← Nederland

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026 (Gouda)

In het kort

Deze verordening regelt de maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp in de gemeente Gouda, met als doel inwoners kwalitatieve, doelmatige en rechtmatige ondersteuning te bieden. De wet stelt de inwoner centraal en zoekt samen naar passende oplossingen, rekening houdend met de eigen mogelijkheden en het sociale netwerk.

Wat het regelt

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026De raad van de gemeente Gouda; Overwegende dat de gemeente Gouda op grond van de Jeugdwet, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de nota Sociaal Domein Iedereen kan meedoen: verantwoordelijk is voor kwalitatieve, doelmatige en rechtmatige ondersteuning aan inwoners voor wie dit voor kortere duur of langere tijd nodig is. de inwoner centraal stelt en benadert op basis van gelijkwaardigheid. vragen stelt over alle leefdomeinen om een goed beeld te krijgen van de situatie van de inwoner. breed kijkt naar de ondersteuningsvraag van inwoners en de ondersteuning integraal organiseert. eigen regie hanteert als uitgangspunt bij de ondersteuning van inwoners. naast de inwoner staat en samen zoekt naar een oplossing passend bij wat de inwoner nodig heeft. rekening houdt met de eigen mogelijkheden van de inwoner. oog heeft voor de vraag wat de inwoner, bijvoorbeeld met inzet van het eigen netwerk, zelf kan. de inwoner stimuleert om binnen de mogelijkheden actief deel te nemen aan de samenleving. zo kort als kan, maar zo lang als nodig de ondersteuning inzet. bij een structurele ondersteuningsvraag de inwoner niet vraagt iedere keer het hele verhaal te doen. contact onderhoudt met de inwoner om te volgen of de ondersteuning goed verloopt. gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders met voorstelnummer 1602141 van 16 december 2025, gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1, tweede en derde lid, van de Jeugdwet en de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, tweede en vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de artikelen 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; besluit: De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026 vast te stellen. HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Begripsbepalingen 1.algemeen gebruikelijke voorziening: een dienst, hulpmiddel of zorg waarvan de kans groot is dat de inwoner daarover zou (hebben kunnen) beschikken. Deze voorziening is voor iedereen beschikbaar, ook voor iemand zonder beperking; 2.algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat gericht is op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Deze algemene voorziening is beschikbaar zonder dat er vooraf onderzoek is gedaan naar de wensen, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers. Met ‘algemene voorziening’ wordt hetzelfde bedoeld als een ‘overige voorziening’ zoals die in de Jeugdwet, artikel 2.9, sub a beschreven wordt; 3.cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een individuele voorziening/maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan; 4.eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner om zelf zijn zelfredzaamheid, participatie te verbeteren of problemen te verminderen. Hierbij kan ook het sociale netwerk van de inwoner helpen; 5.eigen regie: de inwoner krijgt zoveel mogelijk de vrijheid om keuzes te maken passend bij wat de inwoner zelf denkt, voelt en wil. Zo kan de inwoner zijn leven zo veel mogelijk naar eigen wens organiseren; 6.formele ondersteuning: ondersteuning die door een professionele zorgverlener wordt uitgevoerd. Deze zorgverlener werkt bij een zorginstelling of is ZZP’er; 7.gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; 8.informele ondersteuning: ondersteuning door een persoon uit het sociaal netwerk of ondersteuning door een andere persoon die geen formele ondersteuning biedt en die voldoet aan de kwaliteitseisen voor informele ondersteuning; 9.inwoner: iemand die in Gouda woont; 10.sociaal netwerk: Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die ven betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of diens ouder(s); 11.voorziening: een individuele voorziening zoals bedoeld in de Jeugdwet of een maatwerkvoorziening zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel2.Toegang algemene voorziening Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk voor inwoners zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. Artikel3.Beschikbare algemene en individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen 1.De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: Informatie en advies voor jeugdige en ouder; Onafhankelijke cliëntondersteuning; Opvoedondersteuning; Jeugdgezondheidszorg; Veilig Thuis; Integrale crisisdienst; Vertrouwenspersoon; Kindertelefoon; Kortdurende ondersteuning; Participatie in de buurt; GroeneHartHopper; en Deelvervoersvoorziening. 2.De volgende individuele voorzieningen als bedoeld in de Jeugdwet zijn in ieder geval beschikbaar: Hoog specialistische / weinig voorkomende zorg; jeugdbescherming / jeugdreclassering; crisis; wonen; dagbesteding/ logeren; behandeling; begeleiding; ernstige dyslexiezorg; en vervoer naar jeugdhulplocatie. 3.De volgende individuele voorzieningen als bedoeld in de Jeugdwet worden zo kort als mogelijk ingezet en hebben in beginsel de volgende maximale duur en/of frequentie: Crisis verblijf: maximaal 3 maanden; Jeugd-GGZ verblijf licht: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week; Jeugd-GGZ verblijf zwaar: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week; Jeugd-GGZ verblijf zonder overnachting: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week; Groepsbehandeling plus: maximaal 12 maanden ; Logeeropvang regulier Jeugd: maximaal 3 etmalen per week; Logeeropvang Intensief Jeugd: maximaal 3 etmalen per week; Deeltijd pleegzorg: maximaal 156 etmalen per jaar; Individuele behandeling regulier: maximaal 12 maanden en maximaal 240 minuten per week; Individuele behandeling specialistisch: maximaal 12 maanden en maximaal 240 minuten per week; Onderwijs Opvang Voorziening: maximaal 6 maanden; Multi-dimensionele Familie Therapie (MDFT): maximaal 18 maanden; Groepsbehandeling regulier: maximaal 9 maanden; Groepsbehandeling specialistisch: maximaal 9 maanden; Groepsbehandeling Kinderdagcentrum (KDC): maximaal 3 jaar; Generalistische basis GGZ (BGGZ): maximaal 6 maanden maximaal 1440 minuten (24 uur); Specialistische GGZ (SGGZ): maximaal 24 maanden en maximaal 16.200 minuten; Jeugd GGZ-diagnostiek Ernstige Dyslexie: maximaal 15 sessies van 50 minuten; Jeugd GGZ-behandeling Ernstige Dyslexie: maximaal 60 sessies van 50 minuten; Dagbesteding doorlopend-Jeugd: maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is; Dagbesteding doorlopend specialistisch-Jeugd: maximaal 1 jaar, en maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht;hebben en de dagbesteding open is. Dagbesteding ontwikkelgericht- Jeugd: maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is. 4.Onderwijsarrangement stage en dagbesteding jeugd: maximaal voor 2 jaar en maximaal 4 dagdelen. Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie en met inachtneming van het derde lid met jeugdzorgaanbieders op hoofdlijnen afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen vanuit de Jeugdwet: doelgroepen; activiteiten; perspectief; intensiteit; kwaliteit; beoogd resultaat; en vermelding productcode iJw. 5.De volgende maatwerkvoorzieningen als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 zijn in ieder geval beschikbaar: Hulp bij het huishouden; Begeleiding; Dagbesteding; Vervoer naar dagbesteding; Logeeropvang; Hulpmiddelen; Woonvoorzieningen; Rolstoelvoorzieningen; Vervoersvoorzieningen; Wmo-vervoerspas voor de GroeneHartHopper Financiële maatwerkvoorzieningen; Gewoon Thuis; Beschut wonen; Beschermd wonen; Maatschappelijke opvang; Vrouwenopvang; Jongeren onder Dak. HOOFDSTUK2TOEGANG EN PROCEDURE ALGEMEEN Artikel4.Zorgplicht college voor integrale toegang en intake Het college zorgt er in ieder geval voor dat inwoners die daarom vragen: kosteloos en op een laagdrempelige manier worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke hulpvraag; kosteloos worden voorzien van nuttige informatie op een begrijpelijke manier over: het beleid van de gemeente en de manier waarop de gemeente uitvoering geeft aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en hoe de toegang tot de verschillende voorzieningen is georganiseerd; worden doorverwezen en -geleid naar de passende organisaties voor verdere ondersteuning, en bij het indienen van een melding of aanvraag worden gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. Artikel5.Afstemming van ondersteuning vanuit de Jeugdwet 1.Het college stemt de individuele voorziening die vanuit de Jeugdwet wordt ingezet, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: de Leerplichtwet; de Participatiewet; de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; de Wet Inburgering 2021; de Wet kinderopvang; de Wet langdurige zorg; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Wet passend onderwijs; de Wet publieke gezondheid; de Wet tijdelijk huisverbod; de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en de Zorgverzekeringswet, zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten. 2.De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 3.Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder, zoals benoemd in artikel 11; de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 13 en de mogelijkheden van het sociale netwerk; welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 4.Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. 5.Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om: voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. 6.Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. Artikel6.Verslag 1.Het college zorgt ervoor dat er een verslag gemaakt wordt van het gesprek met de inwoner, bedoeld in artikel 11 en 18. Het verslag moet voorzien zijn van naam, adres, dagtekening en van een aanduiding of omschrijving waaruit blijkt welke voorziening wordt gevraagd. 2.Binnen 15 werkdagen na het gesprek stelt het college het verslag beschikbaar aan de inwoner. 3.Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het verslag toegevoegd. 4.Bij aanvraag van een maatwerkvoorziening vanuit Wet maatschappelijke ondersteuning moet de inwoner het verslag uiterlijk binnen 5 werkdagen ondertekend terugsturen aan het college. HOOFDSTUK3TOEGANG TOT JEUGDHULP Artikel7.Toegang Jeugdhulp via de gemeente 1.Een jeugdige of diens ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college. 2.Het eerste contact over de aanvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht. 3.Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag binnen 5 werkdagen. 4.Bij de ontvangstbevestiging, als bedoeld in het derde lid, wijst het college de jeugdige of diens ouders op de mogelijkheid om binnen 14 dagen na het indienen van een aanvraag een familiegroepsplan in te leveren bij het college. Het college wijst de jeugdige of diens ouders actief op de waarde van het familiegroepsplan en ondersteunt de totstandkoming door faciliteiten en professionele ondersteuning te bieden. 5.Het college voert een gesprek waarin de hulpvraag van de jeugdige of diens ouders wordt besproken en onderzocht. 6.Na het vaststellen van de hulpvraag, als bedoeld in artikel 11, wordt er onderzocht of er sprake is van de wens voor een pgb. De jeugdige of diens ouders worden ingelicht over de gevolgen van de keuze voor pgb. Als tijdens het gesprek naar voren komt dat de ouders of de jeugdige de voorkeur geeft aan een pgb in plaats van zorg in natura verstrekt het college het format voor het pgb-plan, bedoeld in artikel 27. 7.Het college betrekt het familiegroepsplan bij het onderzoek, als bedoeld in het vijfde lid, als het plan binnen 14 dagen is ingeleverd. 8.Uiterlijk binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag neemt het college een besluit over de verstrekking van een voorziening. 9.Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. 10.In crisisgevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening of vraagt een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp aan, zoals bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. Artikel8.Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een gecontracteerde zorgaanbieder. 2.Jeugdhulp die is verleend na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, wordt niet vergoed door de gemeente als deze hulp is geleverd door een aanbieder zonder contract of subsidierelatie met de gemeente, behalve wanneer: er voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, of het college voorafgaand aan de start van de zorgverlening schriftelijk heeft ingestemd met het gebruik van deze aanbieder vanwege bijzondere omstandigheden. Artikel9.Toegang jeugdhulp via Veilig Thuis, gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI) Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door Veilig Thuis, de gecertificeerde instelling, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting naar een zorgaanbieder volgens de wettelijke kaders in de Jeugdwet Artikel10.Diagnostiek en behandeling van Ernstige Dyslexie (ED) 1.De toeleiding naar diagnostiek en behandeling voor Ernstige Dyslexie vindt plaats via het onderwijs en de dyslexiebehandelaar. 2.Het college kent een individuele voorziening voor dyslexiebehandeling uitsluitend toe indien is vastgesteld dat sprake is van Ernstige Dyslexie (ED). 3.De individuele voorziening kan worden toegekend aan jeugdigen tot 13 jaar. HOOFDSTUK4: ONDERZOEK EN BEOORDELING AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING (JEUGDWET) Artikel11.Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Jeugdwet 1.Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met cliënt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2.Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de Jeugdwet. 3.Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijke vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp in ieder geval: wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(

  1. s)is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan; de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(
  2. s)of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens: welke problemen of stoornissen dat zijn; welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
  3. s)en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s); indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 4.Het college kan afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken door de cliënt. Deze intrekking wordt schriftelijk bevestigd door de cliënt. 5.Indien uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouder(
  4. s)samen met het college tot de conclusie komen dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden, dan wel met ondersteuning vanuit algemene voorzieningen of voorzieningen op grond van andere wetgeving, wordt dit in het verslag vastgelegd. 6.De jeugdige en/of zijn ouder(
  5. s)of wettelijk vertegenwoordiger bevestigen de uitkomst, bedoeld in het vijfde lid, door het verslag te ondertekenen en terug te sturen, of door schriftelijk aan het college te bevestigen dat zij instemmen met de uitkomst van het onderzoek. Voor zover er een aanvraag voor een individuele voorziening was ingediend, geldt deze bevestiging als intrekking van die aanvraag. Artikel12.Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming tot Jeugdhulp 1.Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2.Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een jeugdconsulent of jeugdregisseur die beschikt over een registratie als professional: bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. 3.Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt. Artikel13.Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht) jeugdhulp 1.Bij het verlenen van jeugdhulp wordt zoveel mogelijk uitgegaan van de eigen mogelijkheden en de eigen kracht van de jeugdige en diens gezin. Eigen kracht is het probleemoplossend vermogen van jeugdigen en/of diens ouder(
  6. s)om hun leven zo in te richten dat zij opvoedingsproblemen, hun problemen bij het gezond en veilig opgroeien, het groeien naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, zelf kunnen verminderen of voorkomen. Het uitgangspunt daarbij is, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Jeugdwet, dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(
  7. s)zelf ligt. 2.Het college onderzoekt, zoals beschreven in artikel 11, in hoeverre de jeugdige of diens ouder(s), met inzet van de eigen mogelijkheden, het sociaal netwerk en andere voorzieningen, de hulpvraag kunnen oplossen of verminderen. Bij dit onderzoek weegt het college in ieder geval de aard en ernst van de problemen, de draagkracht- en draaglast van het gezin en de effectiviteit van de reeds beschikbare ondersteuning. Een individuele voorziening wordt niet, of gedeeltelijk, verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of diens ouder(s), waar mogelijk met ondersteuning uit het sociaal netwerk of andere voorliggende voorzieningen, (gedeeltelijk) toereikend zijn. 3.Bij de beoordeling van de eigen kracht van de ouder(
  8. s)en/of de jeugdige wordt naast lid 4 t/m 6 eerst antwoord gegeven op de vragen: Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden? Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden? levert het bieden van de hulp de ouder geen overbelasting op? Blijft de ouder de bovengebruikelijke hulp zonder vergoeding bieden? Zo ja, komt de ouder daardoor niet in de problemen? 4.Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouder(
  9. s)behoren in ieder geval: Het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten; Het zorgen voor opvang en toezicht van hun kind binnen de volgende dagdelen: gedurende de gehele dag wanneer het nog niet de schoolgerechtigde leeftijd heeft; buiten schooltijden wanneer het de basisschool gerechtigde leeftijd heeft; tijdens de avond en nacht wanneer het middelbare school gerechtigde leeftijd heeft tot 16 jaar; Het aanbrengen van structuur in het dagritme van hun kind; De beschikbaarheid van het sociaal netwerk als informele ondersteuning bij de opvoeding wanneer er meerdere kinderen tegelijkertijd binnen het gezin zorg nodig hebben; Het kunnen aanleren van sociale en praktische vaardigheden bij hun kind om voldoende te kunnen functioneren en participeren in de maatschappij; Het kunnen begeleiden van hun kind naar en tijdens deelname aan sociaal-recreatieve activiteiten, zoals een (sport-)vereniging, zwemles of buitenspelen; Het kunnen begeleiden van hun kind naar en tijdens medische afspraken, zoals afspraken met een huisarts, fysiotherapeut of ziekenhuisbezoek en het doen van medische handelingen die op basis van de Zorgverzekeringswet aangeleerd kunnen worden; Het dragen van de primaire verantwoordelijkheid voor de mentale ontwikkeling en welbevinden van hun kind, óók als er sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of als er beperkingen zijn. De eventuele hulp die daarvoor nodig is kan allereerst en in beginsel door ouders geleverd worden. 5.Uit het onderzoek, zoals beschreven in lid 2 t/m 4, kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
  10. s)tekortschiet, omdat sprake is van: Geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden en het niet tijdig kunnen leren; overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 6.Bij de beoordeling van het vijfde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(
  11. s)hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs van ouder(
  12. s)verwacht mag worden dat zij: Maatschappelijke activiteiten beperken in het belang van de zorg voor hun kind; Betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij meenemende dat de noodzaak blijft bestaan om in hun basisinkomen te voorzien; Zorgverlof of ander soort verlof inzetten; Het netwerk inzetten en werken aan het vergroten van het netwerk; Het verminderen van eigen problematiek, voor zover dit bijdraagt aan het opheffen van (dreigende) overbelasting, waarbij van de ouder(
  13. s)mag worden verwacht dat zij, indien van toepassing, gebruikmaken van beschikbare voorzieningen op grond van de Zorgverzekeringswet of andere relevante wettelijke kaders. Artikel14. Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1.Kinderopvang en buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. 2.In uitzonderlijke situaties kan het college begeleiding op de kinderopvang of buitenschoolse opvang inzetten, indien een jeugdige vanwege opgroei-, opvoedings- of psychische problemen of stoornissen specialistische begeleiding nodig heeft die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en die redelijkerwijs niet van de ouder(
  14. s)kan worden verwacht. Deze inzet is uitsluitend mogelijk indien de begeleiding bijdraagt aan de ontwikkelingsdoelstellingen van de jeugdige zoals bedoeld in de Jeugdwet. Artikel15.Inzet en vergoeding tolkkosten Jeugdhulp 1.Indien bij de inzet van jeugdhulp sprake is van een onoverbrugbare taalbarrière, wordt in eerste instantie van de jeugdige en diens ouder(
  15. s)verwacht dat zij zelf zorgen voor adequate communicatie, bijvoorbeeld door inzet van personen uit het eigen netwerk, zoals familieleden, vrienden of andere bekenden die kunnen tolken. 2.Alleen indien aantoonbaar geen tolk uit het eigen netwerk beschikbaar is, er geen (gratis) online vertaalmiddelen beschikbaar zijn én de inzet van een professionele tolk noodzakelijk is voor het kunnen verlenen van passende jeugdhulp, kan het college besluiten de kosten van een tolk te vergoeden. Hiervoor is vooraf toestemming van het college vereist. 3.Vergoeding van tolkkosten is in principe beperkt tot: Intakegesprekken; Diagnostiek; Crisissituaties waarin directe inzet van een tolk noodzakelijk is. 4.Structurele inzet van een professionele tolk gedurende de hulpverlening komt uitsluitend voor vergoeding in aanmerking indien het college vooraf schriftelijk heeft ingestemd op grond van bijzondere omstandigheden. Onder bijzondere omstandigheden wordt verstaan: langdurige en intensieve hulpverlening voor meervoudig complexe situaties waarbij communicatie zonder professionele tolk aantoonbaar niet mogelijk is, én situaties waarin het ontbreken van een tolk leidt tot aantoonbare risico’s voor de veiligheid of effectiviteit van de hulpverlening. 5.Indien de jeugdige verblijft in een opvanglocatie van het COA en beschikt over een geldig zorgnummer, worden tolkkosten niet door het college vergoed, maar via het COA. Artikel16.Vervoer naar jeugdhulp 1.Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind naar en van de locatie waar jeugdhulp wordt geboden. 2.Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak, op grond van het derde lid, bestaat tot inzet van deze voorziening. 3.Het college kan vervoer naar Jeugdhulp toekennen voor een jeugdige als: Er sprake is van een medische noodzaak, bijvoorbeeld door een lichamelijke, verstandelijke, psychische of zintuiglijke beperking waardoor reizen met openbaar vervoer niet mogelijk is, óók niet met begeleiding; Ouders of het sociaal netwerk het vervoer op eigen kracht niet kunnen organiseren, of de afstand en frequentie van het vervoer de gebruikelijke hulp overstijgen. 4.De medische noodzaak, zoals beschreven in het derde lid, onder a, wordt vastgesteld door een onafhankelijk arts of medisch specialist op grond waarvan het college de noodzakelijkheid beoordeelt. Voor individueel taxivervoer is een verklaring van een onafhankelijk arts vereist, waaruit de noodzakelijkheid voor individueel vervoer blijkt. 5.Bij het beoordelen of vervoer de gebruikelijke hulp overstijgt, zoals beschreven in het tweede lid, onder b, hanteert het college de volgende berekening: (aantal maanden) × (aantal keren per week) × (aantal weken per maand) × (afstand enkele reis in kilometers) × 0,25. Als de uitkomst 250 of hoger is, kan vervoer worden toegekend. 6.Vervoer wordt uitsluitend toegekend voor vervoersritten van en naar de locatie waar jeugdhulp plaatsvindt. Artikel17.Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening 1.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is. 3.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. HOOFDSTUK5:PROCEDURE MELDING EEN AANVRAAG MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING (WMO) Artikel18.Melding en gesprek Wmo 1.Een inwoner kan een hulpvraag via een melding voor een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 2.Het college bevestigt de ontvangst van de melding en wijst de inwoner op de mogelijkheid van het inleveren van een persoonlijk plan binnen zeven dagen na melding. Daarin beschrijft de inwoner de ondersteuningsvraag. 3.Het college voert een gesprek waarin de hulpvraag van de inwoner wordt besproken en onderzocht. 4.Het college kan, in overleg met de inwoner, afzien van een gesprek. 5.Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, als het plan binnen zeven dagen na het doen van de melding is ingeleverd. 6.Als de melding tot een aanvraag leidt, wordt de aanvraag ingediend door het indienen van het verslag van het gesprek, als bedoeld in artikel 6, dat door de inwoner is ondertekend. Uiterlijk binnen 8 weken na ontvangst van de melding neemt het college een besluit over de verstrekking van een voorziening. 7.Als tijdens het gesprek naar voren komt dat inwoner de voorkeur geeft aan een pgb in plaats van zorg in natura, krijgt de inwoner hierover meer informatie en verstrekt het college de inwoner het format voor het pgb-plan Wmo. Artikel19Toegang beschermd wonen en opvang 1.Op grond van artikel 2.3.5 van de Wmo kan een inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor opvang en beschermd wonen. 2.De toegang tot beschermd wonen, maatschappelijke opvang en Jongeren onder Dak vindt plaats via de gemeente Gouda. 3.De toegang tot vrouwenopvang vindt plaats via Veilig Thuis. 4.Buiten kantoortijden kan de inwoner zich direct melden bij de partij die de opvang in Gouda uitvoert. 5.Het college kan nadere regels vaststellen over toegang en schorsing uit beschermd wonen en opvang. HOOFDSTUK6CRITERIA EN WEIGERINGSGRONDEN Artikel20.Criteria voor een individuele voorziening voor jeugdhulp 1.Een jeugdige of diens ouders komt in aanmerking voor een individuele voorziening als er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen bij de jeugdige. De individuele voorziening stelt de jeugdige in staat gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 2.Een individuele jeugdhulpvoorziening kan worden verstrekt voor zover de jeugdige en/of diens ouders deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen doordat: redelijkerwijs geen aanspraak kan worden gedaan op de ‘eigen kracht’ van de jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s); geen oplossing kan worden gevonden voor zijn hulpvraag met gebruikelijke hulp; geen oplossing kan worden gevonden voor zijn hulpvraag met mantelzorg; geen gebruik gemaakt kan worden van een algemeen gebruikelijke voorziening; geen gebruik gemaakt kan worden van een algemene voorziening; er geen oplossing gevonden kan worden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van voorzieningen die beschikbaar zijn op grond van als de Wet langdurige zorg, Wet maatschappelijke ondersteuning, Zorgverzekeringswet en Wet Passend Onderwijs. 3.Indien ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning nodig hebben vanwege maatschappelijke, psychische of relationele problemen die primair bij henzelf liggen, en naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag die betrekking heeft op de jeugdige zoals bedoeld in deze verordening, wordt geen individuele voorziening toegekend. In dergelijke gevallen ligt de verantwoordelijkheid voor ondersteuning bij andere wettelijke kaders of algemene voorzieningen. 4.Het voorgaande lid is niet van toepassing indien er wél sprake is van een hulpvraag die de jeugdige betreft, en daarnaast sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin. In dat geval kan het college besluiten tot het verstrekken van een individuele voorziening, ondanks aanwezigheid van problemen die betrekking hebben op de ouders. 5.Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en, waar beschikbaar, er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. 6.Als de aanvraag voor jeugdhulp betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of diens ouder(
  16. s)voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken als het college de noodzaak en geschiktheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 7.De voorziening als bedoeld in het zesde lid kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. 8.Het zesde en zevende lid zijn niet van toepassing als de ingezette voorziening tot stand is gekomen door een eerste verwijzing van de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts. 9.Recht op een individuele voorziening bestaat alleen als deze als de goedkoopst, meest adequate en tijdig beschikbare voorziening kan worden aangemerkt. 10.Het college kan een specifiek deskundig oordeel en advies inwinnen, als het onderzoek of beoordeling van een aanvraag dit vereist. 11.Het college kan nadere regels vaststellen over de voorwaarden voor een individuele voorziening. Artikel21.Criteria voor een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning 1.Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de inwoner ondervindt, op voorwaarde dat de inwoner deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; door gebruik te maken van een algemeen gebruikelijke voorziening; door gebruik te maken van een algemene voorziening; of door gebruik te maken van een andere voorziening dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2.Recht op een maatwerkvoorziening bestaat alleen als deze voorziening als de goedkoopste en adequate voorziening kan worden aangemerkt. 3.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is als vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze alleen opnieuw afgegeven als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of; als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 4.De inwoner komt in aanmerking voor een financiële maatwerkvoorziening als hiermee naar het oordeel van het college een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie van de inwoner wordt geleverd, waardoor de inwoner zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De financiële maatwerkvoorzieningen bestaan uit: een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten; de aanschaf en het onderhoud van een sportvoorziening; een vervoersvoorziening voor het gebruik van een eigen auto of een bruikleenauto. 5.Het college kan een specifiek deskundig oordeel en advies inwinnen, als het onderzoek of beoordeling van een aanvraag dit vereist. 6.Het college kan nadere regels vaststellen over de voorwaarden voor een maatwerkvoorziening Artikel22.Criteria voor beschermd wonen en opvang 1.Een inwoner komt in aanmerking voor beschermd wonen of opvang ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving als gevolg van psychische of psychosociale problemen en/of het verlaten van de thuissituatie in verband met risico's voor de eigen veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Voorwaarde hierbij is dat de inwoner deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van dezelfde voorwaarden zoals die onder artikel 21, eerste lid, zijn genoemd. 2.De maatwerkvoorziening moet een passende bijdrage leveren aan het voorzien in de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen of opvang en aan het zorgen voor een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk (weer) op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3.Een inwoner kan in aanmerking komen voor beschermd wonen als: de inwoner een psychiatrische aandoening of een verstandelijke beperking heeft, voor de inwoner sprake is van noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de psychiatrische aandoening of de verstandelijke beperking, en de inwoner niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen. Een inwoner kan in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als: de inwoner dakloos is en tijdelijk onderdak nodig heeft; de inwoner de hulpvraag redelijkerwijs niet had kunnen voorzien en voorkomen; de inwoner beperkt zelfredzaam is waardoor de inwoner niet op eigen kracht of met hulp van het eigen netwerk onderdak kan vinden en financieren; de inwoner niet beschikt of niet kan beschikken over alternatief onderdak, zoals onderdak in het eigen netwerk; en de regio Midden-Holland de regio is waarbinnen de opvang en herstel van de inwoner het meest kansrijk is, in lijn met de geldende beleidsregels landelijke toegankelijkheid. 4.Een inwoner kan in aanmerking komen voor vrouwenopvang als: de inwoner 18 jaar of ouder is, met of zonder kinderen; er sprake is van huiselijk geweld, waarbij ambulante hulp onvoldoende veiligheid biedt; en de inwoner met hulp voldoende zelfstandig kan wonen en deel kan nemen aan begeleiding. Een inwoner kan in aanmerking komen voor Jongeren onder Dak als: de inwoner in de leeftijdsgroep van 18 tot en met 23 jaar valt; de inwoner dak- of thuisloos is; de inwoner beperkt zelfredzaam is en daardoor niet op eigen kracht of met hulp van het eigen netwerk kan herstellen; de regio Midden-Holland de regio is waarbinnen de opvang en herstel van de inwoner het meest kansrijk is, in lijn met de geldende beleidsregels landelijke toegankelijkheid; en de inwoner gemotiveerd is om te werken aan herstel. Artikel23.Weigeringsgronden 1.Er wordt geen voorziening verstrekt als: er recht op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; het om een voorziening gaat die de inwoner vóór datum van besluit heeft uitgevoerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de acute noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; indien de cliënt, binnen zijn eigen mogelijkheden, niet of onvoldoende meewerkt aan het onderzoek dat nodig is voor besluitvorming over de eventuele inzet van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, waardoor het college de situatie van de cliënt niet goed kanbeoordelen. In dat geval kan het college besluiten om geen individuele voorziening toe te kennen, de omvang van de voorziening te beperken, of een eerder toegekende voorziening in te trekken. 2.Het college verstrekt geen individuele voorziening als het hulpverleningstraject waarvoor de jeugdige en/of ouders de voorzieningen aanvragen op het moment van aanvraag al is afgerond. 3.Er wordt geen woonvoorziening verstrekt: als de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; voor hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen, en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; ADL-clusterwoningen, met uitzondering van individuele woningaanpassingen voor de inrichting als standaardaanpassingen niet voldoen of ter vervanging van de individuele aanpassingen; als het gaat om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, behalve automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij zelfredzaamheid en/of participatie; als er geen medische noodzaak en/of er naar het oordeel van het college geen andere belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. 4.Er wordt geen voorziening beschermd of beschut wonen verstrekt aan een cliënt die uitsluitend (feitelijk) dakloos is. 5.Voor Jongeren onder Dak wordt geen voorziening verstrekt als: er een vergelijkbaar traject aanwezig is; er sprake is van zware verslaving en/of psychische problematiek en/of gedragsproblematiek die het slagen van een Jongeren onder Dak traject belemmert. HOOFDSTUK7:VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT Artikel24Kwaliteitseisen voorzieningen 1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten, door de ondersteuning af te stemmen op: de persoonlijke situatie en de eigen mogelijkheden van de cliënt; andere vormen van zorg, onderwijs, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en specifiek op de inzet van mantelzorg en het sociaal netwerk van de cliënt. Artikel25.Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1.Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen: cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; overheadkosten; kosten voor indexering; 2.Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 3.Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten. Artikel26.Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders Wet Maatschappelijke Ondersteuning 1.Om een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 te verzekeren en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. HOOFDSTUK8PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB) Artikel27.Aanvraag pgb en pgb-plan 1.Als een cliënt in aanmerking komt voor een voorziening en de ondersteuning of jeugdhulp zelf wil inkopen met een pgb moet de cliënt, naast de toetsing aan de wettelijke vereisten, ook een pgb-plan invullen. 2.De verplichting om een pgb-plan in te vullen op grond van het eerste lid, geldt niet voor hulpmiddelen en woningaanpassingen. Hiervoor wordt gewerkt met offertes en facturatie via de gemeente. 3.De budgethouder of de budgetbeheerder levert een pgb-plan aan in het door het college vastgestelde en verstrekte format. 4.In het pgb-plan is in ieder geval opgenomen: de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de cliënt niet passend is (Jeugdwet) en/of een pgb gewenst is (maatschappelijke ondersteuning); welke ondersteuning de cliënt wil inkopen met een pgb en wat het beoogde resultaat is; de voorgenomen uitvoerder van de ondersteuning en de wijze waarop de hulp georganiseerd wordt; de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; indien van toepassing, welke ondersteuning de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; 4.Als er sprake is van vertegenwoordiging van de cliënt voor het pgb wordt er in het pgb-plan, als bedoeld in het vierde lid, beschreven wie de cliënt heeft gemachtigd als vertegenwoordiger om zijn belangen als het gaat om het pgb te behartigen. Artikel28.Beoordeling pgb-aanvraag 1.Het college beoordeelt de aanvraag van een pgb aan de hand van het pgb-plan, bedoeld in artikel 27, vierde lid. 2.Een aanvraag voor een pgb kan worden geweigerd indien: de inwoner geen pgb-plan aanlevert; de inwoner niet voldoet aan de gestelde voorwaarden in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet; de inwoner of vertegenwoordiger niet beschikt over de kennis en vaardigheden die nodig zijn om een pgb goed te beheren; er sprake is van, na hoor en wederhoor te hebben toegepast, aantoonbaar en intentioneel begane fraude door de inwoner of vertegenwoordiger in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; de vertegenwoordiger ook de uitvoerder van de ondersteuning is, of op een andere manier betrokken is bij de uitvoerende organisatie, bijvoorbeeld als directeur of bestuurder; er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, zoals bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015; de inwoner of diens vertegenwoordiger een bespreking van pgb-plan weigert of zonder geldige reden niet verschijnt bij gesprek; de ondersteuning die de inwoner wil inkopen niet voldoet aan de bij het pgb-plan behorende kwaliteitseisen. 3.Een pgb voor Jeugdhulp wordt verstrekt als wordt voldaan aan de eisen zoals opgenomen in artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet. Het gaat om de volgende eisen: jeugdige en diens ouders zijn naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren; jeugdige en diens ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat die het gecontracteerde aanbod niet passend acht; en gewaarborgd is dat de jeugdhulp van goede kwaliteit is. Artikel29.Beoordeling pgb-vaardigheden 1.De beoordeling of de budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, beschikt over de kennis en vaardigheden die nodig zijn om een pgb goed te beheren vindt plaats tijdens het gesprek, bedoeld in artikel 11 en 18 van de Verordening en op basis van het pgb-plan. 2.De volgende vaardigheden worden in ieder geval vereist: een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 3.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij een heroverweging als bedoeld in artikel 2.3.9 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel30.Formele en informele ondersteuning 1.Bij het vaststellen van de soort ondersteuning die nodig is, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele ondersteuning. 2.Van formele ondersteuning is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen: personen die werkzaam zijn bij een zorginstelling die voor de in het kader van het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden staat ingeschreven in het Handelsregister, bedoeld in artikel 5 Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel (zzp’
  17. er)en ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister, bedoeld in artikel 5 Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 3.Als de ondersteuning geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder is er altijd sprake van informele ondersteuning. 4.Als de ondersteuning wordt verleend door een persoon, die niet voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid, is er sprake van informele ondersteuning. Artikel31.Voorwaarden inkopen ondersteuning uit sociaal netwerk 1.Een pgb voor jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning kan alleen uitgevoerd worden door een persoon die behoort tot het sociale netwerk (informele ondersteuning) als gemotiveerd kan worden dat de inzet van het sociale netwerk tot minimaal gelijkwaardig of aantoonbaar betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. 2.Op grond van voornoemd kader kan een pgb voor jeugdhulp worden verstrekt in de volgende situaties: de ondersteuning vooraf niet goed in te plannen is; op ongebruikelijke momenten geboden dient te worden; op veel korte momenten per dag nodig is; op verschillende locaties geleverd dient te worden; of 24 uur per dag en op afroep beschikbaar moet zijn; het leidt bij aangeboden jeugdhulp niet tot voor de jeugdige onveilige situaties; en de aangeboden jeugdhulp is geen GGZ-zorg, spoedeisende jeugdhulp of pleegzorg. 3.Indien nodig kan door het college ter uitvoering van het eerste en tweede lid, advies gevraagd worden aan een (externe) deskundige. 4.Het college kan nadere regels opstellen over de invulling van dit artikel. Artikel32.Kwaliteitseisen pgb jeugdhulp 1.De volgende kwaliteitseisen gelden voor zowel formele als informele ondersteuning: de zorgverlener beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Een VOG is niet noodzakelijk voor ondersteuning die geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, de budgethouder of budgetbeheerder zorgt ervoor dat de hulp er is, wanneer dat nodig is. De budgethouder of budgetbeheerder maakt daarover afspraken over vervanging (ook bij eventuele ziekte of vakantie van de zorgverlener), de budgethouder of budgetbeheerder heeft er vertrouwen in dat de zorgverlener die ingezet wordt alle aandacht heeft voor de cliënt en hulp biedt die nodig en doeltreffend is, de zorgverlener voert de ondersteuning uit, zoals het in het ondersteuningsplan staat, de zorgverlener die ingezet wordt, heeft de juiste ervaring en deskundigheid, de zorgverlener die ingezet wordt houdt een deugdelijke administratie bij, de zorgverlener neemt bij vermoedens van huiselijk geweld en/of kindermishandeling in het huishouden van de cliënt voor advies contact op met Veilig Thuis, de zorgverlener respecteert de privacy van de cliënt en gaat vertrouwelijk om met informatie en persoonlijke situatie, de zorgverlener moet meewerken aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door de gemeente (of daartoe aangewezen derden) op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid, en de budgethouder of budgetbeheerder houdt zelf in de gaten dat de zorgverlener niet overbelast raakt. 2.Voor de hulp die ingezet wordt via een jeugdhulpaanbieder (formele ondersteuning) gelden de volgende aanvullende kwaliteitseisen: de professionele zorgverlener heeft zich volgens de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) geregistreerd in het landelijk register en voldoet aan de overige eisen van de Wtza, de professionele zorgverlener staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Wanneer het gaat om ondersteuning op HBO of WO-niveau dan is die geregistreerd in het kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) en/of BIG-register. De beoordeling of er een professionele zorgverlener met een SKJ- of BIG registratie nodig is vindt plaats door middel van ‘de norm van de verantwoorde werktoedeling’ en het ‘kwaliteitskader Jeugd’, de professionele zorgverlener dient te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet, de professionele zorgverlener is verplicht om een melding te doen bij de gemeente of de Inspectie voor de gezondheidszorg als er een calamiteit of een gewelddadig incident heeft voorgevallen, de budgethouder of budgetbeheerder heeft met een professionele zorgverlener de afspraak gemaakt dat de budgethouder of budgetbeheerder niet tegengehouden mag worden om eventueel niet professionele hulp in te zetten, en de zorgverlener leeft beroeps- en meldcodes na. Artikel33.Kwaliteitseisen pgb maatschappelijke ondersteuning 1.De volgende kwaliteitseisen gelden voor zowel formele als informele ondersteuning: de zorgverlener beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van zijn of haar functie. Een VOG is niet noodzakelijk voor ondersteuning die geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, de budgethouder of budgetbeheerder zorgt ervoor dat de ondersteuningscontinuïteit is gewaarborgd, de budgethouder of budgetbeheerder zorgt ervoor dat de ondersteuning tijdig en conform afspraak is, de budgethouder of budgetbeheerder zorgt ervoor dat de ondersteuning is afgestemd op de reële behoefte van de budgethouder en op andere vormen van zorg of hulp, en de ondersteuning wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de budgethouder, de pgb-zorgverlener en/of budgetbeheerder heeft een actieve signaleringsplicht ten aanzien van veranderingen in de gezondheid (fysiek en psychisch), de sociale situatie en de behoefte van de budgethouder aan meer of andere zorg, de te leveren ondersteuning is uitgewerkt in het pgb-plan, de pgb-zorgverlener spreekt de taal van de budgethouder en er is een gelijkwaardige, volwassen relatie, de budgethouder kan zijn verhaal goed kwijt, de pgb-zorgverlener luistert en sluit aan bij de te behalen doelen van de budgethouder, de budgethouder kan familie en mantelzorger betrekken in de zorg, de pgb-zorgverlener houdt daar rekening mee, en de budgethouder kan erop vertrouwen dat de pgb-zorgverlener de juiste expertise en ervaring heeft. 2.Voor de ondersteuning die ingezet wordt via een zorgaanbieder en zzp’ers (formele ondersteuning) gelden de volgende aanvullende kwaliteitseisen: de aanbieder is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, met een SBI-code die correspondeert met de werkzaamheden die uitgevoerd worden voor de budgethouder, de aanbieder draagt zorg voor dat de ondersteuning wordt geleverd, passend bij de behoeften en persoonskenmerken van de cliënt, de aanbieder draagt zorg voor scholing over kwalitatief verantwoorde kennis en kunde, de aanbieder voldoet aan de landelijke kwaliteitscriteria ingekochte zorg, conform Hoofdstuk 5.a Wettelijke kwaliteitseisen - Wmo 2015 in het document ‘Handreiking kwaliteitscriteria Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning voor inkoop van de VNG’, de aanbieder heeft de meldplicht om calamiteiten en geweld te melden aan de toezichthouder van de gemeente of inspectie voor gezondheidszorg, en de aanbieder heeft de verplichting om een vertrouwenspersoon in de gelegenheid te stellen zijn taak uit te oefenen, de aanbieder heeft een klachtenregeling die aansluit bij het niveau van de cliënt, de aanbieder heeft een klachtenprotocol waarin staat hoe klachten, incidenten en calamiteiten behandeld worden alsmede een beschrijving van de wijze waarop deze leiden tot verbeteracties, de aanbieder kan op verzoek van de toezichthouder aangeven hoe wordt omgegaan met veiligheid (onder andere meldcode, risico-inventarisatie en evaluatie cliënten en woonomgeving, wettelijke eisen rondom brandveiligheid etc.), de aanbieder heeft een beschrijving hoe wordt omgegaan met cliëntveiligheid (agressie, medicatieveiligheid, brandveiligheid), en de aanbieder heeft een beschrijving hoe omgegaan wordt met privacy (meldcode datalekken en privacyprotocol). 3.In aanvulling op het tweede lid gelden voor formele ondersteuning (met uitzondering van zzp’ers) de volgende aanvullende kwaliteitseisen: de aanbieder draagt zorg voor het naleven van beroeps- en meldcodes door de medewerkers, de aanbieder heeft een systematische kwaliteitsbewaking, en de aanbieder doet regelmatig een cliëntervaringsonderzoek en stelt dit ter beschikking aan de toezichthouder wanneer daar om gevraagd wordt. Artikel34.Hoogte van een pgb 1.De hoogte van een pgb: wordt bepaald aan de hand van het pgb-plan in combinatie met het persoonlijk gesprek met de cliënt; is gebaseerd op de frequentie, de kwaliteit en professionaliteit van de in te zetten vorm van ondersteuning. Er wordt rekening gehouden met een verschil tussen formele en informele ondersteuning; is niet meer dan de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopst en meest adequate en passende voorziening in natura; is toereikend voor de inkoop of aanschaf van veilige, doeltreffende en kwalitatief goede voorzieningen en wordt als nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie en verzekeringen. 2.De hoogte van een pgb voor ondersteuning die geboden gaat worden door zorgorganisaties en ZZP-ers bedraagt: 100% van het laagst toepasselijke tarief dat voor een dergelijke dienst zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder als de dienst wordt uitgevoerd door een zorgorganisatie; 80% van het laagst toepasselijke tarief dat voor een dergelijke dienst wordt gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder als de dienst wordt uitgevoerd door een ZZP-er, tenzij daarmee geen passende zorg of ondersteuning kan worden ingekocht . 3.De tarieven voor het persoonsgebonden budget kunnen jaarlijks geïndexeerd worden. 4.De hoogte van een pgb voor ondersteuning die geboden gaat worden door een persoon die informele ondersteuning biedt, wordt vastgesteld op basis van de volgende uitgangspunten: deze persoon hanteert een tarief dat: voor hulp bij het huishouden (maatschappelijke ondersteuning) gelijk is aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren; voor begeleiding (maatschappelijke ondersteuning) gelijk is aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren; voor jeugdhulp maximaal 200% van het wettelijke minimumloon bedraagt; tussenpersonen of belangenbehartigers worden niet uit het pgb betaald; de zorg aan de belanghebbende mag niet tot overbelasting leiden van deze persoon die informele ondersteuning biedt de informele hulpverlener. 5.Het pgb mag alleen worden gebruikt voor de kosten van het leveren van ondersteuning. Het pgb mag niet worden gebruikt voor het betalen van een vertegenwoordiger. 6.Het tarief is lager als op basis van het door de cliënt ingediende pgb-plan passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. Artikel35.Uitgesloten van pgb De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: kosten voor bemiddeling; kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; kosten voor het voeren van een pgb-administratie; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 16 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening; kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag; reiskosten van de zorgverlener; en feestdagenuitkering. Artikel36.Opschorting betaling uit het pgb 1.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste 13 weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 dan wel artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet. 2.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder f, van deze verordening. 3.Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid 4.Het college kan nadere regels stellen omtrent het opschorten van de betaling uit het persoonsgebonden budget. HOOFDSTUK9BIJDRAGE IN DE KOSTEN VOOR MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Artikel37.Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang: de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt, of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, of het koopbedrag van een middels een pgb verstrekte voorziening niet is voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor: een woonvoorziening voor een minderjarige cliënt; een rolstoelvoorziening; een financiële maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, onder k, van deze verordening; en collectief vervoer in de vorm van de GroeneHartHopper als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel k, van deze verordening. 3.De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: door een aanbesteding, na een consultatie in de markt, of in overleg met de aanbieder. 4.De kostprijs van pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 5.De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, of het totaal aan bijdragen, is gelijk aan de kostprijs tot aan ten hoogste de in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde bijdrage per maand voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 6.Mantelzorgers betalen voor de hulp bij het huishouden voor mantelzorgers een tarief met korting aan de aanbieder. Artikel38.Bijdrage in de kosten voor beschermd wonen en opvang 1.De hoogte van de bijdrage in de kosten voor beschermd wonen wordt vastgesteld op grond van paragraaf 3 van hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2.De bijdrage in de kosten voor opvang wordt vastgesteld op grond van artikel 3.20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 3.In afwijking van het tweede lid betalen cliënten in de eerste maand van de opvang geen bijdrage in de kosten, tenzij er sprake is van doorlopend inkomen. 4.In afwijking van het tweede lid betalen cliënten geen bijdrage in de kosten voor opvang als zij doorlopende huurlasten hebben van een woning die zij hebben verlaten vanwege risico’s in verband met huiselijk geweld. 5.De instellingen die een bijdrage in de kosten voor opvang innen zijn het Leger des Heils, Kwintes: Opvang en Begeleiding na Huiselijk Geweld Midden-Holland en De Reling. 6.De in het vijfde lid genoemde instellingen bepalen per opvangvorm de hoogte van het te innen bedrag, rekening houdend met het tweede, derde en vierde lid. HOOFDSTUK10WIJZIGINGEN, HERZIENING EN TERUGVORDERING Artikel39.Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een verstrekking van een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget te heroverwegen. 2.Zoals beschreven in artikel 2.3.8 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en in artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doet een cliënt op verzoek of direct uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over het recht op een voorziening. 3.Zoals beschreven in artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en in artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een besluit genomen op grond van deze verordening herzien of intrekken als het college vaststelt dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; de cliënt niet langer op de voorziening of het pgb is aangewezen; de voorziening of het pgb-budget niet meer toereikend is te achten; de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de voorziening of het pgb; de cliënt de voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd; of de cliënt langer dan 6 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; of 4.Als het college een besluit op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 5.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is gebruikt voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 6.Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het derde lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb. 7.Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 8.Het college kan nadere regels bepalen voor het heroverwegen, herzien, intrekken of terugvorderen van voorzieningen. HOOFDSTUK11TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel40.Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel41.Aanwijzen toezichthouder 1.Het college kan personen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van wat in of volgens de Jeugdwet is bepaald. 2.Het college kan personen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van wat in of volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is bepaald. Artikel42.Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik van Jeugdhulp voorzieningen 1.Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2.Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. HOOFDSTUK12WAARDERING MANTELZORGERS Artikel43.Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.Geregistreerde mantelzorgers van cliënten in de gemeente komen ambtshalve door het college in aanmerking voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering. 2.Het college erkent, waardeert en ondersteunt mantelzorger door middel van: het beschikbaar stellen van een jaarlijkse attentie; het bekostigen van bijeenkomsten waarin mantelzorgers worden gewaardeerd en erkend; het bieden van praktische ondersteuning bestaande uit in ieder geval hulp bij het huishouden voor maximaal 78 uur per kalenderjaar. HOOFDSTUK13KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP BIJ AANBIEDERS VAN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP Artikel44.Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1.Aanbieders die maatschappelijke ondersteuning verlenen, beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2.Voor zorgaanbieders en gecertificeerde instellingen is het klachtrecht als bedoeld in § 4.2.a. van de Jeugdwet van toepassing. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel45.Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1.Aanbieders moeten beschikken over een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2.Voor zorgaanbieders en gecertificeerde instellingen zijn de regels voor medezeggenschap als bedoeld in § 4.2.b. van de Jeugdwet van toepassing. HOOFDSTUK14SLOTBEPALINGEN Artikel46.Intrekking De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 wordt ingetrokken. Artikel47.Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden 1.Het college kan bepalingen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2.In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel48.Overgangsrecht 1.Besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023 worden aangemerkt als besluiten op grond van deze verordening. 2.Aanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet is beslist bij de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld volgens deze verordening. 3.Op bezwaar- en beroepschriften gericht tegen een besluit genomen op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2023, wordt beslist met inachtneming van deze verordening. Artikel49.Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na die van haar bekendmaking. Artikel50.Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026’ Aldus besloten in de openbare vergadering van 28 januari 2026.De raad van de gemeente voornoemd,griffier mr. drs. E.J. Karman - Moerman voorzittermr. drs. P. VerhoeveToelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026 ALGEMENE TOELICHTING De gemeente is wettelijk verplicht om inwoners onder bepaalde omstandigheden te ondersteunen bij hun maatschappelijke zelfredzaamheid en/of participatie. Dit geldt voor jeugdigen en hun gezinnen, en voor volwassenen. Dit is aan de orde als inwoners op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of door gebruik te maken van algemene voorzieningen onvoldoende zelfredzaam zijn, onvoldoende kunnen participeren of als er sprake is van risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. In deze verordening staan regels voor de invulling van de ondersteuningsplicht. De regels zijn een lokale vertaling van het landelijke wettelijke kader en omschrijven de manier waarop de gemeente de verantwoordelijkheid voor de toeleiding naar en inzet van passende en kwalitatief goede ondersteuning vormgeeft. In de opbouw van de Verordening volgen we de route van de inwoner richting een voorziening. Artikel 1. Begripsbepalingen Algemeen gebruikelijke voorziening De gemeente hoeft geen voorzieningen te verstrekken waarover de cliënt ook kan beschikken als de cliënt geen beperkingen heeft (zie o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐08‐2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 Wmo). De beoordeling of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening beantwoordt de vraag of de cliënt ook over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen had gehad. De volgende criteria kunnen een rol spelen bij die beoordeling: Is de voorziening regulier te koop? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Kan de voorziening financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau? Algemene voorziening De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9, onderdeel a van 'overige voorziening'. In de wettelijke teksten wordt net als in de praktijk ook over algemene of vrij toegankelijke voorzieningen gesproken. Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is, is deze overgenomen in de verordening. Dit sluit ook aan bij de terminologie van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Kenmerkend voor een algemene voorziening is dat het gaat om een vrij toegankelijke voorziening. Dat wil zeggen: zonder dat eerst een diepgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers heeft plaatsgevonden. De diensten, activiteiten of zaken kunnen toegankelijk zijn voor specifieke groepen of soms ook voor de gehele bevolking. Eigen regie In de verordening komt het begrip eigen regie een aantal keer naar voren. De gemeente Gouda ondersteunt haar inwoners in het voeren van eigen regie. Hierdoor worden inwoners in staat gesteld hun talenten en netwerk in te zetten en vinden ze duurzame oplossingen die passen bij hun leefwereld: De aard en omvang van de voorzieningen en de gekozen oplossingen worden zoveel mogelijk samen met de inwoner bepaald, op basis van individuele omstandigheden, voorkeuren en de mogelijkheden binnen de wettelijke kaders. De inwoner kan ook een familiegroepsplan (jeugdhulp) of persoonlijk plan (Wmo) indienen. Als wordt vastgesteld dat inwoners in aanmerking komen voor indicatie voor een individuele voorziening in het kader van Jeugdhulp of voor maatwerk in het kader van de Wmo, hebben zij de keuze uit een aanbod van zorg in natura waarin de gemeente via inkoop voorziet. Als dit aanbod niet aansluit bij hun ondersteuningsbehoefte, kunnen inwoners ook kiezen voor een pgb. Met behulp daarvan kunnen zij hun eigen ondersteuningspalet samenstellen en organiseren. Voorziening Om het verschil duidelijk te maken tussen voorzieningen waarvoor de gemeente een beschikking afgeeft in het kader van de Jeugdwet of in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, wordt in deze verordening een voorziening in het kader van de Jeugdwet ‘individuele voorziening’ genoemd en voorzieningen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 ‘maatwerkvoorziening’. Artikel 2. Toegang algemene voorziening Om van een algemene voorziening gebruik te kunnen maken, is geen uitgebreid onderzoek naar de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager noodzakelijk. Een formele beslissing (beschikking) van de gemeente is niet nodig. De aanvrager die tot de doelgroep van de voorziening behoort, kan er meestal meteen gebruik van maken. De ‘beperkte toegangsbeoordeling’ waar het artikel over spreekt, zorgt ervoor dat bepaalde algemene voorzieningen voor een bepaalde doelgroep beschikbaar zijn. Het betreft hier bijvoorbeeld schoolmaatschappelijk werk als vorm van kortdurende ondersteuning, dat toegankelijk is voor leerlingen die onderwijs volgen op een Goudse school. Sluit de algemene voorziening onvoldoende aan bij de hulpvraag- of niet voldoende ondersteuning met een algemene voorziening, dan kan deze de hulpvraag melden en als dat gewenst is een voorziening aanvragen. Artikel 3. Beschikbare algemene en individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen Lid 1: De gemeente stelt regels aan de individuele-, maatwerk- en algemene jeugdhulpvoorzieningen die zij verleent (artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet). De inwoner heeft recht op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3). Dit artikel toont de algemene-, maatwerk en individuele voorzieningen die in ieder geval beschikbaar zijn binnen de gemeente Gouda. Van de genoemde algemene voorzieningen hebben de voorzieningen van kortdurende ondersteuning, participatie in de buurt en vervoersvoorzieningen betrekking op algemene voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning. Het jeugdvervoer vindt plaats op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet Lid 2: Dit artikel toont de minimaal mogelijke vormen van individuele voorzieningen zoals bedoeld in de Jeugdwet binnen de gemeente Gouda: Hoogspecialistische jeugdhulp: Integrale en/of (zeer) intensieve ambulante jeugdhulp en verblijfsvoorzieningen met behandeling. De hulp is gericht op stabiliseren (geen crisis) en behandelen en wordt meestal tijdelijk ingezet, waarna afschaling naar andere zorgvormen (zoals behandeling specialistisch, begeleiding en/of wonen) volgt. Jeugdbescherming/jeugdreclassering: Jeugdigen die via de Rechterlijke Macht (civielrechtelijk of strafrechtelijk) een maatregel (Onder Toezicht Stelling, Voogdij of Jeugdreclassering) opgelegd hebben gekregen en daarbij worden begeleid door een Gecertificeerde Instelling. Crisis: Crisis betreft de ongeplande hulp aan alle jeugdigen en/of gezinnen, die te maken krijgen met een urgente situatie, die direct en 24/7 beschikbaar en bereikbaar is. De situatie is (levens)bedreigend en urgent. De crisishulp is kortdurend en kan bestaan uit intensieve begeleiding in de thuissituatie, tijdelijk verblijf in het eigen netwerk of pleeggezin (crisispleegzorg) of crisisopvang/opname in een instelling. JeugdzorgPlus: vorm van gesloten jeugdhulp, die wordt opgelegd door de kinderrechter. De zorg bestaat uit verblijf en intensieve (groeps-) behandeling. Daarbij wordt ook onderwijs (extern) georganiseerd, passend bij het leerniveau. Behandeling: Er wordt ambulante en/of poliklinische hulp geboden, gericht op het verbeteren van, het ondersteunen bij en het leren omgaan met situaties en/of specifiek gedrag, die de ontwikkeling en het opgroeien van jeugdigen bedreigen. De geboden ondersteuning varieert van lichte, enkelvoudige ondersteuning tot aan specialistische intensieve ondersteuning en combinaties hiervan. Ook meervoudig complexe situaties komen voor in dit segment. Begeleiding: Begeleiding wordt ingezet om onze inwoners (jeugdigen en volwassenen) te ondersteunen met het vergroten zelfredzaamheid, groeien naar zelfstandigheid, leren omgaan met de situatie/problematiek, participatie in de samenleving en stabiliseren van de situatie. De individuele doelen worden gemonitord en geëvalueerd. Wonen: Alternatieve passende structurele woonvormen (gezinshuizen, pleegzorg etc.), die zo lang als nodig als thuis fungeren, worden ingezet voor jeugdigen, die geen veilige of passende thuissituatie kennen. Dagbesteding: Dagbesteding bestaat uit een groepsaanbod van activiteiten. Deze kunnen gericht zijn op het ontlasten van de thuissituatie (respijtzorg), het bieden van een zinvolle invulling van de dag of op ontwikkeling en het bevorderen van deelname aan de maatschappij. Logeren: Logeren wordt gebruikt om het gezin, de mantelzorger/verzorger te ontlasten en is een vorm van respijtzorg. Ernstige dyslexiezorg; Bij dyslexiezorg gaat het om kinderen die ernstige problemen hebben met lezen en spellen. Dit heet Ernstige Dyslexie (ED). De behandeling richt zich op het verminderen van die problemen. Vervoer naar jeugdhulplocatie: Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten, voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, eveneens het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. De vorm waarin het vervoer naar de locatie bij jeugdhulp aangeboden wordt, is afhankelijk van de specifieke situatie van de cliënt. Lid 3: Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt dat de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.9, van de wet, in de verordening (op geaggregeerd niveau) kan sturen op duur, omvang en frequentie van individuele voorzieningen (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 148 en Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 40). In het derde lid wordt daarom bij bepaalde individuele voorzieningen op collectief niveau op deze elementen gestuurd. Het college moet op basis van het vierde lid deze elementen overnemen in de afspraken die zij maakt met jeugdhulpaanbieders in het kader van de inkoop- en subsidierelatie. Het feit dat deze omvang in beginsel wordt aangehouden maakt dat in zeer bijzondere individuele situaties van de in de verordening bepaalde omvang kan worden afgeweken.
  18. p)Verlenging mogelijk na afstemming met de verwijzer vanuit de gemeente. Redenen om te verlengen kunnen zijn: aanvraag voor een BGGZ traject voor een andere DSM-diagnose; aanvraag voor beperkt aantal extra uren om de behandeling af te maken, o.a. met als doel instroom in de SGGZ of de J&O behandeling te voorkomen.
  19. q)Verlenging van de standaard toewijzing in de SGGZ is altijd mogelijk. een jeugdige met een verwijzing heeft recht op passende jeugdzorg totdat de behandeling is afgerond. Lid 4: Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de jeugdwet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In het vierde lid is bepaald over welke elementen het college in het kader van zijn inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket. De kwaliteitseisen waar jeugdhulpaanbieders moeten voldoen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden uitvoeren vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn daarom niet in de verordening opgenomen, maar moeten uiteraard wel in de contractuele afspraken worden opgenomen. Lid 5: Het artikel toont ook de minimaal mogelijke vormen maatwerkvoorzieningen overeenkomstig de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 binnen de gemeente Gouda: Hulp bij het huishouden: hulp waarbij (een deel van) de huishoudelijke taken worden overgenomen door een professionele hulp. Begeleiding: Begeleiding wordt ingezet om onze inwoners (jeugdigen en volwassenen) te ondersteunen met het vergroten zelfredzaamheid, groeien naar zelfstandigheid, leren omgaan met de situatie/problematiek, participatie in de samenleving en stabiliseren van de situatie. De individuele doelen worden gemonitord en geëvalueerd. Dagbesteding: Dagbesteding bestaat uit een groepsaanbod van activiteiten. Deze kunnen gericht zijn op het ontlasten van de thuissituatie (respijtzorg), het bieden van een zinvolle invulling van de dag of op ontwikkeling en het bevorderen van deelname aan de maatschappij. Vervoer naar dagbesteding: Een indicatie dagbesteding omvat voor zover dat naar het oordeel van het college noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, eveneens het vervoer van een cliënt van en naar de locatie waar de dagbesteding wordt geboden. De vorm waarin het vervoer naar de locatie bij dagbesteding aangeboden wordt, is afhankelijk van de specifieke situatie van de cliënt. Logeeropvang en verblijf: logeeropvang of kortdurend verblijf wordt ingezet al respijtzorg om de mantelzorger te ontlasten. Hulpmiddelen zijn een verzameling van de volgende voorzieningen: vervoersvoorzieningen, rolstoelvoorzieningen en woonvoorzieningen. Vervoersvoorzieningen die onder de hulpmiddelen vallen zijn: scootmobielen, aangepaste fietsen en aangepaste scooters. De verschillende rolstoelvoorzieningen zijn: handbewogen rolstoelen, elektrische rolstoelen en aangepaste buggy’s voor kinderen. De woonvoorzieningen die onder hulpmiddelen vallen zijn middelen waarvoor geen woningaanpassing nodig is, dus onder andere: verrijdbare tilliften, douchestoelen en toiletstoelen. Woonvoorzieningen: vallen uiteen in bouwkundige woningaanpassingen (waaronder trapliften, niet reguliere wandbeugels, plafondtilliften, een aanbouw, het verwijderen van een bad en creëren van een inloopdouche, drempelhulpen) en niet bouwkundige woningaanpassingen (waaronder verrijdbare tilliften, douchestoelen en toiletstoelen). Rolstoelvoorzieningen: handbewogen rolstoelen, elektrische rolstoelen en aangepaste buggy’s voor kinderen. Vervoersvoorzieningen: vallen uiteen in hulpmiddelen (scootmobielen, aangepaste fietsen en aangepaste scooters) en het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV). Financiële maatwerkvoorzieningen: voorzieningen die bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie van inwoners, maar waarbij de financiële tegemoetkoming niet noodzakelijk kostendekkend hoeft te zijn. Voor de volgende kosten is een financiële maatwerkvoorziening mogelijk: Verhuis- en inrichtingskosten: Deze voorziening wordt verstrekt als cliënt medisch gezien in staat is te verhuizen en de kosten van de woningaanpassingen boven het maximaal te verstrekken verhuis- en herinrichtingskostenbudget komen. Aanschaf en onderhoud sportvoorziening: Inwoners die vanwege hun beperking belemmerd worden in hun mogelijkheden om te sporten en daarom een voorziening nodig hebben, kunnen hiervoor een financiële tegemoetkoming aanvragen bij de gemeente. Vervoersvoorziening voor het gebruik van een eigen auto of een bruikleenauto: dit is een tegemoetkoming voor de kosten die gemaakt worden bij het aanpassen van de eigen auto of voor het gebruik van een eigen auto of bruikleenauto als een inwoner daar gebruik van maakt in plaats van voorliggende voorzieningen. Gewoon Thuis: vorm van intensieve begeleiding die gelijkwaardig is aan een beschermende woonomgeving, maar dan thuis. Cliënten kunnen hierbij 24 uur per dag een beroep doen op begeleiding, maar wonen zelfstandig. Beschut wonen: Een geclusterde woonvorm met een gemeenschappelijke ruimte, waar begeleiding door de weeks op vaste momenten aanwezig is en daarbuiten 24-uurs bereikbaar en indien nodig op afroep langs komt. De doelgroep kan (nog) niet zelfstandig wonen, maar wel zelf aangeven wanneer hulp nodig is en deze hulpvraag uitstellen. Beschut wonen is bedoeld voor bewoners die uitstromen uit beschermd wonen, maatschappelijke opvang en verblijfszorg jeugdzorg én om instroom te voorkomen. Bij beschut wonen is het uitgangspunt scheiden van wonen en zorg. Dit betekent dat de inwoner in principe zelf zijn huur betaalt en zelf een huurcontract heeft met de verhuurder of de zorgorganisatie. Beschermd wonen: woonvorm waarbij de cliënt permanent toezicht nodig heeft. De doelgroep is kwetsbaar met risico op verwaarlozing en overlast en kan een gevaar vormen voor zichzelf en voor anderen. Doel van deze manier van wonen is de doorstroom naar (beschut) zelfstandig wonen. Alle kosten worden vergoed en via het CAK wordt een eigen bijdrage berekend. Maatschappelijke opvang: onderdak en begeleiding voor mensen die dak- of thuisloos zijn en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Hieronder vallen crisisopvang (alleenstaande volwassenen), herstart (alleenstaande volwassenen), herstart gezinnen, crisisopvang jongeren en reguliere opvang jongeren. Vrouwenopvang: 24-uurs opvang voor vrouwen met of zonder kinderen die te maken hebben met huiselijk geweld. Jongeren onder Dak: traject voor dak- en thuisloze jongeren (18 tot en met 23 jaar) in Midden-Holland. Door begeleiding en ondersteuning aan de jongeren wordt gestreefd naar vergroting van de persoonlijke mogelijkheden en groei naar zelfstandigheid. HOOFDSTUK 2 TOEGANG EN PROCEDURE ALGEMEEN We willen dat inwoners met een hulpvraag zich melden bij Sociaal Team Gouda. Als er een individuele jeugdhulpvoorziening vanuit de Jeugdwet of maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 wenselijk/nodig is, kunnen inwoners (eventueel met hulp vanuit het Sociaal team) terecht bij de gemeente voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet of maatschappelijke ondersteuning vanuit de Wmo 2015. Dit hoofdstuk beschrijft de werkwijze daarvoor. Na een melding, onderzoekt de gemeente wat er nodig is. De uitkomsten van het onderzoek worden vastgelegd in het verslag. Als er een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet of een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 nodig is, volgt een aanvraag en een besluit op de aanvraag. Dit besluit heet ook wel een indicatie. Artikel 5 gaat over het afstemmen van hulp op andere wetten, zoals de Jeugdwet, Wmo, zorgverzekeringswet en onderwijswetgeving. Zo sluit de hulp beter op elkaar aan. Bij jongeren vanaf 16 jaar wordt alvast gekeken naar de overgang naar volwassenenzorg, zodat die zo goed mogelijk verloopt. Als een inwoner aangeeft jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning nodig te hebben, onderzoekt de gemeente wat er nodig is. Hoe dat onderzoek precies verloopt, wordt verderop in de verordening uitgelegd. De uitkomsten worden vastgelegd in een verslag. Dat verslag wordt gedeeld met de inwoner, die het kan aanvullen en, als dat nodig is, ondertekend. Artikel 4. Zorgplicht college voor integrale toegang en intake Lid 1 De verschillende wetten in het sociaal domein, voorzien niet in een wettelijke basis voor een gelijke, integrale en domein brede uitvoering en procedure. Om zoveel mogelijk integraal te werken, heeft het college de plicht te zorgen voor een integrale toegang en intake. De integrale intake moet onderscheiden worden van de gesprekken die gevoerd worden voor het onderzoek dat uitgevoerd wordt als er een ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein in de eerste plaats een oplossing gevonden kan worden. Het college moet bepalen hoe het de zorgplicht invult. In ieder geval moet bereikt worden dat inwoners eenvoudig bij de gemeente aan kunnen kloppen voor informatie en hulp bij het verhelderen van hun mogelijke vraag. Als de vraag duidelijk is, worden inwoners doorgeleid naar de passende organisatie en de juiste wettelijke kaders voor de verdere ondersteuning. Artikel 5. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning Waar het de afbakening met andere wetgeving betreft, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Jeugdwet en de Wmo 2015, zijn o.a. artikel 1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 van toepassing. Als een jeugdige of volwassene aanspraak kan maken op zorgverlening op grond van één van deze (andere) wetten (Wlz, Zvw of onderwijswetgeving), dan is die betreffende wet voorliggend. Als echter: meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en de persoon daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de Jeugdwet of Wmo 2015, dan is het college gehouden een voorziening te treffen op basis van deze wet. Ook de voorziening als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de Jeugdwet en voorzieningen op grond van artikel 2.1.1 van de Wmo 2015 zijn uitgezonderd van het uitgangspunt dat geen voorziening hoeft te worden verstrekt als aanspraak bestaat op de Wlz of Zvw. Een voorbeeld binnen de Wmo betreft begeleiding bij het structureren van het dagelijks leven voor een volwassene met psychische problematiek. Als deze persoon ook aanspraak heeft op behandeling via de Zvw, maar de begeleiding niet onder die behandeling valt, dan kan het college op grond van de Wmo 2015 een voorziening treffen. Ook ondersteuning bij het voeren van regie over het eigen leven of het behouden van sociale contacten valt onder de Wmo en niet onder de Zvw. Een andere belangrijke wettelijke afbakening is te vinden met onderwijswetgeving. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de wet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de wet. Als een gedragswetenschapper Ernstige Dyslexie (ED) vaststelt, maar daarvoor géén behandelindicatie afgeeft, dan is geen sprake van jeugdhulp. Dat betekent dat onderwijs in dat geval (ook voor deze jeugdige) verantwoordelijk blijft voor goed lees- en spellingsonderwijs in de klas, eventuele extra begeleiding in de klas en andere specifieke interventies. Het onderzoek van de gedragswetenschapper is overigens wél een vorm van jeugdhulp onder de wet. Intelligentietesten die worden afgenomen met een ander doel dan ten behoeve van onderwijs en het vaststellen van de behoefte aan behandeling van leerstoornissen, huiswerkbegeleiding, remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT), begeleiding op school (voor zover gericht op het leerproces), dyscalculie, behandeling stoornis op gebied van leren en begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden, vallen evenmin onder jeugdhulp (zie artikel 10). Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de Jeugdwet en artikel 2.1.3 van de Wmo 2015 moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige, volwassene of ouder ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin of huishouden te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de Jeugdwet of Wmo niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Personen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Op grond van artikel 5 van de verordening is het college ervoor verantwoordelijk dat een jeugdige, volwassene of diens ouder(
  20. s)zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat zij tussen wal en schip vallen. Eerste lid Het eerste lid bevat een opsomming van wetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief. Tweede en derde lid Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming. Bij de afstemming van ondersteuning vanuit zowel preventieve ondersteuning (zie artikel 3), de Jeugdwet als andere wettelijke kaders (zoals bedoeld in lid 1) is het uitgangspunt dat de ingezette hulp bijdraagt aan het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en diens ouders. Dit betekent dat hulp niet uitsluitend gericht is op het wegnemen van problemen, maar ook op het vergroten van de mogelijkheden van gezinnen om zelf oplossingen te vinden en hun draagkracht duurzaam te benutten. Op deze manier wordt ondersteuning toekomstbestendig. Vierde lid Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen. Vijfde en zesde lid Het vijfde en zesde lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het achttiende levensjaar, of het eenentwintigste of drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten. Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen. Artikel 6. Verslag Jeugdhulp In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen. Uit het verslag moet duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Het is ook mogelijk dat de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en zijn ouders doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een nieuw besluit op te kunnen nemen. Wet Maatschappelijke Ondersteuning Achtergrondinformatie Deze bepaling is opgenomen, omdat een zorgvuldige dossiervorming en een procedurebeschrijving belangrijk zijn. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. In de toelichting op de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3) staat dat de gemeente de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk aan de cliënt geeft, zodat deze een aanvraag kan doen voor een maatwerk- of individuele voorziening. Inhoud van het verslag Een goed verslag maakt het voor de gemeente mogelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag, en maakt de communicatie met de cliënt duidelijker. Het gespreksverslag gaat over de afspraken die tussen het college en de cliënt zijn gemaakt. Het verslag kan gaan over meerdere gesprekken. Hoe het verslag eruitziet, hangt af van de uitkomsten van het onderzoek. Als er geen maatwerkvoorziening of individuele voorziening nodig is, zal het verslag bijvoorbeeld beperkt zijn. Bij meer ingewikkelde onderzoeken is een uitgebreider verslag nodig. Arrangement Als het gewenst is, kan de gemeente het verslag met onderzoeksuitkomsten ook gebruiken als een gezamenlijk overeengekomen plan, een arrangement. Hierin zijn alle gemaakte afspraken en de verplichtingen vastgelegd. De gemeente en de cliënt ondertekenen dan samen het plan. Opmerkingen of wijzigingen aan het verslag Later kunnen opmerkingen of aanpassingen worden gedaan in het verslag of feitelijke onjuistheden worden hersteld (artikel 7, derde lid). Het kan namelijk zo zijn, dat een inwoner na het gesprek nog onderzoekt wat er in de omgeving mogelijk is om ondersteuning te ontvangen of dat de inwoner nog een aanvullende opmerking heeft. Daarnaast staat dit lid dat de inwoner regie heeft over de eigen aanvraag en dus medezeggenschap heeft over de inhoud van het verslag. De aanvraag voorzien moet zijn van naam, adres, dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt aangevraagd Het adres in de aanvraag hoeft niet het adres te zijn waar de aanvrager woont. De aanvrager kan ook een ander adres kiezen, bijvoorbeeld het adres van zijn gemachtigde. Bij een digitale aanvraag hoeft niet precies te staan welke beschikking wordt gevraagd, maar de hulpvraag moet voldoende duidelijk zijn. Omdat op de aanvraag een besluit moet volgen, moet de aanvrager hierop zijn hulpvraag aangeven. HOOFDSTUK 3 TOEGANG TOT JEUGDHULP Jeugdhulp kan worden aangevraagd via de gemeente, maar ook via de huisarts, jeugdarts of instanties zoals Veilig Thuis of de rechter. In dit hoofdstuk staat hoe de gemeente de hulpvraag onderzoekt en welke stappen daarbij horen. De gemeente betaalt de jeugdhulp, maar er gelden wel regels. Een voorbeeld is dat een huisarts mag alleen verwijzen naar aanbieders waarmee de gemeente een contract heeft, tenzij er sprake is van een pgb of bijzondere omstandigheden. Bij Ernstige Dyslexie (ED)verloopt de toegang via het onderwijs. Hulp wordt alleen ingezet als ED officieel is vastgesteld, en voor jeugdigen die op de basisschool zitten tot 13 jaar. Artikel 7. Toegang Jeugdhulp via de gemeente Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 11 verdisconteerd en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet altijd zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. Iemand toegang geven tot jeugdhulp kan op verschillende manieren, namelijk: via de gemeente; na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts; via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI); via Veilig Thuis (het Crisis Interventie Team). Toegang jeugdhulp via de gemeentelijke toegang Een hulpvraag van een jeugdige of diens ouders kan binnenkomen bij de gemeente. De gemeente beslist welke zorg een jeugdige of diens ouders precies nodig hebben, in overleg met die jeugdige en diens ouders. In een gesprek tussen een deskundige van de gemeente en de jeugdige en diens ouders wordt gekeken wat de jeugdige en zijn ouders zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een jeugdhulpvoorziening nodig is, kijkt de gemeente eerst of dit een algemene voorziening of een individuele voorziening is. Is het laatste geval geeft het college een beschikking af en schakelt de noodzakelijke jeugdhulp in. Eerste lid Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Soms is die hulpvraag nog niet concreet. Dat betekent dat de inwoner geholpen moet worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken (zie artikel 11). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276). Tweede lid Een aanvraag jeugdhulp kan enkel als aanvraag worden gezien als deze volgens de vormschriften van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) gedaan is. Dit betekent dat een aanvraag schriftelijk moet zijn ingediend, voorzien van naam en adres van de aanvrager, datum, een omschrijving van de gevraagde voorziening en een handtekening. Deze procedure waarborgt dat de aanvraag formeel juist is en dat er een besluit op kan volgen waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Ondertekening Hieronder staat in welke fase er wel/geen handtekening nodig is: Fase van aanvragen: De ouder, verzorger en/of jeugdige kan een aanvraag voor jeugdhulp indienen. Deze aanvraag moet door de aanvrager worden ondertekend. Fase van onderzoek: Als duidelijk is welke jeugdhulp nodig is, inventariseert de gemeente of de jeugdige en/of de ouders instemmen met de inzet van die jeugdhulp. Zo weet de gemeente of de noodzakelijke hulp kan worden ingezet. Fase van hulpverlening: Het is echter niet nodig dat de gemeente van jeugdigen en ouders handtekeningen vragen voor het verlenen voor de noodzakelijke jeugdhulp. Niet de gemeente, maar de jeugdhulpverlener is verantwoordelijk om te zorgen dat de vereiste toestemming aanwezig is. De jeugdhulpverlener beoordeelt of de vereiste toestemming voor het verlenen van jeugdhulp aanwezig is. Het geven van toestemming kan mondeling of schriftelijk. Zonder de vereiste toestemming kan de jeugdhulpverlener de hulp niet starten. De jeugdhulpverlener moet volgens de toestemmingsregels handelen. De jeugdhulpverlener (en niet de gemeente) kan daarop worden aangesproken. Ontbreekt de vereiste toestemming, dan moet de gemeente afwegen of het uitblijven van jeugdhulp de ontwikkeling van de jeugdige ernstig bedreigd. Als dat het geval is moet de gemeente de Raad voor de Kinderbescherming vragen onderzoek te doen. vierde lid Bij het doen van een melding en in het onderzoek daarna staat de eigen regie van de jongere en diens ouders centraal. Eigen regie is het vormgeven aan de autonomie van de jeugdige; deze mag keuzes maken op grond van wat hij denkt, voelt en wil. De eigen regie wordt gestimuleerd door het college op de volgende manieren: De jeugdige en diens ouders krijgen de mogelijkheid om een familiegroepsplan in te leveren. Een familiegroepsplan is een plan dat ouders/gezinnen samen met familie, vrienden en anderen uit hun omgeving kunnen maken om een vraag of probleem aan te pakken. In dat plan kunnen ouders aangeven hoe ze zelf de opvoed- en opgroeisituatie voor hun kind(eren) willen verbeteren. Bij de bevestiging van de ontvangst van de melding wijst het college de jeugdige en diens ouders op de mogelijkheid van het inleveren van een familiegroepsplan. De jeugdige en diens ouders worden, voordat het gesprek plaatsvindt, geïnformeerd over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning in de ontvangstbevestiging van de aanvraag. De jeugdige en diens ouders worden gewezen op de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb en de gevolgen als daarvoor wordt gekozen. Pgb is een middel voor cliënten om zelf jeugdzorg in te kopen. Vijfde lid Om een zorgvuldig besluit te nemen, worden eerst alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag onderzocht. In deze verordening noemen we dit ‘het gesprek’ of ‘het onderzoek’. Als het nodig is voor het onderzoek, kunnen ook meerdere gesprekken achter elkaar worden gevoerd. Het gesprek is erop gericht een totaalbeeld van de situatie te krijgen. We kijken naar alle verschillende leefgebieden van de jeugdige en diens ouders. De mate van zelfredzaamheid kan per leefgebied verschillend zijn en problemen op verschillende leefgebieden kunnen elkaar beïnvloeden. Ook komen procedures aan de orde voor een deskundige beoordeling als het om individuele voorzieningen gaat. Het kan bij jeugdigen bijvoorbeeld gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling of voor een verblijf in 24-uursopvang in aanmerking te komen. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waarvoor professioneel onderzoek en een gedegen afweging nodig zijn. De volgende onderwerpen komen aan bod tijdens het gesprek: de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en (gezins-/leef-) situatie van de jeugdige en diens ouders en het probleem of de hulpvraag; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; het vermogen van de jeugdige en diens ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden. Hierbij komen de belastbaarheid en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger aan de orde; de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; de mogelijkheden om ondersteuning te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening; de mogelijkheden om een maatwerk of een individuele voorziening te verstrekken; de manier waarop een eventuele, individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; hoe rekening te houden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt; de gevolgen van een eventuele keuze voor een persoonsgebonden budget. Als het kan, is het gesprek bij de jeugdige en diens ouders thuis, om een goed totaalbeeld te krijgen. De uitkomsten van het gesprek wegen mee bij de beoordeling. Eigen kracht De eigen kracht van de cliënt staat voorop. De Jeugdwet bepaalt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een voorziening kan nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken. Er kan door het gesprek echter ook vastgesteld worden dat de inzet van eigen kracht, sociaal netwerk of een algemene voorziening voldoende is. In dat geval hoeft er geen individuele voorziening te worden ingezet. Een verdere uitwerking van het onderzoek naar de eigen kracht van de jeugdige, diens ouders en/of diens sociale netwerk wordt uitgewerkt in artikel 13. Zevende lid Als de jeugdige of zijn ouder(
  21. s)een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar. Achtste lid Met het zesde lid wordt duidelijk vastgelegd dat voor de totale procedure van aanvraag tot het besluit over een individuele voorziening een termijn van acht weken geldt. Het college kan de beslistermijn op grond van artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht éénmaal verlengen als de beschikking niet binnen acht weken kan worden afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld bij een ingewikkelde situatie waar een zorgvuldig onderzoek gedaan moet worden en/of als voor een diagnose een langere termijn nodig is. Wel noemt het college dan een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de jeugdige en diens ouders de beschikking krijgen. Van een verlenging doet het college mededeling aan de aanvrager. Daarbij geeft het college de termijn aan waarbinnen de besluit wordt verzonden. Negende lid Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb. tiende lid Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Artikel 8. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Het verzoek voor toegang tot jeugdhulp kan ook lopen via een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Dit is geregeld in artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Jeugdwet. Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar gecontracteerd aanbod, maar uitzonderingen blijven mogelijk op basis van de hardheidsclausule (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de jeugdwet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk bepalen zij vaak niet welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen door naar een van de jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een dienstverleningsovereenkomst heeft afgesloten. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Hierbij vindt overleg plaats met de jeugdige of ouder. De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 8). De zorgaanbieder moet zich bij het beoordelen van de jeugdhulpvraag na een verwijzing houden aan het woonplaatsbeginsel, afspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die daarover zijn neergelegd in de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp 2026 en/of Regeling maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gouda 2026. De aanbieder verstrekt aan de gemeente een kennisgevingsbericht over het opstarten van de jeugdhulp waarna er door de gemeente een formeel besluit wordt genomen. Het besluit wordt door de gemeente verstuurd naar zowel de jeugdhulpaanbieder als de jeugdige. Deze toegang wordt in de Jeugdwet geregeld en komt daarom verder niet terug in deze verordening. Artikel 9. Toegang jeugdhulp via Veilig Thuis, gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI) Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie of justitiële jeugdinrichting De uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering maakt het voor een gecertificeerde instelling mogelijk zelfstandig te bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5, lid 1, van de Jeugdwet). Wel moet er overleg zijn met de gemeente. Bij jeugdreclassering mag niet alleen de gecertificeerde instelling dit doen, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) en de select

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.