← Nederland

Beleidsnotitie Facetbeleid (Steenwijkerland)

Kort samengevat

Deze beleidsnotitie van de gemeente Steenwijkerland dient als een actueel afwegingskader voor nieuwe bouwinitiatieven en legt de uitgangspunten vast voor toekomstige bestemmingsplannen, vooruitlopend op de Wet ruimtelijke ordening. Het beschrijft randvoorwaarden en afwegingskaders voor diverse facetten, waaronder milieuaspecten en natuurbescherming.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Beleidsnotitie Facetbeleid

  1. Inleiding en leeswijzer 1.1 Aanleiding en doel Vooruitlopend op de aanstaande bestemmingsplanactualisatie die wordt ingegeven door invoering van de Wet ruimtelijke ordening op 1 juli 2008, is door de gemeente Steenwijkerland een inventarisatie gemaakt van het huidige (mogelijk) ruimtelijk relevante beleid en op basis daarvan bepaald ten aanzien van welke facetten nog behoefte is aan nieuw dan wel aanvullend beleid. Deze facetten zijn ondergebracht in een aantal thema’s. Voorafgaand aan het opstellen van deze beleidsnotitie is een uitgangspuntennotitie opgesteld waarin per thema achtereenvolgens het huidige Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid samengevat, waarna dit wordt toegepast op de facetten waarvoor nieuw dan wel aanvullend beleid is gewenst. Per facet is vervolgens een uitgangspunt geformuleerd dat richting geeft aan de definitieve uitwerking van het beleid. Die uitgangspunten betreffen sectorale wensen. De randvoorwaarden en afwegingskaders worden in onderhavige notitie concreter uitgewerkt. In de eerste twee hoofdstukken worden enkele algemene aspecten besproken die op basis van geldende wet- en regelgeving en/of beleid randvoorwaarden aan nieuwe ontwikkelingen vereisen, namelijk milieuaspecten en natuurbescherming. Die randvoorwaarden worden kort samengevat, zodat ze vervolgens kunnen worden toegepast bij het opstellen van afwegingskaders bij afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden in bestemmingsplannen, maar ook bij andere “buitenplanse” omgevingsvergunningen en bij de redactie van bestemmingsplanregels. Met deze beleidsnotitie beschikt de gemeente Steenwijkerland tot het moment dat de nieuwe bestemmingsplannen die in het kader van de actualisatie worden opgesteld in werking treden over een actueel afwegingskader voor nieuwe initiatieven en liggen met deze notitie ook de uitgangspunten voor deze bestemmingsplannen vast voor de in deze notitie behandelde onderwerpen. In het laatste hoofdstuk wordt voorts nog ingegaan op het aspect planschade, voor zover dat voor deze beleidsnotitie relevant is. 1.2 Reikwijdte Zowel de uitgangspuntennotie als deze beleidsnotitie zijn primair opgesteld ten behoeve van de aanstaande bestemmingsplanactualisatie voor de kernen binnen de gemeente Steenwijkerland als weergegeven op het navolgende kaartje en kunnen dus ook worden gebruikt bij de beoordeling van nieuwe initiatieven die niet passen in de vooralsnog geldende bestemmingsplannen. De beide notities zijn niet bedoeld voor de actualisatie van en de beoordeling van nieuwe initiatieven in het buitengebied dat de betreffende kernen omringd en voor de binnen de gemeente aanwezige verblijfsrecreatieterreinen. Voor die gebieden wordt toegesneden beleid opgesteld. Overigens daarbij alsnog worden overwogen om (delen van) deze notitie alsnog van toepassing te verklaren voor het buitengebied. Binnen de gemeente Steenwijkerland liggen meer kleinere kernen en buurtschappen waarop deze beleidsnotitie in beginsel niet van toepassing is omdat ze zijn gelegen binnen het plangebied van het nieuw op te stellen bestemmingsplan Buitengebied. Er kan later echter ook alsnog voor worden gekozen om deze beleidsnotitie in zijn geheel of slechts voor enkele specifieke onderwerpen van toepassing te verklaren, enkel voor één of meer van de kernen en/of buurtschappen en dus niet voor het gehele buitengebied. Kern Nr. op de kaart Steenwijk 16 Zuidveen 22 Tuk 18 Oldemarkt 12 Vollenhove 19 Giethoorn 6 Belt Schutsloot 1 Blankenham 2 Blokzijl 3 Dwarsgracht 4 Eesveen 5 Heetveld 7 Jonen 8 Kalenberg 9 Kuinre 10 Ossenzijl 11 Paasloo 13 Scheerwolde 14 Sint Jansklooster 15 Steenwijkerwold 17 Wanneperveen 20 Wilemsoord 21 1.3 Leeswijzer: terminologie en toepassing Voor een goed begrip en toepassing van deze beleidsnotitie is het goed om vooraf enkele zaken ten aanzien van de gehanteerde begrippen en de wijze van meten te verhelderen om zo uniformiteit te krijgen in de toepassing van en toetsing aan deze notitie. Het gaat dan met name over de berekening van een bepaald vloeroppervlak, maar ook het begrip nevenactiviteit komt aan bod. Tot slot wordt kort ingegaan op de steeds terugkerende voorwaarden ten aanzien van het ‘goed woon- en leefklimaat’ en het gebruik van aangrenzende gronden. Oppervlakte en inhoud Bij diverse onderwerpen die in deze notitie aan de orde komen wordt is een randvoorwaarde opgenomen in de vorm van een minimale of maximale oppervlakte. Het gaat daarbij om een bepaalde oppervlakte aan (bij)gebouwen die mag worden opgericht of een maximale oppervlakte die mag worden gebruikt voor een bepaalde functie (gebruik). Hoe moet die oppervlakte worden bepaald? Voor wat betreft de oppervlakte van een bouwwerk dient aansluiting te worden gezocht bij de standaardregels die de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP2008) geeft en die ook dienen te worden opgenomen in bestemmingsplannen. De oppervlakte van een bouwwerk dient volgens het SVBP2008 te worden gemeten: “tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk”. Deze vorm van oppervlakteberekening kan ook worden toegepast bij de bepaling van de oppervlakte van ondergrondse bouwwerken, met dien verstande dat natuurlijk geen neerwaartse projectie plaatsvindt maar ‘bovenwaartse’ projectie. Voor wat betreft het bepalen van de inhoud van een bouwwerk geeft het SVBP2008 ook uitsluitsel. Die dient te worden gemeten ‘tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen’. Voor wat betreft het bepalen van de inhoud van een ondergronds bouwwerk kan deze wijze van meten iets anders worden verwoord: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de bovenkant van de laagstgelegen vloer van het ondergrondse bouwwerk. Voor het bepalen van een oppervlakte die mag worden gebruikt voor een bepaalde functie dient te worden gekeken naar de oppervlakte die daadwerkelijk kan worden gebruikt voor de uitoefening van die functie (gebruiksvloeroppervlak). Het meetellen van de oppervlakte van de buitenmuren en/of scheidingsmuren is dan niet reëel. Er dient daarom te worden gemeten op vloerniveau langs de binnenomtrek van de opgaande scheidingswanden. Kantoren, magazijnen en eventuele andere niet publiekelijk toegankelijke ruimten dienen voor zover die uitsluitend ten dienste staan van de betreffende functie in die berekening te worden meegenomen. Zo zal een opslagruimte ten behoeve van een aan huis verbonden beroep of bedrijf dus moeten worden meegeteld, maar een groot magazijn van een bedrijf niet voor wat betreft de berekening van de oppervlakte die ten behoeve van produktiegebonden detailhandel mag worden gebruikt, omdat dat magazijn niet uitsluitend daarvoor wordt gebruikt. Bij het bepalen van de maximale oppervlaktemaat is daarmee rekening gehouden. Overigens kan het ook gaan om het gebruik van buitenruimte in plaats van bebouwing, of een combinatie daarvan. Voor wat betreft de buitenruimte wordt het daadwerkelijke ruimtebeslag – van bijvoorbeeld een terras – gemeten. Nevenactiviteit In onderhavige notitie wordt regelmatig het begrip ‘nevenactiviteit’ gebruikt. Daarmee wordt een aanvullende functie aangeduid die niet inherent is aan het toegestane gebruik binnen bepaalde bestemming, zoals bijvoorbeeld een aan huis verbonden bedrijf of recreatieve activiteiten bij een agrarisch bedrijf. Deze functie dient ondergeschikt te zijn aan de hoofdfunctie, hetgeen in de beleidsnotitie is geborgd door het opnemen van een maximale oppervlakte in vierkante meters of een bepaald percentage van de toegestane bebouwing. Of iets wel of niet past binnen de opgenomen bestemming voor een perceel of pand is afhankelijk van de zogenaamde ‘ruimtelijke uitstraling’ die gezien de aard, omvang en intensiteit van het gebruik uitgaat van de nevenfunctie. Verandert de ruimtelijke uitstraling niet door de nevenactiviteit dan is die functie in beginsel toegestaan, maar is bijvoorbeeld sprake van een verkeersaantrekkende werking of andere ruimtelijke effecten naar de omgeving, dan is die functie niet toegestaan zonder ruimtelijk besluit. Goed woon- en leefklimaat en gebruik aangrenzende gronden In de navolgende hoofdstukken worden per facet de relevante randvoorwaarden beschreven. Daarbij wordt ook steeds genoemd dat komt het goed woon- en leefklimaat ter plaatse gewaarborgd moet blijven en dat er geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Daar waar de overige randvoorwaarden steeds voorzien in algemeen toepasbare criteria, gelden voornoemde twee voorwaarden ten aanzien van mogelijke lokale negatieve effecten naar de omgeving die niet worden gedekt door de overige voorwaarden. Denk daarbij voor wat betreft het goed woon- en leefklimaat bijvoorbeeld aan stofemissie of vormen van geluid die niet door het wettelijke kader van de Wet milieuhinder worden gedekt. Dit is deels maatwerk en deels een kwestie van "onvoorziene gevallen". Bij de voorwaarde ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden kan worden gedacht aan licht- en luchttoetreding van nabijgelegen gebouwen of de toegang tot bepaalde percelen, etc.
  2. Milieuaspecten 2.1 Inleiding In de eerder opgestelde uitgangspuntennotitie is een korte samenvatting opgenomen van de relevante wet- en regelgeving en het gemeentelijk beleid ten aanzien van de aspecten geluid, bodemkwaliteit, externe veiligheid, luchtkwaliteit en geur. In dit hoofdstuk worden per aspect concreet hanteerbare randvoorwaarden gehanteerd. 2.2 Geluid Zones De Wet geluidhinder voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones. Een zone rond een industrieterrein moet tezamen met het bestemmingsplan dat de vestiging van geluidszoneringsplichtige bedrijven mogelijk maakt worden vastgesteld op basis van een akoestisch onderzoek. Het industrieterrein zelf maakt geen deel uit van de zone. De zones langs wegen en spoorwegen volgen uit de Wet geluidhinder in samenhang met het Besluit geluidhinder en de Regeling Zonekaart spoorwegen. Indien men voornemens is nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen te realiseren binnen deze zones, dan dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd waaruit blijkt dat aan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting op de gevel, als opgenomen in de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder, kan worden voldaan. Bij de planologische realisatie van nieuwe geluidsbronnen in de vorm van een industrieterrein, weg of spoorweg dient te worden onderzocht of de hiervoor bedoelde hoogst toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van bestaande woningen binnen de nieuwe zone kunnen worden gehaald. Hoewel het niet expliciet in de wet is opgenomen, volgt uit de systematiek van de wet dat op het industrieterrein zelf geen woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen thuishoren. Hogere grenswaarde Burgemeester en wethouders zijn onder bepaalde voorwaarden bevoegd af te wijken van de voorgeschreven hoogst toelaatbare geluidsbelasting door het vaststellen van een hogere (grens)waarde. Tot voor kort kon dat alleen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of oude figuren als een vrijstellingbesluit ex artikel 19 WRO of een projectbesluit, maar sinds de invoering van de Crisis- en herstelwet kan dat ook bij de toepassing van een wijzigings- of uitwerkingsbevoegdheid. Goede ruimtelijke ordening Slechts een klein deel van het industrielawaai wordt gereguleerd op basis van het Wet geluidhinder, namelijk slechts de gezoneerde industrieterreinen. Op de overige bedrijventerreinen en andere, solitaire bedrijven is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Voor de beoordeling van de geluidsaspecten bij de vestiging of uitbreiding van een dergelijk bedrijf nabij geluidsgevoelige functies of de realisatie van geluidsgevoelige functie nabij een bedrijf, geldt het uitgangspunt van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Dat zal in het betreffende ruimtelijke besluit moeten worden gemotiveerd. Daarvoor kan worden verwezen naar de voorschriften die gelden voor het geluidsveroorzakende bedrijf gelden op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) of diens milieuvergunning, maar dat alleen is niet voldoende om aan te tonen dat ter plaatse sprake is van goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is een aanvullende beoordeling nodig. Bij die beoordeling kan de brochure van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) “Bedrijven en milieuzonering” worden gebruikt. Het gebruik van deze brochure is inmiddels algemeen aanvaard in de jurisprudentie¹, hoewel het een hulpmiddel blijft dat gemotiveerd kan worden toegepast, maar waarvan ook gemotiveerd kan worden afgeweken. Geluid is één van de milieuaspecten die een rol heeft gespeeld bij het bepalen van de richtafstanden. Behalve de VNG-brochure kan ook de “Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening” worden gebruikt bij de beoordeling van het aspect geluid bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Onder meer bij het gemotiveerd afwijken van de VNG-brochure. Hoewel de Handreiking primair is bedoeld als hulpmiddel bij het voorkomen en beperken van industrielawaai bij vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer, is ook het gebruik ervan bij de afweging van geluidsaspecten bij ruimtelijke plannen door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) aanvaard². In hoofdstuk 4 van deze handreiking is een tabel met richtwaarden voor woonomgevingen opgenomen die kunnen worden gehanteerd bij akoestisch onderzoek. In deze tabel (tabel 4) wordt onderscheid gemaakt tussen een landelijke omgeving, een rustige woonwijk met weinig verkeer en een woonwijk in de stad, waarvoor verschillende richtwaarden voor dag, avond en nacht zijn opgenomen. Indien niet kan worden voldaan aan die richtwaarden en blijkt uit een integrale afweging van de overige relevante belangen en factoren dat toch medewerking kan worden verleend, dan kan aansluiting worden gezocht bij de grenswaarden uit tabel 2 uit hoofdstuk 3 van de handreiking. Deze tabel maakt onderscheid tussen 10 verschillende gebieden. Voor deze afwijking van tabel 4 is een expliciete motivering nodig waarbij wordt ingegaan op de (on)mogelijkheden om maatregelen te treffen, bijvoorbeeld in de vorm van bron- of overdrachtsmaatregelen. ¹ Zie o.a. Ab 13 mei 1997, nr E01.94.0433 en Ab 18 februari 2004, nr 200302895/1 ² Zie o.a. Ab, 1 februari 2006, nr. 200503626/1 Gemeentelijk nota industrielawaai De gemeente zou er ook voor kunnen kiezen om een gemeentelijke nota industrielawaai op te stellen waarbij verschillende gebiedstyperingen worden benoemd, die vervolgens worden toegepast door het opstellen van een geluidskwaliteitskaart voor het grondgebied van de gemeente. De gebiedstyperingen en grenswaarden uit hoofdstuk 3 van de Handreiking kunnen daarvoor de basis vormen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen dan te worden getoetst aan de grenswaarden die op basis van de geluidskwaliteitskaart voor de betreffende locatie gelden. Een dergelijke nota geeft de gemeente de ruimte om in te spelen op knelpunten op het gebied van industrielawaai. Er is maatwerk mogelijk door voor verschillende gebieden verschillende richtwaarden te hanteren, die voor iedereen kenbaar zijn. Ook kan zo worden voorkomen dat bedrijven die vooralsnog op ruime afstand van woningen zijn gelegen een dusdanige geluidruimte krijgen dat daardoor in- en/of uitbreidingsplannen in de richting van dat bedrijf worden c.q. zijn voorzien worden gefrustreerd. Randvoorwaarden Op basis van het wettelijk kader en het gemeentelijk beleid kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: In de in de Wet geluidhinder voorgeschreven gevallen is een akoestisch onderzoek noodzakelijk, waaruit blijkt dat de hoogst toelaatbare geluidsbelasting niet wordt overschreden; in overige gevallen kan de VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering” als uitgangspunt worden gehanteerd ten aanzien van geluidsaspecten; maatwerk in afwijking van de brochure is mogelijk, mits dat goed wordt gemotiveerd. Een akoestisch onderzoek kan daarvoor de basis vormen; voor een eventueel akoestisch onderzoek wordt aansluiting gezocht bij de “Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening”; in beginsel wordt daarbij uitgegaan van de richtwaarden als genoemd in hoofdstuk 4 van de Handreiking (tabel 4); kan daaraan niet worden voldaan, dan kan aansluiting worden gezocht bij de grenswaarden als genoemd in hoofdstuk 3 van de Handreiking (tabel 2); voor wat betreft het toestaan van nieuwe (bedrijfs)woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen op (gezoneerde) industrieterreinen, zie paragraaf 4.
  3. 2.3 Bodemkwaliteit Systematiek Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.
  4. Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Het uitgangspunt is dat een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Bij het opnemen van wijzigingsbevoegdheden kan die onderzoeksverplichting vooruit worden geschoven tot het moment van toepassing daarvan. Ook aan een afwijkingsbevoegdheid kan de voorwaarde worden verbonden dat een bodemonderzoek wordt uitgevoerd. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Welk onderzoek moet worden uitgevoerd (historisch, verkennend) kan worden bepaald in overleg met de vakspecialist bodem. Dat geldt ook voor het vervolgtraject indien blijkt dat de bodem niet geschikt is voor de beoogde nieuwe functie. Randvoorwaarden Op basis van het wettelijk kader en het gemeentelijk beleid kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd om vast te kunnen stellen of de bodemkwaliteit voldoende is voor het beoogde gebruik; bij het opnemen van uitwerkings-, wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden het uitvoeren van een bodemonderzoek als voorwaarde opnemen; nieuwe bodemverontreiniging voorkomen. 2.4 Externe veiligheid Systematiek In de uitgangspuntennotitie is het wettelijk kader en het relevante beleid ten aanzien van externe veiligheid samengevat. Het uitgangspunt is scheiding van kwetsbare functies en risicovolle inrichtingen. Daarmee wil men het volgende bereiken: de bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Voor de eerste doelstelling is het begrip ‘plaatsgebonden risico’ (PR) van belang. De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Die contour geldt ingevolge artikel 5 juncto artikel 8 Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) voor kwetsbare objecten als bedoeld in artikel 1 BEVI als grenswaarde: binnen de contour zijn geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Groepsrisico Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip ‘groepsrisico’ (GR) centraal. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, transportassen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en van buisleidingen waardoor die stoffen worden vervoerd, is op dat punt onderzoek nodig. Daaruit volgt een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Op grond van artikel 13 BEVI dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Randvoorwaarden Op basis van het wettelijk kader en het gemeentelijk beleid kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: Woongebieden geen nieuwe risicobronnen; geen kwetsbare objecten binnen PR-contouren en geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten binnen PR-contouren; geen toename GR door risicobronnen; een toename van het GR door een structurele toename van personen binnen een invloedsgebied is mogelijk, mits invulling wordt gegeven aan de verantwoordingsplicht GR, maar waarbij geldt dat een toename van het aantal niet-zelfredzame personen binnen een invloedsgebied niet acceptabel wordt geacht; de oriëntatiewaarde voor het GR wordt in nieuwe situaties als grenswaarde beschouwd. Bedrijventerreinen/landelijk gebied op bedrijventerreinen zijn binnen PR-contouren zijn nieuwe beperkt kwetsbare objecten toegestaan, mits gemotiveerd; wanneer de PR-contour van een inrichting gelegen in het landelijk gebied buiten de grenzen van die inrichting valt, zijn binnen die contoursgrenzen geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten toegestaan; wanneer blijkt dat de PR-contour van een inrichting gelegen in het landelijk gebied buiten de grenzen van die inrichting valt, zal aandacht worden besteed aan het toepassen van bronmaatregelen; in nieuwe situaties dienen PR-contouren binnen de grenzen van de betreffende inrichting te blijven; uitzonderingen daarop zijn onder voorwaarden mogelijk; het invloedsgebied van een risicobron mag niet over woongebieden vallen; een toename van het GR wordt onder voorwaarden geaccepteerd; de oriëntatiewaarde voor het GR wordt in nieuwe situaties als richtwaarde beschouwd. Transportzone A32 (beperkt) kwetsbare objecten mogen in nieuwe situaties niet binnen de PR-contour van deze transportroute komen te liggen; Er dient rekening te worden gehouden met een plasbrand-aandachtsgebied (PAG) van 30 meter; In het gebied binnen dit plasbrand-aandachtsgebied, maar buiten de PR-contour mogen in nieuwe situaties alleen na een zeer zorgvuldige afweging (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan, bij welke afweging alle bebouwing binnen een afstand van 200 meter worden meegenomen in de risicoberekening; Een toename van het groepsrisico wordt geaccepteerd, mits goede invulling wordt gegeven aan de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico zoals opgenomen in het Bevi; Het invloedsgebied dat geldt voor het bepalen van het groepsrisico mag niet over woongebieden vallen; De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt in nieuwe situaties als richtwaarde beschouwd; Slechts een geringe overschrijding van deze oriëntatiewaarde kan incidenteel, gemotiveerd op basis van zwaarwegende argumenten worden geaccepteerd. 2.5 Luchtkwaliteit (Niet) in betekenende mate? Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als opgenomen in de Wet milieubeheer, is de Regeling NIBM vastgesteld. In de gevallen die in die regeling zijn genoemd, is geen toetsing aan de grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes c.q. fijnstof (PM10;) nodig. Er kan dan van worden uitgegaan dat de betreffende ontwikkeling niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Ook met de NIBM-tool die is ontwikkeld door VROM in samenwerking met Infomil kan worden bepaald of de bijdrage van een project NIBM is. Indien sprake is van een ontwikkeling die wel in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen, dan is toetsing aan de grenswaarden voor luchtverontreinigings-componenten nodig. In dat geval is dus een onderzoek nodig. Gevoelige bestemmingen Voor initiatieven met betrekking tot de realisatie van een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen, dan moet ingevolge het Besluit gevoelige bestemmingen worden onderzocht of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (fijn stof; PM10) en/of voor stikstofdioxide (NO2). Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo’n (dreigende) overschrijding, dan mag ter plekke geen gevoelige bestemming worden gevestigd, ongeacht of het gaat om nieuwbouw ten behoeve van die gevoelige bestemming of om functiewijziging van een bestaand gebouw. Wel wordt eenmalig een beperkte uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming toegestaan die leidt tot een toename van maximaal 10% van het aantal personen dat ter plekke verblijft; hierbij is niet het feitelijk aantal verblijvende personen doorslaggevend, maar het aantal personen dat rechtens ter plaatse mag verblijven. Tot de gevoelige bestemmingen behoren: scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Randvoorwaarden Op basis van het wettelijk kader en het gemeentelijk beleid kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen; bij het opnemen van uitwerkings-, wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden wordt als voorwaarde opgenomen dat dient te worden aangetoond dat toepassing van de bevoegdheid niet in betekende mate bijdraagt aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. 2.6 Geur Bedrijven Voor wat betreft geurhinder wordt onderscheid gemaakt tussen geur afkomstig van veehouderijen en andere bedrijven. Voor andere bedrijven dan veehouderijen bestaat geen geurregelgeving. In het kader van de ruimtelijke ordening moet wel rekening worden gehouden met de belangen van geurgevoelige objecten in de omgeving en de belangen van het betreffende bedrijf zelf. Voor omliggende geurgevoelige objecten moet een goed woon- en leefklimaat kunnen worden gegarandeerd, terwijl de milieurechten van een bedrijf niet onevenredig mogen worden ingeperkt door de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten in diens omgeving. Toetsing op dit punt is mogelijk volgens de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) die per branche voorziet in een toetsingskader. Het betreft een richtlijn, dus afwijking daarvan is mogelijk, mits wordt gemotiveerd dat een goed woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoners kan worden gegarandeerd en andere belanghebbenden (bedrijven en derden) niet onevenredig in hun belangen worden geschaad door de nieuwe planologische ontwikkeling. Veehouderijen Bij ruimtelijke ontwikkelingen op of nabij een veehouderij die vergunningplichtig is op basis van de Wet milieubeheer, is de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Aan deze wet komt een zogenaamde omgekeerde werking toe. Dat houdt in dat de afstanden en maximale geurbelasting die voor een bepaalde veehouderij van toepassing zijn, ook moeten worden gerespecteerd bij de realisatie van geurgevoelige objecten nabij die veehouderij. Wordt niet voldaan aan de maximale geurbelasting of de minimaal aan te houden afstandsnormen, dan is in beginsel geen sprake van een goed woon- en leefklimaat. In beginsel, aangezien dit door jurisprudentie van de Afdeling is genuanceerd³. Voor agrarische bedrijven die onder algemene regels vallen als bedoeld in artikel 8.40 Wet milieubeheer geldt het Besluit landbouw milieubeheer, waarin ook minimaal aan te houden afstanden tot geurgevoelige objecten zijn opgenomen. Mestbassins dienen te voldoen aan het Besluit mestbassins milieubeheer. 2.6Uitgangspunt is ook bij veehouderijen dat een goed woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoners kan worden gegarandeerd en andere belanghebbenden (bedrijven en derden) niet onevenredig in hun belangen worden geschaad door de nieuwe planologische ontwikkeling. ³ Zie o.a. Ab 7 oktober 2009, nr 200900801/1/R3 Geurverordening De gemeente Steenwijkerland beschikt momenteel nog niet over een geurverordening als bedoeld in de Wet geurhinder een veehouderij. Middels zo’n verordening kan maatwerk worden geleverd, bijvoorbeeld om eventuele knelpunten bij en rond veehouderijen in kernen op te lossen. Er is wel een geurverordening in voorbereiding die in 2011 voor het gehele grondgebied van de gemeente zal worden vastgesteld. Randvoorwaarden Op basis van het wettelijk kader en het gemeentelijk beleid kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: in beginsel dient te worden voldaan aan de minimale afstanden of maximale geurbelasting ingevolge de Wet geurhinder veehouderij of het Besluit landbouw milieubeheer; mocht een geurverordening worden vastgesteld, dan is die verordening bepalend voor de mogelijkheden om af te wijken van de voorgeschreven minimale afstanden of maximale geurbelasting.
  5. Natuurbescherming 3.1 Inleiding Centraal in de gemeente ligt Steenwijkerland ligt het natuurgebied Weerribben-Wieden. Met een oppervlakte van circa 100 km2 vormt dit een aanzienlijk deel van het circa 320 m2 grote grondgebied van de gemeente. Het betreft het grootste laagveenmoerasgebied van West-Europa. Dat vraagt om gepaste aandacht voor natuurbescherming bij ruimtelijke plannen. 3.2 Europees recht Vogel- en Habitatrichtlijn Een groot deel van dit gebied is aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn4 en/of aangemeld in het kader de Habitatrichtlijn
  6. De Vogelrichtlijn is gericht op de bescherming van in het wild levende vogelsoorten en de instandhouding van hun leefgebieden en ziet daarmee op zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. De Habitatrichtlijn is gericht op de instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Het betreffen richtlijnen die door de lidstaten moeten worden omgezet naar nationale wet- en regelgeving. In Nederland is dat gebeurd in de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998, waarbij de Flora- en faunawet ziet op soortenbescherming en de Natuurbeschermingswet 1998 op gebiedsbescherming. 4 Richtlijn92/43/EEG, 21 mei 1992 5 Richtlijn 79/409/EEG, 2 april 1979 3.3 Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geïmplementeerd in de Flora- en faunawet (Ffw). De doelstelling van deze wet is het beschermen en in stand houden van in het wild levende planten- en diersoorten. Activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zijn in principe verboden. Van het verbod op schadelijke handelingen kan onder voorwaarden worden afgeweken (nee, tenzij). De zorgplicht die in artikel 2 van de wet is opgenomen houdt in dat menselijk handelen geen nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. In het geval van beschermde planten of dieren geldt de zorgplicht ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht voor dieren betekent niet dat er geen dieren mogen worden gedood, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, met zo min mogelijk lijden gepaard gaat. Van de in de wet opgenomen verbodsbepalingen kan op basis van artikel 75 Ffw vrijstelling worden verleend door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend indien daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van een soort (lid 5). Voor de soorten die zijn genoemd in artikel 75, lid 6 wordt voorts slechts vrijstelling verleend indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Voor ruimtelijke plannen zijn de gronden voor deze ontheffing op basis van artikel 75, lid 6 onder c Ffw opgenomen in artikel 2, lid 3 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (Besluit vrijstelling). Relevant zijn met name: dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten (sub e); de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling (sub j). Door de Afdeling6 is echter geoordeeld dat deze laatste grond voor het verlenen van ontheffing die is neergelegd in artikel 2, derde lid, aanhef en onder j, van het Besluit vrijstelling zich niet verdraagt met artikel 16 van de Habitatrichtlijn en artikel 9 van de Vogelrichtlijn. De Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn bieden geen grondslag voor lidstaten om in de nationale wetgeving andere gronden voor ontheffing op te nemen dan genoemd in de richtlijnen zelf en hiervan ook niet direct zijn af te leiden. De Afdeling heeft geoordeeld dat de in artikel 2, derde lid, aanhef en onder j, van het Besluit vrijstelling neergelegde grondslag voor het verlenen van ontheffing, een ruimere strekking heeft dan de grondslagen voor ontheffing die zijn neergelegd onder a tot en met e van artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn en a tot en met c van artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn. Deze grond zal dan ook buiten toepassing moeten worden gelaten. 6 Zie o.a. Ab, 21 januari 2009, 200802863/1 en Ab, 13 mei 2009, 200802624/1 Randvoorwaarden Op basis van het wettelijk kader kan de volgende randvoorwaarde worden geformuleerd: nieuwe ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan het wettelijk kader voor soortenbescherming, met inachtneming van de hiervoor beschreven jurisprudentie. 3.4 Gebiedsbescherming De Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) regelt de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming). Op grond van deze wet kunnen ook gebieden worden aangewezen (Natura 2000), waarvoor op grond van diezelfde wet dan een beheerplan moet worden opgesteld. In een beheerplan wordt vastgelegd hoe en wanneer de instandhoudingsdoelen voor een gebied gehaald worden. De habitattoets als opgenomen in artikel 19j Nbw dient om vast te stellen of, en zo ja, onder welke voorwaarden een menselijke activiteit in en rondom een Natura 2000-gebied kan worden toegelaten. Daarvoor moet er zekerheid zijn dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast en dat een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel een verstoring van soorten uitblijft. Deze toets kan worden samengevat in navolgend stroomschema. Is er kans op een negatief effect? Activiteiten gelegen in of in de omgeving van Natura 2000-gebieden kunnen een negatief effect hebben op de natuurwaarden. Dat geldt ook voor activiteiten die zich (ver) buiten een Natura 2000-gebied afspelen (externe werking). Voor deze beoordeling is ecologische expertise nodig. Is er kans op een negatief effect, dan moet worden bekeken of dat negatief effect significant is. Is er kans op een significant negatief effect? Een significant negatief effect treedt op als het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komen. Om deze beoordeling te kunnen maken, is een quickscan van de mogelijke effecten van het project op de natuurwaarden nodig. Op basis van de projectkenmerken en informatie over het Natura 2000-gebied kunnen de mogelijke effecten op de natuurwaarden als gevolg van het project globaal worden ingeschat. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt in tijdelijke en permanente factoren en de daarbij behorende gevolgen. Betrek daarbij ook de mogelijkheden om door middel van mitigerende maatregelen de effecten te verminderen of te voorkomen. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met cumulatieve effecten. Er is sprake van cumulatieve effecten als er ook andere projecten, handelingen of plannen plaatsvinden die in combinatie mogelijk schadelijk zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen. Passende beoordeling Indien is gebleken dat er mogelijk significant negatieve effecten voor het Natura 2000-gebied zijn, is een gedetailleerder onderzoek nodig naar de kans op significant negatieve effecten reëel is en of aan de criteria van de passende beoordeling kan worden voldaan. De mate van verstoring en kwaliteitsverslechtering moet per geval worden beoordeeld, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van het desbeteffende Natura 2000-gebied. Er is sprake van een significant negatief effect als het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar kan komen. Daarbij moeten ook weer de mitigerende maatregelen en cumulatieve effecten worden betrokken. Indien uit het onderzoek blijkt dat er kans is op een significant negatief effect moet aan de volgende criteria worden voldaan: er zijn geen alternatieve oplossingen voor het project die minder of geen negatieve effecten hebben voor het Natura 2000-(deel)gebied; er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang; er is voorzien in compenserende maatregelen. Alleen als aan deze zogenaamde ADC-voorwaarden wordt voldaan, kan goedkeuring worden verleend. Kans op negatief effect, maar geen significant effect? Indien is gebleken dat er een kans is op niet-significante negatieve effecten moet worden beoordeeld of deze kans reëel is en of de verslechtering of verstoring aanvaardbaar is. De mate van verstoring en kwaliteitsverslechtering moet per geval worden beoordeeld, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van het desbeteffende Natura 2000-gebied. In tegenstelling tot een passende beoordeling, hoeft geen rekening te worden gehouden met cumulatieve effecten. Bij de beoordeling of de verslechtering of verstoring aanvaardbaar is. heeft het bevoegd gezag een grotere beleidsvrijheid dan wanneer de goedkeuring via de passende beoordeling verloopt. Het bevoegd gezag kan rekening houden met de aanwezigheid van redenen van openbaar belang, de mogelijkheid om te compenseren en andere relevante overwegingen. Het bevoegd gezag kan de goedkeuring zo nodig onder voorwaarden of beperkingen verstrekken. Randvoorwaarden Op basis van het wettelijk kader kan de volgende randvoorwaarde worden geformuleerd: nieuwe ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan het wettelijk kader voor gebiedsbescherming, waarbij de hiervoor beschreven habitattoets wordt uitgevoerd. 3.5 Ecologische Hoofdstructuur Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS), als geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan

(1990)van het Ministerie van LNV, is bedoeld om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over gebieden. Hierdoor zijn deze gebieden beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. Grotere natuurgebieden zijn gevarieerder en er kunnen meer soorten planten en dieren leven. Het provinciale ruimtelijk beleid voor de EHS is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS waarbij tevens rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen de EHS zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Dat betekent dat er geen ruimte is voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van de EHS, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde EHS-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van de EHS, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels zijn verankerd in de provinciale Omgevingsverordening. De provincie Overijssel heeft de begrenzing van de EHS vastgelegd in haar Omgevingsvisie. Het credo hierbij is: flexibiliteit met kwaliteit. Daarmee wordt bedoeld dat er ruimte is voor het aanpassen van die begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Randvoorwaarden nieuwe ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan het provinciaal beleid ten aanzien van de EHS, waarbij de ‘EHS-spelregels’ worden gehanteerd.
  1. Bedrijvigheid 4.1 Inleiding Binnen de kernen ten behoeve waarvan deze notitie wordt opgesteld liggen diverse bedrijventerreinen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de gewenste ruimtelijke invulling van die terreinen, de mogelijkheden om de beeldkwaliteit waar mogelijk te verbeteren, maar bijvoorbeeld ook het toestaan van andere functies op die terreinen als horeca en detailhandel. 4.2 Zonering bedrijventerreinen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een ruimtelijke scheiding tussen bedrijven en woningen gewenst. Door het toepassen van milieuzonering kunnen verantwoorde afstanden tussen bedrijven en woningen worden vastgelegd in bestemmingsplannen. Net als bij nieuwe ontwikkelingen kan de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” als hulpmiddel worden gebruikt. Het doel is het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat in de omgeving van bedrijventerreinen. Bij bedrijventerreinen die grenzen aan woongebieden liggen de bedrijven aan de randen van dat terrein uiteraard dichter bij de woningen dan de bedrijven die midden op het bedrijventerrein liggen. Volgens het principe van milieuzonering is de (indicatieve) afstand die dient te worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen afhankelijk van de milieucategorie van een bedrijf. Hoe hoger de categorie, des te groter de indicatieve afstand. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in twee omgevingstypen, te weten rustige woonwijken en rustig buitengebied enerzijds en gemengd gebied anderzijds. In de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” zijn de volgende indicatieve afstanden opgenomen7: 7 Deze afstanden komen uit editie
  2. Bij verschijnen nieuwe editie daarvan uitgaan. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0 m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Bij nieuwe ontwikkelingen – de vestiging van bedrijven op bedrijventerreinen die niet passen in het geldende bestemmingsplan – dienen in beginsel deze afstanden te worden gehanteerd, waarbij rekening wordt gehouden met het omgevingstype. Afwijken van deze afstanden kan, mits dat wordt gemotiveerd. Bij de actualisatie van de bestemmingsplannen dient waar nodig zonering te worden toegepast. De vestiging van geluidszoneringsplichtige bedrijven dient te worden uitgesloten op andere terreinen dan de bestaande gezoneerde industrieterreinen. Ook de vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven (bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (BRZO’99) en/of het Vuurwerkbesluit) dient te worden uitgesloten. Afhankelijk van de afstand tot de nabij gelegen woningen kan een inwaartse zonering worden toegepast. Dat wil zeggen lichte bedrijven van categorie 1 en 2 aan de naar woongebied gekeerde randen en de zwaardere categorieën in het midden. Bestaande bedrijven die niet binnen dat model passen dienen positief maar specifiek te worden bestemd door middel van een aanduiding. Daardoor kunnen die bedrijven wel blijven zitten, maar is na vertrek de vestiging van andere bedrijven van een afwijkende milieucategorie niet meer mogelijk. Randvoorwaarden Samengevat kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden de afstanden uit de actuele versie van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” als uitgangspunt, waarbij rekening wordt gehouden met het onderscheid in omgevingstypen; afwijken van de indicatieve afstanden is mogelijk, mits die afwijking wordt gemotiveerd in het besluit c.q. de onderbouwing of bestemmingsplantoelichting; bij de bestemmingsplanactualisatie de vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven uitsluiten; bij de actualisatie een inwaartse zonering aanbrengen voor bedrijventerreinen: lichte bedrijven aan de randen, zwaardere bedrijven in het midden; bestaande bedrijven die daarin niet passen specifiek bestemmen. 4.3 Horeca op bedrijventerreinen Horeca in de vorm van hotels en snelweggebonden horeca is reeds mogelijk op Woldmeentherand en na afwijking van de gebruiksregels op Oostermeentherand. Dit zijn zichtlocaties langs de Rijksweg A32, aan weerszijden van de noordelijke entree van Steenwijk via de Eesveenseweg. Op deze locatie kan een uitzondering worden gemaakt op het uitgangspunt dat horeca zoveel mogelijk dient te worden geconcentreerd in de centra, als verder uitgewerkt in hoofdstuk
  3. Voor andere bedrijventerreinen zijn nieuwe horecavestigingen in beginsel niet gewenst. Dat zal in bestemmingsplannen worden uitgesloten. Indien toch een initiatief wordt ingediend voor een hotel of (snel)weggebonden horecavestiging dan kan worden overwogen daaraan medewerking te verlenen indien de vestiging aan de rand van het betreffende bedrijventerrein zal plaatsvinden en het een locatie nabij een entree van een kern betreft, die daarmee een ruimtelijke kwaliteitsimpuls krijgt. Randvoorwaarden vestiging van horeca op bedrijventerreinen enkel in de vorm van hotels en (snel)weggebonden horeca; in beginsel alleen op Woldmeentherand en Oostermeentherand; vestiging aan de rand van andere bedrijventerreinen enkel nabij een entree van de betreffende kern, mits die entree daarmee een ruimtelijke kwaliteitsimpuls krijgt; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 4.4 Bedrijfswoningen Het eerste deel van dit uitgangspunt spreekt voor zich. De noodzaak ontbreekt tegenwoordig en de aanwezigheid van bedrijfswoningen beperkt omliggende bedrijven in hun milieuruimte. Nieuwe bedrijfswoningen worden op bedrijventerreinen dan ook niet meer toegestaan. Een uitzondering daarop geldt – gezien de aard en doel van de terreinen – voor woon-werklocaties. Het tweede deel behoeft wel verdere uitwerking. Inventarisatie gebruik Bestaande bedrijfswoningen kunnen uiteraard niet zonder meer worden wegbestemd. Bestaande woningen die nog steeds als zodanig in gebruik zijn dienen in nieuwe bestemmingsplannen positief te worden bestemd. Vooraf is echter een goede inventarisatie noodzakelijk waarbij wordt gekeken naar het huidige gebruik. Het komt regelmatig voor dat bedrijfswoningen bedrijfsmatig in gebruik worden genomen, bijvoorbeeld als kantoor. In dat geval zou daarvoor een passende (bedrijfs)bestemming kunnen worden opgenomen. Mocht op termijn in het kader van de revitalisering van een bedrijventerrein een transformatie plaatsvinden naar een woon-werklocatie, dan kan worden overwogen op dat moment alsnog woningen toe te staan op het betreffende bedrijventerrein. Het moet dan wel gaan om een totaalontwikkeling van het bedrijventerrein en niet om een enkel bedrijfsterrein. Het komt echter ook regelmatig voor dat bedrijfswoningen in gebruik worden genomen als ‘burgerwoning’, bijvoorbeeld doordat de voormalige exploitant het bedrijf, waartoe de bedrijfswoning planologisch behoort, heeft overgedragen aan een derde, exclusief die woning omdat de voormalige exploitant in die woning wil blijven wonen. Nadat het huidige gebruik van de ‘bedrijfswoningen’ is geïnventariseerd zijn verschillende opties mogelijk die hieronder worden beschreven. Instrumenten Handhaving Indien het huidige gebruik in strijd is met het bestemmingsplan, zijn B&W in beginsel verplicht om te handhaven. Indien tot handhaving wordt overgegaan is een aparte regeling in nieuwe bestemmingsplannen niet vereist. In dat geval kunnen de betreffende woningen als bedrijfswoning bestemd blijven. Positief bestemmen Indien B&W niet wensen over te gaan tot handhaven, ligt het in de rede te bezien of een positieve bestemming van het (met het bestemmingsplan strijdige) gebruik mogelijk is. Uitgangspunt is namelijk dat bestaand gebruik, waarvan niet aannemelijk is dat dit binnen de planperiode zal worden beëindigd, als zodanig wordt bestemd
  4. Dit in verband met de rechtszekerheid. Hoewel dit uitgangspunt in beginsel geldt voor bestaand legaal gebruik kan ook bij bestaand illegaal gebruik9 – indien sprake is van een langere gedoogperiode – niet zonder meer worden voorbijgegaan aan de feitelijke situatie
  5. Ook bij bestaande illegale situaties kan aanleiding zijn om de feitelijke situatie als zodanig te bestemmen. De enkele omstandigheid dat sprake is van een bestaande situatie kan echter niet zonder meer aanleiding zijn voor de positieve bestemming. Daartoe is tevens een planologische afweging nodig.11 Immers, een bestemmingsplan moet in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. In deze planologische afweging speelt bijvoorbeeld de vraag of een positieve bestemming (al dan niet) kan leiden tot belemmering van omliggende bedrijven. Motivering van de beslissing om al dan niet voor een positieve bestemming te kiezen is onontbeerlijk in het kader van de rechtszekerheid. 8 o.a. Ab 9 maart 2005, 200407190/1; Ab 18 juli 2001, BR 2001/
  6. 9 O.a. Ab 16 februari 2005, 200405603/1, r.o. 2.7; Ab 24 juli 2002, BR 2003/46, p. 207 (m.nt. H.J. de Vries) en de noot
(2)van H.J. de Vries bij Ab 24 oktober 2001, BR 2002/4, p.
  1. 10Ab 24 augustus 2005, 200410307/1, r.o. 2.6.
  2. 11 Ab 27 november 2002, 200101922/1, r.o. 2.6.
  3. en Ab 15 juni 2001, Gst 7151, 6 (m.nt. JT), r.o. 2.19.1 Uitsterfregeling Indien een positieve bestemming mogelijk is met het oog op een goede ruimtelijke ordening, maar niet gedurende de gehele planperiode gewenst – bijvoorbeeld gezien toekomstige ontwikkelingen – kan worden overwogen het bestaande gebruik onder een uitsterfregeling te laten vallen. Een uitsterfregeling is een bijzondere vorm van positief bestemmen, waarbij aan het bestaande gebruik geen beperkingen zijn gesteld, maar waarbij dit gebruik – indien het is beëindigd doordat het is omgezet in een ander met het plan verenigbaar gebruik – niet opnieuw een aanvang mag nemen.12 Een uitsterfregeling bevat dus tevens een regeling voor een nieuwe, wél gewenste functie. Dit biedt de rechtszekerheid dat bestaand gebruik expliciet is toegestaan zolang het voortduurt, maar geeft eveneens vooruitzicht op beëindiging op termijn. Deze regeling heeft voor de rechthebbende tot voordeel dat het gebruiksrecht aan een derde mag worden overgedragen. Een uitsterfregeling is geschikt in het geval bepaald gebruik volgens het vigerende bestemmingsplan is toegestaan, maar op grond van nieuwe inzichten niet (meer) gewenst is.13 Nadeel van de uitsterfregeling is dat deze de mogelijkheid biedt het ongewenste gebruik lang te laten voortduren. Immers, het gebruik kan door rechtsopvolgers worden voortgezet. 12 Ab 16 februari 2005, 200405603/1, r.o. 2.7 13 J. Struiksma, De regeling van bestaand gebruik en bestaande bebouwing in nieuwe bestemmingsplannen, BR 2007/1, nr. 3 en de noot van Fokke bij AB 2005/
  4. De Afdeling heeft aangegeven dat in het geval beëindiging van illegaal gebruik gedurende de planperiode niet aannemelijk is, een uitsterfregeling overwogen kan worden.14 In de literatuur wordt echter beredeneerd dat deze regeling niet geschikt is voor gebruik dat onder het oude bestemmingsplan reeds illegaal is. In dat geval worden immers rechten toegekend aan gebruikers aan wie deze rechten niet toekomen. Dit terwijl, anders dan bij het positief bestemmen van illegaal gebruik, het gebruik ongewenst is en uiteindelijk zal moeten verdwijnen. 14 Ab 10 november 2004, 200306936/1, r.o. 2.6.6.2 (AB 2005/122, m.nt. Fokke) (Algemeen) overgangsrecht In het geval een positieve bestemming – al dan niet in combinatie met een uitsterfregeling – niet mogelijk is, kan worden overwogen het bestaande gebruik onder het algemene overgangsrecht te brengen. In dat geval wordt het gebruik onder onder een bestemming gebracht die ingevolge een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. Het onder het overgangsrecht brengen van gebruik betekent dat dit, hoewel het niet wordt gezien als het meest wenselijke, uit een oogpunt van rechtszekerheid gedurende de planperiode nog wel is toegestaan. Het streven is echter gericht op het verdwijnen van dit gebruik. Hiermee wordt derhalve beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen, totdat de gewenste ruimtelijke situatie wordt verwezenlijkt. Realisering van de gewenste bestemming binnen de planperiode moet dus voor de hand liggen. Indien niet aannemelijk is dat het gebruik binnen de planperiode wordt beëindigd, is het (opnieuw) onder het overgangsrecht brengen hiervan niet geoorloofd.15 Bovendien moet het overgangsrecht beperkt worden opgevat.16 Het is niet bedoeld voor bestaande gebruikers die geen gerechtvaardigde rechten en belangen hebben. Bestaand gebruik dat in strijd was met het vorige plan hoort niet onder het overgangsrecht te worden gebracht, omdat zo onterecht rechten worden toegekend aan bestaande gebruikers. Sinds de inwerkingtreding van het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) op 1 juli 2008 wordt in artikel 3.2.2 een standaardregeling voor gebruiksovergangsrecht voorgeschreven, die bestaand illegaal gebruik uitsluit van het overgangsrecht. Deze regeling moet in alle nieuwe bestemmingsplannen worden opgenomen. 15Zie ook o.a. Ab 1 augustus 2001, BR 2001/964; Ab 24 augustus 2005, 200410307/1, r.o 2.7.4 en Ab 27 oktober 2004, 200305883/1 16 Ab 10 november 2004, 200306936/1, r.o. 2.6.6.2 Persoonsgebonden overgangsrecht In het Bro wordt in artikel 3.2.3 een mogelijkheid geboden tot het opnemen van een persoonsgebonden overgangsrecht in het bestemmingsplan, indien toepassing van de voorgeschreven overgangsrechtbepaling ten aanzien van gebruik zou kunnen leiden tot ‘een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan’. Volgens de Nota van toelichting op het Bro moet daarbij met name worden gedacht aan gevallen waarin de hoge leeftijd van de gebruiker de verwachting wettigt dat de belemmeringen op termijn zullen worden weggenomen, maar niet valt te voorspellen wanneer dat het geval zal zijn. Bedrijfswoningen buiten bedrijventerreinen Overigens wenst de gemeente Steenwijkerland buiten bedrijventerreinen wel mogelijkheden te bieden voor de oprichting van bedrijfswoningen bij bedrijven. Dit zal echter niet rechtstreeks worden toegestaan, maar slechts na afwijking van de bouwregels door middel van een omgevingsvergunning. Alvorens medewerking wordt verleend zal moeten worden aangetoond dat ter plaatse daadwerkelijk een bedrijf wordt geëxploiteerd. Voorts zal moeten worden getoetst de milieuhygiënische en ecologische randvoorwaarden uit respectievelijk hoofdstuk 2 en
  5. Bedrijfsopvolging Vooral bij ambachtelijke en agrarische bedrijven komt het regelmatig voor dat het bedrijf binnen de familie wordt overgedragen, bijvoorbeeld van vader op zoon. Vaak gaat dit geleidelijk en blijft het familielid dat het bedrijf overdraagt nog lang betrokken bij de bedrijfsvoering en zal de “nieuwe” exploitant van het bedrijf zijn intrek willen nemen in de bedrijfswoning. De gemeente Steenwijkerland wil aan deze terugtredende bedrijfsvoerders de mogelijkheid bieden om bij het bedrijf te blijven wonen, maar het is niet de bedoeling een extra volwaardige bedrijfswoning toe te staan. Er wordt daarbij gedacht aan inwoning of aan bewoning van een vrijstaand bijgebouw. Hiervoor zullen dezelfde mogelijkheden worden geboden als voor mantelzorg. Met uitzondering van de zorgbehoefte worden dezelfde randvoorwaarden gehanteerd als genoemd in paragraaf Inhoud bedrijfswoning In nieuw op te stellen bestemmingsplannen zal voorts moeten worden geborgd dat er een juiste verhouding ontstaat en blijft tussen het volume van de bedrijfswoning en de bijbehorende overige bedrijfsgebouwen. Dat kan bijvoorbeeld door behalve een maximale inhoudsmaat voor bedrijfswoningen ook een regel op te nemen die voorziet in een koppeling tussen de inhoud van de bedrijfswoning en de rest van de bedrijfsgebouwen. Zo kan worden opgenomen dat de inhoud van de bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 50% van de inhoud van de overige bedrijfsgebouwen. Randvoorwaarden Er worden geen nieuwe bedrijfswoningen toegestaan op bedrijventerreinen, aangezien de noodzaak daarvoor ontbreekt; in geval van legaal bestaand gebruik van bedrijfswoningen, dat gebruik (opnieuw) positief bestemmen; bij illegaal gebruik wordt in beginsel handhavend opgetreden, maar er kan – afhankelijk van de feiten en omstandigheden – ook gemotiveerd worden gekozen voor de overige hiervoor beschreven opties, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende randvoorwaarden: er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; buiten bedrijventerreinen kan bij een bedrijf een bedrijfswoning worden toegestaan door af te wijken van de bouwregels uit het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning wanneer wordt aangetoond dat ter plaatse daadwerkelijk een bedrijf wordt geëxploiteerd en tevens wordt voldaan aan de onder de vorige gesloten bullet opgesomde voorwaarden; Bij bedrijfsopvolging worden mogelijkheden geboden aan terugtredende bedrijfsvoerders om bij het bedrijf te blijven wonen, wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn beschreven in paragraaf . In bestemmingsplannen dient te worden voorzien in regels die een juiste verhouding tussen het volume van de bedrijfswoning en de overige bedrijfsgebouwen borgen. 4.5 Uitbreidingsmogelijkheden bestaande bedrijven De inventarisatie van het geldende beleid en de behoefte aan aanvullend beleid heeft opgeleverd dat uitbreidingsruimte voor bestaande bedrijven zoveel mogelijk moet worden gecreëerd door zuinig ruimtegebruik, waarbij de SER-ladder wordt toegepast: bekijk of gebruik kan worden gemaakt van ruimte die reeds voor een bepaalde functie beschikbaar is gemaakt of dat die ruimte middels herstructurering vrij kan worden gemaakt; bekijk of door meervoudig ruimtegebruik de ruimteproductiviteit kan worden verhoogd; indien dat niet tot een oplossing leidt kan worden gekeken naar een uitbreiding van het ruimtegebruik. Dat houdt in dat wanneer een bedrijf zich meldt met een verzoek om uitbreiding eerst moet worden bekeken of door efficiënt gebruik van het eigen perceel extra ruimte kan worden gecreëerd. Indien dat niet mogelijk is, dan wordt bekeken of er nog andere bedrijfskavels beschikbaar zijn die voor de uitbreiding kunnen worden gebruikt, al dan niet na herstructurering. Is dat niet het geval, dan kan uitbreiding worden overwogen. Bij die afweging dienen de relevante waarden en belangen goed te worden afgewogen in een gebiedsgerichte aanpak. Door een zorgvuldige keuze van locaties voor nieuwe ‘rode’ functies en door investeringen in de kwaliteit van de omliggende groene ruimte moeten natuur en landschap worden gerespecteerd en zo mogelijk worden versterkt. Randvoorwaarden Samengevat kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: een eventuele uitbreiding dient direct grenzend aan een bestaand bedrijfsterrein plaats te vinden; voor zover dat niet mogelijk is dient te worden gekeken of er andere bedrijfskavels beschikbaar zijn voor de gewenste uitbreiding; de uitbreiding dient landschappelijk goed te worden ingepast; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 3; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 4.6 Beeldkwaliteit De beeldkwaliteit van bestaande bedrijventerreinen staat onder druk. Hoewel op dat punt welstand een grote rol speelt, met name ten aanzien van het uiterlijk van gebouwen, kan ook het bestemmingsplan op dat punt iets betekenen door onder meer: bebouwingsvrije zones op te nemen langs perceelsgrenzen; het hanteren van al dan niet verspringende voorgevelrooilijnen; het voorschrijven van een landschappelijke inpassing van (nieuwe) bebouwing en bedrijfsterreinen; het uitsluiten van open opslag voor de voorgevel; het uitsluiten van hoge erfafscheidingen voor de voorgevel; parkeren op eigen (achter)terrein voor te schrijven; Het beschermen van bestaand groen binnen bedrijfsterreinen door middel van een passende bestemming of aanduiding. Bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen kan er bij het ontwerp rekening worden gehouden met de hiervoor genoemde mogelijkheden en kunnen dergelijke zaken juridisch worden verankerd in het nieuwe ruimtelijke besluit. Bij bestaande terreinen wordt dat lastiger. Toch moet ook bij de actualisatie van bestemmingsplannen voor bestaande bedrijventerreinen worden overwogen om – voor zover dat in het geldende plan nog niet het geval is – de hiervoor genoemde mogelijkheden in het bestemmingsplan te verankeren. Naast de bedrijfsterreinen, kan ook het openbaar gebied op de bedrijventerreinen een grote bijdrage leveren aan de beeldkwaliteit. Feitelijk gebeurt dat door een goede (her)inrichting en een goed onderhoud, maar die herinrichting moet wel mogelijk zijn op grond van het geldende plan. Op dat onderwerp wordt verder ingegaan in hoofdstuk 9 Randvoorwaarden Bij bestemmingsplanactualisatie en bij nieuwe ruimtelijke besluiten worden waar mogelijk de volgende onderwerpen geregeld in het kader van de beeldkwaliteit: bebouwingsvrije zones opnemen langs perceelsgrenzen; het hanteren van al dan niet verspringende voorgevelrooilijnen; het voorschrijven van een landschappelijke inpassing van (nieuwe) bebouwing en bedrijfsterreinen; het uitsluiten van open opslag voor de voorgevel; het uitsluiten van hoge erfafscheidingen voor de voorgevel; het voorschrijven van parkeren op eigen (achter)terrein; het beschermen van bestaand groen binnen bedrijfsterreinen door middel van een passende bestemming of aanduiding. 4.7 (Volumineuze) detailhandel op bedrijventerreinen 4.7.1 Volumineuze detailhandelVolumineuze detailhandel kan worden gedefinieerd als ‘detailhandel in produkten die qua aard en/of omvang van het aangeboden produkt niet past binnen normale winkelgebieden’. Detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke stoffen horen niet thuis in winkelcentra en mogen zich van oudsher op perifere locaties vestigen. Dat geldt ook voor bedrijven die in verband met de omvang en/of aard van de gevoerde artikelen grote panden nodig hebben en welke artikelen ook weinig toegevoegde waarde hebben voor het winkelpubliek in reguliere winkelcentra. Het gaat daarbij om de volgende branches: woninginrichting, mits groter dan 1.000 m²; keukens en badkamers, inclusief tegels en sanitair; bouwmarkten; auto’s, motoren, boten, caravans, tenten; tuincentra; (inclusief dierenverzorgingsartikelen); autoaccessoires, in directe relatie met inbouw; grove bouwmaterialen en landbouwwerktuigen; brand- en explosiegevaarlijke stoffen; diversen: zonwering, vijvers, zwembaden, tuinhuisjes. Gestreefd wordt naar clustering van volumineuze detailhandel in duidelijk herkenbare nevencentra. BRO17 adviseert die clustering te laten plaatsvinden op Woldmeentherand en het zuidelijk deel van bedrijventerrein Groot Verlaat. Op Eeserwold en Hooidijk zijn op basis van het geldende bestemmingsplan al mogelijkheden voor volumineuze detailhandel. Verder is besloten om voor de bedrijventerreinen in Oldemarkt en Vollenhove ook de mogelijkheid te bieden om volumineuze detailhandel toe te staan. 17Naar een nog sterkere binnenstad, BRO, 17 september 2008 Branchevervaging moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Door het groeiend aanbod van nevenassortiment bij perifere detailhandel wordt zowel de clustering van detailhandel in winkelgebieden als het beleid ten aanzien van volumineuze detailhandel ondermijnd. De verkoop van dat nevenassortiment past namelijk niet binnen de hiervoor gegeven definitie van volumineuze detailhandel. In de geldende ‘Beleidsregels detailhandel op perifere locaties’ is op basis van het onderzoek van BRO vastgelegd dat het nevenassortiment beperkt moet blijven tot maximaal 10% tot een maximum van 300 m
  6. Een dergelijke beperkte omvang zal niet zorgen voor een ontwrichting van de detailhandelsstructuur in Steenwijk. De verkoop van dranken en etenswaren (foodsector) wordt expliciet uitgesloten. Ook shop-in-shop formules zullen moeten worden uitgesloten. Dergelijke shops vestigen zich in andere winkels en zijn voor wat betreft oppervlakte daaraan ondergeschikt. Ze voldoen niet aan de definitie van volumineuze detailhandel. Mocht dat wel het geval zijn, dan zouden ze zich immers zelfstandig kunnen vestigen. Dergelijke formules zijn onder andere herkenbaar doordat ze geen onderdeel uit maken van de rechtspersoon van de overkoepelende winkel, ze eigen kassa’s hebben, beschikken over eigen personeel en ze eigen reclameuitingen gebruiken. Randvoorwaarden Samengevat kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: volumineuze detailhandel definiëren als: ‘detailhandel in produkten die qua aard en/of omvang van het aangeboden produkt niet past binnen normale winkelgebieden’, waaronder in elk geval worden verstaan: woninginrichting, mits groter dan 1.000 m²; keukens en badkamers, inclusief tegels en sanitair; bouwmarkten; auto’s, motoren, boten, caravans, tenten; tuincentra; (inclusief dierverzorgingsartikelen); autoaccessoires, in directe relatie met inbouw; grove bouwmaterialen en landbouwwerktuigen; brand- en explosiegevaarlijke stoffen; diversen: zonwering, vijvers, zwembaden, tuinhuisjes; nieuwe volumineuze detailhandel wordt toegestaan op Woldmeentherand, het zuidelijk deel van Groot Verlaat, Eeserwold en Hooidijk; nieuwe volumineuze detailhandel wordt middels een wijzigingsbevoegdheid ook op de bedrijventerreinen in Oldemarkt en Vollenhove toegestaan, mits middels een bedrijfsplan wordt aangetoond dat er markt is voor de betreffende branche in Oldemarkt of Vollenhove en de omvang wordt afgestemd op de schaal van de kern en het verzorgingsgebied; het aanbieden van nevenassortiment beperken tot 10% van het winkelvloeroppervlak, tot een maximum van 300 m2, de verkoop van dranken en etenswaren (foodsector) expliciet wordt uitgesloten; shop-in-shop formules moeten worden uitgesloten; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 4.7.2 Detailhandel als nevenactiviteit Detailhandel als nevenactiviteit bij bedrijven is in beginsel acceptabel indien het gaat om ter plaatse vervaardigde of bewerkte goederen, ook wel aangeduid als produktiegebonden detailhandel. De ondergeschiktheid dient wel te worden gegarandeerd. Door voor de omvang van deze activiteiten zowel een maximum percentage van het bedrijfoppervlak als een maximum aantal vierkante meters op te nemen is zowel de ondergeschiktheid ten opzichte van het bedrijf zelf gegarandeerd als het uitgroeien tot een volwaardige winkel. Alleen het opnemen van een percentage van 10% van het gebruiksvloerppervlak kan bij een groot bedrijf immers toch nog leiden tot een aanzienlijke verkoopruimte, waardoor in feite een volwaardige winkel ontstaat. BRO adviseert in haar rapport produktiegebonden detailhandel slechts toe te staan na afwijking van de gebruiksregels door middel van een omgevingsvergunning, tot een maximum van 150 m
  7. Deze oppervlakte kan worden overgenomen, maar geadviseerd wordt produktiegebonden detailhandel rechtstreeks toe te staan. De omvang wordt immers voldoende beperkt om de ondergeschiktheid te kunnen garanderen en ook de overige randvoorwaarden kunnen direct in de planregels worden verwerkt. Om het ontstaan van een volwaardige detailhandelsvestiging te voorkomen kan de inrichting van etalages en showrooms worden uitgesloten. Een andere vorm van detailhandel als nevenactiviteit komt voor bij bedrijven die goederen verkopen via webshops en die voor de opslag van voorraden en voor hun logistiek gebruik maken van panden op bedrijventerreinen. Dergelijke bedrijven willen hun klanten vaak ook de mogelijkheid bieden om de bestelde goederen af te halen. In beginsel bestaat hiertegen geen bezwaar, mits geen volwaardige showroom ontstaat en verkoop ter plaatse plaatsvindt. De aard en omvang van de aangeboden goederen geven zijn over het algemeen niet zodanig dat ze niet passen in reguliere winkelgebieden. Verkoop ter plaatse zou daarom de gewenste clustering van detailhandel in winkelgebieden ondermijnen. Indien de bestelling via internet geschiedt worden er slechts goederen afgehaald. Er kan echter wel worden gekozen voor het toestaan van het aanbieden van een beperkt assortiment aan aanverwante artikelen, zoals aan het aangeboden produkt gerelateerde verbruiksartikelen of accessoires. De oppervlakte die daarvoor mag worden gebruikt dient echter wel beperkt te blijven om het ontstaan van een reguliere detailhandelsvestiging te voorkomen. Ook de toepassing van een “Kijkshop-formule” moet om die reden worden uitgesloten. Het is niet de bedoeling dat potentiële klanten naar de vestiging komen, ter plaatse nog een keuze moeten maken en het gekozen produkt vervolgens pas, al dan niet via een internettoegang, bestellen. Dit kan worden uitgesloten door het stellen van duidelijke gebruiksregels en het hanteren van goed omschreven begrippen. Randvoorwaarden de oppervlakte van produktiegebonden detailhandel dient beperkt te blijven tot 10% van het brutovloeroppervlak, tot een maximum van 150 m2; de oppervlakte van afhaalpunten van internetwinkels dient beperkt te blijven tot 15m2; etalages worden niet toegestaan; directe verkoop ter plaatse in de vorm van een “Kijkshop-formule” moet worden uitgesloten, met uitzondering van een beperkt assortiment aan aanverwante artikelen, zoals aan het aangeboden produkt gerelateerde verbruiksartikelen of accessoires; verkoop van etenswaren, dranken en genotsmiddelen wordt uitgesloten, tenzij het ter plaatse vervaardigde produkten betreft; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  8. (Agrarische) bedrijven in de kernen 5.1 Inleiding Uit de uitgangspuntennotitie die voorafgaand aan deze beleidsnotitie is opgesteld volgt dat hoewel een groot deel van de bedrijven zijn gevestigd op bedrijventerreinen ook buiten de bedrijventerreinen, in de woongebieden nog bedrijfsgebouwen voorkomen. Deze kunnen nog bedrijfsmatig in gebruik zijn, maar kunnen ook leegstaan. In dit hoofdstuk wordt uitgewerkt hoe daar mee wordt omgegaan. Ook is behoefte aan mogelijkheden voor omschakeling van (agrarische) bedrijven in de kernen naar andere activiteiten bij beëindiging van het bedrijf. In de uitgangspuntennotitie zijn daarvoor verschillende mogelijkheden genoemd. In dit tweede deel worden die mogelijkheden en de daaraan te stellen randvoorwaarden voor die omschakelingsmogelijkheden uitgewerkt. Ook wordt ingegaan op de mogelijkheden om die nieuwe gebruiksvormen toe te staan als nevenactiviteit bij agrarische bedrijven. Ook daarvoor worden in dit hoofdstuk randvoorwaarden benoemd. In tegenstelling tot de uitgangspuntennotitie is er in deze beleidsnotitie voor gekozen het beleid ten aanzien van zowel de agrarische als de niet-agrarische bedrijven in één hoofdstuk op te nemen. 5.2 Solitaire bedrijven 5.2.1 Bestaande niet-agrarische bedrijven Zoals al aangegeven in paragraaf 4.2 is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een ruimtelijke scheiding tussen bedrijven en woningen gewenst. Dat speelt behalve op en rond bedrijventerreinen ook rond solitaire bedrijfslocaties. Enerzijds hebben deze solitaire bedrijven bestaande rechten, anderzijds is een goed woon- en leefklimaat voor de omgeving van groot belang. Bedrijven van milieucategorie 1 en 2 zijn over het algemeen goed inpasbaar in een woonomgeving. De VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”
(2009)noemt daarvoor – afhankelijk van het gebiedstype – richtafstanden tussen de 0 en 30 meter. Bij de bestemmingsplanactualisatie kunnen dergelijke bedrijven worden toegestaan op solitaire bedrijfslocaties, mits aan de bestemmingsplanregels een goede bedrijvenlijst (ook wel staat van bedrijven) wordt gekoppeld. Bestaande bedrijven van een hogere categorie kunnen niet zonder meer worden ‘wegbestemd’. Ze beschikken over bestaande planologische rechten en maken daar vaak als jarenlang gebruik van. Enerzijds is een positieve bestemming voor zo’n bedrijf op zijn plaats, anderzijds is het bedrijf gezien diens milieucategorie eigenlijk niet meer gewenst in een woonomgeving. In dat geval kan een bedrijfsbestemming worden opgenomen voor bedrijven van milieucategorie 1 en 2 met een passende functieaanduiding voor het bestaande bedrijf, waardoor dat bedrijf toch kan blijven zitten. Overdracht aan vergelijkbare bedrijven blijft wel mogelijk. Randvoorwaarden Samengevat kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; op solitaire bedrijfslocaties bedrijven van milieucategorie 1 en 2 toestaan, als genoemd op een bij het betreffende bestemmingsplan te voegen toegesneden bedrijvenlijst; bestaande bedrijven specifiek aanduiden binnen reguliere bestemming ‘Bedrijf’; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 5.2.2 Bestaande agrarische bedrijvenIn de uitgangspuntennotitie is niet ingegaan op de uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven of de mogelijkheden om om te schakelen naar andere agrarische bedrijfsvormen zoals bijvoorbeeld een paardenhouderij. Ten aanzien van deze onderwerpen is beleid geformuleerd in het kader van de herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied. Voor zover onderhavige beleidsnotitie niet voorziet in beleid ten aanzien van deze onderwerpen wordt daarom verwezen naar de “Uitgangspuntennotitie herziening verouderde bestemmingsplan buitengebied Steenwijkerland” en later de vertaling daarvan in het anno 2011 in ontwikkeling zijnde bestemmingsplan Buitengebied. Datzelfde geldt ook voor de realisatie van voorzieningen om en nabij agrarische bedrijven zoals een tweede bedrijfswoning, teeltondersteunende voorzieningen en (niet overdekte) paardenrijbakken. 5.2.3 Beëindigde niet-agrarische bedrijven Voor leegstaande solitaire bedrijfslocaties kan in beginsel ook een bedrijfsbestemming worden opgenomen op grond waarvan bedrijven van milieucategorie 1 en 2 zijn toegestaan. Indien invulling van de locatie moeilijk blijkt, of indien de eigenaar behoefte heeft aan een andere invulling, dan kan een herbestemming worden overwogen. Daarbij zijn – mits wordt voldaan aan de gestelde randvoorwaarden – onder andere de mogelijkheden als genoemd in paragraaf 5.3 bedrijven denkbaar . Randvoorwaarden de beoogde vestiging is niet in strijd met hetgeen voor de betreffende kern of het deel daarvan is beschreven in de Beleidsnotitie ruimtelijke kwaliteit kernen; er dient te worden voldaan aan het geldende gemeentelijk beleid ten aanzien van de gewenste nieuwe bestemming, zoals onder meer opgenomen in deze beleidsnotitie; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 5.3 Omschakeling (agrarische) bedrijven 5.3.1 Lichte bedrijvigheid In kernen is in beginsel een functiescheiding tussen wonen en bedrijvigheid gewenst. Lichte bedrijven van milieucategorie 1 en 2 kunnen zoals hiervoor in hoofdstuk 2 geconstateerd echter prima worden ingepast in woonomgevingen. Vrijkomende (agrarische) bebouwing kan goed worden gebruikt voor kleinere (startende) ondernemingen die te klein zijn voor een bedrijventerrein en vooral op locatie werken zoals bijvoorbeeld kleinschalige installatiebedrijven of loodgieters. Dit kan eventueel worden gecombineerd met een woning in de vorm van een woon-werklocatie. Deze woning zal dan een reguliere woning worden, geen bedrijfswoning. Voor wat betreft de randvoorwaarden kunnen dezelfde randvoorwaarden worden gehanteerd als voor solitaire bedrijvigheid in woongebieden, namelijk bedrijven van milieucategorie 1 en 2, als opgenomen op een door de gemeente gehanteerde toegesneden bedrijvenlijst. Het is wel gewenst dat bij de beoogde omschakeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Dat is onderwerp van onderhandeling met de initiatiefnemer. Daarbij kan worden gedacht aan een goede landschappelijke inpassing door het groen omzoomen van het perceel c.q. inpassen van (nieuwe) bebouwing met streekeigen groen. Bij de invulling daarvan kan aansluiting worden gezocht bij het Landschapsontwikkelingsplan en de Beleidsnotitie Ruimtelijke kwaliteit kernen. Kwaliteitsverbetering kan ook worden gerealiseerd door de sloop van overtollige bebouwing. De initiatiefnemer dient aan de hand van een bedrijfsplan aan te tonen welk gebruiksvloeroppervlak hij nodig heeft voor de nieuwe functie. De overtollige gebouwen dienen te worden gesloopt. Het uitgangspunt is dat de nieuwe functie wordt gevestigd in de bestaande bebouwing. Uitbreiding van de bebouwing is niet toegestaan. Vervanging van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nieuwe functie is in beginsel wel mogelijk, maar daarbij geldt dat na sloop maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd. Randvoorwaarden samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: slechts de omschakeling naar lichte bedrijvigheid van categorie 1 en 2, als opgenomen op een toegesneden bedrijvenlijst is mogelijk; het uitgangspunt is dat de nieuwe functie wordt gevestigd in de bestaande bebouwing; er dient een kwaliteitsverbetering plaats te vinden door een goede ruimtelijke inpassing van de (nieuwe) bebouwing; voor de vestiging van de nieuwe functie wordt een passende maximale oppervlakte gehanteerd, die wordt bepaald aan de hand van een door de initiatiefnemer te overleggen bedrijfsplan en vervolgens wordt vastgelegd in het nieuwe ruimtelijke besluit; overtollige voormalige (agrarische) bebouwing dient te worden gesloopt; vervanging van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de nieuwe functie is mogelijk tot maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte bebouwing; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 5.3.2 Statische opslag Leegstaande agrarische gebouwen kunnen worden hergebruikt voor de opslag van statische goederen zoals caravans, campers, boten en (klassieke) auto’s. Op die manier wordt voorzien in een behoefte tot stalling van dergelijke goederen die mensen meestal niet op het eigen perceel kunnen of mogen stallen en die vaak ook niet in de openbare ruimte mogen (blijven) staan. Bovendien is door een nieuwe invulling van bestaande bebouwing sprake van zuinig ruimtegebruik. Zeker in geval van karakteristieke bebouwing kan dat een goede ontwikkeling zijn. Het is wel gewenst dat bij de beoogde omschakeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Dat is onderwerp van onderhandeling met de initiatiefnemer. Daarbij kan worden gedacht aan een goede landschappelijke inpassing door het groen omzoomen van het perceel c.q. inpassen van (nieuwe) bebouwing met streekeigen groen. Bij de invulling daarvan kan aansluiting worden gezocht bij het Landschapsontwikkelingsplan en de Beleidsnotitie Ruimtelijke kwaliteit kernen. Kwaliteitsverbetering kan ook worden gerealiseerd door de sloop van overtollige bebouwing. De initiatiefnemer dient aan de hand van een bedrijfsplan aan te tonen welk gebruiksvloeroppervlak hij nodig heeft voor de nieuwe functie. De overtollige gebouwen dienen te worden gesloopt. Het uitgangspunt is dat de nieuwe functie wordt gevestigd in de bestaande bebouwing. Uitbreiding van de bebouwing is niet toegestaan. Vervanging van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nieuwe functie is in beginsel wel mogelijk, maar daarbij geldt dat na sloop maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd. Randvoorwaarden samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: slechts opslag van statische goederen is toegestaan, waaronder wordt verstaan: opslag van goederen die naar hun aard weinig verplaatsing behoeven zoals caravans, campers, boten en (klassieke) auto’s; stalling buiten is niet toegestaan; er dient een kwaliteitsverbetering plaats te vinden door een goede ruimtelijke inpassing van de (nieuwe) bebouwing; voor de vestiging van de nieuwe functie wordt een passende maximale oppervlakte gehanteerd, die wordt bepaald aan de hand van een door de initiatiefnemer te overleggen bedrijfsplan en vervolgens wordt vastgelegd in het nieuwe ruimtelijke besluit; overtollige voormalige (agrarische) bebouwing dient te worden gesloopt; vervanging van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de nieuwe functie is mogelijk tot maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte bebouwing; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 5.3.3 Hoogwaardige recreatieve voorzieningen Uit het gemeentelijk recreatiebeleid blijkt dat behoefte is aan nieuwe hoogwaardige recreatieve voorzieningen. Daarbij kan worden gedacht aan wellness- en relax-voorzieningen, maar bijvoorbeeld ook aan dagrecreatieve activiteiten voor groepen of routeondersteunende voorzieningen. De kwaliteit en het onderscheidend vermogen van de aangeboden voorzieningen is afhankelijk van initiatieven van en de uitvoering door ondernemers. Het is echter wel gewenst ten aanzien van dergelijke initiatieven een belangenafweging te kunnen maken. Daarbij zal moeten worden gekeken naar de gebruikelijke randvoorwaarden als geformuleerd in hoofdstuk 2 en 3, behoud van het goed woon- en leefklimaat en een eventuele inbreuk op de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Het is gewenst dat bij de beoogde omschakeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Dat is onderwerp van onderhandeling met de initiatiefnemer. Daarbij kan worden gedacht aan een goede landschappelijke inpassing door het groen omzoomen van het perceel c.q. inpassen van (nieuwe) bebouwing met streekeigen groen. Bij de invulling daarvan kan aansluiting worden gezocht bij het Landschapsontwikkelingsplan en de Beleidsnotitie Ruimtelijke kwaliteit kernen. Kwaliteitsverbetering kan ook worden gerealiseerd door de sloop van overtollige bebouwing. De initiatiefnemer dient aan de hand van een bedrijfsplan aan te tonen welk gebruiksvloeroppervlak hij nodig heeft voor de nieuwe functie. De overtollige gebouwen dienen te worden gesloopt. Het uitgangspunt is dat de nieuwe functie wordt gevestigd in de bestaande bebouwing. Uitbreiding van de bebouwing is niet toegestaan. Vervanging van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nieuwe functie is in beginsel wel mogelijk, maar daarbij geldt dat na sloop maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd. Voorts geldt dat geen woningen aan de woningvoorraad mogen worden onttrokken ten behoeve van recreatieve voorzieningen. Randvoorwaarden samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: er dient een kwaliteitsverbetering plaats te vinden door een goede ruimtelijke inpassing van de (nieuwe) bebouwing; voor de vestiging van de nieuwe functie wordt een passende maximale oppervlakte gehanteerd, die wordt bepaald aan de hand van een door de initiatiefnemer te overleggen bedrijfsplan en vervolgens wordt vastgelegd in het nieuwe ruimtelijke besluit; overtollige voormalige (agrarische) bebouwing dient te worden gesloopt; vervanging van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de nieuwe functie is mogelijk tot maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte bebouwing; er mogen geen woningen aan de woningvoorraad worden onttrokken ten behoeve van recreatieve voorzieningen; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 5.3.4 Groepsaccommodaties Groepsaccommodaties zijn geschikt voor het nachtverblijf van groepen met een beperkt budget, zoals bijvoorbeeld sportclubs, (jeugd)verenigingen en scholen. Dergelijke groepen hebben vaak behoefte aan grotere, gezamenlijke slaapvertrekken, een grote ruimte om gezamenlijk te kunnen eten of om activiteiten te organiseren bij slecht weer en eigen sanitaire en kookvoorzieningen, waarin groepsaccommodaties voorzien. Leegstaande agrarische gebouwen kunnen daar vaak goed voor worden ingericht. Het is wel gewenst dat bij de beoogde omschakeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Dat is onderwerp van onderhandeling met de initiatiefnemer. Daarbij kan worden gedacht aan een goede landschappelijke inpassing door het groen omzoomen van het perceel c.q. inpassen van (nieuwe) bebouwing met streekeigen groen. Bij de invulling daarvan kan aansluiting worden gezocht bij het Landschapsontwikkelingsplan en de Beleidsnotitie Ruimtelijke kwaliteit kernen. Kwaliteitsverbetering kan ook worden gerealiseerd door de sloop van overtollige bebouwing. De initiatiefnemer dient aan de hand van een bedrijfsplan aan te tonen welk gebruiksvloeroppervlak hij nodig heeft voor de nieuwe functie. De overtollige gebouwen dienen te worden gesloopt. Het uitgangspunt is dat de nieuwe functie wordt gevestigd in de bestaande bebouwing. Uitbreiding van de bebouwing is niet toegestaan. Vervanging van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nieuwe functie is in beginsel wel mogelijk, maar daarbij geldt dat na sloop maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd. Voorts geldt dat geen woningen aan de woningvoorraad mogen worden onttrokken ten behoeve van recreatieve voorzieningen. Randvoorwaarden samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: er dient een kwaliteitsverbetering plaats te vinden door een goede ruimtelijke inpassing van de (nieuwe) bebouwing; voor de vestiging van de nieuwe functie wordt een passende maximale oppervlakte gehanteerd, die wordt bepaald aan de hand van een door de initiatiefnemer te overleggen bedrijfsplan en vervolgens wordt vastgelegd in het nieuwe ruimtelijke besluit; overtollige voormalige (agrarische) bebouwing dient te worden gesloopt; vervanging van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de nieuwe functie is mogelijk tot maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte bebouwing; er mogen geen woningen aan de woningvoorraad worden onttrokken ten behoeve van recreatieve voorzieningen; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 5.3.5 Overige recreatieve activiteiten Ook andere initiatieven op het gebied van logiesverstrekking en dagrecreatie als bed & breakfast c.q. boerderijkamers, complementaire daghoreca, toonzalen, expositieruimten, ateliers, praktijkruimten en educatie, al dan niet in combinatie met elkaar komen regelmatig voor. In beginsel kan daar medewerking aan worden verleend. De kwaliteit en het onderscheidend vermogen van de aangeboden voorzieningen is afhankelijk van initiatieven van en de uitvoering door ondernemers. Het is echter wel gewenst ten aanzien van dergelijke initiatieven een belangenafweging te kunnen maken. Daarbij zal moeten worden gekeken naar de gebruikelijke randvoorwaarden als geformuleerd in hoofdstuk 2 en 3, behoud van het goed woon- en leefklimaat en een eventuele inbreuk op de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. In verband met de beoogde clustering van horeca, is het niet gewenst dat buiten de daarvoor beoogde gebieden, waarop in hoofdstuk 8 nader zal worden ingegaan, volwaardige horecavestigingen ontstaan. Daarom wordt complementaire daghoreca toegestaan, waaronder wordt verstaan: ‘een aan de hoofdfunctie ondergeschikt horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag verstrekken van dranken en etenswaren’. Ook ten aanzien van het bijbehorende terras kan het wenselijk zijn aanvullende voorwaarden te stellen, bijvoorbeeld om een toename van het verhard oppervlak te voorkomen. De ondergeschiktheid zal in het betreffende ruimtelijke besluit moeten worden vastgelegd, bijvoorbeeld op de verbeelding van het bestemmingsplan c.q. het projectbesluit of het opnemen van een maximale oppervlakte in het besluit. Het is voorts gewenst dat bij de beoogde omschakeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Dat is onderwerp van onderhandeling met de initiatiefnemer. Daarbij kan worden gedacht aan een goede landschappelijke inpassing door het groen omzoomen van het perceel c.q. inpassen van (nieuwe) bebouwing met streekeigen groen. Bij de invulling daarvan kan aansluiting worden gezocht bij het Landschapsontwikkelingsplan en de Beleidsnotitie Ruimtelijke kwaliteit kernen. Kwaliteitsverbetering kan ook worden gerealiseerd door de sloop van overtollige bebouwing. De initiatiefnemer dient aan de hand van een bedrijfsplan aan te tonen welk gebruiksvloeroppervlak hij nodig heeft voor de nieuwe functie. De overtollige gebouwen dienen te worden gesloopt. Het uitgangspunt is dat de nieuwe functie wordt gevestigd in de bestaande bebouwing. Uitbreiding van de bebouwing is niet toegestaan. Vervanging van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nieuwe functie is in beginsel wel mogelijk, maar daarbij geldt dat na sloop maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd. Voorts geldt dat geen woningen aan de woningvoorraad mogen worden onttrokken ten behoeve van recreatieve voorzieningen. Randvoorwaarden samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: horeca is slechts toegestaan als complementaire daghoreca; op basis van de navolgende randvoorwaarden (o.a. woon- en leefklimaat) dienen mogelijk nadere voorwaarden te worden gesteld aan de omvang en situering van een terras ten behoeve van de complementaire horeca-activiteiten; er dient een kwaliteitsverbetering plaats te vinden door een goede ruimtelijke inpassing van de (nieuwe) bebouwing; voor de vestiging van de nieuwe functie wordt een passende maximale oppervlakte gehanteerd, die wordt bepaald aan de hand van een door de initiatiefnemer te overleggen bedrijfsplan en vervolgens wordt vastgelegd in het nieuwe ruimtelijke besluit; overtollige voormalige (agrarische) bebouwing dient te worden gesloopt; vervanging van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de nieuwe functie is mogelijk tot maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte bebouwing; er mogen geen woningen aan de woningvoorraad worden onttrokken ten behoeve van recreatieve voorzieningen; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 5.3.6 Zorggerelateerde activiteiten Het aantal zorgboerderijen is landelijk in de afgelopen 10 jaar vervijfvoudigd. Ze voorzien enerzijds in de behoefte om zorgbehoevenden zo veel mogelijk deel uit te laten blijven maken van de samenleving en anderzijds vormt het voor agrarische bedrijven een goede nieuwe mogelijkheid voor een omschakeling. De gronden blijven dan in gebruik voor agrarische activiteiten, maar dat gebruik is veelal minder intensief dan bij een reguliere agrarische bedrijfsvoering. In beginsel kan dan ook medewerking worden verleend aan een dergelijk initiatief. Ook andere maatschappelijke functies bijvoorbeeld ten aanzien van dagopvang c.q. dagbesteding kunnen in aanmerking komen om voormalige agrarische bebouwing in te vullen. Het is gewenst dat bij de beoogde omschakeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Dat is onderwerp van onderhandeling met de initiatiefnemer. Daarbij kan worden gedacht aan een goede landschappelijke inpassing door het groen omzoomen van het perceel c.q. inpassen van (nieuwe) bebouwing met streekeigen groen. Bij de invulling daarvan kan aansluiting worden gezocht bij het Landschapsontwikkelingsplan en de Beleidsnotitie Ruimtelijke kwaliteit kernen. Kwaliteitsverbetering kan ook worden gerealiseerd door de sloop van overtollige bebouwing. De initiatiefnemer dient aan de hand van een bedrijfsplan aan te tonen welk gebruiksvloeroppervlak hij nodig heeft voor de nieuwe functie. De overtollige gebouwen dienen te worden gesloopt. Het uitgangspunt is dat de nieuwe functie wordt gevestigd in de bestaande bebouwing. Uitbreiding van de bebouwing is niet toegestaan. Vervanging van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nieuwe functie is in beginsel wel mogelijk, maar daarbij geldt dat na sloop maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd. Ten tijde van het opstellen van deze notitie loopt een project waarbij medewerking wordt verleend aan het herbouwen van 100% van de oppervlakte van de gesloopte gebouwen. Op basis van de resultaten van dat project zal mogelijk nog een nadere aanvulling c.q. uitwerking van deze paragraaf plaatsvinden. Randvoorwaarden samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: er dient een kwaliteitsverbetering plaats te vinden door een goede ruimtelijke inpassing van de (nieuwe) bebouwing; voor de vestiging van de nieuwe functie wordt een passende maximale oppervlakte gehanteerd, die wordt bepaald aan de hand van een door de initiatiefnemer te overleggen bedrijfsplan en vervolgens wordt vastgelegd in het nieuwe ruimtelijke besluit; overtollige voormalige (agrarische) bebouwing dient te worden gesloopt; vervanging van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de nieuwe functie is mogelijk tot maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte bebouwing; mogelijk geven de resultaten van het hiervoor bedoelde lopende project aanleiding tot een aanvulling c.q. nadere uitwerking van de randvoorwaarden met betrekking tot vervangende nieuwbouw; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 5.3.7 WonenBij beëindiging van een agrarisch bedrijf in een kern kan eveneens omzetting naar een woonbestemming worden overwogen, waarbij behalve de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning eventueel ook extra woningen kunnen worden gerealiseerd in de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, mits die gebouwen, eventueel na verbouwing, daarvoor geschikt zijn. Dat betekent dat de gebouw gezien hun uiterlijke verschijningsvorm (denk aan onder meer ontwerp en gevelindeling) geschikt moet zijn voor bewoning en wordt voldaan aan de geldende bouwregelgeving waaronder het Bouwbesluit. In geval van karakteristieke bebouwing kan daarmee een impuls worden gegeven aan het behoud en onderhoud van die bebouwing. Met name in geval van karakteristieke bebouwing dient deze notitie te worden bezien in samenhang met de Beleidsnotitie Ruimtelijke kwaliteit kernen. Belangrijk daarbij is dat een goede bijgebouwenregeling wordt opgenomen, die voorkomt dat na de realisatie van nieuwe woningen in karakteristieke gebouwen, worden voorzien van aan- en uitbouwen, en/of aangebouwde bijgebouwen die afbreuk doen aan het aanzien van het pand. Voor wat betreft het beleid ten aanzien van bijgebouwen wordt verwezen naar paragraaf . Mocht de aanwezige bebouwing niet geschikt zijn voor de realisatie van nieuwe woningen, dan zou de oprichting van nieuwe woningen kunnen worden toegestaan na de sloop van (een deel van) de bestaande bedrijfsbebouwing. Om daarvoor in aanmerking te komen dient een voorstel voor de verkaveling en inrichting van het perceel te worden aangeleverd dat past binnen de kaders die voor de betreffende kern zijn opgenomen in de Beleidsnotitie Ruimtelijke kwaliteit kernen. Een ander punt van aandacht is het geldende woningbouwbeleid. Diverse kernen binnen de gemeente mogen slechts bouwen voor eigen behoefte, andere hebben meer ruimte voor uitbreiding van het aantal woningen. Een eventuele toevoeging van woningen dient te passen in het geldende woningbouwbeleid. Randvoorwaarden samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: het realiseren van extra woningen in de bestaande bebouwing is toegestaan, mits die bebouwing daarvoor, eventueel na verbouwing, geschikt is voor wat betreft uiterlijke verschijningsvorm (o.a. ontwerp en gevelindeling) en wordt voldaan aan de geldende bouwregelgeving (o.a. Bouwbesluit); er wordt voldaan aan het bepaalde in hoofdstuk 11 van deze beleidsnotitie; indien de bestaande bebouwing daarvoor niet geschikt is, wordt sloop van voormalige bedrijfsgebouwen als voorwaarde gesteld, waarbij een gedeelte mag blijven staan conform het gemeentelijk beleid ten aanzien van bijgebouwen; de toevoeging van extra woningen dient te passen het geldende woningbouwbeleid; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 5.4 Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven Behalve een volledige omschakeling van de bedrijfsvoering, zoeken agrarische bedrijven vaak ook naar mogelijkheden om hun bedrijf uit te breiden met andere activiteiten. Aan de activiteiten als genoemd in paragraaf 5.2 kan in beginsel ook medewerking worden verleend als nevenactiviteit. In dat geval moet er wel een goede balans zijn tussen de agrarische bedrijfsvoering en de overige nevenactiviteiten. Het agrarisch bedrijf is te allen tijde de hoofdactiviteit, de nevenactiviteiten zijn daaraan ondergeschikt. Een woonfunctie is niet geschikt als nevenactiviteit, aangezien geen sprake kan zijn van ondergeschiktheid. Wonen wordt dus – met uitzondering van agrarische bedrijfswoningen – uitgesloten als nevenactiviteit. Om de ‘ondergeschiktheid’ te kunnen waarborgen wordt veelal gewerkt met oppervlaktecriteria, aangezien dat objectief en eenvoudig is en goed aansluit bij de ruimtelijke afweging. Andere methodes, zoals arbeidsproduktiviteit, financiële opbrengst of milieuhinder komen ook voor, maar zijn in de praktijk lastiger te toetsen en te handhaven. De voorkeur gaat er naar uit zo mogelijk te werken met percentages gerelateerd aan de gebruiksoppervlakte van de bestaande bedrijfsbebouwing, eventueel tot een bovenmaat van een bepaald aan vierkante meters, ongeacht het percentage. Waar mogelijk en gewenst is daarbij aansluiting gezocht bij de regeling in het anno 2011 eveneens in ontwikkeling zijnde bestemmingsplan Buitengebied. De betreffende activiteiten zijn mogelijk na afwijking van de gebruiksregels van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning. Bij de redactie van de betreffende afwijkingsbevoegdheden dienen onderstaande randvoorwaarden te worden verwerkt: Randvoorwaarden de functie(s) worden ondergebracht in de bestaande bedrijfbebouwing, dan wel in nieuwe bebouwing die past binnen de mogelijkheden die het geldende bestemmingsplan rechtens biedt; de ondergeschiktheid van de betreffende functies(s) dient te worden geborgd door het opnemen van (kwantitatieve) voorwaarden (zie onderstaande tabel); er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Activiteit Borging ondergeschiktheid Lichte bedrijvigheid max 35% van de bestaande bebouwing Statische opslag max 35% van de bestaande bebouwing Hoogwaardige recreatieve voorzieningen max 35% van de bestaande bebouwing Groepsaccommodaties max 35% van de bestaande bebouwing, tot een absoluut maximum van 30 slaapplaatsen Overige recreatieve voorzieningen: Complementaire daghoreca (incl terras) max 35% van de bestaande bebouwing, tot een absoluut maximum van 100 m2 Logiesverstrekking / bed & breakfast max 35% van de bestaande bebouwing, tot een absoluut maximum van maximaal 10 slaapplaatsen Toonzalen, expositieruimten, ateliers, praktijkruimten max 35% van de bestaande bebouwing, tot een absoluut maximum van 150 m2 Boerderijkamers max 35% van de bestaande bebouwing, tot een absoluut maximum van 15 slaapplaatsen 5.5 Rietlandbeheer Het rietlandbeheer in Steenwijkerland is er enerzijds op gericht op het product riet te telen. Anderzijds is het rietlandbeheer met name een vorm van natuurbeheer gericht op diverse natuurdoelen. Van oudsher wordt rietlandbeheer ook vaak gecombineerd met andere bedrijfsactiviteiten visserij, schapenhouderij en tegenwoordig ook agrarisch natuurbeheer. In de Wieden- en Weeribben bestaat behoefte aan het bouwen van rietloodsen t.b.v. rietopslag en rietverwerking. In die loodsen kan het riet droog worden opgeslagen en worden verwerkt. Hierdoor kan er het jaar rond kwalitatief goed riet worden geleverd en zijn de arbeidsomstandigheden afgestemd op de eisen van deze tijd. Rietloodsen worden door riettelers gewenst in de Wieden en Weerribben. Niet alleen voor de opslag van het riet, maar ook voor de verwerking en het opslaan van machines. Daarnaast kan in de toekomst het restproduct van het riet worden verwerkt tot nieuwe producten of energie. Hiervoor kan ook ruimte nodig zijn. De Wieden en Weerribben hebben een hoge landschappelijke – en natuurwaarde. Er is dus aandacht nodig voor een goede landschappelijk inpassing en de aanwezige natuurlijke waarden. Riettelers komen in aanmerking voor een eigen loods indien ze via een bedrijfsplan kunnen aantonen dat ze een volwaardig bedrijf exploiteren De oppervlakte en inhoud van die loods zal moeten worden afgestemd op de behoefte die in het bedrijfsplan is weergegeven. Indien het geen volwaardig rietteeltbedrijf betreft, maar het bedrijf door een combinatie van rietteelt met een andere agrarische of daaraan verwante activiteit zoals visserij of agrarisch natuurbeheer toch als volwaardig kan worden aangemerkt dient dat eveneens door middel van een bedrijfsplan te worden aangetoond. Niet-volwaardige riettelers kunnen toch in aanmerking komen voor een loods, mits zij zich verenigen. In dat geval dienen de participerende riettelers gezamenlijk een bedrijfsplan voor de nieuwe loods op te stellen. De meest geschikte locatie voor een dergelijke loods zal goed moeten worden gezocht en afgewogen. Randvoorwaarden Samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: volwaardige riettelers komen in aanmerking voor de bouw van een eigen loods, waarbij wordt opgemerkt dat via een bedrijfsplan wordt beschreven of sprake is van een volwaardig bedrijf; indien een rietteeltbedrijf door een combinatie van rietteelt met andere agrarische of agrarisch verwante activiteiten blijkens een bedrijfsplan volwaardig is, komt men ook in aanmerking voor een eigen loods; de toegestane oppervlakte c.q. inhoud van de loodsen wordt gerelateerd aan de in het bedrijfsplan aangegeven benodigde ruimte; een rietloods moet, wanneer hij in een kern gebouwd wordt, qua grootte en uitvoering passen binnen de structuur en de eigenheid van de kern waarbinnen deze loods gebouwd gaat worden; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf 9.3; 6. Archeologie en cultuurhistorie 6.1 Inleiding De gemeente Steenwijk beschikt over een rijke (cultuur)historie. Zowel boven als onder de grond zijn sporen uit het verleden te vinden. Denks daarbij aan archeologische vondsten, monumentale panden en beschermde stads- en dorpsgezichten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op archeologische randvoorwaarden bij ruimtelijke plannen, de ruimtelijke mogelijkheden om te sturen in cultuurhistorisch waardevolle gebieden en de bestemming van monumenten. 6.2 Verankeren archeologisch beleid In de uitgangspuntennotitie die voorafgaand aan deze notitie is opgesteld, is geconcludeerd dat het bestaande gemeentelijke archeologiebeleid als vastgelegd in het beleidsdocument ‘Archeologische verwachtingen- en beleidskaart voor het grondgebied van Steenwijkerland – een aanzet tot het ontwikkelen van ruimtelijk archeologiebeleid’ nog voldoende actueel is en kan worden gebruikt als toetsingskader bij nieuwe ontwikkelingen en bovendien al voorziet in standaardregels die in nieuwe bestemmingsplannen kunnen worden opgenomen. Deze standaardregels dienen wel nog te worden aangepast naar aanleiding van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (SVBP2008). Randvoorwaarden Op basis van het wettelijk kader en het gemeentelijk beleid kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: De in het gemeentelijk beleidsdocument onderscheiden verwachtingswaarden in bestemmingsplannen opnemen als dubbelbestemming en daaraan – na aanpassing op basis van het SVBP2008 – de bijbehorende voorbeeldregels koppelen; Bij nieuwe ontwikkelingen dient aan het beleidsdocument zelf te worden getoetst. 6.3 Beeldkwaliteit Ondanks de bescherming van monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten staat de beeldkwaliteit onder meer in Giethoorn onder druk. Door onder andere verrommeling van onbebouwde gronden en ontsierende bijgebouwen. De rol van een bestemmingsplan bij het tegengaan daarvan is beperkt. Toch zijn er mogelijkheden om op dat punt te kunnen sturen door onderstaande onderwerpen te regelen in het bestemmingsplan: Randvoorwaarden een goede bijgebouwenregeling, waarbij ook kritisch wordt gekeken naar de gewenste situering daarvan ter bescherming van belangrijke zichtlijnen; een aantrekkelijke saneringsregeling om het aantal overtollige bijgebouwen, die vaak in slechte staat van onderhoud verkeren, terug te brengen; de resultaten van de inventarisatie van beeldbepalende bomen en eventueel hagen opnemen in het bestemmingsplan en de betreffende bomen en hagen beschermen tegen kap en ingrijpende snoeiwerkzaamheden middels een vergunningenstelsel voor werken geen bouwwerk zijnde en voor werkzaamheden (omgevingsvergunning); het aanduiden en beschermen van beeldbepalende groenstructuren; Behalve via het bestemmingsplan kunnen andere sporen worden gebruikt om een verbetering van de beeldkwaliteit te realiseren. Materiaal- en kleurgebruik worden zowel preventief als repressief gereguleerd via het welstandstoezicht en niet via het bestemmingsplan. Eigenaren van bestaande illegale bouwwerken kunnen worden aangeschreven in het kader van handhaving. In excessieve gevallen kan voorts op basis van de APV worden opgetreden tegen in slechte staat verkerende erven. 6.4 Invulling panden Monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten worden vaak ten onrechte geassocieerd met een strak beschermend regime dat geen nieuwe ontwikkelingen toelaat. In uitgangspuntennotitie is echter al geconcludeerd, maar dat functiewijzigingen juist structuurversterkend kunnen werken. Een goede bestemming van monumenten en karakteristieke panden is van groot belang voor het behoud ervan, omdat een verkeerde bestemming kan leiden tot leegstand en vervolgens mogelijk achterstallig onderhoud en verval. Daarmee komt uiteindelijk ook de leefbaarheid onder druk te staan. Vanuit het oogpunt van behoud van de betreffende panden is met name in centra en in de beschermde stads- en dorpsgezichten dan ook een passende, liefst ruime bestemming gewenst zoals, afhankelijk van hun ligging, een bestemming ‘Gemengd’ of ‘Centrum’. Daarmee wordt ook het gewenste behoud c.q. de uitbreiding van de voorzieningen in de kernen gefaciliteerd. Daarbij is afstemming nodig met de aanbevelingen uit de beleidsnotitie ‘Ruimtelijke kwaliteit kernen’. Per kern zal moeten worden bekeken in welk deel daarvan welke bestemmingen gewenst zijn. Een bestemming ‘Centrum’ is immers niet op z’n plaats in een woongebied. Ook dient rekening te worden gehouden met de verschillende sectorale uitgangspunten voor bijvoorbeeld horeca en detailhandel in deze notitie. Randvoorwaarden Waar mogelijk worden monumentale panden en panden in beschermde stads- en dorpsgezichten voorzien van een passende, ruime bestemming, waarbij: rekening wordt gehouden met de aard van het gebied (centrum of woongebied); rekening wordt gehouden met de aard van het pand; rekening wordt gehouden met de bevindingen en aanbevelingen in de notitie ‘Ruimtelijke kwaliteit kernen’; moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse gewaarborgd moet blijven; geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 7. Detailhandel 7.1 Inleiding Naar de detailhandel in Steenwijk is onderzoek gedaan door BRO. De resultaten daarvan zijn samengevat in de uitgangspuntennotitie die voorafgaand aan deze notitie is opgesteld. In dit hoofdstuk komen de randvoorwaarden aan het uitgangspunt van clustering aan de orde. 7.2 Clustering van winkels Bij de inventarisatie van het geldende beleid is gebleken dat voor een aantal kernen al gebieden voor clustering zijn beschreven in bijvoorbeeld toekomstvisies. Voor Steenwijk is dat de historische kern (voornamelijk de Oosterstraat, de Woldpromenade en de Gasthuisstraat en het Steenwijkerdiep, voor Vollenhove zijn dat de Kerkstraat en de Bisschopstraat richting Voorpoort en voor Oldemarkt de Hoofdstraat. Voor de overige kernen wordt verwezen naar de beschrijving van de afzonderlijke kernen in de beleidsnotie ‘Ruimtelijke kwaliteit kernen’ Om de beoogde clustering te realiseren is het gewenst slechts medewerking te verlenen aan nieuwe detailhandelsvestigingen in de hiervoor bedoelde gebieden, met uitzondering voor volumineuze detailhandel, waarop hetgeen hiervoor is geschreven in paragraaf 4.7 van toepassing is. Voormalige detailhandelslocaties die niet meer als zodanig in gebruik zijn dienen te worden voorzien van een andere passende bestemming. Randvoorwaarden detailhandel dient in beginsel te worden geconcentreerd in de hiervoor beschreven gebieden, met uitzondering van volumineuze detailhandel (zie hoofdstuk 4); voormalige detailhandelslocaties die niet meer voor die functie in gebruik zijn, worden voorzien van een andere passende bestemming; er moet worden voldaan aan de milieuhygiënische randvoorwaarden als genoemd in hoofdstuk 2; er moet worden voldaan aan de ecologische randvoorwaarden als genoemd hoofdstuk 3; er moet worden voldaan aan hetgeen ten aanzien van het aspect parkeren is bepaald in paragraaf ; het goed woon- en leefklimaat ter plaatse moet gewaarborgd blijven; er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 8. Horeca 8.1 Inleiding Zoals blijkt uit de opgestelde uitgangspuntennotitie beschikt de gemeente Steenwijkerland niet over een (actueel) horecabeleid. In 2001 is vooruitlopend op een aanstaande herziening van het bestemmingsplan voor het centrum van Steenwijk wel een beleidsnotitie opgesteld, maar die herziening heeft vooralsnog niet plaatsgevonden. Bovendien is de notitie bijna 10 jaar oud. De uitgangspunten als opgenomen in de tekstkaders zijn inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van de uitgangspuntennotitie, maar in verband met de verdeling in paragraaf 8.2 en 8.3 heeft wel een aanpassing van de teksten in de kaders plaatsgevonden. 8.2 Categorisering horeca Onder horeca valt zowel de snackbar op de hoek als een hotel, maar ook een grote discotheek is een vorm van horeca. Een categorisering van verschillende horecazaken is gewenst aangezien voornoemde zaken natuurlijk behoorlijk verschillen in onder meer ruimtelijke uitstraling en ruimtebeslag. Door een categorisering aan te brengen en deze ook te hanteren in onder andere bestemmingsplannen, kan daarop ook sturing plaatsvinden. In deel 1 van deze notitie zijn de volgende categorieën geïntroduceerd: Categorie 1 Hieronder vallen horecabedrijven die voor wat betreft exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen en waar naast overwegend niet ter plaatse bereide kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije drank worden verstrekt. Veelal zullen deze zaken voor wat betreft openingstijden ook aansluiten bij de winkelvoorzieningen. Categorie 2 Hierbij gaat het om zaken die geheel of in overwegende mate zijn gericht op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen te worden genuttigd, waaronder worden begrepen: cafetaria, snackbars, fastfood- en broodjeszaken, lunchrooms, ijssalons, koffie en/of theeschenkerijen, afhaalcentra en restaurants. Categorie 3 Hieronder vallen zaken die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, eventueel in combinatie met het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen te worden genuttigd. Dat kan worden gecombineerd met het bieden van gelegenheid tot dansen. Daaronder worden begrepen: cafés, bars, grand-cafés, eetcafés, danscafés en pubs. Categorie 4 Zaken van deze categorie zijn geheel of in overwegende mate gericht op het verstrekken van nachtverblijf, waaronder wordt begrepen hotels, motels, pensions en overige logiesverstrekkers. Dat kan worden gecombineerd met bijvoorbeeld congreszalen en een restaurant. Categorie 5 Onder deze categorie vallen zaken die geheel of in overwegende mate zijn gericht op het bieden van vermaak en ontspanning (niet zijnde een recreatieve voorziening) en/of het geven van gelegenheid tot dansen, al dan niet met livemuziek. Daaronder worden begrepen: discotheken, dancings, nachtcafés en zalencentra. Randvoorwaarden Deze categorieën worden toegepast bij de aanstaande bestemmingsplanactualisatie en bij de bestemming van nieuwe horecagelegenheden. Deze categorieën kunnen als aanduiding worden opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan, binnen de bestemming ‘Horeca. Afhankelijk van de locatie (zie paragraaf 8.3) kan worden gekozen voor het toestaan van één bepaalde categorie of het toestaan van horeca tot en met een bepaalde categorie. 8.3 Clustering van horeca Clustering Er wordt gestreefd naar een clustering van horeca. In de verschillende toekomstvisies zijn de daarvoor beoogde gebieden daarvoor al benoemd, maar een en ander dient nog verder te worden geconcretiseerd in een structuurvisie. Door clustering wordt een aantrekkelijker voorzieningenaanbod in de centra gecreëerd, waardoor dat centrum aantrekkelijk(er) wordt en blijft voor zowel inwoners als bezoekers. Wijkgerichte voorzieningen Bestaande horecazaken buiten de gebieden die in aanmerking komen voor clustering dienen positief te worden (her)bestemd. Daarbij kan een beperkte uitbreidingsmogelijkheid worden geboden. Daardoor is een voortzetting van het bedrijf op termijn gewaarborgd, maar zal bij grotere uitbreidingswensen een verplaatsing naar het cluster moeten worden overwogen. In een grotere kern als Steenwijk zal een volledige clustering niet gewenst zijn. Bepaalde horecazaken zijn namelijk op korte afstand van woonwijken gewenst. Denk daarbij voornamelijk aan een snackbar of de buurtkroeg. Vaak zal een dergelijke voorziening al aanwezig zijn en zal daarvoor dus een positieve bestemming moeten worden opgenomen. Mocht die behoefte verdwijnen, dan zal op termijn die horecazaak ook verdwijnen, waarna een ander invulling van het betreffende pand kan overwogen. Mochten er initiatieven ontstaan voor de vestiging van nieuwe horecazaken buiten het beoogde cluster in Steenwijk, in of nabij woonwijken, dan zal moeten worden bekeken of die horecazaak gezien de aard en omvang ervan past in een dergelijk gebied. Voor de overige kernen geldt dat de huidige horecazaken buiten de betreffende clusters positief worden bestemd, maar dat buiten de clusters geen nieuwe mogelijkheden voor horeca worden geboden, met uitzondering van hotels ( zie paragraaf 10.1) Clustering blijft het uitgangspunt, afwijking daarvan moet gemotiveerd worden. Horeca categorie 5 Onder categorie 5 worden de ‘zwaarste’ horecagelegenheden geschaard, namelijk de discotheken, dancings, nachtcafés en zalencentra. Gezien de aard en omvang daarvan, zullen dergelijke zaken veelal niet passen in dorpscentra of in het centrum van relatief kleine steden als Steenwijk. In beginsel is ho

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.