 13.Indien een ambtenaar van politie gedurende het jaar arbeidsongeschikt wordt voor een periode van minder dan 6 maanden en één van de gesprekken in lid 2 hierdoor mist, wordt het gemiste gesprek zo snel mogelijk na hervatting van het werk gehouden met de betrokkene. Artikel28 1.Er worden toekomstverwachtingen gemaakt over de ambtenaar van politie, die in aanmerking komt voor een binnen afzienbare tijd vrijkomende hogere functie bij het korps of de Landsrecherche. De minister dient hieromtrent te beslissen, en in het verlengde de korpschef of diensthoofd. 2.Ook kunnen toekomstverwachtingen gemaakt worden over een ambtenaar van politie, die in de nabije toekomst solliciteert op een andere niet hogere functie binnen het korps of de Landsrecherche, mits de mogelijkheid tot een dergelijke plaatsing reëel aanwezig is en de korpschef of diensthoofd instemt met de wens van de betrokkene, of ten aanzien van wie een dergelijke plaatsing door de minister wenselijk wordt geacht. 3.Onder toekomstverwachtingen wordt in dit artikel verstaan: een systematische bezinning op de behoefte en potentiële capaciteiten van de ambtenaar van politie, bekeken in het kader van de mogelijkheden binnen het korps of de Landsrecherche, welke bezinning uitmondt in concrete afspraken alsmede in het daarop tijdig ondernemen van actie. 4.Bij het solliciteren naar functies wordt rekening gehouden met de voor de ambtenaar gemaakte toekomstverwachtingen. 5.Met inachtneming van de door de minister vastgestelde regels, wordt de ambtenaar van politie, die een verzoek daartoe indient op redelijke gronden dan wel ten aanzien van wie dit door de minister nodig wordt geoordeeld, beoordeeld over de wijze waarop hij zijn functie uitoefent en over zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die functie. 6.Aan het verzoek van de ambtenaar van politie om overeenkomstig het eerste lid te worden beoordeeld, wordt niet eerder voldaan dan na het verstrijken van zes maanden na de vaststelling van de voorafgaande over hem uitgebrachte beoordeling omtrent zijn persoon en zijn functioneren. 7.De ambtenaar van politie wordt van de inhoud van de over hem opgemaakte toekomstverwachtingen, bedoeld in het eerste lid tot met vierde lid, en van de over hem opgemaakte beoordeling, bedoeld in het vijfde lid zo spoedig mogelijk in kennis gesteld nadat deze door de minister bekrachtigd zijn. Hij ontvangt een afschrift daarvan. Hij ondertekent het document voor kennisgeving van de inhoud en ontvangst ervan. 8.De ambtenaar van politie kan binnen zes weken na ontvangst van het document bij de minister een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen tegen een voor hem opgemaakte beoordeling of toekomstverwachtingen en vragen om een heroverweging. De heroverweging geschiedt binnen vier weken. 9.Dit artikel is niet van toepassing op de aspirant. 10.De minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen. HOOFDSTUK3:Bezoldiging, vergoeding en toelagen Artikel29 Hoofdstuk IV, behoudens het artikel 28 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht en de daarop berustende regelingen, is niet van toepassing op de ambtenaar van politie belast met de uitvoering van een politietaak. De artikelen 30 tot en met 39 zijn uitsluitend van toepassing op de aspirant en de ambtenaar van politie belast met de uitvoering van een politietaak. Artikel30 1.De bezoldiging en een met die bezoldiging verbonden vergoeding of toelage worden maandelijks of tegen het einde van de kalendermaand, waarop de betaling betrekking heeft, betaald door het Land. 2.Van het eerste lid kan worden afgeweken, indien daartoe naar het oordeel van de minister op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat. 3.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar van politie, wordt een som uitbetaald aan de wettelijke erfgenamen gelijk aan driemaal hetgeen hij aan inkomsten per maand zou hebben ontvangen, indien hij op de eerste van de maand van het overlijden in actieve dienst was geweest. 4.Indien de overleden ambtenaar van politie, geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de wettige kinderen ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan. Ontbreken zodanige kinderen, dan geschiedt de uitbetaling ten behoeve van zijn ouders, zusters, broers, grootouders, overgrootouders ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan dan wel stief- of pleegkinderen, indien de overledene in overwegende mate in het levensonderhoud van voornoemde betrekkingen voorzag. 5.Laat de overleden ambtenaar van politie ook geen betrekkingen na als genoemd in het vierde lid, dan wordt het bedrag aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste medische zorg en lijkbezorging, voor zover de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is. Artikel31 1.Bij de indiensttreding of de overgang naar een andere functie wordt de bezoldigingsschaal bepaald met inachtneming van de aard en het niveau van de functie waarmee de betrokken ambtenaar van politie wordt belast. De aard en niveau van de functie worden bepaald aan de hand van de functiebeschrijvingen en functieniveaukarakteristieken, welke zijn opgenomen in het functieboek, bedoeld in artikel 5 van het Organisatiebesluit Justitie. 2.Van het eerste lid kan worden afgeweken, indien het niet voldoen aan de opleidingseisen of gebrek aan ervaring met betrekking tot de arbeid die de betrokken ambtenaar van politie in de functie moet verrichten, de verwachting aannemelijk maakt dat de wijze van functioneren zich tegen de toepassing van dat artikellid vooralsnog verzet. In dat geval kan de bezoldigingsschaal bepaald worden en gedurende een tijdvak van ten hoogste twee jaren bepaald blijven op ten hoogste twee volgnummers beneden de schaal die met toepassing van het eerste lid in aanmerking zou komen. 3.Indien het functioneren van de ambtenaar van politie, bedoeld in het tweede lid, na één jaar, blijkens een beoordeling, dusdanige vooruitgang heeft geboekt, dat de verwachting is gerechtvaardigd dat binnen een jaar zijn wijze van functioneren zich niet meer tegen de toepassing van het eerste lid zal verzetten, wordt hij bevorderd naar de naast hogere aanloopschaal en zijn bezoldiging bepaald op het bedrag van de naast hogere bezoldigingstrede in die schaal. 4.Indien het functioneren van de ambtenaar van politie, bedoeld in het tweede lid, aan het einde van het genoemde tijdvak de toepassing van het eerste lid nog niet toelaat, wordt hij geplaatst in een functie waarvan de aard en het niveau in overeenstemming is met de schaal volgens welke hij bezoldigd wordt. 5.Anders dan bij wijze van disciplinaire straf, bedoeld in hoofdstuk 11, kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar van politie geen bezoldigingsschaal worden vastgesteld, die een lagere maximum bezoldiging bevat dan die welke in de voordien voor hem geldende bezoldigingsschaal aangegeven is. 6.De aspirant, die de op dat moment geldende opleiding voor de basis politiefunctie heeft behaald, wordt, gerekend vanaf de dag waarop hij het diploma behaald heeft, bevorderd tot de rang van agent. 7.De ambtenaar van politie, die de basis politieopleiding met goed gevolg heeft behaald en is bekleed met de rang van agent, wordt na drie jaar bevorderd tot de rang van brigadier, mits de wijze waarop hij de functie uitoefent als goed beoordeeld is, overeenkomstig artikel 27 en aan de nader door de minister te stellen opleidingsvereisten is voldaan. 8.De ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak, die de maximum-bezoldiging in schaal 9 heeft bereikt en gedurende vier jaar de maximum-bezoldiging in die schaal heeft genoten, wordt bevorderd naar de naast hogere schaal, mits deze ambtenaar gedurende de laatste drie achtereenvolgende jaren voorafgaande aan de bevordering op grond van een beoordeling, zoals bedoeld in artikel 27 van dit landsbesluit, naar behoren heeft gefunctioneerd. 9.De ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak, die de maximum-bezoldiging in schaal 10 heeft bereikt en gedurende vier jaar de maximum-bezoldiging in die schaal heeft genoten, wordt bevorderd naar de naast hogere schaal, mits deze ambtenaar gedurende de laatste drie achtereenvolgende jaren voorafgaande aan de bevordering op grond van een beoordeling, zoals bedoeld in artikel 27 van dit landsbesluit, naar behoren heeft gefunctioneerd. Artikel32 1.De ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak tot en met de rang van hoofdinspecteur, die dienst verricht tussen 20.00 uur en 06.00 uur, ontvangt voor elk door hem binnen de genoemde tijd gewerkt vol uur een toelage, welke is opgenomen in bijlage A van dit landsbesluit. Een gewerkte tijd van vijftien minuten of meer, doch korter dan een uur, wordt voor de toepassing van dit lid als een vol uur aangemerkt. 2.In afwijking van het eerste lid ontvangt de ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak tot en met de rang van hoofdinspecteur, die ingevolge het voor hen geldende werkrooster avond of nachtdienst, dienst op zon- en feestdagen of een combinatie van deze vormen van dienst moeten verrichten de in dat lid bedoelde vergoeding ook in geval van overwerk, verricht tussen 20.00 uur en 06.00 uur. 3.De ambtenaar van politie, die buiten de voor hem geldende werktijd in het belang van de dienst opgedragen wordt bereikbaar en beschikbaar te zijn, ontvangt per dag, dat dit in het voor hem geldende werkrooster is vastgelegd, een toelage, welke is opgenomen in bijlage A van dit landsbesluit. 4.De ambtenaar van politie, aangewezen als lid van het arrestatieteam of van het observatieteam, komt in aanmerking voor de duur van de aanwijzing voor een toelage, welke is opgenomen in bijlage A van dit landsbesluit. 5.De ambtenaar van politie die met hondenbegeleiding belast is, komt in aanmerking voor een maandelijkse toelage, welke is opgenomen in bijlage A van dit landsbesluit, voor de onkosten in verband met de verzorging, voeding, training en inzet van de aan hem toegewezen politiesurveillance- of speurhond. 6.De ambtenaar van politie die door de korpschef of diensthoofd aangewezen is voor het geven van les in verband met opleiding, cursus of training komt in aanmerking voor een vergoeding voor de duur van de opleiding, cursus of training, welke is opgenomen in bijlage A van dit landsbesluit. Artikel33 Indien de ambtenaar van politie, anders dan bij wijze van disciplinaire straf, bedoeld in hoofdstuk 11, wordt belast met een andere functie, als gevolg waarvan zijn bezoldiging op grond van de overige bepalingen van dit landsbesluit een verlaging zou moeten ondergaan, zonder dat het bekleden van die andere functie bij wijze van waarneming, bedoeld in artikel 38, geschiedt of zonder dat ontslag voorafgegaan is, blijft deze verlaging achterwege. Artikel34 1.De bezoldiging van de ambtenaar van politie wordt verhoogd tot het bedrag dat behoort bij de opvolgende bezoldigingstrede in de schaal, indien hij naar het oordeel van de minister, dat is neergelegd in een formele beoordeling als bedoeld in artikel 27, zijn functie naar behoren vervult. Deze beoordeling vindt voor iedere ambtenaar van politie niet later plaats dan een jaar na zijn indiensttreding of na zijn overgang naar een andere functie en vervolgens tenminste aan het einde van elk jaar. 2.De bezoldiging van de ambtenaar van politie kan worden verhoogd tot het bedrag dat behoort bij de eerste bezoldigingstrede volgend op de opvolgende bezoldigingstrede in de schaal, indien hij naar het oordeel van de minister, dat is neergelegd in een formele beoordeling als bedoeld in artikel 27, zijn functie zeer goed of uitstekend verricht. 3.Vervult de ambtenaar van politie zijn functie naar het oordeel van de minister niet naar behoren, dan blijft verhoging van de bezoldiging achterwege op grond van een formele beoordeling. 4.De in het eerste lid bedoelde verhogingen van de bezoldiging worden met ingang van januari van een jaar toegekend, zolang de ambtenaar van politie de maximum-bezoldiging van de voor hem geldende bezoldigingsschaal nog niet heeft bereikt, doch voor de eerste maal niet eerder dan nadat sinds zijn aanstelling als ambtenaar van politie tenminste zes maanden verstreken zijn. 5.In afwijking van het vierde lid kan de ambtenaar van politie die de maximum-bezoldiging van de voor hem geldende bezoldigingsschaal heeft bereikt, om de twee jaren een gratificatie gelijk aan 2% van zijn bezoldiging ontvangen, indien naar het oordeel van de minister, dat is neergelegd in een formele beoordeling als bedoeld in artikel 27, zijn functie naar behoren vervult. 6.Van de ambtenaar van politie met vrijstelling van dienst voor lange duur wegens bijzondere omstandigheden of ziekte, uitgezonderd gevallen van dienstongeval of beroepsincident en studieopdracht, blijft de beoordeling en de daarbij behorende verhoging van bezoldiging achterwege. Er kan geen aanspraak gemaakt worden op de achterwege gebleven verhoging in verband met dit lid op basis van het uitblijven van de beoordelingen. Artikel35 Het artikel 34 is van overeenkomstige toepassing op de aspirant, met dien verstande dat aan een verhoging als bedoeld in het eerste of derde lid, geen formele beoordeling als bedoeld in artikel 27, ten grondslag behoeft te liggen, doch wel een verslag waaruit blijkt dat betrokkene aantoonbaar goede opleidingsprestaties levert. Indien de aspirant zich niet kan verenigen met het verslag kan hij binnen 30 dagen na de ontvangst ervan een bezwaar indienen bij de minister. De minister zal een her-evaluatie laten verrichten, waarvan het resultaat aan de minister bekendgemaakt zal worden. Binnen ten hoogste 30 dagen na het geven van de opdracht voor her-evaluatie zal de minister de aspirant op de hoogte stellen van het eindresultaat. Artikel36 De bezoldiging van de ambtenaar van politie met een deelbetrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van de bezoldiging bij een volledige betrekking. Artikel37 In geval de ambtenaar van politie, bevorderd wordt naar een functie waaraan een bezoldigingsschaal verbonden is, die een hogere maximumbezoldiging bevat dan die welke voorkomt in de schaal volgens welke hij tot dusver bezoldigd is, wordt hem de bezoldigingstrede in de nieuwe schaal toegekend, waarvan het bedrag minstens even hoog is als het verschil tussen twee bezoldigingstreden in de oude schaal. Artikel38 1.Indien de taakuitvoering continuïteit in de uitoefening van een functie veronderstelt en geen andere ambtenaar van politie voor de uitvoering van die taak is aangesteld, die deze geheel of gedeeltelijk kan waarnemen, dan wel indien het dienstbelang zulks vordert, wordt de daarvoor in aanmerking komende ambtenaar van politie, door de minister met de waarneming van die functie belast. 2.De ambtenaar van politie, die overeenkomstig het eerste lid belast is met de waarneming van een functie, die in belangrijkheid en verantwoordelijkheid aanmerkelijk uitgaat boven de eigenlijke functie van deze ambtenaar, heeft over de tijd van de waarneming aanspraak op een door de minister toegekende toelage boven zijn eigen bezoldiging ten bedrage van het verschil tussen de bezoldiging, welke hij zou genieten, ware hij definitief benoemd in de functie die hij waarneemt, en zijn eigen bezoldiging, indien de waarneming: 30 dagen of langer onafgebroken heeft geduurd; in een tijdvak van zes maanden in totaal gedurende 30 dagen of langer heeft geduurd; in een tijdvak van twaalf maanden in totaal gedurende 60 dagen of langer heeft geduurd. 3.Tijdens de waarneming wordt de ambtenaar van politie, de hem in zijn eigenlijke functie toekomende bezoldigingstreden toegekend, onder verrekening van de in het tweede lid bedoelde toelage. Deze toelage wordt opnieuw bepaald, telkens wanneer hij in de functie, die hij waarneemt, aanspraak zou hebben verkregen op een verhoging van bezoldiging, ware hij definitief in dat ambt aangesteld. 4.Indien uit de waarneming, bedoeld in het eerste lid, voor de ambtenaar van politie, als zodanig direct aanwijsbare en op geld waardeerbare schade voortvloeit, wordt hem de geleden schade uit ’s Landskas vergoed. 5.In geval sprake is van een volledige waarneming bedoeld in het eerste lid, die achttien maanden of langer onafgebroken heeft geduurd, mits het een functie van tijdelijke aard betreft, en waarbij de minister in de periode van waarneming een actieve wervings- en selectie procedure heeft gevolgd die niet tot vervulling van de positie heeft geleid, wordt de functie als vacant gekwalificeerd, waarop het bepaalde in het zesde lid van toepassing is. 6.Indien er sprake is van gehele en volledige waarneming bedoeld in het eerste lid, uitgezonderd periodes van vakantie, die drie jaren onafgebroken heeft geduurd, wordt de functie als een vacante functie beschouwd en wordt de betrokken ambtenaar van politie in de functie waarin deze heeft waargenomen aangesteld, met ingang van de eerste dag na het voltooien van drie jaren van de waarneming, mits de wijze van functioneren van deze ambtenaar blijkens een beoordeling, zoals bedoeld in artikel 27 van dit landsbesluit gedurende de drie jaren telkens naar behoren is geweest. Artikel39 1.Aan de ambtenaar van politie, die uit hoofde van zijn functie onvermijdelijk arbeid opgedragen wordt buiten het voor hem ingevolge artikel 40 vastgestelde dienstrooster op een week- of zaterdag, wordt een vergoeding als bedoeld in bijlage A toegekend voor elk door hem gewerkt vol uur. 2.Aan de ambtenaar van politie, die uit hoofde van zijn functie onvermijdelijk arbeid opgedragen wordt buiten het voor hem ingevolge artikel 40 vastgestelde dienstrooster op een zon- of feest of roostervrije dag wordt een vergoeding als bedoeld in bijlage A, toegekend voor elk door hem gewerkt vol uur. 3.Aan de ambtenaar van politie, die uit hoofde van zijn functie onvermijdelijk arbeid opgedragen wordt buiten het voor hem ingevolge artikel 40 vastgestelde dienstrooster in verband met buitengewone omstandigheden of calamiteiten wordt een vergoeding toegekend als bedoeld in de bijlage A voor elk door hem gewerkt vol uur. 4.Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die een functie bekleedt in de rang van inspecteur of hoger. 5.Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die een functie bekleedt in de rang van inspecteur en hoofdinspecteur en uit hoofde van zijn functie onvermijdelijk arbeid verricht buiten het voor hem ingevolge artikel 40 vastgestelde dienstrooster, wordt een vergoeding toegekend overeenkomende met zijn uurloon voor arbeid opgedragen als gevolg van het dienstrooster. De toegekende vergoeding kan worden gecompenseerd in vrije uren, gelijk aan het aantal meer-uren. 6.Aan de inspecteur en hoofdinspecteur, die uit hoofde van zijn functie in opdracht van de korpschef of diensthoofd onvermijdelijk arbeid verricht buiten het voor hem vastgestelde werkrooster, en die geen vergoeding in vrije tijd wenst, wordt op zijn verzoek een vergoeding in geld toegekend, berekend naar de gemaakte overuren en bepaald op: honderd procent, indien het een dienstuitoefening betreft wegens verschuiving van dienst binnen twee maal 24 uur van de oorspronkelijk voorschreven dienst; honderd vijftig procent, indien het een dienstuitoefening betreft op week- en zaterdagen; en, tweehonderd procent, indien het een dienstuitoefening betreft op roostervrije- zon- en feestdagen. HOOFDSTUK4:Arbeids- en rusttijden Artikel40 1.Hoofdstuk V van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie. 2.De korpschef of diensthoofd stelt namens de minister de arbeids- en rusttijden van de ambtenaar van politie vast middels een maand- dan wel kwartaal dienstrooster, tenzij de minister anders bepaald. 3.Het dienstrooster moet voldoen aan de volgende voorwaarden: de arbeidsuren bedragen gemiddeld 40 uren per week; per periode van vier weken worden 8 roostervrije dagen aangegeven; bij de vaststelling van een roostervrije dag wordt zorg gedragen dat tenminste 18 uren van eenzelfde kalenderdag deel uitmaken van een onafgebroken rusttijd van tenminste 30 uren; bij de vaststelling van twee of meer opeenvolgende roostervrije dagen wordt zorg gedragen dat daarop aansluitend tenminste 6 uren volgen gedurende welke geen dienst behoeft te worden verricht; de tijdstippen van het begin en het einde van de dienst worden vermeld. 4.De gezamenlijke dienstroosters geven in een kalenderjaar in totaal tenminste 26 vrije weekeinden aan dan wel tenminste 26 perioden van twee aaneengesloten vrije dagen, waarbij de aaneengesloten periode een zaterdag of zondag omvat. 5.Bij de vaststelling van de diensttijd moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: de dagelijkse dienst is in verband met de aard van de werkzaamheden niet overmatig en wordt, behoudens zo mogelijk een onderbreking voor het nuttigen van de maaltijd, zoveel mogelijk aaneengesloten verricht; opeenvolgende diensten worden behoorlijk door rusttijd onderbroken; op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen wordt de ambtenaar van politie zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld zijn kerk te bezoeken; op zaterdag en zondag wordt een diensttijd aangegeven van ten hoogste 12 uur; op de overige dagen wordt per etmaal een diensttijd aangegeven van ten hoogste 14 uur; per periode van vier weken worden niet meer diensturen aangegeven voor dienst op zondag en in het tijdvak tussen 20.00 en 6.00 uur dan een door de minister vastgesteld aantal uren; in 12 perioden van vier weken in een kalenderjaar geven de gezamenlijke dienstroosters per periode van vier weken ten hoogste 160 diensturen en in de dertiende periode van vier weken ten hoogste 168 diensturen aan. 6.Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden op zondag bepaald is, geldt ook voor het verrichten van werkzaamheden op de door de overheid vastgestelde vrije dagen. 7.Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden op zondag bepaald is, is voor de ambtenaar van politie, die tot een geloofsgemeenschap behoort die de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag houdt, van overeenkomstige toepassing op die dag, indien hij daartoe de wens te kennen geeft. 8.Het dienstrooster wordt de ambtenaar van politie uiterlijk een week voor aanvang van de periode waarop het betrekking heeft, bekendgemaakt. 9.De minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen. Artikel41 1.De ambtenaar van politie, anders dan de aspirant, die daartoe de wens te kennen geeft, kan in deelbetrekking gaan werken tenzij daar naar het oordeel van de korpschef of diensthoofd ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering uit voortvloeien. 2.Aan de ambtenaar van politie die zijn pensioengerechtigde leeftijd nadert en in verband hiermee de dienst moet verlaten wordt, indien de dienst zich daartegen niet verzet, op zijn daartoe strekkend schriftelijk verzoek, door de korpschef of diensthoofd een werktijdverkorting verleend: van een halve dag per week indien het verzoek twee jaren vóór het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd aanvangt; en van een hele dag per week indien het verzoek één jaar vóór het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd aanvangt. 3.Bedoelde halve of hele dag dient op de laatste dag van de week (vrijdag) te worden genomen. 4.De tijd of dagen, waarop de betreffende ambtenaar van politie in het kader van de arbeidsverkorting aanspraak kan maken, kunnen niet worden opgespaard en dienen steeds in de betreffende werkweek te worden opgenomen in overleg met de betrokken leidinggevende. 5.De ambtenaar van politie is vrij om al dan niet gebruik te maken van deze arbeidsverkorting. 6.De vrije tijd dag vervalt bij ziekte, vakantie, vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden al dan niet met behoud van inkomen, het volgen van trainingen die van dienstwege zijn opgedragen en dienstbesprekingen. HOOFDSTUK5:Vakantie Artikel42 Artikel 39 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht, hoofdstuk II en hoofdstuk IIIA van de Regeling vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie en de aspirant. Artikel43 1.Aan de aspirant wordt door de korpschef of het diensthoofd vakantie met behoud van bezoldiging verleend met inachtneming van dit artikel. 2.De vakantie wordt als volgt verleend: vier aaneengesloten werkdagen onmiddellijk aansluitend aan de tweede Paasdag; een aaneengesloten periode vallend in het tijdvak waarin voor inrichtingen waar van overheidswege openbaar onderwijs wordt gegeven, zomervakantie is of zal worden vastgesteld; vijf werkdagen rond Kerstmis en Nieuwjaarsdag. 3.Door of namens de minister worden elk jaar in de maand januari de vakantieperiodes vastgesteld met inachtneming van het tweede lid. 4.Wegens dringende reden van dienstbelang kan door de minister worden bepaald dat de vakantie over een of meer perioden, bedoeld in het tweede lid, geheel of gedeeltelijk niet wordt genoten dan wel wordt ingetrokken. 5.Een vakantie of een gedeelte van een vakantie die ingevolge het vierde lid niet is genoten dan wel is ingetrokken, wordt door de minister vastgesteld bij ministeriële beschikking en wordt zo spoedig mogelijk alsnog verleend nadat de reden, die daartoe heeft geleid, heeft opgehouden te bestaan. 6.De ambtenaar van politie biedt verzoeken tot vakantie aan conform de door de minister vastgestelde richtlijnen. In het kader van een gelijke behandeling van aanvragen zal steeds rekening gehouden worden met de toekenning van vakanties gedurende feestdagen en schoolvakantie perioden, opdat alle ambtenaren in de gelegenheid gesteld worden in aanmerking te komen voor vakantie gedurende dergelijke perioden en dit voorrecht niet voor de enkeling behouden zijt. Artikel44 1.Indien de aspirant tijdens een verleende vakantie zoals blijkt uit een geneeskundige verklaring gedurende een of meer werkuren arbeidsongeschikt is geweest, wordt het aantal vakantie-uren dat overeenkomt met het aantal werkuren gedurende welke hij arbeidsongeschikt is geweest, beschouwd niet als vakantie te zijn genoten en wordt hem vrijstelling van dienst, bedoeld in artikel 58, eerste lid, onderdeel b, verleend. 2.De aspirant kan de niet genoten vakantie-uren, bedoeld in het eerste lid, niet opnemen gedurende de periode dat hij de basis politieopleiding volgt. De artikelen 55 en 56 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel45 1.De aspirant, die onmiddellijk voorafgaand aan zijn aanstelling als aspirant, in dienst van Sint Maarten werkzaam was, anders dan als ambtenaar behorend tot het onderwijzend personeel of als personeelslid van het gesubsidieerde onderwijs, behoudt bij zijn aanstelling de door hem niet-genoten vakantie-uren, waar hij tot en met december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin zijn aanstelling plaatsvindt, aanspraak op kan doen, met dien verstande dat hij de niet-genoten vakantie-uren niet kan opnemen zolang hij de basis politieopleiding volgt. 2.De niet-genoten vakantie-uren, bedoeld in het eerste lid, worden door de minister vastgesteld bij ministeriële beschikking. 3.De vakantie-uren bedoeld in het eerste lid kunnen niet worden genoten gedurende de proeftijd bedoeld in artikel 5. 4.Aan de aspirant kan, ter vervanging van de door hem in zijn vorige overheidsbetrekking niet-genoten vakantie-uren, door de minister een geldelijke vergoeding worden toegekend, gelijk aan het bedrag dat hem aan bezoldiging zou zijn uitgekeerd tijdens de vakantie-uren, indien deze genoten zouden zijn. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de nagelaten betrekkingen van een overleden aspirant. Artikel46 1.Aan de ambtenaar van politie, wordt, al dan niet op zijn verzoek, in elk kalenderjaar namens de minister door de korpschef of diensthoofd vakantie met behoud van bezoldiging verleend. 2.Indien naar het oordeel van de korpschef of diensthoofd voor de ambtenaar van politie geldige redenen voor verhindering bestaan, wordt de vakantie niet verleend. 3.Wegens dringende redenen van dienstbelang kan de minister bepalen dat de vakantie voor een of meer perioden geheel of gedeeltelijk niet wordt genoten dan wel ingetrokken. 4.Een vakantie of een gedeelte van een vakantie die ingevolge het derde lid niet is genoten dan wel is ingetrokken wordt door de minister vastgesteld bij ministeriële beschikking en wordt zo spoedig mogelijk alsnog verleend, nadat de reden die daartoe heeft geleid, is opgehouden te bestaan. Artikel47 1.Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie aanspraak maakt, bedraagt: 152 uren voor de bezoldigingsschalen 1, 2, 3, 4 en 5; 176 uren voor de bezoldigingsschalen 6, 7, 8 en 9; 200 uren voor de bezoldigingsschalen 10, 11, 12 en 13; 224 uren voor de bezoldigingsschalen 14, 15, 16 en 17. 2.Voor de toepassing van het eerste lid geldt de bezoldigingsschaal waartoe de ambtenaar van politie op 1 januari van het kalenderjaar behoort, of, in geval van aanstelling of bevordering in de loop van een kalenderjaar, de bezoldigingsschaal waartoe hij op 1 januari behoort. 3.Bij de ambtenaar van politie, die in onregelmatige ploegendienst werkzaam is, en de ambtenaar van politie, bedoeld in het tweede lid, worden voor elk tijdvak van een week waarin zij vakantie genieten evenveel vakantie-uren op het hen jaarlijks toekomend aantal vakantie-uren in mindering gebracht, als bij de ambtenaar van politie voor wie de werkweek uit vijf werkdagen bestaat. 4.De niet-genoten vakantie-uren bedoeld in het eerste lid worden door de minister vastgesteld bij ministeriële beschikking. Artikel48 1.Bij beëindiging of aanvang van de aanstelling in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie-uren op grond van artikel 47 vastgesteld naar evenredigheid van de tijd dat de ambtenaar van politie in dat kalenderjaar werkzaamheden heeft verricht of zal verrichten. 2.Voor de ambtenaar van politie voor wie de geldende werktijd korter is dan de gebruikelijke volledige werktijd, wordt het ingevolge artikel 47, eerste tot en met derde lid, van toepassing zijnde aantal vakantie-uren vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal uren van de voor hem geldende werktijd, en de noemer uit het aantal uren van de voor zijn functie gebruikelijke volledige werktijd. 3.Indien in de loop van een kalenderjaar wijziging optreedt in de omvang van de voor de ambtenaar van politie geldende werktijd, wordt het aantal vakantie-uren, waarop hij gedurende het resterende deel van dat kalenderjaar aanspraak heeft, opnieuw bepaald door het aantal vakantie-uren voor elk tijdvak van het kalenderjaar waarin de voor hem geldende werktijd gelijk is, afzonderlijk vast te stellen en hiervan de som te berekenen. Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie gedurende elk tijdvak van het kalenderjaar aanspraak maakt, wordt berekend door het aantal maanden dat bedoeld tijdvak heeft geduurd, te delen door 12 en het quotiënt te vermenigvuldigen met het aantal vakantie-uren waarop hij aanspraak zou hebben, indien het een volledig kalenderjaar zou betreffen. 4.Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak maakt, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren. Artikel49 1.Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar van politie in het geheel geen werkzaamheden verricht, met uitzondering van de eerste kalendermaand, heeft hij geen aanspraak op vakantie-uren. 2.Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar van politie gedeeltelijk werkzaamheden verricht, heeft hij aanspraak op vakantie-uren naar evenredigheid van het gedeelte van de kalendermaand dat hij werkzaamheden verricht. 3.Vermindering, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt niet plaats bij: verleende vakantie-uren; niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar van politie te wijten ziekte of ongeval in geval van verhindering tot dienstverrichting wegens een dienstongeval; zwangerschaps- en bevallingsverlof; vrijstelling op grond van artikel 58 voor korte duur; buitengewoon verlof van korte duur; andere redenen op grond waarvan de minister daartoe redenen aanwezig acht. 4.Het aantal vakantie-uren, waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak maakt, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren. Artikel50 1.Gedurende de eerste zes maanden na de datum van aanstelling maakt de ambtenaar van politie aanspraak op vakantiedagen naar rato van 1/12 gedeelte van het conform de artikelen 47 en 48 berekende aantal vakantie-uren voor iedere volle kalendermaand dat hij zijn functie uitgeoefend heeft, tenzij hij onmiddellijk voorafgaand aan de aanstelling, een onderbreking van veertien dagen of minder buiten beschouwing gelaten, reeds tenminste zes maanden onafgebroken in dienst van het Land werkzaam was. 2.Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak maakt, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren. Artikel51 1.Over de tijdstippen waarop de vakantie-uren genoten worden, evenals over de wijze waarop en de mate waarin deze gesplitst kunnen worden opgenomen, wordt door of namens de minister beslist met inachtneming van dit artikel. 2.Bij het nemen van de beslissing wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar van politie. 3.Indien de ambtenaar van politie daartoe verzoekt en de dienst dat toelaat, kan in een kalenderjaar maximaal de helft van het aantal vakantie-uren, waarop hij per kalenderjaar aanspraak maakt, gesplitst worden verleend. Artikel52 1.Indien de ambtenaar van politie tijdens een verleende vakantie, zoals blijkt uit een geneeskundige verklaring arbeidsongeschikt geweest is, wordt het aantal vakantie- uren, dat overeenkomt met het aantal werkuren gedurende welke hij arbeidsongeschikt geweest is, beschouwd niet als vakantie te zijn genoten, en wordt hem vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 58, eerste lid. 2.De niet-genoten vakantie-uren, bedoeld in het eerste lid, worden opnieuw verleend. Artikel53 1.Indien de ambtenaar van politie in een kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel is verleend, worden hem de niet-genoten vakantie-uren in het volgende kalenderjaar aaneengesloten verleend. De vakantie-uren van het voorgaande jaar en de vakantie-uren van het lopende jaar worden aaneengesloten genoten tenzij de ambtenaar van politie te kennen geeft laatstbedoelde vakantie-uren in het daaropvolgende kalenderjaar te willen opnemen. Vakantie-uren over meer dan twee kalenderjaren kunnen niet aaneengesloten worden verleend. Artikel 51 is onverkort van toepassing. 2.Indien de toestemming tot het opnemen van vakantie-uren geheel of gedeeltelijk is geweigerd of ingetrokken, behoudt de ambtenaar van politie zijn aanspraak op de niet-genoten vakantie-uren. Weigering of intrekking van de toestemming tot het opnemen van vakantie-uren kan tot maximaal 12 maanden uitgesteld worden. 3.Behoudens in het in tweede lid genoemde geval, verliest de ambtenaar van politie zijn aanspraak op de door hem niet-genoten vakantie-uren die betrekking hebben op het voorafgaande kalenderjaar, indien die niet zijn opgenomen voor het aflopen van het opvolgend kalender jaar. 4.Behalve in het geval dat de aanstelling wegens ontslag eindigt, kan de ambtenaar van politie in een kalenderjaar nooit meer vakantie worden verleend dan tweemaal het hem ingevolge artikel 47 toekomende aantal vakantie-uren. 5.In geval van intrekking van de toestemming tot het opnemen van vakantie-uren worden de vakantie-uren op de dag waarop de ambtenaar van politie deze uren als gevolg van de intrekking slechts gedeeltelijk genoten heeft, niet als vakantie-uren aangemerkt. 6.In geval een ambtenaar van politie niet in de gelegenheid wordt gesteld om minstens de helft van de ingetrokken en bij ministeriële beschikking vastgestelde vakantie-uren te genieten, wordt hem de vakantie-uren uitbetaald niet eerder dan een jaar na de datum van de betreffende ministeriële beschikking. Bij uitbetaling vervallen alle aanspraken op de betreffende vakantie-uren. 7.Indien de ambtenaar van politie als gevolg van een intrekking geldelijke schade lijdt, wordt hem die schade uit 's Lands kas vergoed. Artikel54 1.Indien de ambtenaar van politie in een kalenderjaar meer vakantieuren genoten heeft dan hem toekomen, wordt het meerdere verrekend met de hem over één of meer volgende kalenderjaren toekomende vakantie-uren, met dien verstande dat in een kalenderjaar de vakantie-uren verminderd mogen worden met maximaal een derde gedeelte van het aantal vakantie-uren, waarop de ambtenaar van politie ingevolge artikel 47 aanspraak maakt. 2.Het aantal vakantie-uren, waar de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak op maakt, worden halve uren en meer naar boven afgerond op hele uren. Artikel55 1.Indien de ambtenaar van politie bij zijn overlijden nog aanspraak had op vakantie-uren wordt aan zijn weduwe of weduwnaar zo spoedig mogelijk door de minister een bedrag uitbetaald gelijk aan het bedrag aan bezoldiging dat aan hem zou zijn uitgekeerd gedurende de vakantie-uren, indien deze zouden zijn genoten. Bij de vaststelling van het aantal uren is artikel 49 niet van toepassing. 2.Indien de overleden ambtenaar van politie geen weduwe of weduwnaar achterlaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan. Ontbreken zodanige kinderen dan geschiedt de uitbetaling ten behoeve van zijn ouders, zusters, broers, meerderjarige wettige of natuurlijke kinderen ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan, dan wel stief- of pleegkinderen, indien de overledene in overwegende mate in het levensonderhoud van voornoemde betrekkingen voorzag. 3.Laat de overleden ambtenaar van politie ook geen betrekkingen na als genoemd in het tweede lid, dan wordt het bedrag aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste medische zorg en lijkbezorging, voor zover de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is. Artikel56 1.Behoudens het bepaalde in het zesde lid van artikel 53 geschiedt uitbetaling van niet-genoten vakantie-uren niet dan nadat een ontslag onherroepelijk is geworden. Indien de ambtenaar van politie uiterlijk veertien dagen na zijn ontslag weer in dienst treedt, kan hij alsnog aanspraak maken op de niet-genoten vakantie-uren van het lopende kalenderjaar. 2.Indien op de dag van ontslag blijkt, dat de ambtenaar van politie teveel vakantie-uren genoten heeft, is hij voor ieder teveel genoten vakantie uur schuldig een bedrag gelijk aan de bezoldiging, die hij genoot per werkuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag. 3.Niet-genoten vakantie-uren worden bij ontslag naar rato uitbetaald. HOOFDSTUK6:Vrijstelling van dienst Artikel57 1.Hoofdstuk II van de Regeling vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie. 2.Tenzij anders is bepaald bij dit landsbesluit of bij of krachtens enige landsverordening, anders dan die genoemd in het eerste lid, wordt de vrijstelling van dienst verleend met behoud van bezoldiging. Artikel58 1.Vrijstelling van dienst, te verlenen door de korpschef of het diensthoofd, en, indien het de korpschef of het diensthoofd betreft, door de minister, geniet de ambtenaar van politie, die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is zijn functie uit te oefenen. 2.Aan de ambtenaar van politie wordt door de korpschef of het diensthoofd, en, indien het de korpschef of het diensthoofd betreft, door de minister, vrijstelling van dienst verleend, voor zover hij op één van de in artikel 40, zesde lid, genoemde dagen, tenzij het een zaterdag of een zondag betreft: werkzaamheden heeft verricht; een roostervrije dag heeft genoten als bedoeld in artikel 40, derde lid, onderdeel b; verlof heeft genoten als vergoeding voor verricht overwerk. 3.De dag waarop vrijstelling van dienst, bedoeld in het tweede lid, wordt verleend, wordt vastgesteld namens de minister door de korpschef of het diensthoofd. Bij de vaststelling wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar van politie. 4.Voor de toepassing van het tweede lid wordt het verrichten van werkzaamheden gedurende ten hoogste de helft van de voor de ambtenaar van politie geldende gemiddelde dagelijkse diensttijd gelijkgesteld met dienst gedurende een halve dag en wordt het verrichten van werkzaamheden gedurende meer dan de helft van de voor de ambtenaar van politie geldende gemiddelde dagelijkse diensttijd gelijkgesteld met dienst gedurende een hele dag. Artikel59 1.De ambtenaar van politie, geniet, voor zover het dienstbelang dat toelaat, vrijstelling van dienst, te verlenen door of namens de minister, indien het politie- of dienstonderdeel op een daartoe aangewezen kerkelijke, landelijke feest- of gedenkdag gesloten is. 2.Aan de ambtenaar van politie wordt door de minister vrijstelling van dienst verleend op een andere werkdag, voor zover hij op één van de in het eerste lid bedoelde dagen: werkzaamheden heeft verricht; een roostervrije dag als bedoeld in artikel 40, derde lid, onderdeel b, heeft genoten; verlof genoten heeft als vergoeding voor verricht overwerk. 3.Artikel 58, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK7:Buitengewoon verlof Artikel60 1.Hoofdstuk V van de Regeling vakantie en vrijstelling van dienst en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie. 2.Aan de ambtenaar van politie wordt in de gevallen en onder de voorwaarden genoemd in dit hoofdstuk, buitengewoon verlof van korte duur verleend door de korpschef of het diensthoofd en buitengewoon verlof van lange duur door de minister. Artikel61 Buitengewoon verlof van korte duur kan voor ten hoogste 522 werkuren per kalenderjaar verleend worden, indien de korpschef of het diensthoofd van oordeel is dat daartoe aanleiding bestaat. Artikel62 1.Aan de ambtenaar van politie, die tot lid van een vertegenwoordigend lichaam is verkozen, wordt op zijn verzoek buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend door de korpschef of het diensthoofd, en, indien het betreft de korpschef of het diensthoofd, door de minister, voor het bijwonen van vergaderingen van dat lichaam of voor het maken van reizen buiten Sint Maarten in zijn hoedanigheid van lid van dat lichaam. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar van politie die op non-actief is gesteld of tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt of functie. 3.Aan de ambtenaar van politie wordt op zijn verzoek buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend door de korpschef of het diensthoofd voor het bijwonen van vergaderingen van of het verrichten van werkzaamheden voor publiekrechtelijke colleges of commissies in Sint Maarten, waarin hij is benoemd of waarvoor hij is aangewezen, voor zover dat niet in zijn vrije tijd kan geschieden. 4.Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten, wordt door de korpschef of het diensthoofd aan de ambtenaar van politie, voor zover dat niet in zijn vrije tijd kan geschieden en omzetting van de dienst niet mogelijk is, buitengewoon verlof verleend voor de uitoefening van het kiesrecht en voor het voldoen aan een wettelijke verplichting. Artikel63 1.Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten, wordt jaarlijks tot ten hoogste 120 werkuren buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend door de korpschef of het diensthoofd voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties waarbij die verenigingen zijn aangesloten, of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar van politie hieraan deelneemt: indien het betreft vergaderingen van verenigingen van ambtenaren, als bestuurslid van die vereniging; indien het betreft vergaderingen van centrale organisaties, waarbij verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die centrale organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren; indien het betreft vergaderingen van een internationale ambtenarenorganisatie, als bestuurslid van die organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten verenigingen van ambtenaren. 2.Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten, wordt tot ten hoogste 208 werkuren per kalenderjaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend door de korpschef of het diensthoofd aan de ambtenaar van politie, die voor een vereniging, bedoeld in het eerste lid, is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn vereniging of binnen de politiedienst, die ertoe strekken om de doelstellingen van zijn vereniging te ondersteunen. 3.Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging door de korpschef of het diensthoofd voor het deelnemen aan een cursus op uitnodiging van een vereniging, bedoeld in het eerste lid, of van een centrale organisatie, waarbij die vereniging is aangesloten, met dien verstande dat dit verlof maximaal 48 werkuren per twee jaar bedraagt. 4.Het aantal werkuren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid aan een ambtenaar van politie verleend kan worden, bedraagt samen ten hoogste 240 werkuren per kalenderjaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 werkuren per kalenderjaar worden verleend aan leden van het bestuur van een vereniging, bedoeld in het eerste lid, of van een centrale commissie waarbij die vereniging is aangesloten. 5.Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen als lid van vergaderingen van de Commissie van vakorganisaties in de zin van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht. Artikel64 Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend door de korpschef of het diensthoofd: voor het zoeken naar een woning, indien het dienstbelang de verhuizing vordert: ten hoogste drie werkdagen; voor verhuizing uit hoofde van het dienstbelang: twee werkdagen, zo nodig, indien betrokkene een eigen huishouding voert en het een verhuizing naar een ander land betreft, te verlengen met twee werkdagen; voor verhuizing, anders dan uit hoofde van dienstbelang, indien betrokkene een eigen huishouding voert: tweemaal per kalenderjaar ten hoogste twee werkdagen met indiening van de vereiste bewijsstuk(ken). Artikel65 Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie door de korpschef of het diensthoofd, indien het betreft de korpschef of het diensthoofd, door de minister, buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging: bij ondertrouw: op de dag zelf; bij huwelijk: vijf werkdagen; tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en tweede graad: op de dag zelf; bij ernstige ziekte van zijn echtgenote of haar echtgenoot, levensgezel, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen: ten hoogste vijftien werkdagen. Indien dit aantal in bepaalde omstandigheden niet toereikend is, kan een verzoek worden ingediend voor een maximum periode van 3 maanden met overleg van een medische verklaring; bij het overlijden van: de onder d genoemde personen: vijf werkdagen; bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad: een werkdag; indien betrokkene, in het geval bedoeld onder e, is belast met het regelen van de lijkbezorging of de nalatenschap dan wel met beide: ten hoogste zeven werkdagen; bij de bevalling van zijn echtgenote of levensgezel: ten hoogste tien werkdagen; bij zijn 25, 30, 35, 40, 45 en 50-jarig ambtsjubileum: op de dag zelf; bij zijn 25 of 40-jarig huwelijksjubileum en bij het 25, 40, 50 of 60- jarig huwelijksjubileum van zijn ouders, stief-, pleeg-, schoon of grootouders: op de dag zelf; bij de doop, kerkelijke bevestiging en Eerste Heilige Communie van betrokkene of zijn echtgenote of haar echtgenoot, kinderen, stief-, pleeg- of aangehuwde kinderen: op de dag zelf; bij diploma-uitreiking van de ambtenaar van politie of van de personen genoemd in lid d: op de dag zelf. Artikel66 Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend door de korpschef of het diensthoofd: voor het afleggen van een examen voor het behalen van een wettelijk erkend diploma, dat voor de uitoefening van zijn functie van belang kan worden geacht: op de dag voor en van het examen; voor het zitting nemen in examencommissies op politiegebied: voor ten hoogste tien werkdagen per kalenderjaar. Artikel67 1.De ambtenaar van politie, die zorg draagt voor een persoon genoemd in het vierde lid, heeft aanspraak op buitengewoon verlof wegens calamiteiten met behoud van bezoldiging. 2.Onder calamiteit wordt verstaan een ernstige ziekte of een andere onverwachte gebeurtenis of overmacht, waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van een in het vierde lid genoemd persoon. 3.Het verlof is bedoeld voor de eerste opvang en het treffen van verdere voorzieningen en bedraagt maximaal 8 werkuren per calamiteit voor maximaal 3 calamiteiten per kalenderjaar. 4.De personen, voor wier verzorging buitengewoon verlof kan worden verleend, zijn of diens echtgenote of echtgenoot, levensgezel, ouders, stief-, pleeg en schoonouders, kinderen, stief-, pleeg- en aangehuwde kinderen van de ambtenaar van politie. 5.De ambtenaar van politie informeert de korpschef of het diensthoofd vooraf over het opnemen van het verlof onder opgave van de reden. 6.De korpschef of het diensthoofd kan verlangen dat de ambtenaar van politie achteraf zo spoedig mogelijk aannemelijk maakt dat sprake was van een noodsituatie. Indien betrokkene daar naar het oordeel van de korpschef of het diensthoofd niet in slaagt, worden de opgenomen uren in mindering gebracht op zijn vakantie-uren. Artikel68 1.Tijdens buitengewoon verlof van korte duur voor redenen niet opgenomen in dit hoofdstuk heeft de ambtenaar van politie aanspraak op bezoldiging, tenzij anders bepaald door de minister. 2.Het buitengewoon verlof van korte duur kan voor zover dat is verleend voor meer dan 174 werkuren, indien dringende redenen van dienstbelang dat vorderen, door de korpschef of het diensthoofd worden ingekort tot maximaal 174 werkuren. 3.Indien de ambtenaar van politie schade lijdt door de inkorting wordt hem de schade uit 's Landskas vergoed. 4.De ambtenaar van politie die na afloop van een hem verleend buitengewoon verlof en zonder dat dit is verlengd zijn werkzaamheden niet hervat, wordt gelijk behandeld als een ambtenaar van politie die een aanvraag tot ontslag heeft ingediend. 5.Het vierde lid is niet van toepassing indien de ambtenaar van politie binnen een termijn van twee weken ten genoegen van de minister aannemelijk maakt, dat hij een geldige reden had om zijn werkzaamheden niet te hervatten. Dan wordt het verlof verlengd tot het tijdstip waarop de bedoelde reden ophoudt te bestaan. Artikel69 Buitengewoon verlof van lange duur kan voor ten minste 522 werkuren per kalenderjaar en voor ten hoogste 1 jaar verleend worden, indien de minister van oordeel is dat daartoe aanleiding bestaat. Buitengewoon verlof van langer dan een jaar kan jaarlijks verlengd worden na evaluatie door de minister. De ambtenaar van politie aan wie een dergelijk verlof wordt verleend, maakt geen aanspraken op rechten die ontleend zouden kunnen worden indien in actieve dienst. Artikel70 1.Aan de ambtenaar van politie kan op zijn verzoek, al dan niet onder bepaalde voorwaarden, buitengewoon verlof van lange duur verleend worden door de minister. 2.Het buitengewoon verlof gaat niet in dan nadat de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, het verlof met de daaraan verbonden voorwaarden heeft aanvaard. 3.Het buitengewoon verlof kan voor zover dat is verleend voor meer dan 522 werkuren, indien dringende redenen van dienstbelang dat vorderen, door de minister worden ingekort tot maximaal 522 werkuren. 4.De ambtenaar van politie, die als militair in werkelijke dienst is, is van rechtswege met buitengewoon verlof van lange duur zonder behoud van bezoldiging, tenzij de minister anders bepaalt. 5.Indien de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, schade lijdt door de inkorting wordt hem de gehele schade uit 's Landskas vergoed. Artikel71 1.Indien het verlof, bedoeld in artikel 70, uitsluitend strekt tot het persoonlijk belang van de ambtenaar van politie, kan dit slechts worden verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste zes maanden. 2.Indien het verlof, bedoeld in artikel 70, ten doel heeft de ambtenaar van politie in de gelegenheid te stellen een andere functie buiten de politiedienst te gaan vervullen en met de verlofverlening niet alleen het persoonlijk belang van betrokkene, maar ook het algemeen belang gediend wordt, kan dit worden verleend met behoud van bezoldiging in geval de ambtenaar gedurende die periode aantoonbaar geen andere vorm van inkomen heeft, en voor ten hoogste een jaar, met de mogelijkheid van verlenging na een evaluatie door de minister. Artikel72 1.Indien het verlof, bedoeld in artikel 70, ten doel heeft de ambtenaar van politie in de gelegenheid te stellen op te treden als onbezoldigd bestuurder of voorzitter van een wettelijk vastgestelde vereniging van ambtenaren dan wel van een erkende centrale organisatie of internationale ambtenarenorganisatie, waarbij die vereniging is aangesloten, wordt dit verleend onder behoud van bezoldiging gedurende een jaar, met een maximum van drie jaar. In geval van wanprestatie als bestuurder of voorzitter van de vereniging zal de minister het verleend verlof intrekken. 2.Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten, wordt voor de duur van de zittingsperiode buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar van politie die door een vereniging, bedoeld in het eerste lid, is aangewezen als lid van het dagelijks bestuur van zodanige vereniging, met dien verstande dat voor elke vereniging niet meer dan drie bestuursleden, inclusief de bestuurder of voorzitter, buitengewoon verlof verleend wordt. In geval van wanprestatie als lid van het dagelijks bestuur van de verenigingen zal de minister het verleend verlof intrekken. Artikel73 Indien het verlof, bedoeld in artikel 70, ten doel heeft de ambtenaar van politie in de gelegenheid te stellen, anders dan in vaste dienst, hetzij een functie bij een volkenrechtelijke organisatie te vervullen, hetzij als deskundige tijdelijk ten behoeve van Nederland, Aruba, Curaçao of een andere vreemde mogendheid werkzaam te zijn, en met de verlofverlening het algemeen belang in overwegende mate wordt gediend, kan dit voor ten hoogste drie jaar, al dan niet met behoud van bezoldiging, verleend worden. Artikel74 1.De ambtenaar van politie, die na afloop van een hem verleend buitengewoon verlof van lange duur, zijn werkzaamheden niet hervat, wordt geacht ontslag te hebben aangevraagd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar van politie binnen een termijn van een maand ten genoegen van de minister schriftelijk aannemelijk maakt, dat hij een geldige reden had om zijn werkzaamheden niet te hervatten. HOOFDSTUK8:Vrijstelling van dienst wegens ziekte Artikel75 De artikelen 40 en 41 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht, Hoofdstuk VI van de Regeling vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren en de daarop berustende regelingen zijn van toepassing op de ambtenaar van politie. Behoudens in de artikelen waar specifiek genoemd, zijn dienstongevallen uitgezonderd van dit hoofdstuk. Artikel76 1.De ambtenaar van politie, die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, geeft daarvan onverwijld kennis aan zijn directe leidinggevende of de aan de daartoe aangewezen instantie. 2.De korpschef of het diensthoofd kan van de ambtenaar van politie verlangen een geneeskundige verklaring over te leggen. Ter verkrijging van een vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan twee achtereenvolgende dagen is overleggen van een geneeskundige verklaring verplicht. Artikel77 De ambtenaar van politie, die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, wordt vrijstelling van dienst verleend, bedoeld in het eerste lid van artikel 58. De aanvankelijke duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte is ten hoogste zes maanden. Deze termijn kan telkens met ten hoogste zes maanden verlengd worden. De duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte, inbegrepen de verlenging daarvan, is ten hoogste vier jaren voor de ambtenaar van politie in vaste dienst en ten hoogste één jaar voor de ambtenaar van politie in tijdelijke dienst. Gedurende de vrijstelling van dienst wegens ziekte heeft de ambtenaar van politie aanspraak op een bezoldiging naar reden van: voor de ambtenaar van politie in vaste dienst: zijn volle bezoldiging gedurende de eerste vierentwintig maanden; negentig procent van zijn bezoldiging gedurende de daaropvolgende twaalf maanden; tachtig procent van zijn bezoldiging gedurende de resterende maanden; voor de ambtenaar van politie in tijdelijke dienst: zijn volle bezoldiging gedurende de periode van één jaar. Tijdens de vrijstelling van dienst wegens ziekte ondergaat de bezoldiging van de ambtenaar van politie dezelfde wijzigingen, welke deze zou ondergaan indien hij niet verhinderd zou zijn om zijn werkzaamheden te verrichten, mits de periode van zes maanden voor de ambtenaar in tijdelijke dienst en een onafgebroken periode van één jaar voor de ambtenaar in vaste dienst niet wordt overschreden. Een opnieuw ingetreden verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval wordt voor het bepalen van de in het eerste en derde lid genoemde termijn als een voortzetting van de vorige verhindering aangemerkt, tenzij die verhindering zich voordoet nadat dertig kalenderdagen zijn verstreken sedert de ambtenaar van politie zijn werkzaamheden volledig heeft hervat. Artikel78 1.De ambtenaar van politie heeft geen aanspraak op doorbetaling van bezoldiging: indien de ziekte of het ongeval is voorgewend, althans zodanig overdreven is voorgesteld dat verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval redelijkerwijs niet kan worden aangenomen; indien de ambtenaar van politie de verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval opzettelijk heeft veroorzaakt of verergerd, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand redelijkerwijs geen verwijt gemaakt kan worden; indien de ziekte of het ongeval is veroorzaakt door of het gevolg is van, een kwaal of lichaamsgebrek, waarover de ambtenaar van politie voor of bij zijn aanstelling opzettelijk heeft gezwegen of waaromtrent hij toen opzettelijk valse inlichtingen heeft verstrekt; indien hij tijdens de verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval voor zichzelf of voor derden arbeid verricht, tenzij dit door de geneeskundige, genoemd in artikel 79, de bezwaarcommissie, genoemd in artikel 80, de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel de andere geneeskundigen, genoemd in artikel 81, of de herkeuringscommissie, genoemd in artikel 83, wenselijk wordt geacht in het belang van het genezingsproces en er sprake is van onbetaalde arbeid. 2.De betaling van de bezoldiging wordt gestopt vanaf de dag waarop en zolang de ambtenaar van politie: weigert zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek vanwege de dienst of, na voor een dergelijk onderzoek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt; zonder voldoende grond nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door zijn behandelend geneeskundige gegeven, uitgezonderd voorschriften inhoudende het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard; zich zodanig gedraagt dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; in gebreke blijft op het door de geneeskundige genoemd in artikel 79, de bezwaarcommissie, genoemd in artikel 80, de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 81, of de herkeuringscommissie, genoemd in artikel 83, bepaalde tijdstip en in de door hen bepaalde mate zijn dienstverrichting te hervatten, tenzij hij daarvoor een inmiddels opgekomen door even genoemde geneeskundige(
- n)of commissie(
- s)als geldig erkende reden heeft opgegeven. 3.De betaling van de bezoldiging kan bovendien geheel of gedeeltelijk worden stopgezet, indien de ambtenaar van politie zich niet houdt aan eventuele door de minister vastgestelde controlevoorschriften. 4.In de, in het eerste lid genoemde gevallen kan de minister op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de ingehouden inkomsten geheel of gedeeltelijk worden uitbetaald aan de betrekkingen van de ambtenaar van politie, genoemd in artikel 55. Artikel79 1.De ambtenaar van politie kan door of namens de minister opgedragen worden zich aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen ter beoordeling van de vraag: of er sprake is van verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval; of zich een omstandigheid voordoet, bedoeld in artikel 77, eerste en tweede lid; of maatregelen in het belang van herstel nodig zijn; wanneer en in welke mate de werkzaamheden hervat kunnen worden. 2.De vanwege de dienst optredende geneeskundige deelt zijn oordeel terstond mee aan de ambtenaar van politie en stelt de minister zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis ter zake. Artikel80 1.De ambtenaar van politie, die zich niet kan verenigen met het medisch oordeel, bedoeld in artikel 79, kan daartegen binnen driemaal 24 uur nadat dit oordeel schriftelijk te zijner kennis is gebracht, bij de minister een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen. 2.Desgevraagd wordt hij in de gelegenheid gesteld een mondelinge toelichting te geven. Hij kan zich laten bijstaan door een raadsman. 3.Behalve indien de minister, na overleg met de geneeskundige, bedoeld in artikel 79, het bezwaar van de ambtenaar van politie reeds aanstonds gegrond acht, wordt binnen twee weken na ontvangst daarvan een nieuw geneeskundig onderzoek verricht door een door de minister ingestelde bezwaarcommissie, bestaande uit drie geneeskundigen. De geneeskundige, bedoeld in artikel 79, kan geen deel uitmaken van de bezwaarcommissie. 4.De bezwaarcommissie deelt haar oordeel zo spoedig mogelijk schriftelijk mee aan de ambtenaar van politie, de minister en de korpschef of het diensthoofd. 5.De kosten verbonden aan de uitvoering van dit artikel komen voor rekening van het Land. Artikel81 1.De korpschef of het diensthoofd, en, indien het de korpschef of het diensthoofd betreft, de minister kan een ambtenaar van politie vrijstelling van dienst verlenen wegens ziekte of verlenging daarvan op grond van een schriftelijke verklaring van een geneeskundige. 2.Indien een ambtenaar van politie als zodanig of in verband met het bekleden van een functie bedoeld in artikel 73, buiten Sint Maarten verblijft, kan de minister, in afwijking van het eerste lid, vrijstelling van dienst verlenen wegens ziekte of verlenging daarvan: indien de ambtenaar van politie zich in Europa bevindt, op grond van een schriftelijke verklaring van een door de Gevolmachtigde Minister van Sint Maarten in Nederland aangewezen geneeskundige; indien de ambtenaar van politie zich elders bevindt, op grond van een schriftelijke verklaring van een door de minister aangewezen geneeskundige. 3.Hervatting van dienst na vrijstelling van meer dan zes maanden wegens ziekte geschiedt pas na het overhandigen van een schriftelijke geneeskundige verklaring. In de schriftelijke verklaring wordt aangegeven: wanneer en in welke mate de werkzaamheden hervat kunnen worden; of zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 77, eerste en tweede lid; of maatregelen in het belang van herstel nodig zijn, waaronder begrepen aanpassing van de huidige functie en plaatsing in een passende functie, bedoeld in het tweede lid van artikel 84. Indien verblijf buiten Sint Maarten noodzakelijk is, wordt daarvan mededeling gedaan, onder opgave van de plaats van verblijf en de wijze waarop de reis daarheen moet plaats vinden. 4.De kosten verbonden aan de uitvoering van dit artikel komen voor rekening van het Land. Artikel82 1.De ambtenaar van politie, aan wie vrijstelling van dienst wegens ziekte is verleend voor de duur van meer dan zes maanden, mag zijn werkzaamheden niet geheel of gedeeltelijk hervatten dan nadat uit een schriftelijke verklaring van de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 79, blijkt dat betrokkene medisch onderzocht is en in staat is bevonden tot geheel of gedeeltelijke hervatting van zijn werkzaamheden. 2.De ambtenaar van politie, die aan het einde van de in artikel 77 genoemde maximumduur voor vrijstelling van dienst wegens ziekte volgens een schriftelijke verklaring van de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid of de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 81, niet in staat bevonden is tot volledige hervatting van zijn dienstverrichting, kan behoudens in het derde lid genoemde geval, ontslag verleend worden. 3.Indien de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel de andere geneeskundige(n), benoemd in artikel 81, van oordeel is dat hervatten van de werkzaamheden door de ambtenaar van politie niet mogelijk is wegens een opgekomen ziekte of ongeval van voorbijgaande aard, wordt voor de duur van die ziekte of dat ongeval alsnog vrijstelling van dienst wegens ziekte met behoud van zijn volle bezoldiging verleend. 4.De kosten verbonden aan de uitvoering van dit artikel komen voor rekening van het Land. Artikel83 1.Van een medisch oordeel krachtens de artikelen 81 en 82 staat, binnen zes weken nadat de ambtenaar van politie daarvan schriftelijk in kennis gesteld is, beroep open bij een door de minister ingestelde 1 bestaande uit drie geneeskundigen. Een van de geneeskundigen, wordt aangewezen door de betrokken ambtenaar van politie. 2.Het beroep moet schriftelijk en met redenen omkleedt worden ingediend. Het beroepschrift vermeldt tevens de naam en het adres van de geneeskundige, die door de ambtenaar van politie in de herkeuringscommissie wordt aangewezen. 3.De leden van de herkeuringscommissie mogen niet betrokken zijn geweest bij het medisch oordeel, waartegen beroep is ingesteld. 4.De herkeuringscommissie deelt haar oordeel zo spoedig mogelijk schriftelijk mee aan de ambtenaar van politie, de Minister en de korpschef of het diensthoofd. 5.De kosten verbonden aan de uitvoering van dit artikel komen voor rekening van het Land. Artikel84 1.De ambtenaar van politie kan eervol ontslag worden verleend op grond van blijvende ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn ambt wegens ziekte of gebreken, indien: de maximum duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte, genoemd in artikel 77, tweede lid, is verstreken; ter zake van de ongeschiktheid wegens ziekte of ongeval een geneeskundig onderzoek is ingesteld als bedoeld in artikel 82 waaronder begrepen een eventuele heroverweging door de herkeuringscommissie, bedoeld in artikel 83; en, het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar van politie, mede rekening houdend met zijn persoonlijkheid en omstandigheden, zijn huidige functie in aangepaste vorm of een andere passende functie binnen de organisatie aan te bieden, dan wel indien hij heeft geweigerd een dergelijke functie te aanvaarden. 2.Onder andere passende functie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt verstaan: gedurende het eerste jaar, dat de ambtenaar van politie ongeschikt is tot het uitoefenen van zijn functie wegens ziekte of ongeval: iedere functie die aansluit bij zijn opleiding en ervaring dan wel bij zijn opleidings- en ervaringsniveau; na het eerste jaar: iedere functie waartoe de ambtenaar van politie, gezien zijn capaciteiten, in staat is te verrichten. Paragraaf8.1:Zwangerschap en bevalling Artikel85 1.De ambtenaar van politie heeft in verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof. 2.De ambtenaar van politie heeft recht op zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling zoals blijkt uit een schriftelijke verklaring van een genees- of verloskundige, waarin de vermoedelijke datum bevalling wordt aangegeven, binnen zes weken te verwachten is. 3.De ambtenaar van politie heeft recht op bevallingsverlof van acht weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. In geval de bevalling in minder dan zes weken geschiedt, kan het niet-genoten zwangerschapsverlof samen met en aaneengesloten aan het bevallingsverlof verleend worden door de minister. Artikel86 Aan de vrouwelijke ambtenaar van politie, die een borstkind heeft, wordt op haar verzoek de gelegenheid gegeven om, gedurende ten hoogste het eerste jaar van het desbetreffend kind, gedurende de werktijd twee uren in de gelegenheid gesteld om het kind te voeden. Dit artikel is alleen van toepassing indien de vrouwelijke ambtenaar van politie feitelijk borstvoeding geeft aan haar natuurlijk kind. HOOFDSTUK9:Rechten en plichten ambtenaar van politie Artikel87 Hoofdstuk 7, met uitzondering van de artikelen 71, 72 en 80 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie belast met de uitvoering van de politietaak, behalve in gevallen waar sprake is van uitwisseling, ondersteuning en beschikbaar stellen tussen de politiekorpsen van Sint Maarten, Curaçao, Aruba en Caribisch Nederland of de Landsrecherche. Artikel88 1.De ambtenaar van politie is gehouden zijn ambtsverplichtingen nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar van politie betaamt. 2.Het is de ambtenaar van politie in ieder geval verboden: zich tijdens de voor hem geldende werktijd zonder geldige reden te verwijderen van de plaats waar hij zijn werkzaamheden behoort te verrichten; tijdens de voor hem geldende werktijd te roken en alcoholhoudende dranken te gebruiken of bij zich te hebben; in dienstlokalen, -voertuigen of -vaartuigen alcoholhoudende dranken, drugs en andere verdovende of bedwelmende middelen te bewaren of voorhanden te hebben. 3.De ambtenaar van politie die opsporingsbevoegdheid bezit, kan zich niet beroepen op de omstandigheid dat hij niet in dienst is in die gevallen waarin zijn optreden redelijkerwijs vereist is. 4.De ambtenaar van politie dient de door of namens de minister vastgestelde voorschriften stipt en nauwgezet na te leven. 5.Bij niet-naleving van wettelijke en andere voorschriften, die redelijkerwijs niet geacht kunnen worden aan de ambtenaar van politie bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht. Artikel89 1.De korpschef of het diensthoofd kan namens de minister in het belang van de integriteit van de politie en diensten op Sint Maarten periodieke, geplande dan wel ongeplande hetzij gedurende diensttijd of buiten diensttijd, urine onderzoeken op aanwezigheid van de bij de Opiumlandsverordening en de daarop berustende wet- en regelgeving verboden middelen vereisen van de aspirant en de ambtenaar van politie. 2.De ambtenaar van politie is verplicht onverwijld en zoals opgedragen urine af te staan ten behoeve van het onderzoek. 3.De betrokken ambtenaar van politie heeft recht om de uitslag te vernemen en om voor eigen rekening een hernieuwd onderzoek van de afgestane urine te laten plaatsvinden. 4.Disciplinaire maatregelen, waarin begrepen mogelijk ontslag, kunnen genomen worden tegen een aspirant of een ambtenaar van politie als gevolg van het weigeren van de opdracht urine af te staan voor het onderzoek. Artikel90 De minister stelt, in het belang van de kwaliteit en de taakuitvoering van de politie en diensten op Sint Maarten, regels omtrent de periodieke uitvoering van onderzoek naar de fysieke conditie van de ambtenaar van politie belast met de uitvoering van de politietaak. Deze regels betreffen in elk geval de verplichting van de ambtenaar zich te onderwerpen aan het onderzoek, de normen van lichamelijke geschiktheid voor de leeftijdscategorie waartoe de ambtenaar behoort, de wijze van uitvoeren van het onderzoek, het recht van de ambtenaar van politie om de uitslag te vernemen en de maatregelen die getroffen kunnen worden als gevolg van het weigeren zich te onderwerpen aan het onderzoek dan wel als gevolg van het resultaat van het onderzoek. Artikel91 1.Iedere ambtenaar van politie is verplicht tot geheimhouding van wat hem in zijn ambt ter kennis gekomen is. 2.De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet ten aanzien van hen aan wie de ambtenaar van politie middellijk of onmiddellijk ondergeschikt is. 3.Indien een ambtenaar van politie zijn geheimhoudingsplicht niet naleeft, zal overgegaan worden naar het nemen van disciplinaire maatregelen, waarin begrepen de mogelijkheid tot ontslag. Artikel92 1.Het verstrekken van uniform- en dienstkleding en onderscheidingstekens aan de ambtenaar van politie, die door de minister is aangewezen, evenals de controle op het onderhoud daarvan geschieden door of namens de minister en voor rekening van het Land. 2.De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is verplicht de uniform- en dienstkleding evenals de onderscheidingstekens te dragen voor zover dat van dienstwege is voorgeschreven. 3.Het buiten dienst gekleed gaan in uniform is niet geoorloofd. 4.Het is de ambtenaar van politie verboden in dienstuniform kledingstukken te dragen, tenzij die van dienstwege zijn verstrekt of voorgeschreven. 5.Het is de ambtenaar van politie verboden bij het gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij die van dienstwege zijn verstrekt of voorgeschreven. 6.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de kleding van de politie, de verstrekking en het onderhoud daarvan. Artikel93 1.De ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de aspirant, is verplicht indien hem door de minister een dienstwoning is aangewezen, deze direct te betrekken en zich ter zake van de bewoning te gedragen conform de voorschriften die daaromtrent zijn gesteld. Hij draagt de onderhoudskosten die volgens wettelijk voorschrift of gebruik normaliter voor rekening van de huurder zijn. 2.De minister kan nadere regels stellen met betrekking tot groepen van medewerkers die gelet op de aard van hun functie dan wel door hun ambt of hoedanigheid aangewezen zijn op een passende woonomgeving dan wel adequate woning. 3.Indien nodig geacht, kunnen de kosten van onderhoud of reparatie aan een aangewezen dienstwoning als gevolg van verwaarlozing/nalatigheid van de ambtenaar ingehouden worden van zijn salaris. 4.De minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het beschikbaar stellen van dienstwoningen. Artikel94 1.Indien het belang van de dienst dan wel het belang van de samenwerking tussen de politie van Sint Maarten, Curaçao, Aruba en Caribisch Nederland dat naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk geacht wordt, is de ambtenaar van politie, behoudens het in het tweede lid genoemde geval, verplicht om binnen de politieorganisaties, bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening politie, zijn functie te vervullen op een andere plaats van tewerkstelling of binnen een ander werkgebied, dan wel een andere functie dan waarin hij aangesteld is, hetzij op zijn plaats van tewerkstelling of binnen een ander werkgebied. Behoudens in spoedeisende gevallen geschiedt zulks niet dan na overleg met de betrokkene. 2.Aan de ambtenaar van politie, die in deelbetrekking werkzaam is, kan niet zonder zijn instemming een plaats van tewerkstelling buiten het werkgebied worden opgedragen. 3.Indien de ambtenaar van politie in een andere functie, bedoeld in het eerste lid, wordt geplaatst, wordt een functie opgedragen die hem in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten redelijkerwijs kan worden opgedragen. Artikel95 1.De minister kan een ambtenaar van politie, anders dan de aspirant, zo mogelijk met zijn instemming, in het belang van de dienst voor de duur van ten hoogste één jaar beschikbaar stellen aan een andere dienst van het Ministerie van Justitie. 2.De periode, bedoeld in het eerste lid, kan worden verlengd met maximaal één jaar. Artikel96 De ambtenaar van politie, anders dan de aspirant, kan door de minister een andere functie dan die waarin hij aangesteld is, worden opgedragen, dan wel - op zijn verzoek - een andere plaats van tewerkstelling worden aangewezen. Artikel97 De ambtenaar van politie kan niet worden verplicht om, indien bij een particulier een staking is uitgebroken of een uitsluiting heeft plaatsgevonden, ter vervanging van de stakers of de uitgesloten werkzaamheden te verrichten of de werknemers behulpzaam te zijn bij het verrichten van hun werkzaamheden, tenzij en voor zover zulks, naar het oordeel van de minister, met het oog op de openbare orde, veiligheid of gezondheid dan wel voor de regelmatige functionering van de overheid, bepaaldelijk noodzakelijk is. Artikel98 Het is de ambtenaar van politie, indien daardoor de behoorlijke vervulling van zijn plichten als ambtenaar van politie in gevaar kan worden gebracht of het aanzien van zijn ambt kan worden geschaad, verboden om: naast zijn ambt, een ander ambt, beroep of bedrijf uit te oefenen; een nevenbetrekking te aanvaarden dan wel ten behoeve van derden, tegen betaling, werkzaamheden te verrichten, zonder schriftelijke toestemming van de minister. De minister verleent toestemming nadat de door de minister verlangde bewijsstukken zijn overlegd. Indien de nevenbetrekking leidt tot conflicten met de dagelijkse werkzaamheden van de betrokken ambtenaar van politie, dan wordt het beschouwd en behandeld als plichtsverzuim; commissaris, bestuurder of vennoot te zijn van een rechtspersoon dan wel middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan werken, dienstverrichtingen of leveringen die direct of indirect geheel of gedeeltelijk ten laste komen van de overheid; ten behoeve van derden werkzaamheden te verrichten die, naar het oordeel van de minister, de grenzen van een redelijke hulpvaardigheid overschrijden. Artikel99 1.Het is de ambtenaar van politie verboden geld, geschenken, diensten of kortingen van welke aard, in welke vorm, middellijk of onmiddellijk, of van wie dan ook, met uitzondering van door Sint Maarten uitgeloofde premies, aan te nemen of ten behoeve van wie dan ook te bedingen in verband met de uitoefening van zijn ambt. 2.De ambtenaar van politie is verplicht onverwijld aan de minister mededeling te doen, indien een derde getracht heeft hem door een gift, kwijtschelding, belofte of verbintenis te bewegen in de uitoefening van zijn ambt iets te doen of na te laten. Artikel100 1.De ambtenaar van politie, die een besturende of toezichthoudende functie vervult in een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, en die voor de in die functie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan uit ‘s Landskas, een vergoeding ontvangt, is verplicht die vergoeding in 's Landskas te storten, indien de benoeming in die functie: plaats heeft gehad door de minister; voortgevloeid is uit een wettelijk voorschrift of een overeenkomst, die met instemming van de minister tot stand is gekomen. 2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar van politie die een nevenfunctie vervult, die verband houdt met de uitoefening van zijn ambt en aan hem is opgedragen door de minister, en die voor de in die nevenfunctie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan uit 's Landskas een vergoeding wordt toegekend door de minister. Artikel101 Het is de ambtenaar van politie verboden overheidsgoederen te gebruiken ten bate van particuliere belangen. Artikel102 1.De ambtenaar van politie mag een vervoermiddel dat hem door de overheid ten behoeve van de dienstverrichting ter beschikking is gesteld, alleen gebruiken voor het door de dienstverrichting vereiste vervoer. Onder zodanig vervoer wordt niet begrepen het vervoer van de ambtenaar van politie van en naar de plaats van zijn woning en van en naar de plaats van zijn tewerkstelling. 2.De minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel103 1.Aan de ambtenaar van politie kunnen studiefaciliteiten in tijd of geld worden verleend. 2.De minister kent studiefaciliteiten toe voor functiegerichte opleidingen, tenzij zwaarwegende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten. 3.De minister kan studiefaciliteiten toekennen voor opleidingen die niet functiegericht zijn en voor opleidingen die gericht zijn op een functie buiten de politiedienst. 4.De minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen. Artikel104 1.De ambtenaar van politie, die in deelbetrekking werkzaam is en die op aanwijzing of met goedkeuring van de minister een opleiding volgt, is verplicht aan die opleiding deel te nemen als ware hij in volle betrekking aangesteld. 2.De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet ten aanzien van opleidingen waarvoor een programma is vastgesteld dat uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van deelname door ambtenaren van politie, die in deelbetrekking werkzaam zijn. Artikel105 1.Aan de ambtenaar van politie kan door de minister een studieopdracht naar het buitenland worden verstrekt. De ambtenaar van politie, die in volledige betrekking werkzaam is, is verplicht een studieopdracht tot maximaal zes maanden te aanvaarden, tenzij zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar zich daartegen verzetten. De ambtenaar van politie kan geen studieopdracht die de duur van zes maanden overschrijdt, worden gegeven zonder zijn instemming. 2.Gedurende de studieopdracht wordt de ambtenaar van politie op non actief gesteld door de minister. Hem wordt voor de duur van de opleiding een maandelijkse vergoeding toegekend gelijk aan de bezoldiging die hij genoot onmiddellijk voorafgaand aan de non actiefstelling. Voorts worden zodanige voorzieningen getroffen, opdat hij van de studieopdracht geen nadelen ondervindt in zijn rechtspositie. 3.De ambtenaar van politie, die in deelbetrekking werkzaam is, maar die met de verlening van de studieopdracht heeft ingestemd, wordt voor de duur daarvan in volledige werktijd aangesteld. Bij de toekenning van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, wordt een volledige betrekking als uitgangspunt genomen. 4.In de beschikking, waarbij de studieopdracht wordt verleend, wordt tevens bepaald of de tijd gedurende welke de studieopdracht wordt vervuld: volledig in aanmerking komt als diensttijd, zowel voor de beoordeling van de pensioenaanspraken als voor het regelen van het pensioen; aangemerkt wordt als tijd gedurende welke geen werkzaamheden worden verricht in de zin van artikel 49, eerste en derde lid; geldig is als diensttijd voor de bevordering naar een hogere bezoldigingsschaal of voor de toekenning van een hogere bezoldigingstrede. Artikel106 1.De ambtenaar van politie die geheel of gedeeltelijk voor 's Landsrekening een opleiding heeft gevolgd, en die tijdens die opleiding dan wel binnen drie jaar na het beëindigen daarvan de politiedienst verlaat, kan worden verplicht de kosten daarvan geheel of gedeeltelijk terug te betalen. 2.Indien de minister de verplichting, bedoeld in het eerste lid, oplegt, geschiedt dat bij of binnen drie maanden na de datum van ontslag. 3.De ambtenaar van politie die een opleiding waarvoor studiefaciliteiten als bedoeld in artikel 101, verleend zijn, voortijdig afbreekt, kan worden verplicht de door het Land gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk terug te betalen. 4.Indien de minister de verplichting, bedoeld in het derde lid, oplegt, geschiedt dat binnen drie maanden nadat hij kennis heeft gekregen van de voortijdige beëindiging van de opleiding. Artikel107 1.De minister kan de ambtenaar van politie verplichten de door het Land geleden schade, voor zover deze te wijten is aan zijn opzet, (grove) schuld of nalatigheid, geheel of gedeeltelijk te vergoeden. 2.Ten aanzien van gevallen, waarin de schade minder bedraagt dan NAf. 500,- kan de korpschef of het diensthoofd de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uitoefenen. 3.Het bedrag van de schadevergoeding wordt niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar van politie in de gelegenheid gesteld is zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden. 4.Het verhaal van de schade op de ambtenaar van politie, zijn erfgenamen of rechtverkrijgenden, geschiedt conform het Burgerlijk Wetboek. Artikel108 1.De rekenplichtige ambtenaar van politie wordt van de verplichting tot aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet heeft uitgevoerd en de nodige voorzorgsmaatregelen heeft getroffen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren. 2.Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit aansprakelijkheid voor ondergeschikten, dan wordt bovendien in aanmerking genomen in hoeverre de rekenplichtige ambtenaar van politie op het doen en laten van die ondergeschikten toezicht heeft gehouden. 3.De rekenplichtige ambtenaar van politie is van zijn verantwoordelijkheid ter zake ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte, ongeval of andere rechtsgeldige afwezigheid het beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien zijn betrekking gedurende die tijd is waargenomen. 4.Dit artikel is alleen van toepassing voor zover de Comptabiliteitslandsverordening en de Landsverordening Algemene Rekenkamer niet anders bepalen. Artikel109 1.Aan de ambtenaar van politie wordt door de minister geheel of gedeeltelijk vergoed de schade aan zijn goederen, die hij buiten zijn schuld lijdt ten gevolge van de uitoefening van het ambt, voor zover die schade niet bestaat uit normale slijtage van die goederen. 2.De ambtenaar van politie heeft geen aanspraak op de in het eerste lid bedoelde vergoeding, indien hij ter zake van die schade tegenover derden rechten kan doen gelden. 3.Indien de ambtenaar van politie zijn rechten tegenover derden aan het Land cedeert, wordt hij in het genot gesteld van het in geld uitgedrukte bedrag van de schade. 4.Indien het Land ter zake van de rechten, verkregen middels een cessie, bedoeld in het derde lid, een civiele vordering instelt, worden de kosten die daaruit voor het Land voortvloeien, niet op de ambtenaar van politie verhaald. 5.Door de minister kan worden bepaald, in welke elders niet voorziene gevallen schadeloosstelling of vergoeding van kosten zal worden verleend aan de ambtenaar van politie. 6.De minister kan ter uitvoering van het eerste tot en met het derde lid nadere regels stellen. Artikel110 1.De ambtenaar van politie kan door of namens de minister de toegang tot dienstlokalen, -gebouwen en -terreinen of werklocatie, dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd. 2.De ambtenaar van politie is verplicht zich te gedragen conform de maatregelen van orde die door de minister ten aanzien van het verblijf op de in het eerste lid bedoelde plaatsen zijn vastgesteld. Artikel111 1.De ambtenaar van politie die in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft, ten aanzien waarvan de Landsverordening, houdende bepalingen ter bestrijding van besmettelijke ziekten van toepassing is, mag geen dienst verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen, -terreinen en werklocatie, dan met toestemming door de korpschef of het diensthoofd. Deze toestemming kan slechts verleend worden na een positief advies van de geneeskundige, bedoeld in artikel 79. 2.De ambtenaar van politie, die verkeert in de situatie, bedoeld in het eerste lid, is verplicht daarvan onverwijld kennis te geven aan de minister en de korpschef of het diensthoofd. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door de minister of korpschef of diensthoofd gegeven aanwijzingen, waaronder die betreffende het ondergaan van een geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 79. 3.Gedurende de tijd dat de ambtenaar van politie ingevolge dit artikel geen werkzaamheden verricht, geniet hij van zijn volledige bezoldiging. 4.In geval van een noodsituatie met betrekking tot een besmettelijke ziekte kan de korpschef of het diensthoofd, in afwachting van nader besluit zijdens de minister, de ambtenaar van politie de toegang tot de dienstlokalen tijdelijk ontzeggen of andere taken opdragen. De eindbeslissing ligt echter bij de minister. De korpschef of diensthoofd dient een dergelijke beslissing met redenen omkleed onverwijld (binnen 24 uur) mede te delen aan de minister. Artikel112 1.De ambtenaar van politie kan door de minister wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichting worden beloond met: een tevredenheidsbetuiging; een eenvoudige geldelijke beloning tot maximaal 10% van de aanvangsbezoldiging behorende bij bezoldigingsschaal 1; een gratificatie van ten hoogste acht en een derde procent (8 1/3 %) van de bezoldiging van de betrokken ambtenaar, berekend over een kalenderjaar; een verhoging van de bezoldiging tot de naaste hogere bezoldigingstrede; een indeling in de naast hogere bezoldigingsschaal. 2.De eenvoudige geldelijke beloning kan ten hoogste tweemaal per kalenderjaar aan dezelfde ambtenaar worden toegekend. Artikel113 1.De minister verstrekt de naar behoren functionerende ambtenaar van politie bij zijn 25-, 30-, 35-, 40-, 45-, en 50-jarig ambtsjubileum een huldeblijk bestaande uit een gratificatie. 2.De aan de huldeblijk verbonden geldelijke vergoeding bedraagt bij de in het eerste lid bedoelde ambtsjubilea respectievelijk maximaal 50, 100, 100, 125, 150 en 150 % van de som van de bezoldiging per maand en de vakantie-uitkering van de ambtenaar van politie. HOOFDSTUK10:Invaliditeit of dood na dienstongeval en beroepsziekte Artikel114 1.In geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, wordt aan de desbetreffende ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak, smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag van NAf. 200,000. 2.In geval de ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak, is komen te overlijden ten gevolge van een dienstongeval, wordt