← Nederland

Verstrekkingenboek individuele voorzieningen wet maatschappelijke ondersteuning gemeente De Ronde Venen 2007 (De Ronde Venen)

Kort samengevat

Deze wet regelt de individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning in de gemeente De Ronde Venen, en beschrijft concreet welke voorzieningen beschikbaar zijn en hoe deze worden verstrekt. Het is een aanvulling op de Verordening Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning en het Besluit maatschappelijke ondersteuning.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Inleiding De verordening Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning De Ronde Venen (de Verordening) is door de gemeenteraad vastgesteld. Deze nieuwe verordening vervangt de huidige Wvg- verordening en treedt in werking op 1 januari 2007. Naast de Verordening wordt het gemeentelijke beleid ook vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente De Ronde Venen (Besluit) en het Verstrekkingenboek individuele voorzieningen WMO De Ronde Venen(verstrekkingenboek). In het Besluit worden vooral financiële zaken gedetailleerd vastgelegd. Bijvoorbeeld de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage, de individuele (financiële) draagkracht en hoogte van vergoedingen. In deze beleidsregels is concreet aangegeven voor welke voorzieningen de persoon met beperkingen in aanmerking kan komen. Het is in feite een opsomming van alle mogelijke voorzieningen. Het Besluit en het Verstrekkingenboek worden door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Dit betekent dat het Besluit en het Verstrekkingenboek niet in strijd mogen komen met de Verordening. De beleidsregels volgen zo veel mogelijk de opbouw van de Verordening. Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop individuele voorzieningen worden verstrekt: hulp bij het huishouden, woonvoorzieningen, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel (vervoersvoorzieningen) en verplaatsen in en rond de woning (rolstoelen). Hoofdstuk 1 gaat over de vorm van de te verstrekken individuele voorzieningen. De bevoegdheid beleidsregels op te stellen is vastgelegd in artikel 4:81, lid 1 Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel luidt: “Artikel 4:81 Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. In andere gevallen kan een bestuursorgaan slechts beleidsregels vaststellen, voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.” Hoofdstuk1.Vorm van de te verstrekken voorzieningen Artikel 6 van de Wmo bepaalt het volgende: “ Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.” Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekking van individuele voorzieningen mogelijk zijn. Allereerst is er de voorziening in natura. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant en klaar krijgt. Artikel 6 Wmo bepaalt dat er een verplicht alternatief voor een voorziening in natura geboden moet worden en wel in de vorm van een persoonsgebonden budget. Dat is de tweede vorm van verstrekking. En de derde vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, lid 2 Wmo: “Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.” In relatie tot bouwkundige woonvoorzieningen wordt – in navolging van de Wvg – de verplichting opgelegd om een financiële tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning. Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan alleen al om die reden in sommige situaties geen persoonsgebonden budget genoemd worden. Ook zal soms een financiële tegemoetkoming verstrekt worden als het gaat om een taxi- of een rolstoeltaxikostenvergoeding. 1.1 Het persoonsgebonden budget Artikel 1.2 van het Besluit WMO bepaalt: Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget en er geen zaakwaarnemer is benoemd. Dit artikel is een uitwerking van artikel 6 Wmo. In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. Denk aan mensen met verslavingsproblematiek, psychiatrische stoornissen, dementie en verstandelijke beperkingen. Hebben deze mensen echter een goed netwerk van mensen die voor hen het beheer en regelwerk doen, dan kan een persoonsgebonden budget voor hen wel degelijk beschikbaar blijven. Goede informatie, advies en ondersteuning zorgen ervoor dat meer mensen verantwoord van een persoonsgebonden budget gebruik kunnen maken. In een Algemeen Overleg over een aan de Wmo verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys, heeft de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat deze regel niet bedoeld is om goed draaiende systemen, zoals bijvoorbeeld collectief vervoerssystemen c.q. de Regiotaxi, in gevaar te brengen. Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer c.q. Regiotaxi (een voorziening in natura) een persoonsgebonden budget zou moeten worden verstrekt, zou de mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer, c.q. Regiotaxi de basis onder dit vervoer wegvalt. Voor degenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer c.q. Regiotaxi zou zo een naturavoorziening wegvallen. Daarom is in de verordening nog steeds het primaat van het collectief vervoer c.q. Regiotaxi opgenomen. Bij verzoeken om een persoonsgebonden budget van een aanvrager die medisch gezien wel van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag afgewezen worden. Dit onderdeel zal in het hoofdstuk vervoer (lokaal verplaatsen per vervoermiddel) nader worden uitgewerkt. Of er andere redenen zullen zijn waarom het toekennen van een persoonsgebonden budget geweigerd moet worden is op dit moment nog niet te overzien. In de uitvoering zal duidelijk worden of er ook andere situaties zijn waarin weigering op zijn plaats is. Deze nieuwe situaties zullen later toegevoegd worden. Artikel 6 van de verordening bepaalt de voorwaarden die van toepassing zijn op het persoonsgebonden budget. De eerste voorwaarde daarbij is dat een persoonsgebonden budget alleen verstrekt wordt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit de aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg betreffen of betrekking hebben op incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een alternatieve mogelijkheid: indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate oplossing is of een persoonsgebonden budget verstrekt moet worden, dan kan een aanvraag ingediend worden, of als al een aanvraag ingediend is, kan die volgens de reguliere regels van de Algemene wet bestuursrecht worden afgehandeld. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. 1.1.1 Omvang van het persoonsgebonden budget. De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden. Hierbij dienen twee mogelijkheden te worden onderscheiden: Enerzijds het persoonsgebonden budget voor diensten, afkomstig uit de AWBZ, dat in de Wmo per 1 januari 2007 alleen maar betrekking heeft op hulp bij het huishouden, anderzijds het persoonsgebonden budget voor voorzieningen afkomstig uit de Wvg, zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Overgangsrecht persoonsgebonden budget huishoudelijke hulp Bij diensten gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. Dit is zorg afkomstig uit de AWBZ. De AWBZ kende al een dergelijk systeem van persoonsgebonden budgetten. Daarbij werd het persoonsgebonden budget vastgesteld op 75% van de tarieven zoals die berekend werden in de thuiszorg. Vanuit die tarieven werd het tarief voor de diverse functies bepaald. Voor de functie huishoudelijke verzorging was hierbij sprake van de volgende tarieven: Klasse 1: € 884,00 per jaar Klasse 2: € 2.654,00 per jaar Klasse 3: € 4.866,00 per jaar Klasse 4: € 7.520,00 per jaar Klasse 5: € 10.175,00 per jaar Klasse 6: € 12.828,00 per jaar Diegenen die op basis van overgangsrecht op 31 december 2006 een indicatie hebben zullen ook in het jaar 2007 deze bedragen nog ontvangen zo lang als de indicatie duurt, doch maximaal tot en met 31 december 2007. Daarnaast vallen zij onder de gemeentelijke regels. De gemeente is met het Zorgkantoor Agis overeengekomen, dat zij voor de cliënten die op basis van het overgangsrecht recht hebben op het persoonsgebonden budget, huishoudelijke hulp blijven uitbetalen. Dit om te voorkomen dat de overgangscliënten onnodig te maken krijgen met veranderingen en de gemeente de tijd te geven dit in 2007 de overgang te organiseren. Het Zorgkantoor declareert op zijn beurt de kosten bij de gemeente. Hierover worden landelijk afspraken gemaakt over de wijze waarop dit gaat gebeuren. Persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden vanaf 01-01-2007 De gemeente De Ronde Venen heeft gekozen om een zgn. klassenindeling te gebruiken, zoals ook in de AWBZ gehanteerd wordt. Het bedrag wordt gebaseerd op het bij het midden van de klasse behorende aantal uren, vermenigvuldigd met het uurbedrag dat 80% is van het uurbedrag zorg in natura. Dat betekent dat in klasse 1 het bedrag gebaseerd is op 1 uur zorg, in klasse 2 op 3 uur, in klasse 3 op 5,5 uur, in klasse 4 op 8,5 uur, in klasse 5 op 11,5 uur en in klasse 6 op 14,5 uur. De gemeente heeft overeenkomsten gesloten met een aantal thuiszorgorganisaties die door middel van een aanbesteding zijn geselecteerd. Het bedrag van het persoonsgebonden budget komt overeen met het hoogste tarief van een zorgaanbieder waarmee de gemeente een overeenkomst heeft afgesloten. Het hoogste tarief bedraagt voor HH1 € 13,75 per uur en voor HH2 € 22,00 per uur, conform de richtprijs vermeld in het Bestek. De grootste aanbieders in onze gemeente (meer dan 90% v.d. klanten) hanteren de bovengenoemde tarieven. Het persoonsgebonden budget is als volgt berekend (bedragen per 1 januari 2007): Klasse HH1 HH2 Klasse 1 (1 uur p/

  1. w)80% van € 13,75 = € 11,00 x 1 uur x 52 weken = € 572,00 80% van € 22,00 = € 17,60 x 1 uur x 52 weken = € 915,20 Klasse 2 (3 uur p/
  2. w)80% van € 13,75 = € 11,00 x 3 uur x 52 weken = € 1.716,00 80% van € 22,00 = € 17,60 x 3 uur x 52 weken = € 2.745,60 Klasse 3 (5,5 uur p/
  3. w)80% van € 13,75 = € 11,00 x 5,5 uur x 52 weken = € 3.146,00 80% van € 22,00 = € 17,60 x 5,5 uur x 52 weken = € 5.033,60 Klasse 4 (8,5 uur p/
  4. w)80% van € 13,75 = € 11,00 x 8,5 uur x 52 weken = € 4.862,00 80% van € 22,00 = € 17,60 x 8,5 uur x 52 weken = € 7.779,20 Klasse 5 (11,5 uur p/
  5. w)80% van € 13,75 = € 11,00 x 11,5 uur x 52 weken = € 6.578,00 80% van € 22,00 = € 17,60 x 11,5 uur x 52 weken = € 10.524,80 Klasse 6 (14,5 uur p/
  6. w)80% van € 13,75 = € 11,00 x 14,5 uur x 52 weken = € 8.294,00 80% van € 22,00 = € 17,60 x 14,5 uur x 52 weken = €13.270,40 Bij additionele uren die boven klasse 6 op basis van de hardheidsclausule worden toegekend wordt een uurbedrag van resp. € 11,00 (HH1)2 of € 17,60 (HH2)3 gehanteerd. Wat betreft de voorzieningen afkomstig uit de Wvg zal per toekenning een berekening gemaakt moeten worden. De kosten van de voorziening als de voorziening in natura zou worden verstrekt zijn daarbij uitgangspunt. Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. Daarbij kunnen bedragen geteld worden voor het onderhoud en de reparaties van de voorziening (de zgn. instandhoudingskosten), voor zover daar sprake van kan zijn. Deze bedragen zijn ofwel bij verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, ofwel kunnen bij verstrekking via een leverancier bij de leverancier worden opgevraagd. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is immers niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft. 1.1.2 Uitbetaling persoonsgebonden budget Als het persoonsgebonden budget berekend is, kan het bij beschikking aan de aanvrager worden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven programma van eisen en de overeenkomst PGB bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid over de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, wat op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een programma van eisen onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat program van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking. In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, zal in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden. Is de beschikking verzonden, dan kan het persoonsgebonden budget beschikbaar worden gesteld. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden), maar zou ook in termijnen kunnen, bijvoorbeeld bij een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden. Om de betaling overzichtelijk te houden zou er voor gekozen kunnen worden dit persoonsgebonden budget per kwartaal of per half jaar beschikbaar te stellen. Daarbij zal er rekening mee moeten worden gehouden dat bij betaling over lange perioden uitsluitend betaling achteraf problemen zal opleveren. Betaling per voorschot, of aan het begin van de periode, ligt dan voor de hand. Hierbij zullen de volgende regels worden gehanteerd: In één keer zal uitbetaald worden: woonvoorzieningen (achteraf, in individuele gevallen is een voorschot op de kosten mogelijk) budget voor een sportvoorziening Per maand zal uitbetaald worden: hulp bij het huishouden, vanaf klasse 2 rolstoel vervoersmiddel (scootmobielen, fietsen e.d.) Per kwartaal zal uitbetaald worden: forfaitaire tegemoetkoming vervoersvoorziening hulp bij het huishouden, klasse 1 In individuele gevallen kan van bovenstaande regels worden afgeweken. In 2007 zal aan de hand van onze ervaringen bekeken worden of bovenstaande regels aangepast dienen te worden. 1.1.3 Controle van het persoonsgebonden budget De controle van het persoonsgebonden budget zal als volgt plaats vinden: Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen Steekproefsgewijs zal het college bepalen, bij welke budgethouders deze stukken zullen worden opgevraagd, om te controleren of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan kan het college overwegen het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning van onze gemeente is vastgelegd dat de steekproef minimaal een omvang heeft van 5 % van de verstrekte persoonsgebonden budgetten, na afloop van de verstrekking dan wel na afloop van enig kalenderjaar. 1.1.3.1 Vrij besteedbaar deel van het persoonsgebonden budget Een deel van het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden is vrij besteedbaar en hoeft niet verantwoord te worden. Het vrij besteedbare bedrag is het contante deel van het aan de aanvrager toegekende persoonsgebonden budget, bedoeld voor de kleinere zorguitgaven. Het vrij besteedbare bedrag is anderhalf procent van het netto budget (gelijk aan het percentage zoals in de oude PGB-regeling voor zorg) met een minimum van € 250,00 en een maximum van € 2.500,00 per kalenderjaar (van 1 januari tot met 31 december). De aanvrager kan het vrij besteedbare bedrag besteden aan extra telefoonkosten in verband met zorgverleners, een lidmaatschap van een budgethoudersvereniging, kleine administratiekosten als postzegels, kleine attentie voor de zorgverlener, briefpapier, enz. 1.2 Diensten van de Sociale Verzekeringsbank De gemeente De Ronde Venen heeft een overeenkomst gesloten met de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Alle personen met een budget voor hulp bij het huishouden kunnen gratis gebruik maken van de diensten van de SVB. De gemeente De Ronde Venen betaalt per budgethouder een vergoeding aan de SVB. De diensten bestaan uit: het voeren van een salarisadministratie, advies over rechten en plichten als opdrachtgever en/of werkgever, loondoorbetaling als de zorgverlener ziek is, het inschakelen van een arbodienst, rechtsbijstand, verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid, modelovereenkomsten. 1.3 Eigen bijdrage Artikel 7 van de verordening bepaalt dat bij een te verstrekken persoonsgebonden budget een eigen bijdrage verschuldigd kan zijn. Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. In 2007 doet men aangifte over 2006, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2005 in 2007 gebruikt wordt. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel zal daardoor vaak niet mogelijk zijn. Al deze activiteiten zullen door het CAK worden uitgevoerd. 1.4 Verstrekking in natura Wordt een voorziening niet als persoonsgebonden budget verstrekt, maar in natura, dan zal toekenning ook bij beschikking plaatsvinden. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt. Ook nu geldt dat een eventueel te betalen eigen bijdrage door de gemeente meestal slechts aangekondigd zal worden aangezien berekening en inning plaats zal vinden via het CAK. Hoofdstuk2.Het voeren van een huishouden, onderdeel hulp bij het huishouden 2.1 Inleiding De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, waar de functie Huishoudelijke Verzorging één van de zeven functies was die onder de AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het besluit zorgaanspraken AWBZ. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4 lid 1 onder a. deze functie overgenomen. Hierbij wordt gesproken over het “een huishouden te voeren” waaronder in de verordening Wmo zowel hulp bij het huishouden wordt verstaan als de woonvoorzieningen uit de Wvg. Bij deze beleidsregels zijn twee bijlagen opgenomen die bij dit hoofdstuk horen: Tijdelijke situaties overgangsrecht ex artikel 41 Wmo. Handreiking normering hulp bij het huishouden 2.2 Mogelijke voorzieningen Artikel 8 van de verordening geeft een drietal mogelijk te verstrekken voorzieningen aan: een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het huishouden; hulp bij het huishouden in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden. 2.2.1 Algemene hulp bij het huishouden Uit artikel 9 van de verordening blijkt dat indien als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk is en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat op kan lossen, men voor deze eerste vorm, algemene hulp bij het huishouden in aanmerking kan komen. Bij algemene hulp bij het huishouden ligt zodoende het primaat. Daarvoor is het allereerst noodzakelijk dat deze vorm van hulp binnen de gemeente bestaat. Is dat niet zo, dan vervalt automatisch deze vorm van hulp. Is deze vorm van hulp wel aanwezig, dan gaat het, zo meldt de toelichting op artikel 8 van de verordening, om “een snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt met name voor eenvoudige werkzaamheden, maaltijd voorziening, boodschappendienst al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte.” De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Wat betreft het eerste aspect zal beoordeeld moeten worden of het gaat om een kortdurende voorziening. De grens daarvan ligt bij 13 tot 26 weken. Vervolgens moet vastgesteld worden of het gaat om lichte, niet complexe zorg, bijvoorbeeld tijdelijke hulp bij het huishouden na een ziekenhuisopname. Tot slot kan nagegaan worden of het gaat om een incidentele zorgbehoefte, eveneens zoals een periode na een ziekenhuisopname. Hierbij is helder dat de hulp noodzakelijk is: dit wordt aangegeven door de behandelende arts van het ziekenhuis. De duur is beperkt, ook de omvang is beperkt. Een uitgebreide aanvraagprocedure zou in die situatie leiden tot een te lange periode dat men op hulp moet wachten. Met de vorm algemene hulp bij het huishouden kan dit snel en adequaat opgelost worden. Men meldt zich met de verwijsbrief bij het loket. Daar wordt gecontroleerd of de verwijzing er is, of die duidelijk aangeeft wat overgenomen moet worden en wordt nagegaan of er geen huisgenoot is die een en ander over kan nemen. Heeft die controle plaatsgevonden en komt men voor deze hulp in aanmerking, dan wordt deze toegekend en direct in gang gezet. Om te realiseren dat er weinig administratieve rompslomp is worden er geen eigen bijdragen gevraagd. Er vindt daarom een éénvoudige toets plaats naar de noodzaak van de hulp, er wordt direct toegekend en gerealiseerd, wat in een brief wordt bevestigd. Mocht men aan het loket aangeven niet met deze vorm van hulp te kunnen instemmen, dan wordt een normale procedure opgestart met een aanvraagformulier en het gebruikelijke onderzoek. Deze vorm van algemene hulp bij het huishouden wordt dus alleen gerealiseerd indien men het daar mee eens is. De brief is dan alleen maar een bevestiging en geen beschikking waartegen bezwaar en beroep openstaat. Wil men een beschikking, bijvoorbeeld omdat men een persoonsgebonden budget wil, dan wordt die afgegeven. Er moet dus altijd overeenstemming bestaan over deze vorm van hulp. Te meer daar er geen eigen bijdrage wordt gevraagd, zal deze vorm van hulp altijd uitsluitend voor een kortdurende periode worden toegekend. Daarbij moet gedacht worden aan situaties die maximaal drie tot zes maanden voortduren. 2.2.2 Hulp bij het huishouden in natura of door middel van een persoonsgebonden budget Artikel 9 van de verordening bepaalt dat indien de algemene hulp bij het huishouden niet aanwezig is, of indien deze algemene hulp bij het huishouden een onvoldoende oplossing biedt, men in aanmerking kan komen voor hulp bij het huishouden in natura of een persoonsgebonden budget, te besteden aan hulp bij het huishouden. Ook in deze situatie moet er sprake zijn van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of van problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg. Er is geen sprake van een keuze voor een persoonsgebonden budget indien de verwachting is dat de situatie niet langer dan drie maanden zal duren. Dit is overigens geen beperking ten opzichte van de situatie onder de AWBZ: ook onder de AWBZ werd bij een vraag die naar verwachting niet langer zou duren dan drie maanden, geen mogelijkheid voor een persoonsgebonden budget geboden. Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Die ziekte of dat gebrek kan liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden. In dat kader kan het noodzakelijk zijn een extern (medisch) advies aan Argonaut of aan het CIZ te vragen. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van anti-revaliderende hulp. Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft als de hulpvrager. Is er sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dan komt men in principe in aanmerking voor hulp bij het huishouden. 2.3 Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden Artikel 10 van de verordening bepaalt dat, “als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijke werk te verrichten” men niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden. Deze beperking heet “gebruikelijke zorg” en is overgenomen uit de beleidsregels zoals het CIZ die hanteerde ten aanzien van de functie HV in de AWBZ tot de invoering van de Wmo. Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijke werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijke werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enz. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie. Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding te zijn niet te vragen het huishoudelijke werk aan te leren. Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers feitelijk niet in staat het huishoudelijke werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het is niet de bedoeling chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de offshore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere baan te moeten zoeken. Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die geen familiebetrekking hebben tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen. In die situaties worden overigens de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd! Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien met dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn kunnen niet worden geïndiceerd omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden. Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar hulp bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet door betrokkene wordt betaald. Dan gaat het immers om al aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging. Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de AWBZ gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijke werk verricht moeten worden. De in de bijlage 2: Handreiking normering hulp bij het huishouden aangegeven normtijden worden gehanteerd. Deze normtijden zijn afkomstig uit het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ en samengesteld in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten. 2.4 Voorliggende voorzieningen Voor alle voorzieningen – dus ook bij hulp bij het huishouden - geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan. Aan de hand van de normtijden zoals genoemd in de bijlage 2 (pagina’s 19 en 20) kan voor de individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is. Afhankelijk van het systeem dat de gemeente heeft gekozen kan dan toegekend worden. Gekozen is om gebruik te maken van de klasse-indeling zoals die in de AWBZ werd gehanteerd Bij toekenning in klassen wordt in principe de klasse toegekend waarbinnen het eindaantal uren valt. De toekenning is in principe, omdat er nog gekeken dient te worden naar voorliggende voorzieningen. Voorliggende voorzieningen, die altijd algemeen gebruikelijk zijn, kunnen worden gevonden in: kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang); oppascentrales; maaltijddiensten; hondenuitlaat-service; boodschappendiensten enz. De voorliggende voorziening moet ter plaatse wel beschikbaar zijn. Is dat niet zo, dan is er geen sprake van een voorliggende voorziening. Hiertoe is het nodig rekening te houden met de sociale kaart zoals die ter plekke bestaat. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het huishouden bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden aan de instelling die deze gaat verzorgen. Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend. Omdat sprake is van een eigen bijdrage moeten – indien daartoe is besloten – de benodigde gegevens worden doorgegeven aan het CAK, die deze eigen bijdragen int. Gaat het om een persoonsgebonden budget, dan kan, indien aan het gestelde in artikel 6 is of kan worden voldaan en er geen overwegende bezwaren bestaan het persoonsgebonden budget bij beschikking worden toegekend en kan ingevolge lid 4 van artikel 6 tot uitbetaling worden overgegaan. Ook in deze situatie dienen de benodigde gegevens voor het innen van de eigen bijdrage aan het CAK worden doorgegeven indien van toepassing. Bijlage 1 bij hoofdstuk 2: Tijdelijke situaties overgangsrecht ex artikel 41 Wmo. De Wmo regelt in artikel 41 overgangsrecht voor hulp bij het huishouden als opvolging van de functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ. Dit houdt in dat wie op het moment van inwerkingtreding van de Wmo (1 januari 2007) een indicatie heeft voor de functie HV, deze rechten ziet blijven gelden zo lang de indicatie loopt met een maximum van één jaar, dus maximaal gedurende het jaar 2007. Omdat De Ronde Venen de Verordening heeft vastgesteld voor 1 oktober 2006 is het overgangsrechjt beperkt en geldt vanaf 1 januari 2007 het nieuwe beleid voor alle nieuwe aanvragen. Situatie per 1 januari 2007 1.Gemeenten die hun Verordening Wmo hebben vastgesteld vóór 1 oktober 2006 en nieuw beleid in die verordening hebben vastgelegd, zullen: diegenen die een geldige indicatie hebben behouden de oude AWBZ-rechten voortzetten tot de indicatie afloopt of tot 1 januari 2008; voor diegenen die voor het eerst een aanvraag doen, of die met een lopende AWBZ-indicatie een aanvraag indienen voor meer zorg, een besluit nemen met toepassing van de regels zoals die in de Verordening Wmo zijn vastgesteld. In deze bijlage zullen de diverse mogelijke situaties op grond van het overgangsrecht behandeld worden. Het gaat daarbij uitsluitend om uitvoering en niet om besluitvorming. 1.De situatie van het overgangsrecht voor diegenen die een AWBZ-indicatie hebben op 31 december 2006. Artikel 41, lid 3 bepaalt: “De rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot huishoudelijke verzorging waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet, tenzij de verzekerde in het buitenland woont, blijven gelden gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat het college van burgemeester en wethouders in de plaats treedt van de zorgverzekeraar van betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en dat betrokkene de bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, aan het college van burgemeester en wethouders is verschuldigd.” Op basis van deze situatie heeft iedereen die op 31 december 2006 een indicatie, afgegeven door het Centrum Indicatiestelling Zorg of één van de voorgangers van het CIZ, heeft die doorloopt in 2007, gedurende de looptijd van die indicatie, doch uiterlijk tot 1 januari 2008, recht op de zorg zoals die gold op 31 december 2006. Dit geldt voor de omvang (uitgedrukt in klassen volgens de indeling zoals die nog geldt in 2006), alsmede voor de vorm (zorg in natura of een persoonsgebonden budget) alsook voor de eigen bijdrage zoals die geldt op 31 december 2006 in de AWBZ, waarbij is aangegeven dat deze eigen bijdrage niet meer verschuldigd is aan het CAK, maar aan het college van burgemeester en wethouders. Of dit recht op voortzetting van een bestaande situatie ook geldt voor de zorgverlener, in de situatie van zorg in natura, is afhankelijk van de vraag of de gemeente een contract heeft met deze zorgverlener. Er is geen sprake van een overgangsrecht in deze. Bij een persoonsgebonden budget speelt dit geen rol, omdat daar een rechtstreekse relatie bestaat tussen zorgvrager en zorgverlener. Omdat deze relatie bij zorg in natura niet bestaat (daar gaat het onder de AWBZ om een relatie tussen Zorgkantoor en zorgverlener/zorgaanbieder) kan het voorkomen dat de gemeente er niet in slaagt een contract af te sluiten met de zorgaanbieder, zodat er geen sprake kan zijn van voortzetting van dezelfde zorgverlener. De zorgverlener zal dan ook door het college worden bepaald. Aangezien er gesproken wordt over “de rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot huishoudelijke verzorging waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet” vervalt het overgangsrecht op het moment dat er een aanvraag ingediend wordt voor meer hulp bij het huishouden. Het gaat dan immers niet meer om een onder de AWBZ afgegeven indicatiebesluit en ook niet meer om rechten en plichten die gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wmo. De mogelijkheid om naast de oude rechten een kleine omvang nieuwe rechten toe te kennen moet als onwerkbaar van de hand worden gewezen. Voor deze groep geldt vanaf 1 januari 2007, zolang de indicatie nog loopt, maar maximaal tot 1 januari 2008 het volgende: Gedurende deze periode blijft de omvang van de zorg gelijk. Is HV klasse 3 toegekend, dan zal recht blijven bestaan op hulp bij het huishouden met de omvang klasse 3. Hierbij wordt de volgende klassenindeling gehanteerd: Klasse 1 0-1,9 uur per week Klasse 2 2-3,9 uur per week Klasse 3 4-6,9 uur per week Klasse 4 7-9,9 uur per week Klasse 5 10-12,9 uur per week Klasse 6 13-15,9 uur per week. Mocht er geen behoefte meer aan zorg bestaan (bijvoorbeeld door overlijden) of mocht de behoefte aan zorg verminderen (bijvoorbeeld na een operatie waardoor men weer meer zelf kan en mag), dan zou ook onder de AWBZ het recht op zorg stoppen of gewijzigd worden, zodat ook tijdens het overgangsrecht de zorg gestopt of bijgesteld kan worden. Het gaat dan om een gewijzigde situatie, die men ook onder de AWBZ verplicht was door te geven. Mocht de behoefte aan zorg toenemen, zodat er een nieuwe aanvraag wordt ingediend bij het college, dan ontstaat een nieuwe situatie. Zoals hierboven reeds aangegeven gaan de oude rechten dan over in nieuwe rechten. De gewijzigde situatie zal doorgevoerd worden in een nieuwe indicatie, die indien daar sprake van is ook het nieuwe beleid kan volgen. Voor aanvragers betekent dit, tenzij zij de nieuwe situatie ambiëren, dat zij na moeten gaan of naar verwachting de aangevraagde uitbreiding zodanig van omvang is, dat daardoor meer zorg kan worden toegekend. Is dat niet het geval dan kan overwogen worden de oude situatie te continueren en geen aanvraag in te dienen. Ook de omvang van de tot 1 januari 2007 aan het CAK verschuldigde eigen bijdrage AWBZ blijft gedurende de looptijd van de indicatie, maar maximaal tot 1 januari 2008, gelijk. Het CAK int deze eigen bijdrage. Bij het indienen van een nieuwe aanvraag ontstaat ook ten aanzien van de eigen bijdragen een nieuwe situatie. Dat kan betekenen dat dan de oude situatie stopt, er een nieuwe eigen bijdrage berekend dient te worden op basis van het gemeentelijke beleid ten aanzien van de Wmo en deze eigen bijdrage in de plaats treedt van de oude, AWBZ-eigen bijdrage. Voor deze groep hoeft door het college vooreerst geen beschikking te worden afgegeven. Hun recht op zorg conform de AWBZ-regels ontlenen zij immers aan artikel 41 van de Wmo. Anders wordt de situatie na afloop van de indicatie gedurende het jaar 2007 of per 1 januari 2008. Op dat moment eindigt het overgangsrecht van rechtswege en zal via een beschikking een nieuw recht op zorg toegekend dienen te worden. De hiervoor benodigde informatie behoort bij de informatie die door het Zorgkantoor aan de gemeenten verstrekt wordt. Het is ook mogelijk dat de zorgvragers zelf een aanvraag bij de gemeente indienen om voortgang van de zorg veilig te stellen. Ruilzorg. Het Protocol van overdracht geeft over de zogenaamde ruilzorg nog het volgende aan: “Onder ruilzorg wordt zorg verstaan waarbij de cliënt een indicatie heeft voor huishoudelijke verzorging maar in de praktijk een andere vorm van AWBZ-zorg ontvangt, bijvoorbeeld persoonlijke verzorging. Voor ruilzorg bestaat geen wettelijke basis4. Het gaat hierbij om ontstane gedragslijnen. Dergelijke gedragslijnen (al dan niet neergelegd in protocollen) vinden geen basis in de AWBZ en overige relevante wet- en regelgeving. Het gemeentebestuur is juridisch niet gebonden aan deze gedragslijnen. Het verdient aanbeveling dat de gemeente hierover een standpunt inneemt, bijvoorbeeld in het visiedocument. Leidend voor het college is de indicatie en niet de daadwerkelijk geleverde zorg.” Aansluitend bij de laatste zin betekent dit dat personen met een AWBZ-indicatie voor PV (en niet voor HV, bijvoorbeeld vanwege gebruikelijke zorg) die dit omgezet hebben in HV en geen persoonsgebonden budget hebben (met een persoonsgebonden budget hoeft dat onder de AWBZ geen problemen te geven) in principe onder de Wmo geen hulp bij het huishouden ontvangen, tenzij zij daarvoor een Wmo-aanvraag indienen en deze aanvraag gehonoreerd wordt. Samenvatting Deze groep heeft op basis van artikel 41 Wmo vanaf 1 januari 2007 recht op een voorziening zoals die was tot en met 31 december 2006 m.u.v. de zorgverlener. Bij een nieuwe aanvraag gedurende 2007 of gedurende de looptijd van de AWBZ/indicatie wordt deze situatie automatisch beëindigd Het is van belang dat deze groep tijdig, dat wil zeggen voordat de AWBZ-indicatie haar werking verliest, doch uiterlijk voor 1 januari 2008, wordt herbeoordeeld. De situatie van degenen die voor 1 januari 2007 een aanvraag hebben ingediend binnen de AWBZ maar waarvoor nog geen besluit is genomen. Uiteraard kunnen zorgvragers tot en met 31 december 2006 aanvragen indienen bij het CIZ voor een indicatie. Het kan zelfs voorkomen dat aanvragers bewust besluiten niet te wachten tot na 1 januari 2007 omdat zij het AWBZ-beleid prefereren boven het Wmo-beleid. Ook bij de invoering van de Wvg hebben we de situatie gezien dat nog onder het AAW-regime bruikleenauto´s werden aangevraagd en verstrekt, omdat verwacht werd dat dit onder de Wvg aanzienlijk moeilijker zou worden. Het Protocol van overdracht heeft hierover het volgende bepaald: “Eind 2006 zullen cliënten zich nog aanmelden voor AWBZ-zorg, terwijl enkele weken later de Wmo zal ingaan. Strikt genomen geldt het volgende: tot en met 31 december 2006 23.59 uur kunnen nog indicaties worden afgegeven onder het AWBZ-regime (AWBZ-beslissing); per 1 januari 0.00 uur worden indicaties afgegeven onder het Wmo-regime (Wmo-beslissing). Het ministerie van VWS heeft in afstemming met CIZ, ZN, VNG de volgende afspraken gemaakt ten aanzien van de nieuwe aanvragen die eind 2006 binnen komen: Tot en met 31 december 2006 kunnen cliënten zich melden bij het CIZ voor een indicatie voor huishoudelijke verzorging. Indien aanvragen vóór 1 januari 2007 door het CIZ zijn afgehandeld betreft het AWBZ-besluiten. Deze cliënten zijn overgangscliënten. Leidend is de datum van het indicatie-besluit. Indien aanvragen ná 1 januari 2007 worden afgehandeld, geeft het CIZ een advies op basis van de regels voor een AWBZ-indicatie aan de gemeente. Hiertoe maakt de gemeente afspraken met het CIZ. Het CIZ hanteert altijd een termijn van maximaal zes weken voor de afhandeling van de aanvragen. Het college van burgemeester en wethouders neemt een beslissing onder het Wmo-regime. Dit zijn géén overgangscliënten. Voor de hulpvragen die na 1 januari 2007 binnenkomen geldt het volgende: het CIZ zal de vraag naar ondersteuning bij het huishouden doorsturen naar de gemeente, tenzij de gemeente het CIZ heeft aangewezen om de indicatiestelling voor de Wmo te verzorgen.” Dit betekent dat er vanaf 1 januari 2007 door het CIZ aanvragen worden afgehandeld waarvoor het college een advies krijgt op basis van de AWBZ-regelgeving zoals die gold tot 1 januari 2007. Het college neemt op basis van deze adviezen een besluit volgens het dan binnen de gemeente onder de Wmo geldende regime. Voor alle aanvragen die door het CIZ zijn afgehandeld tot en met 31 december 2006 geldt de AWBZ en dus het onder 1 beschreven overgangsrecht van artikel 41 Wmo. Voor aanvragen die vanaf 1 januari 2007 bij het CIZ worden ingediend geldt dat het CIZ deze aanvragen doorzendt naar de gemeente. Voor deze aanvragen geldt dat de datum van indiening bij het CIZ geldt als datum van aanvraag en als datum waarna het college binnen 8 weken op deze aanvragen een besluit dient te nemen. Bijlage 2 bij hoofdstuk 2: Handreiking normering hulp bij het huishouden Het doen van boodschappen voor het dagelijkse leven. Hieronder vallen het samenstellen van een boodschappenlijst en het inkopen en opbergen van boodschappen. Dit kan 1x per week worden gedaan en daar kan tot en met 4 personen 60 minuten per week voor worden toegekend. Als het gaat om meer dan 4 personen of als er kinderen jonger dan 12 jaar aanwezig zijn, kan 2x per week boodschappen worden toegekend. Indien de afstand tot de winkels groot is, kan 30 minuten extra worden toegekend. Dat betekent dat voor boodschappen de marge voor toekennen bedraagt 60 tot 150 minuten. Eigen keuzen, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop aangeboden wordt, zodat extra gereisd moet worden, of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, worden in principe niet gehonoreerd. Alleen medisch noodzakelijke afwijkingen kunnen gehonoreerd worden. Maaltijdverzorging: broodmaaltijd, warme maaltijd. Hieronder vallen wat betreft de broodmaaltijd: broodmaaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen, koffie/thee zetten en afwassen, met de machine of handmatig. Wat betreft de warme maaltijd vallen hieronder: eten bereiden (voorbereiden en koken), tafel dekken en afruimen, afwassen en opruimen plus opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad. Voor de broodmaaltijd kan per keer 15 minuten, voor de warme maaltijd per keer 30 minuten worden toegekend. Zijn er kinderen jonger dan 12 jaar dan kan per keer 20 minuten extra worden toegekend. Per dag kan het dus gaan om 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd, waarbij de variatie kan liggen tussen 60 minuten en 120 minuten. Licht poetswerk in huis, kamers opruimen. Hieronder vallen de volgende activiteiten: Indien geen maaltijdvoorziening is geïndiceerd: afwassen, handmatig 15-30 minuten per keer, machine in- en uitruimen 10 minuten per keer. Opruimen, stof afnemen, bedden opmaken en wekelijkse beurt interieur; dit is afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling en bedraagt 15 tot 40 minuten per keer. Bij kinderen onder de 12 jaar, bij allergie (alleen als het gaat om een gesaneerde woning) bij ernstige beperkingen in armen en handen die leidt tot extra rommel kan meer tijd worden toegekend. Dit geldt alleen voor de kamers die in gebruik zijn en uitgaande van een woning niveau sociale woningbouw. Extra toegekende tijd in principe maximaal 3 maal per week 20-30 minuten. Totaal betekent dit minimaal 60-90 minuten, maximaal 180 minuten. Zwaar huishoudelijk werk. Hieronder vallen: stofzuigen, schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken, bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval. Omvang bij een eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers 1 x 3 uur per 14 dagen, of 90 minuten per week, Bij een meerpersoonshuishouden en een huis met meer dan 3 kamers geldt de omvang van klasse 2. In grote woningen met een hoge bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad (door de situatie, niet door verwaarlozing) bij COPD-problematiek in een gesaneerde woning, bij aanwezigheid van jonge kinderen kunnen extra uren, afhankelijk van de situatie, worden toegekend. Verzorging huisdieren wordt meegenomen en niet extra geïndiceerd. Verzorging kleding/linnengoed. Hier wordt onder gerekend: sorteren en wassen kleding met behulp van een wasmachine, centrifugeren, ophangen en afhalen of was drogen in droger, vouwen, strijken en opbergen, ophangen/afhalen wasgoed. Hiervoor wordt bij 1 persoon 60 minuten per week toegekend, bij 2 personen 90 minuten per week. Meer per week: bij kinderen onder de 16 jaar 30 minuten per week extra, bij bedlegerige personen 30 minuten per week extra, bij extra wassen door overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies etc. 30 minuten per week extra. Bij huishoudens met kleine kinderen kan tot maximaal 3x per week wassen worden toegekend, in andere situaties wordt uitgegaan van éénmaal per week. Organisatie van het huishouden. Hiertoe worden gerekend opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten (anderen helpen met zelfverzorging) en anderen helpen bij het bereiden van maaltijden. Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in staat is de ouderrol op zich te nemen. Totaal omvang tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden, te besteden aan wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen, opvoedingsactiviteiten. Meer of minder kan worden geïndiceerd vanwege het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van kinderen/huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek, samenvallende activiteiten. Dagelijkse organisatie van het huishouden. Administratieve werkzaamheden, organiseren, plannen en beheren van middelen. Indien hier aanleiding toe bestaat kan hier 30 minuten per week voor worden geïndiceerd. Hiervan kan worden afgeweken bij communicatieproblemen, kinderen onder de 16 jaar of andere tijdvragende huisgenoten, of psychosociale of andere problematiek bij meerdere huisgenoten. Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische stoornissen. Hieronder kan ook observeren vallen, evenals formuleren doelen met betrekking tot huishouding, helpen verkrijgen, handhaven structuur in het huishouden, helpen verkrijgen/handhaven zelfredzaamheid t.a.v. budget, begeleiden ouders bij opvoering (beperkt en in combinatie met andere onderdelen) en begeleiding kinderen. Omvang 30 minuten per week. Advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden. Instructie omgaan met hulpmiddelen, instructie licht huishoudelijk werk, instructie textielverzorging, instructie boodschappen doen, instructie komen. Maximaal 30 minuten per week. In 3x per week maximaal 6 weken. Bij communicatieproblemen kan meer tijd worden geïndiceerd. Hoofdstuk3.Woonvoorzieningen Artikel 4 Wmo spreekt van: “a. een huishouden te voeren;” , onder welke regel in de verordening zowel wordt verstaan de woonvoorziening als de hulp bij het huishouden. 3.1 Uitsluitingen Voor alles zal bepaald moeten worden of één van de uitsluitingen van artikel 18 van de verordening van toepassing is: “De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.” Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn uitgesloten situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Is er sprake van één van deze mogelijkheden dan is afwijzing op voorhand mogelijk. 3.2 Vormen van woonvoorzieningen Artikel 13 van de verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om een woonvoorziening te verstrekken: als algemene woonvoorziening; als woonvoorziening in natura; als persoonsgebonden budget; als financiële tegemoetkoming. Artikel 14 van de verordening bepaalt dat een aanvrager die voldoet aan de criteria “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” en een aanpassing aan de woning nodig heeft, voor een algemene woonvoorziening in aanmerking kan komen als deze het woonprobleem snel en adequaat op kan lossen. 3.2.1 Algemene woonvoorzieningen De algemene woonvoorziening is net als alle algemene voorzieningen in de verordening bedoeld voor situaties betreffende oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg/voorzieningen of betrekking hebben op incidentele (zorg)behoeften. Hierbij kan gedacht worden aan de klussendienst, voorzieningen uit depot en nog te ontwikkelen voorzieningen.Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Gaat het om een algemene voorziening, dan zal geen aanvraag worden ingediend. Een melding bij het Wmo-loket is voldoende. Na een beperkte toets zal geregeld worden dat de algemene woonvoorziening wordt gerealiseerd. Als een algemene voorziening niet de oplossing is voor het woonprobleem, of als de aanvrager die niet wenst, zal een aanvraag voor een woonvoorziening moeten worden ingediend. In dat geval komen de onder b, c en d van artikel 13 van de verordening genoemde verstrekkingmogelijkheden in aanmerking. Onder deze verstrekkingmogelijkheden vallen de volgende voorzieningen: een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; een niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening; een uitraasruimte. 3.2.2 Primaat verhuizing Artikel 16 regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is én de kosten hoger zijn dan € 9.075,- er eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een reeds geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt. In de Wvg-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep. Onder de Wmo zal dan ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt ter compensatie van woonproblemen. In feite gaat het bij het hanteren van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van het principe dat wordt gekozen voor de goedkoopst-adequate oplossing. Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, in het bijzonder op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen zal een goed gemotiveerd besluit moeten worden genomen, waarin alle relevante factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming. - De snelheid waarmee het probleem kan worden gecompenseerd De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit de Wvg-jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatie-advies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. - Rekening houden met sociale factoren Sociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn bijvoorbeeld de voorkeur van de gehandicapte, de binding van de gehandicapte met de huidige woonomgeving, de nabijheid van voor de gehandicapte belangrijke voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning van de gehandicapte kan een rol spelen in het afwegingsproces, met name in situaties waarin sprake is van mantelzorg. De sociale omstandigheden moeten in het indicatie-onderzoek zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager zijn werk "aan huis" heeft (eigen bedrijf), moeten de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen te worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben. - Rekening houden met woonlasten en financiële draagkracht van de gehandicapte Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op het gebied, maakt het college een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden genomen. Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft meer emotionele en financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een handicap negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen woning, en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen. - Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: Huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; de kosten van het persoonsgebonden budget/financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; kosten van het eventueel vrijmaken van de woning een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. De kosten zijn het uitgangspunt bij deze afweging, maar ook andere factoren kunnen een rol spelen. - De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing Er wordt ook rekening gehouden met het feit dat een aan te passen koopwoning naar alle waarschijnlijkheid minder makkelijk kans heeft om voor hergebruik in aanmerking te komen: Een revisiebeding, zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor eigen woningen; De gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen; Het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte. Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele belanghebbende aangepast worden. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingen aan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van belang. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing of aanpassen. Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering beoordeelt het college of er van uit kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren. Is het college van oordeel dat de woning ten onrechte is geweigerd dan vervalt het recht op een financiële tegemoetkoming voor woonvoorzieningen en de verleende urgentie. Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Valt die afweging uit in het voordeel van verhuizing, dan gaat de verhuiskostenvergoeding een rol spelen. Een verhuiskostenvergoeding zal veelal in de vorm van een persoonsgebonden budget worden toegekend. Dit is in vier situaties mogelijk aan de orde: De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning; De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de betreffende woning niet kan worden aangepast; Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont. Binnen een periode van zeven jaar niet eerder een tegemoetkoming is verleend in verband met dezelfde ergonomische belemmeringen. Een persoonsgebonden budget in de kosten van verhuis- en herinrichtingskosten is bedoeld als goedkoopst-adequaat alternatief voor een dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk, evenals voorspelbare verhuizingen van senioren. Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals in artikel 21, aanhef en onder e van de verordening wordt bepaald. Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op de goedkoopst-adequate kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld als het gaat om een verhuizing naar een ADL-woning en evenmin in situaties waarin het gaat om een persoon buiten de Wmo-doelgroep een aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het college gebeurt, is er aanspraak op een persoonsgebonden budget voor verhuis- en herinrichtingskosten. Het college verstrekt in beginsel geen persoonsgebonden budget voor verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat reden voor afwijzing. 3.2.3 Primaat losse woonunit Komt verhuizing niet in aanmerking, dan zal beoordeeld moeten worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. Hierbij geeft de verordening nog een tweede primaat aan, te weten het primaat van de losse woonunit (artikel 17): “Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan.” Dit primaat heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering. Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit als er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. Het programma van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit. Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat deze afweging gemaakt moet worden, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt. 3.2.4 Overige (bouwkundige) voorzieningen . De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning betreffen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen de woonruimte. Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening hebben te gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren). Ook ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden geen compenserende woonvoorzieningen getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie. Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden verstrekt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraasruimte. Deze voorziening heeft een specifiek doel, namelijk het tot rust doen komen van personen met een specifieke beperking. Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt – conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wvg- beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning. 3.3 Beperkingen 3.3.1 Hoofdverblijf Artikel 19 van de verordening bepaalt in lid 1: “Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.” Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkene zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. Artikel 19 biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel: In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling. De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college van burgemeester en wethouders in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente vast te leggen maximumbedrag. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Deze afwijking is overgenomen uit de Wvg, waarin het zogenaamde bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was. Onder de Wmo is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke voorziening in de verordening opgenomen, aangezien met invoering van de Wmo niet is beoogd het regime van de Wvg-woonvoorzieningen uit te breiden. Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling betreft het uitsluitend de in lid 5 genoemde zaken, te weten het kunnen bereiken van de woonruimte, de woonkamer en een toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk worden opgevat: het gaat niet om gebruiken maar om bereiken. Op zich mag dat merkwaardig lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken vaak hoge kosten met zich meebrengt, hetgeen niet past bij een bovenwettelijke taak. 3.3.2 Overige beperkingen woonvoorzieningen Als het gaat om woonvoorzieningen zijn er nog een aantal beperkingen, zoals in de verordening vastgelegd in artikel 21: “De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen; de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; De aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden.” De onder a. genoemde beperking ziet vooral op situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven worden enz. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de aanvrager vooraf contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst-adequate oplossing is. Onder b. wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat betekent dat als er een keuze is tussen een geschikte en een (minder) niet geschikte woning, gekozen dient te worden voor de geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan zal dat aanleiding zijn tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden worden met kennis die een gemeente heeft van op enig moment beschikbare geschikte woningen. Onder c. kunnen aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten, zo blijkt uit de jurisprudentie, gelimiteerd worden. Dit uitgangspunt is onder punt c. vastgelegd. Andere dan de limitatief opgesomde voorzieningen hoeven niet verstrekt te worden. De keuze voor de limitatieve lijst moet natuurlijk wel gemotiveerd worden. Onder d. worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn. Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvragers. Wie weet dat traplopen, wat nu al lastig is, binnen 5 jaar onmogelijk gaat worden, moet op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan gaat aan deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan daarom aanleiding zijn tot afwijzing. Het laatste punt, onder e, tenslotte, is bij de verhuiskostenvergoeding al besproken. 3.4 Overige woonvoorzieningen 3.4.1 Uitbreiding van ruimten Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maxima aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Uiteraard dient dat door een onafhankelijk adviserend arts (in principe de adviseur van de gemeente) aangegeven te worden: Soort vertrek Aantal m2 waarvoor ten hoogste een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget wordt verleend in geval van aanbouw van een vertrek Aantal m2 waarvoor ten hoogste een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget wordt verleend in geval van uitbreiding van een vertrek Woonkamer 30 6 Keuken 10 4 1 persoonsslaapkamer 10 4 2 persoonsslaapkamer 18 4 Toiletruimte 2 1 Badkamer -wastafelruimte 2 1 -doucheruimte 3 2 entree/hal/gang 5 2 Berging 6 4 3.4.2 Bouwkundige en niet-bouwkundige voorzieningen Of een persoon in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. Zoals al vermeld gaat het hier niet om inrichtingselementen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels een bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse voorziening een goedkoop en adequaat alternatief zijn voor een vast voorziening. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook zal bij voorkeur met losse voorzieningen worden gewerkt in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook situaties waarin mensen die in een slooppand wonen. 3.4.2.1 Trapliften Een vaste woonvoorziening kan zijn een traplift. Zoals bovenvermeld wordt gestreefd naar een actief herverstrekkingenbeleid. Hiertoe behoort ook het in bruikleen verstrekken van trapliften. De technische levensduur van een traplift is 15 tot 20 jaar. De gemiddelde gebruiksduur van een traplift is 5 tot 6 jaar. De gebruiksduur is korter bijvoorbeeld door overlijden, bijkomende beperkingen of doordat de gebruiker verhuist naar een beter aangepaste woning, een verzorgingshuis of verpleeghuis. In samenwerking met de trapliftenleverancier wordt een verstandig en verantwoord hergebruik van trapliften nagestreefd. Dit biedt niet alleen financiële voordelen voor de gemeente maar ook de milieuaspecten zijn hierbij van belang. Een aanvrager die eigenaar is van een woning en die geïndiceerd is voor een traplift kan kiezen voor: een traplift in bruikleen (hij hoeft dan geen eigen bijdrage te betalen) een persoonsgebonden budget (hij moet dan een eigen bijdrage betalen, de traplift wordt dan zijn eigendom). 3.4.3 Woningsanering in verband met CARA Men kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (CARA) noodzakelijk zijn, zolang de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning. Sanering is slechts mogelijk als een duidelijke diagnose is gesteld door de huisarts of de longarts. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding, wordt mede in relatie tot het levenspatroon en leefregels, de gehele woninginrichting en ventilatiemogelijkheden en -gedrag bepaald. Het college kan hierover advies vragen eventueel met inschakeling van een gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Verwacht wordt dat de betrokkene zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag verwacht worden dat betrokkenen zelf maatregelen treft ter voorkoming van CARA-klachten. In de regel kan een vergoeding worden verstrekt indien: de aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat CARA zou ontstaan/verergeren; vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is. Geen vergoeding wordt verstrekt indien: het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt; de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert. De ruimten die in principe voor sanering in aanmerking komen zijn beperkt tot die ruimten waar zich het dagelijkse leven van de gehandicapte voornamelijk afspeelt. Als we uitgaan van de meest voorkomende gevallen zal het gaan om woningsanering ten behoeve van kinderen. De ruimten in huis waar het dagelijkse leven van kinderen zich het meest afspeelt zijn de woon- en slaapkamer. Bij zeer kleine kinderen (tot en met 3 jaar) kan de slaapkamer van de ouders hier ook bij betrokken worden, indien de ouders de noodzaak hiertoe redelijkerwijs aantonen. Bij zeer heftige allergie kan van deze beleidslijn worden afgeweken. Tevens wordt van de aanvrager verwacht dat de richtlijnen worden gevolgd ten aanzien van het schoonhouden van de woning zoals opgesteld door het Astma Fonds. Deze richtlijnen staan vermeld op www.astmafonds.nl. 3.4.3.1 Afschrijvingstermijn Een vergoeding wordt alleen verstrekt in die gevallen dat de betreffende te vervangen stoffering (vloerbedekking en gordijnen) nog niet is afgeschreven. Indien een artikel is afgeschreven (in de regel na 8 jaar) wordt geen financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget verleend. Hierbij wordt voor de hoogte van de vergoeding als volgt rekening gehouden met de reeds verlopen afschrijvingsperiode. De vergoeding bedraagt een percentage van de kosten, afhankelijk van de afschrijvingsperiode: 100% indien het artikel nieuwer is dan twee jaar; 75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is; 50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud is; 25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar oud is. Indien het artikel acht jaar of ouder is, wordt geen vergoeding verstrekt; Kan men niet aantonen hoe oud de te vervangen stoffering is, wordt uitgegaan van de duur van bewoning (inschrijving woonadres in het GBA) Hetzelfde geldt bij verhuizing, omdat bij verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten. 3.4.3.2 Normbedragen Als normbedragen worden gehanteerd: voor zeil of linoleum € 53,- per meter (uitgaande van een gemiddelde lengte van de rol van 4 meter), inclusief egalisatiekosten; gordijnen: € 15,- per meter voor rolgordijnen of een ander soort gladde gordijnen. 3.4.4 De uitraasruimte De uitraasruimte was voorheen, onder de Wvg, omschreven in de wet zelf, maar is onder de Wmo omschreven in de verordening. Artikel 15, aanhef en onder d luidt dan ook: “De in artikel 13 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit: (……) d. een uitraasruimte.” Het gaat om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te doen komen. Dit vloeit ook voort uit de algemene beperking dat individuele Wmo-voorzieningen in hoofdzaak op het individu gericht zijn. De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn van verstrekking. Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer, het tot rust laten komen. Doorgaans zal de ruimte daarom prikkelarm en veilig moeten zijn, en tevens zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is kan dat onder de voorziening vallen. Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op individuele basis worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraaskamer nodig is. 3.4.5 Rolstoelvast tapijt Als iemand ten gevolge van de handicap aangewezen is op het gebruik van een (elektrische) rolstoel kan het voorkomen dat de in het huis aanwezige vloerbedekking vervangen moet worden door zogenoemde rolstoelvaste vloerbedekking. Deze vloerbedekking van hoge kwaliteit is per vierkante meter duurder dan normaal gangbare vloerbedekking. Er kan een tegemoetkoming in de meerkosten van vervanging worden gegeven conform de afschrijvingstermijnen van de woningsanering. (zie 3.4.3.1) Deze voorziening is alleen van toepassing als in de woonvertrekken waar de toegang voor de gehandicapte noodzakelijk is voor de dagelijkse levensbehoeften voorzien is voor een rolstoel slecht of ontoegankelijke vloerbedekking. 3.4.6 Patiëntenliften Patiëntenliften vallen als roerende woonvoorziening onder de WMO en worden in bruikleen verstrekt. In het algemeen wordt tussen de AWBZ en de WMO betreffende ADL-hulpmiddelen de volgende scheiding aangehouden: hulpmiddelen voor gebruik in de 'natte cel' en voor toiletgebruik vallen onder de compensatieplicht van de gemeente (het gaat daarbij om badzitjes, badplanken, douchewagens en douchebrancards). De overige ADL-hulpmiddelen (voor aan-, en uitkleden, slapen, in- en uit bed komen, eten, drinken en zitten) vallen onder de verantwoordelijkheid van de AWBZ. De transfer van de gehandicapte vanuit bed naar de rolstoel kan in een aantal gevallen problemen opleveren. Niet in alle gevallen kan een hoog-laag bed (AWBZ) het probleem oplossen. In zo’n geval kan patiëntenlift soms een oplossing bieden. Een patiëntenlift wordt in een aantal gevallen ook gebruikt voor het verplaatsen van bijvoorbeeld bed naar de douche of bad. Patiëntenliften zijn hulpmiddelen voor het boven en buiten de inrichtingselementen brengen van personen, die niet zelf voor de duur van dit transport, de totale lichaamsondersteuningskracht kunnen leveren. Er zijn zowel vaste (deze vallen onder de onroerende woonvoorzieningen) als mobiele patiëntenliften. De keuze voor een bepaald type patiëntenlift wordt bepaald door de bouwkundige situatie ter plekke en de beschikbare ruimte. Indien er voldoende ruimte is dan kan de keus vallen op een mobiele lift. Als de situatie het niet toelaat kan een vaste lift worden verstrekt. Daarnaast speelt bij deze keuze natuurlijk ook een rol de eisen die aan de lift moeten worden gesteld uitgaande van de functiebeperkingen van betrokkene (welke transfers moeten worden gemaakt). Doordat een bepaalde vorm van lichaamsondersteuning gebonden is aan een bepaalde uitvoering van een patiëntenlift is het niet uit te sluiten dat bij de keuze voor een bepaald type patiëntenlift beide afwegingen leiden tot een niet te combineren oplossing. In dat geval moet worden bepaald welke factor doorslaggevend moet zijn. Ook kan in de afweging meespelen of bijvoorbeeld verhuizing een adequate oplossing biedt. 3.4.7 Inrichten van badkamer en toilet en keuken Bij veel mensen die gehandicapt raken of zijn en bij ouderen treden problemen op bij het wassen, douchen, aan- en uitkleden en toiletgebruik. Dit zijn dagelijks terugkerende activiteiten die ieder mens zolang mogelijk zelfstandig wil kunnen uitvoeren. Wanneer door bepaalde functiestoornissen problemen ontstaan bij het uitvoeren van deze handelingen kan het gebruik van hulpmiddelen deze problemen geheel of gedeeltelijk oplossen. Indien vaststaat dat deze hulpmiddelen langdurig noodzakelijk zijn, kunnen deze worden verstrekt. De gemeente verstrekt roerende woonvoorzieningen in bruikleen, tenzij herverstrekking vanuit hygiënisch oogpunt niet gewenst is. Indien de gehandicapte voorkeur heeft voor een duurdere voorziening, moet de gemeente het mogelijk maken dat deze voorziening aangeschaft kan worden. De gemeente verstrekt dan een financiële tegemoetkoming ter hoogte van de goedkoopste adequate voorziening. Over besteding en duur van de voorziening worden met de gehandicapte afspraken gemaakt. Hulpmiddelen voor toiletgebruik Hulpmiddelen voor toiletgebruik kunnen, afhankelijk van het gemeentelijke beleid, in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Afhankelijk van de vorm waarin de voorziening wordt verstrekt (in natura of een financiële tegemoetkoming) en het gemeentelijke beleid in deze kan er een eigen bijdrage of eigen betaling gelden. Hieronder volgt een opsomming van voorzieningen voor het toiletgebruik welke ingevolge de Wmo verstrekt kunnen worden. In onderstaande opsomming worden de meest voorkomende voorzieningen weergegeven. Een toiletverhoger op een bestaande toiletpot Het plaatsen van deze voorziening is doorgaans de goedkoopste adequate oplossing. Voor deze voorziening kan ook gekozen worden wanneer aannemelijk is dat het gebruik van de toiletverhoger van relatief korte duur is. Bijvoorbeeld wanneer de gehandicapte in afwachting is van plaatsing in een verzorgings- of verpleeghuis. Als een opname te verwachten is binnen zes maanden dient de gehandicapte voor deze voorziening te worden verwezen naar de uitleencentrale van de Thuiszorg. Indien niet te verwachten is dat de gehandicapte binnen zes maanden wordt opgenomen dient het college de voorziening te verstrekken. Een toiletverhoger kan desgewenst op de hoogte van +6, +8 of +10 cm worden ingesteld. Wanneer uit het medische advies blijkt dat opklapbare beugels noodzakelijk zijn met een lengte langer dan de standaard beugels van de toiletverhoger kan het plaatsen van een verhoogde toiletpot een adequatere oplossing zijn. Als het niet mogelijk is een toiletverhoger op een bestaand toilet te plaatsen kan overgegaan worden tot het plaatsen van een vaste verhoogde toiletpot. Een vaste verhoogde toiletpot (al of niet met opklapbare beugels) Indien er meerdere malen per nacht toiletgang noodzakelijk is en de gehandicapte ervaart ernstige problemen bij het gebruik van de trap om het toilet op de begane grond op tijd te bereiken kan overwogen worden een toiletstoel te plaatsen in de natte cel. Alleen in die situaties waarin de gehandicapte zelf dan wel de echtgenote, andere huisgenoten of gezins/thuishulp niet in staat zijn om de toiletpot dagelijks te ledigen en schoon te maken kan worden overgegaan tot het plaatsen van een vaste verhoogde toiletpot (vergelijk CRvB 11-07-2000, nr. 99/3236 WVG en CRvB 13-11-2002, nr. 01/3655 WVG). Indien al een normaal toilet op de eerste verdieping van de woning aanwezig is, kan als goedkoopste adequate oplossing een toiletverhoger worden verstrekt. Een toiletstoel Een toiletstoel is een hulpmiddel om op te zitten tijdens de toiletgang. Het verstrekken van een toiletstoel is doorgaans een goedkopere adequate oplossing dan het plaatsen van een verhoogde toiletpot. Wanneer uit onderzoek van de medisch en ergonomisch adviseur blijkt dat een toiletvoorziening op de eerste verdieping noodzakelijk is vormt het verstrekken van een toiletstoel de goedkoopste adequate oplossing. Ook hierbij geldt dat de toiletemmer door de gehandicapte, diens echtgeno(o)t(
  7. e)of andere huisgenoten leeggemaakt moet kunnen worden (zie CRvB 13-11-2002, nr. 01/3655 WVG). Wanneer de gehandicapte de voorkeur heeft voor een verhoogde toiletpot kan de kostprijs van een toiletstoel eventueel als forfaitaire vergoeding worden verstrekt. De rechtbank Middelburg heeft in een proefproces op 17-02-2003 bepaald dat een toiletstoel naar huidige maatschappelijke opvattingen niet meer als een adequate voorziening beschouwd kan worden. Helaas is betreffende gemeente niet in hoger beroep gegaan, zodat de CRvB zich niet over deze vraag heeft kunnen buigen. Schulinck BV is – gesteund door het feit dat in CRvB 13-11-2002, nr. 01/3655 WVG (drie maanden vóór de principiële uitspraak van de rechtbank Middelburg) de CRvB een toiletstoel nog de goedkoopste adequate oplossing achtte – van mening dat een toiletstoel nog tot het voorzieningenpakket mag behoren. Er zij desalniettemin gewezen op deze ontwikkeling. Het plaatsen van extra beugels Deze voorzieningen zijn erop gericht om het gaan staan en zitten van de toiletpot te vergemakkelijken. De gehandicapte kan zich hieraan steunen bij het gaan zitten en kan zich eraan optrekken bij het gaan staan. Toiletpot met föhn- en spoel/wasinrichting In situaties waarbij de gehandicapte wel zelfstandig gebruik kan maken van het toilet maar daarbij zichzelf niet kan verzorgen (bijvoorbeeld wegens het niet goed kunnen bewegen van armen) biedt deze voorziening een adequate oplossing. Zie voor een voorbeeld CRvB 24-09-2003, nr. 02/2376 WVG. Bij het plaatsen of vervangen van een verhoogd toilet is niet automatisch het leveren van een nieuwe toiletbril en/of een nieuw deksel inbegrepen. Dit zijn algemeen gebruikelijke artikelen. Alleen in die situaties waarin blijkt dat de bestaande toiletbril niet meer bruikbaar én passend is, besluit het college tevens een vervangende toiletbril (in combinatie met een verhoogde toiletpot) ingevolge de Wvg te verstrekken. Hulpmiddelen om te baden, wassen en douchen Hieronder volgt een opsomming van de meest voorkomende hulpmiddelen voor het baden, wassen en douchen. Anti-slipvloer In oudere woningen komt het nog voor dat op de vloer van de badruimte en die van het toilet geen antisliptegels zijn aangebracht. De goedkoopste adequate oplossing betreft dan het aanbrengen van een antislipcoating. Uit onderzoek blijkt dat met het aanbrengen van een dergelijke coating hetzelfde resultaat wordt bereikt als met een antisliptegel. Opklapbare doucheplank Het betreft een plank welke door middel van een opklapbaar systeem aan een muur in de badkamer wordt bevestigd waarop de gehandicapte voor- en na het baden kan worden verzorgd. Opklapbare douchezit met of zonder rug- en armleuningenDit zijn hulpmiddelen om op te zitten tijdens het douchen. Douche/toiletstoel Dit is een hulpmiddel om op te zitten tijdens het douchen, het baden of de toiletgang. Het verstrekken van een douche/toiletstoel is doorgaans een goedkopere adequate oplossing dan het plaatsen van een douchezit en een verhoogde toiletpot. Wanneer de gehandicapte de voorkeur heeft voor een verhoogde toiletpot kan de kostprijs van een toiletstoel eventueel als forfaitaire vergoeding worden verstrekt. Kranen Een thermosstatische (douche)mengkraan en een éénhendelmengkraan kunnen, mede op basis van de gevormde jurisprudentie (Rb. ’s-Hertogenbosch, 17-02-2000, nr. 98/9625 WVG), als algemeen gebruikelijk beschouwd worden. Dit betekent dat ook voor niet-gehandicapten dergelijke kranen tot het normale aanschaffingspatroon gerekend mogen worden. Deze kranen zijn overigens normaal in de handel te verkrijgen en nauwelijks duurder dan andere kranen. B&W kunnen aanvragen om dergelijke kranen dan ook afwijzen. Spiegels Een spiegel kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening. Het kan echter uit ergonomisch oogpunt noodzakelijk zijn om (kantelbare) spiegels inclusief de wasbak en wateraansluiting op een andere dan de standaardhoogte te hangen. Bijvoorbeeld bij een rolstoelgebonden gehandicapte. Indien de al aanwezige spiegel en wasbak niet meer passend zijn kunnen de kosten ingevolge de WMO worden vergoed. Dit geldt niet wanneer blijkt dat de spiegel en wasbak wegens slijtage of ouderdom aan vervanging toe zijn. Douchekop op glijstang Deze voorziening wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd en hoeft daarom niet te worden vergoed. Aankleedblad/tafel Dit is een opklapbare voorziening die aan de muur wordt bevestigd waarop de gehandicapte na het wassen kan worden verzorgd. Deze voorziening wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd en hoeft daarom niet door de gemeente te worden vergoed. Slechts de eventuele meerkosten van op de handicap gerichte speciale uitvoeringen kunnen op basis van de WMO worden vergoed. Hulpmiddelen voor de keuken Uit het onderzoek van de ergonomische adviseur kan blijken dat specifieke aanpassingen in de keuken noodzakelijk zijn. In onderstaande opsomming worden de meest voorkomende voorzieningen weergegeven. Hoog/laag verstelling en aangepaste keuken Uitgangspunt is dat de hoogte van de keuken op de hoofdgebruiker kan worden afgesteld. Dit dient duidelijk te worden uit het intakeonderzoek van de gemeente en/of medisch adviseur. Wanneer blijkt dat de gehandicapte niet als hoofdgebruiker wordt aangemerkt en deze toch gebruik wil maken van de keuken dan kan een in hoogte verstelbare werkstoel (trippelstoel) oplossing bieden. Omdat dit een verstrekking is welke valt onder de Regeling Hulpmiddelen 1996 dient daarnaar verwezen te worden. Als extra voorzieningen kunnen ook ladekastjes verstrekt worden indien deze deel uitmaken van de keuken en de noodzaak hiervan blijkt uit het medische en ergonomische advies. Inrichtingselementen (zoals kookplaat, koelkast e.d.) vallen niet onder de zorgplicht van de WMO. Keramische en inductiekookplaat Keramische kookplaten behoren tot de inrichtingselementen van een keuken en worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Een verslechterde lichamelijke gesteldheid kan maken dat een gehandicapte niet meer op een verantwoorde en veilige wijze gebruik kan maken van een kookplaat. In deze situatie kan het om medische redenen en als gevolg van het ervaren van aantoonbare ergonomische belemmeringen in het gebruik van de bestaande kookplaat noodzakelijk zijn dat een gehandicapte gebruik maakt van een inductiekookplaat. Wanneer uit medisch advies blijkt dat er sprake is van dusdanige aantoonbare ergonomische belemmeringen dat de gehandicapte niet meer op verantwoorde en veilige wijze gebruik kan maken van een kookplaat, kan het college overgaan tot het verstrekken van een financiële tegemoetkoming in de meerkosten van een inductiekookplaat ten opzichte van een keramische kookplaat. Duidelijk is dat bij het gemeentelijke en medische onderzoek nagegaan dient te worden in hoeverre de veiligheid in het geding is. Aanvragen voor dit soort voorzieningen dienen met de nodige zorgvuldigheid te worden behandeld. 3.4.8 Overzicht van mogelijke oplossingen bij woningaanpassingen en roerende woonvoorzieningen Bij de beoordeling van aanvragen voor woningaanpassing en/of roerende woonvoorzieningen dient er een relatie gelegd te worden tussen de aard van de ergonomische belemmering (de indicatie) en de mogelijke woningaanpassing en/of roerende woonvoorziening. Hierna volgt een overzicht van ergonomische belemmeringen en mogelijke oplossingen, onderscheiden naar woningaanpassing en roerende woonvoorzieningen. In het geval de voorziening valt onder het begrip ‘algemeen gebruikelijk’ is de gemeentelijke compensatieplicht niet van toepassing. Aard van de belemmering. Het overbruggen van hoogteverschillen bij het betreden van de woning en binnenshuis verticaal verplaatsen Mogelijke woningaanpassing: leuningen of handgrepen plaatsen bij traptreden en drempels drempels verwijderen of afronden aanbrengen van drempelhulpen (vlonders) hellingbaan realiseren, ophogen straatwerk hefplateau, traplift voor entree woning en stoeltjeslift, sta-lift, plateaulift of woonhuislift bij grote niveauverschillen; Indien lift niet mogelijk dan realiseren van gelijkvloerse rolstoelgeschikte aanbouw. Mogelijke roerende woonvoorziening: -losse patiëntenlift Aard van de belemmering: Openen van toegangsdeur Mogelijke woningaanpassing: schuifdeur in plaats van draaideur bij beperkte grijpfunctie: deurkrukgreep vergroten bij krachtsbeperking: deurkrukgreep verlengen op juiste hoogte aanbrengen van deurkruk en deurslot; handgrepen of beugels plaatsen (bedienbaarheid vanuit rolstoel) automatische deuropeners. Aard van de belemmering: Horizontaal verplaatsen Mogelijke woningaanpassing: -verbreden dagmaat deuren; vergroten van ruimte (bijvoorbeeld hal); stootplaten aanbrengen op deuren en beschermlijsten op kozijnen; verhangen van verwarmingsradiatoren; gladde vloeren; in natte cel: antislip. Mogelijke roerende woonvoorziening: -rolstoelvasttapijt financiering op basis van afschrijvingstermijn. Aard van de belemmering: Toiletgang, gaan zitten en opstaan Mogelijke woningaanpassing: (rekening houden met het begrip ‘algemeen gebruikelijk’) verhoogde of verlaagde toiletpot (eventueel in hoogte verstelbaar) aan muur handgrepen/beugels plaatsen, al dan niet opklapbaar aan plafond optrekmogelijkheid Mogelijke roerende woonvoorziening: toiletpot verhogen met losse toiletverhogers Aard van de belemmering: Doorspoelen Mogelijke woningaanpassing: drukknop vervangen door trekkoord, voetschuif o.i.d. Aard van de belemmering: Gebruik toiletpapier Mogelijke woningaanpassing: toilet met onderdouche en warme luchtdroging Aard van de belemmering: Wassen, gebruik wastafel Mogelijke woningaanpassing: (onderrijdbare) wastafel op gewenste hoogte hangen, voldoende beenruimte onder wastafel kantelspiegel of langere spiegel plaatsen Aard van de belemmering: Gebruik kranen/handgrepen van kasten Mogelijke woningaanpassing (rekening houdend met ‘algemeen gebruikelijk’): knoppen vervangen door grotere of andersgevormde grepen indien onvoldoende kracht; éénhendel bediende kranen thermostatisch geregelde mengkranen bij sensibiliteitsstoornissen Aard van de belemmering: In/uit bad stappen Mogelijke woningaanpassing: bad vervangen door douche badzitje in combinatie met beugels of steunen badlift in of onder bad plaatsen antislipvloeren Mogelijke roerende woonvoorziening: -losse badlift (keuze afhankelijk van bouwkundige mogelijkheden en noodzakelijke lichaamsondersteuning) Aard van de belemmering: Opstap douchebak te hoog Mogelijke woningaanpassing: douchebak vervangen door douchevloer op afschot overschuifzitje plaatsen steunbeugels aan muur hoogteverschil verkleinen door vlonder Aard van de belemmering: Staand douchen niet mogelijk Mogelijke woningaanpassing: -opklapbaar douchezitje, met handgrepen, armleuningen of beugels Mogelijke roerende woonvoorziening: douchestoel douchewagen, douchebrancard gecombineerde (kantelbare) douche-toiletstoel (keuze afhankelijk van bouwkundige situatie en noodzakelijke lichaamsondersteuning) Evenals de patiëntenliften vallen ook de douchehulpmiddelen als roerende woonvoorzieningen onder de Wmo. In het algemeen kan tussen de AWBZ en Wmo betreffende ADL-hulpmiddelen de volgende scheiding worden aangehouden: Hulpmiddelen voor gebruik in de 'natte cel' en voor toiletgebruik vallen onder verantwoordelijkheid van de gemeente (het gaat daarbij om badzitjes, badplanken, douchewagens en douchebrancards). De overige ADL-hulpmiddelen (voor aan- en uitkleden, slapen, eten en drinken en zitten) vallen onder de verantwoordelijkheid van de AWBZ. Aard van de belemmering: Niet kunnen bedienen schakelaar Mogelijke woningaanpassing: -op juiste hoogte aanbrengen; tuimelschakelaar; trekkoordbediening Aard van de belemmering: Niet kunnen bedienen hang- en sluitwerk Mogelijke woningaanpassing: op juiste hoogte brengen; bedienbaar maken (goed omvatbare handgrepen) Aard van de belemmering: Bereiden van maaltijden Mogelijke woningaanpassing: werkvlak, afzetvlak, spoelbak, kooktoestel onderrijdbaar maken aanbrengen bergkasten op juiste hoogte aanpassen kranen Aard van de belemmering: Gebruik van berging Mogelijke woningaanpassing: vergroten berging ten behoeve van plaatsen van een WMO-vervoer- of verplaatsingsmiddel verbreden toegangsdeur en pad plaats acculader aanpassing van eventuele gemeenschappelijke ruimten waarvan het gebruik met betrekking tot het leven van alledag noodzakelijk is: hellingbaan toegangsdeur van flat of portiek (bijvoorbeeld voorzien van elektrische opener) opstelplaats of stalling voor rolstoel bij toegangsdeur eenmalig ophogen 10 m2 terras. Kosten van verzakking > 15cm zij voor verantwoordelijkheid van de aanvrager 3.5 Procedure bij bouwkundige aanpassing Procedure aanvraag woningaanpassing 1 Vaststellen programma van eisen Nadat de aanvraag is ingediend wordt een indicatie gesteld, waarbij een gemeentelijke functionaris met ergonomische, sociale en bouwtechnische deskundigheid of een externe adviseur een programma van eisen voor de goedkoopst adequate woningaanpassing opstelt. Indien de kosten hoger zijn dan € 12.000,00 moeten 2 concurrerende offertes worden opgevraagd.. Bij trapliften kan hiervan worden afgeweken (prijzen zijn bekend, contract met een aanbieder van trapliften) 2 Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst adequate oplossing biedt De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het verlenen van een financiële tegemoetkoming of als basis geldt voor het vaststellen van het persoonsgebonden budget. 3 Het college geeft toestemming Het college geeft vervolgens toestemming voor de woningaanpassing, op voorwaarde dat niet al zonder toestemming een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget betrekking heeft. 4 De eigenaar voert uit De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningaanpassing conform het programma van eisen. 5 Het college controleert Het college verleent slechts een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing indien de door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt verricht. Controle vindt in beide gevallen achteraf plaats. De genoemde personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing en de gelegenheid krijgen de woningaanpassing te controleren. 6 Uitbetaling aan de woningeigenaar De financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan de woningeigenaar. Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 12 maanden na het verlenen van toestemming voor het aanpassen van de woning, stuurt de woningeigenaar de factuur naar de gemeente. Bij akkoord betaalt de gemeente het toegekende bedrag. Diegene aan wie het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald, dient gedurende een periode van 5 jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden. 3.6 Voorwaarden voor verstrekking persoonsgebonden budget en uitbetaling financiële tegemoetkoming Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd conform het programma van eisen en er aldus een adequate aanpassing wordt verstrekt is een aantal voorwaarden gesteld om de toegekende tegemoetkoming ook daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden moeten ook in de beschikking aan de aanvrager en eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de aanvrager is, worden bekendgemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan het besluit is gebonden. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Er mag niet al voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het college; Aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht; Aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht wordt geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing; Aan de onder b. genoemde personen wordt de gelegenheid geboden tot het controleren van de woningaanpassing; Direct na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen 12 maanden na het toekennen van de financiële tegemoetkoming verklaart de gerechtigde van de financiële tegemoetkoming aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen (PvE); De woningeigenaar stuurt de factuur naar de gemeente. Bij akkoord betaalt de gemeente het toegekende bedrag; Als een factuur meer dan 10% afwijkt van de offerteprijs, dient hierover gerapporteerd te worden. 3.7 Kosten van woningaanpassingen Voor het kwaliteitsniveau van de woningaanpassing wordt aangesloten bij de eisen zoals deze in het Bouwbesluit zijn geformuleerd. Aan de hand van dit niveau wordt vastgesteld hoe hoog de subsidiabele kosten kunnen zijn. De volgende kosten in het kader van een woningaanpassing kunnen in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming: De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, worden alleen de materiaalkosten als subsidiabel aangemerkt; De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, worden alleen de materiaalkosten als subsidiabel aangemerkt; Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1988 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen. De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen de oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, volgens bijgaande tabel. De door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; De kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening; Indien de gemeente ook de administratiekosten van de verhuurder wil vergoeden kan het volgende opgenomen worden: De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de gehandicapte, voor zover de kosten onder 1 tot en met 11 meer dan € 1000,00 bedragen, 10% van die kosten, met een maximum van € 350,00. Kosten adviseur bouw advies toegankelijkheid (Cliëntbelang Utrecht). 3.8 Opstalverzekering Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast. Hoofdstuk4Lokaal verplaatsen per vervoermiddel Artikel 23 van de verordening luidt: “De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit: een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening; een vervoersvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening.” 4.1 Vormen van vervoersvoorzieningen Dat betekent dat er naast voorzieningen in natura en persoonsgebonden budgetten ten behoeve van vervoersvoorzieningen ook algemene vervoersvoorzieningen toegekend kunnen worden. Uit artikel 24 blijkt verder dat er een primaat ligt bij die algemene voorzieningen, met daarna een primaat voor het collectief vervoer. Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt of algemene voorzieningen daar een snelle en eenvoudige oplossing voor kunnen bieden, indien dat niet het geval is wordt eerst gekeken of collectief vervoer het probleem kan oplossen, is dat ook niet het geval dan komen andere voorzieningen in aanmerking. 4.1.1 Algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die een probleem snel en effectief op kunnen lossen. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Algemene voorzieningen op het terrein van de vervoersvoorzieningen moeten veelal nog ontwikkeld worden. Te denken valt aan een scootermobielpool voor personen die slechts in beperkte mate van een scootermobiel gebruik kunnen/willen maken. Voor hen kan een dergelijke pool een adequate oplossing zijn, terwijl daar tegenover staat dat bespaard wordt ten aanzien van permanent verstrekte scootermobiels. Het gaat dus om (zeer) incidenteel gebruik. Bij de toelatingstoets hoort in ieder geval het antwoord op de vraag of betrokkene veilig van de voorziening gebruik kan maken. Indien nodig is bij aflevering (en ophalen) van de voorziening een beperkte (aanvullende) instructie mogelijk. Bij algemene voorzieningen geldt dat wie daar niet mee geholpen denkt te zijn uiteraard altijd een aanvraag kan indienen. Dan geldt echter de reguliere aanvraagprocedure. 4.1.2 Primaat collectief vervoer c.q. Regiotaxi Als een algemene voorziening geen voldoende oplossing biedt, of als naast een algemene voorziening nog andere vervoersvoorzieningen nodig zijn, geldt het primaat van het collectief vervoer. Ingevolge dit primaat komt een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek het openbaar vervoer niet kan bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer allereerst – indien dit medisch mogelijk is – in aanmerking voor collectief vervoer. De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd middels het loopafstandscriterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo (binnen 20 minuten), afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking. Bijvoorbeeld indien men bij een halte niet langer kan wachten dan 10 minuten en men onvoldoende weersbestendig is, problemen heeft bij het in- en uitstappen, zich niet staande kan houden bij het wegrijden en afremmen of andere mogelijke bezwaren heeft bijvoorbeeld incontinentie, stoma, storingen in de motoriek, oogfunctie onvoldoende, ernstige gedragsstoornissen. Er ligt overigens geen relatie met het openbaar vervoer. Het opheffen van een buslijn, waardoor een halte op grote(
  8. re)afstand komt te liggen, is geen aanleiding een vervoersvoorziening te verstrekken. Indien nog gefietst kan worden over grotere afstanden kan hier ook rekening mee worden gehouden. Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan zijn er twee terreinen waarop vervoer mogelijk is. Het eerste terrein is het vervoer op de korte afstand, in de woonomgeving, het “loop” en “fietsvervoer”. Het tweede terrein is op wat langere afstand, de afstand waarvoor niet-gehandicapten het openbaar vervoer zouden kunnen nemen. Als op beide terreinen problemen bestaan moet op beide terreinen bekeken worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen met een zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 100 meter) moet ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen een oplossing worden geboden. Dit wil niet zeggen dat dit niet hoeft bij mensen met een grotere loopafstand, maar tot 100 meter is het dwingend voorgeschreven! Wie problemen heeft op de afstanden gelijklopend met het openbaar vervoer komt op basis van artikel 25 verordening in aanmerking voor collectief vervoer indien dit medisch gezien adequaat is. Dat zal het in zeer veel gevallen zijn: uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat alleen bij onbeheersbare incontinentie (hetgeen zelden voorkomt) of bij ernstige gedragsproblemen of in andere uitzonderlijke situaties collectief vervoer niet adequaat geacht moet worden. In bijna alle andere situaties is collectief vervoer de eerste voorziening die in aanmerking komt voor verstrekking. De Tweede Kamer heeft op 29 maart 2006 tijdens een Algemeen Overleg over het bovenregionaal vervoer Valys uitgesproken dat bij aanwezigheid van collectief vervoer geen persoonsgebonden budget hoeft te worden verstrekt aangezien het niet de bedoeling is het collectief vervoer in gevaar te brengen. Voor de voorzieningen die vergelijkbaar zijn met het openbaar vervoer, zoals het collectief vervoer, geldt dat uitsluitend rekening gehouden moet worden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Artikel 27 lid 1 van de Verordening bepaalt hierover: “1. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.” De directe woon- en leefomgeving kan het beste beschreven worden in te bereiken bestemmingen. Het gaat daarbij om boodschappen doen, bezoeken van bijeenkomsten en het onderhouden van sociale contacten in directe woon- en leefomgeving. Ten tijde van de Wvg betrof de zorgplicht het zogenaamde 'korte afstandsvervoer'. Met de invoering van de Wmo wordt niet beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wvg te verbreden of te versmallen, vandaar dat wij het Wvg-beleid handhaven. Dat betekent dat bezoek of deelname aan buiten de regio wonende sociale contacten in beginsel buiten beschouwing blijven, tenzij verderliggende sociale contacten in medisch of maatschappelijk opzicht dusdanig belangrijk zijn dat hiermee vereenzaming wordt voorkomen. Artikel 27, lid 2 van de verordening geeft, als gevolg van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ook nog aan welke omvang in kilometers geboden moet worden. “2. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000 kilometer mogelijk maken.” Op basis van dit artikel moet iedereen tenminste 1500 kilometer, met een uitloop (bandbreedte) van 500 km, af kunnen leggen m

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.