← Nederland

Beleidsregels Inzoomen op de Wwb Spijkenisse (versie 13 van 01-01-2013) (Spijkenisse)

In het kort

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Spijkenisse de Wet werk en bijstand (Wwb) uitvoert, met specifieke regels voor re-integratie, inkomensondersteuning en minimabeleid. Ze regelen hoe mensen aan het werk geholpen worden en hoe bijstandsuitkeringen worden toegekend en beheerd.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Inhoudsopgave 1 Beleidsregels re-integratie Paragraaf 1.1 Doelgroepen Artikel 1.1.1 Voorrang op voorzieningen Artikel 1.1.2 Daklozen Artikel 1.1.3 Zoektermijn personen tot 27 jaar Artikel 1.1.4 Scholingsplicht jongeren tot 27 jaar Artikel 1.1.5 Persoonsgebonden Re-integratiebudget (PRB) Paragraaf 1.2 Verplichtingen Artikel 1.2.1 Ontheffing van de arbeidsplicht Artikel 1.2.2 Plicht tot tegenprestatie Paragraaf 1.3 Premies en subsidies Artikel 1.3.1 Loonkostensubsidie en scholingsbudget Artikel 1.3.2 Toepassing inkomstenvrijlating Artikel 1.3.3 Eenmalige toekenning inkomstenvrijlating Artikel 1.3.4 Vrijlating inkomsten alleenstaande ouder 2 Beleidsregels inkomen Paragraaf 2.1 Wijziging van norm of toeslag Artikel 2.1.1 Kamerhuurder Artikel 2.1.2 Co-ouderschap Artikel 2.1.3 Bijstand aan kinderen van minderjarigen Paragraaf 2.2 Vorm van bijstand Artikel 2.2.1 Algemene leenbijstand Artikel 2.2.2 Zekerstelling Artikel 2.2.3 Bijstand in natura Paragraaf 2.3 Middelen Artikel 2.3.1 Schadevergoeding en giften Artikel 2.3.2 Heffingskortingen 3 Beleidsregels minimabeleid Paragraaf 3.1 Bijzondere bijstand algemeen Artikel 3.1.1 Draagkracht Artikel 3.1.2 Drempelbedrag Artikel 3.1.3 Leenbijstand (artikel 48 Wwb) Artikel 3.1.4 Aflossingshoogte en -duur bij leenbijstand Artikel 3.1.5 Aanvraagdatum Paragraaf 3.2 Bijzondere bijstand kostensoorten Artikel 3.2.1 Woonkostentoeslag bij huurkosten Artikel 3.2.2 Woonkostentoeslag bij eigen woning Artikel 3.2.3 Bijzondere woonkosten Artikel 3.2.4 Kleding en kledingslijtage Artikel 3.2.5 Bijzondere bijstand voor schulden Artikel 3.2.6 Bijzondere bijstand budgetbeheer en beschermingsbewind Artikel 3.2.7 Bijzondere bijstand in verband met arbeidsinschakeling Artikel 3.2.8 Studiekosten Artikel 3.2.9 Aanslag inkomstenbelasting Artikel 3.2.10 Huisraad/woninginrichting/duurzame gebruiksgoederen Artikel 3.2.11 Verhuiskosten Artikel 3.2.12 Kosten voor verzorging of verpleging Artikel 3.2.13 Voorkoming opname AWBZ-instelling Artikel 3.2.14 Bijzondere reiskosten Artikel 3.2.15 Ouderbijdrage Artikel 3.2.16 Dieetkosten Artikel 3.2.17 Uitgesloten kostensoorten Artikel 3.2.18 Zelfstandig wonende jong-meerderjarigen Artikel 3.2.19 Taxatiekosten eigen woning Paragraaf 3.3 Categoriale bijzondere bijstand Artikel 3.3.1 Standaardbijdrage 65 plus Artikel 3.3.2: Categoriale bijstand Collectieve Ziektekostenverzekering 4 Beleidsregels handhaving Paragraaf 4.1 Terugvordering Artikel 4.1.1 Gebruikmaking van de terugvorderingsbevoegdheid Artikel 4.1.2 Invordering Artikel 4.1.3 Rente en kosten Artikel 4.1.4 Brutering van de vordering Paragraaf 4.2 Verhaal Artikel 4.2.1 Gebruikmaking van de verhaalsbevoegdheid Artikel 4.2.2 Afzien van verhaal Artikel 4.2.3 Verhaal inzake onderhoudsplicht Artikel 4.2.4 Financieel onderzoek Artikel 4.2.5 Invordering Paragraaf 4.3 Boeten Artikel 4.3.1 Bestuurlijke boete 5 Overige onderwerpen Artikel 5.1.1 Aanpassing bedragen Het college besluit per 1 januari 2013: in te stemmen met de beleidsregels Inzoomen op de Wwb Spijkenisse (versie 13); de beleidsregels Inzoomen op de Wwb (versie 12) in te trekken. 1 Beleidsregels re-integratie Paragraaf 1.1 Doelgroepen Artikel 1.1.1 Voorrang op voorzieningen Binnen de doelgroep zoals omschreven in artikel 3 van de Participatieverordening, worden in het kader van de Wwb met voorrang aan de volgende specifieke groepen voorzieningen geboden: jongeren tot 27 jaar; Wwb’ers die korter dan één jaar werkloos zijn. Artikel 1.1.2 Daklozen

  1. Op grond van artikel 40, tweede lid van de wet, verleent het college toestemming voor de inschrijving op het centraal postadres van de gemeente, indien de belanghebbende: aannemelijk maakt geen woning en geen structureel onderdak te hebben (adresloos); en (mogelijk) recht heeft op een Wwb uitkering.
  2. Het college weigert of beëindigt de toestemming van de inschrijving op het centraal postadres van de gemeente, indien; de belanghebbende een verblijfplaats heeft als zijnde een woning, auto, boot of caravan op een vaste plaats, waar de persoon naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten; of de belanghebbende een plaats heeft, bijvoorbeeld bij vrienden of in een opvanginstelling, waar de persoon naar verwachting gedurende drie maanden ten minste tweederde van de tijd kan overnachten; of sprake is van een adres waar de persoon zijn post kan worden bezorgd, bijvoorbeeld bij familie of vrienden en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, de belanghebbende bereiken; of blijkt uit gegevens van de gemeentelijke basisadministratie of anderszins, dat de belanghebbende een (brief)adres heeft; of de aanvraag om algemene bijstand is afgewezen; of het recht op algemene bijstand is ingetrokken of beëindigd.
  3. In verband met de inschrijving op het centraal postadres van de gemeente als bedoeld in het eerste lid, is de belanghebbende op grond van artikel 17 van de wet verplicht: desgevraagd aannemelijk te maken dat hij adresloos is, waarvoor minimaal eens per maand schriftelijk conform het door het college gehanteerde daklozenformulier, wordt medegedeeld in welke straten/plaatsen de belanghebbende in de nachten van de voorgaande maand heeft verbleven; en een keer per week het postvak te legen.
  4. Het college kan op grond van artikel 55 van de wet, de belanghebbende als bedoeld in het eerste lid, verplichten om: te verblijven in een opvangvoorziening voor daklozen, dit in situaties waarbij de belanghebbende op grond van artikel 9 van de wet, deelneemt aan een re-integratievoorziening; actief mee te werken aan een hersteltraject; actief te zoeken naar woonruimte.
  5. De verplichting als bedoeld in het vijfde lid onder a, legt het college niet op indien en voor zolang het college geen zorg kan dragen voor een plaats bij een opvangvoorziening. Artikel 1.1.3 Zoektermijn personen tot 27 jaar
  6. De persoon tot 27 jaar als bedoeld in artikel 7, derde lid onder b van de wet, dient een aanvraag voor algemene bijstand in, zo spoedig mogelijk na afloop van de zoektermijn als bedoeld in artikel 41, vierde lid van de wet, doch uiterlijk binnen twee weken na afloop van deze zoektermijn.
  7. In aanvulling op het eerste lid, neemt het college aanvragen die later worden ingediend dan twee weken na afloop van de zoektermijn als bedoeld in artikel 41, vierde lid van de wet, niet in ontvangst. Indien belanghebbende als bedoeld in het eerste lid, toch aanspraak wenst te maken op algemene bijstand, gaat een nieuwe zoektermijn van vier weken in.
  8. Het college kan besluiten de aanvraag van de jongere als bedoeld in artikel 41, vierde lid van de wet, niet in behandeling te nemen, indien deze aanvraag voor het verstrijken van de zoektermijn is ingediend. Een aanvraag die wel is ingediend, wordt in beginsel door het college buiten behandeling gelaten omdat er onvoldoende gegevens aanwezig zijn om het recht op bijstand vast te kunnen stellen.
  9. Het college neemt de aanvraag voor algemene bijstand van het gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder c van de wet, niet in behandeling, indien het meerderjarige kind tot 27 jaar dat behoort tot dit gezin, na afloop van de vier weken zoektermijn, geen of onvoldoende inlichtingen verstrekt, die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand voor het gezin.
  10. Indien het meerderjarig kind tot 27 jaar dat behoort tot het gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder c van de Wwb, niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen die samenhangen met de vier weken zoektermijn, zal het college een maatregel overwegen op grond van de Verordening Handhaving- en maatregelen Wwb. Artikel 1.1.4 Scholingsplicht jongeren tot 27 jaar
  11. Het college legt jongeren tot 27 jaar de verplichting op om zich maximaal in te spannen om een beroepskwalificatie te bemachtigen. Indien deze verplichting niet wordt nagekomen zal dit uitsluiting van de Wwb en de re-integratievoorzieningen van de gemeente tot gevolg hebben op basis van art. 7 lid 3 a en art. 13 lid 2 Wwb.
  12. Een jongere tot 27 jaar kan voor de duur van maximaal 12 maanden ontheven worden van de verplichting zoals genoemd in lid 1 als er sprake is van een dagbehandeling welke conflicterend werkt met de mogelijkheid tot het volgen van regulier onderwijs. Artikel 1.1.5 Persoonsgebonden Re-integratiebudget (PRB)
  13. Het PRB-traject als bedoeld in artikel 24 tweede lid van de Participatieverordening, heeft als doel het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid en duurt maximaal 18 maanden.
  14. Om een PRB-traject toegekend te krijgen, moet belanghebbende naar het oordeel van het college voldoen aan de onderstaande eisen/competenties: gemotiveerd zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid; over sociale vaardigheden van een redelijk niveau bezitten.
  15. Het college kan bij de toekenning van het PRB, beperkingen verbinden ten aanzien van de inzet van bepaalde modules (voorzieningen) binnen dat individuele traject.
  16. De gemeente Spijkenisse stelt binnen 6 weken na toekenning van het PRB een trajectplan op. Belanghebbende mag ook zelf of in samenwerking met het re-integratiebureau / de werkgever een trajectplan maken. Hiertoe dient gebruik te worden gemaakt van het door het college ontwikkelde format. Het trajectplan dient binnen zes weken na toekenning van het PRB door het college te zijn ontvangen. De maximale trajectduur gaat in vanaf het moment dat het trajectplan door het college is goedgekeurd.
  17. Betaling vindt rechtstreeks plaats aan de uitvoerder van het traject, conform de betalingsvoorwaarden van de gemeente Spijkenisse. Dit na ontvangst van de factuur.
  18. Geen gebruik kan worden gemaakt van het PRB indien: en voor zolang belanghebbende een (ander) traject volgt in het kader van re-integratie; belanghebbende minder dan twaalf maanden geleden een PRB heeft beëindigd. Paragraaf 1.2 Verplichtingen Artikel 1.2.1 Ontheffing van de arbeidsplicht
  19. In geval van ontheffing van de arbeidsplicht voor de alleenstaande ouder, in de zin van artikel 9a van de wet, vult het college de voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid sub b van de wet in met scholing of opleiding, tenzij dit de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaan. Dit is het geval wanneer: de intellectuele vermogens van de alleenstaande ouder onvoldoende zijn; uit een periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag blijkt dat de alleenstaande ouder niet in staat is scholing of opleiding met een startkwalificatie af te ronden.
  20. De ontheffing die op grond van artikel 9a is verleend, wordt door het college opgeschort wanneer uit houding of gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 eerste lid sub b van de wet, niet nakomt. Artikel 1.2.2 Plicht tot tegenprestatie Het college maakt geen gebruik van de mogelijkheid om op grond van artikel 9, eerste lid onder c van de Wwb, de belanghebbende te verplichten om onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden naar vermogen te verrichten, waarbij deze werkzaamheden naast de re-integratie- en arbeidsverplichting bestaan en geen onderdeel uitmaken van een re-integratietraject. Paragraaf 1.3 Premies en subsidies Artikel 1.3.1 Loonkostensubsidie en scholingsbudget
  21. Op grond van artikel 26, tweede en derde lid van de Participatieverordening, kan het college aan een werkgever die een uitkeringsgerechtigde in dienst neemt voor de duur van tenminste zes maanden een budget verstrekken ter hoogte van het bedrag van maximaal € 7.000,- als loonkostensubsidie en/of scholingsbudget, voor scholing die noodzakelijk is om de functie te kunnen vervullen.
  22. Het college kan de hoogte van de loonkostensubsidie en/of het scholingsbudget, welke voorafgaand aan het dienstverband worden vastgesteld, lager vaststellen dan het maximum bedrag als bedoeld in het eerste lid.
  23. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, wordt door het college meegewogen in hoeverre de uitkeringsgerechtigde begeleid dient te worden, de duur van de overeenkomst en de inzet van andere werkgevervoorzieningen.
  24. De uitbetaling van de loonkostensubsidie als bedoeld in het eerste lid, vindt driemaandelijks- en in gelijke delen plaats, voor het eerst drie maanden na het aangaan van het dienstverband, tenzij het college anderszins bepaalt. Het college verifieert middels inzage in Suwinet driemaandelijks het voortbestaan van het dienstverband, waarna uitbetaling plaatsvindt.
  25. De uitbetaling van het scholingsbudget als bedoeld in het eerste lid, vindt in beginsel plaats na inlevering van de factuur. Deze dient betrekking te hebben op de kosten van de ingezette scholing.
  26. Indien het diensverband binnen zes maanden eindigt, vindt betaling van de vergoeding naar rato plaats voor geheel gewerkte maanden. Indien binnen deze maanden de werkgever het scholingsbudget (aantoonbaar) heeft aangewend en de (voormalig) uitkeringsgerechtigde de ingezette scholing heeft afgerond, behoeft het verstrekte scholingsbudget door de werkgever niet te worden terugbetaald.
  27. De werkgever krijgt voor het in dienst nemen of houden van dezelfde individuele (voormalig) uitkeringsgerechtigde slechts eenmaal een loonkostensubsidie en/of scholingsbudget toegekend. Artikel 1.3.2 Toepassing inkomstenvrijlating
  28. De inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid onder n van de wet, wordt in alle gevallen toegepast, omdat geacht wordt dat betaalde werkzaamheden in alle gevallen een bijdrage leveren aan de arbeidsinschakeling.
  29. Toepassing geldt zowel voor personen met een uitkering op grond van de Wwb, als op grond van de Ioaw en Ioaz (ingevolge artikel 8, tweede lid Ioaw en artikel 8, derde lid Ioaz).
  30. De inkomstenvrijlating als bedoeld in het eerste lid, gaat in op de eerste dag van de maand waaraan de inkomsten moeten worden toegerekend.
  31. In afwijking van het eerste lid, wordt geen inkomstenvrijlating toegepast over inkomsten die door belanghebbende zijn verzwegen en waarbij de teveel of ten onrechte verstrekte bijstand of uitkering op grond van de Ioaw/Ioaz alsnog door het college wordt teruggevorderd of verrekend.
  32. Dit artikel is niet van toepassing op personen jonger dan 27 jaar (artikel 31, vijfde lid van de Wwb). Artikel 1.3.3 Eenmalige toekenning inkomstenvrijlating
  33. De inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 1.2.1 wordt één maal per bijstandperiode toegekend.
  34. Als dezelfde bijstandsperiode wordt aangemerkt: de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter is dan 30 dagen wordt voortgezet; de situatie waarin de uitkering wordt hersteld, na een onderbreking wegens verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van de onderbreking; de situatie waarin sprake is van voortzetting van een uitkering die in een andere gemeente reeds werd verstrekt; de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld woon- of gezinssituatie de uitkering met een andere norm wordt voortgezet.
  35. Indien de nieuwe bijstandsperiode minder dan zes maanden na de ingangsdatum van de inkomstenvrijlating aanvangt, ontstaat geen nieuw recht op inkomstenvrijlating.
  36. In de situatie als beschreven in het tweede en derde lid, herleeft het oude recht op inkomstenvrijlating, voor zover nog aanwezig. Artikel 1.3.4 Vrijlating inkomsten alleenstaande ouder Het college maakt geen gebruik van de wettelijke mogelijkheid als bedoeld in artikel 31, eerste lid onder r van de Wwb, om inkomsten uit deeltijdarbeid van de alleenstaande ouder vrij te laten. 2 Beleidsregels inkomen Paragraaf 2.1 Wijziging van norm of toeslag Artikel 2.1.1 Kamerhuurder
  37. In dit artikel staan de vereisten opgenomen waaraan de overeenkomst voor kamerhuur moet voldoen, wil de kamerhuurder in aanmerking komen voor een toeslag op de norm, zoals is genoemd in artikel 1 aanhef en onder D en E van de Toeslagen en verlagingenverordening
  38. [Red: vanaf 01-10-2012 is de Toeslagen en verlagingenverordening Wwb Spijkenisse 2012 (versie 3) van toepassing]
  39. Om te kunnen worden aangemerkt als kamerhuurder, moet belanghebbende aan alle volgende eisen voldoen: de woning waarin de kamerhuurder zijn kamer huurt, is officieel en feitelijk een woning met tenminste drie kamers; een volledig ingevulde en ondertekende kamerhuurovereenkomst naar het model van de afdeling Werk Meedoen en Inkomen is overgelegd; een bewijsstuk is overgelegd dat de onderhuur rechtmatig plaatsvindt; het kamerhuurbedrag bedraagt minimaal het bedrag dat hiervoor door het college is vastgesteld, overeenkomstig de systematiek als genoemd in het derde en vierde lid; het kamerhuurbedrag wordt maandelijks door de kamerhuurder aan de kamerverhuurder overgemaakt door overschrijving van de bankrekening op naam van de kamerhuurder naar een bankrekening op naam van de kamerverhuurder.
  40. De commerciële bedragen voor kostgangerschap en onderhuur zijn als minimale kosten voor kamerhuur vastgesteld en worden jaarlijks geïndexeerd.
  41. Er bestaat onderscheid tussen de bedragen voor kamerhuur voor de alleenstaande versus de alleenstaande ouders/echtparen. Artikel 2.1.2 Co-ouderschap
  42. Wanneer een ouder, die geen gehuwde is, de zorg voor een of meer kinderen gedurende tenminste 4,5 dag per week op zich neemt, wordt deze geacht een alleenstaande ouder te zijn als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder b van de Wwb.
  43. Wanneer een ouder, die geen gehuwde is, gedurende minder dan 4,5 dag per week de zorg heeft voor een kind, wordt de bijstand berekend naar de basisnorm alleenstaande.
  44. In aanvulling op het tweede lid, wordt voor de periodes dat de zorg voor tenminste een kind plaatsvindt, de norm verhoogd, overeenkomstig het verschil tussen de norm alleenstaande ouder en alleenstaande. De verhoging is naar rato van het deel van de maand dat het kind gemiddeld door deze ouder wordt verzorgd.
  45. De omvang van de zorg zoals bedoeld in dit artikel, wordt zo mogelijk bepaald op jaarbasis.
  46. De van toepassing zijnde vermogensgrens is het bedrag dat behoort bij de oorspronkelijk geldende bijstandsnorm die wordt verstrekt. Artikel 2.1.3 Bijstand aan kinderen van minderjarigen Aan een kind van een minderjarige ouder die bij diens ouders inwoont, wordt bijstand verstrekt ter hoogte van het verschil tussen de norm voor een alleenstaande ouder van 18 jaar en een alleenstaande van 18 jaar. Paragraaf 2.2 Vorm van bijstand Artikel 2.2.1 Algemene leenbijstand
  47. De bijstand in de algemene bestaanskosten wordt in alle gevallen dat de situaties bedoeld in artikel 48, tweede lid sub a en b van de Wwb van toepassing zijn, als leenbijstand verstrekt.
  48. Indien leenbijstand in de weg staat aan een schuldsanerings- of bemiddelingstraject door een erkende schuldhulpverleningsorganisatie, wordt leenbijstand verstrekt met de volgende aanvullende bepalingen: de aflossingsverplichting wordt opgeschort voor de duur van het schuldbemiddelingstraject; indien het schuldbemiddelingstraject succesvol is afgesloten, wordt afgezien van terug- en invordering van de verstrekte leenbijstand.
  49. Aflossing van de leenbijstand vindt plaats conform artikel 4.1.2, eerste, tweede en derde lid. (invordering)
  50. De ingangsdatum van de aflossing wordt bij beschikking vastgesteld.
  51. Verstrekte leenbijstand wordt volledig afgelost, tenzij dringende redenen zich hiertegen verzetten.
  52. Indien bijstand in de vorm van een lening wordt verstrekt op grond van artikel 50, tweede lid Wwb en geen sprake is van tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid, wordt aflossing van het verstrekte bedrag aan algemene leenbijstand als volgt geregeld: Zolang belanghebbende algemene bijstand ontvangt van de gemeente Spijkenisse wordt niet afgelost, tenzij de woning/woonwagen of het woonschip wordt verkocht. Bij verkoop, vererving of wanneer belanghebbende niet langer zijn hoofdverblijf heeft in de woning/woonwagen of het woonschip, wordt het gehele bedrag aan verstrekte leenbijstand direct en ineens afgelost. Indien de algemene bijstand in de gemeente Spijkenisse wordt beëindigd, zonder dat sprake is van verkoop of vererving, wordt de leenbijstand afgelost conform de richtlijn in artikel 4.1.
  53. (invordering) Artikel 2.2.2 Zekerstelling
  54. Wanneer de maximale hoogte voor leenbijstand in het kader van artikel 50 Wwb meer bedraagt dan € 10.000 vestigt het college een krediethypotheek.
  55. Voor een krediethypotheek zijn de bepalingen van kracht zoals opgenomen in het Besluit Krediethypotheek bijstand, KB van 26 september
  56. Artikel 2.2.3 Bijstand in natura Het college maakt geen gebruik van de mogelijkheid tot het verlenen van bijstand in natura als bedoeld in artikel 57 aanhef en onder b van de Wwb. Paragraaf 2.3 Middelen Artikel 2.3.1 Schadevergoeding en giften
  57. Indien aan de bijstandsgerechtigde een schadevergoeding wordt toegekend voor materiële schade, wordt dit niet als vermogen aangemerkt indien: de vergoeding is bedoeld voor geleden schade aan goederen die vanuit bijstandsoogpunt noodzakelijk zijn, en de schadevergoeding daadwerkelijk wordt aangewend voor de geleden schade of de geleden schade eerder uit eigen middelen is voldaan.
  58. Indien aan de bijstandsgerechtigde een schadevergoeding wordt toegekend voor immateriële schade, wordt deze schadevergoeding niet als vermogen aangemerkt voor zover de vergoeding minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens.
  59. Indien aan de bijstandsgerechtigde een schadevergoeding wordt toegekend voor gederfde inkomsten of andere middelen bedoeld voor levensonderhoud, wordt deze schadevergoeding volledig aangemerkt als inkomen waarop artikel 32 Wwb van toepassing is.
  60. Een gift aan een bijstandsgerechtigde kan worden vrijgelaten indien: de gift een bestemming heeft, en; de bestemming ten behoeve van een goed is dat naar aard en waarde algemeen gebruikelijk is, dan wel gezien de persoonlijke omstandigheden noodzakelijk is, en; de gift incidenteel is. Artikel 2.3.2 Heffingskortingen Bij aanspraak op heffingskortingen wordt deze, zolang de heffingskortingen niet worden ontvangen, maximaal drie maanden niet beschouwd als middelen waarover belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken. Na deze periode wordt de volledige aanspraak op heffingskortingen beschouwd als in aanmerking te nemen middelen. 3 Beleidsregels minimabeleid Paragraaf 3.1 Bijzondere bijstand algemeen Artikel 3.1.1 Draagkracht
  61. Om te bepalen welke middelen in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van draagkracht bij toepassing van artikel 35 Wwb, wordt aangesloten bij artikel 31 tot en met 34 van de wet. De middelen, als bedoeld in artikel 31, tweede lid Wwb worden voor de bijzondere bijstand buiten beschouwing gelaten.
  62. Inkomsten boven 110% van de netto bijstandsnorm, worden volledig in aanmerking genomen als draagkracht.
  63. In afwijking van het tweede lid, wordt 100% van het inkomen boven de bijstandsnorm in aanmerking genomen, in ieder geval in de volgende gevallen: bij de verstrekking van woonkostentoeslag; bij de verstrekking van bijzondere bijstand voor levensonderhoud;
  64. Van het vermogen wordt 100% in aanmerking genomen als draagkracht, voor zover het vermogen hoger is dan het in artikel 34, derde lid Wwb bedoelde bedrag.
  65. In afwijking van het vierde lid, wordt het vermogen, voor zover dit meer bedraagt dan € 1.250,-, in aanmerking genomen als draagkracht, in de volgende gevallen: bij de verstrekking van duurzame gebruiksgoederen; bij de verstrekking van overige inrichtingskosten; bij de verstrekking van leenbijstand op grond van artikel 48, het tweede lid, onder b van de Wwb.
  66. De langdurigheidstoeslag (artikel 36 Wwb) wordt niet beschouwd als in aanmerking te nemen inkomsten als bedoeld in artikel 35 Wwb.
  67. De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en wordt in beginsel voor één jaar vastgesteld. Artikel 3.1.2 Drempelbedrag Het college maakt geen gebruik van de mogelijkheid als bedoeld in artikel 35, tweede lid Wwb. Artikel 3.1.3 Leenbijstand (artikel 48 Wwb)
  68. De bijzondere bijstand wordt, indien de situaties als bedoeld in artikel 48 tweede lid sub b, c en d of artikel 51 Wwb van toepassing zijn, als leenbijstand verstrekt.
  69. Indien leenbijstand in de weg staat aan een schuldsanerings- of bemiddelingstraject door een erkende schuldhulpverleningsorganisatie, wordt leenbijstand verstrekt met de volgende aanvullende bepalingen: de aflossingsverplichting wordt opgeschort voor de duur van het schuldbemiddelingstraject; indien het schuldbemiddelingstraject succesvol is afgesloten, wordt de leenbijstand alsnog omgezet in bijstand om niet.
  70. Toegekende leenbijstand dient volledig te worden terugbetaald, tenzij in verordening of beleidsregels anders is bepaald.
  71. Er wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid met een borgtocht te werken. Artikel 3.1.4 Aflossingshoogte en -duur bij leenbijstand
  72. Aflossing van de leenbijstand vindt plaats conform artikel 4.1.2, eerste, tweede en derde lid (invordering).
  73. De ingangsdatum van de aflossing wordt bij beschikking vastgesteld.
  74. Verstrekte leenbijstand wordt volledig afgelost, tenzij dringende redenen zich hiertegen verzetten.
  75. Artikel 4.1.1 (gebruikmaking van de terugvorderingsbevoegdheid) is van overeenkomstige toepassing op dit artikel. Artikel 3.1.5 Aanvraagdatum
  76. Een aanvraag voor kosten die maximaal zes maanden vóór het indienen van een aanvraag zijn gemaakt, wordt geacht te zijn ingediend op het moment dat de kosten zijn gemaakt.
  77. Kosten gemaakt langer dan zes maanden vóór indiening van de aanvraag, die nog niet zijn betaald, worden gezien als een schuld. Hiervoor wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.
  78. Bijstand voor kosten gemaakt langer dan zes maanden vóór indiening van de aanvraag, die reeds door belanghebbende zijn betaald, wordt gezien als niet noodzakelijk.
  79. Indien door indiening van de aanvraag achteraf, de noodzaak voor bijstandverlening niet meer kan worden aangetoond, wordt geen bijstand toegekend.
  80. Het achteraf aanvragen van bijzondere bijstand is niet mogelijk voor de kosten die verband houden met- of bijdragen aan de arbeidsinschakeling, kosten voor inrichting of duurzame gebruiksgoederen of verhuiskosten (artikelen 3.2.7, 3.2.10 en 3.2.11). Paragraaf 3.2 Bijzondere bijstand kostensoorten Artikel 3.2.1 Woonkostentoeslag bij huurkosten
  81. Huurtoeslag wordt geacht een voorliggende voorziening te zijn die in het algemeen passend en toereikend is als tegemoetkoming in de huurkosten.
  82. Indien de huurtoeslag is vastgesteld op basis van een inkomen dat hoger ligt dan het huidige structurele inkomen van belanghebbende, wordt woonkostentoeslag als noodzakelijk gezien.
  83. Indien door redenen die belanghebbende niet te verwijten zijn, over een bepaalde periode geen huurtoeslag (meer) kan worden aangevraagd, wordt woonkostentoeslag als noodzakelijk gezien.
  84. Bij berekening van de woonkostentoeslag wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de berekeningssystematiek van huurtoeslag, met dien verstande dat het huidige structurele inkomen in de berekening wordt gebruikt en vermogen boven de vermogensgrens als genoemd in artikel 34 Wwb als middelen in aanmerking wordt genomen.
  85. Woonkostentoeslag voor een huur boven de maximale huurgrens wordt voor maximaal 12 maanden verstrekt, tenzij dringende redenen zich hiertegen verzetten.
  86. De hoogte van de woonkostentoeslag als bedoeld in het vijfde lid, wordt bepaald op het bedrag aan huurtoeslag bij een huur ter hoogte van de maximale huurgrens, plus het verschil tussen de maximale huurgrens en de kale huur volgens de overeenkomst.
  87. Indien belanghebbende een huurcontract aangaat voor een huur boven de maximale huurgrens en hij ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst een inkomen heeft dat recht geeft op huurtoeslag, bestaat geen recht op woonkostentoeslag.
  88. Woonkostentoeslag wordt verstrekt tot de eerstvolgende datum waarop een beroep op huurtoeslag mogelijk zou kunnen worden.
  89. Werkt belanghebbende niet mee aan beperking van de woonkosten, of betoont belanghebbende onvoldoende besef van verantwoordelijkheid op het gebied van woonkosten, wordt de woonkostentoeslag geweigerd of beëindigd. Artikel 3.2.2 Woonkostentoeslag bij eigen woning
  90. Indien belanghebbende eigenaar is van een door hemzelf bewoonde woning en hij deze redelijkerwijs niet kan verkopen of (verder) kan bezwaren met geldleningen, maar het inkomen niet toereikend is om de woonkosten te voldoen, wordt woonkostentoeslag als noodzakelijk gezien.
  91. Als in aanmerking te nemen woonkosten worden gezien de hypotheekrente, eigenaarsdeel onroerende-zaakbelasting, waterschapslasten, premie opstalverzekering, erfpachtcanon en een forfaitair bedrag aan onderhoudskosten, onder aftrek van in aanmerking te nemen rijkssubsidies aan de woningeigenaar of Voorlopige Teruggave Hypotheekrenteaftrek.
  92. Bij berekening van de woonkostentoeslag wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de berekeningssystematiek van huurtoeslag, met dien verstande dat het huidige structurele inkomen in de berekening wordt gebruikt en vermogen boven de vermogensgrens als genoemd in artikel 34 Wwb als middelen in aanmerking wordt genomen.
  93. De eigenaar komt niet in aanmerking voor woonkostentoeslag indien qua kosten en draagkracht ten tijde van de aankoop van de woning al behoefte bestond aan woonkostentoeslag.
  94. Woonkostentoeslag als bedoeld in het eerste lid wordt maximaal 12 maanden verstrekt, tenzij dringende redenen zich hiertegen verzetten.
  95. Werkt belanghebbende niet mee aan beperking van de woonkosten, of betoont belanghebbende onvoldoende besef van verantwoordelijkheid op het gebied van woonkosten, wordt de woonkostentoeslag geweigerd of beëindigd. Artikel 3.2.3 Bijzondere woonkosten
  96. In de niet subsidiabele woonkosten die betrekking hebben op het langer zelfstandig laten wonen van ouderen en mensen met een handicap, wordt bijstand verleend: voor zover deze kosten voor belanghebbende noodzakelijk worden geacht, waarbij de noodzaak in ieder geval aanwezig wordt geacht bij personen van 75 jaar en ouder, en; voor zover de totale woonkosten tenminste de minimale huurgrens bedragen waarvoor huurtoeslag mogelijk is.
  97. Indien vanwege opname in een AWBZ-instelling de bijstandsnorm wordt verlaagd naar een norm bij verblijf in een inrichting, wordt bijzondere bijstand verleend in de kosten van het aanhouden van de woning, onder de volgende voorwaarden: in de woning van belanghebbende blijven geen bewoners van 18 jaar of ouder achter, en; de opname duurt naar verwachting niet langer dan 12 maanden, en; belanghebbende is voornemens en naar verwachting in staat om na de opname terug te keren in de woning. Artikel 3.2.4 Kleding en kledingslijtage
  98. Indien extra kledingslijtage voortkomt uit ziekte of handicap, wordt in de meerkosten van kleding bijzondere bijstand verleend. Voor de bepaling van de meerkosten wordt uitgegaan van extra kosten ten opzichte van de normbedragen en normaantallen zoals deze zijn vastgesteld door het Nibud.
  99. Indien en voor zover niet meer over passende kleding kan worden beschikt vanwege een acute noodsituatie, bijvoorbeeld door ziekte, ongeval of een redelijkerwijs niet-verzekerbare calamiteit, wordt bijzondere bijstand verleend. In dit geval wordt slechts kleding verstrekt voor zover het in dat seizoen passend is.
  100. In aanvulling op het tweede lid, wordt voor de kosten van kleding aangesloten bij de normbedragen en normaantallen van het Nibud.
  101. Het draagkrachtbeleid als bedoeld in het derde lid van artikel 3.1.1, het derde lid, is van toepassing. Artikel 3.2.5 Bijzondere bijstand voor schulden
  102. Het college verstrekt in de regel geen bijzondere bijstand voor schulden.
  103. Indien sprake is van levensbedreigende omstandigheden, die niet via andere weg dan bijstandverlening kunnen worden afgewend, wordt in een schuldsituatie bijstand in de vorm van een lening verleend. Hierbij wordt de ontstaansgeschiedenis van de schuld en of er sprake is van herhaling meegewogen.
  104. Het draagkrachtbeleid als bedoeld in het derde lid van artikel 3.1.1 is van toepassing. Artikel 3.2.6 Bijzondere bijstand budgetbeheer en beschermingsbewind
  105. Het college kan bijzondere bijstand voor budgetbeheer verstrekken indien: budgetbeheer buiten een schuldbemiddelingstraject om wordt uitgevoerd: budgetbeheer als noodzakelijk wordt geacht door een deskundige.
  106. Het college kan bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind verstrekken.
  107. De kosten als bedoeld in het tweede lid, worden geheel vergoed, mits beschermingsbewind in combinatie met een gemeentelijk schuldbemiddelingstraject wordt ingezet.
  108. Indien naast het beschermingsbewind geen schuldbemiddelingstraject wordt ingezet, bijvoorbeeld omdat deze is afgerond, is het draagkrachtbeleid als bedoeld in het derde lid van artikel 3.1.1 van toepassing.
  109. Op het eerste lid is het draagkrachtbeleid van toepassing als bedoeld in het derde lid van artikel 3.1.1 (100% van het inkomen boven de bijstandsnorm). Artikel 3.2.7 Bijzondere bijstand in verband met arbeidsinschakeling
  110. Indien bijzondere noodzakelijke kosten verband houden met- of bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de uitkeringsgerechtigde, kan het college voor deze kosten bijzondere bijstand verstrekken.
  111. De kosten als bedoeld in het eerste lid, betreffen in beginsel incidentele kosten. Indien de kosten niet incidenteel zijn maar een periodiek karakter hebben, kunnen deze tot een maximum van zes maanden worden verstrekt.
  112. Alle mogelijke voorliggende voorzieningen dienen als eerste aangesproken te worden, alvorens bijzondere bijstand op grond van dit artikel kan worden verstrekt.
  113. Een aanvraag bijzondere bijstand voor bijzondere noodzakelijke kosten die verband houden met- of bijdragen aan de arbeidsinschakeling, kan door belanghebbende niet worden aangevraagd nadat de kosten zijn gemaakt. Artikel 3.2.8 Studiekosten
  114. Studiekosten ten behoeve van kinderen in de leerplichtige leeftijd worden gezien als algemeen noodzakelijke kosten waarin de bijstandsnorm en ontvangen tegemoetkomingen van de rijksoverheid voorzien, zodat hiervoor als regel geen bijstand mogelijk is.
  115. Indien een bijzondere situatie leidt tot hogere noodzakelijke kosten dan bedoeld in het eerste lid, kan in de kosten, voor zover zij hoger zijn, bijzondere bijstand worden verleend.
  116. Voor ten laste komende kinderen die een MBO-opleiding volgen worden reiskosten om op de dichtstbijzijnde locatie van de opleiding (of stage) van hun keuze te komen vergoed, voor zover deze MBO-leerling geen aanspraak kan maken op een OV-studentenkaart en de dichtstbijzijnde opleidingslocatie buiten de gemeente Spijkenisse ligt.
  117. In aanvulling op het derde lid, vinden vergoedingen plaats op basis van de goedkoopste reismogelijkheid met het openbaar vervoer. Artikel 3.2.9 Aanslag inkomstenbelasting
  118. In een aanslag inkomstenbelasting wordt in het algemeen geen bijstand verstrekt aangezien deze behoort tot de algemene bestaanskosten die uit de norm moeten worden voldaan, tenzij belanghebbende voldoet aan alle onderstaande criteria: het netto in aanmerking te nemen inkomen van belanghebbende over het kalenderjaar bedraagt, na aftrek van de aanslag, minder dan de van toepassing zijnde bijstand over dat kalenderjaar; de belastingaanslag heeft betrekking op een periode waarover belanghebbende bijstand ontving en bij de verstrekking van die bijstand is destijds geen rekening gehouden met de nog op te leggen belastingaanslag; de aanslag kan door de Belastingdienst niet (verder) worden verlaagd of kwijtgescholden.
  119. De hoogte van de bijstand bedraagt het verschil tussen de bijstandsnorm en de netto inkomsten na aftrek van de aanslag, maar niet meer dan het bedrag van de aanslag. Artikel 3.2.10 Huisraad/woninginrichting/duurzame gebruiksgoederen
  120. In de kosten van vervanging of reparatie van huisraad/woninginrichting of duurzame gebruiksgoederen wordt geen bijstand verleend omdat het algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan betreft waarin de norm voorziet, tenzij; het noodzakelijke, niet-uitstelbare kosten zijn, die het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden, en er onvoldoende reserveringsruimte aanwezig is geweest, hetgeen belanghebbende niet te verwijten valt, en er geen andere bekostigingsmogelijkheid aanwezig is.
  121. Geen bijstand wordt verleend indien de kosten vergoed hadden kunnen worden op grond van een inboedelverzekering, maar belanghebbende deze verwijtbaar niet had afgesloten.
  122. Indien de kosten van vervanging van duurzame gebruiksgoederen of huisraad/woninginrichting het gevolg zijn van verhuizing, wordt slechts bijstand verleend als voor de verhuizing een sociale of medische noodzaak bestaat.
  123. Geen bijstand wordt verleend wanneer het een eerste aanschaf/vestiging betreft, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.
  124. In beginsel wordt geen bijzondere bijstand verleend voor inrichtingskosten/duurzame gebruiksgoederen, indien deze voortvloeien uit een echtscheiding.
  125. Bijstandverlening op grond van dit artikel vindt plaats in de vorm van een lening, ter hoogte van in uitvoeringsrichtlijnen te bepalen normbedragen.
  126. Een aanvraag bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen of inrichtingskosten, kan door belanghebbende niet worden aangevraagd nadat de kosten zijn gemaakt. Artikel 3.2.11 Verhuiskosten
  127. In verhuiskosten kan geen bijstand worden verleend, tenzij de verhuizing op sociale of medische gronden noodzakelijk is en de kosten niet of onvoldoende waren te voorzien.
  128. In de kosten van een als noodzakelijk aangemerkte verhuizing wordt bijstand verleend, indien belanghebbende vanuit of binnen Spijkenisse verhuist.
  129. In de kosten van dubbele huur plus administratiekosten en/of waarborgsom wordt bij een noodzakelijke verhuizing bijstand verleend, indien belanghebbende naar of binnen Spijkenisse verhuist.
  130. Het draagkrachtbeleid als bedoeld in het derde lid van artikel 3.1.1 is van toepassing.
  131. Een aanvraag bijzondere bijstand voor bijzondere noodzakelijke kosten die verband houden met een verhuizing, kan door belanghebbende niet worden aangevraagd nadat de kosten zijn gemaakt. Artikel 3.2.12 Kosten voor verzorging of verpleging
  132. In de kosten van de eigen bijdrage AWBZ bij een opname in een AWBZ-instelling is in het algemeen geen bijzondere bijstand mogelijk, tenzij: de inkomsten van belanghebbende minus de eigen bijdrage minder bedragen dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm (meestal verblijf in een inrichting), en; de eigen bijdrage niet (verder) kan worden verlaagd.
  133. In de toegangsbijdrage wordt slechts bijzondere bijstand verleend indien en voor zover een beroep wordt gedaan op een voorziening die door een instantie wordt aangeboden op grond van de AWBZ.
  134. In de kosten van de eigen bijdrage voor officieel geïndiceerde gezinshulp en verpleeghulp wordt bijzondere bijstand verleend, indien het niet afsluiten van de collectieve ziektekostenverzekering voor minima belanghebbende niet te verwijten valt.
  135. In de kosten voor de bijdrage gebaseerd op een retributieregeling wordt bijstand verleend.
  136. In de eigen bijdrage voor dagverzorging (inclusief vervoerskosten) wordt bijstand verleend met uitzondering van de daarin begrepen reguliere maaltijdkosten.
  137. Het draagkrachtbeleid als bedoeld in het derde lid van artikel 3.1.1 (draagkracht) is van toepassing op het eerste lid. Artikel 3.2.13 Voorkoming opname AWBZ-instelling Kosten die door belanghebbende worden gemaakt voor voorzieningen die hem in staat stellen (langer) zelfstandig in de woning te blijven wonen en hiermee opname in een AWBZ instelling te voorkomen, worden aangemerkt als noodzakelijke kosten als gevolg van bijzondere omstandigheden. Voor deze kosten wordt individuele bijzondere bijstand verleend voor zover categoriale bijzondere bijstand ingevolge artikel 3.3 (categoriale bijzondere bijstand) hierin niet voorziet. Artikel 3.2.14 Bijzondere reiskosten
  138. Wanneer een persoon is opgenomen in een inrichting voor geestelijke / lichamelijke verzorging of in detentie zit, wordt bijzondere bijstand verleend aan gezinsleden voor bezoekkosten, voor zover het bezoekkosten betreffen buiten Spijkenisse, maar binnen Nederland.
  139. Tot de gezinsleden worden gerekend de inwonende partner en de inwonende minderjarige en meerderjarige kinderen, of ingeval van opname van een kind, de ouders en bij de ouders inwonende broers/zusters.
  140. De bijstand bij bezoek aan een persoon in een inrichting voor geestelijke/ lichamelijke verzorging, wordt vergoed per gezinslid, waarbij de noodzakelijke bezoekfrequentie door het college individueel wordt bepaald.
  141. De bijstand bij bezoek aan een persoon in detentie, wordt berekend op basis van bezoek eenmaal per maand per gezinslid.
  142. Voor zover een vergoeding via een ziektekostenverzekering niet van toepassing is, worden bezoekkosten in verband met een kortdurende ziekenhuisopname (korter dan 3 maanden) vergoed op basis van bezoek door een gezinslid om de dag.
  143. Vergoedingen vinden plaats op basis van de goedkoopste reismogelijkheid met het openbaar vervoer. Artikel 3.2.15 Ouderbijdrage
  144. In de kosten van de ouderbijdrage ten behoeve van een minderjarig kind dat is opgenomen (voor dagbehandeling) in een jeugdhulpverleningsinstelling, wordt (gedeeltelijk) bijstand verleend indien: de ouderbijdrage door het LBIO als verplichting is opgelegd, en; belanghebbende geen kinderbijslag meer voor het betreffende kind ontvangt en het verlies van kinderbijslag belanghebbende niet te verwijten valt, of; de kinderbijslag voor het betreffende kind niet toereikend is om de kosten te dekken.
  145. Bijstandverlening in de kosten van de ouderbijdrage ten behoeve van een kind van 18 tot en met 20 jaar is niet mogelijk, tenzij dringende redenen hiertoe aanleiding geven. Artikel 3.2.16 Dieetkosten Voor zover belanghebbende of een gezinslid noodzakelijkerwijs een dieet moet volgen, wordt in de meerkosten van dit dieet ten opzichte van reguliere voeding, bijstand verleend. Artikel 3.2.17 Uitgesloten kostensoorten De volgende kostensoorten worden beschouwd als algemeen gebruikelijke kosten die uit de algemene bijstandsnorm kunnen worden voldaan, waarin in geen bijzondere bijstand kan worden verleend: legeskosten en kosten in verband met het verlenen en verlengen van een vergunning tot verblijf in Nederland en naturalisatie; premiekosten voor een aanvullende ziektekostenverzekering (niet zijnde de gemeentelijke bijdrage aan de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering); premiekosten voor overige afgesloten algemeen gebruikelijke verzekeringen; niet-medische kosten in verband met of voortvloeiend uit zwangerschap en geboorte van een kind; gemeentelijke belastingen of heffingen. Artikel 3.2.18 Zelfstandig wonende jong-meerderjarigen
  146. Aan jongeren van 18 tot en met 20 jaar wordt aanvullend op de bijstandsnorm, bijzondere bijstand voor levensonderhoud verstrekt indien de jongere noodzakelijkerwijs zelfstandig woont en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander.
  147. Van noodzakelijkerwijs zelfstandig wonen is sprake indien: beide ouders zijn overleden; beide ouders in het buitenland wonen; de jongere door een crisissituatie niet thuis kan wonen.
  148. De hoogte van de bijzondere bijstand bestaat uit: de kosten die direct samenhangen met het uitwonen, en; een forfaitair bedrag voor de overige extra kosten voor levensonderhoud.
  149. De bijstandsnorm en de bijzondere bijstand die ingevolge dit artikel wordt verstrekt, bedragen samen niet meer dan de geldende norm zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid. Artikel 3.2.19 Taxatiekosten eigen woning Wanneer geen recent taxatierapport aanwezig is van de woning, woonwagen of het woonschip, en de vastgestelde WOZ-waarde biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het vaststellen van de huidige waarde van de woning, is een taxatie ten behoeve van beoordeling van de overwaarde in het kader van artikel 50 Wwb noodzakelijk. Voor de kosten wordt bijzondere bijstand om niet verstrekt. Paragraaf 3.3 Categoriale bijzondere bijstand Artikel 3.3.1 Standaardbijdrage 65 plus
  150. Onverlet het bepaalde in artikel 35, derde lid van de wet komt in aanmerking voor de standaardbijdrage 65 plus, de belanghebbende die: 65 jaar of ouder is; en aangewezen is op een inkomen dat niet hoger is dan 110% van de op belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm; en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet;
  151. Belanghebbende dient te voldoen aan de voorwaarden als bedoeld in het eerste lid onder b en c, gedurende een periode van 12 aaneengesloten maanden voorafgaand aan de datum waarop in enig jaar recht op de standaardbijdrage 65 plus ontstaat.
  152. Ingeval van gehuwden of een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de wet, dient één van beide partners 65 jaar of ouder te zijn om in aanmerking te komen voor de standaardbijdrage 65 plus.
  153. In het kalenderjaar waarin belanghebbende 65 jaar wordt, bestaat geen recht op de standaardbijdrage 65 plus als belanghebbende al de standaardbijdrage 21-65 (plus) heeft ontvangen, waarvan de peildatum in dat kalenderjaar ligt.
  154. De standaardbijdrage 65 plus bedraagt voor een belanghebbende € 400 per jaar.
  155. De hoogte van de standaardbijdrage 65 plus wordt jaarlijks geïndexeerd. Artikel 3.3.2: Categoriale bijstand Collectieve Ziektekostenverzekering
  156. Het college verstrekt op aanvraag aan belanghebbende met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm een collectieve ziektekostenverzekering (COZV), afgesloten bij de zorgverzekeraar CZ.
  157. De in het eerste lid genoemde collectieve ziektekostenverzekering, omvat deelname aan de wettelijke basis- en aanvullende verzekering, waarbij de gemeente een bijdrage levert in de kosten voor de aanvullende verzekering.
  158. De bijdrage als bedoeld in het tweede lid, bedraagt € 30,00 per volwassen verzekerde per maand. 4 Beleidsregels handhaving Paragraaf 4.1 Terugvordering Artikel 4.1.1 Gebruikmaking van de terugvorderingsbevoegdheid
  159. Het college vordert de kosten van bijstand of een bestuurlijke boete terug in de gevallen die in de artikelen 58 t/m 60 van de Wwb, de artikelen 25 t/m 32 van de Ioaw en Ioaz en de artikelen 44 t/m 47 van het Bbz 2004 zijn aangegeven, voor zover zich daar geen andere wettelijke bepalingen of regelingen tegen verzetten.
  160. Het college ziet af van (verdere) terug- en invordering in gevallen als bedoeld in artikelen 2.2.1 en 3.1.3 , tweede lid aanhef en onder b (algemene leenbijstand respectievelijk bijzondere bijstand).
  161. Het besluit zoals genoemd in lid 2 tot het gedeeltelijk afzien van (verdere) terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen door inzet van een NVVK-erkende schuldhulpverleningsinstelling of een WSNP-regeling; de belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden van de schuldregeling (minnelijk of WSNP); onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
  162. Het college ziet af van (verdere) invordering van bijstand indien gedurende een periode van tien jaar niets is afgelost op een of meerdere vorderingen, die bij elkaar niet meer bedragen dan € 5.000, en er in de toekomst geen mogelijkheden tot inning aanwezig lijken.
  163. Het college ziet af van terugvordering indien door het ontstaan van recht op (aanvullende) ouderenkorting, in het jaar dat belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt alsnog teveel of ten onrechte uitkering is verstrekt. Artikel 4.1.2 Invordering
  164. Het aflossingsbedrag betreft voor een uitkeringsgerechtigde het gehele bedrag ineens. Indien dit niet mogelijk is betreft het: het maandelijks voor beslag vatbare bedrag, en; de volledige vakantietoeslag, wanneer deze betaalbaar wordt gesteld.
  165. Het aflossingsbedrag betreft voor een debiteur zonder uitkering op grond van de Wwb, Ioaw of Ioaz het gehele bedrag ineens. Indien dit niet mogelijk is betreft het: een bedrag van € 150 per maand, voor zover de bruto vordering binnen 36 maanden volledig kan worden afgelost; indien de onder a genoemde mogelijkheid vervalt, wordt voor zover belanghebbende binnen Nederland verblijft een bedrag naar draagkracht vastgesteld naar aanleiding van een financieel onderzoek, waarbij belanghebbende geacht wordt minimaal een inkomen op bijstandsniveau te verwerven; indien de debiteur zijn hoofdverblijf in het buitenland heeft wordt geen onderzoek naar draagkracht gedaan en op basis van art. 475e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering beslag gelegd.
  166. In afwijking van het eerste lid en tweede lid onder a, kan op gemotiveerd verzoek van de debiteur, alsnog een draagkrachtonderzoek worden verricht.
  167. Bij dwanginvordering maakt de gemeente bij vorderingen boven de € 250 in de regel gebruik van de diensten van een gerechtsdeurwaarder, uitgezonderd de gevallen waarin verrekening mogelijk is, of dat het bedrijfsmatig aantrekkelijker is om zelf tot vereenvoudigd derdenbeslag over te gaan.
  168. Beslag op roerende zaken vindt plaats wanneer dit in het individuele geval het meest adequate instrument tot invordering is. Tot verkoop van de roerende zaken door de deurwaarder mag pas worden overgegaan na schriftelijke toestemming van het college.
  169. Beslag op onroerende zaken vindt plaats wanneer dit in het individuele geval het meest adequate instrument tot invordering is. Beslag op onroerende zaken vindt niet plaats voordat het college hiervoor schriftelijke toestemming heeft gegeven. Artikel 4.1.3 Rente en kosten
  170. Indien de debiteur na twee betalingsherinneringen de vordering niet volledig heeft voldaan, zonder dat hij heeft verzocht om een (andere) betalingsregeling, wordt de vordering overgedragen aan de deurwaarder, tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten. Vanaf de datum van overdracht worden op de terugvordering betrekking hebbende rente en kosten in rekening gebracht.
  171. De in het eerste lid bedoelde kosten bedragen in ieder geval de kosten volgens de staffel Voorwerk II - buitengerechtelijke kosten. Artikel 4.1.4 Brutering van de vordering Het college gaat niet over tot terugvordering van loonbelasting en premies volksverzekeringen, als bedoeld in artikel 58, vijfde lid van de Wwb, en artikel 25 lid 4 van de Ioaw en Ioaz tenzij: de vordering waarop de loonbelasting en premies volksverzekeringen betrekking heeft (mede) is ontstaan door tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid voor de voorzieningen in het bestaan, of; de vordering waarop de loonbelasting en premies volksverzekeringen betrekking heeft (mede) is ontstaan door het niet, niet tijdig of onvoldoende nakomen van de verplichtingen uit de Wwb en/of uit de gemeentelijke verordeningen als bedoeld in de artikelen 8 en 8a Wwb of; de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de Wwb beschikt of kan beschikken, waardoor belanghebbende redelijkerwijs had kunnen weten dat teveel of ten onrechte bijstand is verstrekt, en belanghebbende deze middelen niet heeft aangewend ter aflossing van teveel of ten onrechte verstrekte bijstand. Paragraaf 4.2 Verhaal Artikel 4.2.1 Gebruikmaking van de verhaalsbevoegdheid
  172. Het college verhaalt de kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 61 tot en met 62i van de Wwb.
  173. Geen verhaal vindt plaats: op ouders van jong-meerderjarigen in de gevallen waarin aan de jong-meerderjarige bijzondere bijstand is verstrekt, als bedoeld in artikel 62 van de Wwb; wanneer een schenker als bedoeld in artikel 62f sub a van de Wwb in de afgelopen twaalf maanden in totaal minder dan € 1000 heeft geschonken; op nalatenschap als bedoeld in artikel 62f sub b van de Wwb tenzij de persoon op wie het college een vordering had op het tijdstip van overlijden een woning, woonwagen of woonschip (gedeeltelijk) in eigendom had. Artikel 4.2.2 Afzien van verhaal
  174. Het college kan afzien van (een) verhaal(s)(onderzoek) op grond van dringende redenen. Van een dringende reden is in ieder geval sprake indien een verhaalsonderzoek een gevaar kan opleveren voor de bijstandsgerechtigde en/of diens kinderen.
  175. Het college legt geen verhaalsbijdrage op, indien na berekening is gebleken dat het voor verhaal beschikbare bedrag lager is dan € 50 per maand of € 600 per jaar.
  176. Het college besluit, op verzoek van degene op wie verhaald wordt en die deelneemt of deel wil nemen aan een minnelijk schuldbemiddelingstraject door een erkende schuldhulpverleningsinstelling, gedeeltelijk af te zien van verhaal van kosten van bijstand voor zover het betreft verschuldigde verhaalsbedragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien: redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
  177. Het besluit tot gedeeltelijk afzien van verhaal treedt niet in werking voordat een schuldregeling overeenkomstig het derde lid tot stand is gekomen.
  178. Wanneer in een schuldbemiddelingstraject van de onderhoudsplichtige, uitgevoerd door een erkende schuldhulpverleningsinstelling, wegens dringende redenen geen rekening kan/mag worden gehouden met betaling van een onderhoudsbijdrage, kan worden afgezien van verhaal voor de duur van het schuldbemiddelingstraject.
  179. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
  180. Er wordt afgezien van verder onderzoek naar verhaal indien onderhoudsplichtige is overleden en ook uit onderzoek bij het centraal testamentenregister geen mogelijkheid tot invordering blijkt. Artikel 4.2.3 Verhaal inzake onderhoudsplicht
  181. De eerste aanschrijving van de ex-partner inzake (mogelijk) onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het BW vindt niet later plaats dan 24 maanden na aanvang van de bijstandsuitkering van belanghebbende in de gemeente Spijkenisse.
  182. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de ex-partner in het buitenland verblijft, of indien er geen correct adres bekend is.
  183. Het college bepaalt volgens de berekeningssystematiek van de Trema- normen, de hoogte van het verhaal van de kosten van bijstand.
  184. In gevallen waarin de onderhoudsplichtige niet voldoet aan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 62i van de Wwb legt het college een onderhoudsbijdrage op ter hoogte van de bruto verstrekte bijstand.
  185. Het college kan een ten behoeve van een andere gemeente genomen rechterlijke verhaalsbeslissing overnemen, door hierover een verhaalsbesluit te nemen en dit op de gebruikelijke wijze aan de onderhoudsplichtige kenbaar te maken. Artikel 4.2.4 Financieel onderzoek
  186. Om te bepalen hoeveel de onderhoudsplicht bedraagt als bedoeld in Boek 1 van het BW, of hoe hoog de afbetalingscapaciteit is van derden indien een bedrag naar aanleiding van schenking of nalatenschap wordt verhaald, vindt een financieel onderzoek plaats naar de draagkracht van de betalingsplichtige.
  187. Het college acht in ieder geval geen draagkracht aanwezig om te voldoen aan onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het BW, indien deze: in detentie verkeert; verblijft in een verpleeg- of verzorgingshuis en een eigen bijdrage betaalt op grond van de AWBZ; een inkomen heeft tot maximaal 110% van de bijstandsnorm.
  188. Bij het vaststellen van de onderhoudsplicht of afbetalingscapaciteit, wordt in beginsel uitgegaan van de berekeningssystematiek die de rechterlijke macht gebruikt voor alimentatieberekening (Trema-normen).
  189. In afwijking van lid 3 wordt in ieder geval de volgende bepalingen gehanteerd: Specifieke onkostenvergoedingen bij haven- of andere industriële werkzaamheden worden niet meegenomen in de berekeningssystematiek. Kosten voor verzekeringen tot een bedrag van maximaal € 40 per maand voor partneralimentatie worden wel meegenomen in de berekeningssystematiek. Artikel 4.2.5 Invordering
  190. Het besluit tot verhaal bij schenking of nalatenschap vermeldt in ieder geval het te verhalen bedrag en de wijze waarop aan de betalingsverplichting moet worden voldaan.
  191. Het besluit tot verhaal inzake onderhoudsplicht vermeldt in ieder geval het bedrag aan onderhoudsplicht per maand, of ingeval van een afgesloten onderhoudsperiode, het totaalbedrag. Het besluit vermeldt tevens de wijze waarop aan de betalingsverplichting moet worden voldaan.
  192. De aflossingshoogte van een eventuele betalingsachterstand wordt individueel bepaald. Tenzij financieel onmogelijk dient de betalingsachterstand binnen vierentwintig maanden volledig te zijn afgelost.
  193. Indien na twee betalingsherinneringen niet volledig aan de betalings-verplichting is voldaan, zonder dat de debiteur heeft verzocht om een (andere) betalingsregeling, wordt de in rechte vastgestelde vordering overgedragen aan de deurwaarder, tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten.
  194. Het college ziet af van (verdere) invordering indien gedurende vijf aaneengesloten jaren in het geheel niet aan de betalingsverplichting is voldaan en er in de toekomst geen mogelijkheden tot inning aanwezig lijken. Paragraaf 4.3 Boeten Artikel 4.3.1 Bestuurlijke boete
  195. Indien de belanghebbende niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet, zonder dat als gevolg daarvan ten onrechte of te veel bijstand is verstrekt, wordt afgezien van het opleggen van een bestuurlijke boete. In plaats daarvan wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven.
  196. Het college legt een bestuurlijke boete op ter hoogte van 30% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand, indien de belanghebbende binnen de recidivetermijn als genoemd in artikel 18a, vierde lid van de wet, opnieuw de inlichtingenplicht schendt, zonder dat sprake is van een benadelingsbedrag. 5 Overige onderwerpen Artikel 5.1.1 Aanpassing bedragen In artikelen genoemde bedragen, kunnen door het hoofd van de afdeling Werk, Meedoen en Inkomen worden aangepast, voor zover het geen beleidsinhoudelijke aanpassingen betreft. Toelichting algemeen Ter uitwerking van de verschillende verordeningen in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) en van wetsartikelen Wwb waarbinnen aan het college beleidsruimte is gelaten, zijn beleidsregels opgesteld. In dit document zijn eveneens wetsartikelen uit de Ioaw (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers), de Ioaz (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen) en de Bbz (Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004), nader uitgewerkt. Dit zijn aan de Wwb gelieerde wet- en regelgevingen, die strekken tot inkomensondersteuning van specifieke doelgroepen. In onderhavig document “Inzoomen op de Wwb - Beleidsregels” worden de grenzen weergeven waarbinnen de uitvoering kan handelen. De beleidsregels geven tevens nadere uitleg en invulling aan de bevoegdheden van het college. Het college kan beleidsregels vaststellen omtrent zaken die tot zijn bevoegdheid behoren. Ook over uitleg en interpretatie van begrippen kunnen beleidsregels worden vastgesteld. Op deze wijze wordt willekeur voorkomen, maar is wel maatwerk mogelijk. De beleidsregels zijn in onderhavig document geclusterd binnen de beleidsterreinen re-integratie, inkomen, minimabeleid en handhaving. Naast de vier clusters, is een hoofdstuk toegevoegd, te weten ‘overige onderwerpen’. Hierin worden zowel inhoudelijke als procedurele onderwerpen behandeld. Voor zover het inhoudelijke afwegingen betreft, is interpretatie van wetsartikelen vastgelegd in beleidsregels. Voor zover het afwegingen over de wijze van uitvoeren betreft, worden deze neergelegd in uitvoeringsrichtlijnen. Interpretatie van wetsartikelen is geen echte beleidsvrijheid van de gemeente, maar is uiteindelijk voorbehouden aan de rechter. Wanneer er verschil van mening bestaat over de uitleg van een begrip, maakt de rechter uit in hoeverre de gemeente een wetsartikel correct heeft vertaald naar beleidsregels en uiteindelijk naar een individueel besluit. Voor vele begrippen in de Wwb, overgenomen uit de Algemene bijstandswet (Abw), is reeds interpretatie in de vorm van jurisprudentie aanwezig. Bij de invulling van beleidsregels is met deze interpretatie rekening gehouden. In de regels wordt gebruik gemaakt van de begrippen zoals genoemd in de Wet werk en bijstand en de Wwb verordeningen. De in de verordening genoemde begrippen zijn opgenomen in bijlage
  197. Toelichting artikelsgewijs 1 Beleidsregels re-integratie Ter invulling van de opdracht aan het college ten aanzien van re-integratie en participatie (artikel 2 van de Participatieverordening) kunnen beleidsregels worden opgesteld. Het betreft immers invulling van een collegebevoegdheid. Paragraaf 1.1: Doelgroepen Artikel 1.1.1: Bepaling van doelgroepen Binnen de doelgroep Wwb heeft het college een prioritering aangebracht. Alle jongeren tot 27 jaar (die aanspraak maken op een uitkering) zijn benoemd als prioriteitsgroep. Binnen deze groep wordt geen onderscheid gemaakt. Daarnaast zijn Wwb-uitkeringsgerechtigden die korter dan één jaar werkloos zijn benoemd als prioriteitsgroep. Volgens jurisprudentie (onder meer in JABW 2000/43 en 2002/62) is niet elk onderscheid naar leeftijd discriminatie. Indien onderbouwd, kan onderscheid geoorloofd zijn. Reden dat ouderen posterioriteit hebben zijn bijvoorbeeld medische beperkingen. En er is vaak een grote achterstand in opleiding en/of werkervaring. Velen hebben hun (arbeidsloos) leven op een prettige wijze ingericht en vaak maakt arbeid geen deel meer uit van hun toekomstbeeld. Van de zijde van de werkgevers is er weinig animo om ouderen te willen aannemen. Deze redenen maken het onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd, zeker omdat mensen die niet aan dit beeld voldoen en graag willen werken, niet worden uitgesloten van een traject. Indien de toegewezen trajecten voor deze doelgroep vol zitten, komt de persoon het kalenderjaar daarop aan de beurt. Artikel 1.1.2: Daklozen De gemeente Spijkenisse is centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang, openbare geestelijke gezondheidszorg en verslavingsbeleid (MO/OGGZ/VB) in Nederland. In verband hiermee kunnen daklozen uit de ZHE zich (conform de Wwb) inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Spijkenisse en gebruik maken van het door de gemeente beschikbaar gestelde briefadres (hierna te noemen ‘centraal postadres’) en hier hun post ophalen. Het centrale postadres is gevestigd op het adres van het gemeentehuis, de Raadhuislaan 106 te Spijkenisse. In dit artikel zijn nadere regels opgenomen die verbonden zijn aan de inschrijving op het centraal postadres van de gemeente Spijkenisse. In het eerste lid is bepaald dat het college alleen een briefadres beschikbaar stelt, indien betrokkene geen woning en geen structureel onderdak heeft. Tevens is het voor de inschrijving op het centraal postadres noodzakelijk dat de belanghebbende (mogelijk) recht heeft op een Wwb uitkering. Bestaat er geen (mogelijk) recht op Wwb uitkering, is het in het geheel niet mogelijk om op het centraal postadres van de gemeente ingeschreven te staan. Als deze beoordeling positief is, zal vervolgens de uitvoeringsafdeling aan de afdeling publiekszaken een advies uitbrengen oer het al dan niet inschrijven van de dakloze op het centraal postadres. Uiteindelijk is het aan de afdeling publiekszaken om hiernaar verder onderzoek te doen en te beslissen over eventuele inschrijving. In het tweede lid is bepaald in welke situaties het college inschrijving op het centraal postadres weigert of beëindigt. Dit is in ieder aan de orde indien een persoon thuisloos is. Dit betekent dat hij geen vast adres heeft om te verblijven maar wel structureel onderdak. Dit is het geval in de situaties onder a en b. Overigens, is een ‘vaste plaats’ als genoemd onder a, een ruim begrip. Bijvoorbeeld het verplaatsen van een boot binnen dezelfde haven, wordt eveneens gerekend tot een ‘vaste plaats’. Indien de belanghebbende aangeeft dat hij dakloos is maar uit GBA of andere systemen blijkt dat betrokkene ingeschreven staat op een adres of een briefadres heeft, is het niet mogelijk om de persoon in te schrijven op het centraal postadres (onder c en d). De gegevens uit het GBA en andere systemen (bijv. Suwinet) zijn altijd leidend. Maar ook bijvoorbeeld de gegevens die de persoon recentelijk heeft doorgegeven aan de gemeente of adresgegevens die op bankafschriften zijn terug te vinden, zijn leidend. In het tweede lid onder e en f is bepaald dat de inschrijving op het centraal postadres wordt beëindigd op het moment dat de aanvraag voor algemene bijstand wordt afgewezen of het recht op bijstand wordt ingetrokken dan wel beëindigd. Inschrijving op het centraal postadres is namelijk (onder meer) verbonden aan het recht op Wwb. In het kader van de inlichtingenplicht van artikel 17 van de wet moet de belanghebbende het college desgevraagd informeren over zijn feitelijke woonsituatie, alsmede over wijzigingen die hierin optreden. Nadere regels hierover zijn bepaald in het vierde lid. Belanghebbende moet in ieder geval telkens aannemelijk maken dat hij een adresloze is. Dit doet hij door aan te geven in welke straten/plaatsen hij doorgaans verblijf houdt. De dakloze vult hiertoe eens per maand een formulier in waarop hij aangeeft waar hij de afgelopen maand heeft verbleven. Daarnaast dient de belanghebbende eens per week zijn postbak leeg te halen. Het college kan ook besluiten een locatiebezoek af te leggen. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld als na het afleggen van het tweede locatiebezoek blijkt dat de belanghebbende daar niet verblijft. Indien belanghebbende aan de inlichtingverplichting niet of in onvoldoende mate voldoet en/of belanghebbende verblijft niet op de door hem zelf aangegeven plaatsen, zal het college hem in de gelegenheid stellen om alsnog inlichtingen te verstrekken. Als belanghebbende binnen de gestelde termijn (hersteltermijn) nog steeds geen inlichtingen verstrekt, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en zal de Wwb uitkering worden beëindigd. In het vijfde lid is bepaald dat het college aanvullende (nadere) verplichtingen op kan leggen. De verplichtingen als bedoeld onder b en c worden altijd opgelegd. Zo kan het college de dakloze verplichten, indien hij deelneemt aan een participatievoorziening, om te verblijven in de maatschappelijke opvang (daklozenopvang). Dit kan het college noodzakelijk achten omdat het van belang is dat de belanghebbende, in het kader van zijn arbeidsverplichting, een dak boven zijn hoofd heeft en het college belanghebbende kan traceren. Maximaal 8 nachten per maand hoeft de dakloze niet in de opvang te verblijven. Indien deze verplichting is opgelegd en de dakloze heeft meer dan 8 nachten niet in de opvang verbleven kan een maatregel worden opgelegd. Als de daklozen in het geheel niet heeft verbleven in de opvang, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en de bijstand worden beëindigd (na bieden van hersteltermijn). Overigens, zal het college de verplichting om te verblijven in een opvangvoorziening, niet opleggen als er geen plaats is in deze voorziening. Dit is bepaald in het zesde lid. Het college kan de belanghebbende ook de verplichting opleggen om mee te werken aan een zogenaamd hersteltraject, dit eveneens in verband met zijn arbeidsinschakeling (vijfde lid onder b). Met een hersteltraject wordt een traject bedoeld waarbij de belanghebbende werkt aan het oplossen van de problemen die hij heeft, bijvoorbeeld psychische problematiek, verslavingsproblematiek of schuldenproblematiek. Ook kan het college besluiten om aan de belanghebbende de verplichting op te leggen om actief op zoek te gaan naar woonruimte, waarvoor belanghebbende op regelmatige basis bewijsstukken dient te overleggen (vijfde lid onder c). Artikel 1.1.3: Zoektermijn personen tot 27 jaar Met de inwerkingtreding van het Wetsvoorstel tot wijziging van de Wwb en samenvoeging van deze wet met de Wij per 1 januari 2012, heeft de Regering, naast het samenvoegen van de Wwb met de Wij (en het als gevolg daarvan intrekken van de Wij), de verplichtingen voor jongeren tot 27 jaar, aangescherpt. Ondermeer is voor de jongere tot 27 jaar, een zoektermijn van 4 weken ingevoerd (vanaf de datum van melding bij het jongerenloket). In deze periode dient de jongere aantoonbare inspanningen te verrichten om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en zijn mogelijkheden voor de terugkeer naar regulier onderwijs te onderzoeken. Het college heeft ten aanzien van een aantal elementen die samenhangen met voornoemde zoektermijn, beleidsvrijheid om hieraan invulling te geven. Na afloop van de vier weken zoektermijn kan de jongere een aanvraag indienen. In het eerste lid is bepaald dat de jongere de aanvraag voor algemene bijstand zo spoedig mogelijk indient nadat zijn zoektermijn van 4 weken is verstreken. Dit doet de jongere uiterlijk binnen een termijn van 2 weken na het aflopen van deze zoektermijn. In het tweede lid is geregeld dat indien binnen twee weken na het aflopen van de zoektermijn geen aanvraag wordt ingediend, ervan wordt uitgegaan dat de jongere geen uitkering meer nodig heeft. Voor aanvragen die later worden ingediend, geldt een nieuwe zoektermijn. Op grond van artikel 41 lid 4 kan de jongere de aanvraag niet eerder indienen dan vier weken na de melding. Wil de jongere eerder dan na afloop van de vier weken een aanvraag indienen, kan het college besluiten deze niet in behandeling te nemen. Dit wordt ook direct medegedeeld aan de jongere. Wordt de aanvraag onverhoopt toch in ontvangst genomen, dan zal het college na afloop van de vier weken constateren dat ze over te weinig gegevens beschikt om het recht op bijstand vast te stellen (artikel 43 lid 4 Wwb). Het college kan dan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen (artikel 4.5 Awb). Dit is bepaald in het derde lid. In feite geldt dit laatste ook voor het gezin, waarvan de jongere onderdeel uitmaakt. Indien het gezin, naast de jongere, bestaat uit één of meer personen van 27 jaar of ouder, dient het gezin direct bij de melding de aanvraag in voor algemene bijstand. De verplichtingen voor de jongere, die samenhangen met de vier weken zoektermijn, blijven evengoed van toepassing voor deze jongere. Indien de jongere na vier weken geen of onvoldoende inlichtingen verstrekt die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand, kan het college, gelet op het feit dat niet alle benodigde gegevens van alle gezinsleden aanwezig zijn, het recht op bijstand niet vaststellen. De aanvraag zal derhalve buiten behandeling worden gelaten. In de situatie waarin de jongere na vier weken onvoldoende of geen inspanningen blijkt te hebben geleverd, zal een maatregeloverweging plaatsvinden op grond van de handhaving- en maatregelverordening Wwb. Artikel 1.1.4: Scholingsplicht jongeren tot 27 jaar Met de inwerkingtreding van het Wetsvoorstel tot wijziging van de Wwb en samenvoeging van deze wet met de Wij per 1 januari 2012, heeft de Regering, naast het samenvoegen van de Wwb met de Wij (en het als gevolg daarvan intrekken van de Wij), de verplichtingen voor jongeren tot 27 jaar, aangescherpt. Ondermeer is voor de jongere tot 27 jaar, een zoektermijn van 4 weken ingevoerd (vanaf de datum van melding bij het jongerenloket). In deze periode dient de jongere aantoonbare inspanningen te verrichten om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en zijn mogelijkheden voor de terugkeer naar regulier onderwijs te onderzoeken. Per 1 juli 2012 is de zoektermijn uitgebreid met het feit dat de jongere ook zijn mogelijkheden voor het volgen van regulier door het Rijk bekostigd onderwijs moet onderzoeken. Het college heeft ten aanzien van voornoemde wetgeving beleidsvrijheid waar het het ijkpunt betreft welke de gemeente hanteert voor het bepalen of terugkeer naar school wenselijk is. Vanuit de praktijk is gebleken dat werkgevers veelal een doelgericht diploma vragen van hun sollicitanten. Om deze reden is dan ook gekozen voor het principe dat jongeren een beroepskwalificatie dienen te behalen. Een beroepskwalificatie is scholing op MBO2-, MBO3- , MBO4-, HBO- of WO- niveau welke met diploma is afgerond. Jongeren die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn en als gevolg hiervan geen scholing kunnen volgen komen in aanmerking voor een Wajong-uitkering. Dit geldt als voorliggende voorziening op de Wwb. In artikel 9 lid 2 van de wet is bepaald dat het College een tijdelijke ontheffing kan verlenen op de arbeidsverplichtingen mits hier dringende redenen voor aanwezig zijn. Het is reëel om ditzelfde principe te hanteren voor de scholingsplicht. Een dringende reden wordt in ieder geval aanwezig geacht indien betrokkene een dagbehandeling volgt voor medische- of psychische problematiek welke het onmogelijk maakt op reguliere scholing te volgen. De ontheffing van de verplichting tot terugkeer naar school wordt voor de duur van maximaal 12 maanden verleend. Hierna moet de situatie opnieuw beoordeeld worden. Artikel 1.1.5: Persoonsgebonden Re-integratiebudget (PRB) Doelstelling van het PRB is het vergroten van uitstroom door meer maatwerk te leveren. De cliënt kan zelf bepalen van welke voorziening gebruik wordt gemaakt en bij welk re-integratiebureau of scholingsinstituut dit wordt ingekocht. Door invloed op de re-ïntegratie voelt de cliënt zich verantwoordelijk en is daardoor meer gemotiveerd. De verwachting is dat er een grotere kans op succes is van het traject en cliënten langduriger zullen uitstromen. Uit ervaring van andere gemeentes is gebleken, dat het gebruik van het PRB veel vraagt van de cliënt. Om de kans op succesvol gebruik van het PRB te vergroten zal klant door zijn/ haar klantmanager worden begeleid. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor zijn re-ïntegratie. Om het traject niet onnodig lang te laten duren, is een termijn van 6 weken verbonden aan het aanmaken van een trajectplan. Uiteraard zijn er regelmatig voortgangsgesprekken tussen klant en klantmanager. Op het PRB zijn de reguliere regels van de verordening handhaving, maatregelen en boeten Wwb 2013 van toepassing. De facturatie wordt zonder tussenkomst van de klant geregeld. De prijzen zijn in het trajectplan genoemd, waardoor de klant wel op de hoogte is van de kosten van het traject. Om te voorkomen dat belanghebbende moet voorschieten, of een (groot) bedrag op zijn/haar rekening voor andere doeleinden dan re-ïntegratie gaat gebruiken, is ervoor gekozen de financiële afwikkeling rechtstreeks met de uitvoerder te regelen. Het PRB kan niet worden toegekend op het moment dat de klant een ander traject in het kader van zijn re-integratie volgt. Niemand kan twee trajecten tegelijkertijd volgen. Als belanghebbende reeds eerder een PRB heeft gehad en deze minder dan twaalf maanden geleden is beëindigd, komt hij niet in aanmerking voor een nieuw PRB. Als belanghebbende langer geleden een PRB heeft gehad, kunnen de ervaringen van toen wel worden meegewogen bij het besluit tot toekenning of afwijzing op grond van het tweede lid. Paragraaf 1.2: Verplichtingen Artikel 1.2.1: Ontheffing van de arbeidsplicht In artikel 9a van de wet is bepaald onder welke omstandigheden door de alleenstaande ouder ontheffing van de arbeidsplicht, als bedoeld in artikel 9 eerste lid van de wet, kan worden aangevraagd. De re-integratieplicht, als bedoeld in artikel 9 lid 2 van de wet blijft onveranderd gelden. Wanneer de alleenstaande ouder niet beschikt over een startkwalificatie, is door de wetgever bepaald dat de re-integratieplicht wordt ingevuld met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert. Alleenstaande ouders hebben hierdoor de keuze tussen het verrichten van arbeid in combinatie met de zorg voor een kind of het voorbereiden op de terugkeer naar de arbeidsmarkt door het vergroten van kwalificaties met behulp van scholing, in combinatie met de zorg voor een kind. Het kabinet wil hiermee bereiken dat alleenstaande ouders die geen startkwalificatie hebben, van deze mogelijkheid gebruik maken om alsnog een startkwalificatie te behalen. Hiermee verbetert de arbeidsmarktpositie van de alleenstaande ouder. De scholing wordt ingezet, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat. Om willekeur te voorkomen zijn hiervoor objectieve criteria geformuleerd. Deze zijn opgenomen onder a en b. De scholing wordt geacht de krachten of bekwaamheden te boven te gaan wanneer de scholing de intellectuele vermogens van de alleenstaande ouder te boven gaat. Dit kan worden vastgesteld aan de hand van een IQ-test. Tot slot wordt ook gekeken naar een periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag. Wanneer daarin is te zien dat de alleenstaande ouder bijv. meerdere keren is gestart met een opleiding en deze voortijdig heeft afgebroken, kan dit een signaal zijn dat het niveau te hoog is. Er is gekozen voor een relatief korte periode, omdat het niet afronden van een opleiding ook kan zijn veroorzaakt door motivatieproblemen die nu niet meer aanwezig zijn. De alleenstaande ouder wordt dan alsnog een kans geboden. Wanneer uit de houding of gedragingen van de belanghebbende blijkt dat deze de re-integratieverplichting niet nakomt, vervalt de ontheffing. Dit kan bijv. zijn wanneer de belanghebbende zich niet houdt aan gemaakte afspraken of ongewenst gedrag vertoont. Wanneer dit zich de eerste keer voordoet, wordt een maatregel opgelegd. Hiermee wordt de belanghebbende een kans gegeven op verbetering van het gedrag. In geval van recidive wordt overgegaan tot opschorting van de ontheffing. Artikel 1.2.2: Plicht tot tegenprestatie Met de inwerkingtreding van het Wetsvoorstel tot wijziging van de Wwb en samenvoeging van deze wet met de Wij per 1 januari 2012, is de zogenaamde ‘plicht tot tegenprestatie’ ingevoerd. Op grond van artikel 9, eerste lid onder c van de Wwb, kan het college van de belanghebbende een tegenprestatie naar vermogen vragen, in de vorm van het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Het gaat daarbij om werkzaamheden die naast of in aanvulling op reguliere arbeid worden verricht en niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De plicht tot tegenprestatie bestaat naast de arbeids- en re-integratieverplichting. Met de invoering van deze nieuwe verplichting is de eigen verantwoordelijkheid nog meer onderstreept en zijn de verplichtingen die tegenover een uitkering staan aangescherpt. Het college maakt (vooralsnog) geen gebruik van zijn bevoegdheid om belanghebbenden een tegenprestatie naar vermogen te verplichten in de vorm het uitvoeren van bepaalde nuttige werkzaamheden. Niet uitgesloten wordt, dat in de toekomst wel van deze mogelijkheid gebruik zal worden gemaakt. In feite wordt met de plicht tot tegenprestatie geregeld dat kortdurende onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan uitkeringsgerechtigden, waarvoor deze werkzaamheden in principe geen bereidheid bestaat om loon te betalen. De organisatie en invulling van deze plicht tot tegenprestatie, vraagt om de nodige inzet van- en capaciteit in de uitvoering. Dit is direct het voornaamste bezwaar waardoor op dit moment geen gebruik wordt gemaakt van deze bevoegdheid., Mogelijk besluit het college op een later moment (in de loop van 2012) alsnog gebruik te maken van deze bevoegdheid, en zal de plicht tot tegenprestatie bijvoorbeeld worden ingezet als instrument bij de bestrijding van fraude. Paragraaf 1.3: Premies en subsidies Artikel 1.3.1: Loonkostensubsidie en scholingsbudget Het participatiebeleid is gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid. Daar waar inwoners niet zelfredzaam zijn op één of meer leefgebieden, heeft de gemeente de taak de zelfredzaamheid te stimuleren. Wederkerigheid en de eigen verantwoordelijkheid staan centraal. Van iedereen die een beroep doet op een inkomensvoorziening, verwachten we een teruggave aan de gemeente. Bij deze uitgangspunten en verplichtingen is een ‘sober’ premiebeleid geformuleerd. Het verstrekken van een loonkostensubsidie en/of scholingsbudget, blijft tot de mogelijkheden behoren. Regionaal zijn er afspraken gemaakt over de hoogte van de vergoedingen. Zowel de gemeenten op Voorne-Putten als de gemeente Rotterdam hanteren dezelfde bedragen, zodat er een eenduidig beleid is richting werkgevers en het voor de werkgever niet loont om te gaan ‘shoppen’. Het werkgeversservicepunt bepaalt of de werkgever in aanmerking komt voor een loonkostensubsidie en/of scholingsbudget, en stelt eveneens de hoogte vast. De maximale hoogte van de loonkostensubsidie en/of het scholingsbudget bedraagt € 7.000,-. Afhankelijk van het oordeel van het college ten aanzien van de vergoeding die door de werkgever benodigd is, kan één van beide vergoedingen geboden worden, of een combinatie van beide vergoedingen. De accountmanager van het werkgeversservicepunt kan lagere bedragen verstrekken dan de maximale hoogte van de vergoeding, echter de loonkostensubsidie en het scholingsbudget te samen, bedragen nooit meer dan € 7.000,-. Voor het vaststellen van de hoogte van de vergoeding wordt door het college een aantal aspecten meegewogen, die gegronde redenen vormen om de vergoeding neerwaarts bij te stellen. Eén van deze aspecten ligt op terrein van de begeleiding die de werkgever aan de klant dient te bieden, om hem of haar de functie naar behoren uit te laten voeren. Indien de begeleiding meer vraagt van de werkgever, is het redelijk om een hogere vergoeding te verstrekken (niet hoger dan het gestelde maximum). Ook kan de duur van het dienstverband, een reden vormen om de loonkostensubsidie te matigen. De hoogte van de loonkostensubsidie is tevens afhankelijk van de inzet van overige werkgeversvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld de proefplaatsing of het bieden van nazorg nadat de klant geplaatst is. De werkgever kan de loonkostensubsidie en/of scholingsbudget niet zelf aanvragen en kan geen rechten ontlenen aan het bestaan van de vergoeding. Het college (accountmanager WSP) stelt voorafgaand aan het dienstverband met de uitkeringsgerechtigde, vast of de werkgever in aanmerking komt voor een vergoeding en bepaalt de samenstelling en hoogte van deze vergoeding. Voorafgaand aan het dienstverband ontvangt de werkgever hierover een beschikking. In de Participatieverordening, zijn voorwaarden opgenomen waaraan de werkgever tenminste moet voldoen, om in aanmerking te komen voor een werkgeversvoorziening, zoals de loonkostensubsidie en/of scholingsbudget. De werkgever dient ingeschreven te staan bij de Kamer van Koophandel. Verder dient de werkgever met de uitkeringsgerechtigde een regulier dienstverband aan te gaan voor tenminste zes maanden en dient met dit dienstverband uitkeringsonafhankelijkheid te ontstaan, of beslaat dit het maximaal aantal uren per week dat de persoon op grond van een onafhankelijk medisch-arbeidsdeskundig advies mag werken. De loonkostensubsidie wordt uitbetaald na afloop van iedere drie maanden van het dienstverband, nadat is gebleken dat de persoon nog steeds in dienst is. Tenzij het college een andere wijze en een ander moment van uitbetaling bepaalt. Dit wordt voorafgaand aan het dienstverband in een beschikking vastgelegd. De eerste betaling vindt voor het eerst plaats drie maanden na het aangaan van het dienstverband. Of er nog steeds een dienstverband bestaat, wordt door de gemeente via Suwinet geverifieerd. Als de persoon maar een deel in dienst is gebleven, bestaat naar rato recht op uitbetaling van de loonkostensubsidie. Uitbetaling vindt dan plaats voor geheel gewerkte maanden. Met betrekking tot het scholingsbudget vindt in principe uitbetaling plaats nadat de werkgever de nota heeft ingediend bij de gemeente. De nota dient betrekking te hebben op de scholingskosten. De vergoeding wordt aan de werkgever, ten behoeve van een bepaalde belanghebbende maar één keer toegekend. Dit betekent dat verlenging van een contract geen verlenging van de vergoeding oplevert. De reden hiervoor is dat reguliere arbeidsplaatsen worden ingevuld en geen additionele arbeidsplaatsen worden gecreëerd. De werkgever kan wel wegens het in dienst nemen van (nog) een andere uitkeringsgerechtigde opnieuw premie ontvangen. Daarbij zal het college echter afwegen in hoeverre dit noodzakelijk wordt geacht. Artikel 1.3.2: Toepassing inkomstenvrijlating De Wwb kent in artikel 31, lid 2 sub o Wwb een vrijlatingsbepaling, waarvan toepassing is voorgeschreven. De inhoud van de vrijlating is volledig uitgewerkt. Aan de gemeente is (slechts) de bevoegdheid gegeven te bepalen in welke gevallen/situaties zij van oordeel is, dat de vrijlating een bijdrage levert aan de arbeidsinschakeling en / of uitstroom uit de bijstand. In het eerste lid is opgenomen dat in alle gevallen de inkomstenvrijlating wordt toegepast. Door het verrichten van arbeid in dienstbetrekking wordt een band met de arbeidsmarkt tot stand gebracht, hetgeen in het algemeen bijdraagt aan de kansen op volledige uitstroom. Geen mogelijkheid wordt gezien voor een terughoudend gebruik van de vrijlating in de zin dat de toepassing van de vrijlating afhankelijk gesteld kan worden van het realiseren van volledige uitstroom. Door het verrichten van arbeid in dienstbetrekking wordt de band met de arbeidsmarkt tot stand gebracht. Dit leidt tot directe persoonlijke contacten met de werkende wereld en levert werkervaring op; beide moeten worden geacht een bijdrage te kunnen leveren aan volledige uitstroom. Hantering van een onderscheid tussen tijdelijk en vast werk is ongewenst, aangezien enerzijds het contraproductief zou kunnen blijken tijdelijk werk meer te stimuleren dan vast werk (de belanghebbende zou in de verleiding kunnen komen de voorkeur te geven aan uitzendwerk boven vast werk), terwijl anderzijds een vaste deeltijdbaan mogelijk minder snel tot een zodanige uitbreiding van de werkzaamheden zal leiden dat volledige uitstroom mogelijk is. Het hanteren van een onderscheid is bovendien onpraktisch omdat het extra onderzoek vergt en het veelal lastig zal zijn vast te stellen of werk vast of tijdelijk is en er situaties zijn waarin het in elkaar overloopt (tijdelijk werk kan omgezet worden in vast werk en vast werk kan door ontslag in proeftijd feitelijk een kortere periode blijken te betreffen). Aanleiding voor het niet toepassen van de vrijlating zou kunnen bestaan indien het deeltijdwerk van de belanghebbende het maximaal haalbare is omdat hij vooralsnog niet meer dan die uren belast kan worden. Echter, ook in die situatie kan het deeltijdwerk toch geacht worden op termijn (nadat de belastbaarheid groter geworden is) bij te dragen aan de volledige uitstroom. Ingangsdatum is de eerste van de maand waarin de inkomsten worden gekort op de uitkering. Indien het derde lid onverkort wordt toegepast, moet ook op inkomsten die zijn verzwegen maar die zijn ontdekt door het college, de inkomstenvrijlating worden toegepast. Belanghebbende heeft echter inkomsten verzwegen, veelal met het doel een hoger totaalinkomen te verwerven dan wettelijk mogelijk is. Belanghebbende is hiermee gericht op het vergroten van het inkomen en niet op vergroting van de kans op arbeidsinschakeling en daarmee (gedeeltelijke) uitstroom uit de bijstand. Daarmee kan worden aangenomen dat het toepassen van de inkomstenvrijlating niet bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van belanghebbende. Het toepassen van de inkomstenvrijlating is in die gevallen dan ook niet aan de orde (vierde lid). In artikel 31, vijfde lid van de Wwb is geregeld dat jongeren tot 27 jaar, niet in aanmerking komen voor premies, vergoedingen voor vrijwilligerswerk en inkomstenvrijlatingen. De Regering vindt dat deze niet bijdragen aan de arbeidsinschakeling voor jongeren. Het vijfde lid heeft hier betrekking op Artikel 1.3.3: Eenmalige toekenning inkomstenvrijlating De formulering van de wettelijke bepaling is zodanig, dat ruimte voor interpretatie bestaat over het aantal maal dat de vrijlating kan worden toegepast: de formulering dat de vrijlating voor maximaal zes maanden aaneengesloten wordt toegepast, duidt op eenmaligheid, maar herhaling van de vrijlating is formeel niet uitgesloten. Bij eenmalig kan gedacht worden aan: per keer dat werk is aangevangen, maar ook per jaar of per uitkeringsperiode (dus zo veel maal als – na een onderbreking - een afzonderlijk recht op uitkering wordt vastgesteld) of absoluut (tijdens het leven van de belanghebbende, dan wel zolang de Wwb bestaat). De optie ‘iedere keer dat ander werk wordt aanvaard’, verdraagt zich niet goed met het uitgangspunt dat de periode van zes maanden een begin en eindpunt kent, ongeacht of de inkomsten tussentijds wegvallen. Wanneer er daarna weer inkomsten uit arbeid zijn binnen zes maanden nadat de vrijlating is ingegaan, geldt de vrijlating alleen voor de nog resterende periode (tot de datum gelegen zes maanden na de oorspronkelijke ingangsdatum). Die beperking is niet effectief indien nieuw werk opnieuw recht op zes maanden vrijlating zou geven. Deze invulling kan dus niet beoogd zijn en is derhalve geen reële optie. Een variant daarop zou zijn eenmalig per jaar; als de wetgever dit beoogde zou het voor de hand hebben gelegen dit in de wettekst op te nemen, analoog aan een dergelijke tijdsbepaling in de onderdeel j. van hetzelfde artikellid. Wij menen te moeten concluderen dat dit niet is beoogd. Absoluut eenmalig stelt ons in de praktijk voor onmogelijkheden bij de uitvoering; immers, dan zouden wij de gegevens over de inkomensvrijlating te eeuwigen dage moeten bewaren, ook al is de uitkering allang beëindigd. Het lijkt ook niet logisch in de zin, dat als na verloop van lange tijd - en onder volkomen andere omstandigheden - weer bijstand ontvangen wordt en weer uitstroom gewenst is, de vrijlating niet meer als stimulans gebruikt zou kunnen worden. Blijft over de mogelijkheid van eenmaal per uitkeringsperiode; dat lijkt ook redelijk, omdat er daarbij niet van uitgegaan kan worden, dat de omstandigheden globaal genomen hetzelfde zijn en het middel ter stimulering opnieuw op zijn plaats is. In deze situatie is de belanghebbende volledig uitgestroomd, maar - door omstandigheden die bij de toegang tot de bijstand zijn beoordeeld – teruggekeerd in de bijstand. Er bestaat dan een situatie waarin opnieuw behoefte bestaat aan stimulering van de uitstroom.Hiermee wordt voorkomen dat de calculerende burger nooit volledig uitstroomt en toch meermalen gebruikt maakt van de vrijlating; in zo’n situatie kan bovendien geconcludeerd worden dat de vrijlating in casu zijn stimulerende werking niet heeft waargemaakt. Aangezien ook na een betrekkelijk korte periode van onderbreking een nieuw recht op uitkering kan bestaan, zou toch een ongewenste snelle opeenvolging van vrijlatingsperioden kunnen ontstaan. Daarom is in het tweede lid gedefinieerd welke situaties aangemerkt kunnen worden als dezelfde bijstandsperiode. In de situaties als bedoeld onder a, c en d geldt dat tenminste één persoon binnen het (nieuwe) huishouden ononderbroken bijstand heeft ontvangen, wellicht in een andere vorm of van een andere gemeente. Het is daarom vanzelfsprekend dat deze situaties worden aangemerkt als eenzelfde uitkeringsperiode. De situatie als onder b betreft feitelijk wel een onderbreking, maar in alle gevallen een onderbreking waarin niet mag worden aangenomen dat aan re-integratie kon worden gewerkt. Er mag dan ook van worden uitgegaan dat de uitgangssituatie in de bijstand, na de onderbreking vanwege onder b genoemde redenen, over het algemeen ongewijzigd is gebleven. Dit rechtvaardigt te kunnen aannemen dat het in dit geval gaat om eenzelfde uitkeringsperiode. Een uitvloeisel uit het eerdere standpunt dat een eenmaal toegekende vrijlatingsperiode van zes maanden blijft gelden ongeacht of die in de tussentijd effectief is, kan betekenen dat bij de nieuwe vaststelling van het recht op uitkering binnen de termijn van zes maanden na de ingangsdatum van de vrijlating, de oude vrijlatingsperiode nog doorloopt. Bij inkomsten uit arbeid binnen die periode kan de vrijlating dan nog enige tijd gelden, maar in die resterende periode noch daarna wordt bij de aanvang van werk een nieuwe complete vrijlatingsperiode van toepassing Artikel 1.3.4: Vrijlating inkomsten alleenstaande ouder Op grond van artikel 31, eerste lid onder r van de Wwb, artikel 8, vijfde lid van de Ioaw en artikel 8, negende lid van de Ioaz, is het college bevoegd om een inkomstenvrijlating toe te passen op het inkomen van de alleenstaande ouder met ten laste komende kinderen tot 12 jaar, indien het inkomsten uit deeltijdarbeid betreft. Om in aanmerking te komen voor de inkomstenvrijlating alleenstaande ouder, dient de alleenstaande ouder de zorg te hebben voor een of meer ten laste komende kinderen tot 12 jaar, en reeds de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid onder n van de Wwb, ontvangen te hebben. Het college bepaalt of de inkomstenvrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van belanghebbende en op termijn een volledige uitstroom uit de uitkering. Het college maakt geen gebruik van deze bevoegdheid. Hiervoor zijn een drietal redenen aan te voeren. Als eerste maakt de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar, evenals alle uitkeringsgerechtigden zonder ten laste komende kinderen, gebruik van de reguliere inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 1.2.1 (artikel 31, twee de lid onder n van de Wwb), indien sprake is van het verrichten van deeltijdarbeid. Een periode van 6 maanden, zoals geldt voor de toepassing van de ‘reguliere’ inkomstenvrijlating, acht het college voldoende om urenuitbreiding te verkrijgen. Of, indien dit niet lukt, tenminste zorg te dragen voor voldoende voorzieningen als kinderopvang of buitenschoolse opvang, die het mogelijk maken om zorg en arbeid te combineren. Ten tweede heeft de alleenstaande ouder die deeltijdarbeid verricht, recht op diverse minimavoorzieningen. Het daarnaast toepassen van een extra inkomstenvrijlating voor een langdurige periode, werkt contraproductief, in de zin dat het onaantrekkelijk wordt voor de alleenstaande ouder om op korte termijn fulltime aan het werk te gaan. Tot slot, brengt het toepassen van een extra vrijlating van inkomsten voor de alleenstaande ouder, een rechtsongelijkheid ten opzichte van andere doelgroepen met zich mee. Zo ontvangt de alleenstaande ouder die in deeltijd werkt en een ten laste komend kind heeft in de leeftijd van 13 of 14 jaar, niet deze inkomstenvrijlating. Maar ook personen die slechts gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn vanwege een beperking, ontvangen niet deze extra inkomstenvrijlating. Om rechtsongelijkheid te voorkomen, acht het college het onwenselijk om voor de doelgroep alleenstaande ouders een extra vrijlating toe te passen, te meer omdat deze niet noodzakelijkerwijs bijdraagt aan de arbeidinschakeling als het deeltijdwerk langer voortduurt dan 6 maanden. 2 Beleidsregels Inkomen De beleidsregels inzake inkomen geven nadere invulling aan begrippen uit de Toeslagen en verlagingenverordening
  198. De opgenomen beleidsregels betreffen de wijzigingen van norm of toeslag (paragraaf 2.1), de vorm van bijstand (paragraaf 2.2) en middelen (paragraaf 2.3). Paragraaf 2.1: Wijziging van norm of toeslag Artikel 2.1.1: Kamerhuurder De woning waarin de kamerhuurder een kamer huurt moet minimaal bestaan uit 3 kamers. Dit omdat er voor zowel de hoofdbewoner als de kamerhuurder voldoende privacy moet bestaan. In een driekamerwoning is er een ‘extra’ slaapkamer die verhuurd kan worden. Het moet hier wel een officiële en feitelijke driekamerwoning zijn. Dit betekent dat een officieel als driekamerwoning verhuurde woning, maar waarvan een muur is doorgebroken, niet geldt als driekamerwoning. Hier is wederom te weinig privacy om kamerhuur te kunnen ondersteunen. Ook een officiële tweekamerwoning met een inzetwand geldt niet als een driekamerwoning. Om te kunnen worden aangemerkt als kamerhuurder, moet de overeenkomst tussen de kamerhuurder en de kamerverhuurder aan bepaalde eisen voldoen. De huurovereenkomst moet zijn opgemaakt overeenkomstig het model van de gemeente Spijkenisse (opgenomen in bijlage 2). Deze overeenkomst moet volledig zijn ingevuld en door de kamerhuurder en de kamerverhuurder zijn ondertekend. Reden om een modelovereenkomst voor te schrijven is dat hierin alle benodigde gegevens staan die nodig zijn om te bepalen of belanghebbende kamerhuurder is. Ook staat hierin de eis genoemd dat het kamerhuurbedrag maandelijks via de bankrekening wordt overgemaakt. Hiermee is controle op betaling van het bedrag mogelijk. Ook moet een bewijsstuk worden bijgevoegd waaruit blijkt dat de onder(ver)huur rechtmatig is. Het college wil niet meewerken aan illegale onder(ver)huur van een huurwoning. Door vooraf een bewijs te vragen aan belanghebbende dat toestemming bestaat voor de kamerhuur, kan met redelijke zekerheid worden aangenomen dat de situatie legaal is. Legale onder(ver)huur kan worden aangetoond door bijvoorbeeld een verklaring van het kadaster, waaruit blijkt dat de kamerverhuurder de eigenaar is van de woning (kadaster is openbaar). Bij een huurwoning moet een verklaring van de woningbouwcorporatie of andere verhuurder van de totale woning worden overgelegd. De belanghebbende die woont bij het Leger des Heils, wordt geacht zodanige woonkosten te hebben dat dit overeenkomstig een alleenwonende moet worden vastgesteld (maximale toeslag). Artikel 2.1.2: Co-ouderschap Als co-ouder beschouwen wij de ouder, die niet de volledige zorg heeft, maar die toch een substantieel deel van de zorg op zich neemt. Op basis hiervan zal de uitvoering van een ‘eenvoudige’ bezoekregeling niet tot het oordeel leiden, dat geen sprake is van volledige zorg door de andere ouder. Wanneer de mate waarin een ouder de zorg op zich neemt zodanig is, dat de situatie van deze ouder weinig verschilt van die van de ouder, die de volledige zorg voor een kind heeft, wordt de belanghebbende geacht de volledige zorg te hebben en alleenstaande ouder te zijn en vindt de bijstandsverlening dus volgens de basisnorm alleenstaande ouder plaats. De grens tussen de beide vormen van bijstandsverlening - op basis van het verschil in omvang van de zorg - ligt bij 4,5 dag per week. Hierbij wordt niet gekeken naar de kosten die een ouder maakt voor de zorg, omdat niet van de ouder mag worden verwacht dat deze alle gemaakte kosten aantoont. Wanneer meer zorgtaken worden geboden dan van een reguliere omgangsregeling wordt verwacht, maar minder dan 4,5 dag per week, moet de norm aan de situatie worden aangepast. Er ontstaat dan een situatie die varieert tussen de norm alleenstaande en de norm alleenstaande ouder. De mate van variatie hangt af van de tijd die belanghebbende aan zorgtaken besteedt. De omvang van de zorg wordt in beginsel op jaarbasis bepaald. Hierbij wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de (geplande) feitelijke situatie; rekening wordt gehouden met structurele zorg en incidentele zorg (bijv. invulling zorgtaken tijdens de vakantieperiodes). In de praktijk zal het vrijwel onvermijdelijk zijn dat wekelijks zorgtaken worden uitgevoerd. In verband met een eenduidige uitvoering is gekozen de van toepassing zijnde vermogensgrens te koppelen aan de verstrekte basisnorm. Dit betekent dat voor een ouder die als alleenstaande ouder wordt gezien (minimaal 2/3 van de tijd zorgtaken uitvoert), de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder van toepassing is. In gevallen van minder dan 2/3 tijd zorgtaken is de vermogensgrens van een alleenstaande aan de orde. Hierbij is niet van belang of de norm is aangepast op grond van het derde lid van dit artikel. Artikel 2.1.3: Bijstand aan kinderen van minderjarigen Een alleenstaande ouder, jonger dan 18 jaar, die bij zijn/haar ouders inwoont, heeft geen zelfstandig recht op bijstand. De ouders zijn immers nog onderhoudsplichtig ten opzichte van hun kind. De ouders zijn echter niet onderhoudsplichtig ten opzichte van hun kleinkind. Als de minderjarige alleenstaande ouder niet zelf over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het kind te voorzien en ook de andere ouder kan niet bijdragen aan de onderhoudskosten van het kind, wordt voor dit kind algemene bijstand verleend. De hoogte van de bijstand is de norm alleenstaande ouder van 18 jaar, minus de norm alleenstaande van 18 jaar. Dit bedrag is namelijk gebaseerd op de kosten van een kind. De kosten van een kind zijn voor een 17-jarige ouder niet anders dan voor een 18-jarige ouder, wanneer de ouder bij diens ouders inwoont. Daarom is aansluiting gezocht bij het landelijk vastgestelde bedrag. Er is geen recht op aanvullende bijzondere bijstand. Zodra de ouder 18 jaar wordt, heeft deze een zelfstandig recht op bijstand. Afhankelijk van diens leefsituatie, wordt de bijstand voor de alleenstaande ouder vastgesteld. Deze situatie behelst niet de bijstand aan een zelfstandig wonende (minderjarige) alleenstaande ouder. In dat geval wordt de bijstand (indien het zelfstandig wonen noodzakelijk is) afgestemd op de individuele situatie (CRvB 20-05-2003 –JABW 2003/194). Paragraaf 2.2: Vorm van bijstand Artikel 2.2.1: Algemene leenbijstand Het komt alleszins redelijk voor van de wettelijke mogelijkheden maximaal gebruik te maken. In het geval van artikel 48, tweede lid sub a van de Wwb is het volstrekt redelijk dat de bijstand wordt terugbetaald, als de reden voor bijstandsverlening over de betreffende periode slechts tijdelijk is (binnenkort worden middelen ontvangen). De verlening van bijstand zou niet eens plaatsvinden als al eerder over de middelen zou kunnen worden beschikt. In artikel 48, tweede lid sub b van de Wwb vindt geen verlening van bijstand plaats als de belanghebbende niet tekortgeschoten was in zijn besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Het wordt (in zijn algemeenheid) redelijk geacht dat belanghebbende zelf de nadelige gevolgen van dergelijk handelen draagt. Met betrekking tot onderdeel artikel 48, tweede lid sub a van de Wwb kan worden opgemerkt, dat hetzelfde weliswaar kan worden bereikt via terugvordering van de verstrekte bijstand na het vrijkomen van de middelen, maar dat is procedureel omslachtiger, biedt vooraf minder duidelijkheid en heeft het nadeel dat over de bijstand loonheffing (loonbelasting en sociale premie) en ziekenfondspremie afgedragen moet worden, hetgeen alleen binnen zekere grenzen ongedaan gemaakt kan worden. Dit laatste leidt tot complicaties voor de belanghebbende en voor de gemeente, die door de verlening als lening voorkomen worden. Met betrekking tot onderdeel artikel 48, tweede lid sub b van de Wwb kan worden opgemerkt, dat in de vaststelling dat sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid al ligt besloten, dat belanghebbende in staat is zijn verantwoordelijkheid te dragen en de gedraging hem verweten kan worden. Derde lid: Verwezen wordt naar de motivering bij artikel 4.1.
  199. Het artikel inzake afzien van terugvordering is van overeenkomstige toepassing. Dat wil zeggen dat wanneer afgezien kan worden van terugvordering, ook afgezien kan worden van verdere aflossing van leenbijstand. Dit is bijvoorbeeld het geval bij deelname aan een schuldbemiddelingstraject. In situaties waarin belanghebbende niet voldoet aan de overeengekomen aflossing, wordt conform artikel 58, eerste lid sub b van de Wwb de openstaande leenbijstand teruggevorderd en is paragraaf 4.1 volledig van toepassing. Indien door de klantmanager WMI overwogen wordt om leenbijstand te verstrekken, dient ten aanzien van de mogelijke consequenties overleg te worden gepleegd met de afdeling BIS, team Schuldhulpverlening. Indien leenbijstand wordt verstrekt op grond van artikel 50 Wwb, is reeds duidelijk dat de woning, de woonwagen of het woonschip niet verkocht kan worden. Indien aflossing van de verstrekte leenbijstand direct gestart zou worden, zou belanghebbende wellicht voor een zeer lange duur slechts 90% van de bijstandsnorm ontvangen. Omdat hier in de regel geen sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, wordt dit niet aanvaardbaar geacht. Derhalve vindt geen aflossing plaats zolang belanghebbende bijstand ontvangt. Dit beleid is overeenkomstig de vroegere bepalingen in het rijksbeleid. Indien sprake is van tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid, geldt deze bepaling niet. Dan vindt aflossing op reguliere wijze plaats, namelijk direct na verstrekking van de lening. Als bij verkoop blijkt dat de woning alsnog te gelde gemaakt wordt, is het verstrekte bedrag aan leenbijstand direct opeisbaar. Van belanghebbende wordt verwacht de opbrengst van de verkoop te reserveren voor de volledige aflossing van de lening. Bij vererving gaat de woning over op een derde. In dat geval wordt, ongeacht of de woning verkocht wordt, de lening direct en volledig opeisbaar. Indien belanghebbende geen bijstand meer ontvangt van de gemeente Spijkenisse, moet wel worden gestart met de aflossing. De aflossing is gelijk aan de afbetaling van een vordering, die in artikel 4.1.
  200. is opgenomen. Uiteraard geldt, indien belanghebbende de woning verkoopt of hier niet meer woont, de bepaling onder b van dit artikel. Conform de algemene bepaling dat een vordering of leenbijstand volledig moet worden terugbetaald, geldt geen maximale aflossingstermijn. Artikel 2.2.2: Zekerstelling De gemeente heeft daarnaast civielrechtelijk de mogelijkheid deze lening te zekeren door middel van hypotheek of pandrecht. Zekerstelling biedt een extra waarborg dat de lening wordt afgelost, op het moment dat de belanghebbende diens betalingsverplichtingen niet nakomt. Zekerstelling als algemeen beleid is alleen dan nodig, indien de baten de kosten voor de gemeente overtreffen. Voor de cliënt is er geen voordeel verbonden aan zekerstelling. De kosten hiervan worden uiteindelijk door de cliënt gedragen, omdat vergoeding van kosten plaatsvindt via leenbijstand. Pas bij een aanzienlijk bedrag zijn de baten voor de gemeente hoger dan de kosten. Het voordeel van een krediethypotheek is dat er financiële zekerheid is en een automatisch signaal van de notaris komt als de woning wordt verkocht, zodat er weinig uitvoeringskosten zijn wanneer de krediethypotheek eenmaal is gevestigd. Aangezien het vestigen van de krediethypotheek tijd en geld kost, wordt het niet voor geringe bedragen gedaan. Artikel 2.2.3: Bijstand in natura Bijstand in natura kan worden verstrekt indien belanghebbende niet in staat kan worden geacht tot verantwoorde bestedingen. Het college ziet voldoende mogelijkheden in dat geval de meest elementaire uitgaven door middel van doorbetaling via de uitkering te verrichten. Het is daarom niet noodzakelijk bijstand in natura te verstrekken. Paragraaf 2.3: Middelen Artikel 2.3.1: Schadevergoeding en giften Artikel 31, tweede lid onder m Wwb geeft aan dat het college bepaalt in hoeverre ontvangen schadevergoeding en giften tot de middelen gerekend moeten worden. Het betreft hier ontvangen schadevergoeding of giften tijdens de bijstandsperiode. Schadevergoeding of giften ontvangen vóór de bijstandsperiode wordt in het geheel meegenomen bij de vermogensvaststelling. Schadevergoeding voor materiële schade kan in beginsel worden vrijgelaten. Hier staat immers schade tegenover die belanghebbende moet corrigeren. Voorwaarde is wel dat de schade is geleden aan zaken die uit bijstandsoogpunt verantwoord zijn, zoals de reguliere inboedel en andere reguliere bezittingen in natura (aansluiting bij artikel 34, lid 2 sub a Wwb). Is het goed niet algemeen gebruikelijk, mag uit bijstandsoogpunt niet worden verwacht dat de vergoeding wordt gebruikt om de schade te herstellen en daarmee te worden vrijgelaten, maar dient de vergoeding volledig als vermogensaanwas te worden gezien. Belanghebbende mag uiteraard wel het vrij te laten vermogen gebruiken voor het herstellen van de schade. Indien schadevergoeding wordt ontvangen, maar dit wordt niet gebruikt voor herstel van de schade, dan is het herstel kennelijk niet noodzakelijk en dient de schadevergoeding geheel te worden gezien als vermogensaanwas. Enige uitzondering hierop is indien belanghebbende reeds uit eigen middelen de schade heeft hersteld en achteraf de schadevergoeding ontvangt. Belanghebbende moet wel aantonen dat de schade is hersteld. Indien het herstel minder kost dan het bedrag van de vergoeding, moet het meerdere gezien worden als vermogensaanwas. Indien reeds bijzondere bijstand is verstrekt voor het herstel van de schade, moet de verstrekte bijzondere bijstand uiteraard worden teruggevorderd (artikel 58, lid 1 sub e onder
  201. Verder wordt dezelfde werkwijze gehanteerd als hiervoor beschreven. Voor immateriële schade is geen goed aan te wijzen dat moet worden hersteld. Het gaat om een tegemoetkoming in geleden pijn en toegebracht leed. Het college heeft nauwelijks aanknopingspunten om hierbij te bepalen wat vanuit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Enige aansluiting kan worden gevonden bij het bescheiden vermogen. De toelichting op artikel 34 Wwb vermeldt dat een bescheiden vermogen niet in de weg staat aan bijstandsverlening. Dit bescheiden vermogen is vastgelegd in een vermogensgrens per huishoudtype (artikel 34, lid 3 Wwb). Er is dan ook gekozen om een schadevergoeding voor immateriële schade die minder bedraagt dan de vermogensgrens (het bescheiden vermogen dat niet in de weg staat aan bijstandsverlening) niet in aanmerking te nemen. Het meerdere wordt gezien als vermogensaanwas waarvoor het resterend vrij te laten vermogen in aanmerking genomen moet worden. Hieromtrent is de reguliere werkwijze inzake vermogensaanwas van toepassing. Toegekende schadevergoeding dat het karakter heeft van vergoeding van gederfde inkomsten of andere middelen die bedoeld zijn voor het levensonderhoud van belanghebbende, wordt gezien als inkomen en als zodanig in aanmerking genomen. Algemene bijstand is bedoeld voor levensonderhoud, wanneer er geen andere middelen zijn die voor het levensonderhoud kunnen worden aangewend. Wanneer een vergoeding wordt verstrekt wegens verlies van middelen ten behoeve van levensonderhoud, zijn dan ook middelen aanwezig en hoeft geen (of minder) bijstandverlening plaats te vinden. Op de schadevergoeding kan geen vrijlating worden toegepast. Een gift kan in specifieke gevallen buiten beschouwing worden gelaten. Voorwaarden hiervoor zijn dat de gift een doel moet hebben en dat dit doel ook moet blijken uit de gift (bijvoorbeeld uit de toelichting op het bankafschrift of in een brief). Een gift zonder bestemming kan gebruikt worden voor levensonderhoud en moet daarom in aanmerking worden genomen. Het doel moet vanuit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn, oftewel het doel moet ten behoeve van een goed zijn dat algemeen gebruikelijk is of voor belanghebbende noodzakelijk. Indien een gift een structureel karakter heeft (meer dan eenmalig, bijvoorbeeld jaarlijks of zelf maandelijks), krijgt de gift het karakter van inkomen(s)(ondersteuning). In dat geval dient de gift eveneens in aanmerking te worden genomen. Of de gift moet worden gezien als inkomen of vermogen, kan slechts blijken uit de aard van de gift. Artikel 2.3.2: Heffingskortingen Als redelijke termijn waarbinnen niet-ontvangen heffingskortingen buiten beschouwing worden gelaten, geldt een periode van drie maanden. Ervaring leert dat die termijn voldoende is om de aanvraag heffingskortingen in te dienen en te laten behandelen door de belastingdienst. Indien na drie maanden nog geen heffingskortingen worden ontvangen, worden deze wel ingehouden op de uitkering als zijnde middelen waarover belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken (artikel 31, eerste lid Wwb). Indien de vertraging in ontvangst van deze middelen geheel buiten schuld van belanghebbende valt, dan kan wegens dringende redenen (tijdelijk) van de inkomstenkorting worden afgezien. De heffingskortingen waarvan de betaling later start dan het moment waarop de aanspraak ontstaat, worden door de belastingdienst ingedikt uitbetaald. Dat wil zeggen dat de belastingdienst het nog niet uitbetaalde bedrag over de overgaande periode, over de resterende maanden verdeelt en gespreid uitbetaalt. Bijvoorbeeld: belanghebbende ontvangt vanaf maand 4 heffingskorting. De heffingskorting over de maanden 1 tot en met 3 wordt bij elkaar opgeteld en verdeeld over de maanden 4 tot en met 12 uitbetaald. Deze zelfde regel wordt gehanteerd bij het korten van de in aanmerking te nemen middelen. In sommige gevallen wordt de heffingskorting over voorliggende maanden ineens uitbetaald. In dat geval zal verrekening dan wel terugvordering plaatsvinden van de teveel ontvangen bijstand. Mocht belanghebbende geen heffingskorting aanvragen, dan wordt ook vanaf maand drie rekening gehouden met deze middelen. Het zijn namelijk middelen waarover redelijkerwijs kan worden beschikt. Over de periode waarin hiermee nog geen rekening is gehouden, zal terugvordering plaatsvinden op grond van artikel 58, eerste lid, sub f onder 1 Wwb. Uiteraard worden de heffingskortingen slechts in aanmerking genomen voor zover ze betrekking hebben op een periode waarover bijstand is/wordt verstrekt. 3 Beleidsregels Minimabeleid Met betrekking tot minimabeleid is geen verordening opgesteld. Minimabeleid, althans het verstrekken van bijzondere bijstand en andere op de Wwb gebaseerde minimaregelingen, is een bevoegdheid van het college. De beleidsregels zoals hier besproken, vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De meeste beleidsregels hebben betrekking op de bijzondere bijstand. In paragraaf 3.1 zijn algemene beleidsregels opgenomen voor bijzondere bijstandverlening. Paragraaf 3.2 bespreekt inhoudelijke aspecten van bijzondere bijstand, met name de kostensoorten. Paragraaf 3.1: Bijzondere bijstand algemeen Artikel 3.1.1: Draagkracht Draagkracht is dat deel van het inkomen en vermogen van belanghebbende dat hij geacht wordt te gebruiken voor de voorziening in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. In dit artikel wordt bepaald welk deel van het inkomen en vermogen als draagkracht wordt aangemerkt. Voor mensen met een beperkt hoger inkomen dan de bijstandsnorm, kunnen bijzondere bestaanskosten van grote invloed zijn op de mogelijkheid om rond te komen. Het College wil de bijzondere bijstand dan ook toegankelijk houden voor mensen met een beperkt hoger inkomen dan de bijstandsnorm. Tegelijkertijd is het streven om een overzichtelijk draagkrachtsysteem te hanteren, dat zowel voor de cliënt als voor de organisatie begrijpelijk en werkbaar is. Dit heeft geleid tot het bovenstaande draagkrachtsysteem. Vanwege bovengenoemde redenen is ook gekozen artikel 31, tweede lid Wwb van toepassing te laten zijn op de draagkrachtbepaling, ondanks dat artikel 35 Wwb bepaalt dat dit niet hoeft. Hierbij geldt dat voor mensen die geen gemeentelijke uitkering hebben de bepalingen onder j, n en r niet van toepassing zijn. De premie en de inkomstenvrijlating zijn namelijk gekoppeld aan de algemene bijstand en aan een Ioaw- of Ioaz-uitkering. Aangezien hier bij andere inkomstenbronnen geen sprake van is, worden deze bepalingen bij de draagkrachtvaststelling buiten beschouwing gelaten. In beginsel wordt uitgegaan van een draagkrachtperiode (periode waarover totale draagkracht wordt berekend) van een jaar, ingaand op de 1ste dag van de maand voorafgaand aan de aanvraagdatum van de bijzondere bijstand. Indien periodieke vergoedingen worden aangevraagd, wordt een draagkrachtbedrag per maand gehanteerd. Dringende redenen voor aanpassing van de draagkracht gedurende de draagkrachtperiode kunnen zijn, het wijzigen van de omstandigheden, waardoor er voor belanghebbende feitelijk een lagere draagkracht aanwezig is, of indien belanghebbende onvoldoende of onjuiste inlichtingen heeft verstrekt op basis waarvan de draagkracht is bepaald. Wijziging van de norm is geen dringende reden om de draagkracht te herzien. De draagkrachtberekening vindt plaats op basis van netto bedragen per maand. Alle inkomensbestanddelen die ingevolge de Wwb in aanmerking moeten worden genomen, worden als inkomen meegeteld. Door de bijstandsnorm en de toeslag/verlaging op grond van de Toeslagen en verlagingenverordening te bepalen en het geheel te vermenigvuldigen met 1,1 (maandbedrag), wordt de grens van 110% van de bijstandsnorm bepaald. In principe wordt al het meerinkomen boven de 100% van de bijstandsnorm als draagkracht aangemerkt. Mocht belanghebbende aangeven dat daarmee onvoldoende ruimte is om alle noodzakelijke kosten te voldoen waardoor belanghebbende onder het bestaansminimum zakt (100% van de bijstandsnorm), is het aan belanghebbende dit met bewijsstukken aan te tonen. Indien dit is aangetoond kan op grond van dringende redenen van de algemene draagkrachtsystematiek worden afgeweken. In bepaalde situaties kan bovenstaand algemeen beleid tot onrechtvaardigheid leiden. Dit kan het geval zijn als bijzondere bijstand wordt verstrekt aan een persoon die niet in aanmerking komt voor een voorliggende voorziening of bij verstrekking van bijstand voor algemene bestaanskosten (voorliggende voorziening is dan de algemene bijstandsnorm). Wanneer de regels voor de voorliggende voorziening strenger zijn dan voor de bijzondere bijstand, leidt dit tot bevoordeling van de persoon die bijstand ontvangt ten opzichte van anderen. Ook kan dit beleid het geldende rijksbeleid doorkruisen. Een dergelijke situatie is niet in overeenstemming met de bijstand als sluitstuk van de sociale voorzieningen. Derhalve wordt in die situaties gekozen voor 100% draagkracht voor zover het inkomen boven de bijstandsnorm ligt. In het derde lid, worden deze situaties benoemd (verstrekking bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag en verstrekking bijzondere bijstand voor levensonderhoud). De gemeente Spijkenisse kiest voor een eenduidig beleid op het gebied van draagkracht uit vermogen. Dit wordt tot uitdrukking gebracht in het hanteren van dezelfde vermogensbepalingen als die gelden voor de algemene bijstand. Hetgeen bepaald is in artikel 34 van de Wwb (inzake vermogen) blijft dan ook van kracht voor bijzondere bijstand (zowel bij de draagkrachtbepaling in het tweede, als het derde lid). In het vijfde lid zijn een drietal uitzonderingen benoemd waarbij, afwijkend van artikel 34, derde lid van de Wwb, een andere vermogensgrens wordt gehanteerd. Al het vermogen boven de € 1250,- wordt als draagkrachtvermogen gerekend, daar waar het gaat om aanvragen bijzondere bijstand van duurzame gebruiksgoederen, overige inrichtingskosten of bijzondere bijstand als leenbijstand in verba

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.