← Nederland

Beleidsregels Individuele Voorzieningen Wmo Capelle aan den IJssel 2011 (Capelle aan den IJssel)

In het kort

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Capelle aan den IJssel invulling geeft aan de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor individuele voorzieningen, zoals hulp bij het huishouden, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Ze zorgen ervoor dat de gemeente op een duidelijke en toetsbare manier besluiten neemt over ondersteuning voor mensen met beperkingen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels Individuele Voorzieningen Wmo Capelle aan den IJssel 2011 College van Burgemeester en Wethouders van Capelle aan den IJssel; Overwegende dat het gelet op het bepaalde in artikel 4 lid 2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Capelle aan den IJssel 2006, zoals gewijzigd, noodzakelijk is nadere regels te stellen; Besluit: Ter uitvoering van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Capelle aan den IJssel 2006, zoals gewijzigd, Beleidsregels ten behoeve van individuele verstrekkingen Wmo welke als bijlage aan dit besluit zijn gevoegd, vast te stellen. De Beleidsregels persoongebonden budget 2009 in te trekken. Artikel1 De Beleidsregels ten behoeve van individuele verstrekkingen Wmo, welke als bijlage aan dit besluit zijn gevoegd, zijn een integraal deel van dit besluit; Artikel2Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na de datum van bekendmaking; Artikel3Citeertitel Dit uitvoeringsbesluit wordt aangehaald als: Beleidsregels ten behoeve van individuele voorzieningen Wmo Capelle aan den IJssel 2011. Capelle aan den IJssel, ………datum Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester, G.Kruijt J.F. Koen Toelichting bij het besluit:Dit besluit bevat een bijlage waarin ter uitvoering van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Capelle aan den IJssel 2006, zoals gewijzigd, nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoeringspraktijk. Bij het verstrekken van voorzieningen dient de gemeente het wettelijk kader waarop de beschikkingen zijn gebaseerd, bekend te maken. Om dit inzichtelijk en toetsbaar te maken dienen de onderhavige beleidsregels volgens de Algemene wet bestuursrecht voor een ieder kenbaar en toegankelijk te zijn. De gemeente is voorts ook verplicht om een vaste gedragslijn te volgen bij de afweging van belangen, het vaststellen van feiten, kortom bij de (voorbereiding en uitvoering van

  1. de)besluitvorming. Omdat burgers er behoefte aan hebben kennis te (kunnen) nemen van deze gedragslijn, is de gemeente verplicht deze beleidsregels vast te leggen en openbaar te maken. De gemeente dient ter motivering van de individuele besluiten te verwijzen naar de van toepassing zijnde beleidsregel(
  2. s)en voorts te allen tijde volgens deze beleidsregels te handelen, tenzij dit zou leiden tot een onevenredig nadeel voor de betrokken gehandicapte. INHOUDSOPGAVE 1 alGemeen en procedures 7 1 DEFINITIES EN BEGRIPPEN 7 2 Inleiding 11 3 Juridische status van de beleidsregels 11 4 Doel van de Wmo, eigen verantwoordelijkheid 11 5 Compensatieplicht 11 1.5.1 Resultaatsverplichting 12 1.5.2 Doelgroep 12 1.5.3 Persoonskenmerken, behoeften en capaciteit 12 1.5.4 Voorzieningen 13 1.5.5 Procedures 13 6 Inkomensgrenzen en bedragen 13 7 Algemene criteria 13 1.7.1 Hoofdverblijf in capelle aan den ijssel 14 1.7.2 Langdurig noodzakelijk 14 1.7.3 In overwegende mate op het individu gericht 14 1.7.4 Adequaat en zo Goedkoop mogelijk 14 1.8 beperkingen en uitsluitingen 15 1.8.1 geen aantoonbare meerkosten 15 1.8.2 Voorziening is voor de beschikking aangeschaft 15 1.8.3 Nieuwe aanvraag voor eerder verstrekte Voorziening 15 9 De aanvraagPROCEDURE 16 10 Beslistermijn 16 11 Inlichtingen onderzoek en advies 16 12 ICF 16 13 Motiveren van Besluiten 17 14 Hardheidsclausule 17 2 Vorm van te verstrekken voorzieningen 18 2.1 Algemene, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen 18 2.1.1 Algemene voorzieningen 18 2.1.2 Algemeen gebruikelijke voorzieningen 18 2.1.3 Voorliggende voorzieningen 18 2 collectieve voorzieningen 19 3 Individuele voorzieningen 19 4 Voorzieningen in natura 19 5 Financiële tegemoetkoming 20 6 Forfaitaire en gemaximeerde vergoedingen 20 7 eigen bijdrage en eigen aandeel 20 8 besparingsbijdrage 20 9 Persoonsgebonden budget (Pgb) 20 2.9.1 Pgb vs. primaat algemene en collectieve voorzieningen 21 2.9.2 Voorwaarden Pgb 21 2.9.3 Omvang Pgb 21 2.9.3.1 Omvang Pgb voor hulp bij het huishouden (
  3. hh)21 2.9.3.2 Omvang Pgb voor hulpmiddelen/voorzieningen 22 2.9.4 Programma van eisen 22 2.9.5 Uitbetaling van het pgb 23 2.9.6 Verantwoording 23 2.9.6.1 Verantwoording Pgb en hulp bij het huishouden 23 2.9.6.2 Verantwoording Pgb voorzieningen 23 2.9.7 Bewaartermijn 24 2.9.8 intrekking en terugvordering 24 3 Hulp bij het huishouden 26 1 Inleiding 26 2 Mogelijke voorzieningen 26 3 Mantelzorg 26 4 algemeen gebruikelijke voorzieningen 26 3.4.1 Kinderopvang 27 3.4.2 Boodschappendienst 27 3.4.3 Glazenwasser 27 3.4.4 Maaltijdservice en kant en klaarmaaltijden 27 3.4.5 Technische hulpmiddelen 27 3.5 Algemene hulp bij het huishouden 27 3.5.1 Boodschappendienst 27 3.5.2 Maaltijdservice 28 3.6 Gebruikelijke zorg 28 3.6.1 Werk, opleiding, hobby’s 28 3.6.2 Leeftijd, cultuur, gewenning 28 3.6.3 Opvang en verzorging van kinderen 28 3.6.4 Bijdrage kinderen aan het huishouden 29 3.6.5 Overbelasting en gebruikelijke hulp 29 3.6.6 Terminale zorg 29 3.6.7 Woongroepen 30 3.7 Omvang hulp bij het huishouden 30 3.7.1 Hulp bij het huishouden type HH1 30 3.7.1.1 Het doen van boodschappen voor het dagelijkse leven 30 3.7.1.2 maaltijdverzorging: broodmaaltijd en warme maaltijd 31 3.7.1.3 Licht poetswerk in huis, kamers opruimen 31 3.7.1.4 Zwaar huishoudelijk werk 32 3.7.1.5 Verzorging kleding/linnengoed 32 3.7.2 Hulp bij het huishouden type HH2 32 3.7.2.1 Anderen helpen in huis met zelfverzorging/bereiden van maaltijden (Voor kinderen) 32 3.7.2.2 Dagelijkse organisatie van het huishouden 33 3.7.2.3 Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische stoornissen 33 3.7.2.4 Advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden 33 3.8 Duur van de indicatie 35 3.8.1 Kortdurende hulp 35 3.8.1.1 Revalidatie 35 3.8.1.2 Realisatie voorliggende voorzieningen 35 9 HH2 en begeleiding 36 10 Uitruil van zorg 36 4 Woonvoorzieningen 37 4.1 Inleiding 37 4.1.1 Algemene woonvoorziening 37 4.1.2 Individuele woonvoorzieningen 37 4.2 Uitsluitingen en beperkingen 37 4.2.1 Hoofdverblijf 38 4.2.2 Geen noodzaak op grond van ergonomische belemmeringen 38 4.2.3 Verhuisd naar niet meest geschikte woning 38 4.2.4 Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten 38 4.2.5 stallingsruimte elektrische rolstoel/buitenwagen 39 4.2.6 Voorzienbaarheid vs onverwacht optredende noodzaak 39 4.2.7 Woonvoorzieningen in AWBZ-instellingen 39 4.2.8 Uitrustingsniveau sociale woningbouw 39 4.2.9 Aard van de gebruikte materialen 40 4.2.10 Anti-speculatiebeding 40 4.2.11 Uitbreiding van woonruimte 40 4.3 Het primaat van de verhuizing 40 4.3.1 Mantelzorg 41 4.3.2 Snelle compensatie 41 4.3.3 Financiële overwegingen voor de gemeente 41 4.3.4 (Financiële) Gevolgen voor de cliënt 41 4 Het primaat van de losse woonunit 41 5 Verhuis- en herinrichtingskosten 42 4.5.1 Aanvang werkzaamheden en inzicht in woning 43 6 Woningaanpassing en roerende woonvoorzieningen 43 7 Woningsanering 44 8 Tijdelijke huisvesting 44 9 Huurderving 45 10 Verwijderen van woonvoorzieningen 45 11 Uitraasruimte 45 12 Frequentie van woningaanpassing/verstrekken woonvoorzieningen 45 13 Aanpassing woonwagen, woonschip, binnenschip 46 5 Vervoersvoorzieningen 47 1 Inleiding 47 2 soorten vervoersvoorzieningen 47 5.2.1 Algemene vervoersvoorzieningen 47 5.3 Doel van het vervoer 47 5.3.1 Het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving 47 5.3.2 Recreatieve verplaatsingen 48 5.3.3 Vervoer in verband met werk en het volgen van onderwijs 48 5.3.4 Vervoer in verband met dagopvang/dagverzorging 48 5.3.5 Weekendvervoer voor AWBZ-bewoners 48 5.4 Primaat collectief aanullend vervoer 48 5.4.1 begeleiding in het CAV 49 5.4.2 Bewoners awbz-instellingen en begeleiding CAV 49 5.4.3 Contra-indicatie voor CAV (het niet kunnen reizen met het CAV) 50 5.5 overige vervoersvoorzieningen 50 5.5.1 Scootmobiel 50 5.5.1 Aangepaste fietsen 51 5.5.2 Aankoppelfiets/handbike 51 5.5.3 Gesloten buitenwagen 51 5.5.4 Een al dan niet aangepaste bruikleenauto 52 5.5.5 Gebruik van een taxi of rolstoeltaxi 52 5.5.6 Gebruik van bovenlokaal vervoer 52 6 Gebruik van de eigen auto 52 7 Aanpassing van de eigen auto 53 8 Overige bepalingen vervoer 53 5.8.1 Vervoer- en speelvoorzieningen voor kinderen, fietszitjes 53 5.8.2 Stalling 53 5.8.3 Rijvaardigheid en gewenningslessen 54 6 Rolstoelen 55 1 Inleiding 55 2 De algemene rolstoelvoorziening 55 3 Voorwaarden rolstoelvoorziening 55 6.3.1 Samenloop met vervoersvoorzieningen 55 6.3.2 Verstrekking in natura 55 6.3.3 verstrekking via een pgb 56 4 Sportrolstoel/sportvoorziening 56 5 Rolstoeltraining 56 6 Rolstoel voor AWBZ-bewoners 56 7 Rolstoel voor werk 57 7 BIJLAGE I De ICF: Functies 58 8 BIJLAGE II De ICF: Activiteiten en participatie 62 9 BIJLAGE III De ICF: Externe factoren 68 Aanvrager Degene voor wie de voorziening wordt aangevraagd. In geval de voorziening wordt aangevraagd ten behoeve van een minderjarige worden de ouders of wettelijk verzorgers als aanvrager aangemerkt. Adequaat Volgens objectieve maatstaven toereikend. Algemeen gebruikelijk Naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruik, dan wel bestedingspatroon van een persoon als aanvrager behorend. Een voorziening is algemeen gebruikelijk indien dit: in de reguliere handel verkrijgbaar is en niet speciaal voor gehandicapten is bedoeld en niet aanzienlijk duurder is dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel NB: Het doet hierbij niet ter zake of een middel specifiek voor een belemmering is aangeschaft. Algemene voorziening Een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon ondervindt. Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)De AWBZ is een verplichte, collectieve ziektekostenverzekering voor niet individueel verzekerbare ziektekostenrisico's. Verzekerd voor de AWBZ zijn ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen van Nederland die bepaalde inkomsten in Nederland genieten. Op grond van deze wet kan men bijzondere ziektekosten zoals kosten van langdurige opname in ziekenhuis of instelling vergoed krijgen. Deze kosten worden niet door de zorgverzekering vergoed. ANBOANBO staat voor Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen. Zij verzorgt naast tal van andere activiteiten, vervoer op basis van vrijwilligerswerk. Beperkingen Moeilijkheden die een persoon heeft met het uitvoeren van activiteiten. BesluitBesluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Capelle aan den IJssel 2007. BesparingsbijdrageOmdat iedereen dient te voorzien in de aanschaf van algemeen gebruikelijke zaken (bijvoorbeeld een fiets) is er een bedrag vastgesteld dat voor eigen rekening komt van de aanvrager. Dit is de zgn. besparingsbijdrage. Budgethouder Een persoon aan wie ingevolge deze Verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is. Centraal Administratie Kantoor (CAK)Het CAK berekent en incasseert de eigen bijdragen voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Wmo. Centrale Raad van BeroepDe Centrale Raad van Beroep (CRvB) is de hoogste bestuursrechter die oordeelt in hoger beroep over geschillen op het terrein van de sociale zekerheid en in ambtenarenzaken. Cliënt Persoon met beperkingen: een persoon die tengevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik van de woning; bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden. Ook wanneer hulp bij het huishouden wordt gevraagd in het functioneren van een huishouden door een andere persoon dan cliënt blijft degene met de gezondheidsproblemen de cliënt. Collectieve voorziening Dit zijn Wmo-voorzieningen die individueel worden verstrekt, maar die toch door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Bijvoorbeeld het collectief aanvullend vervoer (CAV). Compensatieplicht De opdracht aan het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie. Culturele diversiteit Er wordt bij de indicatiestelling/verstrekking van Wmo-voorzieningen geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, wijze van inkomensverwerving en persoonlijke opvattingen. Er wordt uitgegaan van een veelzijdige samenleving waarin ieder gelijke aanspraken kan maken op een Wmo-voorziening. Directe woon- en leefomgevingDe gemeente is verantwoordelijk voor de vervoersbehoefte tot en met vijf OV-zones vanaf diens woonadres of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand tot en met 5 OV-zones vanaf het woonadres van de cliënt. Onder de directe woon- en leefomgeving wordt dus een afstand van maximaal 5 OV-zones verstaan. Disfunctioneren (dreigend) Hulp bij het huishouden komt in beeld als disfunctioneren van het huishouden dreigt. Dat kan zich uiten in vervuiling van de woning of kleding, verwaarlozing of ontreddering van zichzelf of afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in of buitenshuis belemmerd wordt. Draagkracht-draaglast Zie overbelasting. Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten Een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking van een voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget betaald moet worden en waarop de regels van het Besluit van toepassing zijn. Financiële tegemoetkoming Een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de aanvrager. Fokus woningenVolledig aangepaste, gelijkvloerse woningen geschikt voor rolstoelgebruikers. De woningen zijn geïntegreerd in een woonwijk of appartementencomplex. De woningen zijn via een alarm-intercomsysteem rechtstreeks verbonden met een hulppost van waaruit desgewenst ADL-assistentie kan worden verleend. Gebruikelijke zorg Dit is de normale dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen of huisgenoten worden geacht elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. Gebruikelijke zorg voor kinderen Omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Ouders hebben zorg- en opvoedplicht jegens hun kinderen. GehandicaptenvoertuigEen gehandicaptenvoertuig is een voertuig dat is ingericht op het vervoer van een gehandicapte en dat niet breder is dan 1,10 meter. Indien een gehandicaptenvoertuig is uitgerust met een motor, betreft dit een motor waarvan de maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt. De volgende vervoersvoorzieningen worden aangemerkt als een gehandicaptenvoertuig: gesloten buitenwagen; scootmobiel; driewielfiets; rolstoelscooter (pendel). Huisgenoot Iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont. Huishouden Een leefeenheid bestaande uit 1 of meerdere volwassen personen die al dan niet tezamen met 1 of meer kinderen duurzaam een huishouden voeren. Indien er sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden c.q. de leefeenheid gerekend. Dit geldt ook voor woongemeenschappen voor gehandicapten. Hulp bij het huishouden Omvat het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem die of dat leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de cliënt dan wel van de leefeenheid waartoe cliënt behoort. ICF Afkorting van International Classification of Functioning, disability and health. Dit is een classificatie voor het beschrijven van het functioneren van mensen, inclusief factoren die op dat functioneren van invloed zijn. In en om de woningIn en om de woning betekent dat de aanvrager zich in, om en nabij zijn woning moet kunnen verplaatsen. Hierbij gaat het zowel om de doorgankelijkheid van de woning (trap, drempels), als voorzieningen om te kunnen verplaatsen en transfereren (zoals rolstoel en bijvoorbeeld een tillift). Het betreft ook de verplaatsing naar een centrale hal in een flat, waar veelal de brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het gebruik van de tuin. In de woning moeten de normale woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken valt daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de slaapvertrekken, het toilet, de keuken en de douche. Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen worden, als belanghebbende deze daadwerkelijk gebruikt. In principe zullen zolders zonder stahoogte, veelal bereikbaar zonder vaste trap, met bijvoorbeeld een vlizotrap, niet onder de compensatieplicht vallen. Het doel hierbij is dat men zich in die ruimten zodanig kan verplaatsen en zich daardoor zodanig kan redden dat normaal functioneren mogelijk is. Individuele voorziening Een voorziening die individueel wordt aangeboden indien een algemene of collectieve voorziening geen oplossing biedt. Inkomen Het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde dan wel de gehuwde personen tezamen vastgesteld op grond van het verzamelinkomen bedoeld in de Wet inkomstenbelasting of in de overige gevallen op grond van het belastbaar loon bedoeld in de Wet op de loonbelasting in het peiljaar. Het peiljaar is het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin aan een persoon maatschappelijke ondersteuning is verleend. Leefeenheid Zie huishouden. Lokaal (in het kader van ‘lokaal verplaatsen’)Onder lokaal wordt de directe woon- en leefomgeving verstaan. Zie ‘Directe woon- en leefomgeving’ in deze begrippenlijst. Maatschappelijke participatie Normale deelname aan het maatschappelijk verkeer, te weten het voeren van een huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven. MantelzorgLangdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. MantelzorgerEen persoon die mantelzorg verleent. Interne mantelzorg: mantelzorger maakt deel uit van het huishouden van de cliënt Externe mantelzorger: mantelzorger maakt geen deel uit van het huishouden van cliënt. Meerkosten Kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen voorziening, voor zover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening Norminkomen De normen, genoemd in paragraaf 3.2 van de Wet werk en bijstand, omgerekend tot een bedrag per kalenderjaar, waarbij deze normen voor een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die een alleenstaande of een alleenstaande ouder is, en die niet in een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de toeslag, genoemd in artikel 25, tweede lid, van de Wet werk en bijstand, en de normen van een alleenstaande of gehuwde, die in een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de bedragen, genoemd in artikel 23, tweede lid, van de Wet werk en bijstand. Overbelasting Het meer belasten dan het prestatievermogen toelaat. Oftewel het (on)evenwicht tussen draagkracht (=belastbaarheid) en draaglast (=belasting). OutillagemiddelenHulpmiddelen en voorzieningen die voor meerdere mensen – eventueel navolgend – (her)bruikbaar zijn. Zij kunnen eventueel op een individu zijn aangepast, maar dan is de aanpassing op eenvoudige wijze omkeerbaar. Tot de outillage behoren geen strikt individuele aangepaste hulpmiddelen (hulpmiddelen met aanpassingen die slechts voor en door de betreffende cliënt zijn te gebruiken). Partner De volwassene met wie de cliënt een gemeenschappelijke huishouding voert. Persoon met beperkingen Een persoon die ten gevolge van een ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik van een woning, bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden. Persoonsgebonden budget Een geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de in de Verordening en het Besluit te stellen regels van toepassing zijn. VerordeningDe Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2006. Voorziening in natura Een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt. Vrijwilliger Een persoon die onverplicht en onbetaald werkzaamheden verricht ten behoeve van andere mensen of de samenleving, zonder van deze werkzaamheden voor zijn of haar levensonderhoud afhankelijk te zijn. Wmo Wet maatschappelijke ondersteuning. Het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behoud van hun zelfstandig functioneren of deelname aan het maatschappelijk verkeer.WWBDe Wet werk en bijstandis de wet die in Nederland de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en bijstand regelt voor mensen die weinig of geen ander inkomen hebben en ook weinig of geen vermogen. Zelfredzaamheid Het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn regels opgesteld rond de individuele verstrekkingen aan burgers. De gemeente beoordeelt of iemand in aanmerking komt voor een voorziening. Dit doet de gemeente aan de hand van de wet, Verordening, Besluit en deze beleidsregels. Het is daarnaast de bedoeling dat de beleidsregels de cliënt houvast bieden. De cliënt kan met deze regels in de hand zelf zien of hij in aanmerking komt voor een bepaalde voorziening of hulpmiddel. De beleidsregels ‘Beleidsregels Individuele voorzieningen Wmo Capelle 2011’ zijn dan ook bedoeld om de manier waarop de gemeente Capelle aan den IJssel de Wmo uitvoert, voor iedereen helder te maken. In deze beleidsregels worden geen bedragen of hoogtes van tegemoetkomingen genoemd. Hiervoor wordt verwezen naar het Besluit. Voor de volledigheid wordt vermeld dat op de afdeling Wmo individuele voorzieningen ook uitvoering wordt gegeven aan gehandicaptenparkeerbeleid en woonurgentiebeleid. Hiervoor wordt verwezen naar ‘Beleidsregels inzake toewijzing gehandicaptenparkeerplaatsen, Capelle aan den IJssel 2008’en ‘Beleidsregels urgentie’. Dit beleid is dan ook niet opgenomen in deze beleidsregels betreffende de individuele voorzieningen Wmo. Voor de wet is de Verordening hoger in rang dan de beleidsregels. De beleidsregels zijn een verlengstuk van de Verordening. In de beleidsregels kan iedereen terugvinden hoe de toepassing van de Verordening in zijn werk gaat. De gemeenteraad stelt de Verordening vast, waarna het college van Burgemeester en Wethouders (college van B&W) de beleidsregels opstellen. De beleidsregels moeten overeenstemmen met de Verordening. De hoofdstukindeling van de beleidsregels en de Verordening zijn zoveel mogelijk gelijk opgebouwd. Hoofdstuk 1 bevat algemene informatie en een nadere uitwerking van de procedures zoals die omschreven zijn in de hoofdstukken 7, 8 en 9 van de Verordening. Hoofdstuk 2 gaat over de vorm van de te verstrekken individuele voorzieningen. Hoofdstuk 3 t/m 6 behandelt, ieder in een apart hoofdstuk, de verschillende individuele voorzieningen te weten hulp bij het huishouden, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. De Wmo heeft tot doel dat iedereen, ongeacht leeftijd of beperking, kan meedoen in de samenleving. Meedoen van álle burgers aan alle facetten van de maatschappij: wonen en werk, recreatie en ontmoeting. Om het ‘meedoen’ voor iedereen mogelijk te maken is een krachtige sociale structuur nodig waarin zelforganisatie, maatschappelijke binding en eigen verantwoordelijkheid een belangrijke plaats innemen. Overheid, gemeenschap en individu vervullen elk een rol in dit proces. De Wmo gaat er vanuit dat de burger allereerst zelf verantwoordelijk is voor de inrichting van zijn eigen leven. De gemeente neemt algemene maatregelen om belemmeringen weg te nemen. Burgers ondersteunen elkaar via allerlei sociale verbanden. De burger heeft dus niet alleen verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven, maar ook een verantwoordelijkheid om naar vermogen beschikbaar te zijn voor mensen in de omgeving. De gemeente stimuleert en faciliteert de mogelijkheden omtrent de eigen verantwoordelijkheid. De gemeente biedt daarnaast via individuele en collectieve voorzieningen een vangnet, voor het geval burgers ondanks eigen kracht en onderlinge steun niet voldoende tot zelfredzaamheid en participatie in staat zijn. Centraal in de Wmo staat de compensatieplicht. De betekenis ervan is anders dan die van de oude Wvg-zorgplicht. Grofweg ging het bij die plicht om algemene oplossingen voor vastgestelde handicaps. De compensatieplicht is evengoed bedoeld om oplossingen voor medische problemen te bieden, maar er is toch wel enig verschil. Onder compensatieplicht wordt verstaan: “de algemene verplichting aan het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie”.Voor welke compensatie uiteindelijk gekozen wordt, hangt van verschillende factoren af. De wens van de cliënt speelt hierbij vanzelfsprekend een rol, maar die wens geeft niet de doorslag. Objectieve criteria zoals bijvoorbeeld leeftijd, de ernst van de beperking, de prognose de aanwezigheid van mantelzorg en het kostenaspect zijn mede bepalend voor de uiteindelijke keuze van de oplossing van het probleem. Bij de compensatieplicht zijn een aantal aspecten van belang die in de volgende paragrafen uitgebreider worden besproken. Met de compensatie wordt getracht om een zo goed mogelijke vergelijkbare positie te creëren als voor een persoon zonder beperkingen. De compensatieplicht is er niet op gericht om de persoon tot in de hoogst mogelijke graad te compenseren zodat men in staat is om dezelfde activiteiten te verrichten als een niet-gehandicapte persoon, maar op het vergroten van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname aan het maatschappelijk verkeer wordt in ieder geval verstaan: het kunnen voeren van een huishouding het normale gebruik kunnen maken van de woning het zich in en om de woning kunnen verplaatsen het zich zodanig kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij bovenregionale vervoerssystemen het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan het lokale maatschappelijk leven. Het einddoel van de compensatie bestaat dus uit: 1.Het kunnen voeren van een huishouden Voor personen bij wie beperkingen zijn geconstateerd ten aanzien van het voeren van een huishouden kan de gemeente een voorziening verstrekken. Bij de beoordeling wordt in eerste instantie gekeken naar de gezinssituatie en het sociale netwerk van de persoon. Indien vanuit het huishouden of het sociale netwerk voldoende ondersteuning kan worden geboden is een aanvullende voorziening niet noodzakelijk. 2.het zich in en om de woning kunnen verplaatsen Indien beperkingen worden ondervonden bij het verplaatsen in en om de woning dient hiervoor een compensatie aangeboden te worden. Deze voorziening kan bestaan uit een woningaanpassing, rolstoel, vervoersvoorziening maar ook uit het aanbod van hulp bij het huishouden of een andere voorziening om op deze wijze de beperking op te heffen of te verminderen en normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. 3.Lokaal verplaatsen Indien belemmeringen worden ondervonden bij het zich lokaal verplaatsen voor deelname aan het maatschappelijk verkeer kan een voorziening worden aangeboden. De voorziening zal behalve het kunnen bereiken van bestemmingen binnen de vastgestelde grenzen er (indien van toepassing) ook op gericht dienen te zijn, aan te sluiten op bovenregionale vervoerssystemen (o.a. Valys, Nederlandse Spoorwegen). 4.Medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aangaan Bij de beoordeling van de voorziening die wordt aangeboden dient er rekening mee te worden gehouden dat een voorziening er in voldoende mate aan bijdraagt om de persoon in de gelegenheid te stellen medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Het aanbod van voorzieningen gaat verder dan alleen voor de persoon die een belemmering ondervindt. Zo kan bijvoorbeeld ook bij (dreigende) overbelasting van een mantelzorger extra huishoudelijke verzorging geïndiceerd en ingezet worden. Op deze wijze kan de mantelzorger in staat worden gesteld om sociale verbanden aan te gaan. Uit Wmo-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) blijkt dat de gemeente de rechtsplicht heeft om in elk concreet geval een voorziening te treffen die gericht is op het compenseren van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Ook dient een in het kader van artikel 4 Wmo genomen Besluit, in het individuele geval maatwerk te zijn. Er moet sprake zijn van (aantoonbare) beperkingen als gevolg van een ziekte of gebrek en het verstrekken van een voorziening moet (medisch gezien) noodzakelijk zijn. Een onderzoek door een deskundige moet die noodzaak vaststellen. De doelgroepen waarop de maatschappelijke ondersteuning betrekking heeft zijn: mensen met een beperking of chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem dat hen belemmert in het maatschappelijke leven en bij het zelfstandig functioneren en die hun zelfstandigheid kunnen houden en verbeteren en deel kunnen nemen aan het maatschappelijke leven met behulp van voorzieningen; mantelzorgers en vrijwilligers; deze komen alleen in aanmerking voor voorzieningen wanneer zij die zelf nodig hebben. Als de voorziening bedoeld is voor degene die zij verzorgen, dan moet de voorziening op de naam van die persoon aangevraagd worden en niet op die van de mantelzorger. Essentieel onderdeel van de compensatieplicht is het maatwerk dat dient te worden geboden. Bij de beoordeling van de individuele voorziening wordt rekening gehouden met de persoon. Hierbij gaat het in ieder geval om: fysieke en mentale omstandigheden die samenhangen met de ziekte of beperking, in het bijzonder progressief verloop; de gezinssituatie, de leefsituatie, de directe woonomgeving en de sociale omgeving; levensbeschouwelijke activiteiten; sociale contacten, familiecontacten; sociale en culturele activiteiten, vrijwilligerswerk; ontwikkelingen in de tijd met betrekking tot onder a. tot en met f. genoemde omstandigheden; de specifieke individuele behoefte. De compensatieplicht ten aanzien van de zelfredzaamheid op de in 1.5. genoemde gebieden wordt uiteindelijk vaak vertaald in het verstrekken van een voorziening of hulpmiddel of combinatie daarvan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen algemene voorzieningen en individuele (waaronder collectieve) voorzieningen. De algemene voorzieningen worden besproken in hoofdstuk 2. De individuele voorzieningen komen aan de orde in hoofdstuk 3 (HH), hoofdstuk 4 (woonvoorzieningen), hoofdstuk 5 (vervoersvoorzieningen) en hoofdstuk 6 (rolstoelen). De Wmo onderscheidt zich van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) doordat niet meer de beschikbare producten beschreven staan en uitgangspunt zijn van de aanvraagprocedure, maar de problemen of beperkingen die door de cliënt ondervonden worden en het te bereiken resultaat in relatie tot de vier terreinen die in artikel 4 Wmo zijn omschreven, te weten: het voeren van een huishouden; zich verplaatsen in en om de woning; zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel; medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aangaan. Het vierde terrein duidt niet alleen op bepaalde oplossingsmogelijkheden. De formulering van het resultaat is het gevolg van acties op de eerste drie terreinen en kan als einddoel daarvan gezien worden. De Wmo is immers ook samen te vatten in het woord “meedoen”. Prestatieveld 6 van de Wmo ondersteunt daarbij via het verstrekken van individuele voorzieningen, als daar aanleiding toe is. Hiertoe zal in een gesprek met de cliënt beoordeeld moeten worden wat het te bereiken resultaat zal zijn. Daarna kan bekeken worden welke voorzieningen betrokkene zelf kan verwerven, welke voorzieningen er al beschikbaar zijn, omdat zij in de maatschappij voor iedereen aanwezig zijn (algemeen gebruikelijke en algemene voorzieningen) en uiteindelijk welke individuele voorzieningen met alles wat er al is noodzakelijk zijn om het beoogde resultaat te bereiken. De gemeenteraad stelt op grond van artikel 4 en 5 Wmo bij Verordening voorwaarden waaronder personen aanspraak hebben op individuele voorzieningen. Een mogelijke voorwaarde is het hanteren van inkomensgrenzen. Het hanteren van een inkomensgrens betekent dat bepaalde voorzieningen niet worden verstrekt aan cliënten met een inkomen boven een bepaalde grens. De achterliggende gedachte daarbij is dat een cliënt met een inkomen boven een vooraf ingestelde inkomensgrens in staat wordt geacht de voorziening volledig zelf te betalen. De gemeente Capelle aan den IJssel heeft ervoor gekozen geen inkomensgrenzen te hanteren met betrekking tot het verstrekken van Wmo-voorzieningen. Als eenmaal duidelijk is dat er beperkingen zijn door ziekte of gebrek en dat men hierdoor problemen ervaart in het zelfstandig functioneren, dan worden deze samen met de oplossingen hiervoor in kaart gebracht. Allereerst wordt bekeken of men in het kader van de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager zelf in een oplossing zou kunnen voorzien. Vervolgens wordt er gekeken naar algemene criteria, voorwaarden, beperkingen en uitsluitingen ten aanzien van het verstrekken van voorzieningen. Dit zijn algemeen geldende regels. Het gaat hier om een aantal begrippen: de cliënt dient zijn hoofdverblijf in Capelle aan den IJssel te hebben de voorziening moet langdurig noodzakelijk zijn. Uitzondering op deze regel: indien voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is de voorziening moet naar objectieve maatstaven gemeten aangemerkt worden als meest adequate en zo goedkoop mogelijke voorziening de voorziening dient in overwegende mate op het individu gericht te zijn De compensatieplicht geldt alleen voor mensen die in de gemeente Capelle aan den IJssel woonachtig zijn en staan ingeschreven in het bevolkingsregister. De enige uitzondering hierop vormt het bezoekbaar maken van een woning voor een persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling (zie verder hoofdstuk 4 woonvoorzieningen). Bij de termijn ‘langdurig noodzakelijk’ spelen meerdere factoren een rol. De grens van wat langdurig noodzakelijk is, wordt door meerdere factoren bepaald. Naast de vraag of het probleem overgaat of blijvend is, spelen ook factoren als een tijdslimiet, prognose en antirevaliderende/contraproductieve werking een rol. Tijdelijke beperking Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, niet voor een rolstoel-,vervoer- en/of woonvoorziening in aanmerking komt. Zij die tijdelijk beperkingen ondervinden kunnen een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de thuiszorgorganisaties die zijn opgezet in het kader van de AWBZ. Bij een thuiszorgwinkel is het mogelijk een hulpmiddel te lenen voor een termijn van maximaal 6 maanden. In aansluiting hierop houdt in principe langdurig noodzakelijk een termijn van minimaal 6 maanden in. Prognose Naast de benadering van ‘langdurig noodzakelijk’ vanuit de eventuele tijdelijkheid van een beperking, is ook de prognose van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag van een kortdurende noodzaak worden uitgaan en zal de Wmo-aanvraag worden afgewezen. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand gevolgd wordt door situaties van terugval, kan worden uitgegaan van een langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is. Incidenteel komt het voor dat iemand na een lange revalidatie uiteindelijk toch weer (nagenoeg) geheel zal herstellen. Stel dat een dergelijke revalidatieperiode twee jaar zou zijn, dan is de gemeente toch gehouden een voorziening te treffen. Succesvolle behandeling/anti-revaliderend Indien een succesvolle behandeling van de beperkingen ten tijde van het besluit nog open staat, is de gemeente niet gehouden Wmo-voorzieningen te verstrekken. Indien de klachten met bijvoorbeeld fysiotherapie te verhelpen zijn, is geen sprake van een langdurige noodzaak. Ook is het mogelijk dat de verstrekking van voorzieningen de behandeling doorkruist en daardoor antirevaliderend of contraproductief zou werken. Uitzondering Kortdurende hulp bij het huishouden valt wel onder de Wmo. Dat betekent dat de gemeente ook verantwoordelijk is voor de kortdurende hulp bij het huishouden, bijvoorbeeld na een ziekenhuisopname. Het verstrekken van een voorziening heeft tot doel om de belemmeringen die de cliënt zelf ondervindt op te heffen of te verminderen. In principe wordt geen rekening gehouden met de belemmeringen die door mensen uit de omgeving van de cliënt worden ondervonden. Het gaat om de vraag of de te verstrekken voorziening voor de cliënt zelf een adequate voorziening is. Dit betekent dat er altijd één individuele aanvrager moet zijn die de voorziening aanvraagt. Aanvragen worden (gedeeltelijk) afgewezen voor zover zij ook betrekking hebben op andere personen dan de persoon met een beperking of probleem. Het college kan alleen individuele voorzieningen verstrekken voor het compenseren van beperkingen die de belanghebbende zelf ondervindt. Het is dus niet mogelijk om individuele voorzieningen te verstrekken voor het compenseren van beperkingen - hoe ernstig die op zichzelf ook kunnen zijn - die huisgenoten eventueel door het gedrag van de belanghebbende ondervinden. Dit betekent dat indien meer voorzieningen als adequaat kunnen worden aangemerkt, de goedkoopste voorziening wordt verstrekt. Adequaat Eigenschappen van de voorziening die kostenverhogend werken zonder dat deze noodzakelijk zijn, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden mag het duidelijk zijn dat bij een verantwoord niveau, maar ook niet meer dan dat, dient te worden aangesloten. Goedkoop(
  4. st)De goedkoopste voorziening is de voorziening die voor de gemeente het financieel voordeligst is. Welke voorziening dat voor de gemeente is, hangt van meer zaken af dan alleen de prijs. Ook het gemeentelijk beleid en de consequenties daarvan kunnen medebepalend zijn bij het beantwoorden van de vraag welke voorziening de goedkoopste is. Verantwoorde voorziening Als het over een voorziening gaat, gaat het altijd over een verantwoorde voorziening. Verantwoorde voorzieningen zijn voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en klantgericht zijn. Dit is het geval wanneer: de voorziening zorgt dat de cliënt geen last meer heeft van de belemmering of tenminste zo min mogelijk (compensatieplicht), zodat hij weer kan deelnemen aan het maatschappelijk leven; de voorziening op maat is voor de individuele cliënt, zijn belemmeringen en zijn omgeving; de voorziening een bijdrage levert aan het versterken van de zelfstandigheid van de cliënt en de mogelijkheid om zelf vorm te geven aan zijn leven; de voorziening de cliënt in staat stelt om zijn sociale rollen als bijvoorbeeld partner of ouder zoveel mogelijk te vervullen. Bij de keuze voor hulpmiddelen gelden de volgende regels: de gemeente kiest een voorziening uit het aanbod hulpmiddelen van de leverancier(
  5. s)die door de gemeente hiervoor zijn geselecteerd; wil de cliënt een voorziening die afwijkt van de door de gemeente aangeboden voorziening/hulpmiddel dan is dit alleen mogelijk door te kiezen voor een persoonsgebonden budget. Vanzelfsprekend dient de door de cliënt zelf aan te schaffen voorziening verantwoord te zijn; de risico’s die de keuze van een zelf aan te schaffen voorziening met zich mee kan brengen, zijn voor de cliënt. Naast de algemene criteria zijn er nog een aantal situaties waarbij geen voorziening wordt toegekend. Dit is het geval bij: een algemeen gebruikelijke voorziening (zie hoofdstuk 2) het van toepassing zijn van een andere wettelijke regeling op de voorziening (zie hoofdstuk 2) als er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten, in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen, waarvoor de voorziening wordt aangevraagd (zie 1.8.1) als de voorziening al is aangeschaft c.q. kosten zijn gemaakt, voordat er een beschikking was (zie 1.8.2) als het gaat om een voorziening die al eerder is aangevraagd en waarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verlopen. Behalve als deze voorziening verloren is gegaan zonder dat de cliënt hier iets aan kan doen (zie 1.8.3) In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich meebrengt. Bijvoorbeeld er was reeds een particuliere hulp voor het huishouden aanwezig voordat cliënt aantoonbare beperkingen kreeg bij de uitvoering van het huishouden. De reeds aanwezige inzet van de particuliere hulp is echter voldoende om de later opgetreden beperkingen te compenseren. Om deze reden brengt het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich mee. Het doel van deze bepaling in artikel 61 lid a van de Verordening, is de gemeente niet in de positie te brengen dat de noodzaak, de adequaatheid en de passendheid van de aangevraagde voorziening(
  6. en)niet meer kan worden beoordeeld. Door het opnemen van deze bepaling wordt voorkomen dat een voorziening die vroegtijdig is aangeschaft uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen door de gemeente als adequaat goedkoopst wordt beschouwd. In beginsel mag dus niet eerder dan nadat het college een besluit op de aanvraag voor een voorziening heeft genomen een aanvang worden gemaakt met de werkzaamheden, dan wel tot aanschaf van een voorziening worden overgegaan. Wel is de gemeente altijd gehouden te onderzoeken wat de reden is dat hulpmiddelen vooraf zijn aangeschaft of voorzieningen zijn gerealiseerd. Het kan dan ook in uitzonderlijke situaties voorkomen dat wel wordt overgegaan tot vergoeding, indien uit onderzoek is gebleken dat er gegronde redenen zijn waardoor tot aanschaf van voorzieningen voor de beschikking is overgegaan. Hier gaat het om een voorziening die de cliënt al eerder van de gemeente heeft gekregen en waarvan de afschrijvingstermijn nog niet voorbij is. In dat geval komt er geen nieuwe voorziening. Behalve wanneer de voorziening waar het om gaat, buiten de schuld van de cliënt om, niet meer functioneel is. Onzorgvuldig gebruik en misbruik Wanneer blijkt dat reparaties aan voorzieningen nodig zijn vanwege onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik en dit zich vaker voordoet bij dezelfde cliënt wordt hem/haar duidelijk gemaakt dat dit niet geaccepteerd wordt en de kosten worden doorberekend aan de cliënt. Bij herhaling wordt een aangetekende waarschuwing naar de cliënt gestuurd waarin staat dat de voorziening wordt ingenomen als het weer gebeurt. In dat geval krijgt de cliënt ook geen nieuwe voorziening. Als de voorziening is ingetrokken krijgt cliënt, zolang de afschrijvingstermijn niet verlopen is, geen nieuwe voorziening. Bij grove nalatigheid geldt precies hetzelfde. Een voorziening wordt uitsluitend verstrekt op aanvraag. Voor zover het geen algemene voorziening betreft zal de aanvraag schriftelijk plaats moeten vinden. Dit gebeurt ingevolge artikel 58 van de Verordening aan de hand van een speciaal aanvraagformulier. De aanvraag wordt in behandeling genomen als het aanvraagformulier volledig is ingevuld en ondertekend en alle benodigde informatie aanwezig is. Op een aanvraag is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De werking van de Algemene wet bestuursrecht wordt hier als bekend verondersteld. Hier wordt niet nader op ingegaan. Als het aanvraagformulier volledig is en alle noodzakelijke gegevens tegelijkertijd verstrekt zijn, kan de aanvraag in behandeling worden genomen. Voor het behandelen van de aanvraag is een termijn van 8 weken beschikbaar. Als het niet lukt binnen de voorgeschreven 8 weken op een aanvraag een beschikking te nemen, dan zal voor het verstrijken van deze termijn de cliënt daarvan op de hoogte worden gesteld, onder vermelding van de nieuwe redelijke termijn waarbinnen nu een besluit verwacht kan worden. Hierbij geldt wel de regelgeving van de Wet op de Dwangsom en Beroep. Dit betekent dat als de reden van uitstel geen geldige reden is vanuit de Wet op de Dwangsom en Beroep, dit financiële gevolgen kan hebben voor de gemeente. Wat in een concreet geval een redelijke termijn is, is in het kader van de Wmo in zijn algemeenheid niet aan te geven. Zo zal een ingewikkelde woningaanpassing aanmerkelijk meer tijd vergen dan een betrekkelijk eenvoudige aanvraag voor een vervoersvoorziening. Artikel 64 lid 1 van de Verordening biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek om te bepalen of er al dan niet sprake is van een (medische) noodzaak. Daarnaast biedt de Awb ook bepalingen met betrekking tot advisering, Afdeling 3.3 Awb Advisering. De adviseur, of deze nu een ambtenaar betreft of een extern adviseur, dient zich aan de in de Wmo vastgelegde eisen en aan eventuele door de gemeente gestelde nadere eisen te voldoen. Daarbij dient de adviseringsprocedure cliëntgericht, transparant, uniform en overzichtelijk te zijn. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een cliënt geen medewerking verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de (medische) noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de (medische) noodzaak vastgesteld kan worden. In het tweede lid van artikel 64 worden een aantal situaties genoemd waarin het college de door haar aangewezen adviesinstantie om advies dient te vragen, met andere woorden wanneer vraagt de gemeente medisch advies. In het derde lid van artikel 64 staat bepaalt dat die gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag verschaft moeten worden aan de gemeente. Hierbij kan gedacht worden aan medische gegevens, maar ook aan financiële gegevens of aan medische indicatiegegevens op grond van de AWBZ. Bij medische gegevens komt het frequent voor dat informatie van de behandelende sector noodzakelijk is. Dit kan – zeker als dit schriftelijk moet - geruime tijd in beslag nemen. Dat werkt vertragend op de doorlooptermijn van de aanvraag. Ook in dit soort situaties kan met inschakeling van de cliënt vaak sneller over de benodigde gegevens beschikt worden, met name indien de cliënt aangeeft welk (groot) belang hij heeft bij het verstrekken van de gevraagde informatie aan de medische adviseur. Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelende sector uitsluitend plaatsvinden met toestemming van de cliënt. Artikel 64, lid 6 van de Verordening bepaalt dat bij de advisering de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie, gebruikt moet worden. De ICF is een classificatie van het menselijk functioneren. De classificatie is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn de domeinen verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken en in een zinvolle ordening geplaatst. Van de zeer uitgebreide ICF zijn met name de lijsten met “functies” en “activiteiten en participatie” voor de Wmo van belang. Daarom zijn deze lijsten als bijlage bij deze beleidsregels toegevoegd. Door de (medisch) adviseur wordt allereerst aangegeven om welke stoornissen het bij de cliënt gaat (de ICF is gericht op functiestoornissen). Een lijst van deze functies is opgenomen in een bijlage achter de beleidsregels. Problemen met functies leiden tot stoornissen bij activiteiten en participatie. Het is op dit niveau dat de compensatie op basis van de Wmo plaats zal moeten vinden. Ook bij de vermelding van deze stoornissen in “activiteiten en participatie” zal gebruik gemaakt worden van het begrippenkader van de ICF. Samengevat betekent dit dat de (medisch) adviseur in het licht van de aanvraag de stoornis en de daaruit volgende beperkingen evenals de mate van die beperkingen vermeldt, gerelateerd aan de mogelijke compensatie of de te verstrekken voorzieningen, waarbij het begrippenkader van de ICF wordt gebruikt. Aan de hand van het (medisch) advies wat door een externe partij wordt opgesteld vindt een beoordeling door de gemeente plaats op basis waarvan een besluit genomen wordt. Het advies is hierbij weliswaar leidend maar niet bindend: de gemeente kan altijd (gemotiveerd) afwijken van het advies (zie 1.13). Als er voldoende informatie is verzameld en indien noodzakelijk deskundigenadvies is ingewonnen kan een beslissing op de aanvraag van de cliënt genomen worden. Dit besluit (beschikking) zal schriftelijk aan de cliënt bekend gemaakt worden. In de beschikking die de cliënt krijgt, staat hoe de voorziening hem helpt zelfstandig te functioneren en hoe hij met de voorziening normaal deel kan nemen aan het maatschappelijk verkeer. De beschikking kan verschillende uitkomsten hebben: Toekenning van de aanvraag (aansluitend op aangevraagde voorziening); Toekenning van de aanvraag (afwijkend van aangevraagde voorziening); Afwijzing van de aanvraag. Als de gemeente een voorziening waar de cliënt om heeft gevraagd toewijst, is het in feite genoeg als er staat welke mogelijkheden de cliënt dankzij de voorziening krijgt. De compensatieplicht kan echter ook leiden tot een andere voorziening dan de voorziening waar de cliënt om heeft gevraagd. In deze gevallen moet de keuze van de voorziening duidelijk worden gemotiveerd met verwijzing naar de relevante bepalingen. Ook wanneer de gemeente op basis van de geldende regelgeving de aanvraag van een cliënt afwijst, moet dit gemotiveerd gebeuren. Dit kan niet op dezelfde manier als bij een toewijzing gebeurt. Hier moet gedacht worden aan een motivatie waaruit blijkt dat een voorziening niet noodzakelijk, onhandig of zelfs contrageïndiceerd is voor de cliënt. Dit omdat de cliënt ook zonder de voorziening zelfstandig kan functioneren en deel kan nemen aan het maatschappelijk verkeer. Burgemeester en Wethouders mag bij uitzondering een besluit nemen dat buiten de Wmo-regels valt. Dat is dan altijd wel een besluit dat in het voordeel van de cliënt uitpakt. Dit is de zogenaamde hardheidsclausule. De hardheidsclausule hoort bij de beleidsregels. Deze clausule zorgt er voor dat de beleidsregels en de wet zo rechtvaardig mogelijk toegepast kunnen worden. Het is niet de bedoeling dat iemand ten onrechte tussen wal en schip belandt. Als bij de beoordeling van een aanvraag blijkt dat de cliënt geen of maar voor een deel recht heeft op een voorziening, dan is de gemeente verplicht om te kijken of er redenen zijn om de hardheidsclausule in te zetten. Voorzieningen binnen de Wmo kunnen in verschillende vormen verstrekt worden, te weten als: Algemene voorzieningen Collectieve voorzieningen Individuele voorzieningen In natura In de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb) In de vorm van een financiële tegemoetkoming Bij algemene, algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen gaat het om mogelijkheden die in principe voor iedere inwoner van Capelle aan den IJssel beschikbaar zijn en/of niet specifiek voor mensen met een beperking zijn bedoeld, dan wel voorzieningen die in het kader van een andere regeling vergoed of verstrekt worden. Dergelijke voorzieningen gaan voor op een eventuele voorziening vanuit de Wmo. Daarbij gelden een aantal voorwaarden: De voorziening moet daadwerkelijk aanwezig zijn De voorziening moet niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten, hierbij redelijkerwijs rekening houdend met de persoonlijke (financiële) situatie van de cliënt. Er is geen wettelijke definitie van het begrip algemene voorziening. Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die door iedereen waarvoor ze bedoeld zijn op eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen zijn. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; en/of Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; en/of Het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele (zorg)behoefte. Kenmerk van algemene voorzieningen tenslotte is, dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of Pgb. In tabel 1.7 en in de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 is per voorziening (HH, wonen, vervoer, rolstoelen) aangegeven of en zo ja in welke vorm een algemene voorziening beschikbaar is binnen de gemeente Capelle aan den IJssel. Een voorziening is algemeen gebruikelijk indien een persoon zonder beperkingen, chronisch psychische problemen en psychosociale problemen, die in vergelijkbare persoonlijke omstandigheden als de cliënt verkeert, naar maatschappelijke maatstaf redelijkerwijs de beschikking zou (kunnen) hebben over een dergelijke voorziening. Waar de grens precies getrokken moet worden tussen wat algemeen gebruikelijk is en wat dat niet is, wordt afgemeten aan algemeen maatschappelijke normen. Door de gemeente wordt, op individuele basis, beoordeeld of dit het geval is. In het algemeen kan gesteld worden dat iets algemeen gebruikelijk is wanneer voldaan is aan de volgende voorwaarden: Het aan te schaffen object kan voor een niet-ondersteuningsbehoevende in een financieel vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon worden gerekend; Het is niet speciaal voor de ondersteuningsbehoevende; Het is in de reguliere handel te koop; Het is niet duurder dan soortgelijke producten. In de volgende gevallen kan een uitzondering worden gemaakt op het algemeen gebruikelijk zijn van een voorziening: indien het inkomen van de cliënt -mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking- onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken; indien ten gevolge van een plotseling optredende handicap zaken die nog niet zijn afgeschreven vervangen moeten worden. Iemand kan geen beroep doen op de Wmo als er een andere wettelijke grondslag bestaat die de vraag van de cliënt in behandeling kan nemen. Dit kan zowel om een publiekrechtelijke als een privaatrechtelijke juridische grondslag gaan. De Wmo kan op zijn beurt als een toereikende en passende voorliggende voorziening worden beschouwd ten aanzien van de Wet werk en bijstand (WWB). De WWB heeft dus geen voorrang op de Wmo. Tabel 1.7 Algemene, algemeen gebruikelijk en voorliggende voorzieningen (niet limitatieve opsomming) ALGEMENE VOORZIENINGEN ALGEMEEN GEBRUIKELIJKE VOORZIENINGEN VOORLIGGENDE VOORZIENINGEN ALGEMEEN -Alarmering -Financieel/administratieve ondersteuning -Boodschappenplusbus o.a. t.b.v. sociale contacten -Kosten telefoonabonnement -Hogere huurkosten door cv -AWBZ -Zorgverzekeringswet -Wet op de jeugdzorg -TOG 200 -Leerlingenvervoer -WIA HH -Boodschappendienst: boodschappenplusbus -Maaltijdservice: tafeltje dekje -Boodschappendienst, zoals Albert.nl. -Kinderopvang -Maaltijdvoorziening -Kant en klaarmaaltijden (supermarkt) -Hondenuitlaatdienst -Glazenwasserservice -Technische hulpmiddelen, waaronder wasmachine, wasdroger, vaatwasser -AWBZ, waaronder begeleiding en persoonlijke verzorging WOONVOORZIENING -Waterbed -Keramische kookplaat -Hendelkranen -Thermostaatkranen -CV -Zonwering (incl. elektrische bediening) VERVOERSVOORZIENING -Boodschappenplusbus t.b.v. sociale contacten -Automatische transmissie, elektrische ramen bij een auto -Brommobiel -Spartamet/fiets met hulpmotor -Tandemmet -Lage instapfiets -WIA ROLSTOELVOORZIENING geen -WIA Dit zijn Wmo-voorzieningen die individueel worden verstrekt, maar die toch door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Bijvoorbeeld het collectief aanvullend vervoer (CAV). Een collectieve voorziening is voorliggend op een individuele voorziening en kan alleen als voorziening in natura worden verstrekt. Individuele voorzieningen zijn de voorzieningen die geregeld worden in prestatieveld 6 van de Wmo, de voorzieningen waarover de Verordening handelt. Het toekennen van deze voorzieningen wordt gekenmerkt door een uitgebreide aanvraagprocedure, die leidt tot het afgeven van een beschikking waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Er zijn binnen de Wmo drie vormen van verstrekking mogelijk om het resultaat, het compenseren van problemen die een cliënt ondervindt, te bereiken: Voorziening(
  7. en)in natura (zie 2.4); financiële tegemoetkoming (zie 2.5); Persoonsgebonden budget (Pgb, zie 2.9). NB Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte (Artikel 7, lid 2, Wmo). De eerste mogelijkheid is de voorziening in natura. Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de cliënt kant en klaar een voorziening, hulp of hulpmiddel verstrekt waardoor de belemmeringen met betrekking tot het participatieprobleem worden weggenomen dan wel verminderd. Bij het verstrekken van voorzieningen in natura is het College zowel verantwoordelijk voor de verstrekking van de voorziening als ook de noodzakelijke nazorg zoals onderhoud, reparaties en verzekeringen. Losse voorzieningen > € 250,- worden door middel van een bruikleenovereenkomst aan de cliënt ter beschikking gesteld. Alle woonvoorzieningen <€ 250, aangepaste fietsen voor volwassenen en de meeste nagelvaste voorzieningen (met uitzondering van een traplift en plafondtillift) worden na verstrekking eigendom van de cliënt. Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een (deel van een) individuele voorziening mee te realiseren. Het aantal mogelijkheden voor een financiële tegemoetkoming is beperkt: het zal gaan om een bouwkundige woonvoorziening, uit te betalen aan de eigenaar van de woning en verhuiskostenvergoeding of een financiële tegemoetkoming voor gebruik van een taxi of een rolstoeltaxi. Bij een financiële tegemoetkoming zal de beschikking waarin dit bedrag wordt toegekend voorwaarden kunnen bevatten over de besteding van de financiële tegemoetkoming. Bij een financiële tegemoetkoming zal verantwoording afgelegd moeten worden over de besteding van de tegemoetkoming. Een forfaitaire vergoeding is een bedrag dat los van de werkelijke kosten en los van het inkomen wordt vastgesteld. Het is dus geen kostendekkend bedrag en zal niet op het inkomen van de cliënt worden afgestemd. Te denken valt aan een verhuiskostenvergoeding of een (rolstoel) taxikostenvergoeding. Ook hier kan eventueel wel rekening worden gehouden met een algemeen gebruikelijk deel, zoals bijvoorbeeld het tarief van het collectief vervoer. Over een forfaitaire vergoeding moet onder bepaalde voorwaarden verantwoording worden afgelegd. Aangezien het forfaitaire bedrag een algemeen bedrag is, beperkt de verantwoording zich tot het doel waarvoor het is uitgegeven en niet de concrete uitgaven. Bijvoorbeeld bij een verhuiskostenvergoeding moet er wel degelijk verhuisd zijn naar een door de gemeente geschikt bevonden woning. Een gemaximeerde vergoeding wordt los van het inkomen vastgesteld maar deze vergoeding wordt niet los van de werkelijk gemaakte kosten verstrekt. Een gemaximeerde vergoeding moet worden aangewend voor het doel waarvoor de vergoeding is verstrekt en kan dus worden afgerekend op declaratiebasis. De tegemoetkoming bij woningsanering wordt als gemaximeerde vergoeding verstrekt. Een financiële tegemoetkoming kan afhankelijk worden gesteld van het inkomen van de cliënt. De cliënt betaalt dan een gedeelte mee. Dit wordt een eigen aandeel genoemd. Wanneer er nog een algemeen gebruikelijk deel in het bedrag zit kan dit in mindering worden gebracht, ook naast een eigen aandeel. Een eigen bijdrage is een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking van een voorziening in natura of een Pgb betaald moet worden en waarop de regels van het Besluit van toepassing zijn. De hoogte van de eigen bijdrage is afgestemd op het inkomen. In het Besluit is weergegeven wat de (maximale) hoogte van deze bijdrage is. De heffing en inning van de eigen bijdrage wordt uitgevoerd door het CAK. De eigen bijdrage staat altijd los van de hoogte van het Pgb (zie 2.9.6). Dit betekent dat bij de uitbetaling en verantwoording van het Pgb geen rekening wordt gehouden met de eigen bijdrage die de cliënt moet betalen. Wanneer een voorziening wordt verstrekt waarmee een algemeen gebruikelijke voorziening wordt vervangen of kan worden vervangen, zal alleen verstrekking van de meerkosten aan de orde zijn. Het algemeen gebruikelijke deel zal door de cliënt zelf betaald moeten worden in de vorm van een besparingsbijdrage. Dit betekent dat het algemeen gebruikelijke deel niet vergoed zal worden. Voor welke voorzieningen een besparingsbijdrage geldt, is vastgelegd in het Besluit. De derde mogelijkheid is de in artikel 6 van de Wmo verplicht gestelde mogelijkheid een alternatief te ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb). Feitelijk is er nauwelijks verschil tussen een financiële tegemoetkoming en een Pgb. Een Pgb is een geldbedrag bedoeld om naar eigen voorkeur zelf hulp bij het huishouden of een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Op het Pgb kan een eigen bijdrage in mindering worden gebracht, tenzij het om een rolstoel gaat. De eigen bijdrage staat los van de hoogte van het Pgb. Ook kan eventueel met een algemeen gebruikelijk deel rekening worden gehouden. Het enige verschil met een financiële tegemoetkoming is dat een Pgb altijd wordt uitbetaald aan de cliënt/aanvrager, terwijl dit bij een financiële tegemoetkoming niet altijd het geval hoeft te zijn. NB Dit betekent dat bij bouwkundige woningaanpassingen, die aan de eigenaar, niet de bewoner (behalve als bewoner woningeigenaar is), moet worden uitbetaald, niet gesproken kan worden van een persoonsgebonden budget. Een Pgb is geen inkomen. Het Pgb vormt geen inkomen voor de budgethouder en hij hoeft hier derhalve geen inkomstenbelasting over af te dragen (artikel 3.104 onderdeel l Wet IB 2001). Dat ligt anders voor de zorgverlener die met het Pgb wordt betaald. Voor de zorgverlener moet het Pgb wel worden aangemerkt als belastbaar inkomen. Er zijn enkele regels en voorwaarden van toepassing op het Pgb. De eerste voorwaarde daarbij is dat een Pgb alleen verstrekt wordt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene en collectieve voorzieningen geen Pgb verstrekt wordt (zie ook hoofdstuk 1). Artikel 3 van de Verordening is een uitwerking van artikel 6 Wmo. Dit artikel bepaalt dat de gemeente personen, die aanspraak hebben op een individuele voorziening, de keuze moet bieden tussen het ontvangen van een voorziening in natura en het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar Pgb, tenzij hiertegen zwaarwegende bezwaren bestaan. De Verordening noemt hierbij: indien er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat een aangevraagd budget niet voor de inkoop van een individuele voorziening zal worden gebruikt en indien een cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder Pgb opgelegde verplichtingen. Wat gegronde redenen zijn kan per individu verschillen. Dit zal per situatie bekeken moeten worden. Er kan gedacht worden aan: Bestaande schuldproblemen (cliënt is bijvoorbeeld bekend bij schuldhulpverlening en heeft het traject nog niet afgesloten; Ernstige verslavingsproblematiek; Verstandelijke beperking; Psychische aandoening; Oneigenlijk gebruik van een Pgb in het verleden; In verleden niet gehouden aan opgelegde verplichtingen t.a.v. Pgb (zwaarwegende) efficiency overwegingen; Kortdurend (≤ 6 maanden) noodzakelijk (progressief ziektebeeld/korte indicatieduur). Daarnaast kan een cliënt ook geadviseerd worden niet voor een Pgb te kiezen, ondanks dat er geen gegronde redenen zijn om Pgb te onthouden. Dit komt met name voor als verwacht wordt dat er binnen 7 jaar een verandering in de situatie van de cliënt kan ontstaan. Bijvoorbeeld bij een progressieve aandoening, waardoor de verstrekte voorziening aannemelijk gezien, wel langer dan 6 maanden maar korter dan 7 jaar geschikt blijft. Bij een eventuele nieuwe aanvraag voor een soortgelijke voorziening wordt naar rato het uitgekeerde Pgb bedrag teruggevorderd (zie 2.9.8). Indien er gegronde reden(
  8. en)zijn om geen Pgb te verstrekken, wordt deze niet verstrekt. Uitzondering hierop kan zijn een situatie waarin het Pgb weliswaar op de rekening van de cliënt wordt gestort, maar: Iemand anders namens de cliënt optreedt om het Pgb te beheren én Deze persoon gemachtigd is voor en toegang heeft tot de rekening van de cliënt én Er geen beslag gelegd is op de rekening van cliënt. Bij het bepaalde van de omvang van het Pgb worden twee mogelijkheden onderscheiden: enerzijds het Pgb voor hulp bij het huishouden, anderzijds het Pgb voor voorzieningen, zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Bij diensten, zoals het leveren van een hulp bij het huishouden, gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. De uitbetaling zal dan ook plaats vinden per uur of een gedeelte daarvan. Bepaald is in artikel 6 lid 1 Wmo dat het uurbedrag vergelijkbaar met zorg in natura moet zijn en bovendien toereikend. Dat betekent dat het bedrag tenminste het minimumloonbedrag zal moeten zijn. De hoogte van het bedrag is vastgelegd in het Besluit en kan op grond van de Verordening (jaarlijks) worden geïndexeerd. Hierdoor kan de hoogte van het budget van jaar tot jaar verschillen. De cliënt ontvangt daarom in december van enig jaar bericht over de hoogte van het budget in het komende jaar. Wat betreft het Pgb voor voorzieningen zal per toekenning een berekening gemaakt moeten worden. Daarbij moet het bedrag voldoende zijn om de voorziening aan te schaffen en dus de bestaande problemen voldoende te compenseren. Het persoongebonden budget voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen wordt vastgesteld op de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte, indien van toepassing verhoogd met een normbedrag voor onderhoud, reparatie en eventuele verzekeringskosten. Dit worden ook wel de instandhoudingskosten genoemd. Omvang Pgb voorziening De omvang van het Pgb wordt afgeleid uit een offerte opgevraagd bij de leverancier waar de gemeente de voorziening in natura afneemt. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt dus uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het Pgb. Het is immers niet de bedoeling dat een Pgb meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een Pgb een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft. Omvang Pgb instandhoudingskosten Bij het berekende bedrag kunnen vervolgens bedragen geteld worden voor de instandhoudingskosten, voor zover daar ook sprake van is bij verstrekkingen in natura. Hiervoor wordt een normbedrag gehanteerd voor onderhoud, reparatie en verzekering. Het bedrag zal op declaratiebasis ter beschikking worden gesteld aan de cliënt. De cliënt kan een declaratie indienen tot aan het maximaal beschikbaar gestelde normbedrag, vergezeld met originele facturen en/of betalingsbewijs van de verzekering. De hoogte van dit normbedrag wordt gebaseerd op de vaste prijs voor instandhoudingskosten uit het voorkeursassortiment van de leverancier, of wordt bepaald op basis van de prijs genoemd in de opgevraagde offerte (bij voorzieningen buiten voorkeursassortiment). Gebruiksduur Iedere voorziening kent een zogenaamde gebruiksduur. Dit is de gemiddelde duur waarin adequaat gebruik gemaakt moet kunnen worden van die voorziening. Een cliënt wordt geacht met gebruikmaking van het Pgb minimaal gedurende deze periode in de aanschaf van een voorziening te kunnen voorzien. Dit wordt ook in de beschikking aangegeven. Na afloop van de periode wordt pas een nieuw Pgb of een voorziening in natura verstrekt als de technische levensduur van de voorziening verstreken is. Dit wordt door middel van een technisch rapport vastgesteld. Het kan voorkomen dat de minimale gebruiksduur is verstreken maar de voorziening nog technisch in orde is. Een nieuwe voorziening wordt op dat moment nog niet verstrekt. De gebruiksduur van de voorzieningen wordt vastgesteld aan de hand van de informatie van de gecontracteerde leveranciers. Indien een cliënt binnen de vastgestelde gebruiksduur opnieuw een aanvraag indient voor een (soortgelijke) voorziening, zal deze aanvraag worden afgewezen tenzij: het hulpmiddel adequaat is maar dermate intensief gebruikt dat de gebruiksduur in een specifiek geval korter is dan de gemiddelde gebruiksduur; de cliënt kan aantonen dat er sprake is van overmacht en dat het niet meer adequaat zijn van de voorziening niet te wijten is aan opzet of nalatigheid van de cliënt; er sprake is van gewijzigde (medische) omstandigheden, waardoor de voorziening die met het Pgb is aangeschaft geen adequate voorziening meer is en dit niet te voorzien was ten tijde van de indicatiestelling/verstrekking van het Pgb. Als het Pgb berekend is, wordt dit bij beschikking aan de cliënt bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het Pgb is en voor hoeveel jaar het Pgb bedoeld is. Het Pgb wordt verstrekt om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan, op te heffen of te verminderen. In de beschikking wordt opgenomen welke beperking gecompenseerd moet worden. Het is binnen deze grenzen de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt om een adequate voorziening/dienst aan te schaffen/in te huren. Indien de voorziening aan specifieke eisen moet voldoen, wordt dit specifiek in een programma van eisen opgenomen. Het probleem zal beschreven worden, er wordt geen specifieke voorziening genoemd. Bijvoorbeeld: de rolstoelvoorziening dient goed geveerd te zijn vanwege uw rugklachten. Indien er geen specifieke eisen zijn, zal er geen programma van eisen worden opgenomen. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, waardoor het te bereiken resultaat, het compenseren van problemen, niet bereikt wordt, wat op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een programma van eisen onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat programma van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking. Als het Pgb berekend is en bij beschikking aan de cliënt bekendgemaakt, wordt het Pgb op de rekening van de cliënt gestort. Het is niet mogelijk om het Pgb op rekening van iemand anders of bedrijf te storten. Het Pgb voor roerende woonvoorzieningen, woningaanpassingen beneden de €20.000 vervoersvoorzieningen en (sport)rolstoelen wordt in één keer uitgekeerd. Bij een Pgb voor woningaanpassingen van € 20.000 of meer zal het bedrag in termijnen uitbetaald worden. De werkzaamheden zullen ook in termijnen uitgevoerd worden. Per afhandeling van de werkzaamheden zal elke keer een deel van het Pgb beschikbaar worden gesteld. Het risico op oneigenlijk gebruik door storting van grote bedragen ineens, wordt hiermee beperkt. Het aantal termijnen van uitbetalen van een Pgb voor hulp bij het huishouden wordt vastgesteld aan de hand van de hoogte van het bedrag. Hierbij wordt een grens van €2.000 gehanteerd. Bij bedragen tot €2.000 wordt éénmaal per jaar uitbetaald, bij bedragen van €2.000 -€4.000 wordt tweemaal per jaar uitbetaald, bij bedragen van €4.000 - €6.000 wordt driemaal per jaar uitbetaald enz. Ook hier geldt door de uitbetaling van grote bedragen te spreiden over het jaar wordt het risico tot het in één keer uitgeven en/of oneigenlijk gebruik van het geld beperkt. Het Pgb moet besteed worden aan het doel waarvoor het is verstrekt. Dit betekent dat een Pgb voor een voorziening die bijvoorbeeld is verstrekt voor het compenseren van de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, ook aan dat doel besteed dient te worden. De budgethouder moet verantwoording afleggen aan het college van B&W over de besteding van het Pgb. De verantwoording van het Pgb voor hulp bij het huishouden dient plaats te vinden over zowel het verstrekte bedrag als over de uren. Het enige wat niet verantwoord dient te worden is een vrij besteedbaar bedrag van € 100,- op jaarbasis ongeacht de hoogte van de indicatie. Dit bedrag kan de budgethouder o.a. gebruiken om de hulp te bedanken voor de inzet gedurende het jaar, telefoonkosten e.d. De cliënt dient het gehele bedrag, minus het vrij besteedbaar bedrag, te besteden en ook het aantal geïndiceerde uren hulp moet ingezet worden. Het gehele verstrekte Pgb dient verantwoord te worden, de eigen bijdrage staat hier buiten. Immers bij een voorziening in natura, wordt ook rekening gehouden met een eigen bijdrage. De verantwoording van het Pgb geschiedt door middel van de verantwoordingsformulieren ontwikkeld vanuit de gemeente. Het verantwoorden op een andere manier is zonder toestemming van de gemeente niet toegestaan. De cliënt moet over elke betalingsperiode een verantwoordingsformulier opsturen. Dit moet binnen 4 weken na de betalingsperiode binnen zijn (artikel 2 lid 3 Besluit). Als uit de controle op de verantwoordingsformulieren blijkt dat de cliënt het Pgb niet op een juiste wijze heeft besteed (geen formulier, bedrag niet geheel besteed, aantal uren niet besteed) kan het Pgb na het verstrijken van de geldigheidsdatum van de beschikking worden teruggevorderd. Ook kan het gevolgen hebben voor nog uit te betalen delen van het budget (zie ook 2.9.8). Indien de cliënt de hulp bij het huishouden goedkoper in kan kopen dan het vastgestelde tarief mag het inkoopvoordeel door de cliënt gebruikt worden om meer uren HH in te kopen. Het inkoopvoordeel mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt. De verantwoording van het Pgb voor voorzieningen dient plaats te vinden over het verstrekte bedrag. Indien er ook een bedrag is gereserveerd voor instandhoudingskosten dient over de instandhoudingskosten apart verantwoording afgelegd te worden. Indien er extra kosten zijn gemaakt voor onderhoud en reparatie die de instandhoudingskosten overschrijden, zijn deze voor eigen rekening van de cliënt. De verantwoording van het Pgb geschiedt door middel van de verantwoordingsformulieren die door de gemeente zijn ontwikkeld. Het verantwoorden op een andere manier is zonder toestemming van de gemeente niet toegestaan. Het verantwoordingsformulier met betrekking tot de aanschaf van de voorziening dient binnen 3 maanden na uitbetaling opgestuurd te zijn naar de gemeente. Indien van te voren te verwachten is dat de cliënt deze termijn niet haalt, zoals bij grote woningaanpassingen, kan deze termijn verlengd worden. Het verantwoordingsformulier met betrekking tot de instandhoudingskosten dient binnen 1 maand na de gemaakte kosten binnen te zijn bij de gemeente. Er wordt dan direct overgegaan tot uitbetaling, tot de maximaal vastgestelde hoogte van de instandhoudingskosten. Naast het verantwoordingsformulier moeten altijd de volgende stukken worden meegezonden: De nota/factuur van de aangeschafte voorziening/reparatie/onderhoud; Een bewijs van betaling van de aangeschafte voorziening/reparatie/onderhoud. Iedere budgethouder dient de volgende bewijsstukken gedurende vijf jaar te bewaren. Deze termijn is in belastingwetgeving vastgelegd. Bij een voorziening: De nota/factuur van de aangeschafte voorziening/reparatie/onderhoud; Een bewijs van betaling van de aangeschafte voorziening/reparatie/onderhoud; De nota/facturen van eventuele reparaties en/of onderhoud; Verzekeringsbewijs bij elektrische voorzieningen. Bij hulp bij het huishouden: -Betalingsbewijs aan de hulpverlener (factuur, kwitantie) Bij oneigenlijk gebruik van een Pgb kan de beschikking worden ingetrokken. Zodra een beschikking wordt ingetrokken of gedeeltelijk wordt ingetrokken kan er tot terugvordering worden overgegaan. Terugvordering kan in de volgende gevallen (niet-limitatief) plaatsvinden: Het Pgb is niet besteed aan het doel waarvoor het is toegekend. Het Pgb voor voorzieningen is niet aangewend binnen drie maanden na uitbetaling. Indien het Pgb niet binnen drie maanden na uitbetaling is aangewend wordt het gehele bedrag teruggevorderd, tenzij de cliënt een legitieme reden heeft waarom het Pgb niet binnen de gestelde termijn is aangewend. Een legitieme reden kan bijvoorbeeld zijn dat iemand voor een langere periode is opgenomen in een ziekenhuis en niet in de gelegenheid is geweest een voorziening aan te schaffen. Het Pgb is niet geheel besteed aan de voorziening/hulp. Het gedeelte dat niet besteed is wordt teruggevorderd. Dit kan voorkomen als het bedrag niet geheel is besteed of als het aantal geïndiceerde uren hulp niet is ingezet. Bij verstrekkingen die slechts eenmaal per jaar plaatsvinden, kan pas na het verstrijken van de geldigheidsdatum van de beschikking teruggevorderd worden. Bij verantwoording meer dan eenmaal per jaar kunnen behalve terugvorderingen ook toekomstige betalingen tegengehouden worden. De verantwoordingsformulieren worden niet geretourneerd. Indien de formulieren niet binnen de gestelde termijn worden ingediend, wordt een nieuwe termijn gesteld voor het aanleveren van de stukken. Indien de formulieren wederom niet binnen de gestelde termijn worden teruggestuurd, wordt overgegaan tot terugvordering van het Pgb. Indien de cliënt een legitieme reden heeft waarom de verantwoordingsformulieren niet binnen de gestelde termijn konden worden ingediend, kan hiervan worden afgezien en moeten de formulieren alsnog zo spoedig mogelijk worden opgestuurd. Het kan voorkomen dat de middels een Pgb aangeschafte voorziening voortijdig kan komen te vervallen. Bijvoorbeeld bij overlijden, verandering in functioneren (beperkingen) waardoor de aangeschafte voorziening niet meer geschikt of nodig is, of als een cliënt binnen de periode waarvoor hij een Pgb heeft ontvangen naar een andere gemeente verhuist waardoor hij geen recht meer heeft op ondersteuning van de Gemeente Capelle aan den IJssel. Vanaf het moment dat de voorziening niet meer noodzakelijk is, is er sprake van een “onverschuldigde betaling”. Dit betekent dat het bedrag dat is uitgekeerd, vanaf het moment van vervallen tot het einde van de looptijd van het Pgb, teruggevorderd wordt. Bij een Pgb voor een voorziening geldt dat het hulpmiddel zelf niet teruggevorderd kan worden omdat het hulpmiddel eigendom is van de cliënt. Wel kan er naar rato een geldbedrag worden teruggevorderd. Indien de cliënt of nabestaanden niet in staat zijn het bedrag terug te betalen, kan in overleg met de cliënt of nabestaanden besloten worden de voorziening over te nemen. Dit doet de gemeente alleen als de voorziening opnieuw te verstrekken is. Richtlijn hierbij is dat de aangeschafte voorziening uit het voorkeursassortiment komt of specifiek door de gemeente wordt aangemerkt als voorziening welke herverstrekbaar is. Hierbij kan zo nodig de hulpmiddelenleverancier ingeschakeld worden voor advies. Indien een cliënt bij een veranderde (medische) situatie een nieuwe indicatie krijgt, wordt of het resterende bedrag afgetrokken van het te verstrekken Pgb of wordt dit teruggevorderd indien de cliënt kiest voor een voorziening in natura; Bij een verhuizing kan een cliënt bij de andere gemeente een Pgb aanvragen. Eventueel kan de voorziening door de andere gemeente worden overgenomen. De waarde van het middel wordt hierbij bepaald door het bedrag van het verstrekte Pgb te verminderen met de afschrijving (zie Besluit). Het initiatief voor de eventuele overname door de andere gemeente ligt bij de cliënt. In principe worden alle bedragen teruggevorderd. Er worden echter geen bedragen onder de €50,00 teruggevorderd (gebaseerd op Debiteurenbeleid Sociale zaken, Handboek WWB Hoofdstuk 11.2.8). Het terug te vorderen bedrag wordt in één keer teruggevorderd, tenzij een cliënt een betalingsregeling aanvraagt. In artikel 4 van de Wmo gaat het over de ondersteuning bij het voeren van een huishouden. Om een huishouden te voeren is het nodig om: een bereikbare, toegankelijke en bruikbare woning te hebben en die woning voor bewoning geschikt te houden. Het eerste aspect komt in hoofdstuk 4 “Woonvoorzieningen” aan de orde. Het tweede aspect wordt in dit hoofdstuk behandeld. Wie niet in staat is zelf zijn woning schoon te houden, niet in staat is dit probleem zelf op te lossen of geen mogelijkheid heeft dat huisgenoten dit oplossen, kan in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden. Hulp bij het huishouden (HH) wordt in de Wmo omschreven als: “het ondersteunen bij of overnemen van activiteiten op het gebied van de verzorging van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort”. HH richt zich op de volgende onderdelen: Het schoonmaken van de woonruimte ; Het wassen van datgene wat in het huishouden gebruikt wordt (beddengoed, kleding enz.); Het voorbereiden van dagelijkse maaltijden en het doen van de afwas plus bediening en onderhoud apparatuur; Het afvoeren van afval; Het verzorgen van andere aspecten van het huishouden zoals planten en dieren, voor zover beperkt (gemiddeld en binnenshuis) en mee te nemen bij de werkzaamheden; In bijzondere situaties hoort ook het opvangen en verzorgen van kleine kinderen tot het huishouden. Allereerst zal gekeken worden of een algemene voorziening voorhanden is en of deze ook een adequate oplossing biedt. Wat een algemene voorziening is in het kader van HH is beschreven in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3.5. Het 2e lid van artikel 9 van de Verordening bepaalt dat indien de algemene hulp bij het huishouden niet aanwezig is, of indien deze algemene hulp bij het huishouden een onvoldoende oplossing biedt, men in aanmerking kan komen voor HH in natura of een persoonsgebonden budget, te besteden aan hulp bij het huishouden. Om te beoordelen of iemand in aanmerking komt voor HH wordt een onderzoek verricht naar de volgende vragen: Wat is de reden dat betrokkene het huishoudelijk werk geheel of gedeeltelijk niet zelf kan verrichten? Is deze reden (medisch/psychisch) te objectiveren? Heeft betrokkene zelf nog (andere) mogelijkheden om het probleem op te lossen? Zijn er wettelijk voorliggende voorzieningen om het probleem op te lossen? Zijn er algemeen gebruikelijke en/of algemene voorzieningen die het probleem deels kunnen oplossen? Is er sprake van gebruikelijke zorg? Als na beantwoording van deze vragen het probleem blijft bestaan is het de taak van de gemeente het probleem te compenseren. Gebruikelijke zorg (zie 3.6) en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Mantelzorg is zorg, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving waarbij de zorg/hulpverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie (uit Zorg Nabij, VWS 2001). Niet alle zorg, die mensen aan hun naaste bieden, is mantelzorg. Mantelzorg is alleen die zorg of hulp, die de gebruikelijke zorg/hulp overstijgt. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Een voorziening is algemeen gebruikelijk indien een persoon zonder beperkingen, chronisch psychische problemen en psychosociale problemen, die in vergelijkbare persoonlijke omstandigheden als de cliënt verkeert, naar maatschappelijke maatstaf redelijkerwijs de beschikking zou (kunnen) hebben over een dergelijke voorziening. Voor hulp bij het huishouden zijn de meest voorkomende algemeen gebruikelijke voorzieningen: Kinderopvang van de leeftijd van 6 weken tot 4 jaar. Hierbij is geen wettelijke limiet wat betreft omvang. Opvangtijden zijn wisselend per kinderopvang en er zijn soms mogelijkheden voor weekend- en avondopvang. Voor-, tussen- en naschoolseopvang voor kinderen op de basisschool. Tijden zijn wisselend per kinderopvang. Gastouderopvang is eveneens een mogelijkheid, waarbij opvangtijden vaak flexibeler zijn dan de genoemde vormen van kinderopvang. Peuterspeelzaal voor kinderen vanaf 2 tot 4 jaar. Dit is gelimiteerd tot 2 dagdelen per week van 3,5 uur per dag. Er zijn verschillende mogelijkheden voor boodschappen- en/of bezorgdiensten. Indien deze worden aangeboden door de winkels zelf is er sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening. Het kan zijn dat een winkel een bezorgdienst aanbiedt, echter de cliënt wel zelf naar de winkel moet komen om de benodigdheden te verzamelen en af te rekenen. Let dus op de kenmerken van de boodschappen- en bezorgdienst en de mogelijkheden van de cliënt hierin. Bijvoorbeeld bestellen via internet vergt bepaalde vaardigheden. In de basis is de functie boodschappen doen een (algemene) voorliggende voorziening en zal hiervoor geen extra tijd worden geïndiceerd. In uitzonderingsgevallen kunnen cliënten die problemen ondervinden met het opstellen/doorgeven van een boodschappenlijst en/of problemen hebben met het opruimen van de boodschappen gecompenseerd worden voor de functie boodschappen. Het is gebruikelijk dat de buitenkant van de ramen schoongemaakt wordt door een glazenwasser. In de gemeente Capelle aan den IJssel zijn diverse vormen van maaltijdservice beschikbaar. Vriesvers of diepvriesmaaltijden zijn te bestellen bij verschillende aanbieders. Eén keer per week worden de maaltijden thuis bezorgd. Iedereen kan gebruik maken van deze maaltijdservice. Daarnaast is ook de mogelijkheid om kant- en klaarmaaltijden te kopen in de supermarkt of bijvoorbeeld bij de slager. Wat betreft kant- en klaarmaaltijden dient wel afgewogen te worden of de cliënt in staat is deze te bestellen. Daarbij kan het zijn dat een maaltijdvoorziening opgewarmd dient te worden, hierbij dient beoordeeld te worden of de cliënt hiertoe in staat is. Indien dit (fysiek) niet mogelijk is, hoeft dit niet direct te betekenen dat een cliënt dan geen gebruik kan maken van een maaltijdvoorziening. Een andere vorm waarbij een maaltijd warm thuis wordt afgeleverd, indien beschikbaar, kan dan wel een oplossing zijn. Er is geen indicatie voor HH als de problemen van de cliënt afdoende kunnen worden opgelost met algemeen gebruikelijke technische hulpmiddelen. Hulpmiddelen kunnen bestaan uit algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur, zoals een wasmachine of stofzuiger. Ook een (condens)droger en vaatwasmachine valt onder algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur. Deze hulpmiddelen dienen uit oogpunt van verantwoorde werkomstandigheden ook voor een helpende aanwezig te zijn. Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn, maar wel een adequate oplossing zouden bieden voor het probleem, gaan deze hulpmiddelen boven het inzetten van hulp. NB Voor alle algemeen gebruikelijke voorzieningen geldt dat deze daadwerkelijk aanwezig en beschikbaar dienen te zijn (zie 2.1). Een algemene voorziening is een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon ondervindt. In de gemeente Capelle aan den IJssel zijn met betrekking tot hulp bij het huishouden enkele algemene voorzieningen (niet limitatief): Er kan sprake zijn van een boodschappendienst als algemene voorziening, indien een algemeen gebruikelijk voorziening (zie 3.4.2) niet voldoet. Er bestaat in de Gemeente Capelle aan de IJssel de mogelijkheid voor een boodschappendienst als algemene voorziening via de Boodschappenplusbus en een vrijwilliger van de ANBO. Voor beide geldt een lichte screening alvorens gebruik te kunnen maken van deze mogelijkheden. Warme maaltijden kunnen aan huis bezorgd worden door “Tafeltje Dekje”. Dit is een dienst bedoeld voor ouderen, chronisch zieken, gehandicapten en mensen in vergelijkbare omstandigheden, die problemen ondervinden met het bereiden van een warme maaltijd. Ook kunnen zelf maaltijden afgehaald worden in één van de verzorgingshuizen. Bij de Open Tafel kan zeven dagen per week op een vaste tijd gegeten worden. Indien een cliënt niet in staat is om te koken en afhankelijk is van bovenstaande maaltijden en alleen een AOW-inkomen of minder heeft, kan een beroep gedaan worden op Bijzondere Bijstand voor extra subsidie. Uitgangspunt bij de bepaling of een cliënt in aanmerking komt voor HH is dat de cliënt, of de leefeenheid waartoe een cliënt behoort, op de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor het eigen huishouden. HH op grond van de Wmo is er als aanvulling op de eigen mogelijkheden vanuit het sociale netwerk en algemene/voorliggende (gebruikelijke) voorzieningen. Onder de eigen mogelijkheden valt ook gebruikelijke zorg. Gebruikelijke zorg is “de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden.” Bij gebruikelijke zorg gaat het om een probleem dat is ontstaan doordat degene die gewend is voor het huishouden te zorgen dit, al dan niet tijdelijk, niet meer kan doen. De eerste stap bij het zoeken van een oplossing is dan om te kijken naar de huisgenoten van degene die het huishouden normaal gesproken doet. Zijn die huisgenoten in staat het huishoudelijk werk over te nemen, bijvoorbeeld door een herverdeling van taken? Er wordt geen onderscheid gemaakt op basis van leeftijd, sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomenswerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die geen zorgplicht ten opzichte van elkaar hebben voortvloeiend uit een familierelatie en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen. Studie of werkzaamheden vormen geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkdagen en werkweken. Uitzondering hierop zijn personen die vanwege hun werkzaamheden noodgedwongen langdurig (regelmatig meer dan zeven etmalen van huis zijn (bijv. mensen die werkzaam zijn bij de krijgsmacht, offshore industrie e.d). Zij zijn immers de facto niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties waarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een hoge leeftijd alleen, is geen reden om geen huishoudelijk werk te hoeven verrichten. Er wordt geen rekening mee gehouden of men al dan niet bereid is, of al dan niet gewend is huishoudelijk werk te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet blijvend overgenomen maar tijdelijk via instructies gestuurd. Het gaat om een kortdurende indicatie van maximaal drie keer per week gedurende zes weken, waarin de noodzakelijke huishoudelijke vaardigheden worden aangeleerd. Alleen een leeftijd > 75 jaar in combinatie met de aanwezigheid van beperkingen is aanleiding om niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren. Opvang en verzorging van kinderen valt onder gebruikelijk zorg van ouders aan hun kinderen. Indien één van de partners niet in staat is deze hulp te verlenen, wordt verwacht dat dit overgenomen wordt door de niet-beperkte partner. Indien beide ouders beperkt zijn of er is sprake van een éénoudergezin kan hulp bij het huishouden voor opvang en verzorging van de kinderen ingezet worden. Wel wordt in die situatie de mogelijkheid van voorliggende voorzieningen meegewogen. Hierbij valt te denken aan kinderopvang/peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of de mogelijkheden van zorgverlof. Indien er een niet-beperkte ouder is, die gebruikelijke zorg voor de kinderen levert, kan bij (dreigende) overbelasting of calamiteiten hulp bij het huishouden beperkt en tijdelijk worden ingezet. Hierbij dient eveneens rekening te worden gehouden met de reeds genoemde voorliggende voorzieningen, welke ook vaak in tijdelijke situatie gerealiseerd kunnen worden (zorgverlof, kinderopvang). Inwonende kinderen kunnen een bijdrage leveren aan het voeren van het huishouden: van kinderen onder de 5 jaar wordt geen bijdrage aan het huishouden verwacht; van kinderen tussen 5 en 12 jaar wordt verwacht dat zij naar vermogen de volgende taken kunnen verrichten: opruimen eigen kamer, tafel dekken/afruimen, afwassen/drogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien; van kinderen vanaf 13 jaar wordt verwacht dat zij de volgende taken kunnen verrichten: taken van de 5-12 jarigen aangevuld met stofzuigen eigen kamer en eigen bed verschonen; iedereen tussen de 18-23 jaar wordt in staat geacht een eenpersoons huishouden te kunnen voeren; De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn: schoon houden van sanitaire ruimte; schoon houden van keuken en een kamer; was doen; boodschappen doen; maaltijd verzorgen; afwassen en opruimen. Wanneer de 18-23-jarige van de leefeenheid deel blijft uitmaken, wordt hij geacht de bovengenoemde huishoudelijke taken uit te kunnen voeren. In beginsel kunnen de taken worden genormeerd naar twee uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en drie uur lichte, niet-uitstelbare huishoudelijke taken per week. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden; -vanaf de leeftijd van 23 jaar wordt een gezonde huisgenoot geacht om volledig zorg te kunnen dragen voor een meerpersoonshuishouden Per gezinssituatie zal de belastbaarheid van de kinderen in kaart moeten worden gebracht. Beperking van de inzet van kinderen is mogelijk, indien er sprake is van een beperkte belastbaarheid i.v.m. medische en/of sociale problematiek. Indien een huisgenoot claimt door overbelasting niet de gebruikelijke zorg op zich te kunnen nemen, zullen tijdens het onderzoek ook de beperkingen van de huisgenoot in kaart worden gebracht. Er zal antwoord gegeven moeten worden op de volgende vragen: Wat is de lichamelijke conditie van de huisgenoot? Wat is de geestelijke conditie van de huisgenoot? Hoe gaat de huisgenoot om met de aanwezige problematiek? Is de huisgenoot gemotiveerd om de gebruikelijke zorgtaken op zich te nemen? Bestaat er een sociaal netwerk dat de huisgenoot mogelijk kan ontlasten bij de uitvoering van de gebruikelijke zorg? Bestaan er voorliggende voorzieningen en/of technische hulpmiddelen die de huisgenoot mogelijk kunnen ontlasten bij de uitvoering van de gebruikelijke zorg? Per situatie wordt afgewogen in hoeverre de huisgenoot gebruikelijke zorg kan leveren. Hierbij kan het vragen van een medisch advies noodzakelijk zijn. NB Indien er sprake is van HH op grond van overbelasting is het mogelijk om de hulp in de vorm van een Pgb te ontvangen, echter de overbelaste huisgenoot mag niet met dit Pgb worden aangesteld voor de uitvoer van de hulp bij het huishouden. In een terminale situatie waarin de huisgenoot zwaar belast wordt met gebruikelijke zorg en de verzorging van de terminale patiënt, zal per situatie afgewogen worden welke hulp noodzakelijk is. De aanwezigheid van gebruikelijk zorg door een huisgenoot leidt in deze situatie niet automatisch tot een afwijzing van de aanvraag voor hulp bij het huishouden. Aanvragen hiervoor zullen individueel beoordeeld worden. Als personen zelfstandig wonen op een adres en gemeenschappelijke ruimten delen (zoals woongroepen, kamerverhuur, kloosterlingen) wordt verondersteld dat het aandeel in het schoonmaken van die ruimten bij uitval van een van de leden wordt overgenomen door de andere leden van het systeem. Een eventuele indicatie hulp bij het huishouden betreft dan alleen de eigen woonruimte/kamers van de cliënt en indien alle bewoners hulpbehoevend zijn, een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimten. Bij mensen die zijn opgenomen in een intramurale AWBZ-instelling hoort het huishoudelijk werk nadrukkelijk bij het pakket dat door de AWBZ wordt geboden, zodat hier geen ruimte meer is voor hulp bij het huishouden op basis van de Wmo. Maar aanleunwoningen die men van een woningbouwvereniging huurt en waar men hulp ontvangt vanuit een nabijgelegen AWBZ-instelling vallen wat huishoudelijk werk betreft wel onder de Wmo. Om de omvang van de hulp te bepalen ten aanzien van de activiteiten die de cliënt niet zelf kan uitvoeren, wordt gebruik gemaakt van normtijden voor de verschillende activiteiten. Deze normtijden zijn richtinggevend voor het bepalen van het aantal uren hulp dat men krijgt bij hulp in natura of bij het bedrag wat men ontvangt bij een Pgb, te besteden aan een individueel in te huren hulp. Door gebruik te maken van normtijden is er sprake van een zo objectief mogelijke beoordeling die voor iedereen hetzelfde is. De uiteindelijke omvang van de hulp is een optelsom van de normtijden van de afzonderlijke activiteiten (zie tabellen 3.7.1, 3.7.2 en 3.7.3). Indien hulp bij het huishouden verstrekt wordt in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt de hoogte van het budget bepaald aan de hand van het aantal geïndiceerde uren/minuten, vermenigvuldigd met het bijbehorende uurtarief (HH1 of HH2) In bijzondere situaties kan altijd naar boven of naar beneden worden afgeweken. Het is niet zo dat onbeperkt aan allerlei verzoeken tegemoet wordt gekomen. Aan welke verzoeken wel tegemoetgekomen wordt is een individuele afweging. Bij de vaststelling van de normtijden is uitgegaan van de dagelijkse gang van zaken, gebruikmakend van algemeen gebruikelijke hulpmiddelen (zoals schoonmaakmiddelen, een (af)wasmachine of een droger). De normtijden zijn afhankelijk van de grootte van de woning en de samenstelling van het huishouden/leefeenheid. Uitgangspunt is daarbij een “gemiddelde situatie” welk uitgangspunt in de Verordening vorm heeft gekregen in de bepaling van artikel 2, lid 3 aanhef “Geen voorziening wordt toegekend (…) en in artikel 11 onder a. voor zover de aangevraagde voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw.” Dit wil zeggen dat woningen die veel groter zijn dan woningen in de sociale woningbouw niet volledig onder de compensatieplicht vallen. In een individuele beoordeling zal afgewogen worden of bijv. niet gebruikte ruimten of ruimten die niet noodzakelijkerwijs gebruikt hoeven te worden, meegewogen worden in de bepaling van de omvang van de noodzakelijke hulp. Daar staat tegenover dat zeer kleine woningen tot een reductie van tijd kunnen leiden. De gehanteerde systematiek van normtijden is afkomstig van de AWBZ. Bij de indicatiestelling in de AWBZ door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) werd het Protocol Gebruikelijke Zorg en het Protocol Indicatiestelling voor Huishoudelijke Verzorging gebruikt. Deze protocollen geven richtlijnen met betrekking tot de indicatiestelling Hulp bij het Huishouden. Er zijn zo min mogelijk wijzigingen in aangebracht ten opzicht van het oorspronkelijke CIZ-protocol. Wel is het toepasbaar gemaakt voor gebruik binnen de gemeente Capelle aan den IJssel in het kader van de uitvoering van de Wmo. Hulp bij het huishouden is onderverdeeld in twee niveaus: HH1 HH2 Op basis van de indicatie bepaalt de gemeente welk niveau wordt ingezet. Bij de inzet van HH1 is gebleken dat de cliënt hulp in de huishouding nodig heeft. Er is sprake van een stabiele (gezins-)situatie waarbij naast de hulp bij het huishouden geen andere ondersteuning nodig is. Voor deze groep cliënten worden de volgende vormen van hulp bij het huishouden ingezet: Boodschappen doen voor het dagelijkse leven; Verzorging van de broodmaaltijd; Verzorging van de warme maaltijd; Verzorging kleding/linnegoed; Lichte huishoudelijke werkzaamheden; Zware huishoudelijke werkzaamheden. Wordt alleen geïndiceerd indien de boodschappendienst geen (adequate) voorliggende voorziening is voor die cliënt. Eigen keuzen, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop aangeboden wordt, zodat extra gereisd moet worden, of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, worden niet gehonoreerd. Alleen vanwege vastgestelde medische beperkingen kan het noodzakelijk zijn hiervan af te wijken. TOTAAL 1 maal per week 60 min per week Boodschappenlijst samenstellen Boodschappen inkopen en opslaan – wekelijks Factoren meer/minder hulp: Indien het cliëntsysteem bestaat uit meer dan 4 personen, of er zijn kinderen < 12 jaar, kan er 2x per week boodschappen worden geïndiceerd. De mogelijkheid van het van te voren klaarmaken van broodpakketjes wordt per individu bekeken. Als het mogelijk is dat derden (o.a. gebruikelijke zorg) de broodmaaltijd van te voren klaarmaken, dit in de vriezer/koelkast leggen en de cliënt kan zelf verder de broodmaaltijden opeten, wordt er geen broodmaaltijd geïndiceerd. Indien cliënt zelf de broodmaaltijd uit de vriezer/koelkast kan halen, wordt slechts 1 maal broodmaaltijd per dag geïndiceerd. Er kan dan in 1 keer, 2 maaltijden worden klaargemaakt. Warme maaltijd wordt alleen geïndiceerd als de maaltijden van een organisatie of het gebruik van kant en klaar maaltijden niet mogelijk is. Er kan alleen rekening gehouden worden met diëten als dit medisch noodzakelijk is. Indien cliënt gebruik maakt van een maaltijdvoorziening welke opgewarmd dient te worden maar niet in staat is de warme maaltijd op te warmen, wordt 15 minuten per keer i.p.v. de 30 minuten per keer geïndiceerd. TOTAAL Warm Brood 30 minuten per keer 15 minuten per keer Broodmaaltijd: Broodmaaltijd klaarzetten; Tafel dekken en afruimen; Koffie/thee zetten; Afwassen (machine - handmatig); Warme maaltijd: Eten bereiden voorbereiden; koken; Opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad; Afwassen en opruimen. Factoren meer/minder hulp Aanwezigheid kinderen < 12 jaar: + 20 min per keer. Afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling: Eenpersoonshuishouden en/of een huis met 2 kamers: 60 minuten per week Meerpersoonshuishouden en/of een huis met meer dan 2 kamers: 90 minuten per week. Bij kinderen onder de 12 jaar, bij allergie (alleen als het gaat om een gesaneerde woning en medisch is vastgesteld), bij ernstige beperkingen in armen en handen en blind- of slechtziendheid wat leidt tot extra rommel, kan meer tijd worden toegekend. Dit geldt alleen voor de kamers die in gebruik zijn en uitgaande van een woning op niveau van sociale woningbouw. Extra toegekende tijd: maximaal 3 maal per week 20-30 minuten. TOTAAL 60 - 90 minuten per week Afwassen, indien geen maaltijdvoorbereiding is geïndiceerd; Hand- en spandiensten; Opruimen Totaal dagelijkse beurt interieur is afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van het cliëntsysteem Stof afnemen/ragen; Bedden opmaken. Factoren meer/minder hulp Psychische problematiek/communicatieproblemen; Aantal kinderen onder de 12; Huisdieren: bij allergie: eerst sanering; Allergie voor huisstofmijt, COPD: in gesaneerde woning; Ernstige beperkingen in gebruik van armen en handen; Alleen de kamers die in gebruik zijn, worden schoongehouden. Voor een cliëntsysteem zonder kinderen max. 20 min per keer, voor een cliëntsysteem met kinderen < 12 max. 30 min per keer. Frequentie: In principe max. 3 maal per week 20-30 min. Afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling: Eenpersoonshuishouden en/of een huis tot en met 2 kamers: 90 minuten per week; Meerpersoonshuishouden en/of een huis met meer dan 2 kamers: 180 minuten per week. TOTAAL Zwaar huishoudelijk werk: de omvang van de benodigde ondersteuning is meer afhankelijk van de grootte en inrichting van de woning dan van de aanwezigheid van een extra persoon. 1 persoonshuishouden/≤2 kmrs 90 minuten per week 2 persoonshuishouden/>2 kmrs 180 minuten per week Stofzuigen; Schrobben dweilen soppen: sanitair en keuken; Bedden opmaken/verschonen; Opruimen huishoudelijk afval; Ramen zemen binnenzijde (niet wekelijks). Factoren meer /minder hulp: -In grote woningen met hoge bezettingsgraad, vervuilingsgraad, COPD problematiekof aanwezigheid van jonge kinderen is een hogere klasse reëel. Verzorging van huisdieren wordt meegenomen en niet extra geïndiceerd Frequentie: Met de genoemde verrichtingen worden de wekelijkse activiteiten bedoeld. Er wordt rekening gehouden met het aantal personen: 1 persoon: 60 minuten per week; 2 of meer personen: 90 minuten per week TOTAAL 1 pers. 60 min per week 2 pers. of meer: 90 min per week Kleding en linnengoed sorteren en wassen in de wasmachine; Centrifugeren, ophangen, afhalen; Was drogen in droger; Vouwen, strijken, opbergen; Ophangen/afhalen wasgoed. Factoren meer minder werk Aantal kinderen < 16 jaar + 30 min per kind per week; Bedlegerige patiënten + 30 min. Extra was i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies enz.:+ 30 min. Frequentie: eenmaal per week, huishoudens met kleine kinderen maximaal 3x per week. HH2 wordt gehanteerd voor cliënten met fysieke beperkingen en/of beperkingen in de sociale (zelf)redzaamheid, waardoor zij een verminderd/verstoord regelvermogen hebben met betrekking tot het voeren van het huishouden en/of de zorg voor de (kleine) kinderen van de leefeenheid. De uit te voeren werkzaamheden bestaan naast bovengenoemde huishoudelijke werkzaamheden, uit de volgende onderdelen: anderen helpen in huis met zelfverzorging; anderen helpen met de maaltijdbereiding; dagelijkse organisatie van het huishouden (bijvoorbeeld ook het doen van lichte administratieve werkzaamheden); hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische stoornissen; advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden. De grondslag ligt bij de ouder. Deze is tijdelijk niet in staat om de ouderrol op zich te nemen. TOTAAL Tot max. van 40 uur aanvullend op eigen mogelijkheden Wassen en aankleden; Hulp bij het eten en/of drinken; Maaltijd voorbereiden; Sfeer scheppen, spelen; Opvoedingsactiviteiten. Factoren meer/minder werk Aantal kinderen -/+; Leeftijd kinderen -/+; Gezondheidssituatie/functioneren kinderen/huisgenoten; Aanwezigheid gedragsproblematiek +; Samenvallende activiteiten (activiteiten die tegelijkertijd kunnen worden uitgevoerd); Afhankelijk van de situatie, indien kinderen < 6 jaar gecombineerd met hulp bij het huishouden activiteiten tot een max. omvang van 40 uur per week, in tijd van crisis, aanvullend op de eigen mogelijkheden; TOTAAL 30 minuten per week Administratieve werkzaamheden t.b.v. klant (alleen i.c.m. andere huishoudelijke activiteiten); Bij beperkt regelvermogen: functie begeleiding; Organisatie huishoudelijke activiteiten; Plannen en beheren van middelen m.b.t. het huishouden. Factoren meer/minder werk: Communicatieproblemen; Aantal huisgenoten, vooral kinderen < 16. (psychosociale) problematiek bij meerdere gezinsleden. Frequentie 1 x per week TOTAAL 30 minuten per week Observeren, formulieren doelen/bijstellen met betrekking tot het huishouden; Helpen handhaven/verkrijgen/herverkrijgen structuur in het huishouden; Helpen handhaven vergroten van zelfredzaamheid m.b.t. budget; Begeleiden ouders bij opvoeding kinderen (eerst mate van gebruikelijke zorg bepalen dan begeleiding AWBZ en jeugdzorg, dan pas HH); Begeleiding kinderen (eerst mate van gebruikelijke zorg bepalen dan begeleiding AWBZ en jeugdzorg, dan pas HH). TOTAAL 30 minuten per keer Instructie omgaan met hulpmiddelen; Instructie licht huishoudelijke werk; Instructie textielverzorging; boodschappen doen; koken. Factoren meer/minder werk: Communicatieproblemen +. Frequentie: 3 x per week max. 6 weken Tabel 3.7.1 Totale omvang HH bij een 1-persoonshuishouden in een ≤ 2-kamerwoning Tabel 3.7.2 Totale omvang HH bij een 1-persoonshuishouden in een ≥ 3-kamerwoning Tabel 3.7.3 Totale omvang HH bij een meerpersoonshuishouden De duur van de indicatie is onder andere gerelateerd aan de prognose van de ziekte/aandoening en de daarmee samenhangende verwachte duur van de beperkingen. Als het gaat om: een cliënt van 70 jaar of ouder, met een (progressieve) chronische ziekte/aandoening met blijvende beperkingen en waarbij een indicatie voor HH 1 is gesteld, dan wordt een indicatie voor onbepaalde tijd geadviseerd (behoudens wijzigingen in gemeentelijke beleid); een ziekte/aandoening waarbij verbetering, volledig herstel of meer duidelijkheid over de gezondheidssituatie verwacht wordt, dan hangt de duur af van de prognose; cliënten met kinderen, dan wordt over het algemeen voor relatief korte duur geadviseerd (1 of 2 jaar), omdat kinderen zich vaak nog zullen ontwikkelen en steeds meer gebruikelijke zorg kunnen verlenen; voor alle overige indicaties geldt een indicatieduur van maximaal 5 jaar. In principe worden voorzieningen alleen verstrekt als deze langdurig noodzakelijk zijn (Verordening artikel 2 lid 1 sub b). Er zijn echter uitzonderingen (zie niet limitatieve lijst hieronder). Bij kortdurende HH (≤ 6 maanden) is het niet mogelijk de hulp verstrekt te krijgen via een Pgb. Wanneer de aandoening die de oorzaak vormt voor de huishoudelijke beperkingen nog behandelmogelijkheden biedt, wordt in de regel geen hulp geïndiceerd. Hulp bij het huishouden kan in zo’n situatie immers antirevaliderend werken. Wel kan hulp bij het huishouden naast een te volgen behandeling of revalidatie worden geïndiceerd. Hierover is afstemming met de behandelaar nodig. Zo’n indicatie heeft dan in principe een korte geldigheidsduur, afgeleid van de duur van het behandel- of revalidatietraject. Bij personen, die nog geen gebruik maken van voorliggende voorzieningen, dient bekeken te worden in hoeverre er mogelijkheden aanwezig zijn om hiervan alsnog gebruik te maken. Van een cliënt wordt verwacht dat hij /zij alles in het werk stelt om zo snel mogelijk in aanmerking te komen voor voorliggende voorzieningen. In crisissituaties kan een kortdurende indicatie worden afgegeven. Gedurende deze periode kan de cliënt zorg dragen voor een voorliggende voorziening en/of een technisch hulpmiddel. Problematische financiële omstandigheden zijn geen reden om een tijdelijke indicatie te stellen. Ook zullen tijdelijke oplossingen zoals een gastgezin, buren of oppas aan huis als overbrugging meegewogen worden. Bij Hulp bij het Huishouden gaat het om het overnemen van huishoudelijke taken al dan niet in combinatie met het overnemen van de organisatie van deze taken. Wanneer de cliënt deze huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar iemand anders moet toezien/ stimuleren en de hulpverlener moet tijdens het uitvoeren van deze huishoudelijke taken aanwezig zijn, dan behoort deze ondersteuning tot de compensatieplicht van de gemeente. Dit is ook het geval wanneer de cliënt deze huishoudelijke taken soms wel of soms niet zelf kan uitvoeren. In het geval de hulp bij de regie/structuur van het huishouden zich richt op het plannen, stimuleren en voorbespreken van deze huishoudelijke taken, waarna de cliënt die taken zelf uitvoert, dan is deze hulp een aanspraak op Begeleiding. De cliënt heeft op basis van een grondslag/ aandoening beperkingen bij de sociale redzaamheid en/of psychisch functioneren. Deze afbakening tussen Wmo hulp bij het huishouden en de functie Begeleiding leidt tot de conclusie dat in de regel geen HH2 geïndiceerd wordt, indien een cliënt een indicatie heeft voor begeleiding vanuit de AWBZ. De cliënt heeft dan vanuit de AWBZ een hulpverlener die zich richt op het plannen, stimuleren en voorbespreken van huishoudelijke taken. Zowel HH2 als Begeleiding zou dus leiden tot een dubbele indicatie voor dezelfde activiteiten. Uitruil van zorg betekende in de AWBZ dat de functie huishoudelijke verzorging (HV) waarvoor gebruikelijke zorg van toepassing was, uitgeruild kon worden tegen een AWBZ functie waarop gebruikelijke zorg niet van toepassing was. Wat veel voorkwam was de uitruil van persoonlijke verzorging (PV) en HV. Een lid van de leefeenheid verleende PV aan de hulpvrager en kon ervoor kiezen om PV uit te ruilen tegen de functie HV. De gebruikelijke zorger voerde de taken op het gebied van de PV uit en de AWBZ voerde de HV uit. Het uitruilen van AWBZ-zorg en Wmo-zorg is echter met de overheveling van HH naar de Wmo niet meer mogelijk, gelet op de gescheiden financieringsstromen. Onder woonvoorziening wordt verstaan een voorziening, niet zijnde hulp bij het huishouden (HH) of een rolstoelvoorziening, die een persoon met beperkingen in staat stelt de woning zo normaal mogelijk te gebruiken. Onder het normale gebruik van de woonruimte wordt verstaan de mogelijkheid om elementaire woonfuncties te kunnen verrichten, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van huishoudelijke werkzaamheden, koken en keukengebruik, horizontale en verticale verplaatsingen binnen de woning en de toegang tot de woning en de tuin. Ten aanzien van kinderen geldt dat het veilig kunnen spelen in de woonruimte als elementaire woonfunctie wordt beschouwd. Uitgangspunt hierbij is dat een cliënt al wel een woning heeft. Het hebben van een woning is en blijft de eigen verantwoordelijkheid van iedere Nederlander. Indien deze woning niet geschikt is voor de beperkingen die een cliënt heeft, kan er een noodzaak bestaan voor een (meer) geschikte woning. Dat kan dezelfde woning zijn of een andere woning, maar dan geschikt gemaakt, of een woning die (meer) geschikt is en/of eenvoudiger geschikt kan worden gemaakt. Een algemene woonvoorziening is een voorziening om snel oplossingen te vinden voor minder complexe woonproblemen. Wanneer er sprake is van een woonprobleem zal in eerste instantie gekeken worden of dit opgelost kan worden met een algemene woonvoorziening. Als een algemene woonvoorziening niet volstaat als oplossing of niet aanwezig is, dient het probleem door middel van een individuele voorziening te worden opgelost. Op dit moment zijn er binnen de gemeente Capelle aan den IJssel nog geen algemene woonvoorzieningen. Als een cliënt geen oplossing kan vinden binnen de eigen mogelijkheden of als een algemene woonvoorziening niet de oplossing is of niet voorhanden is, worden de mogelijkheden van een individuele voorziening bekeken. Onder deze verstrekkingmogelijkheden vallen de volgende voorzieningen: een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard (onroerend); een woonvoorziening van niet bouwkundige of niet woontechnische aard (roerend) hieronder begrepen woningsanering; onderhoud, keuring en reparatie; tijdelijke huisvesting; huurderving; het verwijderen van een woonvoorziening; een uitraasruimte. Afhankelijk van de soort woonvoorziening wordt deze verstrekt in natura, financiële tegemoetkoming of in de vorm van een persoonsgebonden budget. In een aantal situaties zal geen sprake zijn van compensatieplicht, omdat in die situaties sprake is van een zo bijzondere woonsituatie dat die niet valt onder de compensatieplicht in het kader van de Wmo. Hiergaat het enerzijds om woonsituaties die niet bestaan uit een permanent zelfstandig woonverblijf, zoals hotels en pensions, kamerverhuur, tweede woningen. Daarnaast gaat het ook om bijzondere woonsituaties zoals kloosters en trekkerswoonwagens. Tot slot betreft het situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw of de doelgroep waarvoor de woning/wooncomplex specifiek bedoeld is, verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Een speciale positie nemen recreatie-/vakantiewoningen in. Recreatie-/vakantiewoningen zijn uitgesloten van aanpassing omdat zij niet bestemd zijn voor permanente bewoning. Er zijn evenwel personen die permanent wonen in een recreatie-/vakantiewoning, hoewel dat op basis van het bestemmingsplan niet is toegestaan. Aanvragen voor woonvoorzieningen worden afgewezen als de woning niet voldoet aan de eisen van een woning bestemd voor permanente bewoning. Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. Twee hoofdverblijvenIn uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Bezoekbaar maken woonruimte, niet zijnde hoofdverblijfZoals vermeld in artikel 21 lid 2 (uit de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel, 2006), kunnen woonvoorzieningen worden getroffen aan een woning niet zijnde het hoofdverblijf. Dit betreft dan het bezoekbaar maken van de woning. Opgemerkt moet hier worden dat hetgeen hier geregeld is bovenwettelijk is: het zogenaamde bezoekbaar maken valt niet onder de compensatieplicht van de Wmo omdat het hier niet gaat om het in staat stellen aan iemand een huishouden te voeren. Het gaat hier om het instaat stellen van met name bewoners van een AWBZ-instelling bij bijvoorbeeld de oude

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.