Handboek Openbare Ruimte 2024Besluit: Het college besluit in te stemmen met het gebruik van het geactualiseerde Handboek Openbare Ruimte 2024. 1Inleiding Het Handboek Openbare Ruimte Neder-Betuwe is een praktisch instrument. Het vormt een programma met eisen en aanbevelingen voor de inrichting van de openbare ruimte in Neder-Betuwe uit het oogpunt van beheer en onderhoud. In het document zijn de basiseisen opgenomen waaraan de inrichting van de openbare ruimte minimaal moet voldoen. Het College van de gemeente Neder-Betuwe heeft ingestemd met het toepassen van dit document. 1.1Doel We willen een kwalitatief goede en klimaatadaptieve openbare ruimte, met een inrichting die is afgestemd op de verschillende functies en die we goed in stand kunnen houden. De kwaliteit van de openbare ruimte is gebaat bij samenwerking en onderlinge afstemming tussen alle vakgebieden die zich bezighouden met ontwikkeling, (her)inrichting en beheer. Zowel bij nieuwe aanleg als herstructurering van de bestaande omgeving moeten we daarvoor de juiste randvoorwaarden creëren. 1.2Werkwijze Dit Handboek is een dynamisch document. Door wijzigingen in beleid, wetgeving of veranderende inzichten kunnen de eisen aan de openbare ruimte veranderen. De verantwoordelijke vakspecialist van ieder betrokken discipline houdt deze wijzigingen zelf bij. De verplichte toepassing van het Handboek is als randvoorwaarde opgenomen bij elke projectopdracht binnen de gemeente. Deze verplichting geldt voor planontwikkeling door zowel een interne als externe initiatiefnemer. Het gaat primair om de openbare ruimte die in beheer en eigendom komt van de gemeente. 1.3Leeswijzer De gestelde randvoorwaarden zijn gegroepeerd in vier onderdelen: ‘beleid en randvoorwaarden’, ‘realisatie en overdracht’, ‘ontwerp en inrichting’ en ‘maatvoering en materiaal’. Per onderdeel beschrijven we relevante informatie voor inrichtingselementen zoals groen, verhardingen, verkeer, watergangen, riolering en openbare verlichting. Beleidsdocumenten waarnaar we verwijzen zijn terug te vinden op www.nederbetuwe.nl en/of op www.overheid.nl. 1.4Status van de eisen en aanbevelingen Het Handboek schept randvoorwaarden voor de inrichting en het toekomstige beheer van de openbare ruimte. Als we de ontwikkeling en realisatie van een project in handen leggen van een marktpartij of grondexploitatiemaatschappij, waarin de gemeente en de marktpartij(
(2015)gecertificeerd ingenieursbureau. Houd bij het ontwerpen van wegen niet alleen rekening met civieltechnische aspecten zoals goede fundering, afwatering en materiaalkeuze), maar houd ook rekening met de samenhang met het omringende groen, de waterhuishouding, klimaatadaptatie en de aansluiting op de bestaande situatie. Zorg dat de gebruiker de verschillende verkeersfunctie duidelijk kan onderscheiden. Ontwerp fundering en verharding van ontsluitingswegen volgens verkeersklasse 3 of 4 en alleen voor opstelstroken verkeersklasse 5. Voor gladheidbestrijding dient de doorgang tussen banden steeds minimaal 2,50 meter te zijn (behoudens fietspaden langs een wegversmalling waar fietsers ook de rijbaan kunnen gebruiken). Pas afhankelijk van de situatie en in overleg met het team Verkeer en Civiel elementen- of asfaltverharding toe. Bijvoorbeeld door kleur of patroonverschillen, in verband met juridische aansprakelijkheid. Ontwerp onkruidwerende verharding. Onderscheid de parkeervakken duidelijk om te voorkomen dat auto’s parkeren op plaatsen die daar niet voor zijn bedoeld. Bij haaks parkeren naast een groenstrook een uitstap- en overstekstrook toepassen. Bij ontbreken van een trottoir dient bij een achter- of zijtuin minimaal een trottoirtegel en een opsluitband achter de trottoirband van de rijbaan te worden geplaatst welke in eigendom van de gemeente blijft. Erfafscheidingen (en dus de eigendomsgrens) worden achter deze opsluitband geplaatst; Houd bij het ontwerp van de fundering rekening met de belasting door gemotoriseerd onderhoudsmaterieel. Geen slijtlagen toepassen binnen de bebouwde kom en op fietspaden. Voorkom het vrijkomen van materialen zoveel mogelijk en pas daarom in geval van onderhoud, daar waar dit bij de uitstraling aansluit, in het werk vrijgekomen materialen toe. Bij de aanleg van meerdere huisaansluitingen of herstelwerkzaamheden op korte afstand de gehele rijbaan herstraten. 5.2.2Elementenverharding Gebruik materialen met kleurechte slijtlaag, ook voor markeringen (verkeersstenen toepassen). Pas geen lichtkleurige verharding of natuursteen toe op plaatsen waar vervuiling door olie kan worden verwacht, zoals opstelplaatsen en parkeerhavens en wegen met een hoge verkeersintensiteit. Toepassing van waterdoorlatende of –passerend straatstenen is niet toegestaan. 5.2.3Asfaltverharding De opbouw van gesloten verhardingsconstructies baseren op een verhardingsadvies, waarin op basis van berekeningen een voorstel gedaan wordt voor de opbouw. Dit voorstel moet voldoen aan de CE-markering voor asfalt en uit functionele eisen bestaan. Het verhardingsadvies bevat een voorstel voor samenstelling en gradering van de mengsels en laagdiktes. Ontwerp een asfaltdeklaag met een levensduur van minimaal 15 jaar. Ontwerp onder de deklaag liggende asfaltlagen en de fundering met een levensduur van minimaal 50 jaar. Slijtlagen moeten van CE-markering zijn voorzien. Breng langsnaden in asfaltverharding warm tegen warm aan. 5.3Maatvoering en materiaal 5.3.1Algemeen Pas in standaardsituaties trottoirband 13/15 cm toe. Maak bij elementenverhardingen gebruik van trottoirbanden met een hoogte van 25 cm. Voorzie kantopsluiting langs groenstroken of bermen altijd van een betonrug. Fundering onder rijbaan: puinfundering minimaal 300 mm dikte en zandbed van minimaal 500 mm dikte (in parken 300 mm). Leg het zandbed aan weerszijden van de weg 0,50 meter breder aan dan de rijbaan. Voegen langs verharding en rondom straatmeubilair (bijv. lichtmasten, verkeersbordpalen, tuinmuurtjes enzovoorts) tot 2 cm onder het oppervlak opvullen met porfiersteenslag 4/8. Voegen en steenskelet injecteren met een tweecomponentige, zelfnivellerende, hoog chemisch resistente, oplossingsvrije, elastisch blijvende afdichtingskit op basis van polysulfide (circa 60%), Saba Sealer MB (deel A kleur grijs, deel B kleur (donkergrijs). De voeg afstrooien met een overmaat aan porfierzand 1/3. 5.3.2Wegen 5.3.2.1Asfaltverharding hoofdwegen Bij overgangen van asfaltverharding naar verhardingen met klinker- of tegelverharding loopt de fundering van de asfaltverharding (de zwaarste constructie) minimaal 5 meter tot voorbij de overgangsconstructie. Kantopsluiting bij hoofdwegen, RWS- of trottoirband 18/20 cm, in metselspecie gesteld op een onderlaag van asfalt, voorzien van een steunrug beton. Maximale kolkafstand 25 meter. Gootlagen bestaan bij asfaltverhardingen uit goottegels 300 x 150 mm op specie aangebracht. Voer de belijning en symbolen op ontsluitingswegen van asfalt in thermoplast uit (geen sprayplast). 5.3.2.2Elementverharding woonstraten Voer verharding van betonstraatstenen als volgt uit: Rijbaan in keperverband op een straatlaag van gemiddeld 50 mm straatzand. Gewijzigd tonrond RAW-standaard, met 2 cm overhoogte bij aanleg. V-profiel, een vlakke goot in het midden, met 1 cm zicht. Afwatering middels: Dwarshelling: 1:30, maximale kolkafstand 25 meter. Gootlagen bestaan bij elementenverhardingen uit betonstraatstenen 210x105x80 mm. Op specie aangebracht. Plateaus/drempels: elleboogverband, blok- en halfsteensverband (volgens CROW publicaties). Tegels en betonstraatstenen met straatzand invegen en gebakken klinkers met brekerzand en/of fijn split. Verwijder overtollig zand. Bij meerdere sleuven of vakken in bestaand straatwerk de gehele breedte van rijbaan, voet- of fietspad herstraten. 5.3.2.3Parkeren Bij haakse bochten in parkeerstroken alleen blokken gebruiken met bochtstralen ter vergemakkelijking van het veegwerk. Inwendige straal is minimaal 0,50 meter. Betonstraatsteen, keiformaat toepassen in elleboogverband. Scheidingslijnen in dwarsrichting aanbrengen middels straatsteen (blijvend wit). Straatlaag van straatzand met laagdikte van gemiddeld 50 mm. Bij haaks parkeren op de kop van de vakken een ‘overstek’ toepassen, breed 0,50 meter voorzien van opsluitband 10x20mm, achter de trottoirband 13/15x25 cm. Tegelverharding uit betontegels 400x600x40 mm. Overstek is niet toegestaan bij een trottoir smaller dan 1,80 meter. Bij parkeervoorzieningen in woonwijken grasbetonelementen toepassen in het kader van hittestress. Aangezien wel een fundering wordt toegepast is een bijdragen aan het voorkomen van wateroverlast niet aan de orde. De elementen worden aangevuld met teelaarde en ingezaaid. Standaard grasbetontegels worden uitsluitend toegepast als bermversteviging. Voor materialen die acceptabel en functioneel worden geacht in een woonwijk, zie bijlage 4; Onderscheid de parkeervakken duidelijk om te voorkomen dat auto’s parkeren op plaatsen die daar niet voor zijn bedoeld. Het moet voldoen aan de normen om voor een of parkeerzone. Voor vakken die op de rijbaan liggen om en om witte betonstraatstenen aanbrengen; Voor vakken die afgescheiden zijn van de rijbaan middels een betonband of molgoot de hoekpunten markeren met een twee witte betonstraatstenen (T-vorm); Voorzie parkeervakken in woonerven van een P-tegel (30x30
- cm)en markering met witte betonstraatstenen. 5.3.2.4Trottoirs en voetpaden Verharding: in standaard situaties betontegels 300x300x 60mm in dwarsverband. Pastegels: standaard 300x150x60mm. De hoogte tussen bovenkant verharding en bovenkant opsluitband (klik) maximaal 2 cm. Breng in een bocht de verharding in stroomlagen aan. Breng, indien een afwijkende tegelmaat ontstaat, langs de gevel of opsluitband een stroomlaag aan. Zaag het tegelwerk op maat tegen de stroomlaag. Kleur: gebruik in standaard situaties grijze tegels. Zandbed: minimaal 500 mm dik. Dwarshelling 1:40. Afwatering mag niet plaatsvinden naar privéterrein. Voetpaden bij garage-inritten of andere situaties waarbij het voetpad bereden wordt door gemotoriseerd verkeer betontegels 300x300x80 mm toepassen met de langsvoeg haaks op de rijrichting van het verkeer. 5.3.3Fietspaden 5.3.3.1Asfaltverharding Fietspaden worden uitgevoerd in de kleur rood, type bitumen in overleg met de gemeente. 5.3.3.2Elementenverharding Uitvoering van een fietspad in elementenverharding mag alleen in overleg met en na goedkeuring van het team Civiel. Betontegels 300x300x80 mm, splintervrij, klein facet. Gebruik 8 cm dikke tegels, eventueel dikker (12
- cm)bij uitritten voor zwaar verkeer, in de bebouwde kom. Kleur deklaag van tegel: Frans rood of grijs. 5.4Realisatie en overdracht Overhandig voor de oplevering het resultaat van de verdichtingsmeting en de boorkernen van het asfalt ter goedkeuring aan de gemeente. Voor de oplevering een as-build revisie van de bovengrond aanleveren. Hierop worden alle (typen) verhardingen, kantopsluitingen en voorzieningen in de openbare ruimte aangegeven inclusief ingemeten hoogten. Na oplevering blijft de initiatiefnemer tot overdracht verantwoordelijk voor het afhandelen van meldingen en het regulier onderhoud op beeldkwaliteit A. 6Markering, bebording en bewegwijzering 6.1Beleid en randvoorwaarden Aanbrengen van markering, bebording en bewegwijzering vindt plaats volgens de Uitvoeringsvoorschriften van de BABW inzake verkeerstekens. 6.2Ontwerp en inrichting Het bebordingsplan dient te worden afgestemd met team Verkeer. De hoogte van de onderkant van het bord ten opzichte van het wegdek bedraagt minimaal: binnen de bebouwde kom: 2,20 meter; de hoogte mag minder zijn indien het bord is geplaatst op een verkeerseiland of buiten een pad of trottoir, doch bedraagt dan ten minste 1,20 meter; buiten de bebouwde kom: 1,20 meter. De hoogte van de onderkant van bord D2 of D3 ten opzichte van het wegdek, bedraagt minimaal 0,90 meter indien het bord is geplaatst op een gele verkeerszuil. Bij plaatsing van borden boven de rijbaan bedraagt de vrije doorrijhoogte ten minste 4,50 meter en boven fiets- en voetpaden ten minste 2,50 meter. Bij tunnels, viaducten en dergelijke kan de initiatiefnemer hiervan afwijken. Een bord staat tenminste buiten het profiel van vrije ruimte van de rijbaan. De afstand tussen de rand van het bord en de kant van de rijbaan dan wel de kant van de verharding bedraagt bij voorkeur ten minste 0,60 meter en ten hoogste 3,60 meter. Op wegen buiten de kom, zonder parkeer- of vluchtstrook, bedraagt de minimumafstand 1,80 meter. Houd voor het plaatsen van straatnaamborden (op een flespaal) een hoogte van 2,50 meter aan. 6.3Maatvoering en materiaalkeuze 6.3.1Algemeen Voor alle te leveren verkeersborden geld dat deze moeten voldoen aan de Europese norm NEN-EN 12899-1:2007 en de nationaal aanvullende norm NEN 3381:2013. De voorgeschreven referentieklasse is klasse III Diamond Grade (DG3). Voorzie verkeersborden en onderborden, incl. bevestigingsmaterialen, in centrumgebieden van vuurwerkbescherming, geleverd door Willprotec. 6.3.2Verkeersborden De volgende typen worden toegepast: Op wegen waar een maximumsnelheid geldt van 50 km per uur of minder: type I; Op wegen waar een maximumsnelheid geldt van 80 km per uur of minder: type II. 6.3.3Straatnaamborden Voer straatnaamborden uit volgens NEN 1772 (retro reflecterend materiaal, blauw (RAL 5017) met witte bies, aluminium koker AKO, dubbelzijdig. 6.3.4Onderborden Voer onderborden uit wit met dubbel omgebogen rand. 6.3.5Palen Maak bij het plaatsen van verkeersborden gebruik van gelaste flespalen 760/480 mm met los grondkruis; thermisch verzinkt volgens NEN 1275. Maak bij het plaatsen van straatnaamborden of spiegels gebruik van gelaste buispalen 760 mm. 6.3.6Verkeerszuil en markeringspalen Maak op verkeersgeleiders gebruik van flexibele zuilen van het merk Ro-Cycle. Voorbeeld: Verkeerszuil BM 21 Ro-Cycle type universeel met grondbuis, aluminium buis BM 21 L=800mm met deksel, buispaal 48 mm L=500mm, Ro-Cycle o-ring, Ro-Cycle fundatiebuis, Ro-Cycle kern. Maak bij palen voor het markeren van trottoirs en dergelijke gebruik van recycling diamantkoppalen vierkant 150x150 mm. 6.3.7Tijdelijke bebording (bij werk in uitvoering) Afzettingen en omleidingen worden zes weken voor uitvoering ter goedkeuring overlegd aan team Verkeer. Tijdelijke bebording uitvoeren in reflecterend, geel met zwarte letters. 6.3.8Markeringen Markeringen: volgens CROW-publicatie ‘Richtlijnen voor de bebakening en markering van wegen 2015’ in thermoplast. Invulling van vlakmarkering in wegenwerf met glasparels. 6.4Realisatie en overdracht Markeringen en bebording worden opgenomen in de as-build revisie ‘bovengrond’ (inclusief inmeetgegevens en aanvullende informatie). 7Riolering en afwatering 7.1Beleid en randvoorwaarden 7.1.1Beleid 7.1.1.1Algemeen: riolering binnen het ontwerpproces Riolering en watertaken De rioleringszorg (gemeentelijke watertaken) omvat de inzameling en het transport van afval- (DWA) en hemelwater (HWA) en het in het openbare gebied treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Ontwerp en beheer van de riolering zijn van cruciaal belang voor de kwaliteit van het oppervlaktewater in Neder-Betuwe en de regio. Voor een goede rioleringszorg is het van belang dat we bij de inrichting van het te ontwikkelen stedelijk gebied (uitleggebieden, inbreidingen en herstructurering bestaand stedelijk gebied) de belangen vanuit de gemeentelijke watertaken waarborgen. Klimaatadaptatie Klimaatadaptatie is het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en inspelen op de gevolgen hiervan op de (toekomstige) openbare ruimte. We streven ernaar om in 2050 de gehele openbare ruimte klimaatbestendig en water robuust te hebben ingericht. De uitgangspunten en randvoorwaarden van het klimaatadaptatiebeleid zijn geïntegreerd in het Gemeentelijk RioleringsPlan en vanaf 2024 in het Programma Water en Riolering. Er is een logisch verband tussen het riolerings- en klimaatbeleid. Daar waar het rioleringsbeleid is gefundeerd op het landelijk algemeen toegepaste uitgangspunten, bijvoorbeeld het rekenen met gestandaardiseerde normbuien (Rioned), is het klimaatbeleid gestoeld op extreme omstandigheden die zijn gebaseerd op de recent geformuleerde uitgangspunten in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. We hebben vanuit deze uitgangspunten kaders en normen gesteld aan het ontwerp en de inrichting van de nieuwe openbare ruimte met als doel de veiligheid voor onze inwoners ook in de toekomst te kunnen borgen. 7.1.1.2Beleidsplannen, wet en regelgeving riolering De rioleringszorg krijgt gestalte vanuit verschillende wetten, regels en beleidsvisies rond milieu-, water- en ruimtelijke ordening vraagstukken. Belangrijk is in het ontwerpproces rekening te houden met vastgestelde beleidsplannen en -nota’s op deze gebieden. Het beleid is te onderscheiden op Europees, landelijk, provinciaal (inclusief waterschappen) en gemeentelijk niveau. Zie voor de geldende wet- en regelgeving onder andere de Leidraad Riolering van de Stichting Rioned. 7.1.1.3Gemeentelijke beleidsuitgangspunten riolering Neder-Betuwe Uitgangspunt en leidend voor implementatie van het vigerend gemeentelijk beleid tijdens planvorming en ontwerp is het Programma Riolering en Water (PRW) en de algemene (beleids)uitgangspunten riolering. Onderstaand een overzicht van de (beleids)documenten die we hanteren: Programma Riolering en Water 2024-2028. Leidraad Riolering Stichting RIONED, actueel www.rioned.nl. 7.1.1.4Randvoorwaarden riolering gemeente Neder-Betuwe We hanteren in aanvulling op de gemeentelijke beleidsplannen een aantal algemene en specifieke randvoorwaarden en uitgangspunten die in de geest of direct een vertaling dienen te krijgen in de planvorming. De randvoorwaarden en uitgangspunten zijn hieronder weergegeven. Daarbij merken we op dat de eerder genoemde beleidsplannen bij eventuele tegenstrijdigheden geldend zijn. Houdbaarheid van het ontwerp: Houd er bij het ontwerp van objecten en elementen rekening mee dat reparaties en aanpassingen doelmatig te realiseren zijn. Houd rekening met aansluitmogelijkheden voor toekomstige uitbreidingen rondom het project of plangebied. Onderhoudbaarheid (rekening houdend met de kostenbeheersing op termijn): Houd bij de materiaalkeuze rekening met het schoonhouden, vandalisme en veiligheid. Werk in de maatvoering, eenheden, materialen en uitvoering naar standaardisatie. Houd rekening met de geldende Arbowetgeving richtlijnen en veiligheidseisen bij de aanleg en het latere onderhoud. Toegankelijkheid: Toegankelijk voor onderhoudsmaterieel moet gegarandeerd zijn, door het voorkomen van hoeken, obstakels, hoogteverschillen waar het materieel voor onderhoud niet zonder meer bij kan, voldoende draagkracht in de grond. Onderhoudsmaterieel heeft te allen tijde vrije toegang nodig vanaf openbaar terrein, tot het water (baggeren/krozen), reinigen van riolering, kolk, randvoorziening of gemalen enzovoorts. Duurzaamheidstoets: Bij de robuustheid van de inrichting, rekenen we met een levensduur van minimaal: Vrijvervalleidingen - 60 jaar. Mechanische riolering (leidingen) - 60 jaar. Gemalen, kast, appendages, mechanisch-elektrisch - 30 jaar. Pompen en leidingwerk inwendig – 15 jaar. Gemalen, bouwkundig - 60 jaar. Drainage - 45 jaar. Randvoorzieningen, bouwkundig - 60 jaar. Randvoorzieningen, mechanisch-elektrisch - 30 jaar. Gebruik van duurzame materialen bij de toe te passen objecten, zoals buismaterialen en rioolleidingen. Houd hierbij goed rekening met de lokale omstandigheden. Klimaatadaptatie in het ontwerp: Houd bij het ontwerp van een nieuwe ontwikkeling rekening met de gevolgen van de klimaatverandering. Geef de inrichting dusdanig vorm om het risico op wateroverlast en schade te beperken en de veiligheid voor onze inwoners en bedrijven redelijkerwijze wordt gegarandeerd. Richt de nieuwe ruimtelijke plannen water- en klimaat robuust in2Het toepassen van trottoirbanden en (plaatselijke) verlagingen kunnen een regulerend (positief) effect hebben op de gevolgen van wateroverlast bij hevige neerslag. Bij een hevige bui kan hemelwater tijdelijk geborgen worden op straat of in verlaagde plantvakken. Ook kan de weg zelf water afvoeren. Hemelwater kan bijvoorbeeld ook afvoeren via een in de weg ingepaste goot naar een minder kwetsbaar gebied. De afvoer van water is dan niet langer volledig afhankelijk van de beperkte capaciteit van de ondergrondse infrastructuur. Hierdoor wordt de afvoercapaciteit van het rioolstelsel minder belast bij een piekaanbod hemelwater.. Bij het uitwerken van klimaatadaptatie maatregelen in het ontwerp tegen wateroverlast worden ook kansen voor de aanpak van verdroging, biodiversiteit en hittestress afgewogen en zoveel mogelijk benut. 7.1.1.5Rioolbeleid Doelen en zorgplichten PRW De doelen en beleidsuitgangspunten van Neder-Betuwe staan in het vigerend beleid. In hoofdlijnen zijn deze: Doelen: Invulling geven aan de drie wettelijke zorgplichten (gemeentelijke watertaken): Doelmatige inzameling en transport van stedelijk afvalwater. Doelmatige inzameling en doelmatige3Initiatiefnemer en toekomstige eigenaren van bedrijven en woningen en dergelijke hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemel- en grondwater, voor zover de gemeente als toekomstig beheerder van de openbare ruimte dit redelijkerwijs kan vergen. Als het aantoonbaar niet doelmatig mogelijk is om bijvoorbeeld hemelwater en/of overtollig grondwater zelf te kunnen verwerken of afvoeren (bijvoorbeeld op een watergang of in de bodem) dan heeft de gemeente een ontvangstplicht. verwerking van hemelwater (daar waar de perceeleigenaar redelijkerwijs niet in staat is dit zelf te doen). Het in openbaar gebied treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover doelmatig (inspanningsverplichting). De voorkeursvolgorde voor het omgaan met hemelwater en ander afvalwater aan de bron is: Voorkom of beperk het ontstaan van afvalwater. Voorkom of beperk verontreiniging van afvalwater. Houd afvalwaterstromen gescheiden, tenzij het niet-gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater. Zamel huishoudelijk afvalwater en daarmee vergelijkbaar afvalwater in en transporteer dit naar een RWZI. Hergebruik ander afvalwater dan bedoeld bij het punt hierboven (zo nodig na zuivering bij de bron). Hemelwater wordt zoveel mogelijk hergebruikt of lokaal teruggebracht (afkoppelen) in oppervlaktewatersysteem of op/in de bodem (zo nodig na zuivering bij de bron). Hanteer de volgende voorkeursvolgorde bij in- en uitbreidingen voor het verwerken van hemelwater: Infiltratie in de bodem. (vanwege de grondslag in het gebied van Neder-Betuwe is infiltratie in de bodem vrijwel niet mogelijk) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater. Directe afvoer naar oppervlaktewater met aanvullende maatregelen in het oppervlaktewatersysteem. Uitgangspunten: Uitgangspunt voor het omgaan met hemel- en grondwater is dat (afstromend) hemelwater en aangevoerd overtollig grondwater meestal schoon genoeg zijn om zonder zuivering in het milieu te worden teruggebracht. Voer bij voorkeur het hemelwater bovengronds af naar een bergende voorziening zoals een wadi of oppervlaktewater. Ondergrondse afvoer als alternatief of aanvulling is toegestaan als de afstand tussen bron en lozingspunt te groot is of bij onvoldoende hoogteverschil tussen beide punten. Sluit het hemelwater van zowel daken als achter de woning gelegen opstallen (bergingen/schuren) van het particulier terrein per perceel afzonderlijk aan op het openbare hemelwatervoorziening als in een dergelijk riool voorzien is. Verwerk zoveel mogelijk, min. 20mm, hemelwater van particuliere verhardingen op het eigen terrein. Dakwater van bedrijfspanden moeten direct, bij (voorkeur oppervlakkig) afwateren naar open water. Leg indien noodzakelijk hiervoor een separaat afvoerend hemelwaterriool aan. De inrichting van een plan dient op het gebied van afkoppelen logisch, uniform en eenduidig te zijn. Bied hemel- en vuilwater altijd gescheiden aan. Leg voor de afvoer van grondwater een separaat drainagestelsel. Bij meerdere individuele ondergrondse hemel- of grondwaterwaterafvoer van particulier terrein die afvoeren op wadi’s of watergangen het aantal lozingspunten zoveel mogelijk beperken. Verontreiniging van hemelwater moet worden voorkomen door diffuse bronnen die van invloed zijn op kwaliteit van afstromend hemelwater - waardoor het niet voldoet aan de door de waterkwaliteitsbeheerder gestelde emissiegrenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater – te beperken. Als het beperken van diffuse bronnen (bijvoorbeeld door intensief verkeersgebruik als gebiedsontsluitingswegen of opslag- en bedrijventerreinen) niet mogelijk is, dan moeten maatregelen aan de bron of end-of-pipe worden genomen om te voldoen aan de emissiegrenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Als maatregel zijn lamellenfilters of andere filtersystemen niet toegestaan. Geen afvoer van overtollig grondwater op afval- en hemelwaterstelsels die afvoeren naar een RWZI. Eventueel nog aanwezige ongerioleerde panden in het te ontwikkelen (stedelijk) gebied moeten worden aangesloten op het rioleringssysteem en opgenomen worden in de planvorming. Er moet voldoende oppervlaktewater (berging) voor vrijkomend hemelwater worden gereserveerd. Het waterhuishoudings- en (basis)rioleringsplan moeten op elkaar zijn afgestemd. Voor nieuwe woongebieden is het uitgangspunt een gescheiden rioleringssysteem en voor nieuwe bedrijventerreinen een verbeterd gescheiden rioolstelsel. Bij inbreidingen en herstructurering in bestaand stedelijk gebied moet rekening worden gehouden met al bestaande rioolsystemen, de hierin beschikbare afvoercapaciteit, voorgenomen verbeterings-, renovatie- en vervangingsplannen en met het betrokken waterschap vastgelegde afspraken in planvormingen (vuilemissie reductieplan, waterkwaliteitsspoor). Bij de in-uitbreidingsplannen moet rekening worden gehouden met de kosten benodigd voor eventuele maatregelen, onderzoek en aanpassing van de bestaande rioolsystemen buiten het plangebied. Pas in principe geen gemalen toe bij in/uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen. Afvoer onder vrijverval is het leidend uitgangspunt. Slechts in díe gevallen waar dit aantoonbaar technisch niet mogelijk blijkt of vanwege maatschappelijk kosten onverantwoord is, kan de gemeente na beoordeling van een door initiatiefnemer gedegen onderbouwing afwijken van het aansluiten onder vrijverval. 7.1.1.6Milieuwet- en regelgeving (incl. lozingsregels voor afval-, hemel- en grondwater): De initiatiefnemer dient op de hoogte te zijn van de wet- en regelgeving, in onder andere in: Wet milieubeheer; Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Wm-inrichtingen), kortweg Activiteitenbesluit; Besluit lozing afvalwater huishoudens: voor lozingen vanuit huishoudens; Besluit lozen buiten inrichtingen: Voor alle lozingen van overige bronnen/openbare ruimte. Dit besluit stelt onder andere regels voor overstorten, lozing vanuit hemelwaterriolen en afspoeling van wegen; Besluit glastuinbouw; Wet bodembescherming. 7.1.1.7Waterwet- en regelgeving Zorgplicht voor inzameling van afvalwater; Zorgplicht hemelwater; Inspanningsverplichting grondwater; Van vergunning naar algemene regels (bijv. hemelwaterlozingen uit gemeentelijk rioolstelsel vallen niet meer onder vergunningsplicht (voorheen WVO-vergunning) maar algemene regels); Meldings- of watervergunningsplichtige activiteiten; Samenwerken op basis van afspraken: Vroegtijdig in het ontwerpproces ook de waterschappen betrekken (mede ook vanwege relatie tot totaal watersysteem). 7.1.1.8Wet ruimtelijke ordening Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening; Woningwet, bouwbesluit en bouwverordening; WABO. 7.1.1.9Overige wet- en regelgeving en planvormen Kaderrichtlijn water (KRW); Nationaal Milieubeleidsplan en Milieuprogramma; Nationaal Waterplan; Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten [W.I.O.N]; Provinciale milieuverordening en Omgevingsverordening Gelderland; Waterplan Provincie Gelderland; Waterbeheerplan waterschap Rivierenland; Keur van het betrokken waterschap; Gemeentelijk milieubeleidsplan; Gemeentelijk RioleringsPlan of Programma Riolering en Water; Gemeentelijke verordeningen; Vigerende bestemmingsplan(nen). 7.1.2Randvoorwaarden 7.1.2.1Planvorming In hoofdstuk 3 ‘Planvormingseisen’ van dit handboek staat welke algemene eisen en terugkoppeling in het proces van planvorming en ontwerp van toepassing zijn. Voor de discipline riolering is een aantal specifieke zaken ten aanzien van het proces en de planvorming van belang. Het is van belang de beleidsvelden en randvoorwaarden, de fysieke omgeving en een passend inzamel- en transportsysteem goed op elkaar af te stemmen. Het ontwerpproces bestaat uit de drie stappen: schetsontwerp (inrichting systeem), functioneel ontwerp (dimensioneren systeem) en detailontwerp (dimensioneren onderdelen). Details van systeemonderdelen kunnen de haalbaarheid van het schetsontwerp aanzienlijk beïnvloeden, bijvoorbeeld in de keuze van afvoer via het maaiveld of via wadi’s. Bij het schetsontwerp moet dus al terdege rekening worden gehouden met de invulling van dergelijke details. 7.1.2.2Uit te werken plannen Stel bij planvorming moet voor het totaal te ontwikkelen gebied (inclusief te verwachten toekomstige en/of te voorziene uitbreidingen) een Waterhuishoudingsplan op als genoemd in hoofdstuk 3 en volgens bijlage 6. Hierbij spelen de eisen van het waterschap, de uitgangspunten van gemeente Neder-Betuwe, het gemeentelijk rioleringsplan van de gemeente Neder-Betuwe een belangrijke rol. Indien de realisatie van deelgebieden meer dan drie jaar wordt vertraagd, moet per deelgebied opnieuw worden getoetst of nog wordt voldaan aan de drie planvormen en moet, in samenwerking met de gemeente en het betrokken waterschap, voor elk deelgebied een geactualiseerd (basis)rioolplan worden uitgewerkt. Het (basis)rioleringsplan moet leiden tot een zodanig duurzaam ontwerp dat afval- en hemelwater doelmatig wordt ingezameld en getransporteerd, zodanig dat ongewenste emissie naar oppervlaktewater, bodem en grondwater wordt voorkomen en de omgeving geen (water)overlast ondervindt. Het resultaat van de planvorming is een (basis)rioleringsplan (functioneel ontwerp) wat past in het inrichtingsplan en wat de basis vormt voor de realisatiefase. Bij de planvorming moet rekening worden gehouden met de bij het ontwerpproces benodigde stappen. Deze zijn uitgebreid omschreven in de Leidraad riolering van de Stichting Rioned. Bij de uitwerking voor het ontwerp van afval-, hemel- en grondwaterbeheerstelsels en de vertaling hiervan in een (basis)riolerings- en het grondwaterbeheersingsplan, zijn met name van belang: Stedenbouwkundige aspecten: Bebouwingsdichtheid en de relatie tot het verhard oppervlak; De structuur van water en groen. Omgevingsaspecten: (Geo)hydrologische situatie. De invloed op de bestaande (natuurlijke) grondwater- en oppervlaktewaterhuishouding en kwelgebieden. Voorkom negatieve invloeden bij te maken keuzes. Bodemopbouw. Draagkracht en samenstelling van de bodem beïnvloed het toekomstig zettingsgedrag. De benodigde drooglegging bepaald mede de keuze voor de inzet drainage en/of het ophogen van het terrein. Bodemgesteldheid. De wijze van afvoer van hemel- en grondwater in relatie tot bodemgesteldheid en doorlatendheid (gezien de bodemgesteldheid in de gemeente Neder-Betuwe is infiltratie van water in de bodem in veel gevallen niet mogelijk). Afstemming van hoeveelheid en kwaliteit van het afvalwater. Hoeveelheid, debiet en kwaliteit van het afstromend hemelwater (voorkom onder andere versnelde instroom van afstromend hemelwater in het hemelwaterstelsel). Grondwaterkwaliteit. Aanwezigheid en omvang van diffuse bronnen (potentiële vervuilingsbronnen van hemelwater) zoals verkeer, industrie, bouwmaterialen, gebruikers en beheerders van de openbare ruimte. Aspecten ten aanzien van hoogte inrichting: De wijze van afvoer van afval, hemel- en grondwater heeft een indirecte relatie met de hoogte van het bestaande en het nieuwe maaiveld en de peilhoogten. Maak in het ontwerp afweging, keuzen en de effecten hiervan duidelijk inzichtelijk. Bijvoorbeeld: voor het oppervlakkig afvoeren van hemelwater over het maaiveld is een bepaald minimaal verval voor de afvoer van water door goten noodzakelijk. Realiseer dit dan wel binnen het plangebied. Grondkerende constructies zijn ongewenst maar indien deze noodzakelijk zijn dit onderbouwen en duurzame maatregelen opnemen bijv. greppel met drainage om overlast in de toekomst te voorkomen. De peilmaten van de fundering (vloerpeilhoogte) hebben een relatie tot de risico’s op overlast of schade van de bebouwing in gevallen van extreme neerslag (klimaatadaptatie). Houd in het ontwerp bij de inrichting rekening met dit risico door bijvoorbeeld het creëren van bovengrondse waterberging op straatniveau daar waar de overlast minimaal wordt geacht. Stel hiervan een hoogteplan op. Maaiveldhoogte en peilmaten. Voldoende berging in het oppervlaktewater: dit beperkt diameters van hemel- en grondwaterbeheerleidingen. Aspecten ten aanzien van bodemzetting: Restzettingseis: effecten van wijzigingen in de (geo)hydrologische, bodemsituatie en ophogen. Zettingsgevoeligheid: keuze afweging voor kleinere diameters en/of lichtere (funderings) materialen. Aspecten ten aanzien van toekomstig onderhoud: Situering en bereikbaarheid bij preventief onderhoud, storingen en vervanging (beheer gericht ontwerpen). Aspecten ten aanzien van bestaande (ondergrondse) infrastructuur Aansluitmogelijkheid op bestaande afvalwatersystemen en het beschikbaar zijn van afvoercapaciteit bij zowel gemeente als waterschap (keuze aanpassen of uitbreiden). Afstemming benodigd ruimtegebruik in de openbare ruimte in het dwarsprofiel (ondergrondse en bovengrondse infrastructuur), kruising van andere infrastructuur (diepteligging). 7.2Inrichting en ontwerp 7.2.1Stelselkeuze 7.2.1.1Woonwijken De volgende systemen worden onderscheiden: Gemengd of Vuilwaterriool; (Verbeterd) Gescheiden stelsel; Gemengd stelsel. Vuilwaterriool, (verbeterd) gescheiden stelsel: aanduiding (DWA) of Droog Weer Afvoer. Regenwaterriool, (verbeterd) gescheiden stelsel, schoonwaterriool gescheiden stelsel, rechtstreeks naar oppervlaktewater: aanduiding (HWA) of Hemel Water Afvoer. Grondwaterafvoer, drainage: aanduiding (DRAIN). Leg in woonwijken een vuilwaterriool aan waarbij hemelwater bij voorkeur bovengronds wordt afgevoerd naar open water of een wadi welke bij voorkeur centraal in het plangebied ligt. Ondergrondse afvoer middels een hemelwaterriool is uitsluitend, in overleg, toegestaan wanneer de afstand tot het lozingspunt te groot is of onvoldoende afschot te realiseren is. Op bedrijventerreinen met milieucategorie 1 en 2 is hetzelfde van toepassing (in overleg met het waterschap). Op bedrijventerreinen met milieucategorie 3 en zwaarder wordt een verbeterd gescheiden stelsel aangelegd (in overleg met het waterschap), waarbij schoon dakwater rechtstreeks naar oppervlaktewater wordt afgevoerd. 7.2.1.2Ligging Breng waar mogelijk de riolering en waterhuishouding aan in één weghelft. Niet onder de gehele wegas of in het rijspoor. Plaats de inspectieputten buiten het rijspoor. De hoogten van de aansluitende riolering en straathoogten moeten worden gewaterpast voordat de definitieve bestekstekeningen worden vastgesteld. Boven de inlaten van het hoofdriool mogen geen kabels, leidingen en bomen worden aangebracht. Minimale dekking buis: 1,20 meter. De afstand tussen buitenzijde van de buizen onderling is 0,50 meter. De afstand tussen onderling kruisende rioolbuizen is minimaal 0,20 meter. Om bij kruising met nutsleidingen een goede aansluiting van huis- of kolkaansluitingen op het riool te garanderen bedraagt de gronddekking op het hoofdriool minimaal 1,25 meter. De maximale diepteligging bedraagt 3,5 meter van B.O.B. tot straatpeil. De minimale afstand tussen de riolering en het hart van een boom bedraagt 1,50 meter. De maximale afstand tussen twee inspectieputten bedraagt 60 meter. Inspectieputten worden aangebracht op alle kruisingen, knikken en bijzondere voorzieningen in het rioolstelsel. Ook bij wijzigingen in het verhang en van diameter. De inspectieputten moeten altijd toegankelijk zijn. Inspectieputten worden geplaatst buiten de tracés voor kabels en leidingen. Verdekte inspectieputten mogen niet worden toegepast. Persleidingen moeten bij voorkeur direct lozen op een rioolgemaal, dit om stankoverlast en aantasting in het rioolstelsel te voorkomen. Sleuven worden aangevuld met zand voor aanvullingen volgens RAW. Het drainage aanlegniveau van het drainagestelsel bedraagt 100 mm onder de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). 7.2.1.3Vormgeving stelsels De gemeente Neder-Betuwe werkt met een nummersysteem voor de riolering en drainage. Uiterlijk in het definitief ontwerp moeten de definitieve putnummers gebruikt worden. De te gebruiken putnummers dienen tijdig opgevraagd worden bij de gemeentelijke rioolbeheerder. In het ontwerp worden doodlopende strengen (in het vuilwatersysteem) zoveel mogelijk voorkomen. Bij verstopping van één rioolstreng moet het rioolwater alsnog kunnen afstromen via een andere gekoppelde streng. In een verbeterd gescheiden stelsel wordt bij nieuwe stelsels geen directe koppeling gemaakt tussen de HWA-riolering en de DWA-riolering. Beide stelsels krijgen een eigen pomp in één gemaal. Als dit niet mogelijk is, wordt de verbinding gerealiseerd nabij de hemelwateroverstort. Bij deze koppeling wordt een terugslagklep met spindelschuifafsluiter aangebracht. Bij gescheiden rioolstelsels worden bij het hoogste punt in het stelsel putdeksels met ontluchtingsgaten toegepast. Deze ontluchtingsdeksels dienen dusdanig gepositioneerd te worden dat geen stankoverlast kan optreden in nabije bebouwing. Hoofdriolering dient te worden aangebracht op ongeroerde grond. De riolering wordt gefundeerd op een zandbed van minimaal 0,15 meter. 7.2.1.4Ontwerp drainagestelsel Wanneer de ontwateringsdiepte bijv. bij hoge rivierwaterstanden (kwel) tijdelijk niet gehaald wordt, moet een ontwateringssysteem worden toegepast. De initiatiefnemer dient een drainageplan ter goedkeuring aan te bieden aan de gemeente. Dit plan dient minimaal de volgende elementen te bevatten: Onderzoek naar de gedragingen van de grondwaterstanden middels te plaatsen peilbuizen Bepalen van de gemiddeld hoogste- en laagste grondwaterstand Afvoermogelijkheden Hoogteligging en maatvoering drainage Dimensionerings- en droogleggingsberekening van de drainage De minimale doorsnede van een drainageleiding is 100 mm. Toetsingscriterium van dimensioneringsberekening is een minimale afvoer van 7 mm per dag. 7.3Maatvoering en materiaalkeuze riolering 7.3.1Algemeen Alle leidingwerk (hoofdleiding en kolk- en huisaansluitingen) De volgende kleuren dienen gebruikt te worden voor hoofd en aansluitleidingen (huis- en kolkaansluitingen) in kunststof (PVC Ultra 3) inclusief de te gebruiken hulpstukken zoals bochten moffen en doorspuitputjes: Grijs voor Vuilwater, droogweer afvoer (DWA en gemengd), groen voor hemelwater (HWA). Hoofdrioolleidingen die gemengd rioolwater of regenwater afvoeren dienen een minimale inwendige diameter van 300 mm te hebben. Hoofdrioolleidingen die alleen vuilwater afvoeren hebben een minimale inwendige diameter van 250 mm Hemelwaterleidingen hebben een minimale inwendige diameter van 300 mm. Hoofdrioolleidingen met een diameter kleiner dan 400 mm worden uitgevoerd in gerecycled PVC (ultra3 of gelijkwaardig) of PP. Hoofdrioolleidingen met een diameter groter dan 400 mm worden uitgevoerd in beton. Bij toepassing van PVC voor vrijvervalleidingen en hulpstukken wordt uitgegaan van sterkteklasse SN8, buizen moeten zijn voorzien van het KIWA-keur. Kunststofleidingen passend maken door middel van zagen, boren en afbramen. Betonnen buizen pasmaken door middel van zagen. Het nieuwe riool moet worden aangesloten op het bestaande stelsel via een nieuwe of bestaande put. Aansluiting te maken door middel van pendelstukken (spie-spie of mof-spie met rubberringverbindingen) van maximaal 1 meter lengte. Indien leidingen moeten aansluiten op een bestaande put dan moet een ruime sparing worden aangebracht (minimaal 30 cm rondom), welke wordt dichtgestort of gemetseld en afgesmeerd aan beide zijden met cement. Bij het kruisen van watergangen en dergelijke, in overleg met het Waterschap, riolen en persleidingen beschermen met een mantelbuis/doorlopende betonplaat, dan wel aanleggen minstens 1 meter onder de bodem van de sloot. Inlaten op een pvc-riool door knevelinlaten met zettingsmof diameter 125 mm. De benodigde sterkte van betonbuizen moet berekend worden op basis van verkeersklasse 60 en volgens de voorschriften van de fabrikant. 7.3.2Dimensionering leidingen 7.3.2.1DWA-stelsel De dimensionering dient te voldoen aan de volgende eisen: Maximale vullingsgraad: 50 % Minimale berging: 24 uur DWA productie Voorkeur afschot: 1:buisdiameter in mm Afschot beginstrengen DWA-stelsel: 1:250 (voor minimaal eerste 150 meter) Minimaal afschot DWA-stelsel: 1:500 Geen water-op-straat bij bui 08 (T=2)¹ Geen water t.a.v. verkeersonveilige situaties en in panden bij bui 09 (T=5)² 4deze eis wordt gesteld aan overtollig water wat niet door het HWA stelsel wordt verwerkt, dus bij berekende buien groter dan bui 09 van de Leidraad Riolering.eisen worden gesteld aan gemengde stelsels 7.3.2.2HWA-stelsel De dimensionering van regenwaterriolering dient te voldoen aan de volgende eisen: Bui 08 Leidraad Riolering C2100: 0,20 meter waking Bui 09 Leidraad Riolering C2100: 0 meter waking (geen water op straat) Bij Bui 10 of groter dient het op de straat optredende water over het wegoppervlak te stromen naar een gebied waar het geen/minimale schade veroorzaakt¹ Afschot beginstrengen HWA-stelsel: 1:500 Minimaal afschot HWA-stelsel: 1:1000 De minimale doorsnede van een HWA leiding is 300 inwendig mm 7.3.2.3Klimaatadaptatie Beperk het risico op wateroverlast bij extreme neerslag door de onderstaande normen te hanteren: Minimale schade in de bestaande kernen bij een bui van 60 mm in één uur. Eis is geen water in de woningen. In nieuwbouwprojecten wordt de norm gesteld dat er bij een bui van 100 mm in één uur geen water in de woningen mag komen. De initiatiefnemer dient aan te tonen dat dit niet gebeurd door middel van een volumedoorrekening van het plangebied. Voor de helft van het totale oppervlak dat niet is aangesloten op de riolering wordt hiervoor gerekend met een oppervlakteberging van 10 mm (de eerste 10 mm neerslag wordt geacht niet tot afstroming te komen richting de riolering). De gemeente toetst aan de hand van het hoogteplan of aan de gestelde norm voldaan wordt 5Toelichting:Toelichting bij de eis van 100 mm in één uur: De bedoeling is dat aangetoond wordt dat een bui van 100 mm in een uur niet voor overlast in woningen zorgt in de ontwikkeling. Voor het bepalen van de buffer doet het gehele oppervlak mee en in principe tot de dorpels. Alle ruimte rond woningen onder dit laagste dorpelniveau telt mee. Het doel van de eis is de volgende: woningen moeten ook op lage punten in het plan voldoende hoog gebouwd worden om het water een plaats te geven, en op andere plaatsen kunnen wegen of groenstroken verlaagd (overloopgebied) worden zodat afvoer over maaiveld naar watergangen zonder beperking mogelijk is. Het water mag op straat en in groenstroken staan want het gaat om extremen. Met de bovengrondse inrichting kan gestuurd worden in de afvoer van extremen. Centraal gelegen groenstroken zijn makkelijker te benutten. 7.3.2.4Goten Indien in de openbare ruimte de afwatering door middel van oppervlakkige afvoer wordt bewerkstelligd, de volgende uitgangspunten toepassen: Molgoten plaatsen in het midden van de rijbaan. Maximale gootlengte: 70 meter. Minimaal goot verhang: 1:250. Maximale gootdiepte 3 cm met een minimale gootbreedte van 50 cm. Kruisingen van weg met wadi uitvoeren als een doorwaadbare plaats (voorde) die ook werkt als een verkeersremmer. In een (mol)goot vlakke straatkolken toepassen. 7.3.2.5 (Inspectie)putten In het begin van de ontwerpfase levert de gemeente op verzoek een tekening met het bestaande rioolstelsel en een lijst met te gebruiken putnummers. Inspectieputten van de DWA -riolering worden bij voorkeur vervaardigd van PP met een vlakke onderzijde voorzien van stroomprofiel. Inspectieputten van de HWA- of gemengde riolering zijn van prefab beton met een fabrieksmatig aangebracht stroomprofiel. Inspectie- of bijzondere putten mogen in principe niet worden opgemetseld. Nieuwe overstortputten altijd in prefabbeton en de overstortmuur voorzien van een verstelbaar RVS overstortmes en RVS drijfvuilschot. De overstortmuur in een overstortput haaks op de in en uitgaande leiding te situeren. Als sprake is van aansluiting op een bestaand riool worden prefab putten toegepast met een ruime vierkante sparing. De aansluiting in deze sparing wordt gedicht met beton tenzij dat technisch niet mogelijk blijkt. In dat geval wordt opgemetseld en waterdicht afgewerkt. Wanneer een deel van de riolering wordt vervangen in een bestaand rioolstelsel dienen de prefab putten te zijn voorzien van ruime vierkante sparingen bij hoekverdraaiingen in het nieuw te leggen riool. Waar het te vervangen riool weer aansluit op een bestaande put, kan deze put worden aangepast. Indien meerdere hoofdriolen in één inspectieput samenkomen, moet(
- en)de leiding(
- en)met de kleinste afvalwaterstroom minimaal 10 cm hoger worden aangebracht dan de hoofdafvoerleidingen Richtlijn afmetingen inspectieput in relatie tot leidingdiameter: Inwendige afmeting Max. puthoogte Max. leidingdiameter 800 x 800 mm 1700 mm 500 mm 1000 x 1000 mm 2400 mm 700 mm 1330 x 1330 mm > 2400 mm 1000 mm De minimale inwendige maat van een betonnen inspectieput bedraagt 800 x 800 mm of ø 1000 mm en voor kunststof inspectieputten ø 800 mm (DWA, HWA of gemengd). De minimale inwendige maat van een inspectieput voor grondwater verzamelleidingen bedraagt 600 x 600 mm of ø 600 mm De minimale inwendige maat van een inspectie- doorspuitput in een drainageleiding bedraagt ø 315 mm Inspectieputten in leidingen met een diameter van ø 800 mm of groter moeten toegankelijk zijn voor betreding, de te gebruiken putafdekkingen moeten voldoen aan alle Arbo-voorschriften. Stellagen tussen kegelstuk en putrand uitvoeren met betonnen stelringen. Indien anders noodzakelijk worden stellagen van kelderklinkers (B5) aangebracht en gemetseld met specie van krimpvrije wegenmortel. Bij kunststof putten een fundatieplaat aanbrengen onder de putranden. Bij gescheiden stelsels opschriften altijd in de putranden én deksels opnemen (b.v. RWA, DWA of DRAIN). 7.3.2.6Putafdekkingen Alle toe te passen putafdekkingen zijn van het merk TBS type 313 VEPRO (hoogte 24
- cm)voor putten met aansluitende riolen kleiner dan ø500 mm, of type 435 VR VEPRO (hoogte 24
- cm)voor alle overige putten, afdekkingen toepassen geschikt voor zwaar verkeer. Gelijkwaardige alternatieven zijn toegestaan mits gelijkwaardigheid kan worden aangetoond en is overlegd met de gemeente Neder-Betuwe. Bij gescheiden stelsels putranden én deksels toepassen met opschrift RWA, DWA of DRAIN. Het opschrift moet naast het deksel ook op de putrand en niet alleen op het deksel omdat deksels gevoelig zijn voor verwisseling. Putafdekkingen van overstorten en andere bijzondere constructies worden, als ze buiten de verharding liggen, voorzien van 1 meter straatwerk rondom de putafdekking. Afdekkingen met een dagmaat groter dan 65 cm worden uitgevoerd met ergonomisch verantwoorde putdeksels die door een persoon geopend kunnen worden, bijvoorbeeld ondersteund door een gasveer. Deze putafdekkingen zijn geschikt voor zwaar verkeer en vallen in de sterkteklasse D400 volgens EN-124 Putranden op hoogte brengen met minimaal twee betonnen stelringen in specie. Afdekkingen voor pompen en andere onderdelen die meer dan eens per jaar geïnspecteerd moeten worden dienen voorzien te zijn van een valbeveiliging. Klimvoorzieningen in putten en dergelijke zijn niet gewenst. Alle bevestigingsmiddelen moeten uitgevoerd zijn in RVS. 7.3.2.7Uitstroomvoorzieningen Regenwaterafvoeren kleiner dan 200 mm en lozend op een watergang of wadi worden waar mogelijk gecombineerd met één of meerdere afvoeren tot een grotere verzamelleiding voor de regenwaterafvoer. Indien dit niet mogelijk is moeten de regenwateruitlaten die kleiner zijn dan 200 mm worden beschermd tegen maaien, door plaatsing van een uniforme uitstroomput met rondom 50 cm straatwerk. Bij waterpartijen met een constant waterpeil de afvoer zichtbaar realiseren, dus vlak boven het waterpeil. In het ontwerp dient een detail te worden opgenomen van de voorzieningen. Regenwaterafvoer vanaf ø200 mm (waaronder overstorten) lozend op een watergang of wadi, moet zijn voorzien van een uitstroomvoorziening, die zichtbaar is boven het normale waterpeil. Deze constructie moet voldoen aan de eisen van de beheerder van de watergang, waarbij de gemeente om een prefab betonnen uitstroombak eist met afdoende bescherming van het omliggende talud en de waterbodem. In het ontwerp dient een detail te worden opgenomen van de voorzieningen. De afvoeren minimaal 0,10 meter boven de bodem van een watergang aanbrengen. Bij een uitstromingsvoorziening in watergang of wadi moet ter plaatse voldoende bescherming zijn, door middel van betonmat of gelijkwaardige oplossing. Een talud afwerken met een betonspecie of soortgelijk stijf materiaal is niet toegestaan. Bij een talud waar minder dan eens per jaar water beperkt overstroomt, is het toegestaan om een kunststofmat toe te passen die de grasmat voldoende blijvend verstevigt. Het maaien van gras moet daarbij goed mogelijk blijven. Als de bovenkant van een overstortmuur minder dan 20 cm boven polderpeil gelegen is moet een terugslagklep toegepast worden Hemelwater vanaf woningen wordt, in overleg met de gemeente, middels een (mol)goot of een buis met waterspuwer afgevoerd richting de openbare ruimte. In elk geval dient de gekozen uitvoering binnen het gehele plan uniform te worden toegepast en de bruikbaarheid van het trottoir niet te beperken. 7.3.2.8Persleidingen Wanneer aangesloten wordt op een betonnen vrijvervalriool minimaal de eerste 20 meter vervangen door een kunststofleiding. De diameter van het verbindende vrijvervalriool is minimaal 200 mm. Als overgang tussen persleiding en vrijvervalleiding wordt gebruik gemaakt van een PP of PE ontvangstput/ woelput tenge H2S vorming volgens onderstaand figuur met een diameter van minimaal 0,80 meter, waarbij het vrijkomende water rustig en onderwater kan stromen ter voorkoming van vrijkomen van H2S. Bron: Leidraad riolering; Beheer van mechanische riolering module C3100, fig. 3.9 Persleidingen worden standaard uitgevoerd in PE 80, SDR 17, PN 8,0 tenzij de maximale druk van de pomp hoger is dan 4 bar. Bij drukken boven 4 bar, dient de leiding gedimensioneerd te worden te worden op de toelaatbare spanning. De leiding wordt uitgevoerd in de kleur zwart. Van 10 meter voor tot 10 meter na een bocht in persleidingen moeten trekvaste koppelingen worden toegepast. In verband met leidingweerstand en het reinigen moeten ruime bochtstralen worden toegepast. Haakse bochten zijn dus niet toegestaan. De persleiding dient op tenminste één plaats gereinigd te kunnen worden. Hiertoe dient op de persleiding een doorspuit- of foam-pig lanceer inrichting aangebracht te worden. Tot het werk behoort een beproeving op de bouwplaats bestaande uit een druk- en lekkagetest van de aangebrachte persleiding(
- en)middels een schrijvende, geijkte manometer gedurende 24 uur. De minimale testdruk is tenminste 0,75 MPa. Boven persleidingen markeringslint aanbrengen met opschrift “rioolwaterpersleiding”. 7.3.2.9Drainage Er wordt in alle gevallen een vast drainagestelsel in het openbaargebied aangelegd. Drainage wordt alleen horizontaal uitgevoerd. Drainageleiding heeft een minimale inwendige diameter van 100 mm. Drainageleidingen worden uitgevoerd in star PVC omhuld met non-woven geotextiel. De drain omhullen met minimaal 30 cm grof drainagezand of een grindkoffer. Drainageputten moeten voorzien zijn van doorspuitvoorzieningen die vanaf maaiveld bereikbaar zijn via een dichte putdeksel. Drainageputten moeten voorzien zijn van doorspuitvoorzieningen zonder haakse bochten. Binnendiameter doorspuitputten minimaal Ø315. Inspectieputten van de drainage voorziening zijn van kunststof PE met stroomprofiel. Drainageputten dienen bovengronds toegankelijk te zijn. Drainageputten moeten zijn voorzien van een zandvang bestaande uit een verdieping tot een diepte van 300 mm onderzijde laagste aansluiting. Maximale afstand tussen doorspuitputten 75 meter. Het drainagestelsel wordt als separaat stelsel ontworpen. Betekent dat er geen verbindingen worden toegestaan op een eventueel hemelwaterriool. Bij voorkeur loost de drainage rechtstreeks via een uitstroomvoorziening op het oppervlaktewater. In principe wordt geen cunetdrainage toegepast. Als dit toch noodzakelijk is dan wordt dit uitgevoerd in polypropyleenvezel 450 mu, diameter 100 mm, sleuven aanvullen met zand tot 25 cm ten opzichte van bovenkant buis. Verdere aanvulling tot onderzijde wegfundering. Drainage wordt onder het grondwaterpeil aangelegd. Het lozingspunt van de drainageleiding dient rond het niveau van de GHG te liggen. 7.3.2.10Kolken In woon-, winkel en verblijfsgebieden en fietspaden: Trottoir en/of straatkolken toepassen bestaande uit beton/gietijzercombinatie: Betonnen onderbak voor opvang voor zand en vuil met een inhoud van minimaal 20 liter, voorzien van stankscherm. Ééndelige kolk met U-vormige omranding verankerd aan het beton d.m.v. beugels, uitvoering volledig waterdicht en stankafsluitend. Verkeersklasse B125. Op industrieterreinen en in gebiedsontsluitingswegen: Trottoir en/of straatkolken toepassen bestaande uit een beton/gietijzercombinatie: Betonnen onderbak voor opvang voor zand en vuil met een inhoud van minimaal 30 liter, voorzien van stankscherm. Ééndelige kolk met U-vormige omranding verankerd aan het beton d.m.v. beugels, uitvoering volledig waterdicht en stankafsluitend. Verkeersklasse C250. Bij wegen met te verwachten bovenmatige vervuiling (bomen, doorgaande wegen met veel agrarisch verkeer): Combinatie- trottoirkolk met vergrote inlaatopeningen bestaande uit een beton/gietijzercombinatie: Betonnen onderbak met vergrote zandvang >30 liter of standaard onderbak voorzien van extra zandvang. Ééndelige kolk met U-vormige omranding verankerd aan het beton d.m.v. beugels, uitvoering volledig waterdicht en stankafsluitend. Verkeersklasse B125. In wegen met trottoirbanden dienen trottoirkolken te worden toegepast. Bij toepassen van straatkolken: scharnierend, vlak, rooster met afgeronde inlaatopeningen. Bij toepassen van trottoirkolken: teruggeplaatste afgeronde inlaatopeningen. Het stankscherm van een kolk is zo geconstrueerd dat deze voor de normale reiniging niet verwijderd hoeft te worden en door een kolkenzuiger kapot gestoten kan worden. Het stankscherm is eenvoudig te verwijderen, waardoor de aansluitleiding toegankelijk is voor reiniging/ontstopping of inspectie. In wadi's plaatsen HWA inspectie put pvc met gekneveld kunststof roosterdeksel als overloop of slokop. In geval van kabels en leidingen kunnen in geval van conflict kolken worden toegepast met een lagere opbouw (300x450x600). Op, en bij voetpaden die direct grenzen aan (kinder)speelplaatsen, speelterreinen en schoolpleinen: kolken toepassen met ES-vergrendeling (vergrendeling bv ES variant TBS of gelijkwaardig). Leverancier en type ter beoordeling voorafgaand aan levering voorleggen ter beoordeling door gemeente. In wadi's plaatsen HWA inspectie put pvc met gekneveld kunststof roosterdeksel als overloop of slokop. Fabricaat straat en trottoirkolken TBS of gelijkwaardig. Leverancier en type ter beoordeling voorafgaand aan levering voorleggen ter beoordeling door gemeente. Toepassen van één uniform product (leverancier) en type kolk binnen een wijk en delen van wijken Bij kolken die afvoeren naar oppervlaktewater, wadi’s of slokop een kolkdeksel met waaiermotief toepassen. Ten behoeve van de fundering van de kolken de ongeroerde grond afvlakken. Ten opzichte van het straatwerk dient de zogenaamde klik minimaal 1,5 cm te zijn. Voorkeur aansluiting aan de zijkant van de kolk in plaats van achteraansluiting. Kolken inclusief aansluiting worden geplaatst in de openbare ruimte en niet op particulier terrein. Zorg ervoor dat een kolk niet onder de erfafscheiding wordt geplaatst door minimaal één tegel met opsluitband achter de trottoirband te plaatsen. 7.3.3Kolk- en huisaansluitingen algemeen Aansluitingen (huis- en kolkleiding) hebben standaard een diameter van ø125 mm. Altijd zettingsstukken opnemen in standpijpen. In afvoerleidingen mogen geen 90° bochten worden toegepast. Afvoerleidingen worden uitgevoerd in PVC klasse 34. Voor de ontstoppingsputjes geldt dat deze tegen de grens openbaar terrein moeten worden geprojecteerd. 7.3.3.1Huisaansluitingen In elke afzonderlijke huisaansluiting wordt een ontstoppingsstuk geplaatst met grijs (DWA) dan wel groen (HWA) deksel, ophogen d.m.v. standleiding in kleur diameter 315 mm tot 50 cm afgedopt onder maaiveld. De te gebruiken diameter is 315 mm, soort put PK 315 Wavin, Dyka of gelijkwaardig. Het ontstoppingsstuk wordt in principe zo dicht mogelijk geplaatst in het perceelterrein, tegen de erfafscheiding. Dit om de verantwoordelijkheden goed te kunnen scheiden (gemeente is alleen verantwoordelijk voor het onderhouden van het stelsel op het openbaar terrein. Elk pand of elke aansluiting heeft een eigen inlaat op het hoofdriool, dus slechts één aansluiting per inlaat. Minimale dekking: 80 cm onder straatpeil ter hoogte van de perceelgrens. 7.3.3.2Kolkaansluitingen Alle straatkolken uitvoeren in klasse Y, 1-delig 450 x 300 x 850 of 600 mm, zij-aansluiting ø125 mm. één tot maximaal drie kolken op een leiding van ø125 mm. vijf tot acht kolken maximaal op een leiding van ø160 mm. Per kolk mag niet meer dan 100 m2 asfaltverharding afwateren en niet meer dan 120 m2 elementenverharding. Locatie kolken: Straat of trottoirkolken recht tegenover elkaar aan weerszijden van de weg. Bij bochten, in de nabijheid van elk tangentpunt een kolk, de kolk maximaal 2 meter uit het tangentpunt van de bocht plaatsen. Houd minimaal 2 meter afstand tussen kolken en drempels. Plaats bij parkeervakken straatkolke