Welstandsnota gemeente Maashorst 2023De raad van de gemeente Maashorst; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders 28 november 2023: gelet op artikel 12a van de Woningwet; b e s l u i t Vast te stellen de Welstandsnota gemeente Maashorst
- In te trekken de Welstandsnota Landerd en de Welstandsnota Uden. 1.Inleiding Op 1 januari 2022 zijn de voormalige gemeentes Landerd en Uden gefuseerd tot de gemeente Maashorst. De fusie van deze twee gemeentes brengt veel kansen met zich mee. De kracht van de kern Uden als stedelijk ontwikkelingsgebied en regionale trekpleister wordt nu nog meer versterkt door de landelijke aantrekkingskracht van de omliggende dorpskernen, en andersom. Als nieuwe gemeente Maashorst werken wij hard aan onze identiteit. Onderdeel hiervan is een prettig woon- en leefklimaat. Welstandsbeleid is één van de belangrijke middelen om zorg te dragen voor de omgevingskwaliteit van onze gemeente. Het is ook iets wat grote impact op onze inwoners kan hebben. Een te strikt welstandsbeleid leidt tot onnodige complicaties bij bouwactiviteiten en hiermee tot frustratie en onbegrip. Een onzorgvuldig welstandsbeleid kan leiden tot afbreuk van de ruimtelijke kwaliteit en hiermee afbreuk aan een prettig woon- en leefklimaat. Welstandsbeleid in Maashorst We hechten aan de vrijheden van onze inwoners en hebben veel vertrouwen in onze inwoners om afwegingen te maken voor het gezamenlijk belang. Ook in het welstandsbeleid handelen wij vanuit dit vertrouwen. Om vorm te geven aan de zorgvuldige afweging in onze welstandszorg gaan wij in de gemeente Maashorst uit van een welstandsvrij beleid waar mogelijk. Dit houdt in dat we op voorhand onderzoeken of het passend en nodig is om enige vorm van welstandstoetsing toe te passen. Is dit niet het geval, dan is er geen welstandstoets nodig. In voormalige gemeente Uden was in 2013 zo’n onderzoek uitgevoerd, dit is de basis geweest voor het welstandsbeleid in Uden. In voormalige gemeente Landerd is zo’n onderzoek nooit uitgevoerd. Artikel 28 van de Wet Algemene regels herindeling (Arhi) stelt dat de huidige welstandsregels binnen twee jaar na fusie vervallen tenzij opnieuw vastgesteld. Dit betekent dat het welstandsbeleid van onze gemeente opnieuw moet worden vastgesteld voor 1 januari
- Om voor 1 januari 2024 het nodige onderzoek voor de gemeente Maashorst uit te voeren is er onvoldoende tijd. Dit houdt in dat wij niet over de gehele gemeente uitspraak kunnen doen of welstandstoetsing nodig is. Om deze reden zien we in ons geharmoniseerde welstandsbeleid twee werkingsgebieden. Werkingsgebied A behandeld de welstandstoetsing in voormalig Landerd en Werkingsgebied B behandeld de welstandstoetsing in voormalig Uden. Voor deze werkingsgebieden gelden de welstandscriteria zoals ze de afgelopen jaren zijn geweest. Leeswijzer Deze welstandsnota valt op te delen in drie delen. Een algemeen deel, en twee delen voor de werkingsgebieden gebaseerd op het welstandsbeleid van de voormalige gemeentes Landerd en Uden. Het eerste deel omvat de algemene regels en werkwijze van het welstandsbeleid in Maashorst en beslaat de hoofdstukken 2 t/m
- Hoofdstuk 2 van deze welstandsnota beschrijft het juridisch en organisatorisch kader van de welstandsnota. In hoofdstuk 3 geven we een beschrijving van het beoordelingskader voor bouwplannen. Hier wordt de systematiek van de welstandscriteria beschreven en wordt tevens aangegeven hoe de criteria dienen te worden toegepast. Hoofdstuk 4 gaat in op de algemene welstandscriteria. Hoofdstuk 5 beschrijft welke welstandscriteria er gelden bij veel voorkomende kleine bouwplannen(objectcriteria). In hoofdstuk 6 gaan we in op de status van reclamerichtlijnen. In deel 2 en 3 gaan we in op de verschillende welstandsniveaus en gebiedsspecifieke welstandscriteria. Deel 2 beslaat hoofdstuk 7 en
- In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de verschillende welstandsniveaus in Werkingsgebied A en in hoofdstuk 8 vind je de gebiedsbeschrijving van de belangrijkste gebieden en wordt toegelicht hoe aan de welstandscriteria getoetst wordt in deze gebieden. Deel 3 beslaat hoofdstuk 9 t/m
- In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de verschillende welstandsniveaus van Werkingsgebied B. Hoofdstuk 10 omschrijft beknopt de historische ontwikkeling van werkingsgebied B. Dit geeft context aan de gebiedsbeschrijving van de belangrijkste gebieden in Werkingsgebied B. Tot slot vindt je in hoofdstuk 11 de gebiedsbeschrijving van de gebieden met welstandsbeleid en wordt toegelicht hoe aan de welstandscriteria wordt getoetst in deze gebieden. Overzicht welstandsniveaus en Beeldkwaliteitsplannen in de gemeente Maashorst Deel 1: Algemeen deel 2Juridisch/organisatorisch kader In dit hoofdstuk wordt aangegeven welke wetten van belang zijn voor het welstandsbeleid. vervolgens wordt aangegeven welke organisatorische keuzes er gemaakt zijn die voortvloeien uit de wettelijke mogelijkheden. 2.1Juridische kaders welstandsnota In dit deel van deze nota is het beleid van de gemeente Maashorst met betrekking tot de ruimtelijke en architectonische kwaliteit voor het grondgebied Werkingsgebied B vastgelegd. De juridische basis van deze nota is beschreven en voorgeschreven in een aantal wetten en verordeningen van de gemeente Maashorst. 2.1.2Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet Twee wetten verplichten Maashorst om beleid met betrekking tot de ruimtelijke en architectonische kwaliteit te hebben. Dit zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Woningwet. Op basis van deze wetten regisseert de gemeente het uiterlijk van de bestaande gebouwde omgeving en van nieuwe ontwikkelingen: De Wabo De Wabo stelt dat niet zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning mag worden gebouwd tenzij een omgevingsvergunning niet is vereist. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk kan alleen verleend worden wanneer wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Een van de voorwaarden is dat het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand. De Woningwet De Woningwet stelt dat de gemeente een nota moet vaststellen, waarin de criteria zijn opgenomen die worden toegepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, voldoen aan redelijke eisen van welstand. Deze nota is de Welstandsnota. Daarnaast stelt de Woningwet dat het uiterlijk van een bestaand bouwwerk – vergund of vergunningsvrij gerealiseerd – niet in ernstige strijd met redelijke eisen van welstand mag zijn. 2.1.2Monumentenwet en de Monumentenverordening Naast de Wabo en de Woningwet die de mogelijkheid bieden het uiterlijk van de bestaande gebouwde omgeving en van nieuwe ontwikkelingen te regisseren, kan de gemeente zich beroepen op de Monumentenwet en de Monumentenverordening om cultuurhistorisch waardevolle onderdelen van de stad te beschermen. Zowel individuele gebouwen als groepen gebouwen of gebieden kunnen vanwege hun schoonheid of wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde worden aangewezen als beschermd monument of als beschermd stadsgezicht. Het rijk en de gemeente kunnen bouwwerken in Werkingsgebied B aanwijzen als beschermd monument. Voor iedere wijziging of toevoeging aan een rijks- of gemeentelijk monument is een omgevingsvergunning voor een monument vereist, waarbij beoordeeld wordt of de wijziging of toevoeging bijdraagt aan het behoud of de versterking van de architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden ervan. In bepaalde gevallen wordt daarnaast beoordeeld of de wijziging of toevoeging voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.2Geldigheid criteria In deze nota zijn de criteria opgenomen waaraan het uiterlijk en de plaatsing van een te bouwen bouwwerk en het uiterlijk van een bestaand bouwwerk moeten voldoen. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met het Besluit omgevingsrecht (Bor) geeft aan wanneer voor een bouwwerk een omgevingsvergunning is vereist. De in deze nota opgenomen criteria voor te bouwen bouwwerken gelden alleen wanneer voor het bouwwerk een omgevingsvergunning is vereist, met uitzondering van de criteria uit de excessenregeling in paragraaf 2.
- De criteria voor bestaande bouwwerken gelden voor alle bestaande bouwwerken. 2.3Wijziging/aanvulling van de welstandsnota Zowel de jaarlijkse evaluatie als een ingrijpende verandering in de oorspronkelijke feiten en omstandigheden waarop het welstandsbeleid was gebaseerd, kunnen aanleiding geven tot aanpassing van het gemeentelijke welstandsbeleid en dus van de welstandsnota. De aanpassingen kunnen partiële dan wel thematische wijzigingen en aanvullingen betreffen. Een partiële wijziging/aanvulling kan nodig zijn naar aanleiding van zodanige fysieke veranderingen in een gebied, dat het bestaande, specifiek voor dat gebied vastgelegde welstandsbeleid niet meer voldoet, dit als gevolg van bijvoorbeeld een totale herinrichting van een gebied, een nieuw te ontwikkelen gebied of het verdwijnen van een markant, voor een omgeving beeldbepalend gebouwd object. Een thematische wijziging geschiedt meestal als gevolg van de verandering van een algemene visie voor een bepaald gebied dan wel gebouwd object, zoals dakkapellen en erkers. Aanvullingen op de welstandnota kunnen ook tussentijds plaatsvinden bijvoorbeeld in de vorm van concrete welstandscriteria voor bepaalde (her)ontwikkelingsprojecten. Indien een dergelijk (her)ontwikkelingsproject voorafgegaan dient te worden door een herziening van het bestemmingsplan, wordt de inspraak gekoppeld aan de reguliere inspraak op het voorontwerpbestemmingsplan, conform de gemeentelijke inspraakverordening. De wijziging/aanvulling van de welstandsnota zal als apart document aan de oorspronkelijke nota worden toegevoegd. Via een voortdurend aan te passen overzichtskaart (bij voorkeur digitaal) wordt actueel inzicht geboden voor welke gebieden van de gemeente de diverse wijzigingen/aanvullingen van de welstandsnota gelden. 2.5Juridische status van de welstandsnota Met deze welstandsnota invulling gegeven aan de in artikel 12a van de Woningwet neergelegde verplichting tot vaststelling van een gemeentelijke welstandsnota door de gemeenteraad. De in de welstandsnota neergelegde criteria zijn geen algemeen verbindende voorschriften, maar beleidsregels als bedoeld in hoofdstuk 4 titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als beleidsregels vormen zij het kader waarbinnen burgemeester en wethouders het welstandstoezicht ‘uitoefenen’. Afwijking van deze beleidsregels is mogelijk, mits goed gemotiveerd. In paragraaf 2.11 wordt beschreven in welke gevallen van het welstandsadvies kan worden afgeweken. De welstandsnota bevat dus het toetsingskader voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voor wat betreft de preventieve beoordeling aan redelijke eisen van welstand. Daarnaast kunnen de in de welstandsnota opgenomen criteria grond vormen voor de toetsing aan redelijke eisen van welstand in geval van een exces bij een vergunningsvrij bouwwerk (zie paragraaf 2.17). Dit geldt niet voor de welstandsvrije gebieden. Repressieve toetsing is dan niet mogelijk. 2.6Het welstandstoezicht Burgemeester en wethouders zijn belast met de bestuurlijke uitvoering van het welstandstoezicht. Voldoet een bouwplan aan redelijke eisen van welstand en zijn er voor het overige geen weigeringsgronden, dan moet op grond van het imperatief-limitatieve stelsel, zoals dat is neergelegd in artikel 2.10 eerste lid Wabo, de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voor het bouwplan worden verleend. De advisering over de welstandsaspecten van een bouwplan is opgedragen aan de welstandscommissie. De adviezen van deze commissie en de in de welstandsnota opgenomen criteria spelen een belangrijke rol bij de besluitvorming over bouwaanvragen. De uiteindelijke besluitvorming met betrekking tot de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen berust bij het college van burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid kan worden gemandateerd, bijvoorbeeld aan een ambtenaar, op grond van hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht. In bepaalde gevallen kan het college gemotiveerd afwijken van het welstandsadvies. In paragraaf 2.11 wordt beschreven in welke gevallen van het welstandsadvies kan worden afgeweken. 2.6.1Supervisor Voor bepaalde (nieuw te ontwikkelen) gebieden kan de gemeente een supervisor aanstellen met als taak de stimulering van de ruimtelijke ontwikkeling en het informeren en begeleiden van initiatiefnemers in de vroege fasen van planvorming. Om misverstanden te voorkomen is het van belang om de relatie tussen de planbegeleiding door de supervisor en de uiteindelijke welstandsbeoordeling door de welstandscommissie vooraf schriftelijk vast te leggen. De supervisor begeleidt opdrachtgevers en ontwerpers meer of minder intensief tijdens het planproces. De rol van een supervisor kan op verschillende manieren worden ingevuld. Deze invulling is weer van invloed op de afbakening van werkzaamheden en verantwoordelijkheden van de supervisor en de welstandscommissie. Bij het aanstellen van een supervisor zal het taakveld ruimtelijke ordening en bouw- en woningtoezicht zorg dragen voor een heldere taakomschrijving en een goede afstemming tussen supervisie en welstandsbeoordeling. Het overleg tussen supervisor en initiatiefnemer is in beginsel niet openbaar, tenzij de supervisor als gemandateerd lid van de welstandcommissie (welstandssupervisor) is belast met het geven van een zelfstandig welstandsoordeel als advies voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen door burgemeester en wethouders. 2.7Welstandstoezicht en de indeling vergunningsplicht bouwwerken Op het welstandstoezicht, zoals dat in de Woningwet zijn basis vindt, is de in de wet neergelegde indeling voor bouwwerken van invloed. In de volgende paragrafen (2.7.1 tot en met 2.7.5) wordt dit onderscheid nader uiteengezet. 2.7.1Onderscheid in vergunningplicht voor bouwwerken Sinds de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010 bevat de Woningwet geen bepalingen meer over het verlenen van bouwvergunningen. Deze bepalingen stonden in afdeling 1 van hoofdstuk IV van de Woningwet. Deze afdeling is vervallen. De vergunning voor bouwen is nu geregeld in artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bovendien is de categorie lichtvergunningsplichtige bouwwerken komen te vervallen en zijn de regels voor vergunningsvrije bouwwerken aangepast. Dit onderscheid heeft ook voor de welstandstoetsing consequenties, die hierna uiteengezet zijn. 2.7.2Vergunningvrije bouwwerken In bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn in artikel 2 de bouwwerken opgesomd waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is, in artikel 3 zijn de bouwwerken opgesomd waarvoor voor de activiteit bouwen geen omgevingsvergunning vereist is. Het bouwen in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening of in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988, is nooit vergunningsvrij. De Monumentenwet is eind 2010 aangepast aan de Wabo. Omgevingsvergunningvrij betekent dat de betreffende bouwwerken niet aan enige preventieve gemeentelijke toets zijn onderworpen. Dit geldt voor de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening, de bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Wel kan repressief worden getoetst aan de constructie-eisen van het Bouwbesluit. Verder zijn ook het zogenaamde Burenrecht, zoals neergelegd in Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, en de ongeschreven (gedrags-)normen van toepassing. Vergunningsvrije bouwwerken binnen welstandsplichtige gebieden kunnen in geval van een exces ook aan een repressieve welstandsbeoordeling onderworpen worden (zie paragraaf 2.17). 2.7.3Voor- en achterkantbenadering Bouwen aan de voorkant van de woning en bij hoekwoningen ook aan de zijkant, heeft meer invloed op de kwaliteit van de leefomgeving dan bouwen aan de achterkant. Aan de voor- en zijkant mag er minder snel vergunningsvrij gebouwd worden dan aan de achterkant van de woning. Het erf om de woning is in het kader van het vergunningsvrij bouwen ingedeeld in voorerfgebied en achtererfgebied. Afhankelijk van de specifieke situatie behoort grond naast de zijgevel van een woning tot het voorerfgebied of tot het achtererfgebied. Het achtererfgebied begint 1 meter achter de voorgevel van de woning. Erf dat naast de woning ligt en direct aan het openbaar toegankelijk gebied grenst is geen achtererfgebied. Openbaar toegankelijk gebied is onder andere: wegen, pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en dergelijke. Fiets- en voetpaden die niet worden gebruikt voor doorgaand verkeer, vallen niet onder het openbaar toegankelijk gebied. Bij een monument is nooit sprake van een vergunningsvrij bouwwerk. Kleine bouwplannen bij monumenten moeten altijd voorgelegd worden aan de welstandscommissie. Ook wordt altijd advies gevraagd aan de monumentencommissie. In hoofdstuk 8 wordt hier nader op ingegaan. 2.7.4De gefaseerde (reguliere) vergunningverlening In de Wabo is in artikel 2.5 een regeling opgenomen met betrekking tot een gefaseerde vergunningverlening. Wordt een bouwaanvraag gefaseerd ingediend, dan dient daarop door burgemeester en wethouders ook gefaseerd te worden beslist. Een gefaseerde vergunningverlening kan tijd- en kostenbesparend werken, aangezien met de definitieve bouwtechnische uitwerking van een bouwplan kan worden gewacht tot het moment dat zekerheid is verkregen over de aanvaardbaarheid van het bouwplan voor wat betreft de welstandstoetsing en planologische toetsing. 2.8De welstandscommissie De samenstelling en de werkwijze van de welstandscommissie is vastgelegd in de gemeentelijke bouwverordening en hierin opgenomen reglement op de adviescommissie. 2.9Het vragen van advies aan de welstandscommissie Burgemeester en wethouders vragen de welstandscommissie om advies met betrekking tot een bij hen ingediend bouwplan. Haar welstandsadvies baseert de welstandscommissie op de welstandscriteria zoals die door de gemeenteraad in de gemeentelijke welstandsnota zijn vastgelegd. Daarnaast bestaat de mogelijkheid tot het voorleggen om advies van principeverzoeken en schetsplannen. 2.9.1Principeverzoek en schetsplan De mogelijkheid om via een schetsplan een zogenaamde principe-uitspraak van de welstandcommissie te verkrijgen blijft aanwezig. Het gaat in dat geval echter niet om een formele (gefaseerde) aanvraag, maar om een zogenaamd principeverzoek. Een dergelijke werkwijze heeft het voordeel dat al in een vroegtijdig stadium duidelijkheid ontstaat over de welstandsaspecten. Vooral wanneer het gaat om een langdurig en complex ontwikkelingsproces van een bouw- en/of ontwikkelingsplan, waarbij een tussentijds (sturend) standpunt van de welstandscommissie gewenst is, is deze werkwijze zeker aanbevelingswaardig. Ook in minder complexe aangelegenheden kan er behoefte bestaan aan een principe-uitspraak, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van een bouwplan in een stedenbouwkundig en/of architectonisch gevoelige omgeving. Teneinde verwarring te voorkomen dient in het principeverzoek uitdrukkelijk te worden aangegeven dat het niet om een bouwaanvraag gaat. Van tevoren dient ook bij een principeverzoek vast te staan in hoeverre het betreffende bouwplan of de ontwikkeling planologisch aanvaardbaar is. 2.10Indieningsvereisten Om een plan goed te kunnen beoordelen dient de aanvrager voldoende informatie over het plan te verstrekken. De kwaliteit van het aangeleverde materiaal (plattegronden, tekeningen, foto's etc.) moet een goed beeld geven van het bouwplan en de relatie met de omgeving. In de Mor staan de indieningsvereisten van de aanvraag om omgevingsvergunning. De commissie kan zich een goed oordeel vormen als tenminste de volgende zaken worden aangeleverd: Een situatietekening met de omliggende bebouwing, beplanting, straatnaam, noordpijl alsmede de volledige kadastrale gegevens (minimaal schaal 1:1000); Foto's van de bestaande situatie en de omgeving; Tekeningen van plattegronden, gevelaanzichten en doorsneden (minimaal schaal 1:100). Bij verbouwingsplannen dienen ook de tekeningen van de bestaande toestand toegevoegd te worden. Tekeningen van de principedetails die verband houden met het uiterlijk van het bouwwerk (dakranden, goten, dakkapellen, kozijnen etc.) (minimaal schaal 1:20); Tekeningen van de terreinafscheiding langs de perceelsgrenzen; Kleurenschema's en een materiaallijst; Kopieën van de relevante criteria uit de welstandsnota. Wanneer het plan een monument betreft, dient de redengevende beschrijving van het monument bij de behandeling van het plan beschikbaar te zijn. Bij grote projecten kan de welstandscommissie een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving vragen om de schaal en massa te kunnen beoordelen. 2.11Afwijking van het welstandsadvies door B&W Bestuurlijk is het bevoegd gezag, in deze meestal het college van burgemeester en wethouders, verantwoordelijk voor de afgifte van omgevingsvergunningen. Het oordeel van de commissie betreft een advies. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om - mits deugdelijk gemotiveerd - van het welstandsadvies af te wijken. De welstandscommissie dient van een eventuele afwijking van het advies op de hoogte te worden gesteld. Bovendien dient in de verplichte jaarlijkse verslaglegging aan de gemeenteraad door het college van burgemeester en wethouders aangegeven te worden in welke gevallen en op welke gronden men van de advisering is afgeweken. In de volgende gevallen kan van het welstandsadvies worden afgeweken: Afwijking op welstandelijke gronden: Het bevoegd gezag (college van burgemeester en wethouders) is van oordeel dat de commissie de welstandscriteria niet juist heeft toegepast, dan wel de verkeerde criteria aan het advies ten grondslag heeft gelegd. Het betreft hier een afwijking op inhoudelijk welstandelijke gronden. Indien een dergelijke situatie zich voordoet zal, alvorens een beslissing wordt genomen op de omgevingsvergunning en binnen de wettelijke beslistermijn, een second opinion worden gevraagd. Ook deze second opinion heeft echter het karakter van een advies. Gelet op de wettelijke beslistermijnen zal zich deze situatie alleen voordoen bij een omgevingsvergunningaanvraag. Afwijking op andere dan welstandelijke gronden: Het bevoegd gezag krijgt volgens artikel 2.10 lid 1 aanhef en onder d Wabo de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning te verlenen indien het van oordeel is dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Het bevoegd gezag zal uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke niet snel ondergeschikt wordt geacht aan de economische of maatschappelijke belangen. 2.12Afwijking van de welstandscriteria door welstandscommissie De welstandscommissie zal op enig moment in haar advies willen afwijken van de in de welstandsnota opgenomen criteria. Het zal hierbij in het algemeen een bouwplan betreffen dat weliswaar niet voldoet aan (enige van) de vastgestelde gebiedsgerichte of objectgerichte criteria of aan de criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen, maar dat desalniettemin voldoet aan redelijke eisen van welstand. Hierbij vindt dan een beoordeling plaats aan de hand van de algemene welstandscriteria. Een dergelijke afwijking dient door de welstandscommissie gemotiveerd te worden. Nemen burgemeester en wethouders dit advies over, dan dienen ook zij hun besluit te motiveren. Voor de aspirant-bouwer bestaat er de mogelijkheid om de welstandscommissie een mondelinge toelichting op het uitgebrachte (negatieve) welstandsadvies te vragen. Op grond van hetgeen door de aanvrager en/of architect hierop wordt ingebracht, bestaat de mogelijkheid dat de commissie tot een ander oordeel komt en alsnog een positief welstandsadvies over het bouwplan uitbrengt aan het college van burgemeester en wethouders. Dit geschiedt uiteraard in de fase voorafgaande aan het collegebesluit met betrekking tot de bouwaanvraag. 2.13Vorm en inhoud van het welstandsadvies De welstandscommissie beoordeelt het bouwplan en brengt daarover schriftelijk advies uit aan burgemeester en wethouders. Het advies wordt door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, dan wel bij het schetsplan. De welstandsadviezen zijn niet gericht op zaken die geen betrekking hebben op het welstandstoezicht. Het geeft aan of ‘het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkelingen daarvan’ (artikel 12 lid 1 Ww), niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Alle adviezen, behoudens het positieve advies, worden schriftelijk gemotiveerd. De positieve adviezen worden gemotiveerd op verzoek van het college of indien daar vanuit andere overwegingen aanleiding toe is. Het welstandsadvies kan wel aanbevelingen bevatten voor beleid of procedurele zaken die naar de mening van de commissie in acht genomen zouden moeten worden. 2.14Openbaarheid van vergadering en mondelinge toelichting Openbaarheid van vergadering is het uitgangspunt. Een aanvrager kan indien gewenst plannen mondeling toelichten bij de openbare vergadering 2.15De mogelijkheid tot het indienen van bezwaar en beroep Tegen het welstandsadvies op zichzelf kan niet afzonderlijk bezwaar worden gemaakt. Het gaat immers om een (deel)advies dat onderdeel is van het proces om te komen tot omgevingsvergunningverlening. Tegen het uiteindelijke besluit tot verlening van de omgevingsvergunning kunnen belanghebbenden wel bezwaar maken, dit op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Is men het dus niet eens met het welstandsoordeel over een bepaald bouwplan, dan dient men bezwaar te maken tegen de uiteindelijke beslissing op de aanvraag om omgevingsvergunning, waarbij de grond van het bezwaar is gelegen in het welstandsaspect. Het welstandsaspect kan zowel de inhoud van het welstandsadvies als de totstandkoming ervan (vorm van behandeling) betreffen. 2.16Relatie met andere plannen en nota's In het onderstaande wordt ingegaan op de relatie van de welstandsnota met andere gemeentelijke plannen, nota's en beleidsterreinen. 2.16.1Bestemmingsplannen De gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente is in het bijzonder vastgelegd in bestemmingsplannen. Een bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken ‘voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening’. De welstandstoets mag niet leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren. Het bestemmingsplan vormt als het ware het ruimere kader waarbinnen de welstandsbeoordeling zich beweegt. Een en ander vindt zijn basis in artikel 9 van de Woningwet (‘voorrangsregeling’), waarin is bepaald dat voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften (= regels) van het desbetreffende bestemmingsplan de bepalingen van de bouwverordening buiten toepassing blijven. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Welstandscriteria kunnen waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan biedt, invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Het welstandsadvies kan zich dan richten op de gekozen invulling binnen het bestemmingsplan. In de toelichting bij een bestemmingsplan worden de beleidsuitgangspunten in een stedenbouwkundige paragraaf (met een verwijzing naar het welstandsbeleid) opgenomen. De welstandscommissie kan hierbij om advies worden gevraagd. 2.16.2Beeldkwaliteitsplannen Aan een planontwikkeling kan een beeldkwaliteitsplan worden gekoppeld. In een beeldkwaliteitsplan worden de randvoorwaarden voor verdere planvorming neergelegd. Het beeldkwaliteitsplan is geen wettelijke planfiguur. Een beeldkwaliteitsplan kan niet zonder meer worden beschouwd als een wijziging/aanvulling van de welstandsnota. Dit vloeit op de eerste plaats voort uit het feit dat een welstandsnota enkel toetsingscriteria met betrekking tot de architectonische vormgeving kan bevatten. In een beeldkwaliteitsplan daarentegen komen, zoals hiervoor reeds is gesteld, over het algemeen naast architectonische aspecten tevens ruimtelijke randvoorwaarden aan de orde, zoals stedenbouwkundige aspecten en de inrichting van de openbare ruimte. Daarnaast dient in tegenstelling tot een beeldkwaliteitsplan de welstandsnota en een wijziging/aanvulling daarvan de inspraakprocedure te doorlopen en te worden vastgesteld door de gemeenteraad. Dat is een wettelijk vereiste. Indien het de bedoeling is het beeldkwaliteitsplan als juridisch bindend toetsingskader te laten functioneren en het architectonisch gedeelte ervan onderdeel te laten uitmaken van het gemeentelijke welstandbeleid, dan zal het beeldkwaliteitsplan dezelfde procedure moeten doorlopen als vereist voor de welstandsnota: inspraak en vaststelling door de gemeenteraad. Een beeldkwaliteitsplan bevat in de regel een beschrijving van de stedenbouwkundige situatie en het ruimtelijk concept voor de inpassing van een plan zijn omgeving. Deze beschrijving mondt uit in een concrete welstandscriteria die als onderdeel van een beeldkwaliteitsplan worden vastgesteld. In principe is het de bedoeling om deze criteria zoveel mogelijk in een identieke vorm te gieten als de criteria die uit de welstandnota. In het kader van de rechtszekerheid dient tevens expliciet te worden aangegeven, dat het vastgestelde beeldkwaliteitsplan als wijziging/aanvulling onderdeel zal gaan uitmaken van de welstandsnota. Een vastgesteld beeldkwaliteitsplan zal worden opgenomen op een overzichtskaart met het welstandsbeleid. Na vaststelling van het beeldkwaliteitsplan wordt het vervolgens in de welstandsnota opgenomen. Voor de beschrijving wordt verwezen naar het vastgestelde beeldkwaliteitsplan, deze zijn op te vragen bij de gemeente. In bijlage 3 is een lijst opgenomen met de beeldkwaliteitsplannen die op het moment van de vaststelling van de welstandsnota van kracht zijn. 2.16.3Monumenten Voorop dient te worden gesteld, dat in de Woningwet -evenals dat in de Woningwet 1991 het geval was- is geregeld dat bouwen op, bij, aan of in een monument of in een door het rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988 nooit vergunningsvrij is. Ook met invoering van de Wabo en de wijzing van de Monumentenwet geldt dit nog steeds. Naast een welstandstoetsing is tevens een toetsing in het kader van de monumentenwet nodig. Beide toetsingen verschillen inhoudelijk: De ‘monumentale’ toetsing vindt plaats aan de hand van de beschrijving die ten grondslag heeft gelegen aan de aanwijzing tot monument. De wijziging aan het bouwwerk wordt beoordeeld binnen het kader van de monumentale en historische waarde ervan, zoals vastgelegd in de beschrijving. Conservering van het bouwwerk in zijn oorspronkelijke, vastgelegde staat is uitgangspunt. In de welstandstoetsing wordt het te wijzigen bouwwerk beoordeeld naar redelijke eisen van welstand van het bouwwerk op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving. Deze toetsing geschiedt aan de hand van de in de welstandsnota vastgelegde welstandcriteria. De welstandsbeoordeling heeft niet de conservering van het bouwwerk tot uitgangspunt. Toetsing in het kader van de monumentenwetgeving vindt plaats door de monumentencommissie, die zelfstandig kan functioneren dan wel gecombineerd of geïntegreerd met de welstandscommissie. Beide toetsingen dienen echter onafhankelijk van elkaar te geschieden en ook te leiden tot twee afzonderlijke adviezen aan burgemeester en wethouders. 2.17Handhaving en excessenregeling In de gemeente Maashorst heeft integrale preventieve en repressieve handhaving in brede zin zowel politieke als bestuurlijke prioriteit. De gemeente voert een actief beleid met betrekking tot het bewaken en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. In preventieve zin speelt voorlichting en het verstrekken van informatie een belangrijke rol. In gevallen waar gebouwd is zonder, dan wel in afwijking van, een omgevingsvergunning krijgt de eigenaar de gelegenheid om (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor het gerealiseerde bouwwerk. Als deze vergunning moet worden geweigerd, bijvoorbeeld vanwege een negatief welstandsadvies, dan zal de eigenaar de situatie moeten veranderen. Burgemeester en wethouders kunnen dan degene die tot het opheffen van de situatie bevoegd is, aanschrijven om binnen een door hen te bepalen termijn de strijdigheid op te heffen. Ook bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen behoeft te worden aangevraagd (vergunningsvrije bouwwerken) moeten aan minimale welstandseisen voldoen (tenzij gelegen in een welstandsvrij gebied). Volgens artikel 12 en 12a van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten worden opgenomen in de welstandsnota. De excessenregeling is niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan. De excessenregeling is uitsluitend van toepassing in gebieden waarvoor een welstandsbeleid geldt. De excessenregeling is dus niet van toepassing in welstandsvrije gebieden. Voor de gemeente Maashorst geldt het criterium dat er bij een ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand sprake moet zijn van een exces. Dat wil zeggen een buitensporigheid in het uiterlijk van het bouwwerk, die ook voor niet-deskundigen evident is. Het gaat hierbij dus om zaken waaraan een groot deel van de mensen zich ergert. Vaak heeft dit betrekking op: het negeren van de omgeving van het bouwwerk; het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk; armoedig materiaalgebruik; toepassing van te felle of te contrasterende kleuren in relatie tot het gehele bouwwerk en/of omgeving; te opdringerige reclames, of; een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de kenmerken van de bebouwingstypen). Vergunningsvrije bouwwerken die voldoen aan de welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen (objectcriteria), zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand. 3Beoordelingskader 3.1Algemeen Een objectieve welstandstoets is uitgangspunt geweest tijdens het opstellen van voorliggende welstandsnota. Met voorliggende nota is een beoordelingskader geformuleerd. Per gebied zijn criteria opgesteld die zo min mogelijk ruimte laten voor vrije interpretatie. Echter, niet alle aspecten van het bouwen zijn op basis van volledig geobjectiveerde criteria te toetsen. Architectuur laat zich niet vangen in louter meetbare eigenschappen. Vandaar dat de toetsing van bouwplannen ook in de toekomst door een onafhankelijke commissie moet plaatsvinden. De toetsing is zo inzichtelijk mogelijk gemaakt door: een overzicht te geven van gebieden met een welstandstoets (ensembles) en welstandsvrije gebieden; de kenmerken van de ensembles te omschrijven; per ensemble zo concreet mogelijk de toetsingswijze toe te lichten of (zoveel mogelijk) objectieve criteria te formuleren; algemene welstandscriteria op te nemen; objectcriteria op te nemen voor veel voorkomende, kleine bouwplannen; een excessenregeling op te nemen, die criteria bevat die te maken hebben met de aanschrijvingsmogelijkheid van burgemeester en wethouders indien een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand (artikel 12 en 12a Woningwet) (zie ook hoofdstuk 2). 3.2Verschillende soorten welstandscriteria Er zijn vier soorten welstandscriteria te onderscheiden in gemeente Maashorst: algemene welstandscriteria; welstandscriteria die voortvloeien uit de karakteristiek van ensembles; welstandscriteria voor de monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/beeldbepalende panden, niet behorende tot een ensemble; welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen (objectcriteria). Voorgenoemde aspecten worden hieronder in het kort beschreven. 3.2.1Algemene welstandscriteria De algemene welstandscriteria richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes. De algemene welstandscriteria worden explicieter gemaakt in gebiedsgerichte criteria en/of objectcriteria. De algemene welstandscriteria geven aan welke interpretatieruimte burgemeester en wethouders en de welstands- en monumentencommissie hebben bij het hanteren van de beoordelingskaders of in een bijzondere situatie waarbij deze beoordelingskaders niet van toepassing zijn. De algemene welstandscriteria worden in hoofdstuk 4 van dit algemeen deel beschreven en zijn geldend voor alle gebieden in de gemeente Maashorst, waarvoor een welstandstoets geldt. 3.2.2Welstandscriteria die voortvloeien uit de karakteristiek van ensembles Gemeente Maashorst bestaat uit verschillende deelgebieden, elk met hun eigen gebieden (ensembles) met eigen stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of architectonische kenmerken. In hoofdstuk 7 vindt je de ensembles van Werkingsgebied A en in hoofdstuk 10 die van Werkingsgebied B. 3.2.3Welstandscriteria voor monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/beeldbepalende panden, niet behorende tot een ensemble Voor monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/beeldbepalende panden die buiten een ensemble liggen zijn specifieke criteria opgesteld. Deze komen in hoofdstuk 7 aan de orde. 3.2.4Welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen Voor veel voorkomende kleine bouwplannen zijn zogenoemde objectcriteria opgesteld. Deze objectcriteria zijn zoveel mogelijk objectief meetbaar en op één A4-tje te beschrijven, zodat de burger vooraf inzicht krijgt of zijn bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. De objectcriteria betreffen veel voorkomende kleine bouwplannen: erfafscheidingen, aan- en uitbouwen, dakkapellen, erkers, zonnepanelen, kozijn- of gevelwijzigingen. De objectcriteria gaan onder andere in op: plaatsing; maatvoering; vormgeving; materiaal- en kleurgebruik. De objectcriteria zijn opgenomen als bijlage bij voorliggende welstandsnota. De objectcriteria gelden uitsluitend voor de gebieden in de gemeente Maashorst waarvoor een welstandstoets geldt. In welstandsvrije gebieden vindt geen welstandstoetsing plaats, dus ook niet aan de objectcriteria. Kleine bouwplannen bij monumenten moeten altijd voorgelegd worden aan de welstandscommissie. De objectcriteria zijn hier niet altijd te hanteren. Bij een monument kunnen striktere eisen gesteld worden. 3.3Samenhang van de welstandscriteria Bouwaanvragen die vallen binnen één gebied waar welstandsplicht van kracht is, en die de reguliere vergunningprocedure moeten volgen, worden op basis van de geformuleerde welstandscriteria beoordeeld. Voor de beoordeling van standaardbouwopgaven en kleine veel voorkomende bouwwerken (met uitzondering van monumenten) wordt gebruik gemaakt van de objectcriteria. Bouwwerken binnen een ensemble of betreffende een monument of cultuurhistorisch waardevol/beeldbepalend pand buiten een ensemble, die niet met behulp van de welstandscriteria te beoordelen zijn, omdat zij daarvan zowel functioneel als morfologisch te veel afwijken, worden beoordeeld aan de hand van de algemene welstandscriteria. Het gaat dan immers om de vraag of dit te realiseren bouwwerk door zijn bijzondere verschijningsvorm een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. De gebieden die niet behoren tot één van de ensembles zijn welstandsvrij. Uitzonderingen hierop vormen de monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/beeldbepalende panden buiten de ensembles. Voor de welstandsvrije gebieden kan dan ook geen gebruik worden gemaakt van de algemene welstandscriteria, de objectcriteria en de excessenregeling. 4Algemene welstandscriteria 4.1Algemeen De algemene welstandscriteria die in deze paragraaf worden genoemd, richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op vrij universele kwaliteitsprincipes. De algemene welstandscriteria liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan elke planbeoordeling. De algemene welstandscriteria bestaan uit een uiteenzetting van algemene architectonische begrippen en aspecten waarmee kwaliteit (of het gebrek aan kwaliteit) kan worden omschreven. De algemene architectonische begrippen komen voort uit de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester, de heer Tj. Dijkstra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel ‘Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid’. Ze vormen het begrippenkader en zijn als het ware het gereedschap van de welstandscommissie bij de argumentatie van het welstandsadvies. 4.2Toepassing algemene welstandscriteria In bijzondere situaties, wanneer de beoordelingsaspecten ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene welstandscriteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving, maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet. In dat geval kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van beoordelingsaspecten. In praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog; het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. 4.3Beoordelingsaspecten en criteria 4.3.1Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben, zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie, dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit. 4.3.2Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context. Het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen, maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren, kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen. 4.3.3Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te 'begrijpen' als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan; zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. 4.3.4.Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie. 4.3.5Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn, maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uit zien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande, kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. 4.3.6Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. 5.Welstandscriteria voor monumenten, cultuurhistorische waardevolle- en beeldbepalende panden Monumenten, cultuurhistorisch waardevolle- en beeldbepalende panden zijn in alle gevallen onderhevig aan welstandstoetsing. In deel 2 en 3 worden ingegaan op welstandscriteria voor specifieke gebieden ensembles. In deze gebieden bevinden zich veelal monumenten, cultuurhistorische waardevolle- en beeldbepalende panden. De welstandscriteria en gebiedsbeschrijving geeft hier aanknopingspunten voor de welstandstoetsing van monumenten. Er zijn echter ook monumenten, cultuurhistorisch waardevolle- en beeldbepalende panden gelegen buiten deze gebieden en ensembles. Voor deze monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/beeldbepalende panden zijn specifieke welstandscriteria opgesteld, die hierna zijn weergegeven. Het betreft hier de panden zoals aangewezen op de bestemmingsplannen met dubbelbestemming cultuurhistorie/karakteristiek en de panden zoals aangewezen op de welstandskaart zoals opgenomen in bijlage
- Welstandscriteria monumenten en cultuurhistorisch waardevolle- en beeldbepalende panden buiten een ensemble Plaats/situering/karakteristiek Bij een aanpassing of wijziging van de bebouwing dient zorgvuldig omgegaan te worden met de historische en cultuurhistorische waarde van de bebouwing. Nieuwe, herkenbaar eigentijdse invullingen of toevoegingen dienen te passen bij het bestaande karakter en geïnspireerd te zijn op de bestaande historische bebouwing of dienen een contrast te vormen Massa/vorm De bestaande hoofdvorm en bouwmassa zijn leidend bij veranderingen. De bebouwingseenheden dienen individueel herkenbaar te blijven. Samenvoeging van bouwmassa’s is ongewenst. De oorspronkelijke parcellering moet herkenbaar blijven. De oorspronkelijke kapsituatie en de oorspronkelijke bouwvorm moeten leesbaar blijven bij verandering aan de bouwmassa. Gevelopbouw Reclame-uitingen zijn niet wenselijk. Ingrepen op begane-grondniveau mogen de harmonie van de individuele gevel als geheel niet verstoren. De oorspronkelijke gevelopbouw en traditionele indeling van de gevels dienen gerespecteerd te worden. Kleur, materiaal en detaillering De oorspronkelijke ornamenten en detailleringen in de gevel dienen herkenbaar en zinvol te blijven. Bij verbouwing en renovatie dient zorgvuldig omgaan te worden (herstel, interpretatie of reactie) met de ornamentiek zoals: overstekken, daklijsten, siermetselwerk, lijsten en speklagen en de specifieke detaillering van gevelopeningen, balkonhekken, deurluifels en dergelijke. Het bestaande materiaal- en kleurgebruik is uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving. Veranderingen in materiaal- en kleurgebruik van de individuele bebouwing dient in relatie te staan met de gevelwand als geheel. De hoofdkleurtoon en het overwegend materiaalgebruik dienen afgestemd te zijn op de karakteristiek van het landschap, waarbij het gebruik van gedekte kleuren en natuurlijke materialen voorop staan: de daken moeten gedekt zijn met riet of gebakken donkere pannen en de gevels dienen te bestaan uit rode/bruinrode baksteen of wit pleisterwerk. 6Welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen (objectcriteria) De objectcriteria zijn opgenomen als bijlage bij voorliggende welstandsnota. De objectcriteria gelden uitsluitend voor de gebieden waarvoor een welstandstoets geldt. In welstandsvrije gebieden vindt geen welstandstoetsing plaats, dus ook niet aan de objectcriteria. De objectcriteria zijn niet van toepassing wanneer er sprake is van een monument. 5.1Toepassingen objectcriteria De objectcriteria gelden uitsluitend voor de gebieden waarvoor een welstandstoets geldt. In welstandsvrije gebieden vindt geen welstandstoetsing plaats, dus ook niet aan de objectcriteria. Welstandstoetsing De objectcriteria geven inzicht in wanneer een veel voorkomend (klein) bouwplan in ieder geval voldoet aan redelijke eisen van welstand (dit geldt niet voor bouwplannen aan of bij een monument). Repressieve welstandstoetsing Indien het uiterlijk van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand kunnen burgemeester en wethouders degene die tot het opheffen van die strijdigheid bevoegd is, aanschrijven om die strijdigheid op te heffen (behoudens in welstandsvrije gebieden). Een bouwwerk is in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand indien sprake is van excessen, dat wil zeggen buitensporigheden in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident zijn. Vaak heeft dit betrekking op het negeren van de omgeving van het bouwwerk, het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden, armoedig materiaalgebruik, toepassing van felle of contrasterende kleuren, te opdringerige reclames of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is. De excessenregeling is beschreven in paragraaf 2.
- De excessenregeling geldt alleen voor vergunningsvrije bouwwerken. Vergunningsvrije bouwwerken die voldoen aan de objectcriteria zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand. Bij afwijkingen daarvan zullen burgemeester en wethouders desgevraagd beoordelen of het bouwwerk in ernstige mate met die criteria in strijd is. In welstandsvrije gebieden is geen repressieve welstandstoets mogelijk. Vrijwillige welstandstoetsing Om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningsvrij bouwwerk dit vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De objectcriteria kunnen dus ook dienen als adviserend kader. 6Richtlijnen reclametekens Hoewel niet behorend tot de categorie bouwplannen waarvoor objectcriteria moeten worden opgesteld, is toch gekozen om voor reclame een aantal richtlijnen en uitgangspunten te formuleren. Reclame heeft een dusdanige invloed op de kwaliteit van de leefomgeving dat de gemeente Maashorst hiervoor een aantal richtlijnen heeft opgesteld die de welstandscommissie zal hanteren bij de beoordeling van aanvragen hieromtrent. Indien in de welstandscriteria van een bepaald ensemble of van een monument of cultuurhistorisch waardevol/beeldbepalend pand iets gezegd wordt over reclame geldt dit naast de hiervoor genoemde reclamerichtlijnen. Bij strijdigheid gelden de gebiedsgerichte welstandscriteria. De richtlijnen met betrekking tot reclametekens zijn opgenomen in bijlage
- Deel 2: Werkingsgebied A Werkingsgebied A beslaat het grondgebied van voormalig gemeente Landerd. Vanwege het ontbreken van een grondige analyse van kwaliteiten en waarden van de ruimtelijke elementen, zowel cultuurhistorisch als stedenbouwkundig zijn we gebonden aan een welstandsregime. Voor Werkingsgebied A zijn de gebiedsomschrijvingen en toetsingswijze daarom overgenomen uit de voorgaande welstandsnota van voormalig gemeente Landerd. In hoofdstuk 6 worden de geldende welstandsniveaus toegelicht. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de gebiedsspecifieke welstandstoetsing van de gebieden waar een hoger welstandsniveau geldt. 7Welstandsniveaus in Werkingsgebied A 7.1Welstandsniveaus en welstandstoetsing Elke plek in de Werkingsgebied A valt onder één van drie welstandsniveaus. Dat wordt met een kaart en met omschrijvingen in deze nota aangegeven. In Werkingsgebied A werken we niet met gebiedsspecifieke criteria maar wordt getoetst aan de hand van de algemene welstandscriteria zoals opgenomen in hoofdstuk
- De gebiedsbeschrijving in dit hoofdstuk geeft hierbij inzicht in de karakteristiek die hierbij van belang is. Monumenten en cultuurhistorische panden gelegen buiten een ensemble hebben eigen welstandscriteria zoals die geld voor de hele gemeente Maashorst. Deze zijn eerder uiteengezet in hoofdstuk
- Werkingsgebied A kent de volgende drie niveaus: Niveau 1: het "hoge" niveau Hieronder vallen de gebieden die van hoge cultuurhistorische, architectonische, landschappelijke of stedenbouwkundige waarde zijn. Denk hierbij enerzijds aan de dorpskernen met monumenten en hun directe omgeving en anderzijds aan gebieden met monumentale bomen of houtwallen. Deze gebieden zijn van extra betekenis voor het totaalbeeld van de dorpskernen en het landschap en krijgen op deze manier extra bescherming. Toetsing van bouwplannen in deze gebieden vindt daarom heel precies plaats. Dat betekent dat ten aanzien van de hoofdaspecten en de secondaire aspecten streng wordt beoordeeld of ze aan de algemene welstandscriteria voldoen. Ook detailaspecten zoals kleuren en materiaalgebruik van kleinere onderdelen worden getoetst. Niveau 2: het "normale" niveau Hieronder vallen alle gebieden die niet onder de niveau 1 (hoog) of niveau 3 (laag/welstandsvrij) vallen. Bij het toetsen van bouwplannen in gebieden met dit welstandsniveau worden de hoofdaspecten van het plan streng beoordeeld, maar worden secundaire aspecten "normaal” beoordeeld. De detailaspecten zullen meestal niet in de beoordeling meegenomen worden, behalve als sprake is van uitzonderlijk afwijkende waarden, zoals het gebruik van heel rare kleuren. In gebieden met welstandsniveau 2 kom je ook gebouwen tegen met specifieke cultuurhistorische of architectonische waarden. Hoewel deze gebouwen zich in een gebied met welstandsniveau 2 bevinden worden aanpassingen aan deze gebouwen streng beoordeeld, zodat hun speciale waarden niet verloren gaan. Niveau 3 het "lage, of redelijk welstandsvrije" niveau Hieronder kunnen niet alleen gebieden vallen waarvan de uitstraling van de gebouwen en de buitenruimte minder belangrijk wordt geacht, maar ook gebieden die bewust (bijna) geheel "welstandsvrij" worden gemaakt. In deze gebieden wordt terughoudend getoetst. Bij het schrijven van deze nota zijn er in Werkingsgebied A geen welstandsvrije gebieden aangewezen. Algemeen Om een té groot contrast met de bestaande omgeving te vermijden kan slechts in beperkte mate van de omgeving worden afgeweken. Dit in relatie tot het welstandsniveau dat ter plaatse van toepassing is. Het kan echter voorkomen dat een ontwerp een dusdanig hoge kwaliteit heeft, dat een bouwplan ondanks een grotere afwijking van de omgeving toch wordt goedgekeurd. In een dergelijk geval moet de positieve beoordeling door de welstandscommissie worden voorzien van een toelichting. 7.2Welstandsniveau 2 Voor het overgrote gedeelte van Werkingsgebied A geldt welstandsniveau 2; het "normale" welstandsniveau. Dit niveau is toegelicht in paragraaf 7.
- Op veel plekken binnen deze gebieden zijn – met name in de buitengebieden – cultuurhistorisch en/of architectonisch waardevolle gebouwen aanwezig. Omdat het meestal om alleenstaande of kleine groepjes gebouwen gaat, zijn hiervoor geen aparte gebieden met welstandsniveau 1 aangewezen. De waardevolle kenmerken van deze gebouwen worden zo veel mogelijk beschermd door bij de welstandsbeoordeling de algemene welstandscriteria als beschreven in hoofdstuk 5 in deze gevallen streng toe te passen. Op de bedrijventerreinen in Werkingsgebied A geldt welstandsniveau
- Er zijn diverse bedrijventerreinen met een lagere beeldkwaliteit. Echter, er komen op de bedrijventerreinen ook bedrijfspanden voor waar met zorg aan is ontworpen. Daarom worden op deze terreinen gewoon de algemene welstandscriteria toegepast. Als de directe omgeving van het te bouwen of verbouwen pand daar aanleiding toe geeft, kan de beoordeling echter soepel worden uitgevoerd. 7.3Straten of gebieden met Welstandsniveau 1 Werkingsgebied A bevat rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en veel gebouwen en straten met cultuurhistorische waarde. Op diverse plekken is sprake van beeldbepalende en daarom beschermde bomen en houtwallen. Om de gebieden nabij deze waardevolle delen te beschermen, zijn die straten en/of gebieden als "welstandsniveau 1" aangemerkt. De rijks- en gemeentelijke monumenten en de beschermde bomen/houtwallen zijn in aparte beleidsstukken omschreven en worden ter informatie ook opgesomd bij de omschrijvingen van de verschillende "welstandsniveau 1" gebieden. De verschillende beeldkwaliteitsplannen zijn niet apart in deze welstandsnota beschreven, omdat er altijd nog nieuwe kunnen worden vastgesteld. Algemene kenmerken/criteria voor deze gebieden Deze gebieden vormen de historische structuur van de verschillende dorpskernen en van het buitengebied. Zij bevatten de meeste monumenten en beeldbepalende gebouwen en ook de meest karakteristieke oude bomenrijen. In bijna al deze gebieden is ook sprake van bebouwing zonder specifieke cultuurhistorische waarde, of van bebouwing die zelfs als beeldverstorend kan worden aangemerkt. Met de gebiedsclassificatie "welstandsniveau 1" wordt bereikt dat nieuwbouw- of verbouwplannen streng worden beoordeeld, waardoor gewaarborgd is dat deze plannen een positieve bijdrage leveren aan de kwaliteit van de gehele straat. Soms kan ook een verbetering worden bereikt door een aanwezig verstorend gebouw aan te passen, of door dit gebouw te vervangen door een meer passend gebouw. Bij de strenge toetsing wordt ook meegewogen dat de verbouwmogelijkheden van niet-beeldbepalende panden niet onnodig worden beperkt. Vanwege de vele soorten bebouwing, en het gebrek aan een uitvoerige analyse, is het niet mogelijk om voor deze gebieden exacte aanvullende welstandscriteria op te stellen. Enkele aandachtspunten zijn: De vormgeving van de nieuwe bebouwing dient op extra zorgvuldige wijze te worden ingepast in het bestaande straatbeeld. Eigentijdse bebouwing is wel mogelijk, maar door ook overeenkomsten met de bestaande omliggende bebouwing aan te brengen dienen te grote verschillen met de omgeving te worden voorkomen. Dit geldt vooral voor de hoofdaspecten van een plan, maar geldt daarnaast ook voor de secondaire aspecten. Reclame-uitingen worden in deze gebieden extra streng beoordeeld. Grote gebouwen met grote doorgaande gevels en/of platte daken zullen normaliter niet in de bestaande omgeving kunnen worden ingepast. Door massa- en gevelopdeling moeten grotere gebouwen in de omgeving passen. Als gebouwen een speciale (openbare) functie vervullen kan een wat meer afwijkend uiterlijk (vormtaal) passend zijn, zodat deze speciale functie daarmee juist herkenbaarder wordt. In het volgende hoofdstuk volgt een overzicht en omschrijving van alle welstandsniveau 1-gebieden in Werkingsgebied A. Per gebied worden indien van toepassing ook specifieke beoordelingsaspecten opgenomen, die bij de extra strenge welstandsbeoordelingen worden meegewogen. 8.Niveau 1 gebieden 8.1Kern Zeeland plus delen van het buitengebied Kerkstraat, Udenseweg en deel Voederheil De Kerkstraat vormt de historische as van het dorp Zeeland. Langs de straat staan zowel een aantal rijksmonumenten (voormalige pastorie nummer 51-53, de H. Jacobus de Meerdere-kerk op nummer 51, het voormalige schoolgebouw "Bondsgebouw" op nummer 55, de voormalige boerderij op nummer 108 en de Coppensmolen op nummer 122), als een aantal gemeentelijke monumenten (woonhuis op nummer 11, gemeentehuis (gedeeltelijk) op nummer 39, woonhuis op nummer 42, woonhuis op nummer 44, Café d'n Brouwer op nummer 62-64, pakhuis/woonhuis op nummer 72 en woonhuis op nummer 72a, voormalige boerderij op nummer 78, en woonhuis op nummer 94), als diverse beeldbepalende gebouwen. Daarnaast is op diverse tussengelegen locaties sprake van meer recente bebouwing zonder hoge cultuurhistorische of architectonische waarde. In enkele gevallen is zelfs sprake van storende, afwijkende bebouwing. Dat in het verleden helaas zelfs in deze gebieden storende bebouwing is gerealiseerd is betreurenswaardig, maar een gegeven. Via welstandsbeleid kan niet worden gevorderd dat bestaande gebouwen worden aangepast. Met het welstandsbeleid kan wel worden bereikt dat een eventuele aanpassing aan of vervanging van zo'n storend gebouw wel aan welstandsniveau 1 moet voldoen en dat elke aanpassing of vervanging dus flink zal bijdragen aan de kwaliteit van dit waardevolle gebied. Dit waardevolle gebied wordt gevormd door de gehele doorgaande lijn Udenseweg – Kerkstraat en het eerste deel van Voederheil (tot en met nummer 6), inclusief de aan de Kerkstraat aanliggende pleintjes bij de Garf, het gemeentehuis en de kerk. Molenstraat inclusief een klein stukje Schoolstraat: De rijen traditionele arbeiderswoningen en de rijen bomen vormen samen met molen De Dageraad uit 1874 (rijksmonument) een sterk beeldbepalend cultuurhistorisch geheel. Kenmerkend voor de bestaande arbeiderswoningen is de aanwezigheid van twee gelijke dakkapellen aan de voorzijde van elke tweekapper. Toepassing van andere dakkapellen aan de voorzijde is dan ook niet toegestaan. Bij eventuele nieuwbouw moeten de karakteristieken van de bestaande arbeiderswoningen het uitgangspunt zijn. Afwijkingen worden steng beoordeeld, met als uitgangspunt dat zij de sterke harmonie van de huidige bebouwing niet mogen verstoren. Dit geldt zowel voor de hoofdaspecten als voor de secondaire aspecten. Ook detailaspecten zoals kleuren en materialisatie van gebouwonderdelen worden in de beoordeling meegenomen. Welstandsniveau 1 is toegekend om de beeldbepalende kwaliteit van de openbare ruimte te bewaken, door aan de omliggende bebouwing (dus: de straatzijden) te refereren. Deze overweging geldt niet voor de achterzijde van deze woningen. De achterzijde valt daarom onder het normale welstandsniveau
- Buurtschap Nabbegat: Kenmerkend voor buurtschap Nabbegat is dat de bebouwing vrijwel uitsluitend bestaat uit traditionele bebouwing, voornamelijk langgevelboerderijen. Ook dragen enkele markante bomenrijen bij aan de totale cultuurhistorisch waardevolle uitstraling. Nieuwbouw en aanpassingen aan bestaande bebouwing moeten dan ook uiterst terughoudend worden vormgegeven, waarbij afwijkingen van de buurtschap-karakteristiek (zowel qua hoogte, massavorm en kapvorm als voor de verdere uitwerking zoals gevelindeling, materiaal gebruik en kleurgebruik) volledig vermeden moeten worden. Buurtschap Zevenhuis: Ook in buurschap Zevenhuis is een groot gedeelte van de bebouwing traditioneel, maar in Zevenhuis wordt deze afgewisseld met meer recente bebouwing, zowel uit de tweede helft van de vorige eeuw als nog recenter. Deze laatste bebouwing is overwegend in overeenstemming met de karakteristiek van het buurtschap gebouwd, maar de afwijkingen van de karakteristiek zijn wel iets groter dan in buurtschap Nabbegat. Nieuwbouw en aanpassingen aan de bestaande bebouwing moeten terughoudend vormgegeven worden, waarbij afwijkingen van de buurtschap-karakteristiek op hoofdaspecten zoals hoogte, massavorm en kapvorm niet mogelijk zijn. Platte daken zijn bijvoorbeeld niet toegestaan. Bij de verdere uitwerking van het plan zoals de gevelindeling, de materialisatie en het kleurgebruik zijn afwijkingen wel in beperkte mate mogelijk. Bijvoorbeeld om moderne interpretaties van de traditionele bebouwing mogelijk te maken. 8.2Kern Reek: De oude stratenstructuur, bestaande uit de Monseigneur Borretstraat (grotendeels), de Noordhoek, de Heijtmorgen (het deel binnen de bebouwde kom), de Monseigneur Suijsstraat, de Schaijksestraat en een klein deel van de Helstraat: Het centrum van Reek wordt gekarakteriseerd door een groot aantal vlak bij elkaar staande rijksmonumenten (Dwarshuis Mr. Borretstraat 12-14, Mr. Borretstraat 9, Orgelhuis op Mr. Borretstraat 7, Mr. Borretstraat 5, kerk met aangebouwde pastorie en tegenovergelegen kerkhof aan de Mr. Borretstraat 1-3, Boerenbondgebouw tegenover het kerkhof op de Noordhoek 13, Klooster (verscholen terugliggend langs de Heijtmorgen op nummer 7-9 en herenhuis op Heijtmorgen 19) een enkel gemeentelijk monument (woonhuis op Mr. Borretstraat 13) en een aantal beeldbepalende gebouwen (waaronder Mr. Borretstraat 23-29, Heijtmorgen 2-12, Heijtmorgen 3-5 en 15-17, Rozenlaan 9 en 11). Kenmerkend verschil tussen het als welstandsniveau 1 aangewezen gebied en de overige straten van Reek is dat er buiten dit gebied nagenoeg geen sprake is van historische bebouwing. De meeste bomenrijen langs de doorgaande straten worden in de Bomenverordening als "boomstructuur" genoemd, waarbij de bomenrijen aan weerszijden van het binnen de bebouwde kom gelegen gedeelte van de Heijtmorgen nog een extra beeldbepalende waarde hebben. Nieuwbouw en aanpassingen aan de bestaande bebouwing dienen in dit gebied terughoudend te worden vormgegeven, waarbij afwijkingen van de dorpskarakteristiek op hoofdaspecten zoals hoogten, massavorm en kapvorm niet mogelijk zijn – platte daken zijn bijvoorbeeld niet toegestaan – maar voor de verdere uitwerking zoals de gevelindeling, de materialisatie en het kleurgebruik in beperkte mate mogelijk zijn. Bijvoorbeeld om moderne interpretaties van de traditionele bebouwing mogelijk te maken. 8.3Kern Schaijk plus deel van het buitengebied: Centrum, bestaande uit de Schutsboomstraat, Runstraat, Bossestraat, Pastoor van Winkelstraat en een deel van de Zandstraat: Deze straten vormen de oorspronkelijke historische structuur van Schaijk en bevatten één rijksmonument (Pastoor van Winkelstraat 1, voormalige pastorie), een aantal gemeentelijke monumenten (Pastoor van Winkelstraat 3 (kerk met kerkhof en toegangspoort, het kerkorgel ín de kerk is een rijksmonument), voormalig herenhuis/brouwerij op Runstraat 5, voormalig raadhuis aan de Pastoor van Winkelstraat 5, woonhuis op Pastoor van Winkelstraat 37 en een voormalige boerderij op Runstraat 59/59a) en diverse beeldbepalende gebouwen. Anderzijds is er op diverse tussengelegen locaties ook sprake van meer recente bebouwing waar geen sprake is van een hoge cultuurhistorische of architectonische waarde en in enkele gevallen zelfs van storende afwijkende bebouwing. Kenmerkend verschil tussen het als welstandsniveau 1 aangewezen gebied en de overige straten van Schaijk is dat er buiten dit gebied nagenoeg geen sprake is van historische bebouwing. Deel van het buitengebied, bestaande uit Pastoor van Winkelstraat (gedeeltelijk): Deze straat vormt de oorspronkelijke historische verbindingsweg tussen Schaijk en Reek. Aan de straat staan zowel diverse historische langgevelboerderijen als recentere woonhuizen. Nieuwbouw en aanpassingen dienen dan ook terughoudend te worden vormgegeven, waarbij afwijkingen van de straatkarakteristiek op hoofdaspecten zoals hoogte, massavorm en kapvorm niet mogelijk zijn – platte daken zijn bijvoorbeeld niet toegestaan – maar wel in beperkte mate mogelijk zijn bij de verdere uitwerking zoals bij gevelindeling, materialisatie en het kleurgebruik. Bijvoorbeeld om moderne uitvoering van de traditionele bebouwing mogelijk te maken. Deel 3: Werkingsgebied B 9.Welstandsniveaus in Werkingsgebied B In tegenstelling tot werkingsgebied A zijn de welstandsniveaus in Werkingsgebied B minder makkelijk te categoriseren. In feite gelden er twee globale niveaus: Welstandsvrij en Welstandsplichtige ensembles. 9.1Welstandsvrij: Hier is uit analyse gebleken dat de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden niet van een bijzondere aard zijn. Deze gebieden zijn daarom welstandsvrij verklaard. Hier hoeft geen preventieve welstandstoets aangevraagd te worden en we hanteren hier daarom ook geen excessenregeling. 9.2Welstandsplichtige ensembles: De welstandsplichtige ensembles hebben alleen hun eigen specifieke welstandscriteria. Dit wordt in Hoofdstuk 11 verder uiteengezet. 10.Historische ontwikkeling 10.1Natuurlijke ondergrond Uden is gelegen op de hooggelegen Peelhorst, een door breuken begrensde opheffing van een deel van de aardkorst. Aan weerszijden van deze verheffing liggen slenken (Centrale Slenk en Roerdalslenk). Dit zijn tektonische valleien die ontstaan zijn door de daling van een deel van de aardkorst. Ten westen van de kern Uden bevindt zich de van noordwest naar zuidoost lopende Peelrandbreuk, die in het landschap herkenbaar is aan het hoogteverschil van enkele meters. Tevens komt in het gebied langs de breuk ‘wijst’ voor. Door klei en ijzerverbindingen in de ondergrond kan grondwater vanaf de hogere Peelhorst niet wegstromen naar de lagere gronden van de slenk. De hogere gronden zijn hierdoor natter dan de lagere gronden. De gronden van de Peelhorst worden gekenmerkt door het voorkomen van ondoordringbare klei- en grindlagen die tijdens het Midden-Pleistoceen (500.000-150.000 jaar geleden) zijn afgezet. In het Weichselien (Laatste IJstijd) zijn onder invloed van de wind hogere zandruggen gevormd (eolische afzettingen). De lager gelegen vlaktes van de slenken zijn in de loop der tijd gedeeltelijk opgevuld door sediment dat door rivieren werd afgezet. In gebieden waar de ondoordringbare klei- en grindlagen zich direct onder de oppervlakte bevonden, hebben zich in het Holoceen dunne veenlagen en heidegronden kunnen ontwikkelen. Op de actuele hoogtekaart is duidelijk zichtbaar dat de gronden ten westen van Uden een lagere ligging hebben. Opvallend zijn de verhogingen die sporadisch langs de bebouwingslinten voorkomen; het betreft oude erven die kunstmatig zijn verhoogd. 10.2Landschapstypen In de Werkingsgebied B komen verschillende landschapstypen voor. Het is belangrijk dat bij het welstandsbeleid rekening gehouden wordt met en ingespeeld wordt op de aanwezige landschapstypen. Verspreid over deze landschapstypen komen namelijk verschillende bouwsituaties voor: Kampenlandschap: In een langgerekte strook van zuidoost naar noordwest loopt de Peelhorst. Vanaf de Vroege Middeleeuwen zijn op deze hogere dekzandrug akkercomplexen aangelegd. De bebouwingstructuur in deze landschappelijke zone wordt gekenmerkt door kleine clusters van boerderijen grenzend aan open akkergebied (hoeve-akkernederzetting). Voorbeelden van buurtschappen die tot deze categorie behoren zijn Hultje en Hengstheuvel. Broeklandschap: De nattere broekgronden in de omgeving van de Leijgraaf zijn vanaf de Late Middeleeuwen ontgonnen. Kenmerkend voor de bebouwingsstructuur zijn de langgerekte wegen die parallel lopen aan de belangrijkste watergangen. Bij deze zogenaamde straatnederzettingen liggen de boerderijen op enige afstand van elkaar langs de weg. Tot deze categorie behoren onder meer de bebouwingslinten Duifhuis en Kooldert/Hoge Randweg. Ook de gehuchten Asseldonk-Moleneind en Eikenheuvel, die met de westzijde tegen de Peelrandbreuk aanliggen, kunnen tot deze categorie worden gerekend. Heideontginningslandschap: De voormalige heidegebieden ten oosten van de Peelhorst zijn vanaf circa 1925 ontgonnen. Kenmerkend voor dit landschapstype is het rationele wegen- en verkavelingspatroon. In dit gebied komen geen historische bebouwingslinten voor. 10.3Nederzettingen De dorpen Uden, Volkel en Odiliapeel zijn weliswaar allen ontstaan als agrarische nederzettingen; door de specifieke landschappelijke situatie en historische ontwikkeling bezitten de historische dorpsgebieden een eigen karakteristiek. Hierna wordt ingegaan op de historismeruimtelijke structuur van de drie dorpen 10.3.1Historisch-ruimtelijke structuur Uden De kern Uden is vermoedelijk ontstaan uit een tiendakkerdorp; een kleine kern rondom een kerk die centraal lag voor een reeks gehuchten in een aaneengesloten akkergebied. Zo lagen er kleine concentraties bebouwing nabij de huidige Pius X-kerk, de Bitswijk, het driehoekige marktveld, het Brigittenissenklooster en het Moleneind. Deze gehuchten zijn geleidelijk aaneengegroeid. Uden heeft van oudsher een centrumfunctie gehad. Er was sprake van een religieus centrum (Sint-Petruskerk) en een economisch centrum (marktveld).In de loop der tijd werden verscheidene kloosters in het dorp gesticht. De marktfunctie was vooral verbonden met de handel in agrarische producten, landbouwartikelen en vee. Rond 1900 had het bebouwingslint van Uden nog een sterk agrarisch karakter. Een ruimtelijke ingreep die belangrijke gevolgen had voor de ontwikkeling van Uden, was de aanleg van de spoorlijn tussen Boxtel en het Rijnland. Rondom het station, dat werd gelokaliseerd ten zuidoosten van de Markt, vestigde zich enige industrie. In dezelfde periode werden langs de Prior van Milstraat enkele villa’s gebouwd. Na de Tweede Wereldoorlog zou de kern Uden sterk worden uitgebreid. De aanwijzing in 1951 tot kerngemeente en de industrialisatie vormden de achtergrond. Woonbebouwing werd vooral aan de westzijde en noordoostzijde van de kern gerealiseerd. De industrie werd geconcentreerd ten zuiden van de spoorlijn en aan de Industrielaan. Ten aanzien van het historische dorpsgebied geldt dat het karakter na 1950 sterk is gewijzigd. De schaal en het karakter van de bebouwing in de omgeving van de Markt en Marktstraat zijn sterk gewijzigd. In de huidige dorpsstructuur is de functionele geleding, met een economisch en religieus gedeelte, nog goed herkenbaar. 10.3.2Historisch-ruimtelijke structuur Volkel Het kerkdorp Volkel ontstond op de kruising van drie wegen: de Antoniusstraat, de Kloosterstraat en Rudigerstraat. In het centrum van het dorp lag een pleintje waaraan sinds 1455 een kapel stond. Pas in 1855 zou Volkel een eigen kerk krijgen. Deze kerk werd in 1938 vervangen door de huidige kerk. Na 1945 is de kern Volkel sterk gegroeid. De eerste planmatige woonuitbreidingen vonden in de jaren 50 plaats aan de noordzijde van de kern. De wederopbouwwoningen langs de Heuvelstraat, Aert Willemstraat en Nieuwstraat werden gebouwd in traditionalistische stijl. In dezelfde periode werden de bebouwingslinten langs de drie hoofdwegen geleidelijk verdicht en verlengd. Na 1960 werd de kern met name aan de zuidwestelijke zijde uitgebreid. 10.3.3Historisch-ruimtelijke structuur Odiliapeel Vanaf het midden van de negentiende eeuw werd aangevangen met de stelselmatige ontginning van de Peel. De eerste plannen voor de ontginningsnederzetting Odiliapeel dateren van
- Rond die tijd was overigens al sprake van een rechthoekige strook in cultuur gebrachte grond langs een kaarsrechte weg (de Oude Dijk) door het heidegebied. De enige bebouwing bestond uit verspreid liggende schapenkooien. Uiteindelijk zouden de werkzaamheden pas vanaf 1925 met rijkssteun en op instigatie van de toenmalige gemeente Uden worden uitgevoerd door het Gemeentelijk Ontginningsbedrijf. In enkele jaren vestigden zich een twintigtal boeren in het wat toen nog Terraveen heette. Het dorp Odiliapeel is grotendeels tot stand gekomen volgens een rationeel ontwerp. Hoewel de Nederlandsche Heidemaatschappij (NHM) aan het einde van de jaren 20 een plan opstelde dat uitging van een gebogen wegenstructuur en een pleinruimte aan de zuidzijde van de kern, werd door geldgebrek gekozen voor een rechter stratenplan met een kerk, pastorie en scholen langs de Oude Dijk. In de huidige stedenbouwkundige structuur van het dorp is de regelmatige verkaveling en rationele wegenaanleg nog duidelijk herkenbaar. Vanaf de jaren 50 zijn dwarsstraten aangelegd die aansluiten op deze structuur. Naast deze systematische woonuitbreiding zijn de hoofdassen verdicht door woningbouw. Het plein in het centrum van de kern is in de jaren 1958-1959 ontstaan door de nieuwbouw van een kerk en pastorie in de stijl van de Bossche School. 11.Ensembles en welstandscriteria Binnen de Werkingsgebied B worden verschillende gebieden onderscheiden met een duidelijk eigen karakteristiek, de zogenaamde ensembles. Hierna wordt per ensemble een beschrijving gegeven van de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en architectonische kenmerken van de bebouwing. Vervolgens zijn per ensemble criteria geformuleerd aan de hand waarvan de concrete welstandsbeoordeling plaats zal vinden. 11.1Historische dorpsgebieden/bebouwingslinten 11.1.1Karakteristiek historische dorpsgebieden/bebouwingslinten Bebouwing en omgeving De kernen in de Werkingsgebied B zijn ontstaan als agrarische nederzettingen. De oude dorpsgebieden kenmerkten zich vanouds door relatief open en kleinschalige bebouwing met daarbinnen een zekere variatie. Met name in de twintigste eeuw zijn de oude dorpsgebieden sterk verdicht. Tegenwoordig zijn binnen deze gebieden sporadisch nog onbebouwde percelen in gebruik als weiland of moestuin. Op enkele plaatsen en met name langs kruisingen van belangrijke wegen komt verdichting voor. Naast wonen zijn er functies als detailhandel en ambachten. In de historische dorpslinten treffen we nog oude kloosters, kerken en boerderijen aan. Oorspronkelijke dorpsgebieden vormen waardevolle elementen in het huidige beeld van de gemeente. Ze vormen de historische context van veel objecten van cultuurhistorische waarde, zijn belangrijke schakels binnen het wegennetwerk en ondersteunen de oriëntatie binnen de gemeente. Langs de oudere hoofdwegen en uitvalswegen zijn vanuit de historische bebouwingskernen in de loop der tijd bebouwingslinten ontstaan. Door een langdurig proces van verdichting zijn ze langzaam aaneengegroeid. Ook ontstond langs secundaire landwegen op strategische plekken bebouwing. Vaak is in de historische dorpsgebieden de oorspronkelijke samenhang in het wegennet nog herkenbaar. Aan het beeld van deze routes is de ontstaansgeschiedenis van de gemeente binnen de oorspronkelijke landschappelijke omgeving af te lezen. Typerend is de gevarieerdheid van deze linten: er komt bebouwing uit veel verschillende perioden voor, van eeuwenoud tot zeer recent. Bebouwing op zich De bebouwing in de historische dorpsgebieden is zeer divers van vorm en karakter. De gebouwen zijn individueel ontworpen en dateren uit verschillende tijdsperioden. De bebouwing bestaat overwegend uit één of twee lagen met kap. In de bebouwingslinten bevinden zich enkele grootschalige gebouwen met een monumentaal karakter (kerken, kloosters). Materiaal, detaillering en kleur De gevels zijn in de meeste gevallen opgetrokken uit baksteen, soms gestuukt, het dak is overwegend bedekt met pannen. De detaillering van de bebouwing is afhankelijk van de ontstaansperiode. Men treft diverse ornamenten, detailleringen in het metselwerk (onder andere strek- en rollagen) en diverse gevelbeëindigingen aan. Kenmerkend is het contrast tussen de kleur van het metselwerk en die van de kozijnen. Waardering De historische dorpsgebieden/bebouwingslinten zijn uit cultuurhistorisch, architectonisch en stedenbouwkundig oogpunt van belang. Het totaalbeeld van de bebouwing in relatie tot de omgeving, maar ook de bebouwing op zich is historisch gezien van onschatbare waarde voor het aflezen van de ontstaansgeschiedenis van de dorpslinten. Naast het ensemblebeeld zijn ook veel individuele panden cultuurhistorisch van grote waarde en dient er derhalve ook op detailniveau zorgvuldig met nieuwe ontwikkelingen te worden omgesprongen. Weliswaar is de bebouwing vaak zeer divers van aard, maar doordat het beeld organisch is gegroeid, vallen dissonanten onmiddellijk als storend element op in het totaalgezicht. Op sommige plekken in de historische dorpsgebieden hebben in het verleden ruimtelijke ontwikkelingen plaatsgevonden die niet aansluiten bij de historisch gegroeide karakteristiek van het dorp. Met name voor de kern Uden geldt dat het bebouwingsbeeld langs delen van de historische hoofdroute verstoord is geraakt. De keuze is dan ook gemaakt om binnen de historische dorpsgebieden/bebouwingslinten een differentiatie toe te passen. Voor delen van historische dorpsgebieden/bebouwingslinten die thans een lage ruimtelijke kwaliteit uitstralen en waarvoor het ambitieniveau gemiddeld is, gelden minder welstandscriteria. Voor delen van de historische dorpsgebieden/bebouwingslinten van de gemeente Uden die over het algemeen een hoge ruimtelijke kwaliteit uitstralen, waar relatief veel monumenten voorkomen en waar een hoog ambitieniveau wordt nagestreefd, zijn meer specifiekere welstandscriteria geformuleerd. Binnen de gemeente kan een viertal historische dorpsgebieden/bebouwingslinten onderscheiden worden: Uden - Kerkstraat/Kapelstraat Karakteristiek: Lintbebouwing van de kern Uden (karakteristiek bebouwingsbeeld 1850-1925) aan voormalige doorgaande straat met verharding van gebakken klinkers. Bebouwing met gemengd functioneel karakter, afwisselend kleinschalige eenlaags woonhuizen, gescheiden door tuinen en stegen, met verspringende rooilijn, merendeels zadeldaken parallel aan de straat. De bebouwing is doorgaand, maar grotendeels vrijstaand. Het grootste deel van de bebouwing staat direct aan de straat. In bebouwingsbeeld domineren het kruisheren-klooster
(1904), kruisheren-college (1920-1921) en sint-petrus
(1890). Uden - Prior van Millstraat/Volkelseweg Karakteristiek: Lintbebouwing van de kern Uden (karakteristiek bebouwingsbeeld 1880-1940) aan voormalige doorgaande weg naar Volkel, aan de westzijde grenzend aan Marktveld. De vrijstaande bebouwing bestaat overwegend uit één of twee lagen met kap. De hoofdvorm, bouwmassa en kapvorm verschilt per pand, alsook het gebruik van ornamenten en de detaillering. Nabij de Stationsstraat bevinden zich enkele grote villa’s uit het eerste kwart van de 20ste eeuw. Naast woningen komen gebouwen voor met een utilitair karakter (voormalig garagebedrijf/fabriek). Uden Bitswijk Hoewel de Bitswijk in de afgelopen decennia grondig is vernieuwd en verbouwd, zijn er toch nog enkele cultuurhistorisch waardevolle objecten, structuren en gebiedjes te vinden. Van hoge cultuurhistorische waarde is de historische hoofdwegenstructuur van de straat Bitswijk en de daaraan gelegen, voor een deel behouden historische, verkavelingsstructuur. In het straatbeeld is het licht gebogen verloop van de straat Bitswijk en de regelmatig terugwijkende rooilijn bepalend voor de karakteristiek. Het oude historische verloop van de straat is nog herkenbaar. Incidenteel is bebouwing in de vorm van boerderijen aanwezig. Vaak echter is deze bebouwing in de loop van de decennia verbouwd, aangepast of vervangen door nieuwe bebouwing. Met name op plaatsen waar de nieuwere bebouwing grootschalig is van aard, verdwijnt het historische karakter enigszins. Het pand Bitswijk 10 is ook in de welstandsnota aangeduid als cultuurhistorisch waardevol en beeldbepalend pand. Dit pand is ook op architectonisch (detail) niveau in zijn oude staat herkenbaar en bijzonder en heeft een hoge cultuurhistorische waarde. Volkel - Kloosterstraat/Antoniusstraat/Rudigerstraat De kern van het dorp wordt gevormd door een plein op de plek waar verschillende wegen samen komen. Van oudsher stond op dit kruispunt een gebouw met religieuze functie (kapel, later kerk). In de huidige situatie draagt de kerk in belangrijke mate bij aan het bebouwingsbeeld van Volkel. Het karakteristiek bebouwingsbeeld langs de drie doorgaande wegen wordt in belangrijke mate bepaald door bebouwing uit de tijdsperiode 1850-1940. Het dorpslint heeft een kleinschalig, relatief open karakter. De bebouwing aan het Schakelplein is vanwege het afwijkende karakter buiten de begrenzing van het historisch dorpsgebied gehouden. Odiliapeel Karakteristiek: Odiliapeel is ontstaan als ontginningsnederzetting bij de ontginningen van de Peelsche Heide. De planmatig opgebouwde nederzetting dateert uit circa 1920. Het bebouwingsbeeld kenmerkt zich door een vrijwel doorgaande eenlaags bebouwing aan de hoofdstraat de Oudedijk, met woonhuizen, enkele winkels en bedrijfjes, en gemeenschapsbebouwing zoals R.K. kerk van de Heilige Kruisvinding (1958-1959) met pastorie en school, gemeenschapshuis met woning
(1950)en dienstgebouw van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (circa 1930). De naoorlogse uitbreidingen, in de vorm van strokenbouw met woningwetwoningen in wederopbouwtrant zijn te vinden aan de haakse zijstraten en parallelstraten. Odiliapeel heeft de karakteristieke plattegrond van een geleide heideontginning. Daarnaast is de resterende pioniersbebouwing en zijn de laanbeplantingen bijzonder. 3.1.2Welstandscriteria historische dorpsgebieden/bebouwingslinten Het welstandsbeleid voor de historische dorpsgebieden/bebouwingslinten is gericht op het handhaven, herstellen en versterken van gewaardeerde of gewenste ruimtelijke karakteristieken en op de samenhang binnen het gebied. In beheersituaties gebeurt dit vooral via regels en toetsing, terwijl in ontwikkelingssituaties het accent ligt op het faciliteren en stimuleren van kwaliteit. De ruimtelijke kwaliteit binnen de historische dorpsgebieden is niet overal gelijk. In delen van deze gebieden komt een combinatie van cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden voor. In andere gedeelten is de bebouwingskarakteristiek minder waardevol, bijvoorbeeld doordat recente transformaties de stedenbouwkundige structuur hebben verstoord. Met betrekking tot de welstandscriteria voor de historische dorpsgebieden/bebouwingslinten geldt dan ook, dat een differentiatie is gemaakt naar twee ambitieniveaus: ambitieniveau A en ambitieniveau B. Het ambitieniveau zegt iets over de wijze van toepassing van de welstandscriteria. Voor gebieden met ambitieniveau A worden meer en strengere beoordelingscriteria toegepast. De welstandsbeoordeling richt zich bij ambitieniveau B primair op het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. Daarbij wordt zorgvuldig gekeken naar de invloed op de omgeving en de architectonische uitwerking van het bouwplan. Detaillering en materialisatie worden op hoofdlijnen bekeken. Binnen de historische dorpsgebieden/bebouwingslinten bevinden zich verscheidene monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/beeldbepalende panden. Voor monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/beeldbepalende panden is altijd ambitieniveau A van toepassing. Ambitieniveau A Plaats/situering/karakteristiek De karakteristiek van de bebouwing dient aan te sluiten op de karakteristiek van de omliggende historische bebouwing mits deze voorhanden is. De karakteristiek van de bebouwing uit zich onder andere in de bouwmassa, de kapvorm, de mate van detaillering, het kleur- en materiaalgebruik en de variatie daartussen. De situering of wijziging van de bouwmassa en/of de oriëntatie mag het historische straatbeeld niet verstoren. Bij een aanpassing of wijziging van de bebouwing dient zorgvuldig omgegaan te worden met de historische en cultuurhistorische waarde van de bebouwing. Nieuwe, herkenbaar eigentijdse invullingen of toevoegingen dienen te passen bij het bestaande karakter en geïnspireerd te zijn op de bestaande historische bebouwing. Het wisselende bebouwingbeeld van herkenbare individuele panden is uitgangspunt. De bestaande samenhang, afwisseling en vormgeving van de kappen in de omgeving dient gehandhaafd te blijven. Massa/vorm De bestaande hoofdvorm en bouwmassa zijn leidend bij veranderingen. De bebouwingseenheden dienen individueel herkenbaar te blijven. Samenvoeging van bouwmassa’s is ongewenst. De oorspronkelijke parcellering moet herkenbaar blijven. De oorspronkelijke kapsituatie en de oorspronkelijke bouwvorm moeten leesbaar blijven bij verandering aan de bouwmassa. Traditionele kapvormen, zoals een zadeldak (eventueel met wolfseind), schilddak en mansardekap zijn uitgangspunt. Gevelopbouw Gevelreclame aan panden met een commerciële functie dient binnen de structuur en de detaillering van de gevel te passen. Bij panden die een stedenbouwkundig geheel vormen dienen toevoegingen per woning ondergeschikt te zijn aan de hoofdstructuur en de ritmiek van het geheel. Ingrepen op begane-grondniveau mogen de harmonie van de individuele gevel als geheel niet verstoren. De oorspronkelijke gevelopbouw en traditionele indeling van de gevels dienen gerespecteerd te worden. Kleur, materiaal en detaillering De oorspronkelijke ornamenten en detailleringen in de gevel dienen herkenbaar en zinvol te blijven. Bij verbouwing en renovatie dient zorgvuldig omgaan te worden (herstel, interpretatie of reactie) met de ornamentiek zoals: overstekken, daklijsten, siermetselwerk, lijsten en speklagen en de specifieke detaillering van gevelopeningen, balkonhekken, deurluifels en dergelijke. Het bestaande materiaal- en kleurgebruik is uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving. Veranderingen in materiaal- en kleurgebruik van de individuele bebouwing dient in relatie te staan met de gevelwand als geheel. De hoofdkleurtoon en het overwegend materiaalgebruik dienen afgestemd te zijn op de karakteristiek van het landschap, waarbij het gebruik van gedekte kleuren en natuurlijke materialen voorop staan: de daken moeten gedekt zijn met riet of gebakken donkere pannen en de gevels dienen te bestaan uit rode/bruinrode baksteen of wit pleisterwerk. Ambitieniveau B Plaats/situering/karakteristiek De karakteristiek van de bebouwing dient aan te sluiten op de karakteristiek van de omliggende historische bebouwing mits deze voorhanden is. De karakteristiek van de bebouwing uit zich onder andere in de bouwmassa, de kapvorm, de mate van detaillering, het kleur- en materiaalgebruik en de variatie daartussen. De situering of wijziging van de bouwmassa en/of de oriëntatie mag het historische straatbeeld niet verstoren. Het wisselende bebouwingbeeld van herkenbare individuele panden is uitgangspunt. Massa/vorm De bebouwingseenheden dienen individueel herkenbaar te blijven. Traditionele kapvormen, zoals een zadeldak (eventueel met wolfseind), schilddak en mansardekap zijn uitgangspunt. Gevelopbouw De oorspronkelijke gevelopbouw en traditionele indeling van de gevels dienen gerespecteerd te worden. Kleur, materiaal en detaillering Het bestaande materiaal- en kleurgebruik is uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving. 11.2Historische bebouwingsclusters 3.2.1Historische bebouwingsclusters Bebouwing en omgeving Kenmerkend voor de agrarische bebouwingslinten is de groepering van bebouwing langs veelal doorgaande wegen. Oorspronkelijke betrof het voornamelijk agrarische bebouwing. De laatste jaren echter hebben steeds meer agrarische bedrijven hun oorspronkelijke functie verloren en zijn verbouwd tot burgerwoning of gesloopt en vervangen door burgerwoningen. Daarnaast zijn er ook andere (niet-agrarische) bedrijven ontstaan. De bebouwingsclusters bestaan uit losjes gegroepeerde (voormalige agrarische) bebouwing. Tussen de individuele gebouwen en (voormalige agrarische) bedrijfscomplexen is een sterke visuele relatie met het omliggende landschap blijven bestaan. Het doorzicht tussen de gebouwen is karakteristiek en moet worden gehandhaafd. Verder zijn de gebouwen georiënteerd op de vestingsas, waarbij de afstanden groter zijn dan in stedelijk gebied, maar niet zo groot dat de relatie met de vestingsas verloren zou gaan. De agrarische complexen in de Werkingsgebied B zijn van oudsher vrij bescheiden van omvang. Woonhuis en bedrijfsgedeelte waren in één gebouw ondergebracht. Van oorsprong kwam de kortgevelboerderij voor, vanaf de 18de eeuw werd de langgevelboerderij in deze streek dominant. Vrijstaande bijgebouwen waren ondergeschikt van omvang. Moderne ontwikkelingen in de bedrijfsvoering en de agrarische wooncultuur hebben geleid tot loskoppeling van het woon- en bedrijfsgedeelte en tot een sterke schaalvergroting van de bedrijfsgebouwen. De vormgeving van de agrarische bedrijfsgebouwen is strikt functioneel. Landbouw en veeteelt hebben steeds meer een industriële uitstraling gekregen. Boerderijen die hun agrarische functie verloren hebben worden verbouwd tot burgerwoning of gesloopt en vervangen door burgerwoningen. Specifiek voor (voormalige) agrarische bedrijven is de clustering van meerdere gebouwen (woonhuis, stallen, loodsen) op een bouwperceel. De positionering van deze gebouwen ten opzichte van elkaar heeft vaak een bedrijfsmatige achtergrond, maar is ook uit een oogpunt van de beleving van het complex een belangrijk uitgangspunt. Woonhuizen en -boerderijen en bedrijven in de agrarische bebouwingslinten in het buitengebied dienen deze karakteristiek te respecteren. De bebouwing is perceelsgewijs tot stand gekomen, waardoor een wisselend straatbeeld is ontstaan. De rooilijn is dikwijls individueel bepaald en hierdoor verspringend. De bebouwingsstructuur is veelal open, met doorzichten naar het achterliggende gebied. De openbare ruimte, de straat en de begeleidende bomen enerzijds en anderzijds de voortuinen of de aanstrating en stoep zijn bepalend in het straatbeeld en zorgen voor de samenhang. Hierdoor vormen de perceelsgewijze, individuele invullingen één straatwand, terwijl ze onderling veel van elkaar verschillen. De kavels hebben vaak diepe achtertuinen en kleine of geen voortuinen. Soms heeft een functieverandering plaatsgevonden. Als dit heeft plaatsgevonden met behoud van de oorspronkelijke bebouwingsmassa wordt dit niet als storend ervaren. Bebouwing op zich De bebouwing in de (historische) bebouwingslinten is zeer divers van karakter. De gebouwen zijn individueel ontworpen en dateren uit verschillende tijdsperioden. De bebouwing bestaat overwegend uit één tot twee lagen met langskap. Mede afhankelijk van de bouwperiode is een wolfs-, zadel- of mansardedak toegepast. Kenmerkend is de brede en lange massa, waarbij horizontaliteit bepalend is voor de opbouw van de gevel. De raamopeningen zijn echter verticaal gericht. Materiaal, detaillering en kleur De gevels zijn in de meeste gevallen opgetrokken uit baksteen, soms gestuukt, het dak is overwegend bedekt met riet of pannen. De detaillering van de bebouwing is afhankelijk van de ontstaansperiode Men treft diverse ornamenten, detailleringen in het metselwerk (strek- en rollagen) en diverse gevelbeëindigingen aan. Kenmerkend is het contrast tussen de kleur van het metselwerk en die van de kozijnen. Waardering Evenals bij de historische dorpsgebieden zijn de cultuurhistorische, architectonische en stedenbouwkundige aspecten bij de bebouwingsclusters als zeer waardevol aan te merken. Aanvullend kan worden gesteld dat met name bij de bebouwingsclusters de relatie met het open buitengebied karakteristiek is. Deze relatie komt tot stand door de vele doorzichten tussen de individuele panden. Deze doorzichten dienen gehandhaafd te blijven. Een ander belangrijk aspect is dat de voorkomende individuele panden veel vertellen over de ontstaansgeschiedenis van het bebouwingscluster. Karakteristiek voor de clusters is het door elkaar voorkomen van (historische) boerderijen en individuele woonhuizen uit de twintigste eeuw. Zoals reeds aangegeven, houdt de karakteristiek van de clusters mede verband met de ligging in de te onderscheiden landschapstypen. Met name de oriëntatie en positionering van de bebouwing verschilt per landschappelijke zone. De bebouwingsclusters in het kampenlandschap bestaan uit kleine verzamelingen van gebouwen op de plek waar oude akkerwegen samenkomen. De bebouwing is dicht langs de weg geplaatst. Door de relatief hoge bebouwingsdichtheid zijn doorzichten op het omliggende landschap beperkt aanwezig. In vergelijking met het kampenlandschap komen in het lager gelegen broekgebied minder historische boerderijen voor. Door de natte omstandigheden waren de broekgronden lange tijd minder geschikt voor de landbouw. Tegenwoordig bevindt zich in dit gebied een groot aantal intensieve veehouderijbedrijven. De schaal en omvang van de bebouwing is relatief groot. Moderne stallen zijn veelal achter de oorspronkelijke boerderij geplaatst. In tegenstelling tot de historische bebouwing zijn deze diepe stallen haaks op de weg geplaatst. Kenmerkend voor de bebouwingsclusters in dit landschapstype is de langgerekte vorm. De bebouwinglinten hebben een open structuur; tussen de verschillende boerenerven bestaan ruime doorzichten. Hengstheuvel Dit bebouwingscluster wordt gevormd door de Voortweg en de Udensedreef-Erphoevenweg. Ten zuiden van de kruising van deze doorgaande routes ligt een karakteristieke open ruimte. De meeste bebouwing is geconcentreerd aan de noordzijde van Hengstheuvel. In dit bebouwingscluster is een aantal cultuurhistorisch waardevolle/beeld-bepalende panden aanwezig die tezamen met de historische akkercomplexen Hengstheuvel een geheel eigen identiteit geven. Kooldert/Hoge Randweg Dit bebouwingscluster wordt gevormd door de Hoge en Lage Randweg, een langgerekt afwisselend lint dat eindigt in Volkel. Aan dit lint is een grote verscheidenheid aan woningbouw en agrarische bedrijfsbebouwing gesitueerd. Aan weerszijden is regelmatig zicht op het achterliggende landschap (en woongebied Uden Zuid). Binnen het bebouwingscluster zijn kleine concentraties aan bebouwing te onderscheiden. Brabantstraat De Brabantstraat is een gehucht dat in de tweede helft van de 20ste eeuw is vastgegroeid aan de kern Volkel. In dit bebouwingscluster komen functies voor die gerelateerd zijn aan het dorp. Het karakter wordt bepaald door de grote hoeveelheid cultuurhistorisch waardevolle/beeldbepalende panden. In het lint komen behalve (langgevel)boerderijen ook enkele woonhuizen uit het Interbellum voor. Een bijzonder gebouw vormt de voormalige stoomzuivelfabriek St. Anthonius. Maatsehei Dit compacte bebouwingscluster bestaat hoofdzakelijk uit historische boerenerven. Door de bouw van burgerwoningen naast deze erven is het lint verdicht geraakt. Met name de Maatseheistraat kan gekarakteriseerd worden als een historisch, agrarisch bebouwingslint. Door de interne gerichte bebouwing heerst in dit cluster een intieme sfeer. De bomen die deze weg begeleiden en de groene erfafscheidingen ondersteunen deze karakteristiek. Ondanks de nabijheid van Volkel heeft dit cluster een uitgesproken landelijke uitstraling. Heikant Dit bebouwingscluster wordt gedomineerd door de aanwezigheid van (dag)recreatieoord Hemelrijk aan de gelijknamige recreatieplas. De noordzijde maakt onderdeel uit van de doorgaande route van Boekel naar Zeeland. In de oksel van deze weg en de Heikantsestraat is het cluster rond een driehoekige open ruimte gevormd. De bebouwing in dit cluster is hoofdzakelijk direct aan de weg gesitueerd. Het cluster heeft een sterk gesloten karakter. De bebouwing bestaat uit een afwisseling van grote agrarische bedrijfsgebouwen en burgerwoningen. Het historisch karakter van dit cluster wordt versterkt door de aanwezigheid van de molen. Lagenheuvel Door de aanwezigheid van veel zorgvuldig gerestaureerde voormalige boerderijen bezit dit cluster hoge (steden)bouwkundige waarden. Het kleinschalig landschap dat beleefbaar is vanaf de doorgaande weg versterkt het authentieke karakter van het bebouwingscluster. Ondanks dat Langenheuvel ligt ingeklemd tussen de doorgaande weg (Uden-Mill) en het bedrijventerrein ten oosten van Volkel, heeft het gebied een landelijke identiteit. Oosteres De structuur van dit lint is verbonden met de ligging aan de oude akkercomplexen. Dit cluster kenmerkt zich door de aanwezigheid van twee driehoekige groenstructuren waarop de omliggende bebouwing is georiënteerd. Het lint ligt ten westen van de Zeelandsedijk en eindigt in het bedrijventerrein ten oosten van Volkel. Door de zichtrelaties met het omliggende gebied heeft dit bebouwingscluster een landelijke karakteristiek. Duifhuis Het lint bestaat grotendeels uit voormalige en in bedrijf zijnde agrarische bedrijven. In dit lint komen diverse historisch waardevolle boerderijen voor, die uit verschillende bouwperioden dateren. Deze afwisseling in bouwstijlen draagt in belangrijke bij aan de karakteristiek van Duifhuis. Zowel naar het noorden als naar het zuiden is een aantal fraaie uitzichten op het open agrarisch landschap aanwezig. Hultje Dit bebouwingscluster bevindt zich tussen de kern Uden en het bosgebied Udenoord. De bebouwing, die hoofdzakelijk bestaat uit woningen van een bouwlaag met kap, is voornamelijk langs de Delstraat gesitueerd. Een concentratie van burgerwoningen is gelegen aan de Erikaweg. Binnen het cluster komen enkele grootschalige (agrarische) bedrijven voor. Eikenheuvel Deze bebouwingsconcentratie ligt op de overgang van de Peelhorst naar de Centrale Slenk. De Eikenheuvelweg volgt de richting van de belangrijke geologische overgang van laag naar hoog. De bebouwing is gesitueerd aan de ‘buitenzijde’ van de Dorshout en de Eikenheuvel. Hierdoor is een agrarisch binnengebied ontstaan dat tot op de dag van vandaag onbebouwd is gebleven. De bebouwing in dit bebouwingscluster bestaat voornamelijk uit historische boerderijen die dicht aan de weg gebouwd zijn. Vooral aan de Dorsthout is (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing achter het woongedeelte van de boerderij aanwezig. Doordat de bebouwing aan de Eikenheuvel meer openheid kent, is op een aantal plaatsen zicht op het beekdallandschap in het westen aanwezig. Asseldonk/Moleneind Dit bebouwingscluster is door de dichte bebouwing en bomenstructuur relatief in zichzelf gekeerd. Dit wordt versterkt door de sterk slingerende structuur van de Asseldonkweg en Moleneindstraat. In het cluster komen afwisselend burgerwoningen en voormalige agrarische gebouwen voor. De woningen bestaan uit één of twee lagen met zadeldak. In dit cluster komen naast langgevelboerderijen ook enkele boerderijen van het hallehuistype voor, waaronder een zogenaamd dwarsdeeltype. Loo Deze bebouwingsconcentratie wordt gevormd door de Karperdijk-Looweg, de Strikseweg en de Steeuwichtweg. De drie wegen vormen een krans rond een open agrarisch binnengebied. Binnen het cluster komen twee gebieden voor waar de bebouwing sterk geconcentreerd is. In het cluster staat een aantal historische langgevelboerderijen. De oude bebouwing ligt op een relatief geringe afstand van de weg. Nieuwe woningen daarentegen zijn verder van de weg geplaatst. Bedaf Bedaf ligt in een besloten agrarisch landschap aan de rand van het dalgebied van de Leijgraaf. Aan dit lint staat een grote verscheidenheid aan bebouwing. In het gebied zijn agrarische bedrijven, burgerwoningen, niet-agrarische bedrijven, en een camping gevestigd in een afwisseling van dichte bebouwing en open ruimtes. Enkele karakteristieke gebouwen zijn cultuurhistorisch waardevol. Vanaf de Bedafseweg zijn fraaie zichten naar het noorden op de Bedafsche Bergen, naar het oosten op de peelrand en naar het zuiden op het open beekdal van de Leijgraaf. De wegen worden begeleid door bomensingels en hier en daar bosjes en houtwallen die waardevol zijn. De afwisseling van open en meer besloten delen van het bebouwingslint zorgt voor verrassende doorzichten naar de omgeving. De bomenstructuren die de wegen in het cluster begeleiden kunnen als structuur versterkende elementen worden aangemerkt. In het cluster staat een aantal karakteristieke gebouwen, enkele daarvan zijn aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol. De aanwezigheid van dergelijke panden versterken, samen met de eerdergenoemde elementen, de identiteit van de bebouwingsconcentratie. Hoefstraat Het plangebied is gelegen in de/het bebouwingsconcentratie/-cluster Hoefstraat, direct ten noorden van de Rondweg en de bebouwde kom van Uden. De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een afwisseling van akkerbouwpercelen, weilandjes en agrarische bebouwing met veel erfbeplanting en hagen op de grens tussen openbaar en privé. De bebouwingsconcentratie bestaat uit zes woningen en twee bedrijven. 11.2.2Welstandscriteria historische bebouwingsclusters Het welstandsbeleid voor de historische bebouwingsclusters in het buitengebied is gericht op het handhaven, herstellen en versterken van gewaardeerde of gewenste ruimtelijke karakteristieken en op de samenhang binnen het gebied. In beheersituaties gebeurt dit vooral via regels en toetsing, terwijl in ontwikkelingssituaties het accent ligt op het faciliteren en stimuleren van kwaliteit. De ruimtelijke kwaliteit binnen de historische bebouwingsclusters is niet overal gelijk. In delen van deze gebieden komt een combinatie van cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden voor. In andere gedeelten is de bebouwingskarakteristiek minder waardevol, bijvoorbeeld doordat recente transformaties de stedenbouwkundige structuur hebben verstoord. Met betrekking tot de welstandscriteria voor de historische bebouwingsclusters geldt dan ook, dat een differentiatie is gemaakt naar twee ambitieniveaus: ambitieniveau A en ambitieniveau B. Het ambitieniveau zegt iets over de wijze van toepassing van de welstandscriteria. Voor gebieden met ambitieniveau A worden meer en strengere beoordelingscriteria toegepast. De welstandsbeoordeling richt zich bij ambitieniveau B primair op het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. Daarbij wordt zorgvuldig gekeken naar de invloed op de omgeving en de architectonische uitwerking van het bouwplan. Detaillering en materialisatie worden op hoofdlijnen bekeken. Binnen de historische bebouwingsclusters bevinden zich verscheidene monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/beeldbepalende panden. Voor monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/beeldbepalende panden is altijd ambitieniveau A van toepassing. Ambitieniveau A Plaats/situering/karakteristiek De karakteristiek van de bebouwing dient aan te sluiten op de karakteristiek van de omliggende historische bebouwing. De karakteristiek van de bebouwing uit zich onder andere in de bouwmassa, de kapvorm, de mate van detaillering, het kleur- en materiaalgebruik en de variatie daartussen. De situering of wijziging van de bouwmassa en/of de oriëntatie mag het historische straatbeeld niet verstoren. Bij een aanpassing of wijziging van de bebouwing dient zorgvuldig omgegaan te worden met de historische en cultuurhistorische waarde van de bebouwing. Het wisselende bebouwingbeeld van herkenbare individuele panden is uitgangspunt. De huidige mate van open- en geslotenheid is leidend voor veranderingen. De openheid tussen twee bebouwingselementen of -complexen dient zoveel mogelijk bewaard te blijven; bestaande waardevolle doorzichten moeten zoveel mogelijk gehandhaafd blijven. Waar tussenruimten tussen de panden gelijk of kleiner is dan 2x de gemiddelde gevelbreedte van de naastliggende panden, dient nieuwbouw aan te sluiten bij de kenmerken van de bebouwing in de directe omgeving. (Bij grotere tussenruimten is een grotere vrijheid in stijlkenmerken, ritmiek, gevelopeningen en toevoegingen toegestaan). De bebouwing op de boerenerven dient tezamen een eenheid te vormen. De bebouwing dient in samenhang geclusterd te zijn op het (boeren)erf, omdat dit van oudsher al zeer bepalend is voor het landschappelijk beeld. Woonhuizen en -boerderijen en bedrijven dienen deze karakteristiek te respecteren. Nieuwe (agrarische) bedrijfsgebouwen moeten achter het bestaande hoofdgebouw worden gesitueerd. De huidige parcellering, de positie en de oriëntatie van de bebouwing zijn richtinggevend voor ontwikkelingen. De bestaande samenhang, afwisseling en vormgeving van de kappen in de omgeving dient gehandhaafd te blijven. Massa/vorm De bestaande hoofdvorm en bouwmassa is leidend bij veranderingen. De bebouwingseenheden dienen individueel herkenbaar te blijven. Bij splitsing van het pand moet de architectonische eenheid van het oorspronkelijk pand behouden blijven. Bij boerderijen moet na splitsing of verbouwing het onderscheid tussen het woon- en het stalgedeelte behouden blijven. De hoofdvormen moeten aansluiten bij de traditionele boerderijvormen en bestaan uit enkelvoudige bebouwingsmassa’s met duidelijke kappen. De oorspronkelijke kapsituatie en de oorspronkelijke bouwvorm moeten leesbaar blijven bij verandering aan de bouwmassa. Traditionele kapvormen, zoals een zadeldak (eventueel met wolfseind), schilddak en mansardekap zijn uitgangspunt. Gevelopbouw Gevelreclame aan panden met een commerciële functie dient binnen de structuur en de detaillering van de gevel te passen. De oorspronkelijke gevelopbouw en traditionele indeling van de gevels dienen gerespecteerd te worden. Kleur, materiaal en detaillering De oorspronkelijke ornamenten en detailleringen in de gevel dienen herkenbaar en zinvol te blijven. Bij verbouwing en renovatie dient zorgvuldig omgaan te worden (herstel, interpretatie of reactie) met de ornamentiek zoals: overstekken, daklijsten, siermetselwerk, lijsten, sierankers, luiken en speklagen en de specifieke detaillering van gevelopeningen. Het bestaande materiaal- en kleurgebruik is uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving. De hoofdkleurtoon en het overwegend materiaalgebruik dienen afgestemd te zijn op de karakteristiek van het landschap, waarbij het gebruik van gedekte kleuren en natuurlijke materialen voorop staan: de daken moeten gedekt zijn met riet of gebakken donkere pannen en de gevels dienen te bestaan uit rode/bruinrode baksteen of wit pleisterwerk. Als historische panden een rieten kap hebben, is vervanging door ander materiaal slechts toegestaan mits daarvoor de cultuurhistorische en architectonische waarde niet onevenredig wordt aangetast. Bij het plaatsen van loodsen en schuren bij boerderijen dient het toepassen van damwandprofielen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Ambitieniveau B Plaats/situering/karakteristiek De karakteristiek van de bebouwing dient aan te sluiten op de karakteristiek van de omliggende historische bebouwing. De karakteristiek van de bebouwing uit zich onder andere in de bouwmassa, de kapvorm, de mate van detaillering, het kleur- en materiaalgebruik en de variatie daartussen. De situering of wijziging van de bouwmassa en/of de oriëntatie mag het historische straatbeeld niet verstoren. Het wisselende bebouwingbeeld van herkenbare individuele panden is uitgangspunt. De huidige mate van open- en geslotenheid is leidend voor veranderingen. De openheid tussen twee bebouwingselementen of -complexen dient zoveel mogelijk bewaard te blijven; bestaande waardevolle doorzichten moeten zoveel mogelijk gehandhaafd blijven. De bebouwing op de boerenerven dient tezamen een eenheid te vormen. De bebouwing dient in samenhang geclusterd te zijn op het (boeren)erf, omdat dit van oudsher al zeer bepalend is voor het landschappelijk beeld. Woonhuizen en -boerderijen en bedrijven dienen deze karakteristiek te respecteren. Nieuwe (agrarische) bedrijfsgebouwen moeten achter het bestaande hoofdgebouw worden gesitueerd. De huidige parcellering, de positie en de oriëntatie van de bebouwing zijn richtinggevend voor ontwikkelingen. Massa/vorm De bebouwingseenheden dienen individueel herkenbaar te blijven. Bij splitsing van het pand moet de architectonische eenheid van het oorspronkelijk pand behouden blijven. Traditionele kapvormen, zoals een zadeldak (eventueel met wolfseind), schilddak en mansardekap zijn uitgangspunt. Gevelopbouw De oorspronkelijke gevelopbouw en traditionele indeling van de gevels dienen gerespecteerd te worden. Kleur, materiaal en detaillering Het bestaande materiaal- en kleurgebruik is uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving. Bij het plaatsen van loodsen en schuren bij boerderijen dient het toepassen van damwandprofielen zoveel mogelijk te worden voorkomen. 11.3Overige ensembles Een aantal gebieden binnen Werkingsgebied B kent een bijzondere historische (steden)bouwkundige karakteristiek. Het betreft voornamelijk kleinschalige woonwijken die in de periode 1940-1965 tot stand zijn gekomen. Ook zijn het ‘unieke’ gebieden; gebieden met een karakteristiek die maar op één of enkele plekken in de gemeente voorkomen. Kenmerkend voor deze ensembles is de stedenbouwkundige eenheid en de herkenbare vormgeving en detaillering van de afzonderlijke bebouwing. In deze paragraaf wordt per ensemble de karakteristiek benoemd. Tevens wordt aangegeven welke welstandscriteria van toepassing zijn. Hoeven - Uden De kern van dit bebouwingslint dateert waarschijnlijk uit 1500-1600. Het lint bestaat voornamelijk uit boerderijen langs de Klantstraat en de Artilleriestraat. De nederzetting is na 1975 ingesloten door de Udense uitbreidingswijken Bitswijk, Hoevense Veld en Hoeven. Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door vrijstaande, eenlaagse bebouwing met veelal afgewolfde zadeldaken, met de nok haaks op de straat gesitueerd. Door de stegen, zandpaden, erven en tuinen, alsmede door de verspringende rooilijn is er een levendig bebouwingsbeeld. Kenmerkend zijn de plaatselijke relicten van erfbeplantingen, met name lei- en knotlinden. De historische percelering is goed bewaard gebleven. Met name aan de zuidoostelijke en zuidwestelijke zijde zijn relicten van perceelsrandbegroeiing aanwezig: hagen, heggen, laanbeplanting. De structuur wordt doorsneden door de oude verbinding tussen Zeeland en Uden, ter plaatse