← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening Wageningen 1992 (Wageningen)

Kort samengevat

Deze wet, de Algemene Plaatselijke Verordening Wageningen 1992, regelt de openbare orde en veiligheid in de gemeente Wageningen door regels te stellen voor het gebruik van de openbare weg en wateren, en voor het aanvragen van vergunningen en ontheffingen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Algemene Plaatselijke Verordening WageningenConsiderans De raad van de gemeente Wageningen; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van d.d. 11 september 1992, nr. 92/4989a, afdeling BS/AAB; mede gezien het advies van de commissie voor algemeen bestuur d.d. 10 juni 1992; Besluit: vast te stellen de nieuwe, geheel herziene, Algemene Plaatselijke Verordening 1992 van de gemeente Wageningen; Aldus besloten in de openbare vergadering van 21 september 1992; ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING voor de gemeente WAGENINGEN HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: a. weg : 1. alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; 2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen 3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten; b. openbaar water : alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn; c. bebouwde kom : de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten van Gelderland de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun besluit van 23 september 1988, nr. WV88.22596-WVG 2601; d. rechthebbende : een ieder die over enig goed enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; e. voertuigen : alle rij- en voertuigen, met uitzondering van: a. treinen en trams; b. kruiwagens, rolstoelen, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen; f. vaartuigen : alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede glijboten en ponten; g. woonschepen : schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd; h. bouwwerk : elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; i. gebouw : elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; j. vee : eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens; k. pluimvee : klein- en pluimvee, eenden en ganzen; l. handelsreclame : iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Artikel1.2Beslistermijn 1.Het bevoegde orgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Het bevoegde orgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. Artikel1.3Te late indiening aanvraag 1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan twee weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde orgaan de aanvraag niet in behandeling nemen. 2.Voor bepaalde, door het bevoegde orgaan bij openbare kennisgeving aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken. Artikel1.4.Voorschriften en beperkingen 1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1.5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel1.6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. Artikel1.7Inzage vergunning of ontheffing De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht deze op eerste vordering van een ambtenaar belast met de zorg voor de naleving van een of meer bepalingen van deze verordening ter inzage af te geven aan deze ambtenaar. Artikel1.8Termijnen 1.Met betrekking tot de in deze verordening genoemde termijnen is het bepaalde in de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing. 2.Voorzover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. HOOFDSTUK2OPENBARE ORDE AFDELING1ORDE EN VEILIGHEID OP DE WEG Paragraaf1Bestrijding van ongeregeldheden Artikel2.1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2.Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5.Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Paragraaf2Optochten en betogingen Artikel2.2Kennisgeving optocht 1.Degene, die het voornemen heeft een optocht op de weg te doen plaatsvinden, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.4., moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden, kennis geven aan de burgemeester. 2.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid bedoelde termijn verkorten. 3.De burgemeester stelt een formulier vast voor het doen van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving. 4.De in het eerste lid bedoelde kennisgeving wordt geacht eerst dan gedaan te zijn, wanneer het in het derde lid bedoelde formulier volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld, en het in het vijfde lid bedoelde bewijs van ontvangst is uitgereikt. 5.Degene die de kennisgeving inlevert ontvangt daarvan een bewijs, waarin het tijdstip van inlevering is vermeld. 6.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid voorschriften geven ter verzekering van een redelijke en veilige afwikkeling van het verkeer, ter beveiliging van personen of goederen, ter voorkoming van ernstige hinder voor anderen dan de deelnemers aan de optocht en ter voorkoming van strafbare feiten. 7.Indien de burgemeester van oordeel is, dat, naar redelijke verwachting, noch door toegezegde medewerking van organisatoren, noch door politiemaatregelen, noch door het geven van voorschriften, onevenredige schade aan belangen bedoeld in het zesde lid, voorkomen kan worden, kan de burgemeester de optocht verbieden. Artikel2.3Verboden optocht 1.Het is verboden een optocht als bedoeld in artikel 2.2 te doen plaatsvinden, feitelijk te leiden of aan een dergelijke optocht deel te nemen, terwijl men weet of redelijkerwijze kon weten dat: de kennisgeving daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 is gedaan; gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de kennisgeving als bedoeld in artikel 2.2 zijn verstrekt; de voorschriften, die de burgemeester krachtens het zesde lid van artikel 2.2 gegeven heeft, niet nageleefd worden; de burgemeester de optocht verboden heeft. 2.Indien een optocht krachtens het bepaalde in het eerste lid ongeoorloofd is, is iedereen die in of nabij de optocht aanwezig is, op eerste vordering van een ambtenaar van politie verplicht zich terstond te verwijderen in de door die ambtenaar bevolen richting of langs de door hem aangeduide weg. Artikel2.4Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel 2.6, eerste lid, hierover is bepaald. 2.Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet. Artikel2.5Afwijking termijn De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.4, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving ontvankelijk verklaren. Artikel2.6Te verstrekken gegevens 1.Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen van: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 2.Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Paragraaf3Verspreiden van gedrukte stukken Artikel2.7Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door burgemeester en wethouders aangewezen wegen of gedeelten daarvan. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot in de openbare kennisgeving aan te duiden dagen en uren. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van de in het eerste lid bedoelde gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Paragraaf4Vertoningen e.d. op de weg Artikel2.8Feest, muziek en wedstrijd e.d. 1.Degene die het voornemen heeft op of aan de weg: voor publiek een vertoning te geven, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.4; op enige wijze voor publiek muziek ten gehore te brengen; een feest of een wedstrijd te geven of te houden, moet daarvan ten minste 24 uur voordat deze gehouden zal worden, kennisgeven aan de burgemeester. 2.Het in de artikelen 2.2 en 2.3. bepaalde is van overeenkomstige toepassing. 3.Het in het eerste lid, onder c, bepaalde geldt niet voorzover artikel 24 Wegenverkeerswet van toepassing is. Artikel2.9Straatartiest 1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan. 2.De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot in de openbare kennisgeving aan te duiden dagen en uren. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Paragraaf5Bruikbaarheid van de weg Artikel2.10Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan. 2.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; en geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; voertuigen; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; standplaatsen zoals bedoeld in artikel 5.13. 3.Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 4.Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder verstaat. 5.Een vergunning zoals bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van het in de nabijheid gelegen onroerend goed. 6.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de op de Hinderwet gebaseerde voorschriften, de Woningwet, het Rijkswegenreglement of het Gelders Wegenreglement van toepassing zijn en voorzover er sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 2.22 dat de burgemeester niet verboden heeft. Artikel2.11Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het Wetboek van Strafrecht, het Rijkswegenreglement of het Gelders Wegenreglement van toepassing is. Artikel2.12Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder verstaat. 3.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd indien de uitweg gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan. 4.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voorzover de Verkeerswet tegen lintbebouwing, het Rijkswegenreglement of het Gelders Wegenreglement van toepassing is. Paragraaf6Veiligheid van de weg Artikel2.13Veroorzaken van gladheid 1.Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel2.14Winkelwagentjes Het is verboden zich met een winkelwagentje, zoals dat in een winkel wordt gebruikt en als zodanig herkenbaar is, op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van die winkel of, indien de winkel gelegen is in een winkelcomplex, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcomplex. Als onmiddellijke omgeving van een winkel of winkelcomplex wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan die winkel of dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats. Artikel2.15Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp 1.De rechthebbende op een boom, heg, struik of andere beplanting welke aan het wegverkeer het vrije uitzicht kan belemmeren of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar kan opleveren, is verplicht deze beplanting te snoeien, te knotten, op te binden, te verwijderen of op te ruimen na aanschrijving door burgemeester en wethouders, binnen een door hen te stellen termijn en overeenkomstig hun aanwijzingen. 2.Het is verboden langs de weg een voorwerp aan te brengen, te plaatsen of te hebben dat aan het wegverkeer het uitzicht belemmert. Artikel2.16- Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel2.17Verbod vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3.De ontheffing bedoeld in het tweede lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde een veiligheid; ter bescherming van de woon- en leefomgeving; ter bescherming van de flora en fauna; ter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu door rook, roet, stof, walm of stank. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover: op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften; de provinciale milieuverordening; artikel 429, aanhef en onder 1 of 3 Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn, of het betreft verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke of het betreft vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar oplevert voor de omgeving. Artikel2.18Vallende voorwerpen Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg. Artikel2.19Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Burgemeester en wethouders maken tevoren aan de rechthebbende hun voornemen, als bedoeld in het eerste lid, bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is. Artikel2.20Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel2.21Veiligheid op het ijs 1.Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2.Een ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover het Wetboek van Strafrecht of het Gelders Waterreglement van toepassing is. AFDELING2TOEZICHT OP EVENEMENTEN Artikel2.22Begripsomschrijving 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen als bedoeld in de Wet op de filmvertoningen; markten als bedoeld in artikel 151 van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.2, 2.8 en 2.9 van deze verordening. 2.Onder evenement wordt mede verstaan een herdenkingsplechtigheid. Artikel2.23Evenementen 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. Artikel2.24Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. AFDELING3TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN Paragraaf1Toezicht op horecabedrijven Artikel2.25Begripsomschrijvingen 1.Onder horeca-inrichting (horecabedrijf) wordt in deze paragraaf verstaan: inrichtingen waarin een horecabedrijf of een slijtersbedrijf, als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en horecawet, wordt uitgeoefend, alsmede de daarbij behorende open aanhorigheden en voor publiek toegankelijke plaatsen waarvoor een ontheffing, als bedoeld in artikel 35 van de Drank- en horecawet, geldt; alle voor het publiek toegankelijke lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel, als bedoeld in de Winkeltijdenwet (met uitzondering van afhaalcentra) worden gebruikt, voor zover daar bij wijze van hoofdfunctie of overwegende nevenfunctie gelegenheid wordt gegeven om al dan niet tegen betaling enigerlei eetwaren en/of alcoholvrije drank te verkrijgen en/of te gebruiken; afhaalcentra, zijnde winkels waar voor gebruik elders dan ter plaatse uitsluitend eetwaren en/of alcoholvrije drank plegen te worden verstrekt. 2.Onder beheerder (houder) wordt in deze paragraaf verstaan: degene die onmiddellijk leiding geeft aan de exploitatie van een inrichting en als zodanig doorgaans gedurende de openingstijden in de inrichting aanwezig dient te zijn. 3.Onder bezoeker wordt in deze paragraaf verstaan: een ieder die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: de levenspartner en kinderen van de beheerder van de inrichting, alsmede zijn elders wonende bloed- of aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad of die van zijn levenspartner; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel2.26Vergunningsplicht 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een horeca-inrichting als bedoeld in deze paragraaf te exploiteren (exploitatievergunning). 2.Het exploiteren van bepaalde categorieën inrichtingen, genoemd in artikel 2.25, lid 1, onder a, b en c, kan, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van vergunningsplicht worden vrijgesteld; de horeca-inrichtingen zoals bedoeld in artikel 2.25, lid 1, sub a en feesttenten worden van een vergunningsplicht vrijgesteld. De burgemeester kan nadere regels stellen aan de onder a genoemde vrijstelling. De exploitatie van een horeca-inrichting, waarop een vrijstelling als in sub a van toepassing is, dient zodanig te geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Voorschriften aan de vergunning verbinden. Voor het verkrijgen van een vergunning een aanvraagformulier vaststellen. 3.De vergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam gezet van de beheerder van de inrichting; de vergunning is niet overdraagbaar. Er dienen minimaal twee beheerders op de vergunning vermeld te worden. Bij de aanvraag dient een niet meer dan drie maanden tevoren ten behoeve van de (mede-)beheerder(

  1. s)afgegeven verklaring omtrent het gedrag overgelegd te worden. Als een horeca-inrichting door een NV of BV wordt geëxploiteerd, zal bij de directie Bestuurszaken van het ministerie daarover navraag worden gedaan. Indien er sprake is van een NV of BV in oprichting (i.o.), kan er een door de minister af te geven verklaring van geen bezwaar worden verlangd. 4.De burgemeester beslist binnen acht weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden is ontvangen. De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging. Artikel2.27Weigeringsgronden 1.De burgemeester weigert de vergunning indien: de vestiging en/of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan en/of met een Leefmilieuverordening; de inrichting en/of de beheerder niet voldoet aan de aan de vergunning(aanvraag) verbonden voorschriften; de inrichting niet voldoet aan de volgende inrichtingseisen: in de horeca-inrichting moet één lokaliteit een oppervlakte hebben van ten minste 35 m5 en elke andere lokaliteit een oppervlakte van ten minste 25 m5; in een lokaliteit mogen geen voorzieningen zijn aangebracht die een gehele afzondering van een gedeelte van de lokaliteit mogelijk maken; van ieder punt van een lokaliteit uit moet bij voortduring een deel van de lokaliteit met een oppervlakte van ten minste 15 m5 kunnen worden overzien; de lokaliteit moet een zodanige kunstlichtvoorziening hebben dat de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte, gemeten op 1 m boven de vloer, over de gehele oppervlakte ten minste 50 lux bedraagt; de inrichting moet zijn voorzien van ramen met een zodanige oppervlakte dat voldoende daglichttoetreding is gewaarborgd, met dien verstande dat het raamoppervlak tenminste gelijk moet zijn aan die oppervlakte die in het Bouwbesluit ten aanzien van verblijfsgebieden in woningen wordt gesteld; de ramen van de inrichting moeten zijn bezet met blank doorzichtig glas, waarvan ten hoogste 20% mag zijn bedekt met materiaal dat daglichttoetreding verhindert; behoudens het bepaalde onder sub e mag de daglichttoetreding niet worden gehinderd door afscherming van het raamoppervlak binnen de inrichting; in de inrichting moeten de luchtverversing, de elektriciteits- en drinkwatervoorziening voldoen aan het bepaalde in het Bouwbesluit; in de inrichting moet een voorziening aanwezig zijn om het glas- en vaatwerk met stromend deugdelijk drinkwater te kunnen reinigen; in de inrichting moet, ten behoeve van de bezoekers, een gescheiden toiletinrichting voor zowel mannen als vrouwen aanwezig zijn, die voldoet aan de vereisten gesteld in het Bouwbesluit; elke toiletgelegenheid moet tenminste bevatten: één of meer behoorlijke privaten; één of meer behoorlijke voorzieningen om de handen met stromend deugdelijk drinkwater te kunnen wassen; de in de privaten aanwezige closetpotten en de urinoirs moeten voorzien zijn van een waterspoeling, welke is aangesloten op de drinkwatervoorziening; in bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag afwijkingen van de in dit artikel opgenomen inrichtingseisen toestaan. 2.De burgemeester kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de inrichting de openbare orde (zal) word(en)t aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting op een ontoelaatbare wijze nadelig (zal) word(en)t beïnvloed. 3.Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen; de aard van de horeca-inrichting; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting; de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied; de wijze van bedrijfsvoering van de beheerder van de inrichting in deze of in andere inrichtingen; de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden, voorzover de ondernemer onveranderd is gebleven. Artikel2.28Intrekkingsgronden De burgemeester kan de vergunning intrekken: indien aannemelijk is dat de beheerder van de inrichting betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; indien de beheerder van de inrichting toestaat, danwel gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd; indien de beheerder van de inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid; indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; indien de beheerder in strijd handelt met het bij of krachtens artikel 2:30 bepaalde; indien de beheerder in strijd handelt met de aan de vergunning verbonden voorschriften; indien de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd, danwel de exploitatie van de inrichting op zodanige wijze plaatsvindt dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt benvloed; de exploitatie voor een periode van langer dan drie maanden is of wordt onderbroken; de (hoofd)beheerder en/of medebeheerder(
  2. s)deze hoedanigheid heeft of hebben verloren. Artikel2.30Sluitingsuur 1.Het is de houder van een horecabedrijf verboden zonder vergunning van de burgemeester dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00.00 uur en 06.00 uur. 2.Overeenkomstig het gestelde in artikel 1.4 kan de burgemeester door middel van een vergunningvoorschrift voor een afzonderlijk horecabedrijf of voor een daartoe behorend terras een ander sluitingsuur of andere sluitingsuren vaststellen. 3.Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Artikel2.31Toegang ambtenaren van politie tot horecabedrijven De houder van een horecabedrijf is verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn bedrijf: gedurende de tijd dat het bedrijf voor bezoekers geopend is; dan wel gedurende de tijd dat het bedrijf gesloten dient te zijn en indien die ambtenaren van politie hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn. Artikel2.32Afwijking sluitingsuur; algehele sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of, in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan krachtens artikel 2.30 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijke sluiting van bevelen. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel 13b, Opiumwet van toepassing is. Artikel2.33Aanwezigheid in gesloten inrichting Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge artikel 2.30 of krachtens een op grond van artikel 2.32 door de burgemeester genomen besluit voor bezoekers gesloten dient te zijn, zich als bezoeker daarin of aldaar te bevinden. Artikel2.34Ordeverstoring Het is verboden in een inrichting de orde te verstoren. AFDELING4MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID EN TER BESCHERMING VAN DE EIGENDOM Artikel2.35Plakken en kladden 1.Het is verboden de weg, of een roerend of onroerend goed zichtbaar vanaf de weg te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een roerend of onroerend goed dat vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken of op andere wijze aan te brengen; met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Burgemeester en wethouders wijzen plaatsen aan waar het is toegestaan een meningsuiting of bekendmaking, geen betrekking hebbende op handelsreclame, te uiten op de wijze genoemd in het tweede lid, onder a en b. 5.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel2.36Vervoer plakgereedschap e.d. 1.Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.35. Artikel2.37Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel2.38Betreden van plantsoenen e.d. 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel2.39Hinderlijk gedrag op of aan de weg 1.Het is verboden: op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, voertuig, hek (omheining) of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover artikel 424, 426 bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel2.40Belemmeren toegang of uitgang 1.Het is verboden op de weg een voertuig op zodanige wijze te plaatsen, dat daardoor de toegang tot of de uitgang uit een gebouw of erf, waarvan hij geen gebruiker is, belemmerd wordt. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor gevallen waarin artikel 24 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 van toepassing is. Artikel2.41Hinderlijk drankgebruik 1.Het is verboden op de weg alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat deel uitmaakt van een inrichting, als bedoeld in artikel 2.25, lid 1, onder a, b en c; de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en horecawet; door burgemeester en wethouders aangewezen wegen of weggedeelten. Artikel2.42Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw. Artikel2.43Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel2.44Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; daardoor die ingang versperd wordt. Artikel2.45Onbeheerd laten staan van voertuigen e.d. Het is verboden op of aan de weg of op een van de weg af toegankelijke niet afgesloten plaats: een motorvoertuig op twee wielen met of zonder zijspanwagen of een twee- of driewielige fiets of bromfiets onbeheerd te laten zonder dat het door een deugdelijk slot of op andere wijze ongeschikt is gemaakt voor onmiddellijk wegrijden; een motorvoertuig op meer dan twee wielen te laten staan zonder dat maatregelen genomen zijn om te voorkomen dat onbevoegden met dit motorvoertuig kunnen wegrijden; een motorvoertuig op meer dan twee wielen - met uitzondering van een motorvoertuig op twee wielen met zijspanwagen - onbeheerd te laten tussen een kwartier na zonsondergang en een kwartier voor zonsopgang zonder dat het geheel is afgesloten; een fietswrak of zwerffiets te plaatsen of te hebben. Onder fietswrak wordt verstaan: een fiets - al dan niet op slot - die rijtechnisch in een zodanig verwaarloosde toestand verkeert dat deze geenszins kan worden gebruikt voor het doel waarvoor deze is geproduceerd en die gedurende een nader door het college van burgemeester en wethouders te bepalen termijn op eenzelfde locatie is achtergelaten zonder dat de rechthebbende van de fiets daarvan gebruik heeft gemaakt; Onder zwerffiets wordt verstaan: een fiets - al dan niet op slot - die gedurende een nader door het college van burgemeester en wethouders te bepalen termijn op eenzelfde locatie is achtergelaten, zonder dat daarvan door de rechthebbende gebruik is gemaakt. Artikel2.46Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein e.d. Het is verboden op de door de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt welke publiek trekt. Artikel2.47Bespieden van personen 1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. 2.Het is verboden door middel van een verrekijker een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden. Artikel2.48Bewakingsapparatuur Het is verboden bewakingsapparatuur te gebruiken indien daarmee personen kunnen worden gadegeslagen in een ander gebouw, vaartuig of besloten erf dan waar de bewakingsapparatuur staat opgesteld. Artikel2.49Nodeloos alarmeren Het is verboden zonder dat daartoe redelijkerwijs noodzaak bestaat een toestel bestemd tot alarmering van de politie, de brandweer of enige andere overheidsinstelling in werking te stellen, danwel genoemde diensten nodeloos te alarmeren. Artikel2.50Alarminstallaties 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders in, op of aan een onroerend goed een alarminstallatie geïnstalleerd te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid- of lichtsignaal kan produceren. 2.Het is verboden ten aanzien van een onroerend goed waarin, waaraan of waarop een alarminstallatie is aangebracht, de alarminstallatie in werking te hebben, indien deze buiten noodzaak enigerlei alarmsignaal voortbrengt. Artikel2.51Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een door middel van tatoeage aangebracht identificatiemerk, die de eigenaar of houder duidelijk doen kennen. Artikel2.52Verontreiniging door honden 1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaats. 2.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel2.53Gevaarlijke honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op de weg of het terrein van een ander, anders dan kort aangelijnd, voldoende in iemands macht en voorzien van een doelmatige muilkorf of muilband, nadat burgemeester en wethouders hem schriftelijk hebben medegedeeld dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten. Artikel2.54Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben, dan wel; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid gestelde regels, dan wel; aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven. 2.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door burgemeester en wethouders gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door hen is aangegeven. 3.Burgemeester en wethouders kunnen de rechthebbende op een onroerend goed gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 4.Indien het aanwezig hebben van dieren gebeurt in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders degene die de dieren aanwezig heeft aanschrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid. Degene tot wie de aanschrijving is gericht of diens rechtsopvolger is verplicht de aanschrijving op te volgen. 5.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover de Hinderwet van toepassing is. Artikel2.55Wilde dieren 1.Het is verboden een wild dier dat bij ontsnapping voor mens of dier gevaar kan opleveren, te houden of aanwezig te hebben anders dan ten behoeve van een circus dat in de gemeente optreedt nadat daarvoor overeenkomstig artikel 2.23 vergunning is verleend. 2.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel2.56Loslopend vee en pluimvee De rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken. AFDELING5BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN Artikel2.57Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. handelaar : de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; b. verkoopregister : het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel2.58Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens het hoofd van de plaatselijke politie gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. Artikel2.59Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 473 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen; de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(
  3. s)onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit; aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomt; indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a. bedoelde functionaris; zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar; wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a. bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen. Artikel2.60Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed. Artikel2.61Handel te water Het bepaalde in de artikelen 2.61 en 2.62 geldt niet voorzover de handelaar de handel te water uitoefent in de zin van het Besluit toezicht handel te water (Koninklijk Besluit van 24 juli 1970, Stb. 361). Artikel2.62Handel in horeca-inrichtingen 1.Het is de houder van een inrichting verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verhandelt. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen. 3.In dit artikel wordt verstaan onder: a. inrichting : de inrichting als bedoeld in artikel 2.25, lid 1, onder a, b, en c; b. houder : de houder als bedoeld in artikel 2.25, lid 2. AFDELING6VUURWERK Artikel2.63Begripsomschrijving In deze afdeling wordt verstaan onder vuurwerk: vuurwerk waarop het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1993, 215) van toepassing is. Artikel2.64Afleveren van vuurwerk 1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf vuurwerk af te leveren, dan wel ter aflevering aanwezig te houden, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd. 2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. Artikel2.65Bezigen van vuurwerk 1.Het is verboden op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats vuurwerk te bezigen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op: 31 december na 10.00 uur en 1 januari voor 02.00 uur. 3.Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan door burgemeester en wethouders dan wel, indien het bezigen van vuurwerk verband houdt met een openbare vermakelijkheid, door de burgemeester van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing worden verleend voor andere data en tijden dan de in het tweede lid genoemde. Artikel2.66Gevaarlijk bezigen van vuurwerk 1.Het is verboden vuurwerk te bezigen op een door burgemeester en wethouders in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.Het is verboden vuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 4.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. AFDELING7DRUGSOVERLAST Artikel2.67Sluiting van drugspanden 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a, Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of bij die woning of dat lokaal behorend erft te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b, Opiumwet gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.De in het eerste en tweede lid bedoelde verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is. 4.De burgemeester is bevoegd van het in het eerste of tweede lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen. AFDELING9VERBLIJFSONTZEGGING Artikel2.69Verblijfsontzegging 1.De burgemeester kan degene van wie mag worden verwacht dat hij, hetzij alleen, hetzij in groepsverband de openbare orde verstoort dan wel dreigt te verstoren door het plegen van strafbare feiten, door baldadig of hinderlijk gedrag of anderszins personen lastig valt of schade toebrengt, uit het oogpunt van het handhaven van de openbare orde het bevel geven zich te verwijderen en zich verwijderd te houden van of uit een door de burgemeester bij bevel gegeven plaats of gebied, gedurende de tijd, bij het bevel genoemd. 2.Het is verboden zich op een plaats of in een gebied te bevinden in strijd met een krachtens het eerste lid gegeven bevel. 3.Het in het eerste lid bedoelde bevel geldt niet voor zover de persoon tot wie het bevel is gericht: op de plaats of in het gebied blijkens opgave in het persoonsregister van de gemeente woonachtig is; aannemelijk maakt dat hij op de plaats of in het gebied werkzaam is: zich in een middel van openbaar vervoer bevindt; anderszins aannemelijk maakt dat hij een zwaarwegend belang heeft zich op die plaats of in het gebied op te houden. HOOFDSTUK3SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D. Paragraaf1Begripsomschrijvingen en nadere regels Artikel3.1.1Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel3.1.2Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan: het college van burgemeester en wethouders of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de gemeentewet, de burgemeester. Artikel3.1.3Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het bevoegd bestuursorgaan over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Paragraaf2Seksinrichtingen, escortbedrijven, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke. Artikel3.2.1Seksinrichtingen en escortbedrijven 1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigingen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2.In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; het aantal werkzame prostituees; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting door middel van een situatietekening met een schaal van ten minste 1:1000; de plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van ten minste 1:100; bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken; en bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor een seksinrichting of escortbedrijf. Artikel3.2.2Gedragseisen exploitant en beheerder 1.De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt. 2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van artikel l37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van duizend gulden of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quarter en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6, artikel 8 of artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan zevenhonderd vijftig gulden bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel3.2.3Sluitingsuur 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en/of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00.00 uur en 06.00 uur. 2.Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste lid, gesloten dient te zijn. 4.Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Artikel3.2.4Tijdelijke afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting 1.Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen of in het geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3., eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel3.2.5Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3.2.6Straat- en raamprostitutie 1.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken. 2.Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door de politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Artikel3.2.7Sekswinkels 1.Het is de rechthebbende op en de beheerder of houder van een perceel, gelegen aan een door burgemeester en wethouders aangewezen weg, verboden daarin een sekswinkel of seksboetiek dan wel enig andere voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waar seksartikelen aan particulieren plegen te worden verkocht, in gebruik te nemen of te hebben. Onder perceel wordt mede verstaan een gedeelte daarvan. 2.De burgemeester kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 3.Een ontheffing als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend indien moet worden aangenomen dat daardoor de leef- en woonsituatie aan de aangewezen weg en zijn omgeving niet nadelig zal worden beïnvloed. Artikel3.2.8Tentoonstellingen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen,opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Paragraaf3Beslissingstermijn en weigeringsgronden Artikel3.3.1Beslissingstermijn 1.Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel3.3.2Weigeringsgronden 1.De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.3.2 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; er aanwijzingen zijn dat er in de seksinrichting of escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet bepaalde. 2.De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van woon- of leefklimaat; in het belang van de veiligheid van personen of goederen; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Paragraaf4Beëindiging exploitatie, wijziging van beheer Artikel3.4.1Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel3.4.2Wijziging beheer 1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2., eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. 3.In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. HOOFDSTUK4BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE AFDELING1GELUIDHINDER Artikel4.1Begripsomschrijvinge In deze afdeling wordt verstaan onder: besluit: het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (Stb. 1998, 323); inrichting: een inrichting waarop het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer van toepassing is; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; festiviteit: festiviteit als bedoeld in voorschrift 1.1.9 van de bijlage onder B van het Besluit horeca-, sport en recreatie-inrichtingen mililieubeheer; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden, zoals Koninginnedag, carnaval, et cetera; incidentele festiviteit: festiviteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen zoals de viering van een jubileum, et cetera. Artikel4.2Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 van de bijlage onder B van het Besluit gelden niet voor door de burgemeester per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.Het voorschrift 1.5.1 van de bijlage onder B van het Besluit geldt niet voor door burgemeester per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.De aanwijzing, als bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt per deel van de gemeente conform de in bijlage 1 bij deze afdeling aangegeven indeling van gebieden en het daarbij per gebied aangegeven maximum aantal dagen of dagdelen per kalenderjaar ten behoeve van collectieve festiviteiten. 4.De burgemeester publiceert ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalender jaar in één of meer huis-aan-huisbladen welke festiviteiten binnen de gehele gemeente of binnen (een) de(e)l(
  4. en)van de gemeente worden aangemerkt als collectieve festiviteit in de zin van lid 1 in het nieuwe kalenderjaar. 5.De burgemeester kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond aanwijzen als collectieve festiviteit als bedoeld in lid 1. 6.Alle aanwijzingen en/of bevelen, gegeven door de brandweer, de politie of daartoe aangewezen ambtenaren van de gemeente, dienen stipt en onverwijld opgevolgd te worden. Artikel4.3Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan maximaal het in bijlage 1 bij deze afdeling per gebied aangegeven aantal incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 uit de bijlage onder B van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste vier weken voor de aanvang van de festiviteit de burgemeester in kennis heeft gesteld. 2.Het is een inrichting maximaal het in bijlage 1 bij deze afdeling per gebied aangegeven aantal incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de voorschriften 1.5.1 uit de bijlage onder B van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste vier weken voor de aanvang van de festiviteit de burgemeester daarvan in kennis heeft gesteld. 3.De burgemeester stelt een formulier vast voor het doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4.De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het in het derde lid bedoelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer burgemeester op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.De houder van de inrichting die voornemens is een incidentele festiviteit te houden, is verplicht ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit de omwonenden daarvan op de hoogte te stellen. 7.Alle aanwijzingen en/of bevelen, gegeven door brandweer, de politie of daartoe aangewezen ambtenaren van de gemeente, dienen stipt en onverwijld opgevolgd te worden. Artikel4.4Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien: de kennisgeving daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.3 is gedaan; gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de kennisgeving, als bedoeld in artikel 4.3, zijn verstrekt; de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft, hetzij op grond van het overschrijden van het maximum aantal dagen of dagdelen als bedoeld in artikel 4.3, lid 1 en lid 2, hetzij wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed. Deze situatie doet zich in ieder geval voor indien meer dan twaalfmaal per kalenderjaar, al dan niet toegestaan, een geluidnormoverschrijding heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden; dit plaatsvindt na 01.00 uur. Indien er sprake is van een studentensociëteit met een besloten karakter buiten gebied I, gaat het verbod in om 02.00 uur; omwonenden niet conform artikel 4.3, lid 6, op de hoogte zijn gesteld. Artikel4.5Overige geluidhinder 1.Het is verboden met toestellen of geluidsapparaten dan wel op andere wijze handelingen te verrichten, waardoor voor een omwonende en/of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt, of toe te laten dat deze handelingen worden verricht. 2.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. 3.Een ontheffing wordt geweigerd wanneer naar het oordeel van burgemeester en wethouders de woon- en leefsituatie in de omgeving van de plaats waarop de ontheffing doelt en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed. 4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet, voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wegenverkeerswet, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement Verkeerstekens en verkeersregels of het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen van toepassing zijn. AFDELING2BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING Artikel4.6Verontreiniging van de weg en van terreinen 1.Het is verboden: afval of vuilnis of enig andere dergelijke stof of voorwerp, die/dat aanleiding kan geven tot verontreiniging, beschadiging of onvoldoende afwatering van de weg, dan wel aanleiding kan geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu, op of in de bodem, buiten een daarvoor bestemde verzamelplaats, te plaatsen, te storten, te werpen, uit te gieten, te laten vallen of lopen of te houden; een op of aan de weg geplaatste afvalmand, -bak of soortgelijk voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan voor het daarin deponeren van klein afval, zoals verpakkingen van versnaperingen en kleine eetwaren, en sigaretten- en sigarendoosjes. 2.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid, onder a, gestelde verbod ontheffing verlenen. 3.Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de stoffen of voorwerpen op de weg geraken of tijdelijk op de weg worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel van het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg. 4.Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt voorts niet voorzover: de Afvalstoffenwet, de Wet chemische afvalstoffen, de Bestrijdingsmiddelenwet, de Kernenergiewet, de op de Hinderwet gebaseerde voorschriften, de Wet bodembescherming; artikel 5 of 9 van het Rijkswegenreglement of; het Gelders Wegenreglement of de Gelderse bodembeschermingsverordening van toepassing zijn. Artikel4.7Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg 1.Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden de weg wordt verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht, alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever verplicht: indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de weg terstond na het ontstaan van de verontreiniging; indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de weg terstond na de beëindiging van de werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag duren, elke dag terstond na beëindiging van de werkzaamheden op die dag, te reinigen of te doen reinigen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover artikel 9, tweede lid, van het Rijkswegenreglement of het Gelders Wegenreglement van toepassing is. Artikel4.8Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren 1.De houder of beheerder van een winkel, hal, kraam of andere dergelijke inrichtingen waar eet- en/of drinkwaren worden verkocht welke ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht: een mand, bak of soortgelijk voorwerp in of nabij de inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek papier, etensresten, verpakkingsmateriaal en ander afval kan achterlaten; zorg te dragen dat die mand, die bak of dat soortgelijke voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die mand, die bak of dat voorwerp steeds tijdig wordt geledigd. 2.De houder of beheerder van een inrichting, bedoeld in het eerste lid is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van de inrichting op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voorzover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, worden verwijderd. 3.De in het eerste en het tweede lid gestelde verplichting geldt niet voorzover op de Hinderwet gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Artikel4.9Verspreiding van reclame- of strooibiljetten e.d. op de weg Degene die op de weg reclame- of strooibiljetten of dergelijke geschriften/afbeeldingen onder het publiek verspreidt, is verplicht deze, indien zij in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden weggeworpen, of op andere wijze op de weg raken, terstond te verwijderen of te doen verwijderen. Artikel4.10Verspreiding van handelsreclame 1.Het is verboden ongeadresseerde handelsreclame te bezorgen of te doen bezorgen aan huis, kantoor of bedrijf, indien de rechthebbende op dat gebouw door middel van de van gemeentewege verspreide sticker te kennen geeft deze handelsreclame niet te willen ontvangen. 2.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor huis-aan-huis bladen en voor de gemeentegids. Artikel4.11Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats. Artikel4.12Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren, alsmede niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand, die gevaar oplevert voor de veiligheid, dan wel hinder of, nadeel voor de gezondheid van de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. AFDELING3BESCHERMING VAN FLORA EN FAUNA Artikel4.13Bescherming groenvoorzieningen Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk, dan wel aldaar bloemen te plukken. Artikel4.14Bestrijding iepziekte 1.Dit artikel verstaat onder: iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn Ceraticystis ulmi (Buism.) C. Moreau); iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh). 2.Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving te stellen termijn: indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen; of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 3.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben, houden of te vervoeren. Het verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het onder a van dit lid gestelde verbod. AFDELING4MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST Artikel4.15- Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde land bouwproducten e.d. 1.Burgemeester en wethouders kunnen, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afval, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wegenverkeerswet. 3.Het is verboden op een door burgemeester en wethouders krachtens het eerste lid aangewezen plaats een door hen aangeduid voorwerp of stof: op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels. 4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover de Wet milieubeheer, de Wet op de Ruimtelijke Ordening of een provinciale verordening van toepassing is. HOOFDSTUK5ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE AFDELING1PARKEEREXCESSEN Artikel5.1Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. wegen : alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, de daarin liggende bruggen en duikers, alsmede de tot de wegen behorende paden en bermen of zijkanten; b. voertuigen : alle voertuigen met uitzondering van: 1. treinen en trams; 2. fietsen en bromfietsen in de zin van het Wegenverkeersreglement; 3. kruiwagens, rolstoelen, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen; c. parkeren : het doen of laten staan van voertuigen, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen Artikel5.2Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: twee of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen, dan wel; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 2.Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon. 3.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel5.3Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op door burgemeester en wethouders bij openbaar besluit aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen. Artikel5.4Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel5.5Caravans e.d. 1.Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd: langer dan op drie achtereenvolgende dagen te doen of laten staan op een door burgemeester en wethouders aangewezen weg, waar dit parkeren naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats te doen of laten staan, waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover de Provinciale caravan- en tentenverordening, het Provinciaal wegenreglement of de provinciale landschapsverordening van toepassing is. Artikel5.6Parkeren van reclamevoertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel5.7Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats, waar dit parkeren naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door burgemeester en wethouders aangewezen weg, waar dit parkeren naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4.Burgemeester en wethouders kunnen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel5.8Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel5.9Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover de Hinderwet van toepassing is. Artikel5.10Aantasting groenvoorzieningen 1.Het is verboden als ruiter te rijden, met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden, dan wel een voertuig, fiets of bromfiets te doen of te laten staan, door dan wel in een park of plantsoen, of op een niet van de weg deel uitmakende, van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd. 3.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. AFDELING2COLLECTEREN, VENTEN, STANDPLAATSEN EN ROMMELMARKTEN Artikel5.11Inzameling van geld of goed 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. 2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van bonnen, speldjes, geschreven of gedrukte stukken, snuisterijen en versnaperingen, alsmede van andere dergelijke goederen, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: indien het houden van een inzameling geoorloofd is krachtens een toestemming als bedoeld in artikel 15 van de Rompwet instellingen van weldadigheid, dan wel een autorisatie als bedoeld in het koninklijk besluit van 22 september 1823 (Stb. 41); voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. 4.Burgemeester en wethouders kunnen onder door hen te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen. Artikel5.12Venten e.d. 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders in de uitoefening van de kleinhandel op of aan de weg of aan een openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet; voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van goederen door - of door huisgenoten of personeel van - hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in artikel 1 van de Winkelsluitingswet 1976; voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats die is aangewezen voor het houden van een door de gemeenteraad ingestelde markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt; voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een standplaats bedoeld in artikel 5.13. 3.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in gevaar komt. Artikel5.13Standplaatsen; uitstallingen op de weg 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats: met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden; anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek. 2.Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van burgemeester en wethouders standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid. 3.Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Alsdan geldt ook het in het tweede lid gestelde verbod niet. 4.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een door de gemeenteraad ingestelde markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt voor een evenement als bedoeld in artikel 2.22, of voor het organiseren van een markt als bedoeld in artikel 5.14. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover de Hinderwet, de Woningwet, het Rijkswegenreglement of het Gelders wegenreglement van toepassing is. 6.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan. 7.Burgemeester en wethouders houden de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een hinderwetplichtige activiteit betreft en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid, tot de dag waarop de beslissing omtrent de hinderwetvergunning is genomen. Artikel5.14Rommelmarkten e.d. 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld; toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in of op een - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkelsluitingswet 1976. 3.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van een krachtens artikel 151 van de Gemeentewet ingestelde markt. AFDELING3OPENBAAR WATER Artikel5.15Beschadigen van waterstaatswerken en oevers 1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel 350 Wetboek van Strafrecht van toepassing is. AFDELING4TERREINRIJDEN Artikel5.16– Terreinrijden 1.Het is verboden terrein te rijden. 2.Het is de rechthebbende op een terrein verboden gelegenheid te geven tot terreinrijden. 3.Burgemeester en wethouders kunnen terreinen aanwijzen waar het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing is. Zij kunnen daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid. 4.Onder terreinrijden wordt verstaan het besturen van een motorvoertuig, motorfiets, bromfiets of mountainbike, uitsluitend of hoofdzakelijk bij wijze van sport en recreatie, buiten de rijbaan van een weg, als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet. AFDELING5STRAATNAAMBORDEN, HUISNUMMERS e.d. Artikel5.17Gedoogplicht aanduidingen 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders, straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen, worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Burgemeester en wethouders maken tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid hun voornemen bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen. Artikel5.18Verwijdering e.d. aanduidingen 1.Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid, te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen of onleesbaar te maken. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende op een bouwwerk die met inachtneming van het door burgemeester en wethouders vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te brengen. Burgemeester en wethouders kunnen ter zake nadere regels stellen. HOOFDSTUK6TOEZICHT-, STRAF-, OVERGANGS- en SLOTBEPALINGEN Artikel6.1Toezicht 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen personen. 2.De krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren zijn bevoegd met medeneming van de benodigde apparatuur een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. Artikel6.2Strafbepaling Overtreding van enige (verbods)bepaling en de krachtens deze verordening gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Artikel6.3Opsporingsambtenaren De opsporing van de in artikel 6.1 strafbaar gestelde feiten is, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door burgemeester en wethouders of de burgemeester met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voorzover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld. Artikel6.4Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is afgekondigd. 2.Op dat tijdstip worden de Algemene Politie Verordening voor de gemeente Wageningen, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 16 april 1964, alsmede alle wijzigingen daarop, ingetrokken. Artikel6.5Overgangsbepaling 1.Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven - indien en voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende 1 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht. 2.Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voorzover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende 1 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht. 3.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast. 4.Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid. 5.In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde orgaan is ingediend. 6.Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in de verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, zijn niet van toepassing: gedurende 6 maanden na het in werking treden van deze verordening; ook na de onder a bepaalde termijn, voorzover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag als bedoeld in artikel 1.2 heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist. Artikel6.6Aanhalingstitel Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene Plaatselijke Verordening Wageningen of APV Wageningen. ALFABETISCH REGISTER OP ARTIKEL Onderwerp Artikel Aanhalingstitel 6.6 Aanwezigheid in gesloten inrichting 2.33 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 3.2.5 Afleveren van vuurwerk 2.64 Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren 4.8 Afvalstoffen, opslag van 4.15 Alarmeren, nodeloos 2.49 Alarminstallaties 2.50 Algemene bepalingen 1.1 e.v. Bebouwde kom, begripsomschrijving 1.1 Beëindiging exploitatie 3.4.1 Begripsomschrijvingen 1.1 Belemmeren toegang of uitgang 2.40 Bescherming groenvoorzieningen 4.13 Bescherming van flora en fauna 4.13 Beslistermijn 1.2 Bespieden van personen 2.47 Betreden dan wel binnentreden woningen e.d. 6.3 Bevoegd bestuursorgaan 3.1.2 Bewakingsapparatuur 2.48 Bezigen van vuurwerk 2.65 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging 4.6 e.v. Bouwwerk, begripsomschrijving 1.1 Bromfietsen, opslag van 4.15 Bruikbaarheid van de weg 2.10 e.v. Caravans e.d. 5.5 Caravans, opslag van 4.15 Collecteren, venten, standplaatsen en rommelmarkten 5.11 e.v. Defecte voertuigen 5.4 Dieren, houden van hinderlijke of schadelijke 2.54 Drankgebruik, hinderlijk 2.41 Drugspanden, sluiting van 2.67 Eigendom, maatregelen ter bescherming van de 2.35 e.v. Evenement, begripsomschrijving 2.22 Evenementen 2.22 e.v. Feest, muziek en wedstrijd e.d. 2.8 Festiviteitenregeling 4.1 t/m 4.4 Fietsen e.d., neerzetten van 2.44 Fiets of bromfiets, overlast op markt- en kermisterrein e.d. 2.46 Filmoperateur, optreden als 2.9 Flora en fauna, bescherming van 4.13 e.v. Gebouw, begripsomschrijving 1.1 Gedragseisen exploitant en beheerder 3.2.2 Geluidhinder, overige 4.5 Geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 2.7 e.v. Gevaarlijk bezigen van vuurwerk 2.66 Gevaarlijke honden 2.53 Gids, optreden als 2.9 Gladheid, veroorzaken van 2.13 Groenvoorzieningen 4.13 Handel in horeca-inrichtingen 2.62 Handel te water 2.61 Handelsreclame, begripsomschrijving 1.1 Handelsreclame, verspreiding van 4.10 Heling van goederen, bepalingen ter bestrijding van 2.57 e.v. Hinderlijk drankgebruik 2.41 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen 2.42 Hinderlijk gedrag op of aan de weg 2.39 Honden 2.51 e.v. Horecabedrijven, toezicht op 2.25 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 2.54 Huishouding der gemeente, andere onderwerpen betref. 5.1 e.v. Huisnummers e.d., straatnaamborden 5.17 e.v. Iepziektebestrijding 4.14 IJs, veiligheid op het 2.21 Inbrekerswerktuigen, vervoer 2.37 Ingekuilde landbouwproducten, opslag 4.15 Inrichtingen voor het verbruiken van eet- en Intrekkingsgronden 2.28 Inwerkingtreding APV 6.4 Inzage vergunning of ontheffing 1.7 Inzameling van geld of goed 5.11 Kennisgeving optocht 2.2 Loslopend vee en pluimvee 2.56 Mest, opslag 4.15 Milieu, bescherming van het 4.6 e.v. Motorvoertuigen, opslag 4.15 Muziek, feest en wedstrijd e.d. 2.8 Nadere regels 3.1.3 Natuurlijke behoefte doen 4.11 Natuurschoon, bescherming van het 4.6 e.v. Nodeloos alarmeren 2.49 Oevers en waterstaatswerken, beschadigen van 5.15 Onbeheerd laten staan van voertuigen e.d. 2.45 Ongeregeldheden, bestrijding van 2.1 e.v. Ontsiering en stankoverlast, maatregelen tegen 4.15 e.v. Ontucht, uitlokken 3.1 Openbaar water, begripsomschrijving 1.1 Openbaar water 5.15 e.v. Openbare orde 2.1 e.v. Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d. 4.15 Opsporingsambtenaren 6.2 Optochten en betogingen 2.2 e.v. Orde en veiligheid op de weg 2.1 e.v. Ordeverstoring 2.34 Overgangsbepaling 6.5 Overlast en baldadigheid, maatregelen tegen 2.35 e.v. Parkeerexcessen, begripsomschrijving 5.1 Parkeerexcessen 5.1 e.v. Persoonlijk karakter vergunning of ontheffing 1.5 Plakgereedschap e.d., vervoer 2.36 Plakken en kladden 2.35 Plantsoenen e.d., betreden van 2.38 Pluimvee, begripsomschrijving 1.1 Pluimvee, loslopend vee en 2.56 Rechthebbende, begripsomschrijving 1.1 Reclamevoertuigen, parkeren van 5.6 Riolen en putten buiten gebouwen, toestand van 4.12 Rommelmarkten e.d. 5.14 Samenscholing en ongeregeldheden 2.1 Sekswinkels 3.2.7 Seksinrichtingen en escortbedrijven 3.2.1 Sloten, toestand van 4.12 Sluiting van drugspanden 2.67 Sluitingsuur 2.30; 3.2.3 Standplaatsen: uitstallingen op de weg 5.13 Stankoverlast en ontsiering, maatregelen tegen 4.15 e.v. Stoken van vuur, verbod 2.17 Straat- en raamprostitutie 3.2.6 Straatartiest, optreden als 2.9 Straatfotograaf, optreden als 2.9 Straatkolken e.d. 2.16 Straatnaamborden, huisnummers e.d. 5.17 e.v. Strafbepaling 6.1 Straf-, overgangs- en slotbepalingen 6.1 e.v. Tekenaar, optreden als 2.9 Tentoonstellingen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 3.2.8 Termijnen 1.8 Terreinrijden 5.16 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting 3.2.4 Toegang of uitgang, belemmeren 2.40 Toestand van sloten en andere wateren en niet- openbare riolen en putten buiten gebouwen 4.12 Toezicht op evenementen 2.22 e.v. Toezicht op horecabedrijven 2.25 Uiterlijk aanzien van de gemeente, zorg voor het 4.6 e.v. Uitlokken ontucht, kwetsing openbare zedelijkheid 3.1 Uitweg, maken, veranderen van een 2.12 Vaartuigen, begripsomschrijving 1.1 Vee, begripsomschrijving 1.1 Vee, loslopend en pluimvee 2.56 Veiligheid op het ijs 2.21 Veiligheid van de weg 2.13 e.v. Venten e.d. 5.12 Verblijfsontzegging 2.69 Verbod vuur te stoken 2.17 Verboden optocht 2.3 Vergunning of ontheffing 1.2 e.v. Vergunningsplicht 2.26 Verkeer en verlichting, voorzieningen voor 2.19 Verkoopregister, verplichtingen met betrekking tot 2.58 Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg 4.7 Verontreiniging door honden 2.52 Verontreiniging van de weg en van terreinen 4.6 Veroorzaken van gladheid 2.13 Verspreiden van gedrukte stukken 2.7 e.v. Verspreiding van reclame- of strooibiljetten e.d. op de weg 4.9 Vertoningen e.d. op de weg 2.8 e.v. Vervreemding van door opkoop verkregen goederen 2.60 Voertuigen, begripsomschrijving 1.1 Voertuigen e.d., onbeheerd laten staan van 2.45 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht 2.59 Voorschriften, beperkingen vergunning of ontheffing 1.4 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 2.19 Vuur stoken, verbod 2.17 Vuurwerk, begripsomschrijving 2.63 Vuurwerk 2.63 e.v. Waterstaatswerken en oevers, beschadigen van 5.15 Wedstrijd, feest en muziek e.d. 2.8 Weg, begripsomschrijving 1.1 Weg, aanleggen, beschadigen of veranderen van een 2.11 Weg, voorwerpen of stoffen op, aan of boven de 2.10 Wijziging beheer 3.4.2 Wilde dieren 2.55 Weigeringsgronden 2.24; 3.3.2 Winkelwagentjes 2.14 Woningen, betreden dan wel binnentreden 6.3 Woonschepen, begripsomschrijving 1.1 Zwerffietsen 2.45 ALFABETISCH REGISTER OP BLADZIJDE Onderwerp Bladzijde Aanhalingstitel 31 Aanwezigheid in gesloten inrichting 10 Afleveren van vuurwerk 16 Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren 23 Afvalstoffen, opslag van 24 Alarmeren, nodeloos 13 Alarminstallaties 13 Algemene bepalingen 1 e.v. Bebouwde kom, begripsomschrijving 1 Begripsomschrijvingen 1 Belemmeren toegang of uitgang 12 Bescherming groenvoorzieningen 24 Bescherming van flora en fauna 24 Beslistermijn 1 Bespieden van personen 13 Betreden dan wel binnentreden woningen e.d. 30 Bewakingsapparatuur 13 Bezigen van vuurwerk 16 Bodem, weg- en milieuverontreiniging 22 e.v. Bouwwerk, begripsomschrijving 1 Bordelen e.d. 17 Bromfietsen, opslag van 24 Bruikbaarheid van de weg 5 e.v. Caravans e.d. 25 Caravans, opslag van 24 Collecteren, venten, standplaatsen en rommelmarkten 26 e.v. Defecte voertuigen 25 Dieren, houden van hinderlijke of schadelijke 14 Drankgebruik, hinderlijk 12 Drugspanden, sluiting van 16 Eigendom, maatregelen ter bescherming van de 11 e.v. Evenement, begripsomschrijving 7 Evenementen 7 e.v. Feest, muziek en wedstrijd e.d. 4 Festiviteitenregeling 21 Fietsen e.d., neerzetten van 12 Fiets of bromfiets, overlast op markt- en kermisterrein e.d. 13 Filmoperateur, optreden als 4 Flora en fauna, bescherming van 24 Gebouw, begripsomschrijving 1 Geluidhinder, overige 22 Geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 4 Gevaarlijk bezigen van vuurwerk 16 Gevaarlijke honden 14 Gids, optreden als 4 Gladheid, veroorzaken van 6 Groenvoorzieningen, bescherming 24 Handel in horeca-inrichtingen 15 Handel te water 15 Handelsreclame, begripsomschrijving 1 Handelsreclame, verspreiding van 23 Heling van goederen, bepalingen ter bestrijding van 14 e.v. Hinderlijk drankgebruik 12 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen 12 Hinderlijk gedrag op of aan de weg 11 Honden 13 e.v. Horeca-inrichtingen 8 e.v. Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 14 Huishouding der gemeente, andere onderwerpen betref. 25 e.v. Huisnummers e.d., straatnaamborden 29 Iepziektebestrijding 24 IJs, veiligheid op het 7 Inbrekerswerktuigen, vervoer 11 Ingekuilde landbouwprodukten, opslag 24 Intrekkingsgronden 10 Intrekking of wijziging vergunning of ontheffing 2 Inwerkingtreding APV 30 Inzage vergunning of ontheffing 2 Inzameling van geld of goed 26 Kennisgeving optocht 3 Loslopend vee en pluimvee 14 Mest, opslag 24 Milieu, bescherming van het 21 e.v. Motorvoertuigen, opslag 24 Muziek, feest en wedstrijd e.d. 4 Natuurlijke behoefte doen 23 Natuurschoon, bescherming van het 21 e.v. Nodeloos alarmeren 13 Oevers en waterstaatswerken, beschadigen van 28 Onbeheerd laten staan van voertuigen e.d. 12 Ongeregeldheden, bestrijding van 3 e.v. Ontsiering en stankoverlast, maatregelen tegen 24 e.v. Ontucht, uitlokken 19 Openbaar water, begripsomschrijving 1 Openbaar water 28 Openbare inrichtingen, toezicht op 8 e.v. Openbare orde 3 e.v. Openbare zedelijkheid 17 e.v. Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwprodukten e.d. 24 Opsporingsambtenaren 30 Optochten en betogingen 3 e.v. Orde en veiligheid op de weg 3 e.v. Ordeverstoring 11 Overgangsbepaling 30 Overlast en baldadigheid, maatregelen tegen 11 e.v. Parkeerexcessen, begripsomschrijving 25 Parkeerexcessen 25 e.v. Persoonlijk karakter vergunning of ontheffing 2 Plakgereedschap e.d., vervoer 11 Plakken en kladden 11 Plantsoenen e.d., betreden van 11 Pluimvee, begripsomschrijving 1 Pluimvee, loslopend vee en 14 Rechthebbende, begripsomschrijving 1 Reclamevoertuigen, parkeren van 26 Riolen en putten buiten gebouwen, toestand van 23 Rommelmarkten e.d. 28 Samenscholing en ongeregeldheden 3 Seksclubs, seksbioscopen, seksautomatenhallen e.d. 17 Sekswinkels e.d. 19 Sloten, toestand van 23 Sluiting van drugspanden 16 Sluitingsuur 10 Standplaatsen: uitstallingen op de weg 27 Stankoverlast en ontsiering, maatregelen tegen 24 Stoken van vuur, verbod 6 Straatartiest, optreden als 4 Straatfotograaf, optreden als 4 Straatkolken e.d. 6 Straatnaamborden, huisnummers e.d. 29 Strafbepaling 30 Straf-, overgangs- en slotbepalingen 30 e.v. Tekenaar, optreden als 4 Termijnen 2 Terreinrijden 28 Toegang of uitgang, belemmeren 12 Toestand van sloten en andere wateren en niet- openbare riolen en putten buiten gebouwen 23 Toezicht op evenementen 7 e.v. Toezicht op openbare inrichtingen 8 e.v. Uiterlijk aanzien van de gemeente, zorg voor het 22 e.v. Uitlokken ontucht, kwetsing openbare zedelijkheid 19 Uitweg, maken, veranderen van 6 Vaartuigen, begripsomschrijving 1 Vee, begripsomschrijving 1 Vee, loslopend en pluimvee 14 Veiligheid op het ijs 7 Veiligheid van de weg 6 e.v. Venten e.d. 27 Verbod vuur te stoken 6 Verboden optocht 3 Vergunning of ontheffing 2 Vergunningsplicht 8 Verkeer en verlichting, voorzieningen voor 7 Verkoopregister, verplichtingen met betrekking tot 15 Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg 23 Verontreiniging door honden 13 Verontreiniging van de weg en van terreinen 22 Veroorzaken van gladheid 6 Verspreiden van gedrukte stukken 4 Verspreiding van reclame- of strooibiljetten e.d. op de weg 23 Vertoningen e.d. op de weg 4 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen 15 Voertuigen, begripsomschrijving 1 Voertuigen e.d., onbeheerd laten staan van 12 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht 15 Voorschriften, beperkingen vergunning of ontheffing 2 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 7 Vuur stoken, verbod 6 Vuurwerk, begripsomschrijving 16 Vuurwerk 16 e.v. Waterstaatswerken oevers, beschadigen van 28 Wedstrijd, feest en muziek e.d. 4 Weg, begripsomschrijving 1 Weg, aanleggen, beschadigen of veranderen van een 5 Weg, voorwerpen of stoffen op, aan of boven de 5 Weigeringsgronden 9 Wilde dieren 14 Winkelwagentjes 6 Woningen, betreden dan wel binnentreden 30 Woonschepen, begripsomschrijving 1 Zwerffietsen 12 ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING OP DE APV WAGENINGEN HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGENArtikel 1.1 BegripsomschrijvingenAlgemeenIn dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op één bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling of paragraaf definities opgenomen. Deze definities kunnen afwijken van de in artikel 1.1 opgenomen definities. Zie de definitie van "weg" in de afdeling "parkeerexcessen". Ten aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt. Weg De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". Op het eerste gezicht lijkt het duidelijk wat met deze term wordt bedoeld. Bij nadere beschouwing rijst ten aanzien van nogal wat plaatsen de vraag of deze ook onder het begrip "weg" vallen. Daarnaast kan tot verwarring aanleiding geven het feit dat het begrip "weg" ook in de Woningwet en de Wegenverkeerswet voorkomt en daar een duidelijk afgebakende betekenis heeft. Het begrip "openbare weg" in de zin van de Wegenwet is voor een APV niet bruikbaar. Dit geldt minder voor het begrip "weg" in de Wegenverkeerswet, maar dit is te beperkt. Er zijn namelijk vele plaatsen die geen verkeersfunctie hebben, maar die wel algemeen toegankelijk zijn voor het publiek dan wel zonder veel belemmeringen voor het publiek bereikbaar zijn. De in artikel 1.1 gegeven omschrijving van "weg" is ruimer dan die van de Wegenwet, de Wegenverkeerswet en die van verschillende provinciale wegenreglementen. Men kan derhalve drieërlei soorten "weg" onderscheiden: de "(openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte (recht van vrij gebruik van de weg); de "weg" in de zin van de wegenverkeerswetgeving, te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen; de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringen - voorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. Tot de "voor het publiek toegankelijke plaatsen" kunnen de "openbare wegen" en de overige "voor het openbaar verkeer openstaande wegen" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput. In een arrest van 1930 besliste de Hoge Raad dat de gemeenteraad krachtens artikel 168 Gemeentewet bevoegd is om ten aanzien van plaatsen welke alleen feitelijk voor het publiek openstaan de bepalingen te maken, welke hij nodig acht in het belang van de gemeentelijke huishouding, bepaaldelijk in het belang van de openbare orde. Onder "voor het publiek toegankelijke plaatsen" moeten niet alleen worden verstaan openbare plaatsen, maar alle openbare en niet openbare plaatsen welke in feite voor het publiek toegankelijk zijn. De conclusie is dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is ten aanzien van alle feitelijk voor het publiek toegankelijke plaatsen regels te stellen - zulks ongeacht de eigendomssituatie met betrekking tot deze plaatsen - voorzover nodig in het belang van de gemeentelijke huishouding. Uiteraard mogen deze regels de rechten van de eigenaars niet illusoir maken en moeten de grenzen gelegen in hogere wetgeving in acht genomen worden. Openbaar water Bij water heeft het begrip "openbaar" - anders dan bij wegen - geen juridische betekenis. Een openbaar water in de zin van boek 5 BW is ieder water, dat voor enig gebruik open staat voor het publiek. Openbaar is hier dus synoniem aan "feitelijk voor het publiek toegankelijk". Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom. Bij bepaalde artikelen is dit gedaan, omdat het euvel dat de desbetreffende bepalingen beogen te voorkomen, zich buiten dat gebied niet of nauwelijks voordoen. Een aantal andere artikelen heeft slechts betrekking op gedragingen binnen de bebouwde kom, omdat deze gedragingen voorzover zij plaatsvinden buiten de bebouwde kom reeds bestreken worden door provinciale verordeningen. Door beperking van de reikwijdte van deze artikelen tot de bebouwde kom wordt de werkingssf

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.