Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2021Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland; Overwegende dat: Het wenselijk is om Beleidsregels op te stellen voor het beleid over en de uitvoering van te verstrekken maatwerkvoorzieningen op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Gelet op: De wet, het Beleidsplan Wmo 2017 - 2018 ‘Zorgen doen we met elkaar’, de Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2017 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning Montferland 2021 Gezien het advies van de Sociale Raad Montferland Besluit vast te stellen het: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2021 1.Inleiding 1.1.Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan kan Beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Geen algemeen verbindend voorschriftBij Beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Feitelijk gaat het om een geschreven geldende gedragslijn met betrekking tot een bepaald beleid. Het gaat over de vaststelling van feiten, wet interpreterend beleid of over de toepassing van de bepalingen in de Verordening. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. De Beleidsregels strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente Montferland die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. De Beleidsregels volgen in principe zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening. Er zijn dus hoofdstukken in deze Beleidsregels over de verschillende soorten maatschappelijke ondersteuning waarop maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe het college de aanspraak daarop beoordeeld. Kernbegrippen zijn: eigen verantwoordelijkheid; uitgaan van te bereiken resultaten; en het leveren van maatwerk. In artikel 1.1 van de Verordening wordt een aantal begripsbepalingen opgesomd. Het spreekt voor zich dat deze begrippen van toepassing zijn op deze Beleidsregels. Ook de bijlagen maken integraal onderdeel uit van deze Beleidsregels. De volgende bijlagen zijn opgenomen: Bijlage 1 Maatwerkvoorzieningen onder de Wmo of Wlz Bijlage 2 Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen Bijlage 3 Onderzoek naar overbelasting Bijlage 4 Uitgangspunten zorg ouder(
- s)voor kinderen Bijlage 5 Normering Ondersteuning bij een schoon huis Bijlage 6 Normtijden Individuele begeleiding 1.2.Opdracht Wmo 2015 aan de gemeente Gemeenten hebben op grond van de Wmo 2015 de brede verantwoordelijkheid voor de deelname van al hun burgers aan het maatschappelijke verkeer, waaronder in het bijzonder diegenen met een beperking, chronisch psychische of psychosociale problematiek. Door de decentralisatie van de (langdurige) zorg is de personenkring die aanspraak maakt op maatschappelijke ondersteuning verruimd. De melding en het eventueel afhandelen van de aanvraag in verband met beschermd wonen worden door centrumgemeente Doetinchem uitgevoerd en in verband met maatschappelijke opvang gebeurd dit door centrumgemeente Doetinchem of Arnhem. Deze maatwerkvoorzieningen blijven in deze Beleidsregels dan ook onbesproken. Voor beschermd wonen wordt verwezen naar de Beleidsregels Beschermd Wonen gemeente Montferland 2018. 1.3.Wat wordt van burgers verwacht Met de Wmo 2015 wordt aangesloten bij de wil van mensen om zo lang mogelijk en zoveel mogelijk regie te nemen en te houden over hun eigen situatie door zich in te spannen om deel te nemen aan het maatschappelijk leven en elkaar, waar nodig en mogelijk, meer te helpen. Als uitgangspunt geldt dat zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving een verantwoordelijkheid is van mensen zelf. Een beroep doen op de sociale omgevingTot die eigen verantwoordelijkheid van de burger behoort ook dat hij een beroep doet op zijn eigen sociale netwerk alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Het is immers heel normaal dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Uitgangspunt is derhalve dat iedere burger eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Eigen verantwoordelijkheidWat nog meer onder de eigen verantwoordelijkheid kan worden gerekend laat zich niet makkelijk in beleidsregels vertalen. Het is namelijk (ook) afhankelijk van het individuele geval. In de Verordening zijn een aantal beperkende voorwaarden dan wel criteria opgenomen waarin de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt zit besloten. Ook in deze Beleidsregels zijn bepalingen en/of voorbeelden opgenomen die daar betrekking op hebben. Zie bijvoorbeeld hoofdstuk 6 Ondersteuning bij het schoonmaken en leefbaar houden van het huis. Onder eigen verantwoordelijkheid valt in ieder geval ook de inzet van financiële middelen. Hier wordt verwacht dat financiële middelen worden ingezet die te verkrijgen zijn uit een wettelijke aanspraak. Het moet in voorkomende gevallen gaan om middelen met een gelijk doel als waar de maatschappelijke ondersteuning op is gericht Onder de eigen verantwoordelijk kan ook worden verstaan dat de cliënt rechtsmiddelen inzet die er op gericht zijn een aanspraak te gelde te maken dan wel daar duidelijkheid over te verkrijgen. 1.4.Wat mogen burgers van de gemeente verwachten Geen enkele burger wordt op voorhand uitgezonderd van de toegang tot ondersteuning. Een ieder kan zich melden met een hulpvraag. In het onderzoek dat het college na de melding zal uitvoeren, zullen eigen kracht, eigen verantwoordelijkheid en de mogelijkheden van de sociale omgeving worden betrokken en meegewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen over het al dan niet bieden van ondersteuning vanuit de gemeente. In artikel 2.3.2 lid 4 van de wet staat nauwkeurig omschreven welke onderwerpen bij het onderzoek aan bod moeten komen. Het college beslist op de aanvraag of en zo ja welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin een cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 1.5.Positie in het zorgstelsel Aanspraken op zorg zijn neergelegd in de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Beide wetten kunnen een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van de Wmo 2015. ZorgverzekeringswetDe persoonlijke verzorging en verpleging op grond van de Zvw zijn sinds 1 januari 2015 als aanspraak ondergebracht in het Besluit zorgverzekering (Bzv). Verzorging en verpleging omvat zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden. Geneeskundige zorg omvat zorg zoals huisartsen, medisch-specialisten, klinisch-psychologen en verloskundigen die bieden, zintuiglijk gehandicaptenzorg, zorg bij stoppen-met-rokenprogramma, geriatrische revalidatie en paramedische zorg (zie met name art. 2.10 Bzv). Hoog risico op een behoefte aan geneeskundige zorgAls er sprake is van een hoog risico op een aandoening, ziekte of verergering hiervan dan valt de geneeskundige zorg die nodig is om dit te voorkomen, onder de Zvw. Er is dan sprake van geïndiceerde preventie. Dit betekent overigens dat verblijf ook aan de orde kan zijn als er nog geen sprake is van een acute aandoening, maar wel van een hoog risico op een aandoening. Het gaat in het algemeen vooral om mensen bij wie de gezondheidssituatie snel kan veranderen en verslechteren en die dikwijls al (intensief) te maken hebben met huisartsenzorg of ziekenhuiszorg. Afbakening Wmo 2015De behoefte aan (alleen) verzorging kan echter ook meer in het verlengde van de behoefte aan begeleiding liggen. Het gaat bij deze verzorging om mensen die behoefte hebben aan ondersteuning bij Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL). Deze verzorging houdt geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Deze behoefte aan ondersteuning bij ADL komt vooral voor bij mensen met een verstandelijke of zintuiglijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze verzorging in de vorm van ondersteuning bij ADL is niet naar de Zvw overgeheveld, maar valt onder de Wmo 2015, net als de voorheen onder de AWBZ-aanspraken vallende begeleiding. Indien deze mensen een lichamelijke aandoening krijgen waardoor een geneeskundige hulpvraag ontstaat, zullen zij zowel verpleging als hun bij de geneeskundige hulpvraag behorende verzorging vanuit de Zvw ontvangen. Verder blijft voor mensen die begeleiding en ADL-ondersteuning krijgen via de Wmo 2015, de overige medische zorg vanzelfsprekend onder de te verzekeren prestaties Zvw vallen. Wet langdurige zorgHeeft iemand aanspraak op zorg op grond van de Wlz, dan is hij niet aangewezen op maatschappelijke ondersteuning (zie ook bijlage 1). Op dat moment is (of kan) immers langs de weg van zorginhoudelijke criteria worden vastgesteld dat iemand vanwege blijvende beperkingen als gevolg van bijvoorbeeld leeftijd, handicap of psychische stoornis, permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid nodig heeft ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel. Die zorgplicht is belegd bij aan de zorgverzekeraars gelieerde zorgkantoren. Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) indiceert voor deze zorg. Indien cliënten toegang hebben tot de Wlz, dan kunnen zij in principe geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 ontvangen noch verpleging en verzorging vanuit de Zvw. Het college kan wel gehouden zijn om noodzakelijkerwijs tijdelijk, tot op de aanvraag is besloten, een maatwerkvoorziening in te zetten. Bij aanspraak op een Wlz-indicatie, is er een uitzondering waarbij een beroep op de Wmo 2015 gedaan kan worden. Het betreft het sociaal vervoer (anders dan een mobiliteitshulpmiddel op grond van de Wlz). Dit is in principe een uitzondering omdat deze niet onder de verzekerde aanspraak van de Wlz valt. Zo wordt vooralsnog aangenomen dat de Regiotaxi niet als zogenoemd mobiliteitshulpmiddel kan worden aangemerkt. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren indien de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen (art. 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015). Voor degene met een Wlz-indicatie kan er voor een aantal voorzieningen overgangsrecht van toepassing zijn (art. 8.6a Wmo 2015) In het geval van een echtpaar, waarvan slechts één van beide een Wlz-indicatie heeft, is het college gehouden de beperkingen van de niet-Wlz gerechtigde te beoordelen, zonodig (aanvullend) hulp bij het huishouden toe te kennen. Daarbij mag het college uiteraard wel rekening houden met dat wat er al is, namelijk het Wlz-Pgb of de zorg in de vorm van natura. Dit laatste kan van tijdelijke aard zijn in afwachting van een eventuele ophoging van het Wlz-Pgb. Opgemerkt wordt dat de hiervoor bedoelde weigeringsgrond niet geldt in het geval de aanvraag betrekking heeft op begeleiding, dagbesteding of logeren in een instelling. Het college zal moeten motiveren waarom het gebruik maakt van de bevoegdheid tot weigeren van de aanvraag omdat het om een kan-bepaling gaat. Dat wil zeggen dat iemand, om zijn motiverende redenen, zou kunnen kiezen om of onder de Wmo 2015 of onder de Wlz te vallen. Het is aan het college om zich op basis van onderzoek op het standpunt te stellen dat aanspraak bestaat op een indicatie en dat om die reden verwacht mag worden dat ook daadwerkelijk een aanvraag wordt gedaan (RBGEL:2017:3483). Het college kan wel gehouden zijn om tijdelijk, tot het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) op de aanvraag heeft besloten, een maatwerkvoorziening in te zetten. 1.6.Kwaliteit De Wmo 2015 biedt een kader voor kwaliteit als uitgangspunten voor gemeentelijk kwaliteitsbeleid en voor aanbieders van voorzieningen. Dit kader vereist dat een voorziening in ieder geval: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt; is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en andere zorg of hulp die hij ontvangt; wordt verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; en wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt. 1.7.Beoordelingskader Het College neemt bij de beoordeling van de aanspraak het verslag en indien aanwezig het persoonlijk plan als uitgangspunt. Heeft de cliënt geobjectiveerde beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie? Wat zijn de resultaten die de cliënt wil bereiken om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen, te versterken, verbeteren of te behouden? Welke mogelijkheden heeft de cliënt zelf (al dan niet met hulp met anderen, algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen) om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen, te versterken of te verbeteren? Welke mogelijkheden heeft de cliënt zelf (al dan niet met hulp met anderen, algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen) om zijn zelfredzaamheid en participatie te behouden? Pas als bovenstaande bedoelde mogelijkheden naar oordeel van het college niet leiden tot een passende oplossing, komt de beoordeling van een maatwerkvoorziening aan de orde. Dat moet blijken uit het verslag en indien aanwezig het persoonlijk plan van de cliënt. Ook dienen daarbij de navolgende vragen beantwoord te worden. Zijn er weigeringsgronden en/of beperkende voorwaarden van toepassing volgens de Verordening of Besluit? Leidt toepassing van deze Beleidsregels tot het niet toekennen van een maatwerkvoorziening? Welke mogelijkheden kan het college bieden om de gewenste resultaten (passende bijdrage) te bereiken via een kortdurende maatwerkvoorziening, een collectieve- of individuele maatwerkvoorziening? Zie verder hoofdstuk 2 ‘Procedure van de Beleidsregels’. 2.De procedure 2.1.Inleiding In de hoofdstukken 2 en 3 van de Verordening staan de procedureregels beschreven. Het gaat om de manier waarop het college omgaat met de melding van een hulpvraag van cliënten en hoe het onderzoek (het gesprek) wordt gedaan en afgerond. Daarnaast zijn regels bepaald over de aanvraag. De wettelijke termijn waarbinnen de procedure van de melding en het onderzoek moet zijn afgerond is zes weken. Voor de aanvraag geldt dat het college in beginsel binnen twee weken een besluit neemt. Om voldoende rechtsbescherming te bieden kan de cliënt, die een melding heeft gedaan, in ieder geval na zes weken altijd een aanvraag indienen. 2.2.Algemeen Bij het onderzoek zal het college in de eerste plaats nagaan wie de betrokkene is, waarbij onder meer zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en persoonskenmerken in kaart worden gebracht. Bij het vaststellen van die behoefte gaat het college na wat diens beperkingen en problemen zijn en de hulpvraag precies is. Het feit dat iemand een aandoening heeft hoeft niet zonder meer te leiden tot beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Bij het onderzoek wordt gekeken in hoeverre aan de behoefte in maatschappelijke ondersteuning binnen de grenzen van de Wmo 2015 en de Verordening kan worden tegemoetgekomen. Zie ook hoofdstuk 3 ‘Beoordelen van de aanspraak’ in deze Beleidsregels. 2.3.Melding van de hulpvraag Een ieder kan zich bij het college melden. Om te spreken van een melding wordt wel onderscheid gemaakt tussen een verzoek om informatie en advies en een verzoek om maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast moet de melding vanzelfsprekend onder de kwalificatie van maatschappelijke ondersteuning vallen. Dit is van belang omdat een melding van een hulpvraag leidt tot een onderzoek, zie artikel 2.5 van de Verordening. Lid 5 van dat artikel bepaalt overigens wel dat van een onderzoek kan worden afgezien, dit alleen in overeenstemming met de cliënt. Het college dient in het onderzoek na melding de belastbaarheid van de mantelzorgers mee te wegen. Hoewel dat strikt genomen niet voortvloeit uit de wet is het aan de andere kant moeilijk voorstelbaar dat een cliënt die bijvoorbeeld nieuwe banden nodig heeft voor zijn rolstoel daarvoor de gehele procedure van de melding en het onderzoek moet doorlopen en pas daarna zijn aanvraag kan indienen. Persoonlijk planNadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen (zie begripsbepaling Verordening). De wet bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college in voorkomende gevallen wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming. Inhoud persoonlijk planUit het persoonlijk plan moet in ieder geval blijken op welke manier de cliënt zelf denkt dat zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan worden vormgegeven. De inhoud van die motivatie moet betrekking hebben op de volgende onderwerpen: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie. Dit zijn de meeste onderwerpen genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet. Concreet betekent dit dat het college de inhoud van het persoonlijk plan moet beoordelen op de wijze waarop het verslag (in samenspraak met de cliënt) door het college zelf wordt (of zou worden) opgesteld. Verplichte voorlichtingOp het college rust de wettelijke voorlichtplicht over de bijdrage in de kosten die de cliënt verschuldigd zal zijn voor de maatwerkvoorziening of Pgb of bij gebruikmaking van algemene voorzieningen. Door de cliënt vroegtijdig en goed te informeren over de hoogte van de verschuldigde bijdrage voor zijn ondersteuning kan de cliënt een goede afweging maken of hij daadwerkelijk een aanvraag wil doen of de ondersteuning juist zelf organiseert. Ook moet het college aan de cliënt informatie over de mogelijkheden verstrekken waaronder begrepen de gevolgen van een keuze voor een Pgb, zoals het blijven voldoen aan de voorwaarden. De manier waarop het college de cliënt voorlichting biedt is vormvrij. Wel moet het college er redelijkerwijs zeker van zijn dat de cliënt weet welke bijdrage in de kosten hij kan verwachten en dat hij zich bewust is van alle rechten en plichten die de keuze voor een Pgb met zich brengt. Zie verder hoofdstuk 10 ‘Persoonsgebonden budget’ van deze Beleidsregels. ClientondersteuningOok rust op het college de plicht om de cliënt te wijzen om gebruikmaking van onafhankelijke cliëntondersteuning. Het betreft maatschappelijke ondersteuning die het college verplicht moet treffen (art. 2.2.4 aanhef lid 1 en onder a van de wet). Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1 lid 1 van de wet). Cliëntondersteuning heeft dus niet alleen betrekking op de Wmo 2015. PreventiefCliëntondersteuning heeft een preventieve functie en kan een beroep op (zwaardere vormen van) ondersteuning voorkomen. Veel cliënten zullen zeer goed in staat zijn om zelf informatie te vergaren en eventueel zelf in staat zijn te beoordelen of de inhoud van het verslag van het college aansluit bij wat ze nodig hebben. Sommige cliënten zullen een familielid of iemand uit hun netwerk vragen om mee te denken. Deze personen kunnen ook aanwezig zijn, dan wel door het college worden uitgenodigd aanwezig te zijn bij het onderzoek. In die gevallen zal cliëntondersteuning niet nodig zijn. VerwijzenHet college kan de cliënt bijvoorbeeld verwijzen naar MEE, indien en zolang cliëntondersteuning bij deze organisatie is ingekocht. Verder is het zo dat patiëntenverenigingen of andere belangenorganisaties beschikken over vrijwilligers of beroepskrachten die als cliëntondersteuner kunnen optreden. Een cliëntondersteuner kan ook een professional zijn in dienst van een welzijnsinstelling, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker. Ondersteuning bij keuzes makenEen cliëntondersteuner kan de cliënt in het gesprek helpen zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Bij de melding van de hulpvraag wijst het college erop dat gebruik kan worden gemaakt van cliëntondersteuning. Onafhankelijkheid gewaarborgdVerder moet het college er zorg voor dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt handelen. Spoedeisende situatieEr kunnen zich situaties voordoen waarin de cliënt die zich meldt, gelet op een spoedeisend karakter, niet kan wachten tot het college onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het gaat om doorgaans onvoorziene situaties die geen uitstel dulden qua het ondernemen van actie. Het ligt op de weg van de cliënt om het spoedeisende karakter aannemelijk te maken en zonodig nader te onderbouwen. Vervolgens ligt het op de weg van het college om zo nodig onverwijld een maatwerkvoorziening in zetten alvorens dus het onderzoek te doen. Welke termijn onder onverwijld wordt verstaan kan niet nader worden gedefinieerd. Het kan terstond zijn maar ook binnen bijvoorbeeld twee weken na de melding. Beschermd wonen en opvangGemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor beschermd wonen. Het gemeentelijke budget voor beschermd wonen wordt overgeheveld naar de centrumgemeente Doetinchem. Beschermd wonen is - net als opvang - in principe landelijk toegankelijk. Een cliënt met een indicatie voor beschermd wonen (of een aanvraag die daartoe strekt) heeft net als elke Nederlander een vrije keuze om een woongemeente te kiezen. Zie ook artikel 1.2.1, eerste lid onder b van de wet (zie onder c voor opvang). De Wmo 2015 kent het begrip centrumgemeente niet. Daarom is intergemeentelijke samenwerking noodzakelijk. De middelen voor beschermd wonen (en ook van opvang) worden vanaf 1 januari 2022 verdeeld over alle gemeenten volgens een nieuw objectief verdeelmodel beschermd wonen (al dan niet geïntegreerd met opvang). Tot die tijd is er sprake van een overgangsfase en vindt de uitkering nog plaats aan centrumgemeenten. Voor de gemeente Montferland treden de gemeente Doetinchem (beschermd wonen) en Arnhem (vrouwen opvang) op als zogeheten centrumgemeenten. Voor wat betreft beschermd wonen wordt verwezen naar de vigerende Beleidsregels ‘Beschermd Wonen gemeente Montferland’. 2.4.De aanvraag Vanaf het moment dat de cliënt een aanvraag indient, is er sprake van juridisering. Dit heeft tot doel om de rechtszekerheid van de cliënt te waarborgen. Het college beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag. Daarop wordt een uitzondering gemaakt als het college niet in staat is dat binnen twee weken te doen omdat het aan de cliënt te wijten is dat het onderzoek niet volledig of tijdig is afgerond of het college andere informatie nodig heeft om een beslissing te kunnen nemen op de aanvraag. Denk dan vooral situaties waar een (extern) advies nodig is. Zie hoofdstuk 11 ‘Advisering’ van deze Beleidsregels. Indienen aanvraagEen aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek (het gesprek) is uitgevoerd, tenzij dat niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2 lid 9 van de wet). Een aanvraag kan ingediend worden middels een getekend gespreksverslag dan wel door een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier of ondertekend evaluatieformulier inzet zorg. Om onnodig administratieve lasten voor zowel de burger als het college te voorkomen kan een verslag, als aanvraag worden aangemerkt. Vereist is dat de cliënt het verslag voorziet van de NAW-gegevens, een handtekening of digitaal akkoord en de opmerking dat de cliënt in aanmerking wenst te komen voor een maatwerkvoorziening. Inhoud beschikkingDe cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de inhoud van de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. Mede met het oog op het te leveren maatwerk zijn in artikel 3.2 van de Verordening de onderwerpen opgenomen die in ieder geval in de beschikking worden opgenomen. 2.5.Advisering Voor de uitvoering van de wet kan het zijn dat het college advies moet vragen omdat het zelf niet ter zake kundig is. Artikel 2.7 van de Verordening bepaalt wanneer het college van deze bevoegdheid gebruik kan maken. Vereist is in ieder geval dat de beperkingen van de cliënt, of zijn huisgenoot ingeval van gebruikelijke hulp, objectiveerbaar zijn. Dit wordt vastgesteld aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en CRVB:2012: BY0324). Zie verder hoofdstuk 11 ‘Advisering van deze beleidsregels’. 3.Beoordelen van de aanspraak 3.1.Inleiding Verordening: artikel 4.1De Wmo 2015 voorziet in belangrijke waarborgen voor het uitvoeren van een goed onderzoek naar de ondersteuningsbehoeften van mensen. Van het college wordt verwacht dat zij dit onderzoek uitvoeren in goede samenspraak met de mensen om wie het gaat en dat zij samen met betrokkenen komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening. De Wmo 2015 voorziet daarom in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek moeten worden meegenomen. Dat is bepaald in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet. Zie verder hoofdstuk 2 ‘Procedure’ van deze Beleidsregels. Beperkingen in de zelfredzaamheid en participatieEen cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Montferland komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. Vereiste hoofdverblijfHiermee wordt bepaald dat de cliënt die geen hoofdverblijf (woonplaats) heeft in de gemeente geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening. De cliënt zal bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met zijn/haar (te verwachten) beperkingen. Verwezen wordt naar de begripsbepaling van hoofdverblijf in de Verordening. RegresrechtHet regresrecht, opgenomen in artikel 2.4.3. van de Wmo 2015, stelt gemeenten in staat om de kosten voor Wmo-voorzieningen te verhalen op een derde bij wettelijke aansprakelijkheid voor een ongeval dat tot de beperkingen heeft geleid. Wanneer regresslachtoffers zich bij de gemeente melden voor een vergoeding van hun kosten voor Wmo-voorzieningen, moet de gemeente deze kosten zelf verhalen bij een schadeverzekeraar. Het gaat hier om regresslachtoffers die vanaf 1-1-2019 te maken hebben gehad met een ongeval waarbij een derde aansprakelijk is. Gemeenten kunnen besluiten om de Wmo-kosten zelf te verhalen, maar kunnen ook opdracht geven aan een in het aansprakelijkheidsrecht gespecialiseerd advocatenbureau. Eigen krachtEen belangrijk onderdeel van het onderzoek is de eigen kracht van de cliënt. Daaronder wordt in het algemeen dat verstaan wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De betrokkene zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is onder de Wmo 2015 echter niet verplicht. Tijdens het onderzoek wordt dit onderwerp wel met de cliënt besproken. Het college beoordeelt ook of de cliënt met gebruikmaking van voor hem te achten algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn beperkingen kan oplossen of verminderen, zie ook artikel 4.3 lid 2 aanhef en onder a van de Verordening en de toelichting daarop. Gebruikelijke hulpIn Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en zo ja in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich meebrengt. In de Verordening is bepaald wat in ieder geval onder gebruikelijke hulp wordt verstaan. Het college bespreekt samen met de cliënt die maatschappelijke ondersteuning nodig heeft wat redelijk is ook in het kader van deze Beleidsregels. Zie verder hoofdstuk 4 ‘Gebruikelijke hulp’ van deze Beleidsregels. MantelzorgEen mantelzorger kan een huisgenoot zijn, maar dat hoeft niet. Mantelzorg gaat verder dan gebruikelijke hulp. Mantelzorg is de hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Het verlenen van mantelzorg is vrijwillig, maar voelt vaak als een vanzelfsprekendheid. Zie verder hoofdstuk 5 ‘Mantelzorg’ van deze Beleidsregels. Ondersteuning vragenCliënten kunnen het moeilijk vinden om een ander te vragen iets voor hen te doen terwijl mensen in het netwerk best bereid (kunnen) zijn iets voor een ander te betekenen, maar weten niet hoe ze dat moeten aankaarten. Dit is ook onderwerp van het onderzoek, waarbij het college kan ondersteunen in het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het onderzoek. Gebruik maken van algemene voorzieningenHet college is gehouden algemene voorzieningen te treffen ter bevordering van de zelfredzaamheid en participatie die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het Beleidsplan over het te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Daarbij wordt ook benadrukt dat een algemene voorziening in de daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening. Of dit in een individueel geval ook zo is, onderzoekt het college indien door of namens een betrokkene een melding is gedaan met de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren. Wat is een algemene voorzieningEen algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 lid 1 van de wet). Algemene voorzieningen worden getroffen door het college en zijn, zoals ook blijkt uit de definitie, laagdrempelig toegankelijk. Dit neemt niet overigens weg dat het college algemene voorzieningen kan treffen die bestemd zijn voor burgers met specifieke persoonskenmerken, bijvoorbeeld ouderen. Voorbeelden van algemene voorzieningen kunnen zijn: Maaltijdservice; Vrijwilligers die beschikbaar en geschikt zijn om de cliënt te ondersteunen bij bijvoorbeeld het doen boodschappen (in plaats van gebruikmaking van de boodschappendienst), vervoer en/of deelname aan activiteiten; Inloop (dagbesteding), bijvoorbeeld de ‘Stadskamer’ en ‘De Omslag’(Welcom). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. AfstemmenBij het onderzoek moet het college bij de cliënt informeren of hij op andere terreinen binnen het sociale domein zorg, ondersteuning of diensten ontvangt. De eventueel toe te kennen maatwerkvoorziening wordt daar, als daartoe aanleiding is, op afgestemd. Doel is te komen tot een zo goed mogelijk op elkaar afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie. 3.2.Algemene uitgangspunten Verordening: artikel 5.2PrimaatDe hoofdregel volgens de Verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt. Denk bijvoorbeeld aan het collectief vervoer (zoals de Regiotaxi) in plaats van een individuele vervoersvoorziening. Het genoemde primaat van de Regiotaxi was al bekend onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Wmo 2007. De Regiotaxi (of ander collectief vervoer) kan in de omstandigheden van het individuele geval als passende bijdrage worden aangemerkt om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie. In dat kader gaat ook de groepsondersteuning voor op individuele ondersteuning, tenzij dat niet als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dat laatste geldt natuurlijk ook bij het primaat van de Regiotaxi. Kortdurend en ontwikkelingsgerichtDe maatwerkvoorziening kan ook voor een kortdurende periode worden verleend. De maatschappelijke ondersteuning wordt dan ontwikkelingsgericht ingezet hetgeen aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te versterken of verbeteren. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of zorg op grond van de Zvw worden verstaan. Verder kan kortdurende maatschappelijke ondersteuning aan de orde zijn als degene van wie gebruikelijke hulp mag worden verwacht dat (nog) niet kan maar dat wel kan leren. Geheel aan maatregelenOnder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan het concreet tot stand brengen van contact (afspraak) tussen de vrijwilligersorganisatie en de cliënt (vergelijk CRVB:2011:BR7013). Het geheel van maatregelen kan ook betrekking hebben op de afstemming van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5 lid 5 van de wet. Niveau van maatschappelijke ondersteuningDe verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Het gaat er om dat de cliënt in aanvaardbare mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving (vergelijk CRVB:2012: BV5448). Daarbij wordt ook de eigen verantwoordelijkheid niet uit het oog wordt verloren. Inzetten behandelingHet college kan bij het toekennen van een Wmo-voorziening rekening houden met de mogelijkheid tot het inzetten van een succesvolle behandeling. Onder de Wmo 2007 is daarentegen door de CRvB geoordeeld dat als er reële behandelmogelijkheden zijn, van cliënt verwacht mag worden dat hij gebruik maakt van de behandelmogelijkheden en zich inspant om de behandeling optimaal te laten verlopen. En mocht cliënt geen gebruik willen maken van de behandeling of zich niet willen inspannen om de behandeling goed te laten verlopen, een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo geweigerd kan worden. Een dergelijke uitspraak is onder de Wmo 2015 nog niet gedaan. In het kader van de eigen kracht, mag van de cliënt gevraagd worden dat hij zich inzet om een zo goed mogelijk resultaat te behalen met behandeling. Het college kan dan rekening houden met de mogelijkheid tot het inzetten van een succesvolle behandeling. Bijvoorbeeld door een voorziening te verstrekken voor een beperkte duur, zodat op tijd bijgestuurd kan worden als blijkt dat minder ondersteuning nodig is vanwege een succesvolle behandeling. TrainingHet opnemen van een toets op zelfredzaamheid en vitaliteit en als nodig het inzetten van een training, kan een oplossing zijn om (de oudere) burgers in onze samenleving zo veel mogelijk in goede gezondheid te houden en oud te laten worden. Zowel mentaal als fysiek. Dit zal bijdrage aan een gezondere populatie en minder zorgkosten over het algemeen. 3.3.Beperkende criteria aanspraak In artikel 4.3 lid 2 van de Verordening zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Algemeen gebruikelijkEen dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt als deze (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535 ). niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. BeoordelingskaderDe vier hiervoor genoemde bepalingen hebben betrekking op het oordeel van het college of de voorziening algemeen gebruikelijk is. In Bijlage 2 van deze Beleidsregels is een niet-limitatief aantal algemeen gebruikelijke voorzieningen opgenomen. Er zijn dan ook meer voorbeelden denkbaar. Bovendien is de beoordeling of iets algemeen gebruikelijk is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe algemeen maatschappelijke normen. Moment van de aanvraagBij de toepassing van deze bepaling moet op het moment van de aanvraag het primaire doel daarvan steeds in ogenschouw worden genomen. Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verlenen van de voorziening aan een cliënt zich verhoudt tot de aanschaf (lees ook het kunnen beschikken) over een dergelijke voorziening door een vergelijkbaar persoon zonder beperkingen. Niet te striktVerder wordt nadrukkelijk opgemerkt dat de beoordeling niet al te strikt moet worden gelezen. Het feit dat de cliënt niet zonder meer een fiets met hulpmotor zou aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke voorziening voor hem/haar kan zijn. Fietsen met hulpmotor zijn - in principe - algemeen gebruikelijk voor personen die ouder zijn dan 16 jaar. Een fiets met hulpmotor is vergelijkbaar met een brommer, ook qua kosten (CRVB:2010:BN1265). Standpunt wetgeverIn de Wmo 2015 neemt de wetgever het standpunt in dat voor zaken, die naar hun aard algemeen gebruikelijk worden geacht, er geen rol is voor het college deze onder maatschappelijke ondersteuning te scharen. Een voorbeeld is de eenvoudige rollator. Aangenomen wordt dat de aanleiding van dit standpunt gelegen is in het feit dat eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen sinds 1 januari 2013 niet meer tot de verzekerbare aanspraken behoren. Uit de toelichting bij die wijziging blijkt dat verzekerden namelijk ook zelf een verantwoordelijkheid hebben en dat zij zorg waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven behoren, zelf worden geacht te kunnen dragen. VervangingHet toepassen van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemene gebruikelijke voorzieningen worden door personen met en zonder beperkingen vervangen als zij (technisch) zijn afgeschreven; dat is voorzienbaar. Daaruit kan worden afgeleid dat een onverwachtse noodzakelijke aanschaf of vervanging mogelijk niet als algemeen gebruikelijk voor de cliënt kan worden beschouwd. Privaatrechtelijke verbintenisIn het kader van de beoordeling of een aangevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is, kan onder omstandigheden betekenis toekomen aan het gegeven dat op grond van een privaatrechtelijke verbintenis (waaronder een verbintenis uit overeenkomst) aanspraak op de voorziening kan worden gemaakt. Het college kan in die gevallen verlangen dat de cliënt deze aanspraak naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is algemeen gebruikelijk om te doen en valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Onverwachts optredende noodzaakHet zogenoemde calamiteitenprincipe kan een uitzondering vormen op de hoofdregel. Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf of vervanging van een voorziening en deze zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat een omstandigheid zijn waarom een algemeen gebruikelijke voorziening voor de persoon als de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is. RenovatieHet uitgangspunt in ogenschouw genomen dat geen voorzieningen worden verleend die algemeen gebruikelijk zijn voor de persoon als de cliënt, geldt dat, als sprake is van renovatie, (woon)voorzieningen in beginsel worden geweigerd. Dat is op zich ook logisch immers voor personen met en zonder beperkingen geldt dat voorzieningen na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. Renovatie heeft betrekking op het verlenen van voorzieningen die technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden (afschrijftermijn). Voorbeelden zijn keukens, natte cel, et cetera. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning Montferland 2018 worden de afschrijftermijnen van een aantal voorzieningen genoemd. MeerkostenHet begrip meerkosten hangt nauw samen met het begrip algemeen gebruikelijk. Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een voorziening die voor een persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk zijn, kunnen soms toch voor verlening in aanmerking komen. Het gaat dan om kosten die personen zonder beperkingen per definitie niet hebben. Voorbeelden hiervan zijn: De aanpassingen aan een bakfiets die eventueel nodig zijn voor het vervoer speciale zitkuip. Geveerde zijwielen aan een fiets. Bijzondere fixatiemiddelen in een reguliere autostoel voor kinderen. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar (zie bijlage 2). Besteding persoonsgebonden budgetDe cliënt mag een Pgb niet besteden aan een voor de persoon als de cliënt aan te merken algemeen gebruikelijke voorziening (art. 6.1 lid 3 onder a van de Verordening). 4.Gebruikelijke hulp 4.1.Inleiding Verordening Artikelen 1.1 lid 1 en 4.4Gebruikelijke hulp is gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 lid 1 van de wet). Onder een leefeenheid worden alle bewoners verstaan die gemeenschappelijke een woning bewonen omdat zij gezamenlijk een huishouden voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt behoort. Alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie worden volwassen huisgenoten geacht geen deel uit te maken van de leefeenheid. Dit is beperkt tot personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. Daarin kan overigens wel zijn overeengekomen dat ook ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. Zie verder de begripsbepalingen van de Verordening. Algemeen uitgangspuntIn de Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen (beperkingen) op te vangen. De Verordening bepaalt wat in ieder geval onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken; het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie; het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden die volgens algemene maatstaven tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren. Er kan naar oordeel van het college (in het individuele geval) ook nog andere ondersteuning onder gebruikelijke hulp worden verstaan. Naar oordeel van het collegeHet is ter beoordeling aan het college of gebruikelijke hulp kan worden verlangd van huisgenoten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in onze samenleving het normaal wordt geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Een huishouden heeft in dit kader niet alleen betrekking op de huishoudelijke taken maar moet in een breder verband worden opgevat. Ondervindt een huisgenoot beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, dan heeft dat betrekking op het (functioneren van het) huishouden binnen de leefeenheid. Gezamenlijke verantwoordelijkheidGebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de ‘sociale relatie’ tussen huisgenoten, waarin het gemeenschappelijk voeren van een huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich meebrengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden. Objectief wegingskaderHet is wenselijk om in Beleidsregels objectieve uitgangspunten (kaders) vast te stellen wat betreft het bieden van gebruikelijk hulp om te voorkomen dat sprake is van toeval of van willekeur. De Verordening bepaalt waar het college in ieder geval rekening mee moet houden (zie verder hierna). Het college neemt daarbij een aantal uitgangspunten over zoals die golden in AWBZ en voor wat betreft het overnemen van huishoudelijke taken gelden de regels zoals die onder de Wmo 2007 werden gehanteerd. Daarbij geldt het algemene uitgangspunt dat van huisgenoten wordt verwacht dat zij de huishoudelijke taken overnemen als de cliënt, vanwege diens beperkingen, daartoe niet of niet voldoende in staat is. In deze Beleidsregels wordt dan ook onderscheid gemaakt tussen de gebruikelijk hulp in de zin van begeleiden bij of het overnemen van bepaalde activiteiten, waaronder ook het bieden van vervoer kan worden verstaan, en bij het overnemen van huishoudelijke taken. Wet modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden (Stb. 2014, 565)Met dit op 1 april 2016 van kracht geworden wetsvoorstel zijn de regels voor verlof in de Wet arbeid en zorg en de Wet aanpassing arbeidsduur vereenvoudigd. Denk aan het gebruik van verlofrechten en de mogelijkheid van aanpassing van de arbeidsduur. Ook is het opnemen van ouderschapsverlof, adoptie- en pleegzorgverlof en langdurend zorgverlof eenvoudiger geworden. De reikwijdte van het kort- en langdurend zorgverlof is uitgebreid naar werknemers die zorgen voor andere huisgenoten dan partner, ouder of kind. De personenkring voor het kort- en langdurend zorgverlof is uitgebreid met familieleden in de tweede graad en anderen met wie de werknemer een sociale relatie heeft. De werkingssfeer van het langdurend zorgverlof is verbreed met de zorg voor zieken en hulpbehoevenden. Deze regels kunnen betrokken worden bij de vraag of gebruikelijke hulp kan worden verlangd van de huisgenoot. Indien aanspraak gemaakt kan worden op deze wet wordt deze aangemerkt als een voorliggende voorziening. Het college moet bij de beoordeling wel rekening houden met het verlies aan inkomsten bij gebruikmaking van dergelijk verlof. 4.2.Beoordeling gebruikelijke hulp De beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp is, volgens de Verordening, gebaseerd op de volgende omstandigheden: De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Ad. 1. De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliëntHet college inventariseert als eerste de hier genoemde omstandigheden. De aardDe aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn. De cliënt kan aangewezen zijn op hulp bij: zelfzorg; de thuisadministratie; het plannen of ondernemen van (dagelijkse) activiteiten in het kader van participatie; of bij problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de cliënt daarbij ondervindt. Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de cliënt wel zelf kan al dan niet met bijvoorbeeld hulp van anderen of met gebruikmaking van algemene voorzieningen (zie artikel 4.1 van de Verordening). Het college houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar verwacht wordt geboden te worden. Zie verder onder het kopje ‘de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt’ van deze Beleidsregels. De omvangOok de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Zo kan de cliënt zijn aangewezen op begeleiding bij of het overnemen van bepaalde activiteiten maar ook afhankelijk zijn van (volledig) toezicht. Naast de vraag of dit toezicht onder gebruikelijke hulp kan worden geschaard, kan het zware eisen stellen aan en/of een zware wissel trekken op de persoon die deze hulp biedt. Ook kan de totale omvang van de ondersteuningsbehoefte in de zelfredzaamheid met zich meebrengen dat niet volledig van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Het college neemt daarbij de uitstelbare en niet-uitstelbare hulp en/of planbare en niet-planbare hulp in aanmerking maar ook de mogelijkheid van redelijk te vergen oplossingen die een eventuele aanspraak op maatschappelijke ondersteuning kunnen voorkomen. De omvang van de ondersteuning kan (deels) ook onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en/of klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, op familiebezoek gaan, et cetera. Dergelijke hulp kan volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer als gebruikelijk worden aangemerkt (zie verder in deze Beleidsregels). Het college kan voor de niet-gebruikelijke hulp een maatwerkvoorziening verlenen (zie verder in deze Beleidsregels). Kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefteAfhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan bij de cliënt. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de cliënt. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Ook in die gevallen kan er nog steeds uitzicht zijn op herstel maar er kan ook sprake zijn van een (naar verwachting) permanente ondersteuningsbehoefte. Als er sprake is van hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden, is het in principe niet van belang of sprake is van een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte. Huishoudelijke takenOok bij het overnemen van huishoudelijke taken wordt in principe geen rekening gehouden met een onderscheid tussen een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte. Dat is in lijn met de regels zoals die golden onder de Wmo 2007. Ad. 2. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliëntAls algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp moeten bieden. Immers huisgenoten binnen de leefeenheid kiezen ervoor om gezamenlijk een huishouden te voeren. Dat maakt hen verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Huishoudelijke takenOok bij het overnemen van huishoudelijke taken wordt in principe geen rekening gehouden met de aard van de relatie. Het gaat er om of sprake is van een huisgenoot binnen de leefeenheid. Dat is de lijn met de regels zoals die golden onder de Wmo 2007. Algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeerHet college houdt bij de beoordeling of er sprake is van gebruikelijke hulp wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geboden wordt. De volgende voorbeelden worden genoemd. Hulp bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan; het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Het vervoer bij structurele verplaatsingen, waarbij rekening wordt gehouden met de intensiteit van de verplaatsingen en de reguliere daginvulling van de huisgenoot. Hulp bij of het overnemen van taken die tot een gezamenlijk huishouden behoren zoals de thuisadministratie. Hulp aan anderen, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het (leren) omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, vrijwilligers, et cetera. Hulp van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen doen en waarbij zij normaal gesproken door hun ouders begeleid worden. Verwezen wordt naar Bijlage 4 ‘uitgangspunten zorg ouder voor kinderen’ bij deze Beleidsregels. Echtgenoten/partnersAls uitgangspunt geldt dat wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer; de onderhoudsplicht die echtgenoten/partners naar elkaar toe hebben. Zo wordt het normaal gevonden dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg of hulp biedt bij de sociale redzaamheid. Bij een substantiële omvang in de ondersteuningsbehoefte kan dit er evenwel toe leiden dat sprake is van niet-gebruikelijke hulp. Kinderen ten opzichte van oudersHet algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen aan hun ouders. Daarbij moet vooral gedacht worden aan het overnemen van de huishoudelijke taken. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan het bieden van begeleiding als gebruikelijke hulp anders liggen. Het hoeft ook niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer gebruikelijk is dat meerderjarige inwonende kinderen hun ouder(
- s)individuele ondersteuning bieden. Het college zal dat in het individuele geval moeten beoordelen. Huisgenoten ten opzichte van elkaarHet algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Voor huisgenoten ten opzichte van elkaar kan het bieden van begeleiding als gebruikelijke hulp anders liggen. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het ook zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander bijvoorbeeld aanspoort tot zelfzorg. Ouders en kinderenDe zorgplicht van ouders voor hun kinderen strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp/zorg voor de kinderen over. Gebruikelijke hulp/zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon, die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Het tijdelijk overnemen van de gebruikelijke hulp/zorg van de kinderen kan een Wmo-aanspraak zijn, maar structurele opvang van kinderen in beginsel niet. Verwezen wordt naar Bijlage 3 ‘Uitgangspunten zorg ouder voor kinderen’ bij deze Beleidsregels. Ad. 3. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderenAls de cliënt thuiswonende kinderen heeft, gaat het college er in beginsel vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke taken. Dat beoordeelt het college in het individuele geval. Kinderen binnen de leefeenheidIn geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, gaat het college er vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Een volwassen huisgenoot van 23 jaar en ouder dient het huishouden in principe geheel over te nemen. Een 18- tot 23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. Onder de omstandigheden in het individuele geval kan ook andere hulp of ondersteuning van het meerderjarige kind aan de ouder(
- s)onder de gebruikelijke hulp vallen. Verder geleden de volgende uitgangspunten bij de huishoudelijke taken: Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Ad. 4. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergdHet kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp van een huisgenoot kan worden verlangd. Een reden daarvoor kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier gebruikelijke hulp kan of moet worden verleend, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een nog niet eerder aanwezige ondersteuningsbehoefte van de cliënt zoals bij een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie het geval kan zijn. Of een huisgenoot die nooit heeft geleerd huishoudelijke taken uit te voeren, maar die wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de ‘gebruikelijke hulp’ aan te leren. De ondersteuning kan dan ook gericht zijn op het leren om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen van de cliënt. Er moet in die gevallen wel sprake zijn van een noodzaak tot het verlenen van een maatwerkvoorziening die in overwegende mate is gericht op de cliënt. Het spreekt voor zich dat hierbij de leerbaarheid van de cliënt ook een belangrijke rol kan spelen. Dat kan ook betrekking hebben op het (leren) accepteren van de te bieden gebruikelijke hulp. 4.3.De verhouding tussen de draaglast en de draagkracht De vraag is of in individuele situaties sprake kan zijn van een uitzondering op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden, overbelast is (of dreigt te geraken) en niet meer in staat is dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. In voorkomende gevallen kan nadat toestemming is verleend het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen. Ook kan een medisch advies nodig zijn. Zie daarvoor hoofdstuk 11 ‘Advisering’ van deze Beleidsregels. Dreigende overbelastingBij een beroep op (dreigende) overbelasting van de huisgenoot moet dat door de cliënt of huisgenoot aannemelijk worden gemaakt en zonodig nader worden onderbouwd. In dat geval rust er op het college de plicht daar een onderzoek naar in te stellen. De betreffende huisgenoot is dan overigens wel verplicht zijn medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek. Weigert de huisgenoot dit, dan kan het recht op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld, tenzij het college het recht op een andere manier kan vaststellen. Omvang planbare en/of onplanbare hulpSoms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te bieden is van invloed op de belastbaarheid van de degene geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met de gebruikelijke zorg/hulp in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Wlz, Zvw en/of Jeugdwet. Het kan dus zijn dat deze respectievelijke zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. Zie verder hierna onder het kopje ‘voorkomen of oplossen overbelasting’ van deze Beleidsregels. Voorkomen of oplossen overbelastingWanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, te vergen eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen dienen deze te worden aangewend. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het bieden van mantelzorg, dan kan het college verlangen dat de huisgenoot die overbelasting voorkomt of opheft door deze zorg door (andere) zorgverleners uit te laten voeren. Denk bijvoorbeeld aan het bieden persoonlijke verzorging als bedoeld in de Zvw of de Jeugdwet. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten met een niet verplichtend karakter, al dan niet in combinatie met een fulltime werkweek, kan het verlenen van gebruikelijke hulp voor gaan op die maatschappelijke activiteiten. Verder wordt verwezen naar Bijlage 3 ‘onderzoek dreigende overbelasting’ van deze Beleidsregels. 4.4.Niet-gebruikelijke hulp Het kan zijn dat de gebruikelijk hulp wordt overschreden. Denk bijvoorbeeld aan de situatie van een langdurige ondersteuningsbehoefte in combinatie met het uitvoeren van huishoudelijke taken en/of het bieden van noodzakelijke individuele ondersteuning. Ook de hulp/zorg van ouders voor kinderen kan niet-gebruikelijk zijn gelet op de omvang daarvan. In vergelijking met gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze hulp/zorg worden overschreden. Het is echter niet zo dat het college in Beleidsregels kan vaststellen hoeveel hulp precies gebruikelijk is te bieden. Het college moet daarvoor de omstandigheden van het individuele geval beoordelen. Zie Bijlage III Uitgangspunten ‘hulp/zorg ouders voor kinderen’ bij deze Beleidsregels. In voorkomende gevallen kan een maatwerkvoorziening aangewezen zijn, tenzij (bij kinderen) aanspraak bestaat op begeleiding of persoonlijke verzorging op grond van de Jeugdwet of intensieve kindzorg op grond van de Zvw. Waar er sprake is van niet-gebruikelijke hulp zal als eerste bepaald moeten worden of deze desondanks toch geleverd wordt en kan worden door een huisgenoot, zodat een maatwerkvoorziening niet nodig is. Als dit niet het geval is, moet duidelijk bepaald worden waarom niet. Is de huisgenoot hier simpelweg niet toe bereid, is deze hier niet toe in staat (en waarom niet), of raakt deze overbelast en kan het daarom niet meer. Wat niet door de huisgenoot overgenomen kan worden zal door middel van een maatwerkvoorziening ingezet moeten worden. Een PGB voor de huisgenoot ligt hierbij niet voor de hand: Als deze hier niet toe in staat is, zal geld dat in principe niet oplossen; Bij overbelasting zal een PGB de oorzaak van de overbelasting ook niet wegnemen In sommige situaties (bijvoorbeeld ouder voor een volwassen kind) is het niet bij voorbaat uit te sluiten (zie ook jurisprudentie) dat er een PGB mogelijk is voor die ouder, als deze daarmee wel bereid en in staat is de niet gebruikelijke hulp te leveren. Wel zal dan goed onderzocht moeten worden dat deze hulp ook doelmatig is (er moet bijvoorbeeld geen afhankelijkheidsrelatie in stand gehouden worden terwijl een doel is om naar zelfstandigheid toe te werken). 4.5.Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe van uit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: de huisgenoot is overbelast of dreigt te worden overbelast; de huisgenoot heeft beperkingen en mist de kennis/vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren; de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting; de huisgenoot is langer dan 7 etmalen aaneengesloten niet aanwezig, vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. 5.Mantelzorg 5.1.Inleiding VerordeningArtikelen 4.1 lid 1 onder c en 8.6 Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Wettelijke begripIn de wet wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1 lid 1 van de wet). De hulp of zorg, die door de mantelzorger wordt geboden, vertegenwoordigt een wettelijke aanspraak. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Beleidsuitgangspunt mantelzorgEr is sprake van mantelzorg als deze intensief en langdurig wordt verleend. Daaronder wordt in principe meer dan 8 uur per week en langer dan 3 maanden verstaan. Mantelzorgers gaan pas echt problemen ondervinden als het verlenen van ondersteuning intensief gedurende een langere periode gebeurt (vergelijk EK 2005/06, 30 131, C, p. 59). AfstemmenAnders dan in de Wlz het geval is, kan het college bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt. Dit neemt overigens niet weg dat het bieden van mantelzorg vrijwillig is. En zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Dat gebeurt in ieder geval tijdens het onderzoek na de melding. Wet langdurige zorgOok kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen ondersteuningsplicht. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling op grond van de Wlz. Wel kunnen deze verzekerden gebruik maken van algemene voorzieningen op grond van de Wmo 2015. Dergelijke voorzieningen zijn immers ‘vrij’ toegankelijk. 5.2.Respijtzorg Een maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf adequaat te ondersteunen. Het college houdt daarbij rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Dat betekent dat de cliënt (tijdelijk) aangewezen kan zijn op een maatwerkvoorziening op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem deze ondersteuning te bieden. Dat is respijtzorg. Denk bijvoorbeeld aan logeren, individuele- of groepsondersteuning of hulp bij het huishouden. De maatwerkvoorziening als respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend. Daarvoor is overigens een bijdrage in de kosten verschuldigd, tenzij de Verordening of het Besluit anders bepalen. Respijtzorg moet worden onderscheiden van: de ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de hulpvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek (het gesprek) plaatsvindt. Het ligt niet voor de hand dat deze situaties snel zullen leiden tot het verlenen van een maatwerkvoorziening. Ondersteuning mantelzorgers algemeenTijdens het gesprek onderzoekt het college de mogelijke behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger(
- s)van de cliënt. Dat behoort tot de wettelijke de opdracht. Zie verder hoofdstuk 2 De procedure van deze Beleidsregels. Overbelasting van de mantelzorgerRespijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Dit kan pas nadat gebleken is dat inzet vanuit het voorliggend veld niet toereikend is. Van cliënt en mantelzorger wordt in principe verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning van een medewerker van het sociaal team) onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kunnen hier ook een rol in spelen. Ook het ondersteuningsaanbod vanuit het Steunpunt Mantelzorg kan ingezet worden om overbelasting te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn: gesprekken met de mantelzorgconsulent, lotgenotencontact, mantelzorgmaatjes en het trainingsaanbod voor mantelzorgers. De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden hierbij altijd meegewogen bij het gesprek met de cliënt. Inzet van respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. In geval de mantelzorger persoonlijke verzorging, als bedoeld in de Zvw, biedt kan het college verlangen dat daar een aanvraag voor wordt gedaan. Persoonlijke verzorging op grond van de Zvw kan door de zorgverzekeraar in natura of als Pgb worden toegekend. Een indicatie wordt gesteld door de wijkverpleegkundige. Hiermee kan het verstrekken van een maatwerkvoorziening worden voorkomen. Jonge mantelzorgersOngeveer een kwart van de Nederlandse kinderen groeit op in een gezin waarin sprake is van ziekte of beperking van een gezinslid. Te denken valt aan: een depressieve vader, een lichamelijk gehandicapte broer of een zus met een verslavingsproblematiek. In deze gevallen spreken we van ‘jonge mantelzorgers’. Deze kinderen lopen een risico op overbelasting. Ter ondersteuning van jonge mantelzorgers zijn er algemene voorzieningen zoals lotgenotencontact (Steunpunt Mantelzorg), KOPP-groepen (GGNet) en een maatjesproject (Welcom). GGZ-mantelzorgersMantelzorgers rondom mensen met een ernstige psychische beperking lopen een verhoogd risico op overbelasting. Het is daarom extra belangrijk om hierbij zorgvuldig de draagkracht mee te wegen. Ter ondersteuning van deze mantelzorgers heeft GGNet een preventief aanbod bestaande uit gesprekken, lotgenotencontact en een cursusaanbod. Daarnaast kan de persoon aan wie mantelzorg verleend wordt, gestimuleerd worden om deel te nemen aan de Stadskamer. Deze algemene voorziening kan fungeren als ontlasting van de mantelzorger. 5.3.Eerstelijns logeren Eerstelijns logeren is een aanspraak onder de Zvw. Medisch noodzakelijk logeren(= aangewezen op geneeskundige zorg) in de eerste lijn onder de verantwoordelijkheid van de huisarts is één van de varianten van het Zvw-verblijf. Het gaat om een verzekerbare aanspraak waarvan het college – in het kader van de eigen verantwoordelijkheid – mag verwachten dat hier ook daadwerkelijk een beroep op wordt gedaan. Met de invoering van de Wlz is het niet meer mogelijk om kortdurend te worden opgenomen omdat de Wlz alleen toegang biedt voor verzekerden met een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Dit in afwachting van een CIZ-besluit op een Wlz-aanvraag 5.4.Logeren Een vorm van respijtzorg is logeren in een instelling. Dat is een accommodatie van een aanbieder. Het doel van logeren is dat de mantelzorger duurzaam inzetbaar blijft De maatwerkvoorziening logeren wordt slechts toegekend als het is gericht op het overnemen van het toezicht op de cliënt zodat de mantelzorger, maar ook het huishouden en/of gezin wordt ontlast. Het resultaat van logeren zal zijn dat de mantelzorger wordt ontlast, de cliënt een zinvolle dagbesteding zal hebben, dat ontregeling van het huishouden wordt voorkomen en het sociaal netwerk van de cliënt wordt versterkt. Logeren (ook wel respijtzorg) is het logeren in een accommodatie van Instelling met als doel het tijdelijk ontlasten van de mantelzorger en/of de omgeving en/of ter preventie van ontsporing. Indien er ook sprake is van ondersteuning vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) zoals persoonlijke verzorging en verpleging, wordt nauw samengewerkt met partners vanuit deze ondersteuning, zodat deze ondersteuning geleverd blijft worden. De cliënten die in aanmerking komen voor logeren hebben een complexe hulpvraag en ontvangen vaak langdurig ondersteuning van mantelzorgers. Cliënten hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. 5.5.Mantelzorgwoning Tijdens de wetsbehandeling van de Wmo 2015 is aangegeven dat initiatieven als mantelzorgwoningen aandacht verdienen en waar mogelijk belemmeringen tot plaatsing te worden verminderd. Zo zijn de regels voor omgevingsvergunningvrij bouwen vereenvoudigd. Daartoe is het Besluit omgevingsrecht gewijzigd (Stb. 2014, nr. 333). Urgentie voor een huurwoningIndien gewenst wordt hiervoor een advies afgegeven. 6.Ondersteuning bij een schoon en leefbaar huis 6.1.Inleiding Verordening hoofdstuk 7Het te bereiken resultaat ten aanzien van een schoon en leefbaar huis bestaat allereerst uit het kunnen wonen in een woning die schoongehouden is. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Het te bereiken resultaat is beperkt tot de gebruiksruimten die voor de cliënt onder zijn normale gebruik van de woning vallen. Kamers die niet in gebruik (hoeven
- te)zijn in dat kader vallen hierbuiten. Huishoudelijke takenIndien een cliënt is aangewezen op ondersteuning bij een schoon en leefbaar huis kan het college een maatwerkvoorziening toekennen in de vorm van hulp bij het huishouden die kan bestaan uit het overnemen van en/of ondersteuning bij lichte en zware huishoudelijke taken (zie art. 7.3 lid 1 en 2 van de Verordening en art. 2.4 Besluit maatschappelijke ondersteuning Montferland 2018). Hulp bij het huishouden overigOnder hulp bij het huishouden wordt ook verstaan: Bereiden van maaltijden; Het kunnen beschikken over normaal benodigde boodschappen; Het aanwezig zijn van gewassen en zonodig opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed en indien noodzakelijk gestreken; De dagelijkse zorg voor kinderen. Wijze van financieringVoor Hulp bij het Huishouden zijn normtijden ontwikkeld, die gebaseerd zijn op het CIZ protocol ‘Hulp bij het Huishouden’ Deze normen geven voor elke huishoudelijke taak een aantal minuten aan (zie bijlage 5). Het college heeft hiertoe all in uur-tarieven vastgesteld die gelden voor deze dienstverlening. Voor de wasvoorziening in natura is sprake van een afwijkende financiering omdat deze op een andere manier, buitenshuis, is georganiseerd. Er wordt alleen op de normtijden en het uurtarief teruggevallen als na onderzoek blijkt dat er in het individuele geval dringende redenen zijn, waardoor de was niet buitenshuis gedaan kan worden. Voor wat betreft de systematiek van financiering van de wasvoorziening zal jaarlijks gedurende de contractperiode een lumpsum bedrag verstrekt worden aan de aanbieder en deze zal de verwerkte waszakken factureren. 6.2.Beleidsuitgangspunten Bij het verlenen van hulp bij het huishouden gelden de volgende beleidsuitgangspunten. VooronderstellingVoor de ‘hulp bij het huishouden overig’ gaat het college uit van de vooronderstelling dat de cliënt gebruik kan maken van beschikbare algemene voorzieningen, zoals een maaltijdservice, of van algemene gebruikelijke voorzieningen zoals kant-en-klaar maaltijden en de boodschappendienst van de supermarkt. Het ligt op de weg van de cliënt om aannemelijk te maken en dat zo nodig nader te onderbouwen dat dit niet het geval is (vergelijk CRVB:2011:BR6634, CRVB:2012:BY2147, CRVB:2013:2205, CRVB:2014:4276 en CRVB:2015:97). Voor wat de opvang voor kinderen geldt in het algemeen de vooronderstelling dat gebruik kan worden gemaakt van diverse vormen van opvang (zie art. 7.3 lid 3 aanhef en onder e van de Verordening). Van de hier bedoelde vooronderstellingen wordt natuurlijk niet uitgegaan indien (op voorhand) tijdens het onderzoek blijkt of vast is komen te staan dat de cliënt geen gebruik kan maken van de bedoelde ‘voorliggende’ oplossingen of als deze niet (langer) beschikbaar zijn. Denk bijvoorbeeld aan iemand die is aangewezen op een medisch noodzakelijk dieet of dusdanige beperkingen heeft dat de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt niet kunnen worden geopend en/of in de magnetron kunnen worden gezet. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Gebruikelijke hulpVoor hulp bij het huishouden geldt dat de cliënt daarvoor niet in aanmerking komt voor zover tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Verwezen wordt naar hoofdstuk 4 ‘Gebruikelijke hulp’ van deze Beleidsregels. Geen andere oplossingenOok geldt vanzelfsprekend dat er geen andere oplossingen mogelijk (kunnen) zijn die problemen bij een schoon en leefbaar kunnen voorkomen of oplossen. Verwezen wordt naar hoofdstuk 3 ‘Beoordeling aanspraak’ van deze Beleidsregels. Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op ondersteuning (vergelijk CRVB:2011:BP1804). Mogelijk is ook dat een deel van de huishoudelijke taken door de cliënt zelf wordt gedaan en voor een ander deel ondersteuning door het college wordt geboden. Zo efficiënt mogelijkEen andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking zodat de hulp bij het huishouden zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen of (
- te)volle vensterbanken die - voordat de ramen gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (
- te)volle kasten met allerlei kleinheden, et cetera. Ook mag van de cliënt worden verwacht dat hij - indien mogelijk - voorbereidingen treft. Aanwezigheid van algemeen gebruikelijke voorzieningAls algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen waarmee de hulp bij het huishouden zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Zie ook artikel 4.3. lid 2 aanhef en onder a van de Verordening. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, et cetera (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde voorzieningen die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke taken zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau of een handwringer voor het uitwringen van werkdoekjes. Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke voorziening een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die wel bereikbaar is voor de cliënt zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Houden van huisdierenHeeft de cliënt huisdieren dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet voor hulp bij het huishouden. Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Immers, het hebben van huisdieren brengt nu eenmaal (wat) meer vervuiling van de woning met zich mee. Een uitzondering geldt indien de cliënt is aangewezen op een hulphond die is verstrekt op grond van de Zvw. Gesaneerde woningVerder is het zo dat bij de hulp bij het huishouden wordt uitgegaan van een gesaneerde woning ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten maar deze dieren wel door de cliënt worden gehouden geldt geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd. Opname in hospiceDe gemeentelijke zorg voor de inwoners van de gemeente Montferland is uitgebreid naar een verblijf in een hospice buiten de gemeente Montferland. Met de betreffende hospices worden op het moment er daar een inwoner van de gemeente wordt ondergebracht nadere afspraken gemaakt over o.a. de facturering. De praktische invulling van hulp bij het huishouden wordt overgelaten aan belanghebbende en het hospice samen. SchoonHet gaat om alle activiteiten om het huis schoon en leefbaar te houden. Uitgangspunt hierbij is dat rekening wordt gehouden met die kamers/delen van het huis die frequent gebruikt worden. Het resultaat van deze activiteiten is dat de betrokkene beschikt over een schoon en leefbaar huis. Dit betekent dat men in het algemeen gebruik moet kunnen maken van schone ruimten die worden gebruikt in verband met het in staat zijn tot het uitvoeren van elementaire woonfuncties. In het algemeen is het natuurlijk zo dat deze ruimten met enige regelmaat schoongemaakt moeten worden. Het wil echter niet zeggen dat alle ruimten wekelijks schoongemaakt moeten worden. Bij schoon wordt onderscheidt gemaakt hygiënisch schoon en optisch (lees ook representatief) schoon. Hygiënisch schoon kan zijn aangewezen omdat het bevorderlijk is voor de gezondheid. Het resultaat hygiënisch schoon heeft dan ook betrekking op de sanitaire ruimten en het keukenblad waar de maaltijden worden bereid. Een optisch schoon resultaat wordt verkregen als het oppervlak vrij is zichtbare vervuiling. Denk aan stofzuigen, dweilen, afstoffen en ramen lappen. LeefbaarEen algemene definitie van leefbaarheid luidt als volgt; ‘geschikt om erin of ermee te kunnen leven’ (Van Dale, 1997). Dat maakt leefbaarheid nog niet geheel objectief. Leefbaarheid in dit kader gaat over de relatie van de cliënt en de woning. In het algemeen gaat leefbaarheid in het kader van deze Beleidsregels er van uit dat de woning opgeruimd moet zijn om bijvoorbeeld vallen te voorkomen. En zoals gezegd mag van de cliënt worden verwacht dat hij daar - voor zover mogelijk en in wat redelijk is - zijn medewerking aan verleend. Schoon en leefbaar huis (variant a.) en schoon en leefbaar huis + (variant b.)Bij de inzet van hulp bij het huishouden wordt onderscheidt gemaakt een tussen variant a. en variant b. (niet zijnde individuele begeleiding). Het verschil tussen deze varianten is gelegen in de mate waarin de cliënt in staat is de huishoudelijke taken te organiseren. Van cliënten met bijvoorbeeld ernstige visusbeperkingen, cognitieve- en geheugenbeperkingen, psychosociale problematiek of zij die zich in hun laatste levensfase bevinden kan het college vaststellen dat zij niet of slechts in beperkte mate in staat zijn de huishoudelijke taken: adequaat in te schatten, te bepalen (te zien), te plannen, te organiseren, voor te bereiden en te overzien. Kort gezegd: het regelen. Hoewel het om dezelfde soort ondersteuning kan gaan als bij schoon en leefbaar huis (variant a), spreekt het voor zich dat bij cliënten met een ‘beperkt regelvermogen’ (variant
- b)andere eisen worden gesteld aan de persoon die de ondersteuning biedt. Wanneer er iemand aanwezig is die de regie overneemt, wordt variant a. ingezet. Variant b. wordt ingezet wanneer de cliënt: onvoldoende zelfredzaam is, een beperkte verandercapaciteit heeft en leerbaar is, in die situaties waar er sprake is van coachen/geven van advies, instructie en voorlichting (gericht op het zelfstandig uitvoeren van het huishouden. 6.3.Werkwijze Het college beoordeelt of de cliënt is aangewezen op hulp bij huishouden op basis van de volgende criteria: de onderwerpen die tijdens het onderzoek aan bod zijn gekomen; is er sprake van te objectiveren beperkingen waardoor de cliënt beperkingen ondervindt in het uitvoeren van huishoudelijke taken; en beschikt de cliënt over (voldoende) regelvermogen; en kan van de huisgenoot/huisgenoten gebruikelijke hulp worden verwacht. Hulp bij huishouden in naturaIn geval van hulp bij het huishouden in natura zal een medewerker van het Sociaal Team Montferland een indicatie in minuten/uren per week en het bijbehorende programma van eisen vaststellen. De aanbieder maakt in samenspraak met de cliënt afspraken over hoe en wanneer hulp bij het huishouden geboden gaat worden. Indien dat uit het onderzoek (of tijdens de aanvraagprocedure) naar voren is gekomen, wordt ook met de cliënt gesproken over: de mogelijkheden die de cliënt zelf heeft; en/of de ondersteuning vanuit het sociale netwerk van de cliënt; en/of de eventuele inzet van vrijwilligers, en hoe de huishoudelijke taken het beste tussen de aanbieder en de cliënt, personen uit het sociale netwerk of vrijwilligers kunnen worden verdeeld. Met deze werkwijze kunnen de aanbieder en de cliënt het beste met elkaar tot een maatwerk oplossing komen. De cliënt en de aanbieder zijn in principe vrij hoe de hulp bij het huishouden wordt georganiseerd. Niet tevredenDeze werkwijze brengt ook het volgende met zich mee. Indien de cliënt niet tevreden is met de geboden hulp bij het huishouden ligt het op diens weg om daar eerst de aanbieder op aan te spreken. Het gaat er in voorkomende gevallen om dat het om reële klachten gaat. Het college verwacht in deze een bepaalde mate van inspanning van de cliënt; dat behoort tot zijn eigen verantwoordelijkheid. Mocht de cliënt, naar oordeel van het college, de aanbieder voldoende te hebben aangesproken zonder dat dit heeft geleid tot resultaat, kan de cliënt bij het college melden waarom hij niet tevreden is met de geboden hulp. In eerste instantie zal een medewerker van het Sociaal Team een huisbezoek afleggen om ‘de klacht’ te beoordelen. Afhankelijk van de uitkomst daarvan zal het college zo nodig in overleg treden met de aanbieder. In het geval de aanbieder, naar oordeel van het college, niet een aanvaardbaar resultaat van een schoon en leefbaar huis biedt draagt het college er zorg voor dat dit wel wordt geboden. Het kan ook zijn dat de cliënt de mogelijkheid heeft om over te stappen naar een andere aanbieder. 6.4.Hulp bij het huishouden overig BroodmaaltijdOnder een broodmaaltijd wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd, koffie en thee zetten. Een broodmaaltijd kan 1 keer dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Warme maaltijdenOnder een warme maaltijd wordt verstaan het verzorgen van warme maaltijd waaronder ook het opwarmen kan vallen. Een warme maaltijd kan 1 keer dag worden geboden. Dit geldt vanzelfsprekend alleen als er geen andere oplossingen zijn zoals de maaltijdservice of de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt. Verzorging en verplegingVoor zover de cliënt vanwege lichamelijke beperkingen niet in staat is om zelf te eten, ligt het voor de hand dat daarvoor een indicatie verkregen kan worden op grond van de Zvw. Dat geldt ook indien er tijdens het eten toezicht moet worden gehouden vanwege bijvoorbeeld verstikkingsgevaar. BoodschappenHet kunnen beschikken over normale benodigde boodschappen valt onder de hulp bij het huishouden. De ondersteuningsplicht heeft betrekking op levensmiddelen en schoonmaakmiddelen en dergelijke die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Het is doorgaans mogelijk en wordt als gangbaar beschouwd dat mensen boodschappen geclusterd doen door bijvoorbeeld eens per week of tweewekelijks een voorraad in huis te halen. Voor zover het gaat om de zware boodschappen kan daar in ieder geval van worden uitgegaan. Bij de boodschappendienst wordt er van uitgegaan dat iemand de boodschappen via de telefoon of via de PC kan bestellen. Het gebruik maken van boodschappendiensten zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen. Supermarkten hebben doorgaans een dergelijke service. Ook kan het zijn dat de cliënt zelf nog in staat is om met bijvoorbeeld een scootmobiel (dagelijkse) boodschappen te doen. Daarbij kan van de cliënt ook worden verlangd om de hulp van het personeel of een derde in te roepen als hij onverwacht niet bij een boodschap kan omdat deze te laag of te hoog ligt. Verder mag van de cliënt in voorkomende gevallen ook worden verwacht dat met een daarop gerichte training wordt geleerd om met een scootmobiel op een veilige manier winkels binnen te gaan en boodschappen te doen. WasoorzieningDe dagelijkse kleding, beddengoed, handdoeken, e.d. moeten met enige regelmaat schoongemaakt worden. Daaronder valt het aanwezig zijn van gewassen, opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed, indien noodzakelijk gestreken. Bij dat laatste wordt opgemerkt dat van de cliënt ook mag worden verwacht dat hij rekening houdt met het kopen van kleding waarbij strijken niet nodig is. Dit moet overigens ook in relatie worden gezien met de aanschaf van een algemeen gebruikelijke wasdroger. Van de cliënt mag in dit kader worden verwacht dat er bijvoorbeeld extra (dubbel) beddengoed aanwezig is. Datzelfde geldt voor bijvoorbeeld voldoende handdoeken, andere linnengoed en/of kleding. Op deze manier kan de inzet van ondersteuning ook zo efficiënt mogelijk worden gedaan. De was wordt bij zorg in natura buiten de deur gedaan. Per week kan er standaard een waszak van 8 kilo (gemengde) was aangeboden worden. Deze wordt bij de voordeur opgehaald en de volgende week schoon, gevouwen en de bovenkleding waar nodig gestreken weer thuisgebracht. In bijzondere gevallen kan een indicatie voor 2 waszakken per week plaatsvinden, denk hierbij aan grote huishoudens. In uitzonderlijke situatie kan de was in uren/minuten geïndiceerd worden, zodat de hulp de was kan doen. Verzorgen kinderenDe zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouder(s). Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppas oma, diverse vormen van kinderopvang, e.d.), het is een eigen verantwoordelijkheid daar voor te zorgen. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. Het college kan dan ook slechts tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten zodat er ruimte ontstaat om een oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden tijdelijk opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. 7.Begeleiding gericht op zelfredzaamheid en Logeren 7.1.Inleiding Verordening hoofdstuk 8Artikel 8.1 van de Verordening bepaalt dat het college aan de cliënt die aanspraak heeft op maatschappelijke begeleiding een maatwerkvoorziening kan verlenen in de vorm van: Individuele begeleiding bij het in staat stellen tot algemeen dagelijkse levensverrichtingen en een gestructureerd huishouden te kunnen voeren; Groepsbegeleiding voor een zinvolle dagbesteding waaronder zo nodig het noodzakelijke vervoer naar de locatie waar deze wordt geboden; Arbeidsmatige dagbesteding; Logeren in een accommodatie van een aanbieder om de mantelzorger te ontlasten. (waarbij een afweging gemaakt dient te worden of iemand behoort tot de doelgroep van de Wlz) of als er andere zwaarwegende redenen zijn waardoor de cliënt tijdelijk niet thuis kan wonen (bijvoorbeeld in afwachting van een ingrijpende woningaanpassing) en geen beroep kan doen op andere wetgeving. 7.2.Beleidsuitgangspunten Bij het verlenen van individuele begeleiding en groepsbegeleiding gelden in ieder geval de volgende beleidsuitgangspunten. Gebruikelijke hulpVoor individuele begeleiding en groepsbegeleiding geldt dat de cliënt daarvoor niet in aanmerking komt voor zover tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Verwezen wordt naar hoofdstuk 4 ‘Gebruikelijke hulp’ van deze Beleidsregels. MaatwerkDe maatwerkvoorziening(
- en)wordt, indien en voor zover mogelijk, afgestemd op eigen kracht, vrijwilligers en/of begeleiding vanuit het sociaal netwerk. Bij alle vormen van begeleiding speelt het afstemmen met andere organisaties die de cliënt begeleiding bieden een belangrijke rol. Groepsbegeleiding (dagbesteding) vindt zo veel mogelijk lokaal plaats en waar mogelijk in/met gemengde groepen. In deze (gemengde) groepen draagt de zinvolle dagbesteding van de ene cliënt bij aan die van de andere cliënt. PrimaatVoor individuele begeleiding en groepsbegeleiding geldt het principe van het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. 7.3.Werkwijze Het college beoordeelt of de cliënt is aangewezen op individuele- en of groepsbegeleiding op basis van onder meer de volgende criteria: de onderwerpen die tijdens het onderzoek aan bod zijn gekomen; is er sprake van te objectiveren beperkingen; en kan van de huisgenoot/huisgenoten gebruikelijke hulp worden verwacht. Begeleiding in naturaIn geval van individuele- en of groepsbegeleiding in natura zorgt het college dat de betreffende aanbieder een zorgplan opstelt. Er worden in samenspraak met de cliënt afspraken gemaakt. Indien dat uit het onderzoek naar voren is gekomen, wordt onder deze afspraken ook verstaan het bespreken van de mogelijkheden die de cliënt zelf heeft, begeleiding vanuit het sociale netwerk van de cliënt of de eventuele inzet van vrijwilligers. Met deze werkwijze kunnen de aanbieder en de cliënt het beste een maatwerk oplossing overeenkomen. Vervolgens wordt vastgesteld wat noodzakelijk is om de cliënt in aanvaardbare mate in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie. Het gaat daarbij om een selectie uit (zie verder in deze Beleidsregels): Gericht op ontwikkeling (doorstroom en uitstroom); Ontwikkelen en coachen bij; Ontwikkelen Plus. Gericht op stabiliseren (voorkomen van achteruitgang) Stabiliseren en helpen bij (gericht op stabiel houden en voorkomen van achteruitgang); Stabiliseren en overnemen; Stabiliseren Plus. Daarbij wordt door het college tevens de omvang van de maatwerkvoorziening vastgesteld. 7.4.Individuele begeleiding Individuele begeleiding is gericht op het zo lang mogelijk op verantwoorde wijze zelfstandig in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen en het zoveel mogelijk op aanvaarbare wijze met anderen kunnen meedoen in de maatschappij. De begeleiding omvat activiteiten aan cliënten met beperkingen op het terrein van: de sociale redzaamheid; het bewegen en verplaatsen; het psychisch functioneren; het geheugen en de oriëntatie en overige gedragsproblemen. Individuele begeleiding kan o.a. bestaan uit: het organiseren en stimuleren van deelname aan activiteiten in het dagelijks leven; het begeleiden bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid; het versterken en bevorderen van het sociale netwerk; het vergroten en optimaliseren van de inzet van het sociale netwerk; het stimuleren van sociale contacten en voorkomen van een sociaal isolement; het begeleiden bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of voeren van de regie bij het voeren van een huishouding, waaronder financieel gezonde situatie, etc.; het indien nodig, tijdelijk overnemen van toezicht zodat de mantelzorger wordt ontlast; Diverse resultaten van de inzet van de individuele begeleiding zijn afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid van de cliënt en de gestelde doelen in het begeleidingsplan. Per cliënt wordt in het programma van eisen bepaald welke van de volgende resultaten van toepassing zijn zoals: de cliënt woont zelfstandig en slechts onderbroken door tijdige interventies waarbij huisvesting niet in gevaar komt; de cliënt is financieel stabiel (al dan niet met inkomens beheer/bewindvoering) en heeft een overzicht van de eigen in- en uitgave en kan (verantwoorde) keuzes maken; de cliënt heeft een sociaal netwerk waar hij op terug kan vallen; de cliënt herkent problematiek bij zichzelf (op ieder domein) en kan hierdoor adequaat reageren (hulp inroepen); de cliënt blijft zorgdragen voor zichzelf (balans draagkracht en draaglast), hierbij kan hij zijn mantelzorger(
- s)en netwerk inzetten; de cliënt heeft een dagbesteding (parttime/fulltime) en is tevreden met zijn dagbesteding; de eventuele verslaving van de cliënt is onder controle; de cliënt heeft zelden contact met justitie; de cliënt heeft structuur in zijn dag: huishouden, boodschappen, maaltijden, dag- en nachtritme etc. de cliënt houdt zelfstandig een huishouden bij (niet zijnde variant b.). Persoonlijke verzorgingPersoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 bestaat uit hulp bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Hieronder kunnen de navolgende handelingen verstaan worden: in en uit bed komen; aan- en uitkleden; bewegen en lopen; gaan zitten en weer opstaan; lichamelijke hygiëne; toiletbezoek; eten en drinken; medicijnen innemen; ontspanning en sociaal contact. Het gaat hierbij niet om bijvoorbeeld het daadwerkelijk aankleden van de cliënt, maar om de begeleiding hierbij. Het gaat dus om cliënten die zichzelf wel kunnen wassen aankleden en dergelijke maar daartoe aangespoord moeten worden door de begeleider omdat ze een regie probleem hebben, bijvoorbeeld cliënten met een zintuigelijke-, verstandelijke- of psychiatrische beperking Persoonlijke verzorging houdt verband met de zelfredzaamheid en ligt in het verlengde van begeleiding. Is dit het geval dan wordt de zorg geregeld op grond van de Wmo. Persoonlijke verzorging bestaat uit: Persoonlijke verzorging – ontwikkelt (gericht op doorstroom en uitstroom). Persoonlijke verzorging – stabiliseert (gericht op stabiel houden en voorkomen van achteruitgang). 7.5.Begeleidingsvormen De vorm van de individuele begeleiding sluit aan bij de begeleidingsbehoeftig van de cliënt. De navolgende vormen van individuele begeleiding worden onderscheiden: Begeleiding individueel ontwikkelen en coachen bij Hierbij gaat het vaak om een verandering bij of in het leven van de cliënt die invloed heeft op meerdere leefgebieden, waarbij nieuwe vaardigheden aangeleerd of gegeneraliseerd moeten worden. Het gaat vaak om een relatief korte periode. Afhankelijk van de problematiek en doelen wordt de duur bepaald. Deze vorm van begeleiding is vooral passend aansluitend op of in combinatie met behandeling of bij jong volwassenen. Na het ontwikkelen zal het overgaan naar stabiliseren en helpen bij of iemand kan zonder begeleiding. Het vergroten van de eigen kracht kan bij deze cliënt veelal een positief effect hebben op alle leefgebieden. De cliënt (en zijn omgeving) leert (leren) vaardigheden om voldoende te participeren, dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daar zoveel mogelijk regie over te voeren. De inzet van de professional kan variëren. Begeleiding individueel ontwikkelen Plus Aanvullend op begeleiding individueel ontwikkelen en coachen bij geldt dat het bij ontwikkelen plus gaat om constant onvoorspelbaar gedrag, (reële kans
- op)agressief gedrag (verbaal of fysiek), zorg mijders, forse psychiatrie, hardnekkige patronen of als veiligheid in het geding komt/kan komen van de persoon zelf of van de directe omgeving. Beschreven gedrag betreft bijna alle leefgebieden en er is altijd sprake van gedragsproblemen. Begeleiding individueel stabiliseren en helpen bij De (vaak structurele) begeleiding van de cliënt is gericht op activeren, stimuleren, vinger aan-de-polsbegeleiding, samen doen, oefenen, structuur bieden, ventileren, overvraging voorkomen en de doorontwikkeling/verdieping van al aangeleerde vaardigheden. Incidentele overname past hier ook of als er overname is op één of enkele leefgebieden. Afhankelijk van de problematiek en doelen wordt de duur bepaald. De inzet van de professional kan variëren. Het vergroten van de eigen kracht kan bij deze cliënten een veelal stabiliserend tot beperkt positief effect hebben op een of meerdere leefgebieden. Begeleiding individueel stabiliseren en overnemen Hierbij gaat het om passiviteit bij de cliënt of de cliënt komt tot weinig dan wel nets op meerdere leefgebieden. Hierdoor moeten taken en vaardigheden op meerdere levensgebieden worden overgenomen. Afhankelijk van de problematiek en doelen wordt de duur bepaald. De inzet van de professional kan variëren. Toename van de zelfredzaamheid kan mogelijk zijn. In sommige gevallen kan deze vorm van begeleiding overgaan naar stabiliseren en helpen bij. Deze vorm van begeleiding kan ook nodig zijn voor cliënten die een progressieve ziekte hebben waarbij altijd overname nodig is op meerdere leefgebieden. Deze ondersteuningsbehoefte is in deze situaties vaak blijvend. Vooral het begeleiden van achteruitgang staat hier centraal. Begeleiding individueel stabiliseren Plus Aanvullend op begeleiding individueel stabiliseren (helpen bij/overnemen) geldt dat het bij stabiliseren Plus gaat om constant onvoorspelbaar gedrag, (reële kans
- op)agressief gedrag (verbaal of fysiek), zorgmijders, forse psychiatrie, hardnekkige patronen of als veiligheid in geding komt / kan komen van de persoon zelf of de directe omgeving. Beschreven gedrag betreft bijna alle leefgebieden en er is altijd sprake van gedragsproblemen. 7.6.Normtijden bij individuele begeleiding De omvang van de individuele begeleiding wordt bepaald door het doel van de begeleiding en is afgestemd op de begeleidingsbehoefte van de cliënt en eventueel zijn mantelzorger. Hier wordt verwezen naar Bijlage 6 ‘Normtijden individuele begeleiding’. 7.7.Groepsbegeleiding Naast individuele begeleiding behoort ook de groepsbegeleiding (groepsgewijs) tot de mogelijkheden. Deze maatwerkvoorziening is gericht op het zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen en het zoveel mogelijk op aanvaarbare wijze met anderen kunnen meedoen in de maatschappij. Volgens de Verordening geldt het principe van het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Groepsgewijze begeleiding gaat dus voor op individuele begeleiding, tenzij dat niet als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. De groepsbegeleiding is gericht op het: stimuleren van sociale contacten; voorkomen van sociaal isolement; ontlasten van mantelzorgers; leren omgaan met fysieke en/of cognitieve beperkingen; handhaven en bevorderen van zo zelfstandig mogelijk functioneren; voorkomen van achteruitgang in fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele vaardigheden; aanleren en/of onderhouden van arbeidsvaardigheden afgestemd op de interesses en mogelijkheden van de betrokkenen. Er worden diverse resultaten beoogd met het leveren van groepsbegeleiding zoals: de cliënt heeft een dagbesteding; de cliënt heeft zijn informeel netwerk versterkt en kan deze inzetten ten behoeve van het zelfstandig leven; de ondersteuning van de cliënt is waar mogelijk gericht op betaalde arbeid; de cliënt heeft structuur in het invullen van de dag; bij de cliënt voor wie de zinvolle dagbesteding in een beschutte omgeving moet plaatsvinden, draagt deze bij aan het zoveel mogelijk behouden van het niveau van participatie. 7.8.Begeleidingsvormen De vorm van de groepsgewijze begeleiding sluit aan bij de begeleidingsbehoefte van de cliënt. De navolgende vormen van groepsgewijze ondersteuning worden onderscheiden: Begeleiding groep ontwikkelen Het gaat hierbij vaak om een verandering bij of in het leven van de cliënt die invloed heeft op meerdere leefgebieden, waarbij nieuwe vaardigheden aangeleerd of gegeneraliseerd moeten worden. De begeleiding is gericht op door- of uitstroom richting scholing, werk of vrijwilligerswerk. Uitstroom naar werk kan ook zijn uitstroom naar deels loonvormend werk. Bij deze begeleiding gaat het vaak om een relatief korte periode. Deze vorm van begeleiding is vooral passend aansluitend op of in combinatie met behandeling of bij jong volwassenen. Na ontwikkelen zal het overgaan naar stabiliseren en helpen bij of iemand kan zonder begeleiding. Het resultaat is gericht op de zelfredzaamheid van de cliënt en om de deelname aan de samenleving te vergroten. Begeleiding groep ontwikkelen Plus Aanvullend op begeleiding groep ontwikkelen geldt dat het bij ontwikkelen plus gaat om het constant onvoorspelbaar gedrag, (reële kans
- op)agressief gedrag (verbaal of fysiek), zorgmijders, forse psychiatrie, hardnekkige patronen of als veiligheid in geding komt/kan komen van de persoon zelf of de directe omgeving. Beschreven gedrag betreft bijna alle leefgebieden en er is altijd sprake van gedragsproblemen. Begeleiding groep stabilisering en begeleiden bij De (vaak structurele) begeleiding van de cliënt is gericht op het activeren, stimuleren, vinger-aan-de-polsbegeleiding, samen doen, oefenen, structuur bieden en het voorkomen van overvraging. Incidentele overname past hier ook onder of als er overname is op een of enkele leefgebieden. Een cliënt beschikt over beperkte verandercapaciteit en heeft beperkte mogelijkheden tot ontwikkelen van nieuwe vaardigheden of gedrag, maar kan zelf om begeleiding vragen. Vooral bij jong volwassenen kan wel sprake zijn van doorontwikkeling/verdieping van aangeleerde vaardigheden. Afhankelijk van de problematiek en doelen wordt de duur bepaald. De begeleiding kan langdurig zijn of overgaan in uitstroom van (deels)loonvormend werk. Ook kan een cliënt uitstromen naar een situatie waarbij de cliënt samen met zijn omgeving de beperkingen kan hanteren zonder aanvullende begeleiding. Begeleiding groep stabiliseren en overnemen Het is groepsgewijze structurele begeleiding die gericht is op zinvolle daginvulling door niet loonvormende activiteiten, het behouden van de dagstructuur en het onderhouden van vaardigheden gericht op zelfredzaamheid. Cliënten zijn vaak op meerdere leefgebieden afhankelijk van anderen en er is structureel begeleiding en toezicht nodig. Begeleiding groep stabiliseren Plus Aanvullend op begeleiding groep gericht op stabiliseren geldt dat het bij stabiliseren Plus gaat om constant onvoorspelbaar gedrag, (reële kans
- op)agressief gedrag (verbaal of fysiek), forse psychiatrie, hardnekkige patronen of als veiligheid in geding komt/kan komen van de persoon zelf of de directe omgeving. Beschreven gedrag betreft bijna alle leefgebieden en er is altijd sprake van gedragsproblemen. 7.9.Normtijden bij groepsbegeleiding De omvang van de groepsbegeleiding wordt bepaald door het doel van de begeleiding en is afgestemd op de begeleidingsbehoefte van de cliënt en eventueel zijn mantelzorger. Voor groepsbegeleiding wordt de omvang vastgesteld in de vorm van dagdelen. Eén dagdeel staat gelijk aan maximaal 4 aaneengesloten uren. Er wordt per dagdeel geïndiceerd tot in principe maximaal 9 dagdelen per week (uitgaande van een 36-urige werkweek) voor personen tot de pensioengerechtigde leeftijd. Voor personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd is het maximum voor dagopvang in principe 6 dagdelen per week. Let wel, wanneer de Wlz als voorliggend kan worden beschouwd, wordt er geen maatwerkvoorziening verstrekt. OpmerkingEr is sprake is van 1 dagdeel op het moment dat iemand bijvoorbeeld om 10.00 uur naar de locatie van de groepsbegeleiding gaat en daar tot 14.00 uur blijft. Het feit dat het ene deel van het dagdeel in de ochtend valt en het andere deel in de middag is geen reden tot het toekennen van 2 dagdelen. Hierbij wordt opgemerkt dat bij afname van 2 dagdelen op 1 dag er een maaltijd verstrekt wordt. 7.10.Vervoer van en naar de locatie bij groepsbegeleiding Het college weegt de afstand van de locatie waar de activiteiten plaatsvinden, ten opzichte van het woonadres van de cliënt mee bij de boordeling. Uitgangspunt is dat de locatie die zich het dichtst bij het adres van de cliënt bevindt en die de goedkoopst passende bijdrage biedt. Vervolgens wordt bekeken of de cliënt in staat is om de locatie van de dagbesteding te bereiken. Artikel 8.3 lid 5 van de Verordening bepaalt wanneer het hier bedoelde vervoer in ieder geval noodzakelijk wordt geacht. 7.11.Logeren Bij logeeropvang gaat de cliënt logeren bij een professionele aanbieder van logeeropvang (bijvoorbeeld in een instelling of logeerhuis). Het doel van de logeeropvang is het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger of als er andere zwaarwegende redenen zijn waardoor de cliënt tijdelijk niet thuis kan wonen (bijvoorbeeld in afwachting van een ingrijpende woningaanpassing en geen beroep kan doen op andere wetgeving. Logeeropvang kan eenmalig of geregeld enkele dagen per week. Tijdens het logeren wordt de noodzakelijke zorg en ondersteuning geboden. Logeeropvang beoogt de navolgende resultaten: Het bieden van veilige logeeropvang in huiselijke omgeving om overbelasting van mantelzorger(
- s)te voorkomen De zorg van de mantelzorger wordt tijdelijk overgenomen doordat de cliënt gaat logeren bij instelling of logeerhuis. Het karakter van het logeeradres is veilig en huiselijk. Logeeropvang draagt ertoe bij dat de mantelzorger zijn mantelzorgtaken kan volhouden. Waarborging van basale en dagelijkse levensbehoefte voor de cliënt Tijdens het verblijf wordt ondersteuning geboden bij het uitvoeren en structureren van dagelijkse, praktische vaardigheden. Afstemming over de inzet van de noodzakelijke zorg en begeleiding verschilt per cliënt en de mogelijkheden van het logeeradres. 7.12.Normen logeren Bij terugkerende logeeropvang kan de cliënt logeren gedurende maximaal drie etmalen per week. Bij eenmalige logeeropvang kan de cliënt logeren gedurende een maximale aaneengesloten periode van 6 weken, bijvoorbeeld zodat de mantelzorger op vakantie kan. Logeeropvang wordt toegekend voor maximaal 1 jaar. 7.13. Voorwaarden voor verstrekking Logeeropvang wordt ingezet: voor de cliënt die is aangewezen op zorg met intensief toezicht, waardoor er gedurende langere tijd meer dan gebruikelijke hulp wordt geboden. om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen. Zonder logeeropvang dreigt overbelasting van de mantelzorger. als de inzet van eigen kracht, het eigen sociale netwerk, voorliggende en/of basis/algemene voorzieningen niet voldoende respijt bieden aan de mantelzorger. als het verblijf aanvullend is op het wonen in de thuissituatie. Als de noodzaak voor logeeropvang is vastgesteld, wordt bekeken hoeveel etmalen dit nodig is. Het uitgangspunt is dat de geboden logeeropvang niet langer wordt ingezet dan nodig is. Eerstelijns verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw)Als het verblijf medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg, wordt logeeropvang ingezet op grond van de basisverzekering van de Zvw. Het gaat bijvoorbeeld om tijdelijk verblijf na een medische ingreep. Verblijf met geneeskundige zorg valt buiten de Wmo. Ook bij palliatief terminale zorg is er sprake van verblijf op grond van de Zvw. Eerstelijns verblijf Zvw is voorliggend op Logeeropvang Wmo. Logeren op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz)Wanneer een cliënt een Wlz-indicatie heeft (of op basis van zorgzwaarte daarvoor in aanmerking kan komen) en nog thuis woont, kan kortdurend verblijf op grond van de Wlz ingezet (resp. aangevraagd) worden, in combinatie met logeren. Kortdurend verblijf Wlz is voorliggend op Logeeropvang Wmo. 7.14.Vervoer Onder deze maatwerkvoorziening is ook het vervoer begrepen naar de locatie waar het logeren wordt geboden. Het is niet aannemelijk dat de cliënt zelf in staat is de accommodatie te bereiken. Dit vervoer wordt in ieder geval noodzakelijk geacht indien de mantelzorger niet in staat is de cliënt te brengen (en te halen) en er ook geen andere vervoersmogelijkheden zijn. 8.Begeleiding gericht op het wonen 8.1.Inleiding Hoofdstuk 9 van de VerordeningUitgangspunt is dat iedere burger zelf voor een eigen woning moet zorgen. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook een woonwagen met vaste standplaats wordt gezien als een woning. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) en erkende instellingen of instellingen die gericht zijn op het verstrekken van zorg vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning waarover men beschikt. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties. Onder omstandigheden kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning (zie verder hierna). Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. In hoofdstuk 9 van de Verordening staan de vormen van maatschappelijke ondersteuning genoemd die het college kan verlenen, waar deze op zijn gericht en wat de te bereiken resultaten zijn die daarbij gelden. Verder is het zo dat beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde kunnen zijn. Het te bereiken resultaat van begeleiding gericht op het wonen bestaat uit het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het college kan aan de cliënt die aanspraak heeft op maatschappelijke ondersteuning maatwerkvoorzieningen verlenen in de vorm van: woonvoorzieningen; maatwerkvoorzieningen om zich in en om de woning verplaatsen. Denk aan een rolstoel of een traplift. Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheidMet het oog op het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur. Het moet gaan om elementaire woonfuncties en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Dit betekent dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen getroffen, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1 lid 1 van de Verordening. WoningaanpassingenDe eigenaar moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt artikel 2.3.7 van de wet dat het college of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de eigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216 lid 1 BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. OverlegHet is niet zo dat het college zonder overleg met de eigenaar een woningaanpassing aanbrengt. Het ligt in de rede dat wel te doen. Derde-belanghebbendeVerder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het college of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Bouwbesluit. Wettelijke afbakening hulpmiddelen bij het wonenVanaf 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946). Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). Het gaat om drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die eerder gold. Zodra dan voor gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. In het algemeen geldt dat indien en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de uitleen, behoort het tot zijn eigen verantwoordelijkheid dat ook te doen. 8.2.Specifieke criteria De Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria bij het verlenen van maatwerkvoorzieningen gericht op het wonen. Een daarvan gaat over het toepassen van het primaat verhuizen. Primaat van verhuizenWanneer er hoge kosten verbonden zijn aan het aanpassen van de huidige woning of deze woning niet kan worden aangepast, zal de mogelijkheid van verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning met de cliënt besproken worden. Het primaat kan pas worden toegepast als de te verwachten kosten van woningaanpassing van de woning meer zullen bedragen dan het grensbedrag zoals bepaald in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montferland 2015. Het college kan daarbij ook rekening houden met eventuele aanpassingen die op korte termijn te verwachten zijn. Het is niet mogel