Dit besluit regelt wie binnen de ambtelijke organisatie van Amsterdam welke bevoegdheden mag uitoefenen namens het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester, en onder welke voorwaarden dit mag. Het doel is om de besluitvorming te stroomlijnen en te delegeren.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Definities 1. In dit besluit wordt verstaan onder: gemeente: gemeente als publiekrechtelijk lichaam alsmede de gemeente als privaatrechtelijke rechtspersoon; clusterstaf organisatieonderdeel op clusterniveau dat rechtstreeks onder de aansturing van een stedelijk directeur valt RVE Resultaat Verantwoordelijke Eenheid, een organisatieonderdeel dat binnen een cluster valt en wordt aangestuurd door een RVE-manager directie onderdeel van het organisatieonderdeel Bestuur & Organisatie college: college van burgemeester en wethouders; burgemeester: burgemeester als bestuursorgaan en als vertegenwoordiger van de gemeente in en buiten rechte; gemeentesecretaris: gemeentesecretaris, tevens in zijn hoedanigheid van Algemeen Directeur en voorzitter van het Gemeentelijk Managementteam; GMT: het Gemeentelijk Managementteam, bestaande uit de gemeentesecretaris, stedelijk directeuren en concerncontroller; directeur: stedelijk directeuren en directeuren B&O; stedelijk directeur: directeur van een cluster, ressorterend onder de gemeentesecretaris en lid van het GMT; concerncontroller: directeur van de Directie Middelen en Control, ressorterend onder de gemeentesecretaris en lid van het GMT; directeur B&O directeur van een directie van Bestuur&Organisatie, ressorterend onder de gemeentesecretaris; stadsdeelsecretaris manager van een bestuurscommissieorganisatie, ressorterend onder de gemeentesecretaris, tevens secretaris van een bestuurscommissie als bedoeld in paragraaf 6 van de Verordening op de Bestuurscommissies; RVE-manager manager van een RVE, ook als de manager de titel directeur mag voeren, ressorterend onder een stedelijk directeur; afdelingshoofd manager van een afdeling, ressorterend onder een directeur, RVE-manager of stadsdeelsecretaris; budgethouder budgethouder overeenkomstig de Budgethoudersregeling, daaronder begrepen hoofdbudgethouder en deelbudgethouder; lead buyer functionaris die exclusief is aangewezen om voor bepaalde overheidsopdrachten de markt te benaderen. 2. in dit besluit wordt verder verstaan onder: besluit: een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht en, voor wat betreft rechtspositionele beslissingen een handeling als bedoeld in artikel 8.2, aanhef en eerste lid, onder a, van de Awb, of een beslissing op grond van het privaatrecht mandaat: de bevoegdheid om namens een bestuursorgaan besluiten te nemen. ondermandaat: een door een gemandateerde verleend mandaat, van een aan hem gemandateerde bevoegdheid, aan een onder hem ressorterende medewerker volmacht: het vertegenwoordigen van de gemeente bij het in privaatrechtelijke zin aangaan van een rechtshandeling namens de rechtspersoon gemeente Amsterdam machtiging: de bevoegdheid om namens een bestuursorgaan handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn Artikel 2 Overeenkomstige toepassing 1. Voor de toepassing van deze regeling en de daarop berustende bepalingen worden met mandaat gelijkgesteld de verlening van volmacht en machtiging. 2. Dit besluit is van overeenkomstige toepassing op ondermandaat en mandaatbesluiten die in specifieke gevallen worden verleend aan functionarissen werkzaam onder verantwoordelijkheid van het college. 3. Het mandaat tot uitoefening van een bevoegdheid heeft mede betrekking op alle handelingen die binnen het kader van de uitoefening van de bevoegdheid moeten worden verricht, zoals het voeren van correspondentie, het verzoeken om (aanvullende) informatie, het vragen om of geven van advies, het verdagen van beslissingen, het verstrekken van inlichtingen en het voldoen aan publicatieverplichtingen. Artikel 3 Ondertekening stukken van het college Het college staat de burgemeester toe de ondertekening van stukken die van het college uitgaan, op te dragen aan de gemeentesecretaris. Artikel 4 Algemene vereisten bij mandaat 1. Een krachtens dit besluit genomen primair besluit of verrichte handeling: past binnen het bestaande beleid en binnen de wettelijke en gemeentelijke regels; past binnen het daartoe beschikbaar gestelde budget; past binnen het werkterrein van het betreffende organisatieonderdeel wordt, voor zover van toepassing, voorafgegaan door: een positief advies van een externe instantie; overeenstemming tussen de bij het besluit of de handeling betrokken afdelingen richt zich, voor zover het rechtspositionele bevoegdheden betreft, op het organisatieonderdeel waar de functionaris hiërarchisch leidinggevende van is. 2. Voor zover het in mandaat genomen besluit een rechtshandeling betreft met financiële gevolgen: dient de gemandateerde te zijn aangewezen als budgethouder bij of krachtens de Budgethoudersregeling; overstijgt de waarde van de rechtshandeling niet het bedrag dat in het algemeen voor de betreffende functie of in het bijzonder voor de betreffende functionaris is vastgesteld bij of krachtens de Budgethoudersregeling; geldt bij ondermandaat voor het besluiten tot het aangaan van een privaatrechtelijke rechtshandeling voorts dat er slechts bevoegdheid bestaat wanneer voor de bewuste categorie overheidsopdrachten een daartoe aangewezen lead buyer een marktpartij heeft geselecteerd conform de in bijlage 2 aan de lead buyer toebedeelde taken. Artikel 5 Algemene beperkingen bij mandaat In geval van strijd met bepalingen in dit besluit en de Verordening op de bestuurscommissies of de daarbij behorende bijlagen, heeft die verordening voorrang. Hoofdstuk 2 Instructies Artikel 6 Algemene instructie bij de uitoefening van mandaten, conform art. 10:6 Awb Functionarissen oefenen een aan hen verleend mandaat niet uit indien sprake is van politiek of bestuurlijk gevoelige onderwerpen. Onder politiek of bestuurlijk gevoelige onderwerpen worden in ieder geval verstaan, onderwerpen waarbij: a. hoge afbreukrisico's aanwezig zijn; b. organisatieonderdeel-overstijgende belangen spelen; c. uniforme besluitvorming gewenst is; d. strategische belangen van het stadsbestuur in het geding zijn; e. expertise nodig is die op het niveau van het betreffende organisatieonderdeel niet goed is ontwikkeld. Hoofdstuk 3 Bevoegdheden gemeentesecretaris Artikel 7 Algemeen mandaat aan gemeentesecretaris 1. De aan het college en de burgemeester toekomende bevoegdheden, genoemd in Bijlage 1 worden gemandateerd aan de gemeentesecretaris. 2. De gemeentesecretaris is bevoegd om (onder)mandaten die bij of krachtens dit besluit door hem zijn verleend, in te trekken of aan een andere functionaris toe te bedelen. Een dergelijk besluit wordt schriftelijk vastgelegd en ter informatie aan het college gezonden, tenzij het om een concrete, individuele aangelegenheid gaat en geldt tot aan de eerstvolgende periodieke wijziging. Hoofdstuk 4 Bevoegdheden overige functionarissen Artikel 8 Algemeen mandaat aan directeuren, stadsdeelsecretarissen en RVE-managers 1. De aan de gemeentesecretaris gemandateerde bevoegdheden worden ondergemandateerd aan de stedelijk directeuren voor hun clusterstaf, directeuren B&O voor hun directie, de RVE-managers voor hun RVE, met uitzondering van: de in bijlage 1 opgenomen bevoegdheden die aan de gemeentesecretaris blijven voorbehouden; de in bijlage 2 opgenomen bevoegdheden die door de gemeentesecretaris rechtstreeks worden ondergemandateerd aan de daarbij genoemde functionarissen. 2. Het eerste lid geldt voor de stadsdeelsecretarissen alleen voor zover het de bevoegdheden op grond van de NRGA betreft. 3. Voor niet in het eerste lid bedoelde functionarissen die wel leidinggeven aan een zelfstandig organisatieonderdeel dat onder verantwoordelijkheid valt van het college, kan de gemeentesecretaris lid 1 van overeenkomstige toepassing verklaren. Artikel 9 Bijzonder mandaat voor bepaalde functionarissen De in bijlage 4 opgenomen bevoegdheden worden door het college en de burgemeester rechtstreeks gemandateerd aan de daarbij genoemde functionarissen. Artikel 10 Mandaat voor het beslissen op bezwaar De bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 7, 8 en 9 behelzen tevens de bevoegdheid om te beslissen op bezwaar: a. tenzij het om mandaat voor het nemen van primaire rechtspositionele besluiten gaat, of b. tenzij die bevoegdheid in bijlage 4 is uitgezonderd, en c. met inachtneming van de beperkingen uit de Regeling bezwaar en beroep (college en burgemeester). Artikel 11 Ondermandaat aan afdelingshoofden en andere functionarissen 1. De aan de RVE-manager, de directeur en de stadsdeelsecretaris krachtens dit besluit gemandateerde bevoegdheden met uitzondering van de in bijlage 3 opgenomen bevoegdheden die aan hen blijven voorbehouden, kunnen door hen worden ondergemandateerd: aan afdelingshoofden of andere functionarissen binnen het eigen organisatieonderdeel, of aan RVE-managers, directeuren en stadsdeelsecretarissen van andere organisatieonderdelen voor zover het bevoegdheden betreft die genoemd zijn opgenomen in bijlage 4. 2. Bij het ondermandaat kunnen kaders en beperkingen worden vastgesteld die de reikwijdte van het mandaat beperken. Hoofdstuk 5 Vervanging Artikel 12 Vervangingsregeling gemeentesecretaris Indien de gemeentesecretaris afwezig is, worden de bevoegdheden die hem zijn verleend krachtens dit besluit uitgeoefend door: a. voor wat betreft zijn wettelijke taken als gemeentesecretaris en voor wat betreft zijn hoedanigheid van directeur Bestuur &Organisatie uitgeoefend door de directeur Stedelijke Bestuursadvisering, en bij diens afwezigheid door de directeur van de Directie Middelen en Control, de Directie Openbare Orde en Veiligheid, de Directie Communicatie of de directeur van de Directie Juridische Zaken; b. voor wat betreft zijn taken als Algemeen Directeur uitgeoefend door één van de stedelijk directeuren in de volgorde die bij GMT-besluit is vastgesteld. Artikel 13 Vervangingsregeling overige functionarissen Indien een functionaris afwezig is, worden de bevoegdheden die hem zijn verleend krachtens dit besluit, uitgeoefend door zijn als zodanig aangewezen (plaats)vervanger of bij gebrek daaraan door een andere medewerker, één en ander ter beoordeling van de direct-leidinggevende van de betrokken mandaathouder. Hoofdstuk 6 Overige bepalingen Artikel 14 Wijze van ondertekening 1. Mandaat en ondermandaat op grond van dit besluit, behelst ook de ondertekening van stukken. 2. Een krachtens mandaat genomen besluit vermeldt namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen. 3. In geval van mandaat worden uitgaande stukken als volgt ondertekend: "Namens de burgemeester van Amsterdam / het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, [naam van de gemandateerde] [functieaanduiding] [handtekening 4. Wanneer alleen wordt ondertekend in mandaat, dient uit het besluit te blijken dat het besluit door het bestuursorgaan zelf is genomen: De burgemeester van Amsterdam / Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, ondertekend namens deze / dezen, [naam gemandateerde] [functieaanduiding] [handtekening]" 5. De wijze van ondertekening betreffende mandaat is van overeenkomstige toepassing op volmacht en machtiging. 6. Het college kan nadere regels stellen omtrent het opmaken en het ondertekenen van een document, waarin van het verleende mandaat gebruik wordt gemaakt. Artikel 15 Beheer en wijzigingen Bevoegdhedenbesluit Dit bevoegdhedenbesluit wordt beheerd door de directie Juridische Zaken van B&O. Wijzigingen kunnen enkel na advies en instemming van deze directie worden voorgelegd aan het college, daartoe wordt periodiek een voordracht voor een verzamelbesluit aan het college aangeboden. Artikel 16 Intrekking vorige besluiten Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit worden alle eerder door het college genomen besluiten waarin mandaat wordt verleend aan functionarissen werkzaam onder verantwoordelijkheid van het college, ingetrokken. Artikel 16a Overgangsbepaling 1. Wanneer een bevoegdheid niet op één van de bijlagen bij dit besluit staat vermeld, terwijl deze vóór 1 januari 2015 door middel van een besluit van het college was gemandateerd aan de directeur of een andere functionaris van een voormalige dienst, dan wordt deze bevoegdheid geacht na 1 januari 2015 te zijn gemandateerd aan de manager van de RVE tot wier werkterrein de betreffende bevoegdheid gerekend kan worden, voor zover de RVE voor wat betreft de uitvoering van die taak als de opvolger van de voormalige dienst kan worden beschouwd. 2. Deze bepaling vervalt per 1 juli 2015. Artikel 17 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2015. Bijlage 1 Bevoegdheden die worden gemandateerd aan de gemeentesecretaris en worden ondergemandateerd tenzij expliciet voorbehouden aan de gemeentesecretaris A. NRGA en WOR 1. Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de bevoegdheden op grond van de NRGA, met uitzondering van: a. Het geven van toestemming voor het verlenen van ontslag aan vertegenwoordigers van een ondernemingsraad (artikel 12.18 NRGA); b. Het nemen van een besluit tot een ingrijpende reorganisatie (artikel 16.1 NRGA); c. Het aangaan van een vertrekregeling in de zin van artikel 11.33 NRGA, voor zover het bedrag aan extra tegemoetkomingen uitstijgt boven € 75.000,-;. d. Besluiten waarbij de gemeentesecretaris belanghebbende is. 2. Voorbehouden aan de gemeentesecretaris blijven de volgende bevoegdheden op grond van de NRGA: a. Het aangaan van een vertrekregeling in de zin van artikel 11.33 NRGA, voor zover het bedrag aan extra tegemoetkomingen uitstijgt boven €35.000,-. b. Het in individuele gevallen afwijken van de NRGA als toepassing ervan uit oogpunt van behoorlijk bestuur tot een voor de ambtenaar onevenredig nadelige beschikking zou leiden (art. 33.1 NRGA), voor zover het bedrag aan extra tegemoetkomingen niet uitstijgt boven € 75.000,- c. Het verlenen van onvoorwaardelijk strafontslag in de zin van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, NRGA en van voorwaardelijk strafontslag als bedoeld in artikel 13.7 NRGA; d. Het nemen van een besluit tot een niet-ingrijpende reorganisatie (artikel 16.1 NRGA). e. Besluiten ten aanzien van stedelijke directeuren, stadsdeelsecretarissen en directeuren van B&O. f. Het ten aanzien van RVE-managers nemen van besluiten op grond van i. artikel 2.1. tot en met 2.17 en artikel 2.24 e.v. (Aanstelling en arbeidsovereenkomst) met uitzondering van artikel 2.18 tot en met artikel 2.23 (beoordeling van een ambtenaar met een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef); ii. hoofdstuk 3 (Salaris en vergoedingen); iii. artikel 11.33 (vertrekregelingen); iv. hoofdstuk 12 (Ontslag); v. hoofdstuk 13 (Ordemaatregelen en disciplinaire straffen); vi. artikel 3.17 lid 3 (personele toelage topfuncties) vii. artikel 3.53 (overgangsrecht functietoelage topfuncties). g. Besluiten waarbij de desbetreffende stedelijk directeur, RVE-manager of stadsdeelsecretaris of directeur B&O, belanghebbende is. h. Het nemen van een besluit tot een niet-ingrijpende reorganisatie (artikel 16.1 NRGA). B. Gemeentewet Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: 1. Het besluiten over het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen mits a. zij geen betrekking hebben op: - de oprichting van of deelneming in een rechtspersoon; - het lenen of uitlenen van geld; - borgstelling of garantstelling voor schulden van derden; en b. de rechtshandeling plaatsvindt binnen en met inachtneming van de door college en raad vastgestelde beleidskaders zoals het Inkoop- en Aanbestedingsbeleid van de gemeente Amsterdam en de daarop gebaseerde werkinstructies, de Notitie 10 Wegen naar een innovatiever aanbestedingsbeleid en een professioneler opdrachtgeverschap, de Notitie Samen Inkopen, de Notitie Doelgericht op afstand 2, het Lening- en garantiebeleid van de gemeente Amsterdam en het gemeentelijk integriteitsbeleid. 2. Het in en buiten rechte vertegenwoordigen van de gemeente (art. 171 Gemeentewet), ter uitvoering van een gegeven mandaat. 3. De ondertekening van stukken die van het college uitgaan (art. 59a, tweede lid Gemeentewet). 4. Het nemen van alle conservatoire maatregelen en doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht en bezit, behalve beslaglegging (artikel 160, vierde lid van de Gemeentewet). C. Algemene wet bestuursrecht Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden op grond van de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): a. Het stellen van een termijn voor de aanvulling van een aanvraag en het beslissen omtrent het niet in behandeling nemen van een onvolledige aanvraag dan wel van een aanvraag die niet binnen de gestelde termijn is aangevuld (art. 4:5 Awb). b. Het beslissen dat een aanvrager of derdebelanghebbende niet in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen (art. 4:11 Awb). c. Het kennis geven van de verdaging van een beslissing op een aanvraag (art. 4:14 Awb). d. In het geval van niet tijdig beslissen de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vaststellen (art. 4:18 Awb). e. Het vaststellen van de verplichting tot betaling van een geldsom aan of door de dienst of bedrijf (bestuursrechtelijke geldschuld) (art. 4:86 Awb). f. Het nemen van beslissingen inzake verrekening (art. 4:93 Awb). g. Het verlenen van uitstel van betaling (art. 4:94 Awb). h. Het verlenen van voorschotten (art. 4:95 Awb). i. Het intrekken of wijzigen van de beschikking tot uitstel van betaling of verlenen van een voorschot (art. 4:96 Awb). j. Het bij beschikking vaststellen van de wettelijke rente (art. 4:99 Awb). k. Het geheel of gedeeltelijk verlenen van kwijtschelding. l. Het aanmanen van de schuldenaar die in verzuim is (art. 4:112 Awb). m. Het uitvaardigen van een dwangbevel om de betaling van een geldsom af te dwingen (artt. 4:114 Awb en 4:115 Awb). n. Het beslissen tot het nemen van executiemaatregelen ter uitvoering van dwangbevelen. o. Het aanwijzen van toezichthouders en het afgeven van legitimatiebewijzen (artt. 5:11 en 5:12 Awb). p. Het behandelen en afdoen van klachten met inachtneming van afdeling 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht. D. Wet Openbaarheid Bestuur Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob): a. het beslissen op verzoeken om verstrekking van informatie met betrekking tot bestuurlijke aangelegenheden (art. 6 Wob). b. het beslissen inzake het eigener beweging verstrekken van informatie met betrekking tot bestuurlijke aangelegenheden (art. 8 Wob). E. Wet bescherming persoonsgegevens Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) a. Het doen van een melding van het voornemen een verwerking te starten (art. 27 Wbp). b. Het meedelen aan een betrokkene of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt (art. 35 Wbp). c. Het meedelen of aan een verzoek van een betrokkene om gegevens te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, zal worden voldaan (art. 36 Wbp). d. Het inlichten van derden, indien aan een verzoek als bedoeld in artikel 36 wordt voldaan alsmede het desgevraagd inlichten van de betrokkene daarover (art. 38 Wbp). e. Het beslissen omtrent de beëindiging van de verwerking van de in artikel 8, onder e en f, bedoelde gegevens (art. 40 Wbp). f. Het beëindigen van de verwerking van gegevens in de in artikel 41 bedoelde situatie (art. 41 Wbp). F. Algemene Verordening Nadeelcompensatie Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene Verordening Nadeelcompensatie (AVN) a. Het beslissen op een aanvraag om nadeelcompensatie als bedoeld in artikel 2 van de AVN onder de voorwaarde dat de beslissing in overeenstemming is met een uitgebracht advies van de adviescommissie als bedoeld in artikel 13 van de AVN dan wel in overeenstemming is met het concept-besluit, zoals door het Schadeloket Algemene Nadeelcompensatie is vastgesteld b. Het verlenen van goedkeuring van de met de schadebeperkende maatregelen gemoeide kosten als bedoeld in artikel 10 van de AVN c. Het beslissen op een aanvraag om een voorschot te verlenen als bedoeld in artikel 11 van de AVN, onder de voorwaarde dat de beslissing in overeenstemming is met een uitgebracht advies van de adviescommissie als bedoeld in artikel 13 van de AVN. G. Archiefwet en aanverwanten 1. Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden op grond van de Archiefwet, Archiefbesluit 1995, Besluit informatiebeheer 2010 e.e.a. na overleg met en instemming van de conform art. 32, derde lid van de Archiefwet door burgemeester en wethouders benoemde functionaris (de gemeentearchivaris): a. Het vervangen van archiefbescheiden door reproducties, teneinde de aldus vervangen bescheiden te vernietigen (art. 7 Archiefwet en art. 6 Archiefbesluit). b. Het opmaken van een verklaring van vervanging van archiefbescheiden door reproducties (art. 8 Archiefbesluit). c. Het vervreemden van archiefbescheiden (art. 8, eerste en tweede lid Archiefwet en artt. 7 en 8 Archiefbesluit). d. Het opmaken van een verklaring van vervreemding van archiefbescheiden (art. 8 Archiefbesluit). e. Het overbrengen van archiefbescheiden naar het Gemeentearchiefde gemeentelijke archiefbewaarplaats (art. 12, eerste lid Archiefwet en art. 9 Archiefbesluit). f. Het vervroegd overbrengen van archiefbescheiden naar het Gemeentearchiefde gemeentelijke archiefbewaarplaats (art. 13, eerste lid Archiefwet). g. Het verzoeken om het verlenen van een machtiging door Gedeputeerde Staten tot opschorting van de overbrenging van archiefbescheiden naar het Gemeentearchiefde gemeentelijke archiefbewaarplaats (art. 13, derde en vierde lid Archiefwet). h. Het opmaken van een verklaring van overbrenging van archiefbescheiden naar het Gemeentearchiefde gemeentelijke archiefbewaarplaats (artikel 8 Archiefbesluit). i. Het opmaken van een verklaring van vernietiging van archiefbescheiden (art. 8 Archiefbesluit ). j. Het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden (art. 15, eerste en tweede lid en art. 16, tweede lid Archiefwet en art. 10 Archiefbesluit). k. De overdracht van informatie (archiefbescheiden) van een organisatieonderdeel aan een ander organisatieonderdeel. (artikel 4, onder d van het Besluit informatiebeheer 2010). 2. Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden op grond van de Databankenverordening Amsterdam: a. Het beslissen inzake verzoeken tot het opvragen of hergebruiken van gemeentelijke databanken (art. 2 Databankenverordening Amsterdam). Bijlage 2 Bevoegdheden die rechtstreeks worden ondergemandateerd door de gemeentesecretaris A. Personeelsaangelegenheden 1. Gemandateerd aan de RVE-manager van de Personeel en Organisatieadvies worden de bevoegdheden voor het nemen van besluiten op grond van: a. hoofdstuk 8 NRGA (Ziektekosten), ten aanzien van de gewezen ambtenaar en de nabestaande partner, genoemd in artikel 8.3 en artikel 8.8 NRGA; b. Besluiten die betrekking hebben op toekenning van een uitkering op grond van hoofdstuk 27 NRGA (Overgangsrecht functioneel leeftijdsontslag) voor zover de rechten zijn ontstaan na 1 april 1997. c. hoofdstuk 29 NRGA (Wachtgeld), met uitzondering van artikel 12, eerste en tweede lid, en artikel 51, eerste lid, in Bijlage O; d. hoofdstuk 30 NRGA (Verordening Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering); e. hoofdstuk 30a NRGA (Voorzieningen bij werkloosheid); f. hoofdstuk 31 NRGA (Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering bij privatisering), en g. hoofdstuk 32 NRGA (Suppletie). h. het ondertekenen van alle besluiten waarvan de uitvoering aan de RVE-manager Personeel en Organisatieadvies is opgedragen. 2. Aan de stedelijke directeuren worden gemandateerd de bevoegdheden voor het nemen van besluiten ten aanzien van RVE-managers, uitgezonderd de bevoegdheden genoemd in bijlage 1, hoofdstuk A, punt 2, onder h, nu die zijn voorbehouden aan de gemeentesecretaris. Het gaat bij deze uitzonderingen om het nemen van besluiten op grond van: i. artikel 2.1. tot en met 2.17 en artikel 2.24 e.v. NRGA (Aanstelling en arbeidsovereenkomst); ii. hoofdstuk 3 (Salaris en vergoedingen); iii. artikel 11.33 (vertrekregelingen); iv. hoofdstuk 12 (Ontslag); v. hoofdstuk 13 (Ordemaatregelen en disciplinaire straffen) vi. artikel 3.17 lid 3 (personele toelage topfuncties) vii. artikel 3.53 (overgangsrecht functietoelage topfunctie. B. Privaatrechtelijke rechtshandelingen 1. de RVE-managers / directeuren van: · de RVE Personeel- en Organisatieadvies; · de RVE ICT; · de RVE Facilitair Bureau; · de RVE Ingenieursbureau; · de RVE Subsidie en Inkoop, en krijgen een mandaat voor de volgende bevoegdheden: a. het als lead buyer nemen van gunningsbesluiten in de zin van de Aanbestedingwet 2012 in het kader van inkooptrajecten voor de aan die betreffende lead buyer door het Gemeentelijk Management Team specifiek toebedeelde inkooppakketten. b. het als lead buyer besluiten tot het aangaan van een gemeentebrede raamovereenkomst in de zin van artikel 160 lid 1 sub e van de Gemeentewet in het kader van inkooptrajecten voor de aan die betreffende lead buyer specifiek toebedeelde inkooppakketten. 2. In het kader van uitvoering van de bevoegdheid onder 1a en 1b verricht de lead buyer de volgende feitelijke handelingen: a. het actief of reactief vaststellen van de inkoopbehoefte van of voor de budgethouders op basis van informatie van de budgethouder of op basis van informatie uit de spendanalyse; b. het initiëren en organiseren van inkooptrajecten en aanbestedingen met als doel een partij in de markt te selecteren, met welke partij de ambtelijk opdrachtgever exclusief voor dat specifiek toebedeelde inkooppakket verdere overeenkomsten moet sluiten; c. het maken van werkafspraken met de budgethouders in het kader van hun opdrachtgeverschap over de uitvoering van het contractmanagement van de afgesloten contracten; d. het monitoren van de inkoopvolumes van de aan de lead buyer toegewezen inkooppakketten en het rapporteren daarover aan de budgethouders en aan de algemeen directeur. Wanneer een inkooppakket niet door het Gemeentelijk Management Team aan een lead buyer is toegewezen, voert de directeur DMC de bevoegdheid van de lead buyer uit, met inachtneming van de bevoegdheden van andere functionarissen wanneer die zijn opgenomen in Bijlage 4. Bijlage 3 Bevoegdheden die blijven voorbehouden aan de RVE-manager, de directeur en de stadsdeelsecretaris A. Personeelsaangelegenheden Voorbehouden aan de RVE-manager, de directeur en de stadsdeelsecretaris blijven de volgende bevoegdheden: a. het nemen van besluiten op grond van hoofdstuk 2 (Aanstelling en Arbeidsovereenkomst); b. het nemen van besluiten op grond van artikel 11.33 (vertrekregelingen), voor zover die bevoegdheid niet aan de gemeentesecretaris of het college voorbehouden blijft; c. het nemen van besluiten op grond van hoofdstuk 12 (Ontslag); d. het nemen van besluiten op grond van hoofdstuk 13 (Ordemaatregelen en disciplinaire straffen), voor zover die bevoegdheden niet aan de gemeentesecretaris voorbehouden blijven. Bijlage 4 Bevoegdheden die rechtstreeks worden gemandateerd aan bepaalde functionarissen door college en burgemeester Algemene bepalingen. 3 I Bestuur&Organisatie. 4 1. Directeur Middelen en Control4 2. Directeur Openbare Orde en Veiligheid. 4 3. Directeur Communicatie. 4 4. Directeur Juridische Zaken. 4 II. Cluster Ruimte en Economie. 6 1. RVE-manager Economie. 6 2. RVE-manager Ruimte en duurzaamheid. 6 3. RVE-manager Grond en Ontwikkeling. 11 4. RVE-manager Verkeer en openbare ruimte. 13 5. RVE-manager Metro en Tram.. 15 6. RVE-manager Zuidas. 15 7. RVE-manager Ingenieursbureau. 17 8. RVE-manager Projectmanagementbureau. 17 9. RVE-manager Gemeentelijk Vastgoed. 17 10. RVE-manager Materiaalbureau. 17 11. RVE-manager Parkeren. 17 12. RVE-manager Kunst en Cultuur18 13. RVE-manager Wonen. 18 III. Cluster Sociaal27 1. RVE-manager Inkomen. 27 2. RVE-manager Werk. 30 3. RVE-manager Participatie. 32 4. RVE-manager Onderwijs, Jeugd en Zorg. 34 5. RVE-manager Sport en Bos. 41 6. RVE-manager GGD Amsterdam.. 41 7. RVE-manager Subsidies en Inkoop Sociaal42 8. Manager Clusterstaf Sociaal43 IV. Cluster Dienstverlening en Informatie. 45 1. RVE-manager Dienstverlening. 45 2. RVE-manager Belastingen. 47 3. RVE-manager Stadsbank van Lening. 48 4. RVE-manager Monumenten en Archeologie. 48 5. RVE-manager Stadsarchief48 6. RVE-manager Basisinformatie. 49 7. RVE-manager Handhaving en Toezicht51 8. RVE-manager Onderzoek, Informatie en Statistiek. 53 9. RVE-manager Clusterstaf Dienstverlening en Informatie. 53 V. Cluster Bedrijfsvoering. 54 1. RVE-manager Personeel en Organisatieadvies. 54 2. RVE-manager Communicatiebureau. 54 3. RVE-manager Financiën. 54 4. RVE-manager ICT. 54 5. RVE-manager Facilitair Bureau. 54 6. RVE-manager Bureau Interim en Advies. 54 7. RVE-manager Juridisch Bureau. 54 8. RVE-manager VGA Verzekeringen. 54 Algemene bepalingen Vergunningverlening 1. Onder het nemen van besluiten op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing of andere beschikking wordt ook het weigeren, wijzigen of intrekken verstaan. 2. Onder het stellen van voorschriften, voorwaarden of beperkingen wordt ook het aanvullen, toevoegen, intrekken of opheffen hiervan verstaan. 3. Het nemen van besluiten als bedoeld onder 1 omvat tevens de bevoegdheid tot het heffen en innen van leges. Subsidieverstrekking 4. De bevoegdheden tot het nemen van besluiten op een aanvraag om subsidie worden uitgeoefend met inachtneming van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene Subsidieverordening Amsterdam en de bijzondere subsidieverordeningen of subsidieregelingen die behoren tot het werkterrein van de RVE. 5. Onder het nemen van besluiten op een aanvraag om subsidie wordt zowel het verlenen als het vaststellen van subsidie verstaan alsmede het weigeren, wijzigen of intrekken verstaan als mede het opleggen van verplichtingen en voorts de uitvoering van al die bepalingen in genoemde regelingen die zien op de verstrekking van subsidies. 6. Uitgezonderd hiervan zijn: · de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels. · het vaststellen van subsidieplafonds. · het vaststellen van formulieren voor het indienen van een aanvraag om subsidie. · de handelingen die, voor wat betreft de afhandeling van subsidieaanvragen, behoren tot het werkterrein van de RVE Subsidie en Inkoop Handhaving 7. Taken op het gebied van handhaving die voortvloeien uit de uitvoering van specifieke regelgeving omvatten: · het nemen van besluiten inzake het opleggen van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:21 Algemene wet bestuursrecht (Awb). · het vaststellen van de hoogte van de kosten van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:25, zesde lid van de Awb. · het nemen van besluiten inzake het toepassen van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31a van de Awb. · het nemen van besluiten inzake het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:31d van de Awb. · het nemen van besluiten omtrent het invorderen van een dwangsom als bedoeld in artikel 5:37 van de Awb. · het nemen van besluiten omtrent het invorderen van een dwangsom, bestuurlijke boete of kosten van bestuursdwang bij dwangbevel als bedoeld in artikel 5:10, tweede lid van de Awb. · het nemen van besluiten omtrent het nemen van executiemaatregelen ter uitvoering van de hierboven bedoelde dwangbevelen. I Bestuur&Organisatie 1. Directeur Middelen en Control Geen specifieke mandaten. 2. Directeur Openbare Orde en Veiligheid Geen specifieke mandaten. 3. Directeur Communicatie Geen specifieke mandaten. 4. Directeur Juridische Zaken A. Gemeentewet Gemandateerd aan de directeur juridische zaken worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. Het nemen van besluiten om namens de gemeente en het college rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten (artikel 160, eerste lid onder f van de Gemeentewet). b. Het nemen van alle conservatoire maatregelen en doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht en bezit (artikel 160, vierde lid van de Gemeentewet). c. Het leggen van beslag (artikel 160, vierde lid van de Gemeentewet). d. Het verlenen van machtigingen om de gemeente in rechte te vertegenwoordigen (artikel.171, tweede lid van de Gemeentewet). e. Het leadbuyership met betrekking tot de inzet van advocaten en andere juridische dienstverleners ( met uitzondering van de inhuur van juridisch personeel), voor wat betreft het nemen van besluiten als bedoeld in onderdeel B van bijlage 2, onder punt 1, onderdelen a en b (artikel.160, eerste lid, onderdeel e van de Gemeentewet), waarbij: - de feitelijke handelingen als bedoeld onder punt B.2 van die bijlage worden verricht door de directeur DMC, en - uitvragen onder de door de directeur Juridische Zaken gesloten gemeentebrede raamovereenkomst alsmede de uitvraag voor advocaten en andere juridische dienstverleners ( met uitzondering van de inhuur van juridisch personeel) via het Juridische Loket worden aangemeld, en - de directeur Juridische Zaken met de ambtelijk opdrachtgever afspraken maakt hoe en in welke mate in de juridische dienstverlening wordt voorzien. B. Algemene wet bestuursrecht Gemandateerd aan de directeur juridische zaken worden de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): a. Het nemen van beslissingen op bezwaar inzake bevoegdheden van het college, met uitzondering van het nemen van beslissingen: 1. waarvan in de voorbereiding bekend is geworden dat het organisatieonderdeel dat het primaire besluit heeft voorbereid, het oneens is met die beslissing (artikel 7:11 van de Awb); 2. op bezwaren die de gemeentesecretaris betreffen. b. Het toetsen van de beslissingen op bezwaar die onder verantwoordelijkheid van andere functionarissen worden voorbereid en die ter besluitvorming aan het college of de burgemeester worden voorgelegd omdat sprake is van een politiek of bestuurlijk gevoelig onderwerp in de zin van artikel 5 van dit besluit (artikel 7:11 van de Awb). c. Het geven van instructies indien er tegen een besluit beroep of hoger beroep wordt ingesteld (artikel 8:1, artikel 8:104, tweede lid en artikel 8:110, eerste lid van de Awb). d. Het nemen van besluiten om tegen een uitspraak van de bestuursrechter hoger beroep, of incidenteel hoger beroep in te stellen en het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen (artikel 8:104, tweede lid en artikel 8:110, eerste lid van de Awb). e. Het verlenen van machtigingen om het college en de burgemeester te vertegenwoordigen en bij te staan in bestuursrechtelijke procedures (artikel 8:23, eerste lid en artikel 8:24, eerste lid van de Awb). C. Regelingen bezwaar en beroep Gemandateerd aan de directeur juridische zaken worden de volgende bevoegdheden: a. Het geven van algemene instructies over de samenstelling van de bezwaarschriftencommissies van het college. b. Het opdragen van de advisering in een incidenteel geval of een categorie aan een bezwaarschriftencommissie van het college die uit één persoon bestaat.. c. Het opdragen van de advisering in een incidenteel geval aan een bezwaarschriftencommissie van het college die uit één of meer externe leden bestaat. d. Het geven van instructies over de wijze waarop beslissingen op bezwaar worden voorbereid en genomen. II. Cluster Ruimte en Economie 1. RVE-manager Economie A. Algemene wet bestuursrecht Voorbehouden aan de RVE-manager Economie worden de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): a. Het nemen van besluiten op grond van de: i. Bijzondere subsidieverordening economische activiteiten 2009 en op deze verordening gebaseerde subsidieregelingen ii. Het nemen van beslissingen met betrekking tot het verstrekken van subsidies aan in de gemeentebegroting vermelde subsidieontvangers alsmede het verstrekken van subsidies waartoe het College ten laste van een begrotingspost heeft besloten op grond van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013. B. Gemeentewet Gemandateerd aan de RVE-manager Economie worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. Het optreden in externe organisaties en het uitoefenen van alle bevoegdheden en verrichten van alle taken die in de statuten van deze instellingen aan het college zijn toegekend (artikel. 160 en 171 van de Gemeentewet). 2. RVE-manager Ruimte en duurzaamheid A. Algemene wet bestuursrecht Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): a. Het beslissen tot het toepassen alsmede het uitvoeren van de uniforme algemene voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Awb). b. Het reageren op initiatieven van andere gemeenten in de inspraakfase (afdeling 3.4 van de Awb). c. Het nemen van besluiten op grond van: 1. de Bijzondere subsidieverordening dierenwelzijn B. Gemeentewet Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. Het geven van gelegenheid tot het naar voren brengen van zienswijzen naar aanleiding van een beleidsvoornemen (artikel 150 Gemeentewet en de Inspraakverordening 2003). C. Wet ruimtelijke ordening 1. Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro): a. Het voeren van (voor)overleg in het kader van de voorbereiding van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen en projectafwijkingsbesluiten met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn (Wro, Besluit ruimtelijke ordening en Besluit omgevingsrecht). b. Het kennis geven, mededelen en bekendmaken van (ontwerp) ruimtelijke besluiten, c.q. besluiten tot vaststelling van ruimtelijke besluiten en samenhangende besluiten waaronder in ieder geval begrepen structuurvisies, bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen, voorbereidingsbesluiten, beheersverordeningen, exploitatieplannen en projectafwijkingsbesluiten en de daarbij behorende stukken. Hieronder worden tevens begrepen andere besluiten in geval van gecoördineerde besluitvorming als bedoeld in artikel 3.30 e.v. van de Wro (Wro, Besluit ruimtelijke ordening en Besluit omgevingsrecht). c. Het ter inzage leggen en ter beschikbaar stellen van (ontwerp) ruimtelijke besluiten en omgevingsrechtelijke besluiten met bijbehorende stukken inclusief de kennisgeving en mededeling daarvan, waaronder in ieder geval begrepen structuurvisies, bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen, voorbereidingsbesluiten, beheersverordeningen, exploitatieplannen en projectafwijkingsbesluiten alsmede omgevingsvergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, besluiten op grond van de Crisis- en herstelwet, hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder en andere besluiten op het gebied van omgevingsrecht. Hieronder worden tevens begrepen andere besluiten in geval van gecoördineerde besluitvorming als bedoeld in artikel 3.30 e.v. van de Wro (Wro, Besluit ruimtelijke ordening). d. Het toezenden van de kennisgeving van het (ontwerp) bestemmingsplan c.q. vaststelling van het bestemmingsplan, wijzigingsplan en uitwerkingsplan met de bijbehorende stukken (Wro). e. Het uitoefenen van alle bevoegdheden inzake de (anterieure en posterieure) overeenkomsten over grondexploitatie (artikel 6.24 van de Wro en artikel 6.2.12 van het Besluit ruimtelijke ordening). f. Het voorbereiden en uitvoeren van het vaststellen van een afrekening van een exploitatieplan (artikel 6.20, eerste lid van de Wro). g. Het voorbereiden van en het beslissen tot toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling (artikel 3.30, tweede en derde lid en artikel 3.31 en 3.32 van de Wro). h. Het dragen van zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van hetgeen bij of krachtens de Wro is bepaald alsmede het bekendmaken van het voornemen met betrekking tot de wijze waarop in het komende jaar uitvoering zal worden gegeven aan deze handhaving (artikel 7.1, tweede lid en 10.1, eerste lid van de Wro). i. Het verslag doen (waaronder begrepen het toezenden aan) de wijze waarop in het voorafgaande jaar uitvoering is gegeven aan de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Wro, alsmede van het gevoerde beleid bij de uitvoering van de hoofdstukken 3, 3a en 4 en de verlening van omgevingsvergunningen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c en g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 10.1, tweede lid Wro). 2. Voorbehouden aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro): a. Het uitoefenen van alle bevoegdheden inzake het behandelen van en het beslissen op verzoeken om tegemoetkoming in planschade. Dit met uitzondering van het verzoek aan gedeputeerde staten om vergoeding van hogere kosten van de gemeente (afdeling 6.1 van de Wro en afdeling 6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening). b. Het indienen van een subsidieaanvraag bij de Minister van Infrastructuur en Milieu (I en M), het uitvoeren van activiteiten en handelingen in het kader van de verstrekte subsidie (waaronder in ieder geval begrepen het voeren van een administratie en verslaglegging) en het indienen van een aanvraag tot vaststelling van de subsidie (artikel 6.3 2.1 ev van het Besluit ruimtelijke ordening). c. Het gehoord worden door provinciale staten respectievelijk de Minister van I en M inzake een inpassingsplan van provinciale staten of het Rijk (artikel 3.26 en 3.28 van de Wro). d. Het verlenen van medewerking indien gedeputeerde staten respectievelijk de Minister van I en M dit vordert in het kader van de toepassing van een coordinatieregeling van de provincie of het Rijk (artikel3.33, tweede lid en 3.35, derde lid van de Wro). e. Het geven van een reactie of het indienen van een zienswijze ten aanzien van een provinciale verordening alsmede het indienen van een aanvraag om ontheffing van de provinciale verordening en het voeren van overleg omtrent een voorgenomen aanwijzing van gedeputeerde staten (artikel 4.1, 4.1a en 4.2 van de Wro). f. Het geven van een reactie of het indienen van een zienswijze ten aanzien van een algemene maatregel van bestuur inzake de ruimtelijke ordening of het omgevingsrecht alsmede het indienen van een aanvraag om ontheffing van een algemene maatregel van bestuur en het voeren van overleg omtrent een voorgenomen aanwijzing van de Minister van I en M of een andere Minister die het aangaat (artikel 4.3, 4.3a, 4.4 en 10.8 van de Wro). D. Wet geluidhinder Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet geluidhinder: a. Het indienen van een verzoek tot het vaststellen van hogere grenswaarden vanwege een weg, industrieterrein en/of spoorweg alsmede het voorbereiden en uitvoeren van besluiten omtrent het vaststellen van hogere waarden vanwege een weg, industrieterrein en/of spoorweg in samenhang met het besluiten omtrent een omgevingsvergunning (artikel 110a van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder). b. Het uitvoeren van alle handelingen om een besluit tot het vaststellen van een hogere grenswaarde in te schrijven in de Openbare Registers (Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder). c. Het uitoefenen van alle bevoegdheden inzake het voorbereiden, opstellen en uitvoeren van een besluit tot het vaststellen van een geluidszone (artikel 41, vierde lid, artikel 163, eerste lid en artikel 165, eerste lid van de Wet geluidhinder). d. Het uitvoeren van artikel 4.24 Besluit geluidhinder, inzake het treffen van maatregelen met betrekking tot de geluidwering aan de gevel alsmede het uitvoeren van hoofdstuk 6 Besluit geluidhinder, met betrekking tot bepalingen inzake de medewerking van eigenaren en bewoners voor het treffen van maatregelen aan de gevel (artikel 4.24 en hoofdstuk 6 van het Besluit geluidhinder). E. Wet milieubeheer Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet milieubeheer: a. Het uitoefenen van bevoegdheden en het uitvoeren van taken op grond van bij of krachtens hoofdstuk 5, 7. 8, 10, 17, 19 en 20 en titel 12.3 van de Wet milieubeheer gestelde regels, voor zover deze bevoegdheden zien op de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (Wet milieubeheer). b. Het dragen van zorg voor de procedure inzake milieu-effectrapportage (hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en artikel 1.11 van de Crisis- en herstelwet). F. Wet geluidhinder Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet algemene bepalingen omgevinsrecht (Wabo): a. Het aanvragen van een verklaring van geen bedenking bij een ander bestuursorgaan. G. Crisis- en herstelwet 1. Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Crisis- en herstelwet: a. Het opstellen van een voortgangsrapportage milieugebruiksruimte ontwikkelingsgebied (artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet). b. Het dragen van zorg voor het uitvoeren van de maatregelen of werken (opgenomen in een bestemmingsplan) in het kader van een ontwikkelingsgebied ten behoeve van de optimalisering van de milieugebruiksruimte binnen het ontwikkelingsgebied, dan wel ter compensatie van het beslag op de milieugebruiksruimte door de in het bestemmingsplan voorziene ruimtelijke ontwikkelingen (artikel 2.3, tiende lid van de Crisis- en herstelwet). c. Het voeren van (voor)overleg bij provinciale structuurvisie inzake (boven)regionaal project met nationale betekenis (artikel 2.20, eerste lid van de Crisis- en herstelwet). d. Het naar voren brengen van zienswijzen bij Besluit Crisis- en herstelwet (artikel 5.2a van de Crisis- en herstelwet). 2. Voorbehouden aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Crisis- en herstelwet: a. Het doen van een verzoek om toevoeging van gebied of project aan bijlage I en II van de Crisis- en herstelwet (artikel 1.2 van de Crisis- en herstelwet). b. Het aanmelden van een ontwikkelingsgebied als experiment (artikel 2.1 van de Crisis- en herstelwet). c. Het aanvragen van een verklaring van geen bedenkingen in het kader van een ontwikkelingsgebied (artikel 2.3, negende lid van de Crisis- en herstelwet). d. Het uitbrengen van een rapportage over de voortgang en de uitvoering van de maatregelen, projecten en werken (genoemd in een bestemmingsplan) in het kader van een ontwikkelingsgebied ten behoeve van de optimalisering van de milieugebruiksruimte binnen het ontwikkelingsgebied, dan wel ter compensatie van het beslag op de milieugebruiksruimte door de in het bestemmingsplan voorziene ruimtelijke ontwikkelingen (artikel 2.3, tweede lid, onder e van de Crisis- en herstelwet). e. Het aanmelden van project als een experiment (innovatie) (artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet). f. Het vaststellen van een Projectuitvoeringsbesluiten (artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet). g. Het voeren van (voor)overleg met betrokken bestuursorganen alsmede het instellen van een projectcommissie en het voorzitten van die commissie in het kader van een structuurvisie inzake een lokaal project met nationale betekenis (artikel 2.20 van de Crisis- en herstelwet). H. Tracéwet Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Tracéwet: a. Het voorbereiden en uitvoeren van alle besluiten en handelingen die op grond van de Tracéwet aan het college zijn opgedragen (Tracéwet). I. Wet luchtvaart en Luchthavenindelingsbesluit Schiphol Voorbehouden aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet luchtvaart en het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol: a. Het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar (artikel 8.9 van de Wet luchtvaart en artikel 2.2.2, derde lid en artikel 2.2.3, derde lid van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol). b. Het aanvragen van een ontheffing (artikel 8.12 van de Wet luchtvaart). J. Flora- en faunawet 1. Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Flora- en faunawet: a. Het kennis geven over het voornemen een in het besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving krachtens artikel 20 vermelde handelingen te verrichten of te doen verrichten, te verrichten voor zover het een handeling betreft die nodig is voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening of het omgevingsrecht (artikel 26 van de Flora- en faunawet). b. Het nemen van maatregelen ter voldoening aan de zorgplicht genoemd in artikel 2 van de Flora- en faunawet voor zover deze maatregelen nodig zijn voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (artikel 2 van de Flora- en faunawet). 2. Voorbehouden aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Flora- en faunawet: a. Het aanvragen van ontheffingen, vrijstellingen, toestemmingen verklaringen van geen bedenkingen, voor zover deze nodig zijn voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (artikel 26, 60, 65, 67, 68, 73, 75 en 75d van de Flora en faunawet). b. Het opstellen en het doen van een verzoek om goedkeuring van een faunabeheerplan (artikel 30, 67 en 68 van de Flora- en faunawet). c. Het aanvragen van een tegemoetkoming in de schade, voor zover een faunabeheerplan nodig is voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (artikel 28 en 84 van de Flora- en faunawet). d. Het indienen van een zienswijze tegen een aanwijzigingsbesluit (artikel. 20, 21 en 75a van de Flora- en faunawet). e. Het opstellen van een gedragscode ter concretisering van de zorgplicht op grond van de Flora- en faunawet. K. Natuurbeschermingswet 1. Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Natuurbeschermingswet: a. Het voorbereiden en uitvoeren van besluiten, beslissingen en handelingen op grond van de Natuurbeschermingswet, voor zover deze nodig zijn voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht. b. Het dragen van zorg voor preventieve of herstelmaatregelen ter voorkomen dat bestaand gebruik de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied voor zover deze nodig zijn voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (artikel 19c van de Natuurbeschermingswet). c. Het toezenden van een afschrift van het plan als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, dat met toepassing van artikel 19g (inclusief compenserende maatregelen) is vastgesteld (artikel 19, tweede lid van de Natuurbeschermingswet). d. Het bevorderen van coördinatie (artikel 19ka van de Natuurbeschermingswet). e. Het doen van een verzoek tot wijziging van in het programma opgenomen maatregelen (artikel 19 ki van de Natuurbeschermingswet). f. Het dragen van zorg voor een tijdige uitvoering van de in het programma beschreven of genoemde maatregelen (artikel 19kj van de Natuurbeschermingswet). g. Het uitvoeren van de zorgplicht in verband met de instandhouding van een beschermd natuurmonument of een Natura 2000-gebied (artikel 19l van de Natuurbeschermingswet). 2. Voorbehouden aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Natuurbeschermingswet: a. Het dragen van zorg voor de procedure inzake passende beoordeling (artikel 19db, 19f, 19j en 19kh van de Natuurbeschermingswet). b. Het aanvragen van ontheffingen, vrijstellingen, toestemmingen, verklaringen van geen bedenkingen en andere besluiten voor zover deze nodig zijn voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (artikel 16, 19d, 46b, 47b en 47c van de Natuurbeschermingswet). c. Het aanvragen van subsidie (artikel 17 van de Natuurbeschermingswet). d. Het aanmelden van projecten in het kader van de programmatische aanpak vermindering stikstofdepositie (artikel 19kh van de Natuurbeschermingswet). e. Het indienen van verzoeken om tegemoetkoming in de schade zover deze verband houden met bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (artikel 31 en 46b van de Natuurbeschermingswet). L. Woningwet Voorbehouden aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Woningwet: a. Het aanvragen van een ontheffing van Bouwbesluit (artikel 7 van de Woningwet). b. Het afgeven van een verklaring van het bevoegd gezag, dat een omgevingsvergunning zal worden verleend indien ontheffing van het Bouwbesluit wordt gegeven (artikel 7, tweede lid van de Woningwet). c. Het doen van een verzoek om toestemming om met het oog op duurzaam bouwen nadere voorschriften op te leggen ter voldoening aan de technische voorschriften omtrent bouwen, gegeven in het Bouwbesluit (artikel 7a van de Woningwet). d. Het voorbereiden en uitvoeren van de aanwijzing van gebieden of voor een of meer daarbij aan te wijzen categorieën van bestaande en te bouwen bouwwerken geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn (artikel 12, tweede lid Woningwet). e. Het doen van een verzoek om toepassing van de experimentenregeling (artikel 120a van de Woningwet). 3. RVE-manager Grond en Ontwikkeling A. Algemene wet bestuursrecht Gemandateerd aan de RVE-manager Grond en Ontwikkeling worden de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): a. Het nemen van besluiten over subsidie op grond van de: 1. Bijzondere subsidieverordening stedelijke vernieuwing. B. Gemeentewet 1. Gemandateerd aan de RVE-manager Grond en Ontwikkeling worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. Het aanwijzen van deskundigen van de zijde van de gemeente (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). b. Het vaststellen van de schaduwgrondwaarden en de jaarlijkse aanpassing daarvan aan de waardeontwikkeling van het geld overeenkomstig het bepaalde onder II van het besluit van het college van 9 januari 2001 gepubliceerd in het Gemeenteblad van 2001, afdeling 3, volgnummer 31 (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). c. Het berekenen van de bedragen verschuldigd wegens vooruitbetaling van de nog niet verschenen erfpachttermijnen het bepaalde onder II van het besluit van het college van 9 januari 2001 gepubliceerd in het Gemeenteblad van 2001, afdeling 3, volgnummer 31 (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). d. De vaststelling van de voorwaarden waaronder de gemeentelijke bedragen voor het opmaken van de notariële akte en de kosten verbonden aan de inschrijving van die akte in de openbare registers aan de erfpachter betaalbaar zullen worden gesteld (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). e. Het uitsluiten van de canonindexering overeenkomstig het bepaalde in het besluit van het college van 9 januari 2001 gepubliceerd in het Gemeenteblad van 2001, afdeling 3, volgnummer 24, dan wel de meest actuele variant daarvan (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). f. Het op verzoek van marktpartijen opnemen in erfpachtaanbiedingen van prijsindexatie op basis van de uitgangspunten neergelegd in laatstelijk vastgestelde Grondprijzenbrief (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). g. Het doen van uitgaven ten behoeve van bodemonderzoeken, bodemsaneringen en verwerking van verontreinigde grond tot een maximum van € 1.500.000,== (exclusief BTW) per project, voor zover passend binnen en ten laste van de jaarlijks vast te stellen Stelpost Bodemsanering binnen het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing- en/of het Vereveningsfonds danwel een fonds dat daarvoor in de plaats is getreden (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). h. Het ter uitvoering van het ‘Algemene voorwaarden en Reglement Grondbank Amsterdam’ vaststellen van een tarief voor de acceptatie van diverse schone en verontreinigde grondsoorten (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). i. Het koppelen van gemeentelijke grondexploitatie-projecten welke dekking vinden in het Vereveningsfonds, het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting en/of het ISV, waarbij grond vrijkomt aan projecten waar grond toegepast kan worden en het bepalen van de volgorde van levering indien het voor het hergebruikproject logistiek onmogelijk is om grond van twee of meer toegewezen projecten gelijktijdig te ontvangen (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). j. De bevoegdheid om grond te vorderen welke vrijkomt tijdens de uitvoering van ruimtelijke plannen (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). k. Alle bevoegdheden op grond van het Reglement op het Food Center Amsterdam (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). l. Het beslissen of vanwege de gemeente cassatie zal worden ingesteld, danwel te beslissen dat in cassatie die tegen de gemeente is ingesteld, verweer zal worden gevoerd (artikel 160, eerste lid onder f van de Gemeentewet). m. Het buiten rechte vertegenwoordigen van de gemeente bij het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen met de mogelijkheid (onder)gevolmachtigden aan te wijzen en met recht van substitutie ten behoeve van notarissen en medewerkers van het kantoor van de behandelend notaris (artikel 171, eerste lid van de Gemeentewet). n. Het verzoeken aan een bestuursorgaan om een besluit te nemen (een beschikking te geven) daaronder in ieder geval begrepen het aanvragen van een subsidie, het aanvragen van een vergunning en het aanvragen van een ontheffing (artikel 171, eerste lid van de Gemeentewet). 2. Voorbehouden aan de RVE-manager Grond en Ontwikkeling worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. Het geven van instructies inzake erfpacht met name in het belang van een ordelijke en doelmatige gang van zaken met betrekking tot het betalingsverkeer tussen de bestuurscommissies en de centrale stad, een goede administratie van erfpachten en het beheer van het stedelijk vermogen (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). b. Het vaststellen van de jaarlijkse aanpassingscoëfficiënten erfpachtcanon en schaduwgrondwaarden, de toeslagpercentages en reductiefactoren (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). c. Het vaststellen van de driemaandelijkse canonpercentages erfpacht en het afkooppercentage (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). d. Het nemen van besluiten inzake erfpachtuitgifte waarbij wordt afgeweken van de meest actuele door de Gemeenteraad aanvaarde (bandbreedtes van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.