← Nederland

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2020 (Mook en Middelaar)

In het kort

Deze verordening regelt de maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp in de gemeente Mook en Middelaar, met als doel burgers zo lang mogelijk zelfredzaam te laten zijn en in hun eigen leefomgeving te laten wonen. Het beschrijft hoe hulpvragen worden behandeld en welke ondersteuning de gemeente kan bieden.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2020 De raad van de gemeente Mook en Middelaar; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 september 2019; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 van de Jeugdwet; gezien het advies van de Commissie Samenleving en de Adviesraad Sociaal Domein; overwegende dat: - burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; - van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; - de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; - het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; - het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp; - het wenselijk is de regels op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen en in één verordening onder te brengen; besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2020 Artikel1.Begripsbepalingen a.Aanvraag: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen (artikel 1:3 van de Awb); b.Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een overige voorziening; c.Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken; d.Andere voorziening: voorziening op het gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; e.Beschikking: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van de aanvraag daarvan (artikel 1:3 van de Awb); f.Bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo 2015; g.Cliënt: persoon die op grond van Jeugdwet of Wmo 2015 gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een jeugdige en zijn ouders; h.Gebruikelijke hulp in relatie tot jeugdhulp: de dagelijkse verzorging en/of opvoeding die (pleeg)ouders/wettelijk vertegenwoordigers aan kinderen geacht worden te bieden; i.Gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 5; j.Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en/of jeugdhulp; k.Ingezetene: cliënt die in het kader van maatschappelijke ondersteuning woonachtig is in de gemeente Mook en Middelaar. Voor cliënten in het kader van de Jeugdwet is de term ‘ingezetene’ niet relevant omdat daar gekeken wordt naar het woonplaatsbeginsel; l.Maatwerkvoorziening: op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de cliënt afgestemde maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als individuele voorziening; m.Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; n.Melding: het kenbaar maken van de hulpvraag door of namens de cliënt; o.Persoonlijk plan: plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid; p.Pgb: persoonsgebonden budget, zijnde een door het college verstrekt budget aan een cliënt, dat de cliënt in staat stelt de maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp die tot de maatwerkvoorziening behoort, van derden te betrekken; q.Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; r.Verslag: schriftelijke weergave van het onderzoek en een advies aan het college over het treffen van een voorziening; s.Voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven. Artikel2.Melding hulpvraag 1.Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college of een andere daartoe door het college aangewezen organisatie, verder te noemen de andere organisatie, worden gemeld. Als de cliënt daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. 2.Het college of de andere organisatie bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk. 3.Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de melding, een onderzoek uit overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6, tenzij met de cliënt een andere termijn is afgesproken. 4.In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of artikel 2.6 van de Jeugdwet verstrekt het college of de andere organisatie na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp aan de rechter. 5.Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de hulpvraag ook worden gemeld bij de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, die elk kunnen verwijzen naar gecontracteerde jeugdhulp. De gecontracteerde jeugdhulpaanbieder beoordeelt welke maatwerkvoorziening nodig is. 6.Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. Artikel3.Cliëntondersteuning 1.Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is, conform artikel 2.3.2 lid 2 Wmo. 2.Het college zorgt ervoor dat de jeugdige, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon als bedoeld in de Jeugdwet. 3.Het college of de andere organisatie wijst de cliënt en mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning of, indien van toepassing, een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel4.Vooronderzoek 1.Het college of de andere organisatie verzamelt enkel de voor het onderzoek noodzakelijk zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2.Voor het gesprek verschaft de cliënt het college of de andere organisatie alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college of andere organisatie voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt op verzoek van het college of de andere organisatie een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3.Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college of de andere organisatie in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4.Het college of de andere organisatie brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om binnen zeven dagen na de melding schriftelijk de hulpvraag te beschrijven in een persoonlijk plan of een familieplan en aan te geven welke mogelijke oplossingen volgens hem nodig zijn. Artikel5.Gesprek 1.Het college voert een onderzoek uit naar aanleiding van de melding. Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek, tenzij sprake is van de situatie bedoeld in het vijfde lid. 2.Het college of de andere organisatie informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 3.Het college of de andere organisatie onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de cliënt, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a.de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt en in het geval van een jeugdige zijn ouders; b.het gewenste resultaat van de hulpvraag; c.de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d.de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e.de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f.de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g.de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h.de mogelijkheden om met een maatwerkvoorziening een oplossing voor de hulpvraag te vinden; i.welke bijdrage in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, verschuldigd zal zijn; j.de mogelijkheid een pgb te verstrekken als de cliënt dit wenst, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die mogelijke keuze; k.de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt of, in het geval van een jeugdige, de jeugdige en zijn ouders. 4.Als de cliënt het persoonlijk plan of familieplan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college of de andere organisatie heeft verstrekt, betrekt het college of de andere organisatie dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 5.Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college of de andere organisatie in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel6.Verslag 1.Het college of de andere organisatie zorgt voor een schriftelijk verslag van het onderzoek en de uitkomsten daarvan. 2.Na het gesprek verstrekt het college of de andere organisatie het schriftelijk verslag zo spoedig mogelijk aan de cliënt. 3.Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het schriftelijk verslag toegevoegd en maken daar deel van uit. Artikel7.Aanvraag 1.Een cliënt, zijn gemachtigde of zijn vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college, dit kan ook elektronisch. 2.Het college kan een ondertekend verslag als bedoeld in artikel 6 lid 1 als aanvraag aanmerken als de cliënt dat in het verslag heeft aangegeven. 3.Een aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt niet ingediend voordat een gesprek als bedoeld in artikel 5 heeft plaatsgevonden, tenzij het college toepassing heeft gegeven aan artikel 5, vijfde lid. 4.Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag om een maatwerkvoorziening geeft het college een beschikking af, tenzij met de betreffende cliënt een andere termijn is afgesproken. 5.Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op een aanvraag van gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader. Artikel8.Criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen - op eigen kracht; - met gebruikelijke hulp; - met mantelzorg; - met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; - met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of - met algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen - op eigen kracht; - met gebruikelijke hulp; - met mantelzorg; - met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; - met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder ondersteuning vanuit de Jeugdwet nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Om tot dit oordeel te komen verkent het college samen met de jeugdige of de ouder in ieder geval in welke mate de ondersteuningsvraag opgelost kan worden: - op eigen kracht of met zijn ouders; - met gebruikelijke hulp; - met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; - met gebruikmaking van algemene voorzieningen; - met gebruikmaking van andere voorzieningen. De maatwerkvoorziening stelt de jeugdige of de ouder in staat, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: - gezond en veilig op te groeien; - te groeien naar zelfstandigheid, en - voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. indien er sprake is van een verwijzing zoals bedoeld in artikel 2, lid 5 van deze verordening, en de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 3.Voor de maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt bovendien dat: de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs onvermijdbaar moet zijn geweest; deze voorziening langdurig noodzakelijk dient te zijn, met uitzondering van kortdurende hulp bij het huishouden; in het geval de voorziening voorzienbaar was, vast komt te staan dat van de cliënt redelijkerwijs niet kon worden verwacht, dat de cliënt maatregelen had getroffen die de hulpvraag overbodig maakte; deze naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening moet kunnen worden aangemerkt. 4.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze maatwerkvoorziening slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of als de eerder verstrekte voorziening niet langer compensatie biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. Artikel9.Afwijzingsgronden 1.Er wordt in ieder geval geen maatwerkvoorziening verstrekt: voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen, of in zijn behoefte aan jeugdhulp kan voorzien; voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan verminderen of wegnemen, of in zijn behoefte aan jeugdhulp kan voorzien; als de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; als cliënt voor de Wmo 2015 geen ingezetene is van de gemeente Mook en Middelaar, met uitzondering van beschermd wonen1 en opvang, of volgens het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Mook en Middelaar valt; 1 Tijdelijk verblijf LVB valt niet onder beschermd wonen. Voor deze voorziening is het ingezetenencriterium dus onverkort van toepassing. als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van de beschikking heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; als de cliënt die maatschappelijke ondersteuning vraagt onvoldoende of geen eigen verantwoordelijkheid heeft getoond; voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie; voor zover de voorziening naar objectieve maatstaven niet als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt; voor zover de voorziening niet in overwegende mate op het individu is gericht. 2.Voor alle woonvoorzieningen geldt bovendien dat er in ieder geval geen woonvoorziening wordt verstrekt: in het geval de beperkingen bij het normaal gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; ten behoeve van specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden; als de cliënt niet verhuisd is naar de woning die op dat moment voor zijn of haar beperkingen het meest geschikte is, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. 3.Voor beschermd wonen geldt dat er in ieder geval geen toegang is tot deze voorziening als de cliënt uitsluitend (feitelijk) dakloos is of slachtoffer is van huiselijk geweld. 4.Voor opvang geldt dat de toegang in ieder geval kan worden geweigerd wanneer: een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels; een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt; een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject; er sprake is van een tegenstellende indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is; een cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling; de eigen bijdrage (na veelvuldige waarschuwingen) niet betaald wordt; er in het geval van vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie. 5.Er wordt in ieder geval geen pgb verstrekt als niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in de artikelen 11 t/m 13. 6.Het bieden van geïndiceerde ondersteuning mag niet afhankelijk zijn van de woonruimte die door de organisatie of een derde geboden wordt. Als het verblijf onderdeel is van de indicatie, dan geldt hiervoor een uitzondering. Artikel10.Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven: a.wat de te verstrekken voorziening is; b.of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt; c.wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; d.de eventuele bijdrage in de kosten; e.de aan de (eventuele) toekenning verbonden verplichtingen; f.indien van toepassing: welke externe adviseur advies heeft uitgebracht, conform artikel 3:8 van de Algemene wet bestuursrecht; g.indien van toepassing: verwijzing naar het externe advies bij wijze van motivering van de beschikking, conform artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht; h.hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.In aanvulling op lid 1 wordt bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a.welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; b.welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; c.de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; d.de te betalen geldsom, conform artikel 4:86 lid 2 onderdeel a van de Algemene wet bestuursrecht; e.de termijn waarbinnen de betaling plaats vindt, conform artikel 4:86 lid 2 onder b van de Algemene wet bestuursrecht. 3.In aanvulling op lid 1wordt bij een beschikking tot beëindiging, intrekking of herziening in ieder geval vastgelegd: a.de gronden voor beëindiging, intrekking of herziening van de voorziening; b.de tussen de cliënt en het college resterende verplichtingen en de afwikkeling daarvan. 4.In aanvulling op lid 1 wordt bij een beschikking tot terugvordering in ieder geval vastgelegd: a.de terug te vorderen geldsom, conform artikel 4:86 lid 2 onderdeel a van de Algemene wet bestuursrecht; b.de gronden voor terugvordering; c.de hoogte en duur van de aflossings- en betalingstermijnen, conform artikel 4:86 lid 2 onderdeel a van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel11.Algemene regels voor pgb 1.Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning. 2.Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning en onverminderd artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en waarvan niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3.De cliënt die een pgb wenst motiveert schriftelijk in een plan: waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen terzake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel met een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; waarom hij de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 als een pgb wenst geleverd te krijgen of waarom hij een maatwerkvoorziening in het kader van de Jeugdwet in natura niet passend acht; hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van belang dat wanneer degene die de diensten verleent in contact kan komen met personen die jonger zijn dan achttien jaar, voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste en tweede graad en degenen die incidentele ondersteuning bieden. 4.Het pgb kan worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparatie en verzekering van een hulpmiddel voor zover onderhoud en verzekering door het college wordt verlangd en het geen onderdeel is van het pgb. 5.De hoogte van een pgb: wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan waarin in ieder geval uiteen is gezet: - welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren de cliënt van het budget wil betrekken, en - indien van toepassing, welke hiervan de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, en - over hoe cliënt het pgb gaat besteden. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura; wordt berekend op basis van een prijs of tarief: - waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede jeugdhulp, diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken; - waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de cliënt diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil betrekken; - waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het derde lid gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de cliënt de mogelijkheid heeft om de betreffende diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk - en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; voor beschermd wonen omvat mede het schoonmaken van appartement of kamer en gemeenschappelijke ruimten. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: een materiële voorziening: op basis van de kostprijs van de voorziening die de cliënt zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten; huishoudelijke hulp: - huishoudelijke hulp 1 en 2 door een daartoe opgeleid persoon in dienst bij een zorgaanbieder: op basis van 80% van het laagste toepasselijke tarief per uur dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; - huishoudelijke hulp 1 en 2 door een persoon uit het sociaal netwerk: op basis van het in tweede lid van artikel 5.22 van de Regeling langdurige zorg genoemde gangbare tarief voor een persoon uit het sociale netwerk; - indien het tarief voor ‘huishoudelijke hulp door een persoon uit het sociaal netwerk’ hoger ligt dan het tarief voor ‘huishoudelijke hulp door een daartoe opgeleid persoon in dienst bij een zorgaanbieder’ dan wordt voor het eerstgenoemde het tarief van het laatstgenoemde gehanteerd. individuele begeleiding: - reguliere begeleiding uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon in dienst bij een zorgaanbieder: op basis van 80% van het laagste toepasselijke tarief per uur dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; - specialistische begeleiding uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon in het bezit van bijzondere deskundigheid in dienst bij een zorgaanbieder: op basis van 80% van het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; - reguliere en specialistische begeleiding uitgevoerd door een persoon uit het sociale netwerk: op basis van het in tweede lid van artikel 5.22 van de Regeling langdurige zorg genoemde gangbare tarief voor een persoon uit het sociale netwerk; groepsbegeleiding en dagbesteding: - dagbesteding met laag intensieve ondersteuning uitgevoerd door vrijwilligers met ondersteuning van een beroepskracht in dienst van een zorgaanbieder: op basis van 80% van het laagste toepasselijke tarief voor dergelijke begeleiding uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon dat zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; - gespecialiseerde dagbesteding met hoog intensieve ondersteuning uitgevoerd door een daartoe opgeleide persoon in dienst van een zorgaanbieder: op basis van 80% van het laagste toepasselijke tarief voor dergelijke begeleiding uitgevoerd door een daartoe opgeleid beroepskracht dat zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van 80% van het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van de dichtst bij de woning van de cliënt gelegen geschikte dagbestedingslocatie en rekening houdende met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer door de cliënt belemmeren; taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief met een verhoging in verband met de grotere afstand tot centrum Nijmegen; een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die blijken uit opgevraagde offertes; verhuishulp: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende verhuizer; aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen; het bezoekbaar maken van een woning: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aannemer en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer. Budgethouders mogen vanuit het budget de volgende uitgaven niet doen: kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; kosten voor bemiddeling; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb; huur eten en drinken 2; 2 7d en 7e gelden niet voor kortdurend verblijf en beschermd wonen bijdrage in de kosten; contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb en kosten voor het bestellen van informatiemateriaal; zorg en ondersteuning die onder een andere wet vallen dan de wet op grond waarvan het pgb is verstrekt; zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening en/of algemeen gebruikelijke voorziening vallen; ondersteuning bij inkopen buiten EU-landen. Indien de jeugdige niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, wordt hij niet in staat geacht de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt tenzij hier in de beschikking een andere termijn voor wordt vastgesteld. Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden; er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking. Het college stelt jaarlijks de tarievenlijst vast met inachtneming van hetgeen in deze verordening en de hierbij behorende bijlage is vastgesteld. Artikel12.Regels voor pgb’s die ingezet worden bij professionals 1.Dit artikel is van toepassing op persoonsgebonden budgetten die worden ingezet om een zorgaanbieder te financieren en een eventuele onderaannemer die onder de verantwoordelijkheid van een zorgaanbieder werkzaamheden verricht. 2.In het plan voor persoonsgebonden budget kunnen budgethouder en college afspreken binnen welke termijn de behaalde doelen en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet zoals in het plan voor persoonsgebonden budget is aangegeven. 3.Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, verplicht het college de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het plan voor persoonsgebonden budget ook aan te geven wat de behaalde doelen zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet. Ook bij maandbedragen moet de pgb-houder en de betrokken zorgverlener de geleverde zorg (kunnen) verantwoorden in uren en/of dagdelen. 4.De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. 5.De zorgaanbieder dient te voldoen aan de criteria zoals vastgelegd in bijlage 3. Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college en het college is van oordeel dat zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitstoets, worden gedurende 1 jaar (vanaf moment van constatering van niet voldoen) geen pgb’s toegekend waarbij de betreffende zorgaanbieder partij is. Als na afloop van dat jaar de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan, kan de zorgaanbieder een verzoek indienen bij het college om opnieuw te toetsen aan de kwaliteitseisen. 6.Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing geven, of de aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een pgb. Artikel13.Regels voor pgb sociaal netwerk 1.Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. 2.De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Het college kan bij nadere regeling nadere voorwaarden stellen aan de verstrekking van een pgb aan een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. 3.Bij de beoordeling of er sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling kan bieden en of bij wijze van uitzondering de inzet van het sociale netwerk met een pgb betaald kan worden, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol: - het type hulp dat wordt geleverd (pgb kan niet worden ingezet voor behandeling); - de frequentie van de hulp; - of het gaat om een tijdelijke hulpvraag of hulp over een lange periode; - de mate van verplichting (kan degene die de hulp levert een keer overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk?); - de nabijheid van ondersteuner; - of het pgb leidt tot een betere en effectievere ondersteuning die aantoonbaar doelmatig is; - als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben; - de persoon uit het netwerk moet aangegeven dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt. 4.In aanvulling op de wettelijke voorwaarden en weigeringsgronden, wordt een pgb voor hulp uit het sociale netwerk alleen verstrekt, als voldaan is aan de volgende voorwaarden: - deskundigheid/bekwaamheid: voor begeleiding, behandeling, jeugdhulp, dagbesteding, verblijf en beschermd wonen ggz (Wmo 2015 en Jeugdhulp) is deskundigheid/bekwaamheid van degene(

  1. n)uit het sociaal netwerk die het pgb uitvoert een voorwaarde. Bij hulp bij het huishouden is deskundigheid geen voorwaarde. De deskundigheid dient te worden aangetoond met een relevante opleiding en/of werkervaring; - kostenderving: een uitzondering voor pgb door sociaal netwerk is er als iemand er voor kiest om minder te gaan werken om (meer) mantelzorg te kunnen blijven bieden of op een andere wijze iets moet organiseren (bijv. oppas voor de andere kinderen) om intensieve mantelzorg te kunnen bieden. Bij schoolgaande kinderen met een beperking gaan we er van uit dat ouders met behulp van (passende) naschoolse opvang (reguliere kinderopvang al dan niet met aanvullende zorg of via specialistisch naschoolse opvang/dagbesteding voor kinderen) kunnen werken zoals andere ouders met kinderen in de schoolgaande leeftijd; - betere/efficiëntere ondersteuning: een reden voor inzet van een pgb binnen het sociaal netwerk kan ook zijn dat het sociale netwerk ondersteuning kan leveren die beter/efficiënter is dan ondersteuning door iemand buiten het netwerk. 5.De hoogte van een pgb dat ingezet wordt om zorg in te kopen bij iemand uit het sociaal netwerk is ten hoogte van de vastgestelde tarieven voor pgb’s in het sociaal netwerk. Artikel14.Regels voor pgb-beheer 1.Om in aanmerking te komen voor een pgb voor begeleiding, dagbesteding en beschermd wonen, moet de cliënt zelf in staat zijn om regie te voeren op de ingekochte ondersteuning. De pgb-beheerder kan de cliënt ondersteunen in het pgb-beheer, maar mag niet volledig in de plaats treden van de cliënt. De cliënt wordt geacht zelf de regie te voeren. Alleen als de pgb-beheerder ouder van de cliënt is of familie in de eerste graad of tweede graad, is het toegestaan dat diegene de regie overneemt. In alle andere gevallen geldt dat het college geen pgb toekent als de cliënt onvoldoende in staat is tot regievoering. 2.Pgb-beheer kan plaatsvinden door iemand die tot het sociaal netwerk behoort of door een professional. Een professional is een vertegenwoordiger die zijn diensten tegen marktconform tarief levert. Het college of de andere organisatie kan vragen om een bewijs van betaling. 3.De pgb-beheerder moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van zijn cliënt. 4.De pgb-beheerder stelt het belang van de cliënt centraal, er mag geen sprake zijn van belangenverstrengeling. De pgb-beheerder is in ieder geval niet tevens de zorgaanbieder/zorgverlener, diens vast/flexibel personeel, diens organisatie adviseur of op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon (de combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is gezien de belangenverstrengeling onwenselijk en niet toegestaan), met uitzondering van situaties waarin familieleden in de eerste of tweede graad (een deel van) de zorg verlenen. 5.De pgb-beheerder van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is ook integraal aanspreekpunt. 6.Een bewindvoerder kan als vertegenwoordiger optreden, mits uit het onderzoek blijkt dat hij ook over zorginhoudelijke kennis beschikt. 7.De pgb-beheerder heeft minimaal één keer per maand contact met de cliënt en zorgverlener. 8.De pgb-beheerder dient aan te geven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt. 9.Kosten voor pgb-beheer en vertegenwoordiging mogen niet worden voldaan uit het persoonsgebonden budget. Artikel15.Controle 1.Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. 2.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding. Artikel16.Bijdrage in de kosten (Wmo 2015) 1.Een cliënt is in het kader van de Wmo 2015, artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, een bijdrage in de kosten verschuldigd: voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning, als hiervoor een bijdrage wordt gevraagd; voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een pgb, tenzij de specifieke voorziening is uitgezonderd. 2.De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 3.De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: door een aanbesteding; na een consultatie in de markt, of in overleg met de aanbieder. 4.De kostprijs van een pgb is gelijk aan de hoogte van het aan een cliënt uitgekeerde bedrag. 5.In de financiële bijlage (bijlage 2) wordt de omvang van de bijdrage in de kosten bepaald met inachtneming van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 6.Het college kan de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang mandateren aan de aanbieder die de opvang verzorgt. 7.Als een maatwerkvoorziening in natura of een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene aan wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 8.In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd als de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet. 9.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de vaststelling van de bijdrage in de kosten. Artikel17.Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. 2.De zorgaanbieder dient zelfregie en samenredzaamheid te stimuleren door eenduidig handelen, zelfregie en sociale netwerkstrategieën, inzet van deskundig personeel en het toepassen van de zelfredzaamheidsmatrix. 3.De zorgaanbieder dient bij te dragen aan een inclusieve samenleving. 4.Zorgaanbieders dienen invulling te geven aan diversiteitsbeleid en cultuurintensief werken. 5.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; 6.Het college kan bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, in het kader van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Het college kan, met uitzondering van aanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 7.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 8.Indien een aanbieder aan het college toestemming vraagt voor het inschakelen van een onderaannemer, wordt de onderaannemer getoetst aan de criteria opgenomen in bijlage 3. Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door de gemeente en de gemeente is van oordeel dat zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitstoets mag de betreffende zorgaanbieder slechts als onderaannemer gecontracteerd worden door de hoofdaannemer indien de hoofdaannemer zich garant stelt voor de kwaliteit van de door onderaannemer geleverde ondersteuning. De onderaannemer dient in ieder geval zelfstandig te voldoen aan de wettelijke kwaliteitskaders zoals opgenomen in bijlage 3. Artikel18.Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve ondersteuning van jeugdigen. 2.Het college hanteert een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en bevordert gebruik hiervan, conform de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. 3.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 4.De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve jeugdondersteuning en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 5.Aanbieders van jeugdhulp melden calamiteiten en geweldsincidenten, naast de melding bij de landelijke toezichthouder, ook bij een door het college aan te wijzen ambtenaar van de gemeente Mook en Middelaar. 6.Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel19.Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.Een cliënt doet aan het college of de andere organisatie op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing. 3.Het college kan een beslissing tot verstrekking van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp beëindigen, herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing had geleid; de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb is aangewezen; de maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten; de cliënt verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt; de cliënt zich niet heeft gehouden aan de voorschriften uit de bruikleenovereenkomst die hoort bij de voorziening. 4.Als het college een beslissing heeft ingetrokken en de cliënt redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte een maatwerkvoorziening of daaraan gekoppeld pgb ontving kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. 5.Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 6.Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 7.Het college kan een vordering op grond van ten onrechte genoten pgb verrekenen met te verstrekken pgb of een andere periodieke uitkering. Artikel20.Jaarlijkse waardering mantelzorgers De jaarlijkse waardering voor mantelzorgers wordt vastgelegd in de financiële bijlage (bijlage 2). Artikel21Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; kosten voor bijscholing van het personeel, en de van toepassing zijnde cao. 2.Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a.de marktprijs van de voorziening, en b.de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: 1. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; 2. instructie over het gebruik van de voorziening; 3. onderhoud en reparatie van de voorziening, en 4. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. sociaal wijkteams). Artikel22.Verhouding prijs en kwaliteit levering diensten door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.11 van de Jeugdwet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; de indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst. 4.Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5.Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Artikel23.Klachtregeling 1.Het college draagt er zorg voor dat een regeling is vastgesteld voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2.Aanbieders van voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door het college gecontracteerde voorzieningen. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders van voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel24.Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de door het college gecontracteerde instellingen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden kan het college nadere regels treffen ten aanzien van medezeggenschap en ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel25.Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet en krachtens de Inspraakverordening van gemeente Mook en Middelaar gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend en de Inspraakverordening van de gemeente Mook en Middelaar. 2.Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuningen jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid. Artikel26.Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Mook en Middelaar 2019 wordt ingetrokken per 1 januari 2020. 2.Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Mook en Middelaar 2019, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3.Aanvragen die zijn ingediend en meldingen die zijn gedaan onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Mook en Middelaar 2019 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening tenzij dit nadelige gevolgen heeft voor de aanvrager. 4.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Mook en Middelaar 2019, wordt beslist met inachtneming van die betreffende verordening. 5.Indien in andere verordeningen en beleidsstukken wordt verwezen naar de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Mook en Middelaar 2019, mag men in plaats daarvan vanaf de inwerkingtreding een verwijzing naar de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2020 en de daarbij behorende bijlagen lezen. Artikel27.Nadere regels en hardheidsclausule 1.In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2.Het college kan nadere regels en beleidsregels stellen over de uitvoering van deze verordening. 3.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel28.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2020. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 10 oktober 2019De griffier, A.W. Peters-Sengers,De burgemeester, mr. drs. W. GradisenBIJLAGE1:vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Vormen van maatschappelijke ondersteuning Op grond van de Wmo 2015 kunnen de volgende voorzieningen worden verstrekt: Huishoudelijke hulp Rolstoel Woonvoorzieningen Woningaanpassingen Vervoersvoorzieningen Vervoersregeling Begeleiding Persoonlijke verzorging Dagbesteding Kortdurend verblijf Beschermd wonen Opvang Vormen van jeugdhulp De volgende vormen van algemene voorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: welzijnswerk/sociaal cultureel werk jeugd schoolmaatschappelijk werk opvoedondersteuning en opvoedadvies De volgende vormen (bouwstenen) van maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: Blok B reguliere begeleiding en verzorging specialistische begeleiding dagbesteding (intersectoraal) dagbehandeling (intersectoraal) vaktherapie kortdurend verblijf casemanagement vervoersdiensten GGZ Blok C time out voorziening / tussenvoorziening pleegzorg gezinshuis deeltijd wonen beschermd wonen behandelgroep 24-uurs op terrein jeugdzorgPlus klinische opname spoedopvang i.h.k.v. spoedeisende hulp ambulant in C jeugdbescherming jeugdreclassering drang Toelichting bij de bouwstenen van maatwerkvoorzieningen in blok B: Bouwstenen kunnen gecombineerd worden ingezet, hierbij gaat de voorkeur uit naar het laten uitvoeren van de ondersteuning door dezelfde professional. Twee dezelfde Bouwstenen kunnen niet tegelijkertijd worden ingezet. Dagbesteding, Dagbehandeling en Kortdurend Verblijf Jeugd kan alleen geleverd worden indien Opdrachtnemer ook het noodzakelijk geachte vervoer kan regelen. Casemanagement Jeugd is een stapel-Bouwsteen. Casemanagement kan alleen worden ingezet door de gemeentelijke toegangspoort bij een Opdrachtnemer waar al een Bouwsteen is ingezet (maatwerkvoorziening Wmo en/of individuele voorziening Jeugdhulp). GGZ omvat: behandeling basis Jeugd GGZ specialistische Jeugd GGZ (incl. observatie en diagnostiek) dyslexie Jeugd GGZ beschikbaarheidscomponent voor 24-uurs crisiszorg Toelichting bij de bouwstenen van maatwerkvoorzieningen in blok C: ambulant in C omvat: ambulante behandeling J&O LVG ambulante groepsgerichte behandeling J&O J-LVG Multisysteemtherapie MDFT, ACRA / Craft Gezin Centraal / IOG De volgende overige vormen van maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: kinderopvang vanuit de sociaal medische indicatie BIJLAGE2:financiële bijlage Hoofdstuk 1 ALGEMEEN Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze bijlage wordt verstaan onder: Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge de verordening Maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2020 een persoonsgebonden budget is toegekend. Zorgperiode: een periode van één maand gehanteerd door het Centraal Administratie Kantoor, verder te noemen het CAK, bij de berekening en inning van de eigen bijdrage. Voltijdopvang of 24-uurs verblijf vrouwenopvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, al dan niet op een geheim adres, voor vrouwen of mannen met of zonder hun kinderen die gevlucht zijn voor huiselijk geweld of dreiging van relationeel geweld. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding. Voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, voor mensen die dakloos of thuisloos zijn. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding. Beschermd Wonen: verblijf in een accommodatie met toezicht plus een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden afgestemd geheel van diensten die worden geleverd ten behoeve van een inwoner die als gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening, niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en 24-uurs toezicht en intensieve ondersteuning nodig heeft i.v.m. risico op (zelf)verwaarlozing of overlast. Paragraaf 2 Bijdrage in de kosten Artikel 2 2.1 Voor maatwerkvoorzieningen die in natura of als persoonsgebonden budget worden verstrekt is op grond van artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning een bijdrage in de kosten verschuldigd zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en eventuele echtgenoot. 2.2 Indien een cliënt een duurdere maatwerkvoorziening wil dan de goedkoopst adequate komt het meerdere voor rekening van de cliënt. 2.3 In uitzondering op het onder 2.2 gestelde, is geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor: rolstoelvoorziening (ook voor aandrijfondersteuning); collectief vervoer (behalve de reizigerstarieven die de vervoersorganisatie rekent) of het persoonsgebonden budget dat als alternatief wordt verstrekt; woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimte(n); huurderving; maatwerkvoorzieningen voor een minderjarige cliënt; arbeidsmatige dagbesteding; zorgmijders zolang de situatie niet stabiel is; handbike; pendel; roerende woonvoorzieningen tot en met € 500,- exclusief BTW; eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten; jeugdhulp; gezinsondersteuning; thuisbegeleiding; Sociaal Medische Indicatie (SMI); vanaf het overlijden van de cliënt; cliëntondersteuning op grond van artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning. In afwijking van in het vorige lid onder e gestelde is wel een bijdrage in de kosten verschuldigd door: de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene aan wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt, als een maatwerkvoorziening in natura of een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt. In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd als de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of uit de ouderlijke macht zijn ontzet. Artikel 3 3.1 De bedragen en het percentage die gelden voor een bijdrage in de kosten zijn gelijk aan de bedragen zoals opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 3.2 Berekening, oplegging, vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten vindt plaats door het CAK met de door de gemeente Mook en Middelaar vastgestelde regels. In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang plaats door de aanbieder die de opvang verzorgt. In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een algemene voorziening door de aanbieder van deze voorziening. 3.3 De maximale bijdrage in de kosten per zorgperiode is conform wet- en regelgeving, of lager en dan als volgt bepaald: Verstrekking (ook vervanging) in natura: - huurprijs per zorgperiode; - kostprijs (verstrekt bedrag) gedeeld door afschrijvingstermijn maatwerkvoorziening. Verstrekking als persoonsgebonden budget: - verstrekt bedrag gedeeld door afschrijvingstermijn maatwerkvoorziening. Verstrekking als persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden en begeleiding/dagbesteding: - verstrekt bedrag per zorgperiode. 3.4 De looptijd van de bijdrage in de kosten wordt als volgt bepaald: Verstrekking (ook vervanging) in natura bij huurprijs en bij opvang en beschermd wonen: - duur van de verstrekking. Verstrekking in natura als kostprijs en als persoonsgebonden budget: - afschrijvingstermijn maatwerkvoorziening. Verstrekking als persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden, begeleiding/dagbesteding en beschermd wonen: - duur van de verstrekking. 3.5 Voor de duur van de verstrekking als bedoeld onder artikel 3.3 sub a (kostprijs) en b en artikel 3.4 sub b wordt voor maatwerkvoorzieningen een economische afschrijvingstermijn gehanteerd van 7 jaar). Als een minderjarige meerderjarig wordt dan wordt de afschrijvingstermijn verminderd met het aantal jaren dat de minderjarige de maatwerkvoorziening heeft toegekend gekregen. In afwijking van het eerste lid kan voor tweedehands maatwerkvoorzieningen voor een meerderjarige en minderjarige de afschrijvingstermijn worden verminderd met de actuele leeftijd van de maatwerkvoorziening. 3.6 In afwijking van artikel 3.4 lid a en artikel 3.5 lid 1 geldt voor woonvoorzieningen dat een bijdrage in de kosten wordt betaald gedurende de gehele duur van de verstrekking totdat de volledige kostprijs is voldaan. HOOFDSTUK 2 COMPENSATIE OP BASIS VAN LEEFGEBIED EN MAATWERKVOORZIENING Paragraaf 1. Activiteiten dagelijks leven Artikel 4 4.1 De tarieven voor hulp bij het huishouden in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente middels een aanbesteding bedongen uurtarieven. 4.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van hulp bij het huishouden vindt plaats in de vorm van een bedrag per uur. 4.3 Bij overlijden van de cliënt die een inwonende partner heeft, worden de hulp bij het huishouden in natura en de woonvoorziening in natura na zes weken beëindigd. 4.4 Bij verhuizing van een cliënt naar een andere gemeente, kan cliënt gedurende maximaal drie maanden gebruik blijven maken van het hulpmiddel. Paragraaf 2. Huisvesting Artikel 5 5.1 Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor huisvesting of een woonvoorziening die in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de goedkoopst aan het college overlegde offerte die voldoet aan het programma van eisen. 5.2 Kosten van een verhuizing worden vergoed als eenmalig persoonsgebonden budget. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de ouderdom van de te vervangen vloerbedekking en gordijnen in de vorige woning. Voor de afschrijving wordt een lineaire afschrijvingstermijn van 8 jaar gehanteerd. 5.3 Kosten van woningsanering worden in beginsel vergoed als eenmalig persoonsgebonden budget. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de ouderdom van de te vervangen vloerbedekking en gordijnen. Voor de afschrijving wordt een lineaire afschrijvingstermijn van 8 jaar gehanteerd. 5.4 De hoogte van een door het college te verlenen financiële tegemoetkoming in de kosten huurderving is gelijk aan de netto (kale) huur van de woonruimte, met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de Huurtoeslag. Betaling vindt plaats aan de eigenaar van de woning. De tegemoetkoming is gemaximeerd op zes maanden op basis van de netto (kale) huurprijs. 5.5 Kosten van tijdelijke huisvesting worden in beginsel vergoed als eenmalig persoonsgebonden budget met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de Huurtoeslag tot een periode van maximaal zes maanden. 5.6 De financiële tegemoetkoming voor het logeerbaar maken wordt als eenmalig persoonsgebonden budget verstrekt en bedraagt maximaal € 2590,-. Paragraaf 3. Verplaatsen en vervoer Artikel 6 Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld als tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening. Dit budget wordt verhoogd met een vast bedrag voor onderhoud en reparatie dat het college afspreekt te betalen aan een gecontracteerde leverancier bij de aanschaf van dezelfde voorziening in natura. Artikel 7 Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening vermeerderd met de instandhoudingskosten (voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering). Artikel 8 8.1 Bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een eigen auto of (rolstoel)taxi, wordt rekening gehouden met de individuele vervoersbehoefte en de mate waarin met een andere (vervoers)voorziening in die vervoersbehoefte kan worden voorzien. 8.2 De financiële tegemoetkoming die op jaarbasis verstrekt wordt als eenmalig persoonsgebonden budget voor gebruik van een (eigen) auto bedraagt maximaal € 710,-. 8.3 De financiële tegemoetkoming die op jaarbasis verstrekt wordt als eenmalig persoonsgebonden budget voor gebruik van een taxi bedraagt maximaal € 1110,-. 8.4 De financiële tegemoetkoming die op jaarbasis verstrekt wordt als eenmalig persoonsgebonden budget voor gebruik van een rolstoeltaxi bedraagt maximaal € 1650,-. 8.5 Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college aannemelijk kan maken, dat een financiële tegemoetkoming als bedoeld in lid 2, 3 en 4 onvoldoende is, wordt de tegemoetkoming verhoogd tot maximaal het bedrag waarmee in de vervoersbehoefte kan worden voorzien. Artikel 9 Indien geïndiceerd kan een cliënt van het vraagafhankelijk vervoer in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning gebruik maken voor maximaal 2000 kilometer per jaar. Paragraaf 4. Maatschappelijke participatie Artikel 10 10.1 De eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten voor een sportvoorziening bedraagt maximaal € 2520,-. 10.2 Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening voor een periode van drie jaar. Paragraaf 5. Geestelijke gezondheid Artikel 11 11.1 De tarieven voor beschermd wonen in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente middels een aanbesteding bedongen uurtarieven. 11.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van beschermd wonen vindt plaats in de vorm van een combinatie van bedragen per dag(deel): persoonlijke verzorging; verpleging; individuele begeleiding/dagbesteding; dagbesteding (oftewel groepsbegeleiding of BG-groep); zorg zwaarte pakket (ZZP). 11.3 Binnen beschermd wonen wordt onderscheid gemaakt tussen intramurale- en extramurale zorg. Bij intramurale zorg wordt een standaardtarief per zwaarte zzp per etmaal gehanteerd. Bij extramurale zorg (overbruggingszorg vooraf en bij toeleiding naar reguliere WMO) kan deze zorg door professionals of het eigen netwerk worden geleverd. Tot het sociale netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo). Hier worden professionele en informele tarieven per uur voor gehanteerd. 11.4 Het persoonsgebonden budget is gebaseerd op de volgende tarieven: informeel uurtarief: de budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van niet-professionele zorg in de vorm van begeleiding of dagbesteding. formeel tarief: de budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van professionele zorg (formeel). mixed tarief: de budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van een mix van niet-professionele zorg (informeel) en professionele zorg (formeel). Er zal een uitsplitsing worden gemaakt hoeveel uren informele zorg en hoeveel uren formele zorg de budgethouder nodig heeft. als de individuele zorgvraag significant hoger of lager ligt dan het gemiddelde aantal uren dat gerekend mag worden bij de geïndiceerde zorgzwaarte adviseert de GGD over het aantal uren dat de betreffende cliënt nodig heeft. De kosten per dag mogen nooit hoger zijn dan het etmaal tarief voor intramurale zorg. Paragraaf 6. Begeleiding/dagbesteding Artikel 12 12.1 De tarieven voor begeleiding/dagbesteding in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente middels een aanbesteding bedongen (uur)tarieven. 12.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van begeleiding/dagbesteding vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid. Paragraaf 7. Opvang Artikel 13 13.1 Er is een bijdrage in de kosten verschuldigd indien een persoon van 18 jaar of ouder gebruik maakt van opvang zoals bedoeld in artikel 1 lid 3 en 4. 13.2 De bijdrage in de kosten wordt bepaald per dag. De bijdrage is verschuldigd voor iedere dag of gedeelte van een dag, waarop de cliënt gebruik maakt van het aanbod van een instelling. 13.3 De cliënt betaalt voor opvang een bijdrage in de kosten. Voor de ongehuwde cliënt wordt het inkomen genomen dat cliënt ontving in het peiljaar, vermeerderd met 4% van het vermogen van de cliënt. Voor de gehuwde cliënt wordt het gezamenlijk inkomen genomen dat cliënt en echtgeno(o)t(
  2. e)ontvingen in het peiljaar, vermeerderd met 4% van de opgetelde vermogens van de cliënt en echtgeno(o)t(e). 13.4 Indien de instelling bij voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang of vrouwenopvang (waaronder crisisopvang) aan de cliënt geen maaltijden verstrekt, wordt de bijdrage in de kosten verminderd met een bedrag voor maaltijden. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) berekent als gemiddelde kosten. In het geval het bedrag niet bekend is, bepaalt het college het bedrag dat hiervoor in de plaats komt. 13.5 Als een cliënt een vergoeding ontvangt voor vrijwilligerswerk, wordt deze vergoeding buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van de bijdrage in de kosten. 13.6 Voor cliënten die gebruik maken van de crisisopvang en tegelijkertijd nog kosten hebben voor een zelfstandige woonruimte, wordt de bijdrage in de kosten gedurende maximaal 6 maanden verminderd met een forfaitair bedrag voor dubbele woonlasten, zijnde 20% van de bijstandsnorm. HOOFDSTUK 3 JEUGDHULP Artikel 14 14.1 De tarieven voor jeugdhulp in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente middels een aanbesteding bedongen (uur)tarieven. 14.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van jeugdhulp vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid. Artikel 15 15.1 Teneinde hun eigen kracht en regie te versterken stelt het college tijdens het vooronderzoek de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. 15.2 Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6 van de Verordening Jeugdhulp. HOOFDSTUK 4 OVERIG Paragraaf 1. Sociaal Medische Indicatie Artikel 16 16.1 Ouders kunnen enkel in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op basis van een Sociaal Medische Indicatie als de gezinssituatie aan alle onderstaande criteria voldoet: één of meerdere gezinsleden hebben lichamelijke, psychische of sociale problemen waardoor de ouders/verzorgers (tijdelijk) niet volledig voor het kind kunnen zorgen; het kind dreigt als gevolg van de thuissituatie een ontwikkelingsachterstand op te lopen; het kind staat nog niet ingeschreven bij een basisschool; voor- en vroegschoolse educatie is niet toereikend; ouder(s)/verzorger(
  3. s)stellen samen met de gemeente een zorgplan op waaruit blijkt dat zij doelgericht werken aan de stabilisatie van de thuissituatie. 16.2 De Sociaal Medische indicatie wordt afgegeven door het college van de gemeente Mook en Middelaar voor de maximale periode van één jaar. 16.3 Er is geen eigen bijdrage verschuldigd voor sociaal medische indicatie, conform artikel 2; de gemeente vergoedt het gehele bedrag. 16.4 In uitzondering op lid 3 vergoedt de gemeente niet het gehele bedrag indien de ouder(
  4. s)in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. In dat geval wordt de hoogte van de te ontvangen kinderopvangtoeslag in mindering gebracht op de vergoeding vanuit de gemeente. 16.5 De ouder(
  5. s)verstrekt desgevraagd aan het college, binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van belang zijn. Paragraaf 2. Mantelzorgwaardering Artikel 17 De waardering die per jaar verstrekt wordt als mantelzorgwaardering is ter waarde van € 50,-. Paragraaf 3. Terugvordering Artikel 18 18.1 De meerwaarde van de woning die door het ontvangen van een woonvoorziening (compensatie op het leefgebied huisvesting) is ontstaan, dient gedeeltelijk aan de gemeente Mook en Middelaar te worden terugbetaald. 18.2 Voor het bepalen van het bedrag van meerwaarde wordt uitgegaan van: het toegekende bedrag voor de woonvoorziening minus de bijdrage in de kosten die voor de woonvoorziening is betaald; een afschrijving van 10% voor elk vol jaar dat de woonvoorziening was gerealiseerd. Artikel 19 Bij een bedrag tot € 150,- wordt afgezien van terugvordering. Paragraaf 4. Persoonsgebonden budget Artikel 20 De pgb-beheerder dient de pgb-administratie te bewaren gedurende een termijn van 7 jaar conform artikel 5.3.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning en artikel 7.3.8 van de Jeugdwet. Artikel 21 Bij overlijden van de pgb-houder wordt het persoonsgebonden budget na een dag beëindigd. Bijlage3Criteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers Waar in deze bijlage wordt gesproken van ‘zorgaanbieder’, wordt zowel de pgb-zorgaanbieder bedoeld als een onderaannemer, tenzij expliciet anders is aangegeven. Algemene criteria Geschiktheidseisen Het gaat om de geschiktheid om de opdracht uit te voeren. Daarvoor moet er bij de zorgaanbieder voldoende financieel economische draagkracht zijn en; De zorgaanbieder moet voldoen aan de beroepsbekwaamheidseisen, waaronder diploma-eisen, afhankelijk van de te leveren ondersteuning: een bewijs als geregistreerd professional jeugd of certificering Wmo; Ervaring blijkend uit één relevante referentieopdracht3 uitgevoerd in de laatste drie jaar4. Bij een onvoldoende referentie kan de hoofdaannemer een schriftelijke verklaring afgeven waarmee hij instaat voor de uitvoering van de opdracht door de onderaannemer. 3De vereiste capaciteit, kennis en ervaring moeten zijn opgedaan in en moeten blijken uit één relevante referentieopdracht die in de afgelopen drie jaar is uitgevoerd. De gevraagde kerncompetentie: ZIN referentie (één of meerdere referenties met minimaal vijf cliënten), of PGB referentie geanonimiseerd (één of meerder referenties met minimaal vijf cliënten). 4Deze eis geldt niet voor pgb-zorgaanbieders die behoren tot het sociaal netwerk. Uitsluitingsgronden Er is bij de zorgaanbieder geen sprake van: Het niet betalen van belasting en/of sociale premies Deelneming in een criminele organisatie Fraude Terroristische misdrijven Witwassen Kinderarbeid/mensenhandel Schending van verplichtingen op gebied van milieu, sociaal- of arbeidsrecht Faillissement Vervalsing van mededinging Een belangenconflict Valse verklaring(
  6. en)Vroegtijdige beëindiging van een eerdere overeenkomst, schadevergoeding of sanctie Onrechtmatige beïnvloeding Ernstige beroepsfouten: doen van een gift of belofte of het aanbieden van een dienst; verstrekken van onjuiste gegevens of het ten onrechte niet verstrekken van juiste gegevens; handelen of nalaten waardoor de integriteit van werknemers of andere personen ernstig in gevaar wordt gebracht; begaan van gedragingen in strijd met voor het beroep relevante wet- en regelgeving, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes; het verrichten van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde; alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep. Screening kan bestaan uit: Het door een zorgaanbieder laten overleggen van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat hij aan de geschiktheidseisen en/of kwaliteitseisen voldoet waaronder een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG); Het doen van onderzoek in open dan wel gesloten bronnen; Het vragen van een Bibob-advies bij het Landelijk Bureau Bibob. Kwaliteitscriteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers De gemeenten zijn eindverantwoordelijk voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg aan burgers. Ook als de ondersteuning wordt geboden via een pgb of onderaannemerschap. De zorgaanbieders dienen te werken met deskundig personeel en kwalitatief goede zorg bieden, waarin de Cliënt en zijn netwerk centraal staan. In geval van onderaanneming kan de hoofdaannemer garant staan voor de kwaliteitsonderdelen waarop de onderaannemer (nog) te kortschiet. De onderaannemer dient in ieder geval zelfstandig te voldoen aan de wettelijke kwaliteitskaders (zie onder kwaliteitseisen). Het hulpverleningsplan en evaluatieverslag dienen aan de volgende eisen te voldoen5: 5Deze bepaling is vanzelfsprekend alleen van toepassing als voor het type zorg of ondersteuning een hulpverleningsplan en evaluatieverslag is vereist. De gemeente hecht (
  7. er)veel waarde aan: “één huishouden, één plan” waarin alle leefdomeinen aan bod komen en er samenhang is tussen de hulp van de verschillende dienstverleners en de informele zorg en ondersteuning; dat iedereen zijn eigen mogelijkheden benut, zelfregie houdt over zijn leven en zijn sociale netwerk versterkt (samenredzaamheid); dat ook kwetsbare doelgroepen volwaardig kunnen meedoen in de samenleving en een betekenisvolle tijdsbesteding hebben aansluitend bij de wensen en mogelijkheden; methodisch werken aan ontwikkeling met door de cliënt gedragen doelen en concrete acties. Er moet een check zijn gedaan van alle leefdomeinen. Leefdomeinen: inkomen, werk en opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk (en woonomgeving), maatschappelijke participatie en justitie. Het plan moet perspectiefgericht zijn. Er zijn doelen geformuleerd die duidelijk, concreet en haalbaar zijn en die niet alleen perspectief bieden op de langere termijn, maar zich ook richten op praktische, snelle resultaten. Er zijn activiteiten geformuleerd gericht op het behalen van de korte- en lange termijn doelen met een duidelijke prioritering. Het evaluatieplan evalueert de doelen, zoals geformuleerd in het hulpverleningsplan. De informele en formele betrokkenen zijn in kaart gebracht. Er zijn afspraken gemaakt over hoe de afstemming tussen de betrokkenen eruit ziet. Er wordt beschreven wie de regie voert: Cliëntsysteem, casemanagement door de Zorgaanbieder, Gemeentelijke Toegangspoort, of Gecertificeerde Instelling. Er is een goede balans tussen formele en informele zorg, er wordt goed beschreven hoe wordt samengewerkt met het sociale netwerk en hoe gebruik wordt gemaakt van algemene voorzieningen en de informele voorzieningen in de samenleving (verenigingen en vrijwilligersorganisaties). Er wordt ook beschreven of individuele hulp (deels) omgezet kan worden in groepsactiviteiten met motivatie waarom dit al dan niet mogelijk is. De mogelijkheden voor deelname aan gewone maatschappelijke activiteiten worden onderzocht en gestimuleerd. Er staat beschreven hoe er wordt gewerkt aan versteviging van de eigen regie van de cliënt en de versterking van zijn/haar sociale netwerk. Het eigen denkvermogen (= leervermogen) wordt aangesproken en cliënt is, naar vermogen, eigenaar en regisseur van zijn eigen plan. Bereik en participatie specifieke doelgroepen De gemeente hecht veel waarde aan een inclusieve samenleving waarin iedereen volwaardig kan meedoen. Dat vereist toegankelijkheid van de zorg voor alle burgers met een ondersteuningsvraag bijvoorbeeld vanwege lichamelijke, verstandelijke en /of psychische beperkingen. Daarbinnen zijn er kwetsbare doelgroepen met extra uitdagingen vanwege taal, etniciteit, culturele achtergrond, geloofsovertuiging en/of seksuele geaardheid. Van de zorgaanbieder wordt verwacht dat hij deze specifieke doelgroepen kan bereiken, in hun kracht zet, hun sociaal netwerk versterkt en laat meedoen in de samenleving. Betaalbaarheid De zorgaanbieder dient bij te dragen aan de doelstelling betaalbaarheid van zorg vanuit de doelstelling: licht waar kan, zwaar waar nodig. Duurzaamheid De gemeente hecht belang aan duurzaamheid rondom de thema’s personeel en milieu. Een duurzaam personeelsbeleid is van cruciaal belang in de zorg: de kwaliteit van de zorg wordt voor een groot deel bepaald door de kwaliteit van het personeel, de match van het personeel met de cliënt en de continuïteit van de professional voor de cliënt. Daar hoort bij dat het personeel vakbekwaam, vitaal en toekomstbestendig is en dat er geen hoog verloop van personeel is. Kwaliteitseisen WETTELIJKE KWALITEITSKADERS Wet maatschappelijke ondersteuning 1 Maatschappelijke ondersteuning Gemeente verstaat onder maatschappelijke ondersteuning: bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; bieden van beschermd wonen en opvang. 2 Maatwerkvoorziening Gemeente verstaat onder een maatwerkvoorziening een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen en opvang. 3 Kwaliteitssysteem De Zorgaanbieder draagt zorg voor de goede kwaliteit van de voorziening. Een voorziening wordt in elk geval: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt; afgestemd op de reële behoefte van de cliënten op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt; verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt. 4 Klachtenregeling De zorgaanbieder hanteert een eenvoudige en transparante klachtenregeling die voldoet aan de uitgangspunten van de Wmo 2015 en voorziet in bemiddeling bij en afhandeling van klachten. 5 Medezeggenschapsregeling De zorgaanbieder hanteert een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de zorgaanbieder die voor de cliënten van belang zijn. 6 Meldcode huiselijk geweld een kindermishandeling 6.1 De zorgaanbieder voldoet aan de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Hiertoe moet zij in ieder geval een meldcode hanteren en het gebruik en de kennis van de meldcode onder degenen die voor hem werkzaam zijn bevorderen. 6.2 Bovenwettelijk; De zorgaanbieder heeft een aandachtsfunctionaris aangesteld. 7 Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) Bovenwettelijk; De zorgaanbieder beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van personen die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met cliënten. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden bij aanvang van de werkzaamheden. De zorgaanbieder verlangt van haar werknemers een nieuwe VOG op het moment dat redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat daar aanleiding toe is. 8 Verwijsindex risicojongeren Bovenwettelijk; De zorgaanbieder die werkt met jongvolwassenen voldoet aan de eisen van de in de Jeugdwet verplichte landelijke Verwijsindex risicojongeren (Zie http://www.handreikingmelden.nl/ voor de handreiking.). De verwijsindex is een vroeg-signaleringsinstrument dat risicomeldingen van professionals over jongeren tot 23 jaar bij elkaar brengt. Hierdoor weten betrokkenen sneller of een jongere ook bekend is bij een andere professional. Het doel is vroege signalering van risico’s die een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid van een jongere bedreigen, zodat tijdig passende hulp, zorg of bijsturing kan worden gegeven. De zorgaanbieder die werkt met jongvolwassenen wijst een instellingscoördinator VIR aan die de implementatie van VIR in de organisatie waarborgt. De zorgaanbieder implementeert toekomstige wijzigingen van de Verwijsindex. Jeugdwet 9 Jeugdhulp Gemeente verstaat onder jeugdhulp het volgende: Ondersteuning, hulp en zorg, niet zijnde preventie, voor jeugdigen en hun ouders ((Hier kan ook gelezen worden verzorgers of wettelijk vertegenwoordiger(s)) bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie-gerelateerde problemen; Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt; Het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt. 10 Doelgroep jeugdhulp Jeugdhulp is bedoeld voor de jeugdige die: de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt of; de leeftijd van drieëntwintig jaar nog niet heeft bereikt en jeugdhulp ontvangt in het kader van jeugdstrafrecht of; de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van de Jeugdwet: is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is; vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of; is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is. 11 Verantwoorde hulp 11.1 De zorgaanbieder verleent verantwoorde hulp. Dat is hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig is, cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. 11.2 De zorgaanbieder organiseert zich op zodanige wijze, voorziet zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en materieel en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp. De jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instellingen betrekken hierbij de resultaten van overleg tussen jeugdhulpaanbieders, het college en cliëntenorganisaties. 12 Verantwoorde werktoedeling 12.1 De zorgaanbieder voldoet aan de norm van verantwoorde werktoedeling. 12.2 De zorgaanbieder zet professionals in die over de juiste expertise beschikken en vakbekwaam zijn. Vakbekwaam zijn houdt in dat professionals in staat zijn om een beroep uit te oefenen volgens de voor de beroepsgroep geldende professionele standaard. Dat betekent dat steeds die professional moet worden ingezet die past bij de vraag van de cliënt, die beschikt over de noodzakelijke vakbekwaamheid en die handelt volgens de beroepsethische normen. 12.3 De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat professionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de voor hen geldende professionele standaarden (beroepscodes, vakinhoudelijke richtlijnen en veldnormen). 12.4 De zorgaanbieder werkt met geregistreerde professionals (SKJ of BIG) 12.5 De zorgaanbieder deelt taken toe met inachtneming van de specifieke kennis en vaardigheden van de geregistreerde professional. 12.6 De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional. 12.7 De zorgaanbieder belast niet-geregistreerde professionals uitsluitend met de uitvoering van taken indien het aannemelijk is dat dat niet afdoet aan de kwaliteit, of zelfs noodzakelijk is voor de kwaliteit van de uit te voeren taken. 12.8 De zorgaanbieder moet kunnen verantwoorden waarom een geregistreerde, dan wel een niet-geregistreerde professional wordt ingezet voor een taak​. 13 Kwaliteitssysteem De zorgaanbieder moet de kwaliteit van de geboden hulp systematisch bewaken, beheersen en verbeteren. De zorgaanbieder moet daarnaast gegevens over de kwaliteit van hulp systematisch verzamelen en registreren. 14 Hulpverleningsplan De zorgaanbieder werkt op basis van een hulpverleningsplan waarover is overlegd met de jeugdige en de verzorgers en dat is afgestemd op de behoeften van de jeugdige. 15 Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) 15.1 De zorgaanbieder beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van personen die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of verzorgers. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden bij aanvang van de werkzaamheden. De zorgaanbieder verlangt van haar werknemers een nieuwe VOG op het moment dat redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat daar aanleiding toe is. De VOG van een solistisch werkende jeugdhulpverlener mag tijdens de werkzaamheden niet ouder zijn dan drie jaar. 15.2 Bovenwettelijk; De zorgaanbieder raadpleegt het BIG/SKJ-register en het register met tuchtrechtuitspraken alvorens een Professional aan te nemen. 16 Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling 16.1 De zorgaanbieder voldoet aan de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Hiertoe moet zij in ieder geval een meldcode hanteren en het gebruik en de kennis van de meldcode onder degenen die voor hem werkzaam zijn bevorderen. 16.2 Bovenwettelijk; De zorgaanbieder heeft een aandachtsfunctionaris aangesteld. 17 Vertrouwenspersoon 17.1 De zorgaanbieder stelt de vertrouwenspersoon AKJ (Advies en Klachtenbureau Jeugdzorg) in staat werk te verrichten. Dit betekent dat de vertrouwenspersoon in ieder geval; vrije toegang heeft tot de gebouwen, terreinen en ruimten van jeugdhulpaanbieders waar jeugdigen kunnen verblijven, een en ander voor zover dit voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig is. De vertrouwenspersoon behoeft geen toestemming van derden om met een jeugdige te spreken; door de zorgaanbieder wordt voorzien van alle inlichtingen en alle bescheiden die de vertrouwenspersoon voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft; de faciliteiten wordt verschaft die de vertrouwenspersoon voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft. 17.2 De zorgaanbieder informeert cliënten en hun verzorgers actief over het recht tot ondersteuning van een onafhankelijk vertrouwenspersoon. 18 Klachtenregeling De zorgaanbieder hanteert een klachtenregeling die voorziet in bemiddeling bij en afhandeling van klachten van jeugdigen, verzorgers en (pleeg)ouders over de zorgaanbieder of personen die voor hem werkzaam zijn. De zorgaanbieder heeft een klachtencommissie ingesteld. De zorgaanbieder informeert cliënten en hun (pleeg)ouders actief over de klachtenregeling en toegang tot de klachtencommissie. 19 Cliëntenraad De zorgaanbieder stelt een cliëntenraad in en volgt daarbij de wettelijke bepalingen opgenomen in artikel 4.2 van de Jeugdwet. 20 Inzicht in kwaliteitsverslag De zorgaanbieder stelt jaarlijks een verslag op over de naleving van de regels omtrent de kwaliteit van de jeugdhulp, onderscheidenlijk de kwaliteit van de uitvoering van de taken, het klachtrecht en de medezeggenschap. De zorgaanbieder verleent inzicht in dit verslag aan de gemeente door het jaarlijks aan te leveren bij de contractmanager. De zorgaanbieder maakt dit verslag openbaar. 21 Verwijsindex risicojongeren De zorgaanbieder voldoet aan de eisen van de wettelijk verplichte landelijke Verwijsindex risicojongeren, en wijst een instellingscoördinator VIR aan die de implementatie van VIR in de organisatie waarborgt. De zorgaanbieder implementeert toekomstige wijzigingen van de Verwijsindex. OVERIGE WET- EN REGELGEVING 22 In dit document staan slechts een aantal wettelijke eisen benoemd waaraan de zorgaanbieder moet voldoen. De gemeente verwacht dat de zorgaanbieder bekend is met, en voldoet aan, alle op de zorgaanbieder van toepassing zijnde wet- en regelgeving, richtlijnen en verdragen zoals, maar niet beperkt tot; Geneesmiddelenwet Jeugdwet Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg (van de gemeenten) VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap Wet aanpak schijnconstructies Wet arbeid vreemdelingen Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg Wet Ketenaansprakelijkheid Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling 23 Doorstroom en afstemming Wmo, Jeugdwet, Zorgverzekeringswet, Wet Langdurige Zorg en de Participatiewet Doorstroom Jeugdwet naar Zorgverzekeringswet (Zvw) Als een Jeugdige Zvw-zorg krijgt, bestaat er geen recht op een voorziening op grond van de Jeugdwet. Indien de behandeling van een jeugdige nog niet afgesloten kan worden en continuering daarvan ná het 18e jaar noodzakelijk is vanuit de Zvw, zorgt de zorgaanbieder er in samenspraak met de jeugdige voor dat er tijdig een verwijzing van de huisarts is. Daarnaast begeleidt de zorgaanbieder de jeugdige bij het tijdig aanvragen van een zorgverzekering. Doorstroom Jeugdwet naar Wet Langdurige Zorg (Wlz) Jeugdigen met een blijvende beperking worden vaak in eerste instantie van hulp en begeleiding voorzien vanuit de jeugdhulp. Voor jeugdigen tot 18 jaar is de Wlz van toepassing op de meest kwetsbare jeugdigen met 'een blijvende behoefte' aan 'permanent toezicht' of '24 uur per dag zorg in de nabijheid'. Het gaat dan om zorg vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een verstandelijke beperking, een lichamelijke beperking, een zintuiglijke beperking of meervoudige beperkingen. Bij jeugdigen met een perspectief of vermoeden van een Wlz traject (in de toekomst) is het van belang om op een zo vroeg mogelijk moment na te gaan of voortzetting van de hulp in het kader van de Wlz is aangewezen. Bovenstaande verplicht zorgaanbieders die met deze jeugdigen werken tot een zorgvuldige diagnose, een zorgvuldige opbouw van het dossier en begeleiding bij de aanvraag Wlz bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Als een jeugdige dus recht heeft op Wlz-zorg, bestaat geen recht op een voorziening op grond van de Jeugdwet. Dit geldt ook wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige een indicatie voor Wlz-zorg zou kunnen krijgen maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit. In dat geval meldt de zorgaanbieder deze weigering bij de desbetreffende gemeente. Uitzondering hierop is als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen van de jeugdige. In dat geval kan het zijn dat de jeugdige zowel op grond van de Wlz als op grond van de Jeugdwet een soortgelijke voorziening kan krijgen. De jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet gaat dan voor. Afstemming Wmo 2015, de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) Er wordt geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 verstrekt voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. Dit betekent: Wlz Bij een verdere achteruitgang van de cliënt met een beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem wordt indien noodzakelijk tijdig een Wlz-indicatie aangevraagd bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) door de cliënt zelf of door diens vertegenwoordiger met begeleiding van de aanvraag Wlz door de zorgaanbieder. Na de toekenning van de Wlz-indicatie vervalt de Wmo-indicatie, behoudens de door de wetgever benoemde uitzonderingssituaties. De zorgaanbieder heeft de verplichting de desbetreffende gemeente onverwijld te informeren over de toegekende Wlz-indicatie. De Wmo 2015 bepaalt dat de Gemeente een maatwerkvoorziening kan weigeren indien er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt aanspraak kan doen op de Wlz gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande. In dat geval meldt de zorgaanbieder deze weigering bij de desbetreffende gemeente. Zvw Als de Zvw toegang biedt voor zorg die al vanuit de Wmo 2015 geleverd wordt dan moet de zorgaanbieder in die gevallen actie ondernemen om Zvw-indicatie te verkrijgen, de Wmo-indicatie op dit onderdeel te stoppen en hiertoe contact op te nemen met de gemeente. Overig Tenslotte kan het voorkomen dat een cliënt niet alleen ondersteuning krijgt vanuit de Wmo 2015maar ook uit de aanpalende wetten, waarin bijvoorbeeld leerlingenvervoer en jeugdzorg is geregeld. Waar die zorg geleverd wordt door andere zorgaanbieder(
  8. s)dient de zorgaanbieder de dienstverlening af te stemmen met deze betrokken zorgaanbieder(s). Samenloop Wmo 2015 en Participatiewet De Participatiewet kan voor veel cliënten mogelijkheden bieden in de verdere verbetering van de levenssituatie van de cliënt. De zorgaanbieder denkt actief mee in de mogelijkheden die de Participatiewet in deze kan bieden voor de cliënten en ondersteunt de cliënt bij de toeleiding naar (aangepast) werk. 24 Privacy en informatie uitwisseling 24.1 De zorgaanbieder is verplicht zich te houden aan privacy wet en regelgeving (Wmo, Jeugdwet en Wet Bescherming Persoonsgegevens). Dit geldt ook voor de samenwerking met de Gemeentelijke Toegangspoort. Daar waar mogelijk en noodzakelijk willen we dat de zorgaanbieder goede afspraken maakt over de uitwisseling van informatie in het belang van de cliënt. De zorgaanbieder geeft zich er rekenschap van dat de Europese verordening (Algemene Verordening Gegevensbescherming) die is aangenomen, direct werking heeft. Alle organisaties in publieke en private sector moeten uiterlijk 25 mei 2018 aan deze nieuwe wetgeving voldoen. 24.2 De gemeente vindt het belangrijk dat uitwisseling van persoonsgegevens goed beveiligd plaatsvindt, onder andere door middel van beveiligd e-mailverkeer. De gemeente sluit daartoe de Gemeentelijke Toegangspoort aan op Zorgmail. De zorgaanbieder heeft de keuze van ditzelfde instrument gebruik te maken, of de beveiligde berichtenuitwisselingsomgeving van de regio te gebruiken of op niet- elektronische wijze te communiceren. Ontwikkelingen op het vlak van beveiligde gegevensuitwisselingen staan niet stil. De gemeente zal tijdig communiceren wat de volgende stappen zijn. PRESTATIE-EISEN 25 Cliëntondersteuning Elke cliënt heeft recht op een onafhankelijke cliëntondersteuning. De zorgaanbieder informeert de cliënt hierover en beperkt zich tot betrokkenheid bij de cliënt op basis van de ondersteunings- en/of zorgbehoefte van desbetreffende cliënt. 26 Cliënt centraal 26.1 De regie op de hulpverlening ligt bij de cliënt, al dan niet samen met familieleden, buren of vrienden uit het eigen netwerk. De zorgaanbieder sluit aan bij de regiemogelijkheden die de cliënten in hun eigen sociaal netwerk hebben. 26.2 De zorgaanbieder betrekt de cliënt bij beslissingen en behandelt de cliënt als een gelijkwaardige gesprekspartner. Praten met de cliënt en niet over de cliënt, naast de cliënt staan en niet er tegenover staan, zijn de uitgangspunten. 26.3 De zorgaanbieder stemt de inzet van ondersteuning af op de agenda van de cliënten of zijn verzorgers/mantelzorgers. Dit is niet van toepassing op beschermd wonen. 26.4 Bij iedere situatie/aanvraag/casus waarbij er signalen, dan wel vermoedens zijn van een mogelijk onveilige situatie voor jeugdige en/of volwassene wordt een veiligheidsinschatting gedaan en zo nodig wordt er een veiligheidsplan opgezet en uitgevoerd. Een veiligheidsinschatting omvat een beoordeling- en risicotaxatie van de veiligheid van de jeugdige en/of volwassene. Het dient als een signaleringsmiddel voor onveilige situaties en als kapstok voor een open gesprek over een lastig thema. Risicofactoren die kunnen worden benoemd en ingeschat zijn bijvoorbeeld (echt)scheiding, ziekte, werkloosheid, huiselijk geweld, seksueel grensoverschrijdend gedrag, huisvesting en sociaal isolement. Op basis van een veiligheidsinschatting moet worden bepaald welke inzet en/of afspraken nodig zijn om de risico’s te minimaliseren en de veiligheid te verhogen. Gestandaardiseerde risicotaxatie instrumenten die bijvoorbeeld kunnen worden gebruikt bij vermoedens van onveiligheid zijn het ‘Licht Instrument Risicotaxatie Kindveiligheid (LIRIK)’ of de ‘Checklist Veilig Thuis’. Risicotaxatie kan onderdeel uitmaken van de ‘Verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’. Bovenstaande is niet van toepassing op beschermd wonen. 27 Tolken (niet van toepassing op beschermd wonen) Bij de toewijzing van professionals aan cliënten, houdt de zorgaanbieder rekening met de moedertaal van de cliënt. Waar mogelijk zet de zorgaanbieder een professional in die de taal van de cliënt spreekt. Indien dit niet mogelijk is, bekijkt de zorgaanbieder de mogelijkheid om een tolk vanuit het sociale netwerk van cliënt of vanuit vluchtelingenwerk in te zetten. 28 Verwijzers (niet van toepassing op beschermd wonen) 28.1 Bij de Wmo is de Gemeentelijke Toegangspoort de Verwijzer (Sociale Wijkteams ook wel sociale teams, kernteams, regieteams of zorgnetwerken en Veiligheidshuis). 28.2 Bij Jeugdhulp zijn naast de Gemeentelijke Toegangspoort als Verwijzer aangewezen: huisartsen, jeugdartsen, kinderartsen, medisch specialisten, voogden van gecertificeerde instellingen, rechters, raad van de kinderbescherming en de officier van justitie. 33 Hulpverleningsplan (niet van toepassing op beschermd wonen) 33.1 De zorgaanbieder wijst cliënt op de mogelijkheid om zijn/haar sociale netwerk, waaronder mantelzorger(s), te betrekken bij het opstellen van, en invulling geven aan het hulpverleningsplan en geeft hier, indien gewenst, actief invulling aan. 33.2 De zorgaanbieder werkt -in overleg met cliënt- op basis van een hulpverleningsplan dat is afgestemd op de behoeften van de cliënt. 33.3 De zorgaanbieder stelt altijd een hulpverleningsplan (begeleidings- of behandelplan) op met concrete doelen en daaraan gekoppelde activiteiten/acties om deze doelen te bereiken die overeengekomen zijn met de cliënten, verzorgers en andere betrokkenen uit het sociale netwerk, onderwijs, leerplicht, vrijwilligers, lokale zorgstructuur, (huis)artsen, jeugdgezondheidszorg, zorgaanbieders etc. Als er sprake is van doorverwijzing door een Gemeentelijke Toegangspoort, dan is het hulpverleningsplan gebaseerd op het onderzoeksverslag van de Gemeentelijke Toegangspoort. In het hulpverleningsplan benoemt de zorgaanbieder de doelen aan de hand van de leefgebieden uit de Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) waarop de cliënt problemen ervaart. De gemeente ziet de ZRM niet als instrument voor bekostiging, maar als hulpmiddel voor integrale en resultaatgerichte ondersteuning. Tijdens het traject, zoekt de zorgaanbieder met de cliënt voortdurend naar mogelijkheden in het voorliggende veld (voorliggende voorzieningen) om aan de gestelde doelen te werken. Te denken valt aan het onder de aandacht brengen van wijkactiviteiten of het zoeken naar lotgenotencontact. Deze activiteiten moeten zichtbaar zijn in het hulpverleningsplan. De zorgaanbieder legt in het hulpverleningsplan vast wanneer en op welke wijze de doelen worden geëvalueerd. Evaluatie vindt minimaal één keer per jaar plaats. Indien er meerdere professionals zijn betrokken bij een cliënt, maakt een bespreking van de ervaringen van de cliënt met het samenwerkingsverband integraal onderdeel uit van de evaluatie. De zorgaanbieder gebruikt deze informatie om de samenwerking tussen zijn professionals onderling en tussen zijn professionals en professionals van andere organisaties te verbeteren. In het evaluatieverslag rapporteert de zorgaanbieder in ieder geval over de geboden activiteiten, de bereikte resultaten, de mate van doelrealisatie en een advies over het vervolg. De zorgaanbieder geeft in het evaluatieverslag aan welke gestelde doelen zijn behaald en aan welke doelen nog gewerkt moet worden, dit ook voor een eventuele overdracht naar een andere zorgaanbieder. In het hulpverleningsplan legt de zorgaanbieder vast op welke wijze de wijzigingen in doelen/acties die voortvloeien uit de evaluatie tussentijds worden teruggekoppeld naar de betrokkenen en de verwijzer. 33.4 In het hulpverleningsplan staat hoe er wordt vormgegeven en gewerkt aan de kantelingsprincipes: Licht en dichtbij: de ondersteuning wordt zo dichtbij mogelijk geboden, bij mensen thuis of op vindplaatsen (zoals scholen en wijkcentra). De aanbieders zijn verplicht zich in te spannen om de hulpverlening zoveel mogelijk lokaal en gebiedsgebonden, afgestemd op de lokale zorg- en welzijnsstructuur en vaste gezichten te leveren en te organiseren; Zelfregie en samenredzaamheid: welke methodieken worden toegepast om eigen regie van de cliënten en hun sociale netwerk te versterken en samen met het netwerk het plan op te stellen en uit te voeren (bij voorkeur Sociale Netwerkstrategieën of Persoonlijk Toekomst Plan), wordt er toegewerkt naar herstel van een zo normaal mogelijke situatie in het gezin?; Het principe ‘één gezin, één plan, één regisseur’: hoe wordt samengewerkt met onderwijs, het sociale netwerk en vrijwilligers (informele hulp), lokale zorgstructuur en andere zorgprofessionals (huisartsen, jeugdgezondheidszorg, leerplicht etc.)? Wie voert indien nodig de casusregie?; Participatie en ‘gewoon meedoen’: stimuleert de zorgaanbieder zoveel mogelijk de deelname aan gewone activiteiten op scholen, wijkactiviteiten of sportverenigingen? Wordt bij jongeren toegewerkt naar zelfstandigheid en participatie?; Collectief boven individueel: wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van het aanbod van vrijwilligersorganisaties, welzijnsvoorzieningen en algemene voorzieningen? Er wordt ook aangeven of individuele jeugdhulp (deels) omgezet kan worden in groepsactiviteiten met een motivatie waarom dit al dan niet mogelijk is. 33.5 De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de cliënt de inhoud van het hulpverleningsplan begrijpt en verstrekt de cliënt, indien gewenst, een versie van het hulpverleningsplan. 34 Integraal werken (niet van toepassing op beschermd wonen) De zorgaanbieder vormt een netwerk rond de cliënt met verwijzer en stemt de ondersteuning af met andere professionele dienstverleners die zorg of jeugdhulp leveren aan de cliënt en het cliëntsysteem (één gezin, één plan, één regisseur). Waar nodig en mogelijk, werkt de zorgaanbieder binnen dit netwerk met een integraal hulpverleningsplan. Uitwisseling van informatie vindt plaats binnen de kaders van de wet. 36 Wijzigen en/of (voortijdig) beëindigen ondersteuning (niet van toepassing op beschermd wonen) 36.1 Professionals van de zorgaanbieder signaleren veranderingen in de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en het cliëntsysteem, bijvoorbeeld als de gewenste resultaten niet worden bereikt of omstandigheden verslechteren. De zorgaanbieder past de dienstverlening aan of neemt contact op met een verwijzer voor andere dienstverlening of neemt contact op met de gemeente als daar actie nodig is. 36.2 Indien dienstverlening aan cliënt, op verzoek van cliënt/of gemeente, wordt gestaakt en cliënt ondersteuning van een andere zorgaanbieder gaat afnemen, dan verleent de zorgaanbieder volledige dienstverlening aan cliënt, medewerking aan een warme, zorgvuldige en vlotte overgang van cliënt naar de door de gemeente gecontracteerde aanbieder en bevordert ononderbroken voortzetting van de zorg. 36.3 Op verzoek van de zorgaanbieder kan de ondersteuning aan een cliënt uitsluitend worden gestaakt (voortijdig) indien er zwaarwegende redenen bestaan, verband houdend met de omstandigheden van de cliënt (o.a. ondersteuningsbehoefte, regiemogelijkheden, draagkracht cliëntsysteem), op grond waarvan in redelijkheid niet van de zorgaanbieder kan worden verlangd om de ondersteuning voort te zetten of de ondersteuning niet meer passend is voor de cliënt. Van de voorgenomen beëindiging doet de zorgaanbieder tijdig schriftelijk en met redenen omkleed melding aan de cliënt en de verwijzer. De zorgaanbieder kan de aangevangen ondersteuning alleen beëindigen nadat er een passend alternatief is gevonden. De zorgaanbieder verleent volledige medewerking aan een warme, zorgvuldige en vlotte overgang van cliënten naar de door de gemeente gecontracteerde aanbieder en bevordert ononderbroken voortzetting van de zorg. Bij beëindiging van ondersteuning wordt de reden voor de beëindiging in samenspraak met het cliëntsysteem vastgesteld. De reden wordt opgenomen in het zorgdossier. De zorgaanbieder rapporteert over de redenen beëindiging zorg aan de gemeente. 38 Verlenging maatwerkvoorziening (niet van toepassing op beschermd wonen) 38.1 Indien de cliënt na afloop van een maatwerkvoorziening deze voortgezet wil hebben, moet hij/zij dit minimaal acht weken voor afloop van de beschikking aangeven bij de Gemeentelijke Toegangspoort. De zorgaanbieder kan de cliënt hierbij helpen. Een verzoek tot voortzetting dat minder dan acht weken voor afloop van de beschikking wordt ingediend, is ten tijde van het aflopen van de beschikking mogelijk nog in behandeling. 38.2 Indien de toewijzing afloopt en verlenging van de maatwerkvoorziening gewenst is, dient de zorgaanbieder bij de melding aan de verwijzer ten behoeve van een herindicatie altijd een evaluatieverslag aan te leveren. Bij de evaluatie staat de actuele ondersteuningsbehoefte van de cliënt centraal. 39 18+/18- (niet van toepassing op beschermd wonen) De zorgaanbieder draagt zorg voor een goede doorgaande zorglijn van 18- naar 18+. De zorgaanbieder start, samen met de jeugdige, op zestienjarige leeftijd met het maken van een toekomstplan waarbij een regisseur wordt benoemd. Netwerkondersteuning maakt onderdeel uit van het toekomstplan. 40 Samenwerking (niet van toepassing op beschermd wonen) 40.1 Op verzoek van de gemeente participeert de zorgaanbieder in lokale netwerkgesprekken en contractmanagementgesprekken (zie 61). 40.2 De zorgaanbieder zoekt, indien van toepassing, actief samenwerking met de wijkverpleegkundige. 40.3 De zorgaanbieder werkt samen met de mantelzorgers die zijn betrokken bij een cliënt. De zorgaanbieder heeft aandacht en begrip voor de belangen en de positie van de mantelzorgers van een cliënt, betrekt de mantelzorgers bij de ondersteuning en stemt de ondersteuning af op de mantelzorger. 40.4 De zorgaanbieder stemt, in geval er samenloop van zorg en ondersteuning is bij een bepaalde cliënt, ook af met zorgverzekeraars, het zorgkantoor en behandelaars. 40.5 De zorgaanbieder werkt op operationeel-, tactisch- en strategisch niveau samen met alle betrokkenen. 40.6 Samenwerking met het onderwijs bij kinderen en jeugdigen De zorgaanbieder werkt samen met onderwijs (o.a. leerkrachten, jeugdgezondheidszorg, schoolmaatschappelijk werk, intern begeleider, zorgcoördinator, leerplichtambtenaar en ambulante begeleider van samenwerkingsverband). Er dient afstemming plaats te vinden tussen eventuele ondersteuning in de thuissituatie en ondersteuning op school. Belangrijk is de verbinding en het maken van zo concreet mogelijke afspraken met het onderwijsveld/Passend Onderwijs, zowel met het Primair onderwijs als het Voortgezet Onderwijs. De verbinding zit op een aantal onderdelen maar zeker ook op het goed aansluiten van het VO op het ROC waardoor jeugdigen een goede aansluiting vinden en daarmee de mogelijkheid tot het behalen van een startkwalificatie. Met als doel zoveel mogelijk aan het werk te komen. De zorgaanbieder houdt rekening met de continuïteit van het onderwijs voor het kind om verzuim zoveel mogelijk te voorkomen. Zorg wordt zoveel mogelijk op school aangeboden. De zorgaanbieder brengt onderwijs op de hoogte van: wachttijd voor de geïndiceerde hulp, start/voortgang/beëindiging van jeugdhulp, handelingsadvies voor leerkrachten en overige adviezen. Uiteraard binnen de wetten van de privacy. Belangrijk is de verbinding en het maken van zo concreet mogelijke afspraken met het onderwijsveld/Passend Onderwijs, zowel met het Primair onderwijs als het Voortgezet Onderwijs waaronder het ROC waardoor jeugdigen een startkwalificatie kunnen behalen en aan het werk komen. De zorgaanbieder werkt volgens convenant Onderwijs Jeugd augustus 2017. 40.7 Relatie met gedwongen jeugdhulp De partijen die voor de regio de gedwongen jeugdhulp uitvoeren hebben een subsidiecontract in het kader bestek C2 Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Het is van belang om een gedegen samenwerking te realiseren met deze partijen. In bepaalde gevallen hebben deze partijen een door de kinderrechter gemandateerd recht om zorg toe te wijzen. 40.8 Relatie met residentiële jeugdhulp Het is van belang de verbinding te leggen met residentiële jeugdhulp. Opzet is om zware residentiële zorg te beperken en in plaats daarvan zoveel mogelijk in te zetten kortdurend verblijf de plek te bieden, zodat de jeugdige zoveel mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan worden ondersteund. 40.9 Relatie met inkomensondersteuning – Berg en Dal, Beuningen en Nijmegen Wat betreft bewindvoering stellen we de eis dat instellingen cliënten niet direct (via de rechter) naar bewindvoerders verwijzen maar deze cliënten met een advies door leiden naar gemeentelijke schuldhulpverlening, waar beoordeeld wordt of bewindvoering wenselijk is of dat een cliënt op een effectievere of efficiëntere wijze geholpen kan worden binnen de keten schuldhulpverlening. 45 Eigen bijdrage Wmo (niet van toepassing op beschermd wonen) 45.1 Voor vragen rondom het bestaan, de reikwijdte en de maximale hoogte van de Eigen Bijdrage verwijst de zorgaanbieder cliënten, indien zij dit verzoeken, naar de Gemeentelijke Toegangspoort. Voor vragen rondom de berekening en de inning van de eigen bijdrage verwijst de zorgaanbieder cliënten, indien zij dit verzoeken, naar het CAK. 45.2 De eigen bijdragen worden (landelijk) geïnd door het CAK. Dit is in een Algemene Maatregel van Bestuur vastgelegd. De gemeente maakt afspraken met de zorgaanbieder over het aanleveren van de gegevens die nodig zijn voor de berekening en inning van de eigen bijdrage aan het CAK. De zorgaanbieder levert de gegevens over de geleverde uren/dagdelen, en eventuele correcties, op periode- en cliëntniveau aan conform het informatiemodel eigen bijdragen ‘iEb’. 45.3 Wanneer de verantwoordelijkheid van het aanleveren van productie gegevens overgaat van zorgaanbieder naar de gemeente dan vervalt voorgaand punt 45.2. De gemeente committeert zichzelf aan een tijdige communicatie hieromtrent. 46 Passende beloning (niet van toepassing op beschermd wonen) De gemeente hecht veel belang aan goed werkgeverschap, goed bestuur en een passende beloning voor zowel bestuurders als werknemers. Zij stelt daarom de volgende eisen aan de zorgaanbieders: De zorgaanbieder geeft invulling aan het begrip ´goed werkgeverschap´; De zorgaanbieder voldoet aan de wetgeving omtrent arbeidsomstandigheden (Arbowet, Arbobesluit en Arboregeling); Indien er sprake is van een in de branche toepasselijke algemeen verbi

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.