Deze beleidsregels leggen uit hoe de gemeente Kampen de maatschappelijke ondersteuning regelt, gebaseerd op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Het doel is inwoners te ondersteunen om zo lang mogelijk zelfredzaam te blijven en deel te nemen aan de samenleving.
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente KampenHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kampen; Gelezen het voorstel van 26-05-2026 met kenmerk 84714-2025, Gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 4:81 en verder van de Algemene wet bestuursrecht, Gelet op de Verordening sociaal domein gemeente Kampen, besluit vast te stellen de volgende Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Kampen Handreiking voor inwoners en professionals Inhoud Hoofdstuk 1 Maatschappelijke ondersteuning Hoofdstuk 2 De procedure van ondersteuningsvraag tot beschikking Hoofdstuk 3 Beoordelen van de aanvraag Hoofdstuk 4 Meedoen aan de samenleving Hoofdstuk 5 Wonen Hoofdstuk 6 Rolstoelen Hoofdstuk 7 Het huishouden kunnen doen Hoofdstuk 8 Begeleiding Hoofdstuk 9 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang Hoofdstuk 10 Vorm van de ondersteuning Hoofdstuk 11 Persoonsgebonden budget Hoofdstuk 12 Bijdrage in de kosten Hoofdstuk 13 Verplichtingen Hoofdstuk 14 Beëindigen, herzien, terugvorderen en opschorten van de voorziening Hoofdstuk 15 Inwerkingtreding en citeertitel Bijlage 1 Afwegingskader gebruikelijke hulp Bijlage 2 Beoordelingskader Beschermd Wonen Inleiding Deze beleidsregels zijn een uitleg van hoe de maatschappelijke ondersteuning is geregeld op basis van de geldende regels in de gemeente Kampen. Die regels zijn in de gemeente Kampen neergelegd in de Verordening sociaal domein gemeente Kampen en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen. De Verordening sociaal domein en het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen zijn op hun beurt weer gebaseerd op de Wmo 2015. Met de Wmo 2015 (hierna Wmo) worden inwoners ondersteund om zo lang mogelijk en zoveel mogelijk regie te nemen en te houden over hun eigen situatie. De Wmo is een kaderwet. Dat houdt in dat er veel beleidsvrijheid aan de gemeente is gelaten. Aan de hand van de individuele situatie van de inwoner en de regelgeving van de gemeente Kampen wordt vastgesteld of maatschappelijke ondersteuning noodzakelijk is. De beoordeling van de ondersteuningsvraag kan daarom per inwoner verschillen. Toch moet een beoordeling wel objectief zijn en moeten gelijke gevallen op een gelijke manier worden behandeld. In deze beleidsregels is de geldende gedragslijn van de gemeente Kampen neergelegd. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over wetsinterpreterend beleid, de interpretatie ten aanzien van de vaststelling van feiten of de toepassing van de regels uit de Verordening sociaal domein of uit het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen. Strategie Sociaal Domein De meerjarenstrategie Sociaal Domein 2040 van de gemeente Kampen vormt het richtinggevende kader voor het lokale beleid, waaronder de beleidsregels van de Wmo. De strategie benadrukt het belang van passende ondersteuning op het juiste moment, waarbij inwoners snel, eenvoudig en dichtbij huis ondersteuning kunnen krijgen die aansluit op hun persoonlijke situatie. Dit sluit direct aan bij de Wmo-doelstellingen: het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie. De strategie zet in op het versterken van de sociale basis en het normaliseren van alledaagse problemen, zodat niet alles direct medisch wordt benaderd. Hierdoor ontstaat een verschuiving van individuele ondersteuning naar collectieve, laagdrempelige ondersteuning. Bijlagen en begrippen De bijlagen bij deze beleidsregels maken integraal onderdeel uit van deze beleidsregels. In de Verordening sociaal domein en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp worden een aantal begrippen uitgelegd. Deze begrippen zijn eveneens van toepassing op deze beleidsregels. Terminologie In deze beleidsregels wordt vaak gesproken over de inwoner waarbij vervolgens wordt verwezen naar de inwoner met de woorden ‘hij’ en ‘hem’. Hiermee wordt niet alleen de mannelijke inwoner bedoeld, maar elke inwoner. Ontwikkeling beleidsregels Deze beleidsregels zijn met de grootste zorgvuldigheid opgesteld waarbij maximaal rekening is gehouden met de huidige kennis. De ontwikkelingen rondom de Wmo door bijvoorbeeld jurisprudentie maar ook door voortschrijdend inzicht kunnen aanleiding tot aanpassing zijn. Daarom zijn deze regels nadrukkelijk aan verandering onderhevig. Dit document is daardoor niet statisch en zal in de tijd aangevuld of aangepast worden indien hier aanleiding toe is. Het spreekt voor zich dat de gemeente in voorkomende gevallen handelt conform de hiervoor bedoelde ontwikkelingen. Afwijken van deze beleidsregels (hardheidsclausule) De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze beleidsregels als toepassing van die bepaling een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Hoofdstuk1Maatschappelijke ondersteuning De meeste mensen hebben de wens om zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving te blijven wonen en zichzelf te kunnen redden in en om het huis. Om de deur uit te gaan om dingen te ondernemen en andere mensen te ontmoeten. Soms is daar ondersteuning bij nodig. Bijvoorbeeld vanwege een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem. Gelukkig zijn er vaak familieleden, buren of vrienden die een handje willen helpen. In Kampen zijn er ook veel initiatieven in de buurt om de inwoner te helpen of activiteiten waaraan de inwoner deel kan nemen. Als deze hulp niet voldoende is, dan kan de gemeente maatschappelijke ondersteuning bieden. Met de gemeente wordt in deze beleidsregels het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kampen bedoeld. 1.1Maatschappelijke ondersteuning in de Wmo Er bestaan 3 varianten maatschappelijke ondersteuning die de gemeente kan bieden. Onder maatschappelijke ondersteuning wordt in de Wmo 2015 verstaan: Het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsook het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; Het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; Het bieden van beschermd wonen en opvang. 1.2Beperkingen in de zin van de Wmo Een inwoner kan in aanmerking komen voor maatschappelijke ondersteuning als deze inwoner beperkingen heeft in de zin van de Wmo 2015 en deze beperkingen niet voldoende kan verminderen of wegnemen door eigen kracht, algemeen gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen of door hulp uit zijn sociale netwerk. Een inwoner met beperkingen in de zin van de Wmo is: een inwoner die een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen heeft en daardoor problemen heeft op het gebied van zijn zelfredzaamheid of participatie; een inwoner die in verband met psychische of psychosociale problemen niet in staat is mee te doen in de samenleving; een inwoner van de gemeente die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. In hoofdstuk 3 is nader uitgewerkt hoe de gemeente beoordeelt of een inwoner in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning. Daar worden ook de begrippen eigen kracht, algemeen gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen en hulp uit het sociale netwerk van de inwoner uitgelegd. 1.3maatschappelijke ondersteuning In deze beleidsregels zijn regels neergelegd over een aantal vormen van maatschappelijke ondersteuning. In deze beleidsregels worden echter niet uitputtend alle soorten maatschappelijke ondersteuning beschreven. De gemeente kan er ook voor kiezen een vorm van ondersteuning te verstrekken die niet beschreven is in deze beleidsregels. Deze vorm van ondersteuning moet dan wel voldoen aan de definitie van maatschappelijke ondersteuning. Hoofdstuk2De procedure van ondersteuningsvraag tot beschikking De procedure van de melding van de ondersteuningsvraag tot aan de beslissing van de gemeente waarin mogelijk maatschappelijke ondersteuning wordt toegekend is beschreven in hoofdstuk 2 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen. 2.1Van melding tot beschikking Hieronder is de procedure die begint bij de melding van de ondersteuningsvraag en eindigt bij de beslissing van de gemeente schematisch weergegeven. 1 Melding De inwoner meldt zich met zijn ondersteuningsvraag 2 Ontvangstbevestiging door de gemeente (per brief, per e-mail of telefonisch) Met daarin in elk geval: Dat er contact wordt opgenomen voor het maken van een afspraak voor een gesprek, tenzij dit niet nodig is; Informatie over de mogelijkheid om: - een persoonlijk plan in te dienen – gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning 3 Eventueel indienen van een persoonlijk plan Binnen 7 dagen na de melding mag de inwoner een persoonlijk plan indienen. 6 weken 4 De gemeente voert het onderzoek uit waarbij wordt gekeken welke ondersteuning de inwoner nodig heeft (gegevens worden vastgelegd in het gespreksverslag/ rapportage). Bij een spoedprocedure kan direct tijdelijke ondersteuning worden verstrekt. Tijdens het onderzoek onderzoekt de gemeente: De situatie van de inwoner; De persoonskenmerken en behoeften van de inwoner; Indien aangevraagd: de resultaten van een medisch advies; Welke ondersteuning in het kader van de Wmo de inwoner nodig heeft. De eigen kracht, eventuele andere regelingen waarop de inwoner een beroep kan doen, gebruikelijke hulp en hulp van het sociale netwerk van de inwoner; Of een bijdrage in de kosten moet worden opgelegd. Keuzemoment Keuze 1: De inwoner kiest ervoor geen aanvraag in te dienen. De procedure stopt hier. De inwoner kan altijd een aanvraag indienen Keuze 2: De inwoner kiest ervoor een aanvraag in te dienen. Dit kan door een getekend gespreksverslag terug te sturen. 5 Aanvraag Vanaf de ontvangstdatum van de aanvraag beslist de gemeente binnen 2 weken op de aanvraag. 2 weken 6 Besluit De gemeente beslist op de aanvraag met een toewijzing of afwijzing van maatschappelijke ondersteuning. Zo’n beslissing wordt een beschikking genoemd. De aanvraag is daarmee afgerond. Is de gemeente van plan de aanvraag af te wijzen, dan stuurt de gemeente eerst een voornemen tot afwijzing aan de inwoner. De inwoner kan hierop zijn reactie geven. 6 weken Eventueel vervolg Bezwaar/Beroep Als een inwoner het niet eens is met de beslissing van de gemeente op de aanvraag kan hij hiertegen bezwaar/beroep aantekenen. 2.1.1 Wettelijke termijnen Het gedeelte van de procedure waarin de melding wordt gedaan, het persoonlijk plan kan worden ingediend en het onderzoek wordt uitgevoerd, duurt maximaal 6 weken. Na deze 6 weken kan de inwoner een aanvraag indienen. Hierbij maakt het niet uit of het onderzoek is afgerond of wat de uitkomst van het onderzoek is. De gemeente neemt uiterlijk 2 weken na de aanvraag een beslissing op de aanvraag. Deze termijnen zijn in overeenstemming met de wettelijke termijnen om de procedure te doorlopen. De procedure van melding tot beslissing op de aanvraag duurt in totaal 8 weken. Bij complexe ondersteuningsvragen kunnen de inwoner en de gemeente samen afspreken de duur van de procedure te verlengen. Dit wordt verder beschreven in 2.9. Hierna worden de stappen van melding tot beschikking nader toegelicht. 2.2De melding De onderzoeksfase begint met de melding. Een inwoner die beperkingen heeft in de zin van de Wmo kan zich bij de gemeente melden met een ondersteuningsvraag. De melding van de inwoner kan ook door iemand anders worden gedaan. De melding van de onderteuningsvraag kan mondeling worden gedaan bij de balie Inkomen en zorg in het stadhuis, Burgemeester Berghuisplein 1 in Kampen. De melding kan ook schriftelijk, digitaal of telefonisch worden ingediend bij de gemeente. De gemeente bevestigt de melding per brief, e-mail of telefonisch aan de inwoner of aan zijn gemachtigde. Is de inwoner 67 jaar of ouder en heeft hij ondersteuning nodig op het gebied van begeleiding, dagbesteding of huishoudelijke hulp? Dan kan de inwoner een melding maken bij Kampen Zorgt Samen (KZS) via de mail of telefonisch. De contactgegevens van Kampen Zorgt Samen zijn te vinden op www.kampen.nl 2.3Persoonlijk plan Na de melding kan de inwoner binnen 7 dagen zelf een persoonlijk plan indienen bij de gemeente. In dit plan legt de inwoner uit hoe zijn persoonlijke situatie is, wat hij wil bereiken met zijn ondersteuningsvraag en hoe hij zelf denkt dat de maatschappelijke ondersteuning in zijn situatie vormgegeven kan worden. Het indienen van een persoonlijk plan is niet verplicht. De gemeente neemt het persoonlijk plan mee in de beoordeling over een uiteindelijke aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning. 2.4Onafhankelijke cliëntondersteuner Als de inwoner hieraan behoefte heeft, kan hij gebruik maken van een onafhankelijke cliëntondersteuning. De gemeente informeert de inwoner bij het doen van de melding of bij het plannen van een gesprek over de mogelijkheid om een onafhankelijk cliëntondersteuner in te schakelen. Een onafhankelijke cliëntondersteuner denkt met de inwoner mee over zorg en ondersteuning. De cliëntondersteuner beantwoordt samen met de inwoner vragen als: Wat past bij de inwoner, welke keuzes kan de inwoner maken? De cliëntondersteuner kan ook meegaan met een gesprek tussen de gemeente en de inwoner. 2.5Het onderzoek inclusief een (keukentafel)gesprek Nadat de melding is gedaan en eventueel het persoonlijk plan is ingediend, onderzoekt de gemeente of er maatschappelijke ondersteuning nodig is. Het onderzoek duurt 6 weken, tenzij anders is afgesproken met de inwoner. 2.5.1 Zorgvuldig onderzoek De gemeente verzekert zich ervan dat er zorgvuldig onderzoek wordt gedaan naar alle relevante feiten en omstandigheden. Bij het onderzoek zal de gemeente nagaan wie de inwoner is en welke vorm van ondersteuning hij nodig heeft. Het onderzoek begint daarom met een onderzoek naar de beperkingen, persoonskenmerken, de behoeften en de voorkeuren van de inwoner. De gemeente beperkt zich tijdens het onderzoek dan ook niet alleen tot de door de inwoner eventueel gevraagde ondersteuning. Het onderzoek is gericht op het vaststellen van de ondersteuning die nodig is voor de inwoner om zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo 2015, te verminderen of weg te nemen. Daarnaast is het onderzoek gericht op de vraag welke oplossingen de inwoner met eigen kracht, gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, andere regelingen en hulp uit het sociale netwerk van de inwoner (waaronder ook mantelzorg) kan bieden. Zie hierover verder ook hoofdstuk 3 van deze beleidsregels. Aan de hand van het onderzoek stelt de gemeente een rapportage op. 2.5.2 (Keukentafel)gesprek Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is het (keukentafel)gesprek. De gemeente nodigt de inwoner daarbij in principe uit voor een gesprek met een medewerker van de gemeente, tenzij dit niet nodig is. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn (een huisbezoek) als de inwoner dit wil of als dat van belang is voor de ondersteuningsvraag. De inwoner mag iemand bij dit gesprek uitnodigen. Het gesprek kan ook plaatsvinden op het stadhuis. Tijdens het gesprek verzamelt de gemeente de informatie die nodig is om te bepalen of een inwoner maatschappelijke ondersteuning nodig heeft. De gemeente onderzoekt dus de ondersteuningsvraag, de beperkingen, de persoonskenmerken, voorkeuren en behoeften van de inwoner. Daarnaast onderzoekt de gemeente de mogelijkheden van de inwoner om zijn beperkingen te verminderen of weg te nemen met eigen kracht/mogelijkheden uit het sociale netwerk, gebruikelijke hulp of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere regelingen. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft ingediend zal de gemeente dit persoonlijke plan met de inwoner bespreken in het gesprek. 2.6Legitimatieplicht Tijdens het onderzoek legitimeert de inwoner zich met een geldig legitimatiebewijs. De inwoner kan dit bijvoorbeeld doen tijdens het gesprek. Een inwoner hoeft zich niet te legitimeren als de medewerker van de gemeente die het gesprek voert, de inwoner al kent en de inwoner zich al eerder bij die medewerker heeft gelegitimeerd. 2.7Gespreksverslag Na het (keukentafel)gesprek stuurt de medewerker van de gemeente een verslag van het gesprek naar de inwoner, tenzij de inwoner heeft aangegeven dit niet te willen. Dit is onderdeel van het onderzoek en dient binnen 6 weken te worden opgestuurd. De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit naar de gemeente of geeft een digitaal akkoord. Als de inwoner zich niet kan vinden in de inhoud van het gespreksverslag kan de inwoner dit aangeven op het verslag. Indien gewenst wordt het verslag nog aangepast. 2.8Advies Als de gemeente zelf niet voldoende deskundig is om een beslissing te nemen, kan de gemeente gebruik maken van de deskundigheid van een onafhankelijk (medisch) deskundige. Het advies van een de deskundige wordt dan meegewogen bij de uiteindelijke beslissing van de gemeente om tot verstrekking van maatschappelijke ondersteuning over te gaan. 2.9Aanvraag Pas na de onderzoeksfase die begon bij de melding, kan de inwoner een aanvraag tot maatschappelijke ondersteuning indienen. Een aanvraag is dus niet hetzelfde als een melding. Een melding kan ook door iemand anders dan de inwoner worden gedaan, een aanvraag moet door de inwoner of door zijn gemachtigde worden gedaan. De inwoner kan iemand machtigen door een bewijs van de machtiging in te leveren die door de inwoner en de gemachtigde is ondertekend. Het ondertekenende gespreksverslag dienst als basis voor de aanvraag. De gemeente beslist binnen 2 weken op een ingediende aanvraag door een inwoner. De gemeente kan deze termijn verlengen in samenspraak met de inwoner of als de gemeente de termijn opschort. De gemeente kan in een beperkt aantal gevallen de termijn opschorten. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de gemeente nog wacht op een onafhankelijk advies dat is aangevraagd. Ook kan de termijn opgeschort en daardoor verlengd worden als de inwoner niet de benodigde gegevens heeft verstrekt aan de gemeente of niet meewerkt aan het gesprek. Op het moment dat de inwoner een aanvraag heeft ingediend, zal de gemeente beoordelen of een inwoner in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning. De gemeente zal dan beoordelen hoeveel ondersteuning aan de inwoner kan worden geboden vanuit eigen kracht, gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen en hulp uit het sociale netwerk en hoeveel ondersteuning de inwoner dan nog nodig heeft van de gemeente om zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo voldoende te verminderen of weg te nemen. Zie hierover ook hoofdstuk 3 van deze beleidsregels. 2.10Beschikking In principe neemt de gemeente uiterlijk 2 weken na de aanvraag een beslissing op de aanvraag. Dit besluit stelt de gemeente per brief (de beschikking) vast en stuurt deze naar de inwoner of zijn gemachtigde. Het doel van de beschikking is dat de inwoner te weten komt of, welke en hoeveel ondersteuning aan hem zal worden verstrekt. Als de gemeente van plan is de aanvraag af te wijzen, dan stuurt de gemeente voorafgaande aan de beschikking de inwoner eerst een voornemen tot afwijzing. De inwoner krijgt vervolgens de kans zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. De gemeente neemt deze zienswijze mee in de uiteindelijke beslissing. In de beschikking staat vermeld of de inwoner maatschappelijke ondersteuning krijgt, welke vorm van ondersteuning de inwoner krijgt, in welke vorm en indien van toepassing hoeveel tijd de ondersteuning betreft. Bij een toewijzing van maatschappelijke ondersteuning staat in de beschikking ook per wanneer de ondersteuning wordt verstrekt en per wanneer de ondersteuning eindigt. In de beschikking staan ook eventuele verplichtingen beschreven waaraan de inwoner zich moet houden. In paragraaf 2.4.1 van de verordening sociaal domein gemeente Kampen staat nader uitgelegd wat er precies in de beschikking staat. Geen beschikking De gemeente kan de inwoner ook op een andere manier informeren, als de inwoner van de gemeente krijgt wat hij wenste en het voor de inwoner duidelijk is wat de gemeente heeft besloten. Bijdrage in de kosten In de beschikking informeert de gemeente de inwoner ook over een eventuele bijdrage in de kosten. Zie hiervoor ook hoofdstuk 12 van deze beleidsregels. 2.11Spoedeisende gevallen In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de maatschappelijke ondersteuning krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure als dat nodig is. 2.12Bezwaar, beroep en klachten Als een inwoner het niet eens is met een beslissing van de gemeente op een aanvraag kan de inwoner binnen 6 weken schriftelijk bezwaar indienen bij de gemeente. Als een bezwaar wordt ingediend zal de aanvraag van de inwoner opnieuw beoordeeld worden door andere medewerkers dan de medewerkers die aanvankelijk de aanvraag beoordeelden. In de bezwaarprocedure zal ook gekeken worden of de onderzoeksfase zorgvuldig is doorlopen. Als de inwoner bezwaar indient tegen de beslissing van de gemeente op de aanvraag zal de onafhankelijke bezwarencommissie van de gemeente een advies geven aan de gemeente over hoe om te gaan met het bezwaar en de aanvraag van de inwoner. Voordat de commissie een advies geeft wordt meestal een hoorzitting georganiseerd. De inwoner wordt uitgenodigd voor deze hoorzitting om zijn bezwaar toe te lichten. De inwoner ontvangt na enkele weken een beslissing op bezwaar. Is de inwoner het niet eens met deze beslissing op bezwaar dan kan de inwoner binnen 6 weken in beroep gaan bij de rechtbank. Het is alleen mogelijk bezwaar te maken tegen de beslissing van de gemeente op een aanvraag. Het is niet mogelijk in bezwaar te gaan tegen de uitkomsten van een onderzoek na de melding. Hiervoor moet eerst een aanvraag worden ingediend en de beschikking worden afgewacht. Tegen deze beschikking kan een inwoner dan in bezwaar gaan. In de bezwaarprocedure kan vervolgens wel aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid waarmee het onderzoek is gedaan. 2.12.1 Klachten Een inwoner die gebruik maakt van maatschappelijke ondersteuning, kan met verschillende organisaties te maken hebben. Wanneer dat niet volgens verwachting verloopt, kan een inwoner bij de betrokken organisatie in gesprek gaan of een tip of een opmerking achterlaten. De gemeente is tenslotte eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo. Het kan ook zijn dat een inwoner een klacht heeft over het handelen van een ambtenaar of een bestuurder van de gemeentelijke organisatie. Dan geldt de reguliere klachtenprocedure van de gemeente Kampen. Deze procedure is terug te vinden in hoofdstuk 10 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen. Wanneer een inwoner ontevreden is over de dienstverlening van de afdeling sociaal domein, kan de inwoner ook contact opnemen met de sociaal ombudsfunctionaris. De ombudsfunctionaris biedt een luisterend oor, onderzoekt de situatie, bemiddelt, geeft onafhankelijk advies en gaat samen met de inwoner op zoek naar een oplossing. De contactgegevens staan op de website van de gemeente Kampen. Hoofdstuk3Beoordelen van de aanvraag In paragraaf 2.3.2 en paragraaf 5.1 van de verordening sociaal domein gemeente Kampen staat aan welke algemene criteria een inwoner moet voldoen om in aanmerking te komen voor ondersteuning. In dit hoofdstuk zijn deze regels verder uitgewerkt. 3.1Inleiding Op het moment dat de inwoner een aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning indient, zal de gemeente beoordelen of de inwoner in aanmerking komt voor ondersteuning op grond van de Wmo om zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving te blijven. Met andere woorden, de gemeente bekijkt of de inwoner gecompenseerd moet worden voor zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo. Voor de beoordeling van deze vraag gebruikt de gemeente het afwegingskader uit de Wmo. 3.2Wettelijk kader voor een ondersteuning In de Wmo staat dat een inwoner van de gemeente in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning als hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen zijn beperkingen op het gebied van zijn zelfredzaamheid of participatie naar de mening van de gemeente niet kan verminderen of wegnemen: Op eigen kracht; en/of Met gebruikelijke hulp; en/of Met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; en/of Door gebruik te maken van algemene voorzieningen. door gebruik te maken van aanbod in de (gesubsidieerde) sociale basis 3.2.1 Beschermd wonen Als een inwoner van Nederland gebruik wil maken van ondersteuning in de vorm van beschermd wonen, moet hij aan de voorwaarden voor beschermd wonen voldoen. In de Wmo staat dat een persoon in aanmerking komt voor beschermd wonen als hij in verband met psychische of psychosociale problemen niet in staat is zich te handhaven in de samenleving: Op eigen kracht; en/of Met gebruikelijke hulp; en/of Met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; en/of Met voorliggende voorzieningen; en/of door gebruik te maken van aanbod in de (gesubsidieerde) sociale basis. Voor meer informatie over beschermd wonen zie hoofdstuk 9 van deze beleidsregels. 3.2.2 Maatschappelijke opvang Als een inwoner van Nederland gebruik wil maken van ondersteuning in de vorm van maatschappelijke opvang, moet hij aan de voorwaarden voor maatschappelijke opvang voldoen. In de Wmo 2015 staat dat een persoon in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang als hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld niet in staat is zich te handhaven in de samenleving: Op eigen kracht; en/of Met gebruikelijke hulp; en/of Met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; en/of Met voorliggende voorzieningen; en/of Door gebruik te maken van aanbod in de (gesubsidieerde) sociale basis. Voor meer informatie over maatschappelijke opvang zie hoofdstuk 9 van deze beleidsregels. Een voorziening in het kader van maatschappelijke ondersteuning hoeft er niet voor te zorgen dat de inwoner in dezelfde of wellicht betere positie terecht komt dan voordat hij de ondersteuning nodig had. Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet redelijk zijn. Wat in een bepaald geval redelijk is, kan niet worden vertaald in beleidsregels. De gemeente levert maatwerk in de individuele situatie van de inwoner. 3.3Inwoner van de gemeente De gemeente Kampen verstrekt alleen maatschappelijke ondersteuning aan een inwoner van de gemeente Kampen. Het gaat hierbij om een inwoner die zijn hoofdverblijf in de gemeente Kampen heeft. Om het hoofdverblijf van een inwoner te bepalen wordt de feitelijke woonsituatie van de inwoner bekeken. 3.4Beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid of participatie Onder beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid worden de beperkingen van de inwoner op het vlak van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) verstaan en de beperkingen van de inwoner om een gestructureerd huishouden te voeren. Onder ADL vallen de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten. Ook de persoonlijke verzorging valt hieronder. Voorbeelden van ADL-taken in het kader van de zelfredzaamheid van een inwoner zijn: bewegen; lopen; gaan zitten en weer opstaan; eten/drinken; ontspanning; sociaal contact; het schoonmaken van zijn woning. Bij bovenstaande activiteiten wordt opgemerkt dat de inwoner in bepaalde gevallen ook aanspraak maken op verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). 3.4.1 Een gestructureerd huishouden Naast de ADL-verrichtingen valt ook het voeren van een gestructureerd huishouden onder de noemer zelfredzaamheid. Hieronder wordt verstaan: het schoon en op orde houden van het huishouden; en het kunnen beschikken over schoon beddengoed en schone kleding. Ondersteuning met het oog op het voeren van een gestructureerd huishouden kan daarnaast bijvoorbeeld bestaan uit: ondersteuning bij contacten met officiële instanties; ondersteuning bij het aanbrengen van structuur in het huishouden; ondersteuning bij het leren om zelfstandig te wonen; ondersteuning bij het omgaan met onverwachte gebeurtenissen die de dagelijkse structuur doorbreken. 3.4.2 Beperkingen op het gebied van participatie Beperkingen op het gebied van participatie zijn beperkingen waardoor mensen niet kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate: mensen kan ontmoeten; contacten kan onderhouden / aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen; zich kan verplaatsen; een sport kan beoefenen. Wanneer blijvend permanent toezicht noodzakelijk is of 24-uurs zorg in de nabijheid dan is de grens van de Wmo bereikt en zal een beroep op de Wet langdurige zorg (Wlz) moeten worden gedaan. In deze beleidsregels wordt hier per wmo voorziening toelichting over gegeven. 3.5Eigen kracht Om te beoordelen of een inwoner in aanmerking komt voor maatwerk ondersteuning, zal de gemeente onderzoeken of de inwoner eigen kracht heeft. Eigen kracht is het vermogen van de inwoner om zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo te verminderen of weg te nemen door zelf een bijdrage te leveren aan het verbeteren van zijn situatie. Het is belangrijk uit te gaan van de eigen kracht van het individu. Zelfbepaling en zelfsturing zijn belangrijk in het leven voor mensen met een ondersteuningsvraag om zich competent te voelen en deel te nemen aan de samenleving. Mensen kunnen zelf vaak meer dan de omgeving denkt en dan ze wellicht zelf denken. Inwoners vinden het vaak moeilijk om een ander te vragen iets voor hen te doen en mensen in het netwerk zijn vaak best bereid iets voor een ander te betekenen, maar weten niet hoe ze dat moeten aankaarten. 3.5.1 Beoordelen eigen kracht De gemeente zal samen met de inwoner bekijken of de inwoner een beroep kan doen op de eigen kracht. De gemeente doet dit bijvoorbeeld door hier in het een (keukentafel)gesprek met de inwoner over te praten. De gemeente kan ook ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving van de inwoner. Van de inwoner kan hierbij worden verlangd dat hij de gemeente met deze personen in contact brengt. Deze personen kunnen vervolgens ook worden uitgenodigd bij het gesprek. Voor het vaststellen van de eigen kracht van een inwoner zijn in de eerste plaats de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner van belang. De gemeente bekijkt wat de inwoner zelf kan. Als het kan, wordt uitgegaan van de ideeën van de inwoner zelf of wellicht van zijn sociale omgeving of cliëntondersteuner. Bij het beoordelen van de eigen kracht bekijkt de gemeente alleen de mogelijkheden die daadwerkelijk aanwezig zijn. Als de mogelijkheden niet aanwezig zijn, houdt de gemeente hier ook geen rekening mee. De gemeente zal altijd kijken naar de individuele situatie van een inwoner. 3.5.2 Voorbeelden van eigen kracht De gemeente mag ervanuit gaan dat de inwoner probeert zijn beperkingen op te lossen of te verminderen door zijn dagelijks leven anders te organiseren. Wat maakt dat een inwoner alles doet wat in zijn vermogen licht om herstel te bevorderen. Een aantal voorbeelden hiervan zijn; Het spreiden van de huishoudelijke taken over de dag en over de week in plaats van alle huishoudelijke taken op één dag te doen. Het opsparen van de boodschappen zodat gebruik gemaakt kan worden van de dienst van een supermarkt om de boodschappen te bezorgen. Het herinrichten van zijn woning of het verplaatsen van voorwerpen in huis als dit bijdraagt aan het compenseren van zijn beperkingen. Ook de wasmachine kan bijvoorbeeld op een verhoging geplaatst worden zodat wel gebruik kan worden gemaakt van de wasmachine; Het ophangen van een douchegordijn tegen het nat worden van de badkamer; Het gebruiken van huishoudelijke apparaten zoals bijvoorbeeld een droger en/of een vaatwasser. 3.6Gebruikelijke hulp Om te beoordelen of een inwoner in aanmerking komt voor ondersteuning, zal de gemeente onderzoeken of de inwoner met behulp van gebruikelijke hulp zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo, kan verminderen of oplossen. Gebruikelijke hulp is de hulp die, naar algemene aanvaarde opvattingen, in redelijkheid mag worden verwacht van mensen die in huis wonen bij de inwoner, die hulp nodig heeft. Het gaat dan om de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten daar waar nodig en mogelijk is, hun rol pakken in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp komt voort uit een sociale relatie, omdat het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich meebrengt. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Dit houdt in dat er zowel van volwassenen als van jonge huisgenoten een bijdrage wordt verlangd in het huishouden. Hierbij houdt de gemeente wel rekening met de ontwikkelingsfase van kinderen. Zo kunnen kinderen tot 5 jaar geen bijdrage aan het huishouden leveren, terwijl kinderen van 5 tot en met 12 jaar over het algemeen kleine huishoudelijke taken kunnen verrichten zoals tafeldekken, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, hun eigen kamer op orde houden, kleding in de wasmand doen. Kinderen van 12 tot en met 17 jaar kunnen over het algemeen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden. Kinderen van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoons huishouden voeren. Vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken volledig overgenomen worden van een huisgenoot die zelf geen huishoudelijke taken kan uitvoeren. Bij het beoordelen van de hoeveelheid gebruikelijke hulp die een inwoner zou moeten kunnen krijgen, kijkt de gemeente naar de individuele situatie van een inwoner. Bij het bepalen van de hoeveelheid gebruikelijke hulp wordt er geen rekening gehouden met drukke werkzaamheden van een huisgenoot, lange werkweken of veel reistijd. Over het algemeen kan alleen rekening gehouden worden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval bij internationale vrachtwagenchauffeurs, medewerkers in de off-shore of mariniers. Het gaat namelijk te ver deze mensen te dwingen een andere baan of functie te zoeken. De afwezigheid moet wel voldoen aan de volgende kenmerken:’ Het is inherent aan het werk; Het heeft een verplichtend karakter; Het gaat om een aaneengesloten periode van tenminste 7 etmalen. Bij het bepalen van de hoeveelheid gebruikelijke hulp wordt ook geen rekening gehouden met traditionele rolpatronen waarbij bijvoorbeeld de man niets in het huishouden doet en alles voor rekening van de partner komt. 3.6.1 Uitzonderingen Gebruikelijke hulp speelt geen rol bij huisgenoten die niet tot de leefeenheid van de inwoner met beperkingen behoren. Zo verwacht de gemeente geen gebruikelijke hulp van iemand die een kamer huurt bij een inwoner met beperkingen. Gebruikelijke hulp wordt ook niet zonder meer verwacht van huisgenoten die zelf ook beperkingen zoals bedoeld in de Wmo hebben en hierdoor de hulp niet kunnen bieden. Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren kan, indien nodig, ondersteuning voor huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke hulp zou worden gerekend. 3.6.2 Nadere informatie Zie voor nadere informatie over gebruikelijke hulp ook bijlage 1, ‘Afwegingskader gebruikelijke hulp’. Aan de hand van deze bijlage beoordeelt de gemeente of en in hoeverre er sprake is van gebruikelijke hulp in de situatie van de inwoner. 3.7Hulp uit het sociale netwerk/mantelzorg Om te beoordelen of een inwoner in aanmerking komt voor maatwerk ondersteuning, zal de gemeente de individuele situatie van een inwoner onderzoeken en beoordelen of de inwoner met behulp van hulp uit het sociale netwerk/mantelzorg zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo, kan verminderen of wegnemen. 3.7.1 Sociaal netwerk Het sociaal netwerk van een inwoner bestaat uit personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt. Tot personen uit de huiselijke kring worden gerekend familieleden van de inwoner, (voormalig) echtgenoot (of partner) of mantelzorgers. Andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt, zijn mensen met wie de inwoner regelmatig contact heeft zoals bijvoorbeeld buren en medeleden van een vereniging. 3.7.2 Mantelzorg Bij mantelzorg wordt de hulp verleend door personen uit de directe omgeving van de inwoner die hulp nodig heeft. Mantelzorg wordt niet verleend in het kader van een hulpverlenend beroep, maar is vrijwillige, onbetaalde zorg en kan niet verplicht worden. Doorgaans zijn mantelzorgers personen met wie de inwoner regelmatig contact heeft. De mantelzorger en de inwoner hoeven niet per se in één huis te wonen. In het onderzoek bekijkt de gemeente of de inwoner mantelzorg ontvangt. In het (keukentafel)gesprek kan de gemeente de inwoner vragen om in zijn netwerk te vragen of iemand mantelzorg wil bieden. Ontvangt een inwoner mantelzorg, dan bekijkt de gemeente in het gesprek hoe de (fysieke) gesteldheid van de mantelzorger is, hoeveel tijd de mantelzorger beschikbaar heeft en de reistijd die de mantelzorger heeft. Wat een mantelzorger kan doen verschilt van persoon tot persoon en is mede afhankelijk van de aard van de relatie, en de situatie waarin de inwoner en de mantelzorger zich op dat moment bevinden. Mantelzorgers kunnen overbelast raken door het verstrekken van mantelzorg. In dat geval kan mogelijk hulp aan de mantelzorger worden geboden. Is er geen hulp voor een mantelzorger door een van deze of een andere regeling, dan kan de gemeente ondersteuning inzetten zodat de taken van de mantelzorger tijdelijk overgenomen worden. Zie hiervoor ook hoofdstuk 8 over begeleiding en respijtzorg. 3.8Algemene voorziening Om te beoordelen of een inwoner in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning, zal de gemeente onderzoeken of de inwoner een beroep kan doen op een algemene voorziening om zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo te verminderen of weg te nemen. Een algemene voorziening is een voorziening die de gemeente verstrekt aan een inwoner zonder dat de gemeente de individuele situatie van de inwoner uitgebreid onderzoekt. 3.9Een andere regeling of organisatie Om te beoordelen of een inwoner in aanmerking komt voor maatwerk ondersteuning, zal de gemeente bekijken of de inwoner een beroep kan doen op een andere regeling of bij een andere organisatie terecht kan om zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo te verminderen of weg te nemen. Een voorbeeld van een andere regeling is de Wet langdurige zorg (Wlz). De gemeente mag een voorziening weigeren als er reden is om aan te nemen dat iemand aanspraak kan maken op verblijf en daarmee samenhangende Wlz-zorg, maar niet mee wil werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). 3.10Beoordelen van het recht op maatwerk ondersteuning De gemeente verstrekt alleen maatwerk ondersteuning als een inwoner beperkingen heeft zoals bedoeld in de Wmo en de inwoner deze beperkingen niet zelf door eigen kracht, met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke of andere voorzieningen of met behulp van hulp uit zijn sociale netwerk kan verminderen of wegnemen. De verstrekking van een ondersteuning is dus aanvullend op datgene dat een inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke of andere voorzieningen of met behulp van hulp uit zijn sociale netwerk kan doen. Daarmee is de rol van de gemeente altijd aanvullend op wat iemand zelf (nog) kan doen, al dan niet met behulp van zijn omgeving en is de eigen verantwoordelijkheid een belangrijk thema in de Wmo. Maatschappelijke ondersteuning kan dan ook een op de individu van de inwoner afgestemd geheel van ondersteuningsvormen zijn. Het gaat daarbij dan dus om een aantal op elkaar afgestemde ondersteuningsvormen, die samen zorgen voor het resultaat dat de ondersteuning op moet leveren. 3.11Advies De gemeente beoordeelt of het zelf over voldoende deskundigheid beschikt om de aanspraak voor maatwerk ondersteuning te kunnen beoordelen. Is de gemeente van mening dat zij zelf niet voldoende deskundig is, dan kan de gemeente advies vragen aan een deskundige. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een medisch advies. 3.12Specifieke criteria voor ondersteuning in de vorm van maatwerk ondersteuning De maatwerk ondersteuning die de gemeente verstrekt, voldoet aan een aantal criteria. Deze criteria zijn hieronder nader toegelicht. 3.12.1 Goedkoopst compenserend De gemeente verstrekt alleen de goedkoopst compenserende vorm van ondersteuning. Het woord ‘compenserende’ wil zeggen dat het moet gaan om ondersteuning die volgens objectieve maatstaven verantwoord, toereikend en nodig is. Dit houdt in dat de ondersteuning van voldoende kwaliteit moet zijn en dat de ondersteuning passend moet zijn voor de inwoner. De ondersteuning moet de beperkingen van de inwoner voldoende oplossen. Ook moet de ondersteuning nodig zijn. Alleen het wenselijk zijn van ondersteuning of het veel baat hebben bij ondersteuning is niet voldoende. De gemeente bepaalt (eventueel met behulp van een medisch advies) welke vorm van ondersteuning er in een bepaalde situatie compenserend (en dus ook nodig) is. De gemeente gaat bij de verstrekking van maatwerk ondersteuning uit van de goedkoopste vorm van ondersteuning die compenserend is. Hierbij kan ook gekeken worden naar de kosten van de ondersteuning op de langere termijn. 3.12.2 Langdurig noodzakelijk De gemeente verstrekt in principe alleen maatschappelijke ondersteuning als deze langdurig noodzakelijk is. Langdurig noodzakelijk betekent dat de ondersteuning niet voor een korte periode, maar een langere periode nodig is. De gemeente gaat ervan uit dat de ondersteuning ongeveer 6 maanden of langer nodig is. Deze termijn is afgestemd op de termijn waarop een inwoner voor een korte tijd een hulpmiddel kan lenen op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Op basis van de Zvw kan een inwoner maximaal 6 maanden een hulpmiddel lenen uit het hulpmiddelendepot. Soms kan de gemeente besluiten niet vast te houden aan het criterium dat een voorziening 6 maanden nodig moet zijn. Bij een inwoner die terminaal ziek is en een levensverwachting heeft van minder dan 6 maanden kan langdurig noodzakelijk bijvoorbeeld ook een periode korter dan 6 maanden zijn. Ook bij hulp bij het huishouden kan voor een kortere periode hulp worden ingezet. Zie meer hierover in hoofdstuk 7. 3.12.3 Niet algemeen gebruikelijk De gemeente verstrekt alleen maatwerk ondersteuning in de vorm van een voorziening als de voorziening voor de inwoner niet algemeen gebruikelijk is. Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen die iedereen in principe zelf moet betalen. Het verstrekken van deze voorzieningen aan mensen met een beperking op grond van de Wmo is dan niet redelijk en komt niet overeen met het doel van de wet. De gemeente hanteert geen standaardlijst met algemeen gebruikelijke voorzieningen. Om te beoordelen of de voorziening voor een inwoner algemeen gebruikelijk is, onderzoekt de gemeente altijd de persoonlijke situatie van de inwoner. Er zijn voorzieningen die, na een onderzoek, vaak als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Voorbeelden hiervan zijn: een hendel mengkraan, een tandem of een douchestoel. Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is of niet, dient de voorziening te voldoen aan de volgende criteria: De voorziening is niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking; De voorziening is daadwerkelijk beschikbaar; De voorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de client tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; De voorziening kan financieel gedragen worden met een inkomen op minimumniveau. Het toepassen van het criterium ‘algemeen gebruikelijk’ kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging/renovering van zaken. Immers, algemeen gebruikelijke voorzieningen worden door mensen met en zonder beperkingen vervangen als zij zijn afgeschreven. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Kampen staan de afschrijvingstermijnen van voorzieningen. 3.12.4 De voorziening is nog niet eerder verstrekt of nog niet afgeschreven De gemeente verstrekt geen ondersteuning in de vorm van een voorziening als de voorziening al eerder is verstrekt op grond van een wettelijke regeling en de afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte voorziening niet meer passend is (en dus niet meer compenserend). Of als de voorziening verloren is gegaan of schade heeft opgelopen als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner toe te rekenen zijn, of als de inwoner de gemeente (gedeeltelijk) tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder kan bijvoorbeeld worden verstaan dat de inwoner een beroep kan doen op een verzekering, zoals bijvoorbeeld een opstalverzekering. Ook kan het redelijk zijn dat de gemeente eist dat de inwoner, als iemand anders de schade heeft veroorzaakt, de schadeveroorzaker aansprakelijk stelt. Als een inwoner door onzorgvuldig gebruik of misbruik meer reparaties dan gebruikelijk nodig heeft voor bijvoorbeeld een scootmobiel, dan schendt de gebruiker de verplichtingen die verbonden zijn aan de verstrekte voorziening. Het spreekt voor zich dat de schade of kosten voor reparatie die rechtstreeks de schuld zijn van de inwoner niet wordt vergoed door de Wmo 2015. De inwoner zal deze kosten in principe zelf moeten betalen. De gemeente kan de leverancier van een voorziening vragen of de schade is veroorzaakt door onzorgvuldig gebruik. De gemeente verstrekt geen nieuwe voorziening als de gemeente al eerder een voorziening heeft verstrekt die al wel afgeschreven is, maar nog steeds passend is en in goede staat is. De voorziening is dan nog steeds compenserend. 3.12.5 De voorziening is nog niet door de inwoner gerealiseerd In de Verordening sociaal domein staat dat de gemeente in principe alleen ondersteuning in de vorm van een voorziening verstrekt als de voorziening nog niet gerealiseerd of aangeschaft is voordat de gemeente een besluit genomen heeft. Is de voorziening al wel voor dit moment gerealiseerd, dan ervaart de inwoner geen beperkingen meer op het moment van besluiten en hoeft er daarom geen voorziening verstrekt te worden. Ook kan de gemeente dan niet meer vaststellen of er überhaupt een noodzaak tot verstrekking van de voorziening was en wat de goedkoopst compenserende oplossing was geweest. Dat de inwoner de regels niet goed kende en daarom de voorziening alvast gerealiseerd heeft, kan niet als excuus gebruikt worden. Een uitzondering op deze regel geldt als de voorziening is gerealiseerd voor de melding en/of de aanvraag, maar de gemeente nog wel de noodzaak kan vaststellen. De gemeente kan dan alsnog overgaan tot het verstrekken van de goedkoopst compenserende voorziening. 3.12.6 De voorziening is grotendeels op de inwoner gericht die ondersteuning nodig heeft De gemeente verstrekt een voorziening aan de inwoner om zijn beperkingen te compenseren. De voorziening moet dus bedoeld zijn voor één inwoner. Bij de beoordeling of een voorziening compenserend is, houdt de gemeente wel rekening met de gezinssituatie van de inwoner. De gezinssituatie van de inwoner behoort namelijk tot de individuele omstandigheden van de inwoner die meegewogen worden bij de beoordeling van de aanvraag. 3.12.7 De voorziening heeft niet alleen een therapeutisch doel De gemeente verstrekt alleen een voorziening als deze niet alleen een therapeutisch doel heeft. De gemeente verstrekt dus geen voorziening als de voorziening alleen bedoeld is om de inwoner meer te laten bewegen vanwege gezondheidsredenen. 3.12.8 Ondersteuning/voorziening in voorzienbare situaties De gemeente verstrekt alleen ondersteuning om de beperkingen van een inwoner te verminderen of weg te nemen als het niet al te voorzien was dat de ondersteuning verstrekt moest gaan worden. Deze voorzienbaarheid heeft vooral betrekking op de beperkingen van een inwoner. Als iemand met een beperking waardoor hij geen trappen kan lopen bijvoorbeeld verhuist naar een huis met veel trappen, dan verstrekt de gemeente geen voorziening om deze beperking te verminderen. De inwoner heeft in dat geval namelijk een eigen verantwoordelijkheid om in een voor hem toegankelijke woning te gaan wonen. De inwoner moet rekening houden met zijn beperkingen of met de ontwikkeling van zijn al aanwezige beperkingen. Deze voorzienbaarheid strekt niet zover dat een inwoner alvast rekening moet houden met het ouder worden en mogelijk nog te ontwikkelen daarbij behorende beperkingen. Hoofdstuk4Meedoen aan de samenleving In paragraaf 3.7 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen zijn bepalingen opgenomen over ondersteuning aan inwoners die moeite hebben met het zich verplaatsen in en om de woning en dichtbij huis. 4.1Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer De gemeente zorgt ervoor dat inwoners met een beperking kunnen participeren in de samenleving. Dit heeft als doel dat een inwoner, ondanks zijn beperkingen, in redelijke mate zelfstandig kan wonen, zich kan verplaatsen, sociale contacten kan onderhouden en kan deelnemen aan maatschappelijke activiteiten, waarbij hij niet volledig afhankelijk is van anderen en een leefniveau bereikt dat vergelijkbaar is met wat in de samenleving als normaal wordt beschouwd. 4.2Vervoersbehoefte Om te bepalen welke vorm van maatschappelijke ondersteuning nodig is, stelt de gemeente de vervoersbehoefte van de inwoner vast. Hierbij bekijkt de gemeente de individuele situatie van de inwoner en zijn behoeften, voorkeuren en persoonskenmerken. De gemeente kijkt hierbij naar de beperkingen van de inwoner, maar bijvoorbeeld ook naar waar de inwoner naar toe wil gaan en waarom de inwoner hier naartoe wil gaan. Daarnaast wordt ook gekeken naar zaken als de leeftijd van de inwoner en de daarbij passende behoeften, de gezinssamenstelling van de inwoner en bijvoorbeeld de aanwezigheid van jonge kinderen. Om de vervoersbehoefte van een inwoner te bepalen gaat het er niet om hoe vaak een inwoner een bestemming wil bereiken. Het gaat hierbij om hoe vaak de inwoner dat zou moeten kunnen om voldoende te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. 4.3Een vervoersvoorziening De gemeente kan ondersteuning verstrekken in de vorm van een vervoersvoorziening. De inwoner komt hiervoor in aanmerking als de inwoner: een beperking heeft zoals bedoeld in de Wmo niet voldoende kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer door de beperking niet op eigen kracht, of met behulp van anderen (sociaal netwerk) en (algemeen gebruikelijke) voorzieningen kan verminderen of wegnemen. Zie hiervoor ook hoofdstuk 3 van deze beleidsregels over de beoordeling van een aanvraag voor ondersteuning. 4.3.1 Beroep op een andere regeling De gemeente hoeft geen ondersteuning te verstrekken als de inwoner zijn beperkingen voldoende kan verminderen of wegnemen door een beroep op een andere regeling te doen. Voorbeelden van andere regelingen zijn: de Zorgverzekeringswet (Zvw); voor zittend ziekenvervoer bij nierdialyses, chemotherapie / radiotherapie; permanente rolstoelafhankelijkheid; en een zodanig beperkt gezichtsvermogen dat zonder begeleiding verplaatsen niet mogelijk is. het leerlingenvervoer; de Jeugdwet, voor ondersteuning en zorg die valt onder jeugdhulp; het openbaar vervoer; voorliggende voorziening. 4.4Collectief vervoer Een vorm van maatschappelijke ondersteuning voor vervoer is de mogelijkheid van de inwoner om gebruik te maken van het collectief vervoer. Uitgangspunt is dat het vraagafhankelijk vervoer geschikt is voor lokale/regionale verplaatsingen. Het collectief vervoer wordt vaak ingezet voor verplaatsingen naar bestemmingen waar afspraken over gemaakt kunnen worden met anderen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan sociale contacten, maar ook aan een ziekenhuisbezoek. In de meeste gevallen zal het collectief vervoer de goedkoopst compenserende voorziening zijn. Hierdoor wordt vaak, als het collectief vervoer passend is voor de inwoner, voorrang gegeven aan het gebruik van deze voorziening boven andere voorzieningen. Een eventuele wachttijd voor het brengen en ophalen met het collectief vervoer is niet een reden om het collectief vervoer als niet passend te zien voor een inwoner. Ook het niet samen kunnen reizen met het gezin hoeft niet te betekenen dat het collectief vervoer niet passend is als een gezamenlijke bestemming nog wel bereikt kan worden. De gemeente stelt de inwoner in staat zich binnen een straal van 25 km van het woonadres te verplaatsen tot 1500 km per jaar. Voor bovenregionale verplaatsingen kan een inwoner een beroep doen op Valys. Een inwoner betaalt, per rit, aan de aanbieder een reizigersbijdrage. De tarieven voor de reizigersbijdrage staan vermeld op de gemeentelijke website. 4.5Een auto-aanpassing De gemeente is van mening dat de goedkoopst compenserende vervoersvoorziening in vrijwel alle gevallen het vraagafhankelijk collectieve vervoer is. Echter, omdat de gemeente het belangrijk vindt dat kinderen tot 18 jaar mee kunnen reizen met hun gezin, kan de gemeente, als dit nodig is voor het kind, aan gezinnen met een kind dat nog geen 18 jaar is en een beperking heeft waardoor het zich niet kan verplaatsen in de eigen leefomgeving, een auto-aanpassing verstrekken. Een auto-aanpassing wordt aangebracht op een door de inwoner zelf aangeschafte auto. Hierbij wordt wel ook gekeken naar de technische staat van de auto is en hoe oud de auto is. Is een auto ouder dan 7 jaar, dan verstrekt de gemeente geen auto-aanpassing meer. De auto-aanpassing kan bestaan uit: Oprijgoten of een oprijplateau voor de rolstoel van het kind; Een rolstoelvergrendeling; Een vloeraanpassing in verband met de vergrendeling van de rolstoel; Een RDW-keuring; Een plateaulift. Deze wordt pas verstrekt nadat uit een extern advies is gebleken dat de specifieke aanpassing aan de personenbus noodzakelijk is om het kind te vervoeren. Een auto-aanpassing wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Zie voor de hoogte van deze tegemoetkoming het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen. 4.6Vergoeding voor gebruikskosten eigen auto of individuele (rolstoel)taxi De gemeente kan, als dat nodig is voor de inwoner, een vergoeding verstrekken voor de gebruikskosten van een eigen auto of individuele (rolstoel)taxi. De vergoeding wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Zie voor de hoogte van deze tegemoetkoming het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Kampen. 4.7Scootmobiel De gemeente kan de inwoner ondersteuning (een vervoersvoorziening) in de vorm van een scootmobiel verstrekken als dit de goedkoopst compenserende oplossing is voor de beperkingen van de inwoner en als er een stalling aanwezig is of kan worden gemaakt. Een scootmobiel kan worden geïndiceerd als een inwoner een substantiële vervoersbehoefte in de directe omgeving heeft. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als een inwoner met een scootmobiel zelf kan winkelen, familie kan bezoeken en andere vormen van vrijetijdsbesteding heeft. Om te bepalen of een scootmobiel passend is voor een inwoner kunnen een aantal rijvaardigheidslessen worden geïndiceerd. Hierna kan eventueel nog eerstelijnszorg worden ingezet om rijvaardigheid aan te leren. Als na een aantal lessen en eventuele eerstelijnszorg de rijvaardigheid onvoldoende is om de scootmobiel te bedienen of ermee in het verkeer te begeven, dan maakt de gemeente de afweging of een scootmobiel wel een verantwoorde passende voorziening is voor de inwoner. Hoofdstuk5Wonen In paragraaf 5.1 en 5.2 van de Verordening sociaal domein gemeente Kampen zijn bepalingen opgenomen over wanneer de inwoner in aanmerking kan komen voor een woningaanpassing. Deze regels worden in dit hoofdstuk nader toegelicht. 5.1Inleiding Een inwoner met een beperking en/of psychische en/of psychosociale problemen heeft soms ondersteuning nodig om zo lang en zo zelfstandig mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. Ook minderjarigen en mensen met een Wlz indicatie die thuis wonen, kunnen deze problemen hebben. De gemeente heeft de taak om deze inwoners te helpen als zij niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor problemen bij het normale gebruik van hun woning. Onder het normale gebruik van de woning wordt verstaan dat de inwoner gebruik kan maken van elementaire woonfuncties van zijn woning. Voorbeelden van elementaire woonfuncties zijn: Wonen, douchen en slapen; De veiligheid in en rond de woning en de toegankelijkheid van de woning; Het gebruik maken van de keuken; Het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een baby die helemaal van de verzorging van de inwoner afhankelijk is; Het doen van de huishoudelijke werkzaamheden, zoals wassen en strijken van kleding; Slapen en eten; De kinderen moeten zonder gevaar in de woonruimte kunnen spelen. 5.2Een woningaanpassing Als een inwoner niet met behulp van eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, andere regelingen of hulp uit zijn sociale netwerk zijn beperkingen in het normale gebruik van de woning voldoende kan verminderen of oplossen, kan de gemeente maatschappelijke ondersteuning in de vorm van een woningaanpassing verstrekken. De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de in redelijkheid te verwachten ontwikkelingen. Het maakt geen verschil of het gaat om een huurwoning of om een koopwoning. 5.3Criteria om in aanmerking te komen voor een woningaanpassing Om in aanmerking te komen voor maatschappelijke ondersteuning in de vorm van een woningaanpassing moet de inwoner behalve aan de algemene criteria voor ondersteuning (zie hoofdstuk 3) ook aan een aantal specifieke criteria voldoen. Het gaat hierbij om de volgende criteria: de woningaanpassing moet een gevolg zijn van de beperking van de inwoner. Er moet een causaal verband zijn tussen de beperkingen van een inwoner en het niet normaal kunnen gebruiken van zijn woning; de inwoner moet zijn hoofdverblijf in de aan te passen woning hebben. De inwoner moet wonen in de woning die hij wil laten aanpassen en hij moet hier zijn hoofdverblijf hebben; 5.4Weigeringsgronden voor een woningaanpassing De gemeente verstrekt geen maatschappelijke ondersteuning in de vorm van een woningaanpassing in een aantal situaties. Deze weigeringsgronden worden hierna beschreven: De beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt; De gemeente hoeft de kosten van een woningaanpassing niet te betalen als de beperkingen van de inwoner worden veroorzaakt door de aard van het materiaal in de woning. De woningaanpassing is nodig vanwege achterstallig onderhoud; De gemeente hoeft geen woningaanpassing te verstrekken als de problemen van de inwoner worden veroorzaakt door achterstallig onderhoud of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de wettelijke eisen, tenzij: De inwoner goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te laten wegnemen; en Er vanwege de gezondheidstoestand van de inwoner er binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht is op het wegnemen van de beperkingen. Als uit medisch onderzoekt blijkt dat er sprake is van onverwacht optredende meerkosten waarvoor een inwoner niet heeft kunnen sparen kan de gemeente wel een woningaanpassing verstrekken. De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een woonwagen, een klooster, een vakantiewoning of een onzelfstandige woning waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen; De gemeente verstrekt geen woningaanpassing voor dit soort woningen. De inwoner vraagt om een woningaanpassing terwijl hij in een nieuwbouwwoning of gerenoveerde woning woont en de woningaanpassing zonder veel meerkosten aangebracht had kunnen worden; De inwoner is verhuisd vanuit een woonruimte die niet bestemd is om het hele jaar te bewonen; De inwoner is verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning; Als een inwoner verhuist vanuit een woning die geschikt was naar een woning die niet geschikt is, hoeft de gemeente geen woningaanpassing te verstrekken. Dit is anders als er een belangrijke reden was voor de verhuizing, zoals bijvoorbeeld het aanvaarden van een nieuwe baan in een andere gemeente, een echtscheiding of een huwelijk. Om te bepalen of de vorige woning geschikt was doet de gemeente onderzoek naar de geschiktheid van de vorige woning. Als een inwoner verhuist vanwege een ‘normale wooncarrière’, bijvoorbeeld vanwege gezinsuitbreiding of omdat het huis juist te groot wordt zoals bij oudere mensen, kan mogelijk wel een woningaanpassing worden verstrekt. Wel moet dan verhuisd worden naar de meest geschikte woning. Er kan natuurlijk wel een andere weigeringsgrond van toepassing zijn. Ook als een inwoner verhuist naar een niet-adequate woning, maar als de gemeente toestemming heeft gegeven voor de verhuizing, dan verstrekt de gemeente ondersteuning in de vorm van een woningaanpassing. Voordat een inwoner gaat verhuizen, mag van hem verwacht worden dat hij eerst contact opneemt met de gemeente. De inwoner verhuist naar een Wlz -instelling; De inwoner kan in dit geval geen woningaanpassing in de vorm van een verhuiskostenvergoeding ontvangen. De Wlz is immers een andere regeling waar de inwoner een beroep op kan doen waardoor de inwoner de gemeente geen ondersteuning in de vorm van een woningaanpassing op grond van de Wmo 2015 meer verstrekt. De woningaanpassing is algemeen gebruikelijk; De gemeente verstrekt in principe geen woningaanpassing als deze naar zijn aard algemeen gebruikelijk is. Zaken die vaak als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt zijn bijvoorbeeld een aanrechtblad, hendel mengkranen, keukenapparatuur en een stofzuiger met een HEPA-filter. De gemeente bekijkt altijd of deze zaken in het individuele geval van de inwoner ook algemeen gebruikelijk zijn. De woningaanpassing is bedoeld voor een woning in een gebouw dat specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte. Deze weigeringsgrond kan bijvoorbeeld van toepassing zijn op een gebouw dat bedoeld is voor ouderen. Voorzieningen die speciaal bedoeld zijn voor ouderen worden dan geacht aanwezig te zijn in zo’n gebouw. Die voorziening wordt dan als algemeen gebruikelijk beschouwd. Het gaat hier om gebouwen die specifiek bedoeld zijn voor een bepaalde groep mensen. Als er toevallig veel mensen in een gebouw wonen die tot een bepaalde groep behoren, hoeft dit niet te betekenen dat het een gebouw is dat speciaal gericht is op die bepaalde groep mensen. 5.5Het primaat van verhuizen De gemeente verstrekt bij maatschappelijke ondersteuning die nodig is in het kader van de Wmo altijd de goedkoopst compenserende voorziening. In het geval van een woningaanpassing kan dit ook een verhuiskostenvergoeding in het kader van het primaat van verhuizen zijn. Het primaat van verhuizen houdt in dat de gemeente een inwoner vraagt te verhuizen naar een geschikte woning in plaats van de huidige woning aan te passen. Als de gemeente het primaat van verhuizen toepast, ontvangt de inwoner eenmalig een vast geldbedrag, een verhuiskostenvergoeding, bedoeld voor de kosten van verhuizing en inrichting. De huidige woning van de inwoner wordt dan niet aangepast. 5.5.1 Criterium primaat van verhuizen Het primaat van verhuizen kan pas worden toegepast als de totale kosten van de benodigde woningaanpassing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.