← Nederland

Huisvestingsverordening Diemen 2022 (Diemen)

In het kort

Deze verordening regelt de verdeling van woonruimte in de gemeente Diemen om problemen door schaarste aan woonruimte tegen te gaan. Het stelt regels vast voor wie in aanmerking komt voor bepaalde huurwoningen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Huisvestingsverordening Diemen 2022De raad van de gemeente Diemen; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 juni 2022 nr. 2022-015840 in aanmerking genomen dat, gelet op de onderbouwing van schaarste- en leefbaarheidsproblematiek ten behoeve van de huisvestingsverordening gemeente Diemen 2022, er sprake is van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte, voor de bestrijding waarvan de door het college voorgestelde regels noodzakelijk en geschikt zijn, besluit vast te stellen de volgende verordening: HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Definities In deze verordening wordt verstaan onder: Aanbodinstrument: een aanbodinstrument als bedoeld in artikel 2.4.4, eerste lid, waarop door corporaties woonruimte, aangewezen in artikel 2.1.1 te huur wordt aangeboden; Basisregistratie: de basisregistratie bedoeld in artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen; Bed & Breakfast: een vorm van toeristische verhuur in de zin van de Huisvestingswet bestaande uit het gedeeltelijk gebruik van een zelfstandige woonruimte voor kort verblijf bij de hoofdbewoner van de betreffende woonruimte, al dan niet met ontbijt. Hieronder wordt ook logies begrepen; Beschermde woonruimte: in artikel 3.8.1, tweede en derde lid, aangewezen goedkope of middeldure woonruimte; Bewoner: een persoon die zijn hoofdverblijf heeft in de desbetreffende woonruimte; Bindingscriterium: bindingscriterium op grond van artikel 2.7.2 gesteld aan woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor voorrang bij de verlening van een huisvestingsvergunning; Burgemeester en wethouders: het College van burgemeester en wethouders; Complex: een aaneengesloten groep woonruimten die door burgemeester en wethouders is aangewezen; COA-voorziening: Centraal Orgaan opvang Asielzoekers-voorziening als bedoeld in artikel 3 van de Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers; Corporatie: toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid van de Woningwet die werkzaam zijn in één of meer gemeenten van de woningmarktregio; DAEB-norm: Diensten van Algemeen Economisch belang-norm; de inkomensgrens bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Woningwet; Datum van inschrijving: datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering van de woonruimte aan de nieuwe eigenaar; Directe bemiddeling: het rechtstreeks aan een woningzoekende aanbieden van woonruimte, zonder dat die woonruimte via het aanbodinstrument te huur is aangeboden; Doorstromer: een huishouden dat een voor verhuur bestemde zelfstandige huurwoning achterlaat; Eigenaar: eigenaar in de zin van artikel 1 van boek 5 van het Burgerlijk wetboek. Hieronder valt mede de gerechtigde tot een appartementsrecht als bedoeld in artikel 106 van boek 5 van het Burgerlijk wetboek, alsook degene aan wie door een coöperatieve flatexploitatievereniging het exclusieve gebruiksrecht van een woning is verleend; Gebouw: ieder bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; Gebruiksoppervlak: het gebruiksoppervlak als bedoeld in NEN 2580; Hoofdbewoner: een natuurlijk persoon die blijkens een inschrijving in basisregistratie en/of een huurovereenkomst als bewoner van een woning aangemerkt wordt en daarmee onder andere verantwoordelijk is voor het betalen van bepaalde lasten en/of de verschuldigde huurprijs; Hoofdverblijf: het adres waar iemand in enige periode overheersend verblijft en waar het middelpunt van diens levensbelangen ligt; Hospitaverhuur: de situatie van bewoning waarbij een huurder of eigenaar een deel van de woning waar hij zelf zijn hoofdverblijf heeft, aan één andere persoon (onder)verhuurt. De inwonende persoon woont in dit geval onzelfstandig; Huishouden: een alleenstaande dan wel twee personen met of zonder kinderen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren; Huisvestingsvergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet ; Huurprijs: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte, uitgedrukt in een bedrag per maand; Indicatie: een beoordeling van de medische beperkingen van een woningzoekende, afgegeven door burgemeester en wethouders of een door hen aan te wijzen adviseur, overeenkomstig aan een door hen vast te stellen wijze, ter voorbereiding van een door hen te nemen beslissing op een aanvraag om een huisvestingsvergunning; Inkomen: rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i van de Wet op de huurtoeslag; Inschrijfduur: de inschrijfduur bedoeld in artikel 2.4.5, eerste lid; Inschrijving: het ingeschreven staan als woningzoekende; Instelling voor maatschappelijke opvang: een instelling voor het verlenen van maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Jongere: een persoon met een leeftijd van tenminste 18 en ten hoogste 27 jaar; Kamergewijze verhuur: de verhuur van meerdere onzelfstandige woonruimten in een gebouw of woning, waardoor een situatie ontstaat van bewoning door twee of meer volwassenen die geen duurzaam gemeenschappelijk huishouden vormen, die ieder een huurovereenkomst voor onzelfstandige woonruimte hebben en waarbij geen sprake is van inwoning/hospitaverhuur of woningdelen; Liberalisatiegrens: het huurbedrag genoemd in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet op de huurtoeslag; Mantelzorg: mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Middeldure huurwoning: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Verordening doelgroepen woningbouw Diemen 2019 of vervangende regelgeving in bijvoorbeeld bestemmingsplan of omgevingsplan; Omzettingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid onder c van de wet; Onttrekkingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid onder a van de wet; Ontvangende regiogemeente: de regiogemeente waarnaar een houder van een urgentieverklaring wil verhuizen, als bedoeld in artikel 2.9.4, derde lid; Onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet-zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft of welke niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt: keuken en sanitaire voorzieningen. Passende woonruimte: woonruimte die voldoet aan het in artikel 2.9.3, eerste lid, bedoelde zoekprofiel; Passendheidscriterium: passendheidscriterium op grond van artikel 2.7.1, tweede lid gesteld aan woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor voorrang bij de verlening van een huisvestingsvergunning; Regiogemeenten: de gemeenten die deel uitmaken van de woningmarktregio; Rekenhuur: de prijs die bij huur en verhuur per maand is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte zoals omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag; Rolstoelwoning: een woning bestemd en geschikt voor zelfstandig rolstoelgebruik; Samenvoegingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid onder b van de wet; Short stay: het structureel voor tijdelijke bewoning aanbieden van woonruimte aan één huishouden voor een aaneensluitende periode van tenminste één maand en maximaal twaalf maanden; Splitsingsvergunning: de vergunning als bedoel in artikel 22 van de wet; Spoedzoeker: een woningzoekende die door omstandigheden dringend op zoek naar woonruimte is, maar niet in aanmerking komt voor urgentie op grond van artikel 2.9.6 tot en met 2.9.8; Standplaats: kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van de gemeente kunnen worden aangesloten; Student: een volwassene die is ingeschreven aan een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een student die is-- ingeschreven aan een universiteit of hogeschool als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waarbij de instelling, de universiteit of de hogeschool binnen het gebied van de woningmarktregio gevestigd dient te zijn; Studentenwoning: woonruimte krachtens de daarop betrekking hebbende huurovereenkomst bestemd voor studenten indien: in de huurovereenkomst is bepaald dat de woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst na maximaal 5 jaar opnieuw aan een student zal worden verhuurd; en, die woonruimte door het college van burgemeester en wethouders na overleg met de eigenaar is erkend als studentenwoning; SV-urgentieverklaring: een urgentieverklaring op grond van een situatie van stadsvernieuwing, waarbij een woningzoekende is ingedeeld in de in artikel 2.9.8, tweede lid bedoelde urgentiecategorie; Tweede woning: de zelfstandige woonruimte die feitelijk en uitsluitend door de eigenaar of huurder of personen behorend tot diens huishouden als verblijf wordt gebruikt, naast een hoofdverblijf elders; Urgentieverklaring: de beschikking, verleend door burgemeester en wethouders van een tot de woningmarktregio behorende gemeente, waarmee een woningzoekende in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet wordt ingedeeld; Vakantieverhuur: Verhuur van woonruimte aan toeristen op het moment dat de aanbieder er niet verblijft, een vorm van toeristische verhuur in de zin van de Huisvestingswet; Vergunninghouders: de vergunninghouders als bedoeld in artikel 28 van de wet; Voorliggende voorziening: een voorziening die gelet op haar aard en doel, wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te zijn; Verhuurvergunning opkoopbescherming: vergunning als bedoeld in artikel 41, eerste lid, de wet; Wet: de Huisvestingswet 2014; Woning: een zelfstandige woonruimte; Woningdelen: het in gezamenlijkheid gebruiken van een woning door twee of meer volwassenen die geen duurzaam gemeenschappelijk huishouden vormen en waarbij geen sprake is van kamergewijze verhuur en/of inwonen/hospitaverhuur en waar gebruik gemaakt wordt van één huurcontract voor de hele woning; Woningmarktregio: het gebied waarbinnen de gemeente Diemen een evenwichtige regionale verdeling van woonruimten afstemt als bedoeld in artikel 1 van de Huisvestingswet, in 2022 bestaande uit de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland en Zaanstad; Woningruil: een ruil waarbij twee of meer huishoudens zich daadwerkelijk vestigen in elkaars woning; Woningtype: de ingevolge het bepaalde in artikel 2.9.3, tweede lid, in het zoekprofiel van een urgentieverklaring op te nemen categorie woonruimte; Woonfraude: elke vorm van onrechtmatige bewoning, onrechtmatige doorverhuur, onrechtmatig gebruik en/of overbewoning. Woonoppervlak: het gezamenlijk oppervlak van de vertrekken zoals dat wordt berekend volgens het Besluit huurprijzen woonruimte. Woonpunten: het totaal van punten dat door een woningzoekende wordt opgebouwd, bestaande uit maximaal drie soorten punten: wachtpunten, zoekpunten en situatiepunten. Woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden; WOZ-waarde: waarde van de woonruimte, vastgesteld overeenkomstig de Wet waardering onroerende zaken en geldend op de datum van inschrijving. Zelfredzaamheid: het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende zelfstandig redzaam zijn om zelfstandig te kunnen wonen; Zelfstandige woonruimte: woonruimte die een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte; Zoekgebied: het zoekgebied als bedoeld in artikel 2.9.3, derde lid en artikel 2.9.4; Zoekprofiel: het zoekprofiel als bedoeld in artikel 2.9.3, eerste lid. HOOFDSTUK2VERDELING VAN WOONRUIMTE Paragraaf1Werkingsgebied Artikel2.1.1Gebiedsbepaling en reikwijdte 1.Het bepaalde in deze afdeling is van toepassing in de gemeente Diemen. 2.In het gebied, zoals bedoeld in het eerste lid, worden als woonruimten als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de wet aangewezen: alle zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur tot de liberalisatiegrens. 3.In het gebied bedoeld in het eerste lid worden middeldure huurwoningen aangewezen voor zover in een private overeenkomst, of op grond van de erfpachtvoorwaarden, of in een omgevingsplan/bestemmingsplan of op grond van de Verordening doelgroepen woningbouw Diemen 2019 is opgenomen dat de woningen gerealiseerd moeten worden als middeldure huurwoning(en). 4.Bij de toepassing van het tweede en derde lid gaat het om de huur die is overeengekomen met de hoofdhuurder. 5.In afwijking van het tweede lid is het bepaalde in dit hoofdstuk niet van toepassing op: onzelfstandige woonruimte en woonruimte gebruikt voor inwoning; woonschepen; woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a tot en met c, van de Leegstandwet; studentenwoningen en short stay; en bij besluit van burgemeester en wethouders aan te wijzen complexen. Artikel2.1.2Vergunningplicht 1.Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens artikel 2.1.1 voor bewoning in gebruik te nemen zonder huisvestingsvergunning. 2.Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens artikel 2.1.1 voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon die niet beschikt over een huisvestingsvergunning. Paragraaf2Toelating tot het aangewezen deel van de woningmarkt Artikel2.2.1Toelatingscriteria Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning dient de woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden: tenminste één van de leden van het huishouden van de woningzoekende is niet minderjarig als bedoeld in artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek; de leden van het huishouden van de woningzoekende bezitten de Nederlandse nationaliteit of worden op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander behandeld of zijn vreemdeling en verblijven rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, a t/m e en l van de Vreemdelingenwet 2000. Artikel2.2.2Aanvullend toelatingscriterium particuliere huurvoorraad en middenhuur 1.In aanvulling op de voorwaarden genoemd in artikel 2.2.1 geldt om toegelaten te worden tot de woonruimten (huurwoningen onder de liberalisatiegrens) waarop het bepaalde in paragraaf 3 van toepassing is, de volgende voorwaarde: het jaarinkomen van het huishouden bedraagt maximaal € 45.014 (prijspeil 2022). 2.In aanvulling op de voorwaarden genoemd in artikel 2.2.1 geldt om toegelaten te worden tot de aangewezen middeldure huurwoningen waarop het bepaalde in paragraaf 3 van toepassing is, de volgende voorwaarde: het jaarinkomen van het huishouden bedraagt minimaal het bedrag genoemd in het eerste lid en maximaal 1,5 keer de inkomensgrens voor meerpersoonshuishoudens als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet (prijspeil 2022 1,5 keer € 45.014). 3.De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen volgen de jaarlijkse aanpassing van de ministeriele regeling van artikel 16, tweede lid, van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015. Artikel2.2.3Aanvraag vergunning en in te dienen bescheiden 1.Op een aanvraag om een huisvestingsvergunning beslissen burgemeester en wethouders. 2.De aanvraag gaat vergezeld van de volgende bewijsstukken: De meest recente inkomensgegevens van de woningzoekende, verstrekt door diens werkgever, uitkeringsinstantie of pensioeninstantie, dan wel de meest recente aanslag inkomstenbelasting of een accountantsverklaring indien de aanvrager zelfstandig werkzaam is; een uittreksel uit de basisregistratie van de woonplaats van de aanvrager; en, een kopie van een geldig verblijfsdocument indien de woningzoekende en de overige leden van het huishouden waarop de aanvraag betrekking heeft niet de Nederlandse nationaliteit bezitten. 3.De aanvrager kan gevraagd worden een geldig identiteitsbewijs van alle leden van het huishouden waarop de aanvraag betrekking heeft, te tonen. 4.Indien de aanvrager een huisvestingsvergunning aanvraagt voor een woonruimte als bedoeld in artikel 2.7.1, tweede lid, eerste kolom, zesde en zevende rij, dient de aanvraag tevens vergezeld te gaan van een indicatie op basis waarvan beoordeeld kan worden of de specifieke eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen aan de geïndiceerde medische beperkingen van één of meerdere leden van het huishouden. 5.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere gegevens te vragen die zij nodig achten om de aanvraag te beoordelen. Artikel2.2.4Beslistermijn 1.Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na datum van indiening op de aanvraag voor een huisvestingsvergunning. 2.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de beslistermijn eenmalig te verlengen met vier weken. Artikel2.2.5Gegevens op vergunning 1.De beschikking op de aanvraag bevat tenminste: de persoonsgegevens van de aanvrager; de samenstelling van het huishouden dat de woonruimte wil betrekken; het adres van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op heeft; het voorschrift inhoudende dat binnen vier weken na verlening van de vergunning de woonruimte in gebruik wordt genomen. 2.Burgemeester en wethouders kunnen in de beschikking tevens opnemen dat de vergunning slechts geldig is indien het gehele huishouden waarvoor de vergunning is verleend, de woonruimte betrekt. Paragraaf3Vergunningverlening particuliere huurvoorraad en gereguleerde middeldure huurwoningen Artikel2.3.1Reikwijdte paragraaf 3 Het bepaalde in deze paragraaf is van toepassing op ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimten met uitzondering van in artikel 2.1.1, tweede lid, (huurwoningen onder de liberalisatiegrens) aangewezen woonruimten in eigendom van een corporatie. Artikel2.3.2Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning 1.Burgemeester en wethouders weigeren de huisvestingsvergunning indien: het huishouden niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.2.1 en artikel 2.2.2; het huishouden op grond van artikel 2.7.1 niet voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komt, of; niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik zal nemen. 2.Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning indien geen van de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden zich voordoen. Artikel2.3.3Intrekken vergunning 1.Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken, indien: het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen de genoemde termijn als hoofdverblijf in gebruik heeft genomen; of, de vergunning is verleend op grond van door de houder van de vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren. 2.Als burgemeester en wethouders een huisvestingsvergunning verlenen ten behoeve van een huishouden dat al over een huisvestingsvergunning beschikt, wordt de eerdere huisvestingsvergunning gelijktijdig ingetrokken. Paragraaf4Toewijzing en vergunningverlening corporatiewoningen Artikel2.4.1Reikwijdte paragraaf 4 Het bepaalde in deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op ingevolge artikel 2.1.1, tweede lid, aangewezen woonruimte die eigendom is van een corporatie. Artikel2.4.2Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning 1.Burgemeester en wethouders weigeren de huisvestingsvergunning indien: het huishouden niet voldoet aan de toelatingscriteria genoemd in artikel 2.2.1; het huishouden op grond van het bepaalde in artikel 2.7.3 en 2.7.4 niet voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komt; het niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik zal nemen; de corporatie, gelet op haar taak als toegelaten instelling of haar belang als verhuurder, daaronder mede begrepen haar verantwoordelijkheid voor de bescherming van de belangen van de overige huurders en voor de waarborging van het woongenot, redelijkerwijs het sluiten van een huurovereenkomst met aanvrager heeft kunnen weigeren; 2.Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning indien geen van de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden zich voordoen. Artikel2.4.3Intrekken vergunning 1.Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken, indien: het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen de genoemde termijn in gebruik heeft genomen; de vergunning is verleend op grond van door de houder van de vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren. 2.Als burgemeester en wethouders een huisvestingsvergunning verlenen ten behoeve van een huishouden dat al over een huisvestingsvergunning beschikt, wordt de eerdere huisvestingsvergunning gelijktijdig ingetrokken. Artikel2.4.4Aanbieden van woonruimte 1.Corporaties bieden hun voor verhuur beschikbare woonruimten eenduidig en transparant te huur aan via één of meerdere aanbodinstrument(en). 2.Bij het aanbieden van woonruimte wordt vermeld aan welke eisen de woningzoekende moet voldoen om in aanmerking te komen voor de aangeboden woonruimte. 3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing bij directe bemiddeling. Artikel 2.4.5 Woningzoekenden en inschrijving 1. Personen van 18 jaar en ouder kunnen zich als woningzoekenden inschrijven via een of meer aanbodinstrumenten in de woningmarktregio. De inschrijving in één in de woningmarktregio gebruikt aanbodinstrument geldt als inschrijving in elk in de woningmarktregio gebruikt aanbodinstrument. De inschrijfduur is gelijk aan de periode dat men als woningzoekende ingeschreven staat. 2. De inschrijving eindigt nadat een woningzoekende als huurder woonruimte, aangewezen in artikel 2.1.1, tweede lid in gebruik heeft genomen in de woningmarktregio, waarbij alle aan de inschrijving verbonden woonpunten vervallen. 3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid eindigt de inschrijving niet, en blijven de opgebouwde woonpunten behouden: Indien een jongere een woonruimte in gebruik heeft genomen met een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 274c van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek); Indien een huurder na 1 juli 2016 een woonruimte in gebruik heeft genomen met een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 271, eerste lid, tweede volzin, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. 4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid eindigt de inschrijving niet nadat een woningzoekende als huurder woonruimte, aangewezen in artikel 2.1.1, in gebruik heeft genomen, voor zover die woonruimte geen eigendom is van een corporatie en niet via een aanbodinstrument te huur is aangeboden. 5. Na beëindiging van een inschrijving als bedoeld in het tweede lid kan een woningzoekende zich opnieuw inschrijven in een in de regio gebruikt aanbodinstrument. Artikel 2.4.5a Extra woonpunten voor aangewezen categorieën woningzoekenden Burgemeester en wethouders kunnen door hen aan te wijzen categorieën woningzoekenden extra woonpunten toekennen, welke alleen gelden in de gemeente Diemen. Artikel2.4.6Voorwaarden aan inschrijving via het aanbodinstrument Door of namens de corporatie die verantwoordelijk is voor een aanbodinstrument kunnen voorwaarden aan de in het eerste lid van artikel 2.4.4 bedoelde inschrijving worden verbonden. De voorwaarden zijn openbaar en te raadplegen via de website van het aanbodinstrument. Artikel2.4.7 Toewijzing woonruimte op basis van punten 1. Vanaf de datum van inschrijving bij een eerste aanbodinstrument als bedoeld in artikel 2.4.4 bouwt een woningzoekende woonpunten op die relevant zijn voor de volgorde van toewijzing van woonruimte. 2. Woonpunten worden opgebouwd in de volgende categorieën: Type punt en opbouw Voorwaarden voor opbouw punten en inzet punten Wachtpunten: opbouw één punt per jaar, bij deel van een jaar naar rato berekend. Er geldt geen maximum aantal punten. Woningzoekende heeft een geldige inschrijving bij een aanbodinstrument. Zoekpunten: opbouw één punt per kalendermaand met een maximum van dertig punten. Een woningzoekende kan punten opbouwen en verliezen. Woningzoekende reageert in een kalendermaand tenminste vier keer op een conform artikel 2.7.1 passende woonruimte. Situatiepunten: opbouw één punt per verstreken maand vanaf de datum toekenning verklaring, met een maximum van twaalf punten. Situatiepunten zijn maximaal drie jaar geldig, tenzij verlenging is toegekend. Woningzoekende heeft een geldige verklaring ‘opbouw situatiepunten’. Situatiepunten kunnen worden ingezet bij 50% van de jaarlijks aangeboden woonruimten. Situatiepunten voor jongeren: opbouw één punt per verstreken maand vanaf de datum toekenning verklaring, met een maximum van twaalf punten. Situatiepunten zijn maximaal drie jaar geldig, tenzij verlenging is toegekend. Woningzoekende heeft een geldige verklaring ‘opbouw situatiepunten voor jongeren’. Situatiepunten voor jongeren kunnen worden ingezet bij 50% van de jaarlijks aangeboden woonruimten. Artikel 2.4.8 Opbouw en afname van zoekpunten 1. Zoekpunten worden opgebouwd met één punt per kalendermaand indien een woningzoekende in de betreffende kalendermaand ten minste vier keer op een conform artikel 2.7.1 passende woonruimte heeft gereageerd, tot een maximum van dertig zoekpunten. 2. Op opgebouwde zoekpunten komen zoekpunten in mindering als volgt: Voor iedere maand waarin een woningzoekende niet reageert op passende woonruimte volgt één punt aftrek; Bij weigering van- of niet reageren op een uitnodiging voor bezichtiging van een woonruimte waarop een woningzoekende heeft gereageerd volgt één punt aftrek; Bij afmelding van een afgesproken bezichtiging vóór het tijdstip van de bezichtiging, volgt één punt aftrek; Bij weigering van of niet reageren op een aangeboden woning door een woningzoekende volgt één punt aftrek; Bij niet op komen dagen bij een bezichtiging na aanvaarding van een uitnodiging door een woningzoekende trekken burgemeester en wethouders alle zoekpunten in; Bij de tweede weigering van een aangeboden woning door een woningzoekende trekken burgemeester en wethouders alle zoekpunten in. 3. In afwijking van het tweede lid wordt een zoekpuntensaldo niet lager dan nihil. Artikel 2.4.9 Nadere regels en hardheid 1. Burgemeester en wethouders stellen nadere regels over de toepassing van artikel 2.4.8. 2. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin toepassing van artikel 2.4.8 naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken. Paragraaf 2.5 Opbouw situatiepunten Artikel2.5.1 Aanvraag om een verklaring opbouw situatiepunten 1. Een verklaring opbouw situatiepunten wordt aangevraagd bij burgemeester en wethouders. 2. Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste vier weken en maken hun besluit daartoe bekend binnen de in de vorige zin genoemde termijn. 3. De aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij het college met behulp van een door burgemeester en wethouders vastgesteld aanvraagformulier. Artikel 2.5.2 Toelatingscriteria opbouw situatiepunten 1. Een woningzoekende kan in aanmerking komen voor een verklaring opbouw situatiepunten indien hij verkeert in een van de volgende situaties: hij woont met zijn huishouden sinds ten minste een jaar voorafgaand aan de datum van aanvraag, in bij een persoon die rechthebbende is op de woning en die geen deel uitmaakt van het huishouden van woningzoekende; of, hij verkeert in een situatie van echtscheiding of relatiebreuk en kan niet in de voormalig gezamenlijke woning blijven wonen en kan niet over zelfstandige woonruimte beschikken. 2. De woningzoekende die verkeert in een situatie als bedoeld in het eerste lid onder a. dient te voldoen aan de volgende voorwaarden: de woningzoekende is in de twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken woonachtig geweest in de woningmarktregio; en, de woningzoekende vormt een huishouden met ten minste één minderjarig kind; en, de woningzoekende staat ten minste één jaar, voorafgaand aan de datum van aanvraag, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van de persoon bij wie hij inwoont. 3. De woningzoekende die verkeert in een situatie als bedoeld in het eerste lid onder b. dient te voldoen aan de volgende voorwaarden: de woningzoekende is in de twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken woonachtig geweest in de woningmarktregio; en, de woningzoekende heeft in de drie jaren voorafgaand aan de datum van de aanvraag, ten minste twee jaar aaneensluitend ingeschreven gestaan in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van de gezamenlijke woning; en, de woningzoekende heeft (mede)gezag over en de zorg voor ten minste één dag per week voor ten minste één minderjarig kind. Artikel 2.5.3 Opbouw en intrekking van situatiepunten 1. Situatiepunten worden opgebouwd met één punt per verstreken maand vanaf de eerste van de kalendermaand volgend op de datum toekenning verklaring opbouw situatiepunten, met een maximum van twaalf situatiepunten. 2. Burgemeester en wethouders trekken opgebouwde situatiepunten in de volgende gevallen in: Bij niet op komen dagen bij een bezichtiging na aanvaarding van een uitnodiging door een woningzoekende; Bij de tweede weigering van een aangeboden woning. Artikel 2.5.4 Geldigheidsduur en verlenging situatiepunten 1. De verklaring opbouw situatiepunten heeft een geldigheidsduur van drie jaar vanaf de datum waarop deze is afgegeven. 2. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten tot verlenging van de verklaring opbouw situatiepunten voor een tweede termijn van drie jaar indien de aanvrager nog steeds aan de criteria voldoet op grond waarvan de verklaring opbouw situatiepunten is verleend. 3. Een aanvraag tot verlenging wordt ingediend voordat de geldigheidstermijn van de verklaring is verstreken maar niet eerder dan twee jaar en zes maanden nadat de verklaring is verleend. Artikel 2.5.5 Algemene weigeringsgronden verklaring opbouw situatiepunten 1. Burgemeester en wethouders weigeren de verklaring opbouw situatiepunten indien naar hun oordeel de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 2.5.2 genoemde eisen. 2. Burgemeester en wethouders stellen nadere regels over de toepassing van deze paragraaf. 3. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin toepassing van deze paragraaf naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de bepalingen in deze paragraaf. Paragraaf 2.6 Opbouw situatiepunten voor jongeren Artikel 2.6.1 Van overeenkomstige toepassingverklaring Op een aanvraag om een verklaring opbouw situatiepunten voor jongeren zijn de artikelen 2.5.1, 2.5.3 en 2.5.4 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.6.2 Toelatingscriteria opbouw situatiepunten voor jongeren Om in aanmerking te komen voor een verklaring opbouw situatiepunten voor jongeren dient de woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden: De woningzoekende verkeert in één van de volgende situaties: hij is opgenomen in een pleeggezin of gezinshuis; of, hij beschikt over een indicatie op basis van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning voor ambulante ondersteuning, met een duur van ten minste 2 jaar, waarvan er één is verstreken voor de datum van aanvraag; en, De woningzoekende is op de datum van aanvraag meerderjarig, maar heeft nog niet de leeftijd van vijfendertig jaar bereikt; en De woningzoekende staat ten minste twee jaar, voorafgaand aan de datum van aanvraag, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van de ouder, pleegouder of het gezinshuis; en De woningzoekende is in de twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken woonachtig geweest in de woningmarktregio; en De woningzoekende komt niet in aanmerking voor een verklaring opbouw situatiepunten als bedoeld in artikel 2.5.2. Artikel 2.6.3 Opbouw en intrekking van situatiepunten voor jongeren 1. Situatiepunten voor jongeren kunnen worden opgebouwd tot de datum dat de woningzoekende de leeftijd van vijfendertig jaar bereikt. 2. Burgemeester en wethouders trekken de verklaring opbouw situatiepunten en de opgebouwde situatiepunten voor jongeren in als de woningzoekende niet langer voldoet aan de criteria als bedoeld in artikel 2.6.2. Artikel 2.6.4 Algemene weigeringsgronden verklaring opbouw situatiepunten voor jongeren 1. Burgemeester en wethouders weigeren de verklaring opbouw situatiepunten voor jongeren indien naar hun oordeel de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 2.6.2 genoemde eisen. 2. Burgemeester en wethouders stellen nadere regels over de toepassing van deze paragraaf. 3. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin toepassing van deze paragraaf naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de bepalingen in deze paragraaf. Paragraaf2.7Passendheidscriteria, bindingscriteria en volgorde bij toewijzing van woonruimte Artikel2.7.1Passendheidscriteria: voorrang gelet op de aard, grootte en prijs van woonruimte 1.Als categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet worden aangewezen de categorieën woonruimte beschreven in kolom 1 van de in het tweede lid opgenomen tabel. 2.Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor woonruimte die behoort tot een in kolom 1 genoemde categorie woonruimte wordt voorrang gegeven aan de categorieën woningzoekenden genoemd in kolom 2 achter de desbetreffende categorie woonruimte. Kolom 1: Categorie woonruimte (labels) Kolom 2: Categorie woningzoekenden (voorrangsgroepen) Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van senioren (65-plus) Huishoudens met een leeftijd van tenminste 65 jaar, dan wel huishoudens waarvan tenminste één lid deze leeftijd heeft bereikt. Indien geen huishouden voldoet aan het in de eerste zin bepaalde, wordt voorrang gegeven aan het huishouden met ten minste één persoon die de leeftijd van 55 jaar of ouder heeft bereikt. Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van senioren (75-plus). Woningzoekenden met een leeftijd van tenminste 75 jaar, dan wel huishoudens waarvan tenminste één lid deze leeftijd heeft bereikt. Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van jongeren met een rekenhuur onder de kwaliteitskortingsgrens (€ 442,46 prijspeil 2021). Huishoudens waarvan alle volwassen personen een leeftijd hebben van ten minste 18 en ten hoogste 22 jaar en geen student zijn. Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van jongeren met een rekenhuur vanaf de kwaliteitskortingsgrens (€ 442,46 prijspeil 2021). huishoudens waarvan alle volwassen personen een leeftijd hebben van ten minste 23 en ten hoogste 27 jaar en geen student zijn. Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van personen met medische beperkingen. Huishoudens in het bezit van een urgentieverklaring welke deze categorie woonruimten in het zoekprofiel noemt vanwege medische beperkingen. Huishoudens in het bezit van een beschikking van de gemeente Diemen voor tegemoetkoming in de verhuiskosten op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning met een indicatie voor deze woonruimte of huishoudens waarvan ten minste één persoon de leeftijd van 65 jaar of ouder heeft bereikt. Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van personen die aangewezen zijn op het gebruik van een rolstoel. Huishoudens in het bezit van een urgentieverklaring welke deze categorie woonruimten in het zoekprofiel noemt vanwege medische beperkingen. Huishoudens in het bezit van een beschikking afgegeven op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, waarbij een rolstoelwoning is geïndiceerd. Woonruimte met vier of`meer kamers en ten minste een woonoppervlak van 70 vierkante meter. Huishoudens met minstens één minderjarig kind. Een minderjarig kind behoort voor de toepassing van dit artikel tot het huishouden van woningzoekende als het als ingezetene op het woonadres van woningzoekende staat ingeschreven in de basisregistratie personen of, in geval van co-ouderschap, aantoonbaar tenminste drie hele dagen per week bij woningzoekende woont. Artikel2.7.2Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale binding 1.Bij de verlening van huisvestingsvergunningen komen alle zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur tot de liberalisatiegrens en in eigendom van corporaties in aanmerking voor voorrang voor woningzoekenden met lokale binding voor ten hoogste de in het derde lid gestelde limiet. 2.Onder woningzoekenden met lokale binding wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan een woningzoekende die de afgelopen zes jaar onafgebroken ingezetene van de gemeente is geweest, dan wel daar gedurende de afgelopen tien jaar ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene van de gemeente is geweest, en die daarnaast onder één van de volgende categorieën vallen: Lokale doorstromers: huishoudens die een voor verhuur bestemde zelfstandige sociale huurwoning die eigendom is van een corporatie achterlaten; of Lokale jongeren: huishoudens waarvan alle volwassen personen een leeftijd hebben van ten minste 18 en ten hoogste 27 jaar. 3.De verlening van huisvestingsvergunningen met toepassing van voorrang op grond van regionale en lokale binding wordt toegepast binnen de limieten als bepaald in artikel 14, tweede lid, van de wet en artikel 6s van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet 4.Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat het in het eerste en tweede lid bepaalde uitsluitend van toepassing is op door hen aangewezen delen van de gemeente of door hen aangewezen categorieën woonruimte. 5.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de toepassing van het tweede lid. Artikel2.7.3Algemene volgordebepaling 1.Indien woonruimte te huur wordt aangeboden via een aanbodinstrument, wordt de volgorde waarin de woningzoekenden die op het aanbod gereageerd hebben en in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning bepaald overeenkomstig artikel 2.7.4. 2.Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de volgende groepen woningzoekenden in aanmerking: de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke passendheids- en bindingscriteria; de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke passendheidscriteria; de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria; de overige woningzoekenden. 3. Binnen de categorieën als genoemd in het tweede lid komt de woningzoekende met het hoogste aantal woonpunten als eerste in aanmerking voor een huisvestingsvergunning. Artikel2.7.4Bijzondere volgordebepaling 1.Bij het verlenen een huisvestingsvergunning voor een woonruimte met vier of meer kamers en een woonoppervlak van ten minste 70 vierkante meter komt achtereenvolgens de volgende woningzoekende in aanmerking: woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria en wier huishouden mede bestaat uit drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18 jaar; woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria en wier huishouden mede bestaat uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18 jaar; woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18 jaar; woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18 jaar; overige woningzoekenden. 2.Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor een woning als artikel 2.7.1 lid 2 kolom 1 de tweede rij, komt achtereenvolgens de volgende woningzoekende in aanmerking: woningzoekende die zelf of van wie één van de personen behorend tot zijn of haar huishouden ten minste een leeftijd heeft van 65 jaar; woningzoekende die zelf of van wie één van de personen behorend tot zijn of haar huishouden, ten minste een leeftijd heeft van 55 jaar; overige woningzoekenden. 3.Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor een woning als artikel 2.7.1 lid 2 kolom 1 de derde rij, komt achtereenvolgens de volgende woningzoekende in aanmerking: woningzoekende die zelf of van wie één van de personen behorend tot zijn of haar huishouden, ten minste een leeftijd heeft van 75 jaar; woningzoekende die zelf of van wie één van de personen behorend tot zijn of haar huishouden, ten minste een leeftijd heeft van 65 jaar; woningzoekende die zelf of van wie één van de personen behorend tot zijn of haar huishouden, ten minste een leeftijd heeft van 55 jaar; overige woningzoekenden. 4.Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor een jongerenwoning komt achtereenvolgens de volgende woningzoekende in aanmerking: een jongere die de afgelopen zes jaar onafgebroken ingezetene is van de gemeente Diemen, dan wel daar gedurende de afgelopen tien jaar ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene van is geweest; overige jongeren. 5.Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor een woonruimte die in het bijzonder geschikt is voor de huisvesting van personen met medische beperkingen komt achtereenvolgens de volgende woningzoekende in aanmerking: woningzoekende in bezit van een door de gemeente Diemen afgegeven beschikking ter tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning met een indicatie voor de specifieke eigenschappen van de woonruimte; woningzoekende met een leeftijd van ten minste 65 jaar; overige woningzoekenden. 6.Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor een rolstoelwoning komt achtereenvolgens de volgende woningzoekende in aanmerking: woningzoekende in bezit van een door de gemeente Diemen afgegeven beschikking op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, waarbij een rolstoelwoning is geïndiceerd om tegemoet te komen aan het gebruik van een rolstoel en eventuele andere hulpmiddelen; woningzoekende die door burgemeester en wethouders is aangewezen om langdurige leegstand van een rolstoelwoning te voorkomen. Artikel2.7.5Bijzondere volgorde voor houders van een SV-urgentieverklaring 1.Van de woningzoekenden die zijn ingedeeld in één van de in artikel 2.7.1 bedoelde groepen, komen als eerste in aanmerking voor een huisvestingsvergunning de houders van een SV-urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.9.8 tweede lid indien de woonruimte voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel. 2.Indien op grond van het eerste lid meerdere houders van een SV-urgentieverklaring als eerste in aanmerking zouden komen voor een huisvestingsvergunning, komt als eerste in aanmerking het huishouden waarvan de SV-urgentieverklaring als eerste is verleend of waarvoor voorziening in de behoefte aan woonruimte naar het oordeel van burgemeester en wethouders het meest dringend noodzakelijk is. 3.In afwijking van artikel 2.7.3. gaan de houders van een SV-urgentieverklaring voor op woningzoekenden die voldoen aan de bindingscriteria als bedoeld in artikel 2.7.2. 4.Het bepaalde in de voorgaande leden is alleen van toepassing op houders van een SV-urgentieverklaring indien het door burgemeester en wethouders voor het desbetreffende tijdvak maximaal te huisvesten aantal houders van een stadsvernieuwings-urgentieverklaring nog niet bereikt is. 5.Burgemeester en wethouders stellen het in het vorige lid bedoelde aantal niet eerder vast dan na overleg met de overige gemeenten uit de Woningmarktregio. Artikel2.7.6Bijzondere volgorde in geval van loting 1.In afwijking van artikel 2.7.3 kan de volgorde waarin woningzoekenden die op het aanbod hebben gereageerd worden bepaald door loting. 2.Bij loting wordt door de corporatie op elektronische of andere geschikte wijze bepaald in welke volgorde de aan de loting deelnemende woningzoekenden voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen. Daarbij heeft elk deelnemende woningzoekende een gelijke kans op elke plek in de totale rangorde. 3.Per kalenderjaar wordt op ten hoogste 20% van de door corporaties te huur aangeboden woonruimten het rangordecriterium loting toegepast. Artikel2.7.7Directe bemiddeling 1.Houders van een urgentieverklaring als bedoeld in paragraaf 2.9, met uitzondering van houders van een stadsvernieuwingsurgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.9.8 tweede lid, worden direct bemiddeld. 2.Leerkrachten die lesgeven in het Diemense basisonderwijs worden direct bemiddeld. 3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen over de voorwaarden die worden gesteld aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. Artikel2.7.8Bijzondere gevallen Op verzoek van corporaties kan bij de huisvesting van huishoudens in bijzondere gevallen die voldoen aan de volgende voorwaarden, direct bemiddeld worden: het betreft de huisvesting van huishoudens wier specifieke situatie vraagt om een oplossing op maat, welke niet kan worden geboden met toepassing van het bepaalde in deze verordening; het aantal huisvestingen op grond van dit artikel bedraagt per regiogemeente per kalenderjaar ten hoogste vijf procent van de met toepassing van het bepaalde in deze verordening te verhuren woonruimte; de huisvestingen op grond van dit artikel worden geregistreerd en jaarlijks gerapporteerd aan burgemeester en wethouders. Paragraaf2.8Experimenten woonruimteverdeling Artikel2.8.1Algemeen 1.Bij een experiment worden de effecten onderzocht van een wijze van in gebruik geven van woonruimten, welke niet in of op grond van deze verordening is geregeld, maar wel in een op grond van de Huisvestingswet 2014 vast te stellen verordening geregeld zou kunnen worden. 2.De wijze van in gebruik geven van woonruimten als bedoeld in het eerste lid staat ten dienste van een rechtvaardige, doelmatige, evenwichtige en transparante verdeling van woonruimten. 3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen over de voorwaarden die worden gesteld om het bepaalde in het tweede lid te borgen en over de aanvraagprocedure. Artikel2.8.2Experimenten met woonruimten van corporaties 1.Corporaties kunnen een experiment als bedoeld in artikel 2.8.1. houden. Zij stellen daartoe de opzet van het experiment vast, welke tenminste het volgende bevat: een beschrijving van het doel en de inhoud van het experiment; en, het toepassingsbereik van het experiment; en, de tijdsduur van het experiment; en, de wijze van begeleiding van het experiment gedurende de duur van het experiment; en, de wijze en punten waarop het experiment geëvalueerd wordt. 2.Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en betreft per jaar maximaal tien procent van de in dat jaar toe te wijzen woonruimten in de gemeente Diemen van de corporaties die bij het experiment betrokken zijn. 3.Een experiment vangt pas aan nadat burgemeester en wethouders een positief besluit hebben genomen over de opzet van het experiment. Bij deze beslissing nemen burgemeester en wethouders de belangen van een evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van woonruimten, als bedoeld in artikel 2.8.1 lid 2 in acht. Paragraaf2.9Urgentie Artikel2.9.1Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslissen burgemeester en wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel 2.9.2, eerste lid, wordt ingediend. Artikel2.9.2Aanvraag om een urgentieverklaring 1.Een urgentieverklaring wordt aangevraagd: bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager blijkens diens inschrijving in de basisregistratie zijn woonadres heeft; of, bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager wil gaan wonen, als de aanvrager niet in de woningmarktregio woont. 2.Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag vindt er een intakegesprek plaats tussen aanvrager en een daartoe door burgemeester en wethouder gemandateerde over het inschatten van de mate waarin door de aanvrager aan de voorwaarden voor het verkrijgen van urgentie wordt voldaan en over het verstrekken van verdere informatie rondom de voorwaarden, het proces en de stukken die aanvragers moeten indienen. 3.Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste vier weken en maken hun besluit daartoe bekend binnen de in de vorige zin genoemde termijn. 4.De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de volgende gegevens en bescheiden: stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is ingeschreven in een aanbodinstrument; informatie over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten grondslag ligt; en informatie over het inkomen en het vermogen van het huishouden van aanvrager. 5.Het bepaalde in het vorige lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een aanvraag die een verzoek om indeling in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.9.6 inhoudt. 6.Burgemeester en wethouders kunnen in aanvulling op het derde lid, nadere gegevens en bescheiden eisen waar een aanvraag in ieder geval van vergezeld moet gaan en kunnen een aanvraagformulier vaststellen. Artikel2.9.3Inhoud van de urgentieverklaring 1.De urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor woonruimte. 2.Het zoekprofiel bevat het qua ligging, grootte, en aard het meest sobere woningtype of de meest sobere woningtypen, naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk voor het oplossen van het huisvestingsprobleem. 3.Het zoekprofiel bevat voorts het zoekgebied waarvoor de urgentieverklaring geldig is. 4.De urgentieverklaring bevat verder de volgende informatie: de naam, het adres en de woonplaats van aanvrager; de geboortedatum van aanvrager; het dossiernummer van de aanvraag; de termijn gedurende welke de urgentieverklaring geldig is. Artikel2.9.4Het zoekgebied 1.Het zoekgebied omvat de gemeente van burgemeester en wethouders die de urgentieverklaring hebben verleend. 2.Het bepaalde in de volgende leden is uitsluitend van toepassing op een urgentieverklaring waarmee de woningzoekende is ingedeeld in een in artikel 2.9.8 genoemde urgentiecategorie. 3.Indien de houder van de urgentieverklaring wil verhuizen naar een andere regiogemeente dan die waar de urgentieverklaring is afgegeven, kunnen burgemeester en wethouders van de ontvangende regiogemeente: het zoekgebied wijzigen zodat het hun gemeente omvat. Met de wijziging van het zoekgebied komt een eerder in het zoekprofiel opgenomen zoekgebied te vervallen; en, de in het zoekprofiel opgenomen woningtypen wijzigen in het voor de ontvangende gemeente, gelet op de toepasselijke urgentiecategorie, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.9.3, tweede lid, gangbare woningtype of woningtypen. 4.Burgemeester en wethouders kunnen de in het derde lid bedoelde wijziging van het zoekgebied weigeren indien naar hun oordeel de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte daartoe nopen. 5.Burgemeester en wethouders beslissen binnen een termijn van vier weken op een verzoek om wijziging van het zoekgebied, bedoeld in het derde lid. Artikel2.9.5Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring 1.Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1 genoemde eisen; er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem; de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen; het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening die gelet op aard en doel wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te zijn; het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden; het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige woonruimte of andere zelfstandige woonruimte; de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is vervallen of ingetrokken met toepassing van artikel 2.9.9 of 2.9.10; de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien; de aanvrager en alle leden van zijn huishouden in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag blijkens diens inschrijving in de basisregistratie niet tenminste twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig waren; het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt. 2.Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.9.8, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders vervolgens het aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in het vorige lid, onder i, bedoelde termijn niet heeft gewoond in een zelfstandige en krachtens een besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening voor permanente bewoning bestemde woonruimte. 3.Burgemeester en wethouders weigeren vervolgens het aangevraagde indien de aanvrager niet valt onder één van de in artikel 2.9.6 tot en met 2.9.8 opgenomen urgentiecategorieën. Artikel2.9.6Wettelijke urgentiecategorieën 1.Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.9.5, eerste lid, aanhef en onder a tot en met h en j genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één van de volgende urgentiecategorieën behoort: woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten en waarvan de uitstroom uit die voorziening aanstaande is, indien de behoefte aan in de desbetreffende regiogemeente gelegen woonruimte als gevolg van die uitstroom naar het oordeel van burgemeester en wethouders dringend noodzakelijk is; woningzoekenden waarvan de voorziening in de behoefte aan woonruimte als gevolg van het verlenen of ontvangen van mantelzorg naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor aanvrager dringend noodzakelijk is. 2.Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een vergunninghouder die, gelet op de in artikel 28 van de wet genoemde taakstelling, gehuisvest moet worden door het college van burgemeester en wethouders waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: de woningzoekende is niet door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers als bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal orgaan opvang asielzoekers bij een andere gemeente voorgedragen voor huisvesting; en, de woningzoekende heeft niet eerder aangeboden woonruimte geweigerd. Artikel2.9.7Urgentiecategorie uitstroom 1.Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een woningzoekende die moet omzien naar woonruimte aansluitend op verblijf in een instelling voor maatschappelijke opvang, een psychiatrische instelling of een erkende hulp- of dienstverleningsinstelling, indien: de aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling blijkens de inschrijving in de basisadministratie woonachtig was in de woningmarktregio; geen van de in artikel 2.9.5, eerste lid, aanhef en onder a, c, d, f, h of j genoemde omstandigheden zich voordoet; en, de aanvrager, naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende zelfredzaam is. 2.Indien een urgentieverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt aangevraagd door een woningzoekende die verblijft in een in de woningmarktregio gelegen instelling als bedoeld in het eerste lid, zijn de volgende leden van toepassing. 3.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.9.1. en artikel 2.9.2, eerste lid, wordt op een aanvraag om een urgentieverklaring waarmee een woningzoekende wordt ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in het vorige lid, besloten door burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de locatie van de opvanginstelling waar de woningzoekende verblijft resideert. 4.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.9.4, eerste lid, omvat het in de urgentieverklaring op te nemen zoekgebied de regiogemeente waarin aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling blijkens de inschrijving in de basisadministratie woonachtig was, tenzij burgemeester en wethouders gelet op de problematiek van aanvrager een andere regiogemeente in het zoekgebied opnemen. 5.Het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente die tot het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied behoort, stelt het in de urgentieverklaring op te nemen woningtype vast, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.9.3, tweede lid. Artikel2.9.8Overige urgentiecategorieën 1.Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.9.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één van de volgende urgentiecategorieën behoort: woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren; woningzoekenden, met inbegrip van de situatie waarin dit slechts geldt voor één lid van het huishouden van een woningzoekende, die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte behoeven, omdat zij in een levensontwrichtende woonsituatie verkeren die naar het oordeel van burgemeester en wethouders alleen opgelost kan worden door verhuizing naar andere zelfstandige woonruimte, en voor zover zij niet behoren tot de in artikel 2.9.7 bedoelde urgentiecategorie; woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte behoort tot een door burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid aangewezen complex; woningzoekenden waarvan de binnen de gemeente gelegen zelfstandige woonruimte als gevolg van een calamiteit naar het oordeel van burgemeester en wethouders duurzaam ongeschikt is voor bewoning; 2.Burgemeester en wethouders kunnen complexen aanwijzen waarvan de bewoners in verband met sloop of ingrijpende renovatie of herstructurering van het gebied waarin de complexen zijn gelegen, redelijkerwijs binnen twee jaar niet meer in hun huidige woonruimte kunnen blijven wonen. Burgemeester en wethouders stellen daarbij een datum vast met ingang waarvan de bewoners van de aangewezen complexen een SV-urgentieverklaring, ook bekend onder de aanduiding stadsvernieuwingsurgentie, kunnen aanvragen. 3.Op de urgentiecategorieën bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en c, is het bepaalde in artikel 2.9.5, eerste lid aanhef en onder j en het bepaalde in artikel 2.9.3, tweede lid, niet van toepassing. Artikel2.9.9Geldigheid van de urgentieverklaring 1.Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de SV-urgentieverklaring artikel 2.9.8 lid 2 juncto 2.9.8 lid 1 sub c en de urgentieverklaringen waarmee een woningzoekende is ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.9.6, tweede lid, of artikel 2.9.7, eerste lid. 2.De urgentieverklaring vervalt: nadat de houder ervan niet meer behoort tot de urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring; of, na verloop van een termijn van 26 weken na verlening van de urgentieverklaring. 3.Burgemeester en wethouders van de gemeente die tot het in de urgentieverklaring vermelde zoekgebied behoort kunnen besluiten dat de urgentieverklaring een langere termijn dan die bedoeld in het tweede lid geldig blijft indien: de omstandigheden bedoeld in artikel 2.9.5, eerste lid, zich niet voordoen; de houder van de urgentieverklaring nog steeds valt in de urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring. 4.Met inbegrip van de in het vorige lid bedoelde verlenging vervalt een urgentieverklaring na het verstrijken van een periode van 52 weken na het moment waarop zij verleend is. Artikel2.9.10Wijzigen en intrekken van de urgentieverklaring Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de SV-urgentieverklaring. Burgemeester en wethouders trekken de urgentieverklaring in indien: bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en er, indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de urgentieverklaring zou zijn geweigerd; de houder van de urgentieverklaring niet meer behoort tot de urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring of zich één of meer toepasselijke, in artikel 2.9.5, eerste lid, opgenomen en op de desbetreffende urgentiecategorie toepasselijke weigeringsgronden voordoen; de houder van de urgentieverklaring daartoe verzoekt; of, de houder van de urgentieverklaring passende woonruimte heeft geweigerd of zich anderszins onvoldoende heeft ingespannen om zijn huisvestingsprobleem op te lossen. Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring wijzigen indien: bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en er, indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de urgentieverklaring niet zou zijn geweigerd maar anders op de aanvraag zou zijn besloten; of de houder van de urgentieverklaring behoort tot een andere urgentiecategorie dan die welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring. Ter voorbereiding van een besluit tot intrekking of wijziging van de urgentieverklaring kunnen burgemeester en wethouders zich laten adviseren door een ter zake deskundig persoon. Indien burgemeester en wethouders een voorwaarde aan de urgentieverklaring hebben verbonden, treedt de urgentieverklaring pas in werking als aan de voorwaarde is voldaan. Artikel2.9.11Nadere regels en hardheidsclausule 1.Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien: weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en, sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. 2.Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat tenminste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. 3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de toepassing van deze paragraaf. Artikel2.9.12Overgangsrecht urgentieverklaringen Urgentieverklaringen die zijn verleend op grond van de Huisvestingsverordening Diemen 2020, worden gelijkgesteld met de op grond van artikel 2.9.1 van deze verordening te verlenen urgentieverklaringen. HOOFDSTUK3WIJZIGING VAN DE WONINGVOORRAAD AFDELING I ONTTREKKING, SAMENVOEGING, OMZETTING EN WONINGVORMING Paragraaf1Werkingsgebied Artikel3.1.1Werkingsgebied 1.Het bepaalde in deze paragraaf is van toepassing op alle gebouwen in de gemeente Diemen die één of meerdere woonruimten bevatten. 2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het bepaalde in deze afdeling niet van toepassing op woonruimte behorend tot een complex genoemd in bijlage 1 bij deze verordening. Artikel3.1.2Reikwijdte vergunningplicht Verbod op onttrekking Het is verboden om woonruimte aangewezen in artikel 3.1.1 zonder vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet, aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden, anders dan het gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning onttrekken ten behoeve van het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar. Verbod op samenvoeging Het is verboden om woonruimte aangewezen in artikel 3.1.1 zonder vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet, aan de bestemming tot bewoning samen te voegen of samengevoegd te houden, anders dan het gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning samen te voegen ten behoeve van het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar. Verbod op omzetting Het is verboden om woonruimte aangewezen in artikel 3.1.1 zonder vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet, van zelfstandig in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden. Verbod op woningvorming Het is verboden om woonruimte aangewezen in artikel 3.1.1 zonder vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet, tot twee of meer woonruimten te verbouwen of in verbouwde staat te houden, in deze verordening ook wel aangeduid als zijnde woningvorming en in algemeen spraakgebruik ook wel bekend als zijnde bouwkundig splitsen. Hieronder een overzicht van de gebruik per vorm: Onttrekken : Tweede woning, slopen, short stay indien sprake is van inschrijving in basisregistratie personen; Samenvoegen : Samenvoeging; Omzetten : Kamergewijze verhuur, hospitaverhuur (inwoning) en woningdelen; Woningvorming : Woningvorming Artikel3.1.3Uitzonderingen op de vergunningsplicht Omzetting ten behoeve van hospitabewoning 1.Voor het geheel of gedeeltelijk omzetten van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte ten behoeve van inwoning is geen vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet noodzakelijk mits: de verhuurder zijn hoofdverblijf zelf in de betreffende woning heeft; er sprake is van onderverhuur aan, of inwoning door, één persoon; de verhuurder het exclusieve gebruiksrecht op minimaal 50% van het gebruiksoppervlak van de woonruimte heeft; en het gebruiksoppervlak van het deel van de woonruimte dat verhuurd wordt aan de inwoner minimaal 12m² bedraagt. Onttrekking ten behoeve van het gebruik als tweede woning 2.Voor het onttrekken aan de bestemming tot bewoning ten behoeve van het gebruik als tweede woning is geen vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet noodzakelijk, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: de woonruimte, indien gehuurd, heeft een rekenhuur boven de liberalisatiegrens; de eigenaar of huurder houdt zijn hoofdverblijf buiten de woningmarktregio; en het gaat hierbij om ten hoogste één woning per eigenaar of huurder. Omzetting ten behoeve van woningdelen door twee personen 3.Voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten is geen vergunning als bedoeld artikel 3.1.2, derde lid, noodzakelijk mits sprake is van woningdelen en zolang de woonruimte door ten hoogste twee volwassenen wordt bewoond. Paragraaf2Procedure aanvraag onttrekkingsvergunning, samenvoegingsvergunning, omzettingsvergunning en woningvormingsvergunning Artikel3.2.1Aanvraag vergunning 1.De aanvraag wordt ingediend door de eigenaar van de woonruimte, respectievelijk het gebouw. 2.Een aanvraag langs elektronische weg wordt gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de gemeentelijke website. 3.Een schriftelijke aanvraag wordt gedaan met gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 4.De aanvraag mag meer dan één woonruimte betreffen indien zij betrekking heeft op met elkaar samenhangende en aangrenzende woonruimten en indien een gezamenlijke beoordeling van de aanvraag zich hier niet tegen verzet. Artikel3.2.2Op te nemen gegevens Bij de aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt: de dagtekening; de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager in Nederland, alsmede het elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; de straat, het huisnummer en de kadastrale ligging van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft; de aard en het huidige gebruik van de woonruimte(

  1. n)waarop de aanvraag betrekking heeft; de namen en adressen van de bewoners van de woonruimten; de koopprijs dan wel de feitelijk betaalde en de maximaal redelijke huurprijs van de woonruimte(
  2. n)waarop de aanvraag betrekking heeft; de motivering van het verzoek. Artikel3.2.3In te dienen bescheiden Bij de aanvraag worden tenminste de volgende bescheiden overgelegd: de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de bestaande, alsook de nieuwe van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft. Op de tekeningen is het huidige, alsook het beoogde gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden, alsmede de plaats van rookmelders opgegeven; als de aanvraag betrekking heeft op een (bij-)gebouw zonder huisnummer, een situatietekening waaruit de situering van het gebouw blijkt ten opzichte van de in de nabijheid gelegen bouwwerken; een meet- en indelingsrapport op basis van de meetinstructies van de NEN 2580:2007/C1:2008 NL Oppervlakten en inhouden van gebouwen - Termen, definities en bepalingsmethoden, toegepast volgens de richtlijnen in de meetinstructie gebruiksoppervlakte woningen juli 2019 van de Waarderingskamer; Indien het om een verhuurde woning gaat; een verklaring van alle huurders van de te onttrekken woonruimten, waaruit blijkt dat zij hiertegen geen bezwaar hebben; aanvullende bescheiden indien burgemeester en wethouders daar met het oog op de beoordeling van de aanvraag om verzoeken. Artikel 3.2.4 In de vergunning op te nemen gegevens De vergunning bevat tenminste de volgende gegevens: de woonruimte(
  3. n)waarop de beschikking betrekking heeft, aangeduid met de straat, het huisnummer of de kadastrale ligging, waarbij voor het overige kan worden verwezen naar de bijgevoegde bescheiden als bedoeld in artikel 3.2.3; de van toepassing zijnde voorwaarden en voorschriften als bedoeld in artikel 3.3.2; en de mededeling dat in beginsel binnen één jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden van de vergunning moet worden gebruikgemaakt dan wel mededeling van de termijn in geval van een tijdelijke vergunning. Paragraaf3Vergunningverlening voorraadvergunningen Artikel3.3.1Weigeringsgronden 1.Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kan worden geweigerd in het geval: naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming gediende belang; naar het oordeel van burgemeester en wethouders de onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming een negatief effect heeft op de leefbaarheid; het onder a genoemde belang van behoud en samenstelling dan wel het in b genoemde negatieve effect op de leefbaarheid niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden dan wel voorschriften aan de vergunning; en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; naar het oordeel van burgemeester en wethouders de aanvrager van de vergunning niet aan de criteria van goed verhuurderschap voldoet. 2.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid van dit artikel. Artikel3.3.2Voorwaarden en voorschriften 1.Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet voor onttrekken, samenvoegen, omzetten of woningvormen een of meer voorwaarden en voorschriften verbinden die betrekking kunnen hebben op: het toevoegen van één of meer naar het oordeel van burgemeester en wethouders gelijkwaardige woonruimte(
  4. n)aan de woonruimtevoorraad; de aanwezigheid van een gemeenschappelijk verblijfsruimte bij omzetting van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte; de geschiktheid voor door burgemeester en wethouders aan te wijzen (bijzondere) doelgroepen bij omzetting van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte; het nemen van maatregelen ter voorkoming van een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woonruimte. het nemen van maatregelen tegen geluidsoverlast bij het omzetten naar onzelfstandige woonruimten of bij woningvorming. het plaatsen van rookmelders. 2.Burgemeester en wethouders stellen nadere regels met betrekking tot bijvoorbeeld de grootte van de toe te voegen woonruimten als bedoeld onder a. de geluidseisen en rookmelders als bedoeld in het eerste lid, onder e. Artikel3.3.3Tijdelijke vergunning 1.Burgemeester en wethouders kunnen een tijdelijke vergunning voor onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming verlenen als het belang van de aanvrager slechts voor een bepaalde tijd aanwezig is. 2.Een tijdelijke vergunning kan worden verleend voor ten hoogste vijf jaar. Artikel3.3.4Overdracht voorraadvergunning 1.Bij verkoop of andere vorm van overdracht van woonruimte waarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 3.1.2, wordt de instemming van de nieuwe eigenaar met de vergunde wijziging van de woonruimte verondersteld. De nieuwe eigenaar wordt van rechtswege de nieuwe vergunninghouder. 2.De nieuwe vergunninghouder, als bedoeld in het eerste lid, kan op verzoek op de vergunning worden vermeld door burgemeester en wethouders. Artikel3.3.5Intrekken vergunning 1.Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.2 intrekken indien: niet binnen één jaar nadat de beschikking is afgegeven, is overgegaan tot onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming; de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren; niet wordt voldaan aan de ingevolge dit hoofdstuk bij de vergunning gestelde voorwaarden of voorschriften; er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, of de vergunninghouder schriftelijk te kennen heeft gegeven van de vergunning geen gebruik meer te willen maken. 2.Wanneer de omzettings- of onttrekkingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.2, eerste en derde lid, is ingetrokken, dient de woonruimte die respectievelijk is onttrokken of is omgezet in onzelfstandige woonruimten weer als zelfstandige woonruimte in gebruik te worden genomen. In het geval van een situatie als bedoeld in artikel 3.1.2, is daarna opnieuw een vergunning vereist. 3.Burgemeester en wethouders kunnen verleende voorraadvergunningen wijzigen en verleende vergunningen intrekken indien veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten wijziging nodig maken. AFDELING II SPLITSING Paragraaf4Werkingsgebied Artikel3.4.1Werkingsgebied Het bepaalde in deze afdeling is van toepassing op alle zelfstandige woonruimten. Artikel3.4.2Reikwijdte vergunningplicht 1. Het is verboden een recht op een gebouw, aangewezen in artikel 3.4.1, zonder vergunning van burgemeester en wethouders te splitsen in appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, eerste en vierde lid van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, indien een of meer appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte. 2. Op het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten of het aangaan van een verbintenis daartoe door een rechtspersoon is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 3. Gebouwen die eigendom zijn van een coöperatieve flatexploitatievereniging en waarvan de eigendom wordt gesplitst in eenzelfde aantal appartementsrechten als het aantal lidmaatschapsrechten van de flatexploitatievereniging zijn uitgezonderd van de vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid. Paragraaf5Procedure aanvraag splitsingsvergunning Artikel3.5.1Aanvraag vergunning 1.De vergunning kan slechts worden aangevraagd door de eigenaar van de woonruimte respectievelijk het gebouw op de door burgemeester en wethouders aangegeven wijze. 2.Een aanvraag langs elektronische weg wordt gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de gemeentelijke website. 3.Een schriftelijke aanvraag wordt gedaan met gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 4.De aanvraag mag meer dan één gebouw betreffen als het samenhangende en aangrenzende gebouwen betreft en een gezamenlijke beoordeling van de aanvraag zich hier niet tegen verzet. Artikel3.5.2Te verstrekken gegevens Bij de aanvraag worden tenminste de volgende gegevens verstrekt: de dagtekening; de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager in Nederland, alsmede het elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; de straat, het huisnummer en de kadastrale ligging van het gebouw(
  5. en)waarop de aanvraag betrekking heeft; de aard en het huidige gebruik van de woonruimte(
  6. n)waarop de aanvraag betrekking heeft; de namen en adressen van de bewoners van de woonruimten waarvan het recht wordt gesplitst; de koopprijs dan wel het feitelijk betaalde en de maximaal redelijke huurprijs van de woonruimte(
  7. n)waarop de aanvraag betrekking heeft; de motivering van het verzoek. Artikel3.5.3In te dienen bescheiden Bij de aanvraag worden tenminste de volgende bescheiden overgelegd: een taxatierapport betreffende het gebouw en de tot afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten van het gebouw, opgemaakt door een taxateur die is ingeschreven bij een erkend register. Dit rapport bevat in elk geval mede een beschrijving en een beoordeling van de onderhoudstoestand van het gebouw; een splitsingsplan dat voldoet aan de vereisten als neergelegd in artikel 109 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek en het krachtens dat artikel vastgestelde besluit betreffende splitsing in appartementsrechten. Op de splitsingstekening is in ieder geval de begrenzing van de onderscheidene gedeelten van het gebouw of gebouwen en de grond, die bestemd zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt aangegeven. En zijn de met de splitsing beoogde eigendomswijzigingen aangegeven; een meet- en indelingsrapport op basis van de meetinstructies van de NEN 2580:2007/C1:2008 NL Oppervlakten en inhouden van gebouwen - Termen, definities en bepalingsmethoden, toegepast volgens de richtlijnen in de meetinstructie gebruiksoppervlakte woningen juli 2019 van de Waarderingskamer; de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en de bestaande situatie van het gebouw, waarop de aanvraag betrekking heeft. Op de tekeningen is het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden, alsmede de plaats van rookmelders opgegeven; gegevens die verband houden met de geluidwering; als de aanvraag betrekking heeft op een (bij-)gebouw zonder huisnummer, een situatietekening waaruit de situering van het gebouw blijkt ten opzichte van de in de nabijheid gelegen bouwwerken; aanvullende bescheiden indien burgemeester en wethouders daar met het oog op de beoordeling van de aanvraag om verzoeken. Artikel3.5.4In de vergunning op te nemen gegevens De vergunning bevat tenminste de volgende gegevens: de woonruimte(
  8. n)waarop de beschikking betrekking heeft, aangeduid met de straat, het huisnummer of de kadastrale ligging, waarbij in ieder geval wordt verwezen naar het splitsingsplan als bedoeld in artikel 109 boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; de van toepassing zijnde voorwaarden en voorschriften als bedoeld in artikel 3.6.2; en de mededeling dat in beginsel binnen één jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden van de vergunning moet worden gebruikgemaakt. Paragraaf6Vergunningverlening Artikel3.6.1Weigeringsgronden In verband met de woonruimtevoorraad Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning weigeren indien: naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud en samenstelling van de woonruimtevoorraad met het oog op schaarste en leefbaarheid groter is dan het met splitsing gediende belang; het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad met het oog op schaarste en leefbaarheid niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning; het gebouw of het gedeelte van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, één of meer woonruimten bevat die worden verhuurd of die laatstelijk verhuurd zijn geweest voor een huurprijs gelijk aan of lager dan de liberalisatiegrens; het gebouw of gedeelte van een gebouw, voor zover dit geheel of gedeeltelijk verhuurd is geweest voor bewoning, in strijd met de regels van het omgevingsplan of met enig wettelijk voorschrift, geheel of gedeeltelijk voor een ander doel dan voor bewoning in gebruik genomen; niet gewaarborgd is dat de woonruimte(
  9. n)na de voorgenomen splitsing bestemd blijft of blijven voor verhuur ter bewoning; of het gebruiksoppervlak van de woonruimte(
  10. n)na de voorgenomen splitsing kleiner is dan 40 m2. In verband met belemmering van stadsvernieuwing Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning weigeren indien: voor het gebied waarin het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft is gelegen, een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening, of omgevingsplan van kracht is, dan wel een ontwerp voor een zodanig plan of zodanige verordening of voor een herziening daarvan in procedure is; het ontwerp voor dat plan of voor die verordening, dan wel voor de herziening daarvan ter inzage is gelegd voordat de aanvraag van de splitsingsvergunning is ingediend; de voorgenomen splitsing naar het oordeel van burgemeester en wethouders nadelige gevolgen kan hebben voor de met het plan of die verordening nagestreefde of na te streven doeleinden; en het belang dat de aanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de modernisering of vervanging. In verband met de toestand van het gebouw Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning weigeren indien: de toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft, zich uit een oogpunt van indeling of de staat van onderhoud geheel of ten dele verzet; en de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende verzekerd is dat die gebreken zullen worden opgeheven. Van gebreken als bedoeld in het derde lid is in ieder geval sprake indien: een handhavingsbesluit ingevolge artikel 1b, tweede lid van de Woningwet, zoals deze bestond voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet of artikel 18.12 van de Omgevingswet is genomen; een aanschrijving ingevolge de artikelen 13 of 13a van de Woningwet, zoals deze bestond voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of artikel 3.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of artikel 22.4 in samenhang met artikel 22.7 van het omgevingsplan, is gedaan en het bepaalde in deze aanschrijving nog niet is uitgevoerd; of het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft strijdigheden vertoont met hoofdstuk III van het Bouwbesluit of afdeling 3.3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen waaraan een gebouw uit bouwkundig en installatietechnisch oogpunt minimaal dient te voldoen. Overige weigeringsgronden Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning weigeren indien: in 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag, een eerdere vergunning van de aanvrager voor dezelfde aanvraag op grond van artikel 26 van de Huisvestingswet is ingetrokken. naar het oordeel van burgemeester en wethouders de aanvrager van de vergunning niet aan de criteria van goed verhuurderschap voldoet; en in het geval en onder de voorwaarden, als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel3.6.2Aanvullende criteria voor de verlening van een splitsingsvergunning 1.Burgemeester en wethouders kunnen binnen de gemeente gebieden aanwijzen waar, in verband met te vrezen onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woonruimte, het aantal te verlenen splitsingsvergunningen aan een maximum is gebonden. 2.Aanvragen voor een splitsingsvergunning worden, met het oog op het bepaalde in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst behandeld. 3.Burgemeester en wethouders weigeren de splitsingsvergunning indien het maximum als bedoeld in het tweede lid is bereikt. 4.Een gebiedsaanwijzing als bedoeld in het eerste lid geldt voor de duur van maximaal 4 jaar. Aansluitend aan deze periode kunnen burgemeester en wethouders de aanwijzing verlengen met een periode van telkens maximaal 4 jaar. 5.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel. Artikel3.6.3Voorwaarden en voorschriften 1.Burgemeester en wethouders kunnen indien een aanvraag voor een splitsingsvergunning wordt gedaan in samenhang met een bouwplan in het kader van een complexgewijze aanpak of waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, de vergunning verlenen onder de opschortende voorwaarde dat het betreffende bouwplan is uitgevoerd. 2.Burgemeester en wethouders kunnen een zekerheidstelling eisen, waardoor de uitvoering van het door hen goedgekeurde maar nog niet uitgevoerde bouwplan, dan wel het opheffen van de bouwkundige gebreken aan het gebouw verzekerd wordt. 3.In geval van toepassing van het tweede lid, wordt binnen acht weken na verlening van de splitsingsvergunning een aanvang gemaakt met de werkzaamheden. 4.Burgemeester en wethouders kunnen op een door aanvrager tijdig gedaan schriftelijk verzoek een van het derde lid afwijkende termijn vaststellen. 5.De gereed melding van de werkzaamheden wordt binnen 14 dagen bij burgemeester en wethouders gedaan. 6.Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften opnemen ter voorkoming van een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woonruimte. Artikel3.6.4Vergunningverlening corporaties Een aanvraag voor een splitsingsvergunning door een corporatie wordt niet geweigerd indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: er van de zijde van burgemeester en wethouders geen bezwaren zijn op grond van een zwaarwegend volkshuisvestelijk belang; er van de zijde van de Minister van Wonen en Rijksdienst goedkeuring is als bedoeld in artikel 27, eerste lid onder a van de Woningwet tot verkoop van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft; en de corporatie voldoet aan een tussen burgemeester en wethouders en de corporatie(
  11. s)overeengekomen of overeen te komen document waarin bepalingen met betrekking tot de woningvoorraad in het bezit van de corporatie(
  12. s)zijn opgenomen, waaronder het onttrekken van woningen. Artikel3.6.5Intrekken vergunning Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning intrekken: indien niet binnen één jaar nadat de beschikking is afgegeven is overgegaan tot overschrijving in openbare registers van de akte van splitsing in appartementsrechten, bedoeld in artikel 109 Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, of tot het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten; indien de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren; in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, en indien niet wordt voldaan aan de ingevolge dit hoofdstuk bij de vergunning gestelde voorwaarden of voorschriften. AFDELING III Toeristische verhuur Artikel3.7.1.Registratieplicht toeristische verhuur – reikwijdte Het bepaalde in deze afdeling is van toepassing op alle gebouwen in de gemeente Diemen die één of meerdere woonruimten bevatten en ziet op alle vormen van toeristische verhuur (Bed & Breakfast, vakantieverhuur en short stay indien geen inschrijving vereist is in burgerregistratie personen). Artikel3.7.2.Registratieplicht toeristische verhuur – verbodsbepaling Het is verboden om in de gevallen van artikel 3.7.1 zonder registratie woonruimte aan te bieden zonder het registratienummer van die woonruimte te vermelden bij iedere aanbieding van die woonruimte. Artikel3.7.3Aanvraag registratienummer Aanvragen voor een registratienummer als bedoeld in artikel 3.7.2 worden gedaan door degene die een woonruimte aanbiedt voor toeristische verhuur middels een door burgemeester en wethouders voorgeschreven elektronisch formulier. Afdeling IIII Opkoopbescherming Paragraaf8werkingsgebied, verbod en vergunningplicht Artikel3.8.1Verhuurvergunning opkoopbescherming, aanwijzing beschermde woonruimte 1.Gedurende de periode van vier jaren na de datum van inschrijving is het verboden beschermde woonruimte te verhuren zonder verhuurvergunning opkoopbescherming van burgemeester en wethouders. 2.Als beschermde woonruimte, waarvoor de vergunningsplicht opkoopbescherming geldt, wordt aangewezen de volgende woonruimten: goedkope woonruimten die op het moment van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering aan de nieuwe eigenaar een WOZ-waarde hebben van € 355.000 of lager, of middeldure woonruimten die op het moment van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering aan de nieuwe eigenaar een WOZ-waarde hebben tussen de € 355.000 en € 512.000. 3.Woonruimten als bedoeld in het vorige lid vallen louter onder het werkingsgebied van deze opkoopbescherming voor zover, die op de datum van inschrijving: vrij was van huur en gebruik, of in verhuurde staat was voor een periode van minder dan zes maanden, of werd verhuurd met een verhuurvergunning opkoopbescherming, en waarvan de datum van inschrijving na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel ligt, en niet in eigendom zijn van de gemeente of een woningcorporatie. 3.Onder het werkingsgebied van de in deze verordening bedoelde opkoopbescherming zijn uitgesloten de woningen waarvoor een zelfbewoningsplicht in privaatrechtelijke overeenkomst(
  13. en)is vastgelegd. De inhoud van de privaatrechtelijk overeengekomen zelfbewoningsplicht prevaleert. Artikel3.8.2Ontheffing op verbod op in gebruik geven woonruimte. 1.Burgemeester en wethouders kunnen voor woonruimten aangewezen in artikel 3.8.1 een ontheffing van het verbod als bedoeld in het eerste lid verlenen indien zich 1.omstandigheden voordoen die maken dat redelijkerwijs niet van de eigenaar verlangd kan worden dat hij het verbod in het eerste lid naleeft. 2.De in het eerste lid bedoelde ontheffing is in ieder geval aan de orde indien met een ontwikkelaar van een nieuwbouwplan waar woningen worden gerealiseerd, er nadrukkelijk en bewust géén privaatrechtelijke afspraken zijn gemaakt over de exploitatie van deze woningen als koop- of huurwoning(
  14. en)én de ontwikkelaar of diens rechtsopvolger(
  15. s)de nieuw gerealiseerde woningen als huurwoning wil verhuren, voor zover dit de verhuur van het gehele complex of gebouw op professionele wijze betreft. Hiermee wordt uitdrukkelijk niet bedoeld de verhuur van enkele woningen in een nieuwbouwplan door de rechtsopvolger(
  16. s)van de ontwikkelaar, welke woningen bezien de feiten en omstandigheden evident bedoeld waren om te fungeren als koopwoning(
  17. en)waar de eigenaar ook zijn hoofdverblijf als bewoner dient te hebben. 3.De in het eerste lid bedoelde ontheffing is in ieder geval ook aan de orde indien met een ontwikkelaar van een nieuwbouwplan waar woningen worden gerealiseerd, er wél nadrukkelijk en bewust privaatrechtelijke afspraken zijn gemaakt over de exploitatie van deze woningen als huurwoning(
  18. en)door ontwikkelaar of diens rechtsopvolger(s). 4.Burgemeester en wethouders kunnen voorwaarden en voorschriften verbinden aan de ontheffing als bedoeld in het eerste lid. Artikel3.8.3Aanvraag verhuurvergunning opkoopbescherming Een aanvraag om een verhuurvergunning opkoopbescherming kan slechts worden aangevraagd door de eigenaar van de woonruimte en wordt ingediend door gebruikmaking van het formulier dat te vinden is op de website van de gemeente. Artikel3.8.4Te verstrekken gegevens en bescheiden verhuurvergunning opkoopbescherming 1.Bij een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 3.8.1 worden de volgende gegevens en bescheiden in ieder geval verstrekt: de naam (of namen) van de eigenaar(s); het adres van de woonruimte, en een recent bewijs van eigendom van de woonruimte. 2.In het geval dat een aanvraag ziet op de verleningsgrond als bedoeld in artikel 3.8.5, eerste lid en artikel 41, derde lid, onder a, van de wet worden nadere bescheiden aangeleverd waar het bloed- of aanverwantschap in de eerste of tweede graad van de woningzoekende met de eigenaar uit blijkt; 3.In het geval dat een aanvraag ziet op verleningsgrond als bedoeld in artikel 3.8. 5, eerste lid en artikel 41, derde lid, onder b, van de wet wordt een schriftelijke overeenkomst aangeleverd waaruit blijkt dat de woonruimte voor een termijn van ten hoogste twaalf maanden, anders dan voor toeristische verhuur, in gebruik wordt gegeven. 4.In het geval dat een aanvraag ziet op verleningsgrond als bedoeld in artikel 3.8. 5, eerste lid en artikel 41, derde lid, onder c, van de wet worden nadere bescheiden aangeleverd waar uit blijkt dat de woonruimte onlosmakelijk deel uitmaakt van een winkel-, kantoor of bedrijfsruimte. 5.Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van andere bescheiden verlangen, die zij voor de beoordeling van de aanvraag nodig achten. Artikel3.8.5Gevallen waarin de verhuurvergunning opkoopbescherming moet worden verleend 1.Als artikel 43, eerste lid, van de wet (bibob-weigering) niet van toepassing is, moet de verhuurvergunning opkoopbescherming in elk geval worden verleend in de gevallen, genoemd in artikel 41, derde lid, onder a tot en met c, van de wet. 2.In de gevallen, genoemd in artikel 41, derde lid, onder a en b, van de wet, wordt de persoon aan wie de beschermde woonruimte wordt verhuurd en die de huurder is op grond van wiens hoedanigheid er recht is op de vergunning, in de vergunning genoemd. De vergunning vervalt zodra deze huurder niet de huurder is die in de beschermde woonruimte verblijft. Artikel3.8.6Gevallen waarin de verhuurvergunning opkoopbescherming kan worden verleend 1.Als artikel 43, eerste lid, van de wet (bibob-weigering) niet van toepassing is, kan de verhuurvergunning opkoopbescherming worden verleend: indien de woonruimte door middel van een terugkoopplicht door een woningcorporatie wordt aangekocht, en na aankoop door deze woningcorporatie opnieuw kan worden verhuurd; indien een leegstandsvergunning voor de woning is afgegeven; indien er sprake is van een geval waarin burgemeester en wethouders het belangrijk achten dat woonruimte wordt verhuurd aan specifieke/bijzondere doelgroepen. 2.Als artikel 43, eerste lid, van de wet (bibob-weigering) niet van toepassing is, kan de verhuurvergunning opkoopbescherming in bijzondere gevallen worden verleend als het belang dat gediend wordt met het verhuren van de beschermde woonruimte naar het oordeel van burgemeester en wethouders zwaarder moet wegen dan het belang van het behouden van de beschermde woonruimte voor de kopersmarkt. 3.Als er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, kan de vergunning worden geweigerd. Artikel3.8.7Beslistermijn 1.Burgemeester en wethouders beslissen op aanvragen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. 3.Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde vergunning van rechtswege gegeven als bedoeld in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel3.8.8Beschikkingsvereisten Een vergunning als bedoeld in artikel 3.8.1 bevat ten minste de volgende gegevens: de woonruimte waarop de beschikking betrekking heeft, aangeduid met het adres of de kadastrale ligging van de woonruimte: de naam van de eigenaar(
  19. s)van de woonruimte, tevens vergunninghouder(s), en de uitzonderingsvorm, zoals bedoeld in artikel 3.8.5, eerste lid, en 3.8.6, waarvoor de vergunning is verleend en de mededeling dat deze vergunning louter geldend blijft, mits en zolang deze vorm voortduurt. Artikel3.8.9Intrekken van de verhuurvergunning opkoopbescherming Behalve op grond van artikel 44, eerste lid, van de wet (bibob-intrekking), kunnen Burgemeester en wethouders een verhuurvergunning opkoopbescherming in elk geval ook intrekken: als blijkt dat de vergunning is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en zou zijn geweigerd als de juiste of de volledige gegevens bekend waren geweest; indien niet meer wordt voldaan aan de vorm waarvoor de vergunning is verleend als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.8.5, in het geval genoemd in artikel 41, derde lid, onder c, van de wet, of artikel 3.8.6. HOOFDSTUK4VERDERE BEPALINGEN Paragraaf1Handhaving en toezicht Artikel4.1.1Handelen zonder of in strijd met een vergunning Hij die handelt in strijd met enig aan de vergunning als bedoeld in artikel 8, 21 of 22 van de wet verbonden voorschrift, wordt geacht zonder vergunning te hebben gehandeld. Artikel4.1.2Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de daartoe door het college op grond van artikel 33, eerste lid van de wet aangewezen ambtenaren. Artikel4.1.3Bestuurlijke boete 1.Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de verboden bedoeld in artikel 8 en 21, 22, 23a, 23b, 23c, 23e, 41, eerste lid van de wet of handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 24 van de wet. 2.Indien burgemeester en wethouders gebruikmaken van de bevoegdheid uit het eerste lid leggen zij een boete op: voor overtredingen in de zin van artikel 8 van de Huisvestingswet overeenkomstig tabel 1 in bijlage 2. voor overtredingen in de zin van artikel 21, onderdelen a tot en met d van de Huisvestingswet, artikel 22, eerste lid, artikel 23a, 23b, 23c, 23d, 23e, 41, eerste lid of handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 24 van de Huisvestingswet overeenkomstig de tabel 2 in bijlage 2. 3.De bestuurlijke boete wordt verhoogd met 100 procent van het boetebedrag, indien de overtreding is begaan bij een bedrijfsmatige exploitatie van woonruimte. 4.Onverminderd het bepaalde in het vorige lid kan de bestuurlijke boete, met uitzondering van de bestuurlijke boete voor overtreding van artikel 8, eerste lid wederom worden verhoogd, indien binnen een tijdvak van drie jaar voorafgaand aan de constatering van de overtreding een andere overtreding van eenzelfde voorschrift is geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden. 5.Onverminderd lid 3 en lid 4 wordt voor de schending van de registratieplicht in beginsel in alle gevallen de maximale geldboete opgelegd. 6.De bedragen in bijlage 2 als bedoeld in het tweede lid worden geïndexeerd overeenkomstig de boetemaxima uit artikel 23 van het Wetboek van Strafecht. Voor boetebedragen onder een maximum bedrag geldt dat deze relatief worden geïndexeerd overeenkomstig de boetemaxima als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel4.1.4Handhavingsbevoegdheden college van burgemeester en wethouders 1.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot oplegging van een verbod tot het in gebruik geven van een woonruimte voor toeristische verhuur in de zin van artikel 33a sub a van de Huisvestingswet. 2.Burgemeester en wethouder zijn bevoegd tot het geven van een aanwijzing in de zin van artikel 33a sub b van de Huisvestingswet. Paragraaf2Restbepalingen Artikel4.2.1Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van deze verordening, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de betrokkene. Deze bepaling geldt alleen voor die gevallen waarin niet al een specifieke hardheidsclausule van toepassing is. HOOFDSTUK5OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel5.1Overgangsbepalingen 1.Vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen, met inbegrip van daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige verordening verleend, gelden als vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen en indicaties, met inbegrip van daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften als bedoeld in deze verordening. 2.Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de onderhavige verordening blijft van toepassing op een huisvestingsvergunning of een beschikking tot weigering, wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is. 3.Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de onderhavige verordening blijft van toepassing op een beschikking tot toepassing van een bestuurlijke sanctie, genomen wegens de overtreding van het bepaalde bij of krachtens de Huisvestingswet, of een beschikking tot weigering, wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is. 4.Op aanvragen tot vergunningen, urgentieverklaringen en besluiten op grond van de Huisvestingsverordening Diemen 2021 ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige verordening is vanaf het moment van inwerkingtreding van de nieuwe verordening deze nieuwe verordening van toepassing. 5.De voor inwerkingtreding van deze verordening vastgestelde beleidsregels blijven onverkort van toepassing indien ze door de inwerkingtreding van deze verordening niet worden gewijzigd. 6.Voor op het moment van inwerkingtreding van de onderhavige verordening bestaande aanbieders van woonruimte voor toeristische verhuur treedt het verbod van artikel 3.7.2 in werking zes maanden na de inwerkingtreding van het betreffende verbod. 7.Voor een onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming die in de zin van de Huisvestingsverordening vergunningsvrij heeft plaatsgevonden (voordat een vergunningsplicht gold voor de betreffende activiteit) geldt dat de vergunningplicht van artikel 3.1.3 voor die onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming niet van toepassing is. Artikel5.2Intrekking van de Huisvestingsverordening gemeente Diemen 2021 1.De Huisvestingsverordening gemeente Diemen 2021 wordt ingetrokken op het moment van inwerkingtreding van de onderhavige verordening als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, met uitzondering van Hoofdstuk 2, de artikelen 2.2.4, 2.2.4a en 2.4.8 lid 2 onder a. 2.Hoofdstuk 2, de artikelen 2.2.4, 2.2.4a, en 2.4.8 lid 2 onder a van de Huisvestingsverordening gemeente Diemen 2020, blijven van kracht en worden ingetrokken op het moment van inwerkingtreding van de bepalingen als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid. Op deze artikelen blijft de citeertitel Huisvestingsverordening gemeente Diemen 2020 van toepassing. Artikel5.3Inwerkingtreding 1.Met uitzondering van artikel 1, onder mmm, de artikelen 2.4.5, 2.4.5a, 2.4.7, 2.4.8 en 2.4.9, de paragraven 2.5 en 2.6, artikel 2.7.3 lid 3. treedt deze verordening in werking op de dag na haar bekendmaking in het Gemeenteblad. 2.Artikel 1 onder mmm (Woonpunten), de artikelen 2.4.5, 2.4.5a, 2.4.7, 2.4.8, 2.4.9, paragrafen 2.5 en 2.6 en artikel 2.7.3 lid 3.van deze verordening treden in werking op een door burgemeester en wethouders te bepalen tijdstip. 3.Deze verordening vervalt na de inwerkingtreding van een nieuwe huisvestingsverordening of op 1 juli 2026. Artikel5.4Omzetten inschrijfduur naar wachtpunten 1.De inschrijfduur van een woningzoekende als bedoeld in artikel 2.4.5 eerste lid wordt bij de inwerkingtreding van dit artikel uit deze verordening omgezet naar wachtpunten in de verhouding 1:1. 2.Wachtpunten als gevolg van omgezette woonduur gelden uitsluitend als de kandidaat nog woont in de woonruimte waar de woonduur is opgebouwd en deze leeg oplevert bij verhuizing. 3.De wachtpunten die zijn ontstaan door in inschrijfduur omgezette woonduur vervallen op 1 juli 2030. Artikel5.5Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als “Huisvestingsverordening Diemen 2022”. OndertekeningAldus vastgesteld door de raad van de gemeente Diemen in zijn openbare vergadering te Diemen d.d. …………… 2022,De voorzitter, E. Boog De griffier,M. Van EngelshovenBijlage1Complexen Complexen zonder vergunningplicht voor het gebruik als studentenwoning, shortstay of kamergewijze verhuur als bedoeld in artikel 3.1.1 Studentenwoningen Straatnaam Huisnummers Postcode Dalsteindreef (Greystar) 1022 – 3518 1112 XC Dalsteindreef(Greystar) 4101 – 5916 1112 XJ Studentenwoningen/kamergewijze verhuur Straatnaam Huisnummers Postcode Rode Kruislaan (De Key) 1101 – 1134 1111 XA Rode Kruislaan (De Key) 1201 – 1234 1111 XB Rode Kruislaan (De Key) 1301 – 1334 1111 XC Rode Kruislaan (De Key) 1401 – 1434 1111 XD Rode Kruislaan (De Key) 1501 – 1535 1111 XE Te gebruiken voor studentenwoningen en short stay Straatnaam Huisnummers Postcode Dalsteindreef (Greystar) 6007 – 6929 1112 XJ Dalsteindreef (Greystar) 7001 – 7911 1112 XJ Dalsteindreef (Greystar) 61014 – 61429 1112 XJ Tijdelijk te gebruiken voor studentenwoningen en kamergewijze verhuur Straatnaam Huisnummers Postcode Bergwijkdreef (de Key) 54 – 552 1112 XX Bergwijkdreef (de Key) 560-1066 1112 XZ Bijlage2Bestuurlijke boete Tabel 1 bestuurlijke boete onrechtmatig in gebruik nemen of geven van woonruimte Wettelijke bepaling Huisvestingswet Type overtreding Kolom A Kolom B Recidive Overtreding < 3 jaar na de eerste overtreding Boete In gebruik nemen van woonruimte zonder huisvestingsvergunning door de huurder 8, eerste lid n.v.t. € 435,- n.v.t. In gebruik geven van woonruimte zonder huisvestingsvergunning Niet bedrijfsmatig: Bedrijfsmatig: 8, tweede lid door huurder of eigenaar met één woonruimte in de verhuur € 3.250,- € 6.500,- € 7.000,- € 14.000,- In gebruik geven van woonruimte zonder huisvestingsvergunning Niet bedrijfsmatig: Bedrijfsmatig: 8, tweede lid door huurder of eigenaar met meer dan één woonruimte in de verhuur € 6.750,- € 13.500,- € 10.000,- € 20.000,- In gebruik geven van woonruimte zonder huisvestingsvergunning Niet bedrijfsmatig: Bedrijfsmatig: 8, tweede lid door een huurder tegen een hogere huurprijs dan door hemzelf feitelijk wordt betaald € 6.750,- € 13.500,- € 10.000,- € 20.000,- Tabel 2 bestuurlijke boete woningonttrekking, samenvoeging en woningvorming Wettelijke bepaling Huisvestingswet 2014 Type overtreding Kolom A Kolom B Boete Boete bij recidive Overtreding < 3 jaar na de eerste overtreding Woningonttrekking Niet bedrijfsmatig: Bedrijfsmatig: 21, eerste lid, onder a en 26 Onttrekken zonder vergunning € 8.750,- € 17.500,- € 10.375,- € 20.750,- Niet bedrijfsmatig: Bedrijfsmatig: Onttrekken met vergunning, maar schending voorwaarden of voorschriften € 4.000,- € 8.000,- € 10.375,- € 20.750,- Samenvoegen Niet bedrijfsmatig: Bedrijfsmatig: 21, eerste lid, onder b en 26 Samenvoegen zonder benodigde vergunning € 8.750,- € 17.500,- € 10.325,- € 20.750,- Niet bedrijfsmatig: Bedrijfsmatig: Samenvoegen met vergunning, maar schending voorwaarden of voorschriften € 4.000,- € 8.000,- € 10.375,- € 20.750,- Omzetting Niet bedrijfsmatig: Bedrijfsmatig: 21, eerste lid, onder c en 26 Omzetting zonder benodigde vergunning € 8.750,- € 17.500,- € 10.375,- € 20.750,- Niet bedrijfsmatig: Bedrijfsmatig: Omzetting met vergunning, maar schending voorwaarden of voorschriften € 4.000,- € 8.000,- € 10.375,- € 20.750,- Woningvorming Niet bedrijfsmatig: Bedrijfsmatig: 21 onder d en 26 Verbouwen van een woonruimte tot twee of meer woonruimten (woningvormen) zonder benodigde vergunning € 8.750,- € 17.500,- € 10.325,- € 20.750,- Niet bedrijfsmatig: Bedrijfsmatig: Woningvorming met vergunning, maar schending voorwaarden of voorschriften € 4.000,- € 8.000,- € 10.325,- € 20.750,- Zonder vergunning splitsen in appartementsrechten 22 Ontbreken vergunning € 4.000 € 8.000 Aanbod woonruimte voor toeristische verhuur zonder registratienummer 23a Schending registratieplicht € 8.700,- N.v.t. In gebruik geven van een binnen de opkoopbescherming aangewezen woonruimte zonder vergunning 41, eerste lid In gebruik geven zonder benodigde vergunning € 8.000,- € 21.750 Onderscheid niet-bedrijfsmatige exploitatie en bedrijfsmatige exploitatie Van een bedrijfsmatige exploitatie is in de volgende gevallen sprake: De overtreder verhuurt aantoonbaar meerdere woonruimten. Uit de omvang van de exploitatie blijkt het bedrijfsmatige aspect. Iemand die zich bedrijfsmatig bezig houdt met exploitatie behoort de regelgeving te kennen. De overtreder houdt zich beroepsmatig bezig met regelgeving omtrent huisvesting en exploitatie van onroerend goed. Hieronder vallen in ieder geval: vastgoedontwikkelaars, makelaars, woning- en kamerbemiddelingsbureaus en bedrijven die zich bezig houden met huisvesting van hun eigen werknemers. Het bedrijfsmatige aspect van de exploitatie vloeit voort uit de aard van het bedrijf of beroep van de overtreder. Uit de omvang van onzelfstandige bewoning kan ook een bedrijfsmatig karakter van de exploitatie blijken: bij meer dan vier personen, kan dit aangemerkt worden als kamerverhuur in de zin van het Bouwbesluit 2012. De exploitant dient bij een exploitatie van die omvang ook te zorgen voor een brandveilig gebruik en op de hoogte te zijn van de overige regelgeving. Onttrekking van woonruimte is enkel bedrijfsmatig indien dit vanuit commercieel oogpunt plaatsvindt. Onttrekking in het kader van het voeren van een bedrijf (opslag supermarkt, meelsilo voor een bakkerij, of een logiesfunctie), maar ook het in gebruik hebben van woonruimte met een hennepkwekerij, is als een onttrekking vanuit commercieel oogpunt te beschouwen. Samenvoeging van een woonruimte is niet bedrijfsmatig, tenzij de overtreder zich beroepsmatig bezig houdt met huisvesting en exploitatie van onroerend goed. Hieronder vallen in ieder geval: vastgoedontwikkelaars, makelaars, woning- en kamerbemiddelingsbureaus en bedrijven die zich bezig houden met huisvesting van hun eigen werknemers. Het bedrijfsmatige aspect van de exploitatie vloeit voort uit de aard van het bedrijf of beroep van de overtreder. Recidive Van recidive is sprake indien binnen 3 jaar na beëindiging van een overtreding van een bepaald artikel opnieuw dezelfde overtreding van hetzelfde artikel wordt begaan. Toelichting bij de Huisvestingsverordening Diemen 2022 Deze toelichting bij de Huisvestingsverordening Diemen 2022 kent een indeling in twee delen. In deel A wordt een algemene toelichting op de verordening gegeven. In deel B wordt aanvullend een toelichting per artikel gegeven, voor zover dat niet in de algemene toelichting aan bod is gekomen. A. ALGEMENE TOELICHTING 1. Aanleiding In Diemen was tot 2021 de Huisvestingsverordening Diemen 2017 van kracht. Een Huisvestingsverordening heeft een maximale geldigheid van vier jaar. De Woonvisie en de gesprekken hierover met de gemeenteraad in 2018 vormden de basis om te komen tot een aantal aanscherpingen van de Huisvestingsverordening. Die zijn in twee stappen ingevoerd, namelijk in 2020 en 2021. Dit is gedaan omdat de nieuwe Huisvestingswet en de nieuwe regels voor de woonruimteverdeling in de eerste stap nog niet verwerkt konden worden. De eerste stap vond plaats in 2020 en leidde tot de Huisvestingsverordening Diemen 2020. De onderstaande wijzigingen zijn opgenomen in de Huisvestingsverordening Diemen 2020: Invoeren vergunningstelsel voor gebruik van woonruimte. Regels voor: Bed & Breakfast, kamergewijze verhuur, shortstay hospitaverhuur, woningdelen, woningvorming, splitsing in appartementsrechten, samenvoeging en gebruik als tweede woning; We regelden de toewijzing van middenhuurwoningen waarop de Verordening doelgroepen woningbouw Diemen 2019 van toepassing is. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt dit indien nodig geregeld in het omgevingsplan of andere regelgeving; We regelden dat leerkrachten in het Diemense basisonderwijs makkelijker aan een sociale huurwoning kunnen komen; We pasten de artikelen over de experimenten met de woonruimteverdeling aan; We repareerden evidente omissies, bijvoorbeeld het schrappen van de verwijzing naar de Stuurgroep Wonen die niet meer bestaat. De tweede stap vormt de Huisvestingsverordening Diemen 2021. De wijzigingen hebben betrekking op: Verwerken van de nieuwe regionale woonruimteverdelingsregels die in maart 2021 door de gemeenteraad zijn goedgekeurd; Aansluiten van de Diemense Huisvestingsverordening op andere huisvestingsverordeningen in de regio; Verwerken nieuwe Huisvestingswet, met name de verwerking van de nieuwe regels voor toeristische verhuur; Aanpassen van de regels voor lokale voorrang; Verbeteringen doorvoeren en oplossen van fouten in de Huisvestingsverordening Diemen 2020. De derde stap vond plaats in 2022. De wijzingen hebben betrekking op: Invoeren Wet opkoopbescherming en verruiming mogelijkheden tijdelijke verhuur. De huisvestingsverordening 2022 is in overeenstemming gebracht met de toekomstige Omgevingswet; Artikel 3.3.4 overdracht voorraadvergunning is toegevoegd; Artikel 3.3.5 intrekken vergunning is toegevoegd; Artikel 3.6.5 Intrekken vergunning is toegevoegd; De boeteparagraaf is aangepast. Ook bij overtreding van artikel 22 en 41, eerste lid, van de Bedragen zijn aangepast naar de meest actuele prijspeilen; Verwijzingen zijn n.a.v. wijzigingen aangepast; Grammaticale- en spellingsfouten zijn hersteld. 2. Waarom regels over woonruimteverdeling, voorraadvergunningen en toeristische verhuur? Om regels te mogen stellen is het van belang dat er zicht is of er sprake is van schaarste aan woningen in Diemen en welke categorieën dit betreft. In februari 2020 is de rapportage Wonen in de Metropoolregio Amsterdam (WiMRA) verschenen. De rapportage bestaat uit: Hoofdrapport; WiMRA in perspectief Deelrapport woningvoorraad en bewoning Deelrapport Woonwensen en recent verhuisden Deelrapport Prettig wonen (over duurzaamheid en leefbaarheid) Een specifieke factsheet over de gemeente Diemen Zie ook https://www.metropoolregioamsterdan.nl/wimra2019/ Uit deze rapportages blijkt dat de woningtekorten in de voorgaande jaren alleen maar zijn toegenomen. Citaat: ”De woningbehoefte in de MRA is groot en het tekort is toegenomen, ondanks de versnelling van de woningproductie naar rond de 16.000 woningen per jaar in de afgelopen twee jaar. De groei van de woningbehoefte is vooral toe te schrijven aan de grote instroom uit het buitenland naar deze regio en met name naar Amsterdam. Deze instroom is veel groter dan voorzien in de prognoses. In alle zeven deelregio’s van de MRA willen bovendien meer mensen verhuizen dan in 2017. Een groot verschil met de voorgaande periode is dat het vertrek uit de MRA naar de rest van Nederland sterk is toegenomen en dat tegelijkertijd minder mensen vanuit andere delen van Nederland naar de MRA zijn verhuisd. Vooral gezinnen in de MRA trokken vaker (+25%) naar een woning elders in Nederland. Een veel genoemde reden voor vertrek is de wens om rustiger te wonen. Ook hangt de vertrekwens samen met het beperkte aanbod van passende woonruimte voor een acceptabele prijs. In de MRA-gemeenten waar woningzoekenden met een laag middeninkomen voorheen nog keuze hadden, zijn de prijzen namelijk sterk gestegen.” De gemeente Diemen heeft zich grote moeite getroost om het woningtekort terug te dringen en ongewenste effecten hiervan tegen te gaan. Zo is in het nieuwbouwprogramma meer ingezet op sociale huur en middeldure huur, is voor de eerste nieuwbouwcomplexen een zelfbewoningsplicht ingevoerd en heeft zij de Verordening doelgroepen woningbouw Diemen 2019 vastgesteld.Tot slot heeft de gemeente met de woningcorporaties prestatieafspraken gemaakt over de omvang van de voorraad sociale huurwoningen. Echter, dit is nog niet genoeg om aan de groeiende vraag te voldoen, zo blijkt uit bovengenoemd onderzoek. Het blijkt niet eenvoudig om voldoende locaties voor de gewenste sociale huurwoningen te vinden. Regulering van de vraag is daarom nog steeds nodig en dat is de basis voor deze verordening. Kortom, de schaarste aan sociale huurwoningen en middeldure huurwoningen is onverminderd groot. Het ongewenst gebruik van woonruimte stijgt dientengevolge en daarom maakt de gemeente Diemen ook voor de komende vier jaar gebruik van de mogelijkheid die de Huisvestingswet 2014 biedt om de onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen van schaarste aan woonruimte te bestrijden door in een Huisvestingsverordening regels te stellen over de verdeling van woonruimte. Deze regels beschrijven, kort gezegd, welke groepen woningzoekenden met voorrang in aanmerking komen voor welke categorieën sociale huurwoningen. Ook bevat de verordening regels over de wijze waarop verhuurders hun middeldure huurwoningen verhuren waarop de Verordening doelgroepen woningbouw Diemen 2019 van de gemeente van toepassing is. 3 Reguleren van middeldure huur Doelstelling Per 1 juli 2019 is de Huisvestingswet 2014 gewijzigd. Deze wetswijziging maakt het voor gemeenten mogelijk om regels te stellen om onevenwichtige effecten van schaarste aan woonruimte te bestrijden. Voorheen kon dit enkel met betrekking tot goedkope (sociale) woonruimte. In Diemen is ook sprake van schaarste aan middeldure huurwoningen. Daarmee is het mogelijk om deze nader te reguleren via de Huisvestingsverordening. We willen de vrije markt en de bestaande situaties op dit moment niet te veel aantasten. Gelet daarop willen we, op dit moment, alleen bij via de Verordening doelgroepen woningbouw Diemen 2019 of anderszins aangewezen nieuwbouwprojecten afdwingen dat deze woningen ook beschikbaar worden gesteld aan huurder met een middeninkomen en dat de huurprijzen voor de aangewezen periode gereguleerd blijven. Regels Om het hiervoor genoemde doel te bereiken, moeten we een aantal regels opnemen in de Huisvestingsverordening. Er zijn regels nodig om aan te geven wat middeldure huur is (definitie), en een reikwijdtebepaling (daarmee wordt aangegeven op welke woningen de regels van kracht zijn) en een vergunningsplicht. Met deze toevoeging heeft de gemeente Diemen een werkend systeem. We zorgen voor een koppeling tussen middeldure huurwoningen die via de Verordening doelgroepen woningbouw Diemen 2019 voor tenminste 25 jaar beschikbaar blijven als middeldure huurwoning en de Huisvestingsverordening. De Huisvestingsverordening zorgt ervoor dat het in gebruik nemen van een dergelijke woning vergunningplichtig is en dat de betreffende woning alleen verhuurd kan worden aan iemand met een middeninkomen. Door de aansluiting met de Verordening doelgroepen woningbouw Diemen 2019 zorgen we ervoor dat het aantal middeldure huurwoningen waarop deze verordening van toepassing is, beperkt is. Dit zorgt ervoor dat het aantal vergunningsaanvragen beperkt blijft, waardoor de administratieve lasten voor zowel de gemeente als verhuurders beperkt zijn. Dit voordeel is tegelijkertijd het nadeel van deze manier van reguleren; we dwingen bij een beperkt aantal woningen af dat deze ook daadwerkelijk (met voor de doelgroep acceptabele prijzen) verhuurd worden aan personen met een middeninkomen. 4. Nieuwe regels regionale woonruimteverdeling Zoals boven al betoogd, is er schaarste aan beschikbare sociale huurwoningen in de regio Amsterdam. Om die schaarste eerlijk te verdelen zijn er regels voor woonruimteverdeling die regionaal gelden. Binnen die regels is het voor huishoudens met een dringende behoefte of noodzaak om in de regio te komen wonen of binnen de regio te verhuizen nu erg lastig om woonruimte in de regio te vinden, omdat woningen worden toegewezen op basis van inschrijfduur. Om die reden is een nieuw beleid voor woonruimteverdeling ontwikkeld. Dit heeft opengestaan voor inspraak in de zomer van 2020 en de uitkomsten zijn in deze huisvestingsverordening verwerkt. In het nieuwe systeem bouwen woningzoekenden nog steeds inschrijfduur op: de naam verandert in wachtpunten. Daarnaast kunnen zij hun kans op een woning beïnvloeden door actief te zoeken: dan worden zoekpunten opgebouwd. Voor woningzoekenden met een urgentieverklaring veranderen de regels voor toewijzing niet, maar meer urgenten zullen worden geplaatst door directe bemiddeling. Er zijn groepen woningzoekenden die niet in aanmerking komen voor een urgentieverklaring maar voor wie de noodzaak om te verhuizen wel groter is dan voor anderen: in geval van echtscheiding of een re

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.