/akn/nl/act/gemeente/2025/CVDR749100 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0603/2025/2_7 /join/id/stop/work_019 2025-12-05 2025-12-05 /akn/nl/act/gemeente/2025/CVDR749100/nld@2025-12-05 /join/id/proces/gm0603/2025/2_22_nieuweregeling 2025-12-05 2025-12-05 /akn/nl/act/gm0603/2025/2_7/nld@22 /akn/nl/act/gm0603/2025/2_7 /akn/nl/act/gm0603/2025/2_7/nld@22 /join/id/stop/work_019 v1 Warmteprogramma Rijswijk Voorwoord Klimaatverandering raakt ons allemaal, niet alleen morgen maar ook vandaag. De gevolgen zijn wereldwijd zichtbaar en ook in Nederland en Rijswijk merken we steeds vaker de impact. Toegenomen hitte, droogte en wateroverlast zetten onze leefomgeving onder druk. In 2015 is wereldwijd in het Klimaatakkoord van Parijs afgesproken om de opwarming van de aarde te beperken. Nederland heeft deze afspraken wettelijk verankerd in de Klimaatwet. Daarin staat dat we de CO₂-uitstoot fors verminderen. Een onderdeel hiervan is het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Ook in Rijswijk zijn we hiermee aan de slag. Het Warmteprogramma Rijswijk 2025 laat zien hoe we de noodzakelijke stappen zetten en toewerken naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in
- Dat lijkt nog ver weg, maar de opgave is groot en vraagt nu om actie. Om Rijswijk in 2050 aardgasvrij te hebben moeten er ieder jaar gemiddeld meer dan 1100 gebouwen van het gas af. Alleen als we nu keuzes maken en voorbereidingen treffen, kunnen we de doelstelling halen en zorgen voor een betaalbare, betrouwbare en duurzame warmtevoorziening. Voor alle inwoners en ondernemers in Rijswijk. De energietransitie is geen simpele route met één oplossing. Iedere buurt, ieder gebouw is anders. Technische mogelijkheden verschillen, net als bewonerswensen, draagvlak en tempo. Tegelijkertijd moet er rekening worden gehouden met regionale en landelijke ontwikkelingen, zoals het overvolle elektriciteitsnet, toenemende hittestress en veranderende politieke landschappen. Dit programma is gebaseerd op actuele inzichten en een zorgvuldige afweging van technische mogelijkheden en de nationale kosten. Vanuit de participatiebijeenkomsten met inwoners is duidelijk geworden dat de haalbaarheid en de betaalbaarheid belangrijk is voor inwoners om de overstap te maken naar aardgasvrij verwarmen. Deze voorwaarden zijn daarom in dit Warmteprogramma benoemd als randvoorwaarden om aan de slag te gaan. Door nu te starten doen we de komende jaren steeds meer ervaring op. Om deze reden herijken we dit programma elke vijf jaar. Zo blijven we leren en verbeteren. Dit programma voeren we niet alleen uit. Rijk, regio, gemeente, inwoners, maatschappelijke organisaties én ondernemers moeten samen optrekken. Ook werken we intensief samen met onze buurgemeenten en de provincie Zuid-Holland. Want warmte en elektriciteit stopt niet bij de gemeentegrens. Alleen met een gezamenlijke blik op de toekomst kunnen we een efficiënt en betrouwbaar energiesysteem bouwen. We zijn van elkaar afhankelijk en kunnen elkaar verstreken. Laten we daarom gezamenlijk werken aan toekomstbestendig en duurzaam energiesysteem voor het verwarmen van onze gebouwen. Het Warmteprogramma Rijswijk 2025 is meer dan een technisch document. Het is een uitnodiging aan iedereen om mee te denken, mee te doen en verantwoordelijkheid te nemen. Voor een toekomstbestendig, duurzaam en eerlijk Rijswijk. Want samen moeten we zorgdragen voor de aarde waarop we leven, voor onszelf en voor toekomstige generaties. Mark Wit Wethouder Energie en Klimaat Samenvatting Het Warmteprogramma 2025 is de uitwerking van de Transitievisie Warmte 2021 en vormt de lokale invulling van de wettelijke verplichting onder de Omgevingswet en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). Het is de routekaart naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in Rijswijk in
- Dit programma geeft richting aan welke warmteoplossingen de meest passende duurzame warmteoplossing is per wijk, op welk moment de overstap naar aardgasvrij gepland is, en op welke wijze we daarnaartoe werken. De belangrijkste drijvende krachten achter dit programma zijn de klimaatdoelstellingen uit het Klimaatakkoord uit 2019 en de Klimaatwet uit 2023 waarin staat dat in 2050 de gebouwde omgeving volledig aardgasvrij moet zijn. In het klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten de regie voeren op de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Ook de versterkte urgentie die is ontstaan door geopolitieke instabiliteit (bijv. de oorlog in Oekraïne) en de stijgende energieprijzen; energie-onafhankelijkheid zijn belangrijke redenen om aan de slag te gaan met de overstap naar een aardgasvrij verwarmen. Met dit Warmteprogramma geven we handelingsperspectief en informeren we inwoners en ondernemers over alternatieve oplossingen voor het verwarmen van gebouwen en tapwater in de toekomst en het verwachte tijdpad dat daar per gebied bij hoort. We geven inzicht in de afwegingen die zijn gemaakt in de keuze voor een warmteoplossing per buurt en welke stappen er in de komende jaren volgen om uitvoering te geven aan dit programma. Doel van het Warmteprogramma In 2050 moeten alle circa 23.000 gebouwen in Rijswijk die nu nog gebruik maken van aardgas voor het verwarmen van het gebouw en het tapwater, zijn overgestapt op een duurzame warmteoplossing. Het Warmteprogramma beschrijft per buurt de meest passende duurzame warmteoplossing. We voorzien 3 toekomstige warmteoplossingen: a. Een midden temperatuur warmtenet. b. Een (zeer) lage temperatuur warmtenet. c. Of een individuele warmtepomp. Op basis van de verwachte toekomstige warmte- en koelvraag, de kenmerken van gebouwen (zoals ligging en bouwjaar) en belangrijke uitgangspunten, is bekeken welke warmteoplossing per buurt het best passend is. Dit betekent niet dal alle gebouwen in die buurt ook daadwerkelijk die warmteoplossing zullen gebruiken. Er blijft keuzevrijheid om de warmteoplossing te kiezen die hebt beste bij de woning of het pand past. In het onderstaande kaartje is inzichtelijk gemaakt welke warmteoplossing we voor iedere buurt voorzien als alternatief voor aardgas. Figuur 1: Warmtestrategiekaart Uitganspunten Voor het opstellen van dit Warmteprogramma zijn een aantal uitgangspunten opgesteld die richting geven aan de keuzes voor een warmteoplossing per buurt. Deze uitgangspunten zijn: De warmteoplossing moet bijdragen aan de reductie van CO₂-uitstoot. Vanwege de beperkte beschikbaarheid van klimaatneutraal gas, rekenen we hier niet op als toekomstige warmteoplossing voor de gebouwde omgeving. We kiezen zoveel mogelijk voor de warmteoplossing met de laagste nationale kosten. We maken gebruik van lokale energiebronnen die passen in het regionale warmtesysteem. We proberen de belasting van het elektriciteitsnet zoveel mogelijk te beperken. De energietransitie vraagt om een nieuwe (warmte) infrastructuur en uitbreiding van bestaande elektriciteitsnetten. De druk op het elektriciteitsnet neemt toe. Tot 2050 moeten er vele tientallen miljarden euro’s1 in het elektriciteitssysteem worden geïnvesteerd om de stijgende elektriciteitsvraag, met name in de pieken, op te vangen. Eind 2024 heeft TenneT netcongestie afgekondigd voor het hoogspanningsnet in bijna heel Zuid-Holland. Begin 2025 heeft Stedin netcongestie afgekondigd voor het midden en laagspanningsnet dat ook delen van Rijswijk bediend. Door te kiezen voor oplossingen met een kleine capaciteitsvraag voor het elektriciteitsnet, houden we de benodigde investeringen voor uitbreiding van het elektriciteitsnet zo laag mogelijk. [1] Schakelen naar de toekomst – IBO bekostiging elektriciteitsinfrastructuur, Rijksoverheid Randvoorwaarden De overstap van aardgas naar een duurzaam alternatief brengt grote veranderingen met zich mee die iedereen in de stad zal merken. De veranderingen hebben impact op de leefomgeving maar ook op eigendom van onze inwoners en ondernemers. Dit vraagt om een zorgvuldig proces. De gemeente gaat alleen aan de slag als aan de volgende belangrijke voorwaarden is voldaan: Iedereen moet mee kunnen doen in de overstap naar duurzame energie. De overstap vraagt om technische aanpassingen. Het vraagt kennis, tijd en ruimte om alle keuzes die inwoners daarvoor moeten maken te overzien. Hier moet rekening mee worden gehouden in de planvorming. De overstap naar duurzame energie kan alleen plaatsvinden als deze betaalbaar is. Wat de definitie van betaalbaar is, is nog niet duidelijk. Het Rijk is bezig met een uitwerking. Wel is nu al duidelijk dat de overstap geld kost en dat niet iedereen dat kan betalen. Aanvullende financiering vanuit het Rijk is voor deze inwoners nodig om de overstap te maken. Wetgeving is nodig om aan de slag te gaan. Wet- en regelgeving is van belang omdat de energievoorziening een nutsvoorziening is. Om inwoners en ondernemers duidelijkheid te geven en bescherming te bieden, plannen van de gemeenten democratisch te borgen en gemeenten bevoegdheden te geven om uiteindelijk door te kunnen pakken, is wetgeving nodig. Aanpak en uitvoering Om de ambitie aardgasvrije buurten in 2050 te halen, moet er veel gebeuren. Dat betekent dat we nu aan de slag moeten om die doelstelling te halen. De gemeente werkt de komende jaren via drie sporen:
- Energiebesparing We zetten in op energiebesparing met kleine maatregelen, zoals bewustwording en gedrag, en grote maatregelen, zoals woningisolatie. De gemeente biedt advies en ondersteuning aan inwoners en VvE’s om aan de slag te gaan met isolatiemaatregelen. Daarin is er aandacht voor goede ventilatie en mogelijkheden voor het passief koelen van de woning in de zomer.
- Een gefaseerde overstap naar een duurzame warmteoplossing We gaan aan de slag met het opstellen van uitvoeringsplannen. In de uitvoeringsplannen werken we per buurt de overstap naar een duurzame warmteoplossing verder uit. We starten met het opstellen van uitvoeringsplannen voor de buurten in Rijswijk West (Stervoorde, Ministerbuurt, Presidentenbuurt, Hoekpolder, Muziekbuurt, Artiestenbuurt, en de Kleurenbuurt), RijswijkBuiten en Eikelenburg. Met het opstellen van het uitvoeringsplan gaan we ook aan de slag met het uitwerken van de aanwijsbevoegdheid. De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) geeft gemeenten de bevoegdheid om in het Omgevingsplan te bepalen op welk moment een buurt definitief van het aardgas af gaat. Die bevoegdheid wordt de aanwijsbevoegdheid genoemd. De aanwijsbevoegdheid is een grote stap en vraagt om zorgvuldige uitwerking. De inzet ervan is belangrijk om te voorkomen dat de samenleving hoge kosten moet betalen voor het in stand houden van een aardgasnetwerk voor een klein aantal gebouwen. Voor de buurten waar een midden temperatuur warmtenet als oplossing is voorzien, gaan we aan de slag met het aanwijzen van een warmtekavel. Vanuit de Wet collectieve warmte krijgen gemeente de bevoegdheid om gebieden aan te wijzen waar een warmtebedrijf het warmtenet aanlegt en exploiteert. Dit gebied heet een warmtekavel. De verwachting is dat het gebied van Rijswijk-West één warmtekavel is (rode gebied op onderstaande kaartje). Figuur 2: kavelkaart
- Doelmatige inrichting van het energiesysteem Voor de inrichting van een doelmatig energiesysteem werken we in de Regionale Energiestrategie (RES) Rotterdam Den Haag met omliggende gemeenten en alle andere betrokkenen (zoals Stedin, WarmtelinQ, aardwarmtebedrijven, warmtebedrijven en provincie), samen aan een eindbeeld waarin de warmtevraag en het warmteaanbod op elkaar is afgestemd. Begrippenlijst
- Inleiding Inleiding Dit is het Warmteprogramma Rijswijk
- Dit Warmteprogramma volgt de Transitievisie Warmte Rijswijk 2021 op. De warmtetransitie is één van de grootste maatschappelijke opgaven van deze tijd. Het Warmteprogramma beschrijft op welke manier de gemeente, samen met de inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners, verhuurders, corporaties, investeerders in utiliteit werkt aan het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving in Rijswijk. Het programma gaat in op de wijze, de volgorde en in welk tempo wordt toegewerkt naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. 1.1 Aanleiding In het klimaatverdrag van Parijs
(2015)is afgesproken dat 197 landen zich inzetten om de opwarming van de aarde te beperken met 1,5 tot maximaal 2 °C. Nederland heeft de doelen van het klimaatverdrag vertaald in een Klimaatakkoord
(2019)2 en de Klimaatwet
(2023)3. De klimaatdoelen zijn niet vrijblijvend en zijn wettelijk geborgd. Dit geeft een verplichting. Het belangrijkste doel van het Klimaatakkoord is om de CO₂-uitstoot terug te brengen. De doelen zijn verdeeld over 5 sectoren: mobiliteit, elektriciteit, landbouw, industrie en de gebouwde omgeving. Figuur 3: Het Klimaatakkoord [2]https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/klimaatverandering/documenten/rapporten/2019/06/28/klimaatakkoord [3] https://wetten.overheid.nl/BWBR0042394/2020-01-01 In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 alle woningen en gebouwen in Nederland van het aardgas af moeten zijn. Als tussentijds doel is gesteld dat in 2030 de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd moeten zijn. In het Klimaatakkoord is vastgelegd dat gemeenten de regie hebben in de overstap naar aardgasvrije buurten. In het Warmteprogramma beschrijven gemeenten hoe ze werken aan het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Een geheel andere aanleiding is dat we minder energieafhankelijk willen zijn van andere landen. Sinds het sterk verminderen van de gaswinning in Groningen is onze afhankelijkheid van import de laatste jaren opgelopen. Door de oorlog in Oekraïne
(2022)en de daarmee stijgende energieprijzen is ook het thema energieonafhankelijkheid van belang geworden binnen de opgave van de energietransitie. Een betrouwbare, betaalbare en duurzame energievoorziening vraagt om lokale oplossingen en is cruciaal voor inwoners en bedrijven. Het is van groot belang om voldoende zekerheid te hebben over de beschikbaarheid van energie. Nu en in de toekomst. Juist in een onzekere wereld waarin geopolitieke ontwikkelingen elkaar snel opvolgen. Nederland is voor energie bijna 80% afhankelijk van import. Dat is in historische zin hoog
- Tegelijkertijd weten we ook dat we als Nederland niet zelfvoorzienend kunnen zijn. Import blijft nodig. De kern van energieonafhankelijkheid is dan ook het voorkomen van risicovolle afhankelijkheden van andere landen. Dit programma biedt daarvoor het handelingsperspectief: het geeft richting, tempo en prioriteit aan de uitvoering van de warmtetransitie in Rijswijk. [4] Bron: https://www.ebn.nl/wp-content/uploads/2025/01/EBN-Infographic-2025.pdf, geraadpleegd 22-04-2025 1.2 Doelstellingen Het Warmteprogramma wordt opgesteld om: Een stappenplan vast te stellen, zodat het voor de gemeentelijke organisatie, woningcorporaties, de netbeheerder, regiogemeenten, ondernemers en inwoners duidelijk is wat de route is voor verdere uitvoering. Het Warmteprogramma biedt een helder (handelings)perspectief. Inzicht te geven in de afwegingen die tot bepaalde keuzes of besluiten hebben geleid en daarmee de besluitvorming transparant te maken. De borging van een zorgvuldige en transparante besluitvorming is een juridische verplichting (vanuit de Omgevingswet en de Bgiw), maar ook belangrijk voor het draagvlak en het vertrouwen in de overheid. Inwoners en ondernemers te informeren over hoe het overstappen van gas naar een duurzame energiebron voor het verwarmen van gebouwen er mogelijk, met de kennis van nu, uit gaat zien. Het laat ook zien welke alternatieve warmtebronnen beschikbaar zijn en het best passend zijn voor iedere wijk en wanneer wij verwachten per gebied te starten. 1.3 Wat wordt beschreven in dit Warmteprogramma? In 2021 hebben we de voorloper van dit Warmteprogramma geschreven: ‘De Transitievisie Warmte Rijswijk 2021’. De Transitievisie Warmte (TvW) beschrijft in grote lijnen de route naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in
- Dit Warmteprogramma beschrijft wat de verwachtingen zijn voor het realiseren van een aardgasvrije omgeving in 2050 en wat we gaan doen om dit doel te bereiken: We beschrijven de uitgangspunten en ontwikkelingen voor warmte en elektriciteit binnen Rijswijk. We beschrijven de uitdaging en vergelijken hierin de huidige situatie met de verwachte ontwikkelingen rondom warmte en elektriciteit om aan te geven hoe we tot een passende warmteoplossing komen. We beschrijven per buurt welke alternatieve warmteoplossing we voorzien. Dit is de warmteoplossing met de laagste nationale kosten. Bewoners houden het recht voor om een eigen individuele warmteoplossing aan te leggen, mits deze minimaal even duurzaam is. We beschrijven voor elke buurt in Rijswijk binnen welke periode we welke stappen willen gaan zetten en welke gevolgen dit gaat hebben. Ten slotte beschrijven we het proces hoe we tot de totstandkoming van het warmteprogramma zijn gekomen.
- De opgave De opgave De ambitie is dat in 2050 alle gebouwen in Rijswijk aardgasvrij zijn. In Rijswijk is nu ruim 80% van de woningen en bedrijven (circa 23.000 gebouwen)5 nog aangesloten op het aardgasnet voor verwarming van het gebouw. Slechts enkele gebouwen gebruiken aardgas voor een ander doel dan verwarmen van dit gebouw. In dit hoofdstuk schetsen we de energievraag in Rijswijk. We hebben in beeld gebracht welke en hoeveel energie gebruikt wordt voor het verwarmen van gebouwen. Dit noemen we de warmtevraag. Het verwarmen van gebouwen gebeurt nu nog hoofdzakelijk met aardgas, maar zal in de toekomst steeds meer met andere energiebronnen zijn. In dit hoofdstuk kijken we daarom naar de energievraag, waaronder de vraag naar aardgas en elektriciteit. We brengen in kaart hoe de energievraag in de gebouwde omgeving zich ontwikkelt en wat dat betekent voor de opdracht om de gebouwde omgeving aardgasvrij te maken. [5] Aantallen aardgasaansluitingen op wijk- en buurtniveau, 2022 | CBS 2.1 Energievraag Als we kijken naar het energieverbruik van gebouwen dan maken we een onderscheid in woningen en utiliteitsgebouwen (alle panden die geen woonfunctie hebben). Voor beide is op basis van CBS-data een analyse gedaan naar het energieverbruik en de verduurzamingsmaatregelen van de afgelopen jaren (2014- 2023). Cijfers op een rij In 2023 had Rijswijk circa 28.000 woningen die in totaal een warmtevraag hadden van circa 761.000 GJ. De elektriciteitsvraag geleverd van het elektriciteitsnet aan alle woningen was circa 63.800 MWh. Circa 23.000 gebouwen gebruiken aardgas. De bruto vloeroppervlakte van de utiliteit in 2023 in Rijswijk was circa 2.505.000 hectare. De elektriciteitsvraag geleverd via het elektriciteitsnet aan utiliteit was circa 125.000 MWh. De energievraag van woningen en utiliteitsgebouwen is de afgelopen jaren gedaald. De vraag naar aardgas van Rijswijkse huishoudens tussen 2014 en 2023 is afgenomen met 29,25%. In Rijswijk is de elektriciteitsvraag van huishoudens tussen 2014 en 2023 met 13,3% toegenomen. Dit komt primair door nieuwbouw. De energievraag van de utiliteitsbouw in Rijswijk is significant afgenomen. De elektriciteitsvraag is tussen 2014 en 2023 met 19% afgenomen. De vraag naar aardgas is zelfs met 37,5% afgenomen. . In totaal is de energievraag van de gebouwde omgeving tussen 2014 en 2023 met circa 22,5% afgenomen. In 2023 en 2024 heeft 1 op de 59 woningen in Rijswijk een warmtepomp geïnstalleerd. In Nederland was dat 1 op de 32 woningen. Een verklaring hiervoor is dat Rijswijk veel appartementen heeft. Appartementen bieden vaak geen ruimte voor de installatie van een warmtepomp. In Rijswijk bestaat 71% van de woningen uit appartementen. Voor heel Nederland is dat 37%. De snelheid waarmee woningen worden geïsoleerd in Rijswijk ligt in lijn met het landelijke gemiddelde. De opwek van zonne-energie op utiliteitsgebouwen in Rijswijk is minder dan het gemiddelde voor Nederland. Verhoudingsgewijs liggen er per m² tien keer minder zonnepanelen in Rijswijk in vergelijking met Nederland. Verklaring hiervoor is dat Rijswijk veel huurpanden en veel hoogbouw heeft met bijbehorende schaduwwerking. Uit de analyse blijkt dat de energievraag van gebouwen de afgelopen tijd is gedaald. De verwachting is dat de energievraag ook in de komende jaren blijft dalen. Dit komt door met name door: isolatie; gedrag; stijging van de buiten temperatuur. De ontwikkeling van de energievraag is van belang om te weten welke alternatieve warmteoplossing tegen de minst maatschappelijke kosten mogelijk is in een wijk. Isolatie Isolatie is een goede manier om de warmtevraag op een duurzame manier te verminderen. We zien dat steeds meer woningen in Rijswijk beter geïsoleerd zijn. De snelheid waarmee woningen in de afgelopen jaren zijn geïsoleerd in Rijswijk ligt in lijn met het landelijke gemiddelde. De verwachting is dat ook de komende jaren de mate van isolatie in de pas blijft lopen met het landelijke gemiddelde. Gedrag Inwoners zijn, met name door stijgende kosten, bewuster geworden van hun verbruik van energie. We zien dat inwoners hun gedrag aanpassen om het verbruik van energie te verminderen. Voorbeelden hiervan zijn alleen het verwarmen van ruimtes waar ook daadwerkelijk iemand aanwezig is, de verwarming minder hoog zetten of ‘s avonds eerder uitzetten. Ook korter douchen heeft een direct verlagend effect op het aardgasverbruik. Het aardgasverbruik is in 2022 en 2023 sterk gedaald, met name door bewuster gedrag. De hoge energieprijzen leiden in sommige gevallen tot energiearmoede, waardoor inwoners niet stoken of slechts tot 15°C. Een deel van de daling van de energievraag zal permanent zijn. We verwachten echter wel dat een terugvallende beweging in gedrag in de loop van de tijd te zien. Dit effect is sterk afhankelijk van de prijsontwikkeling van energie. Stijging buitentemperatuur De jaarrond gemiddelde temperatuur in Nederland neemt, volgens het KNMI6, ieder decennium toe met 0,4°C. Met name de winters zijn minder koud. Dit zorgt er volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) voor dat de warmtevraag tussen 2024-2030 gemiddeld met 3% zal afnemen. De verwachting is dat ook na 2030 de buitentemperatuur blijft stijgen. We houden in onze modellen een conservatieve aanname van een daling van de energievraag met 2,25% tot 2050 door klimaatverandering. [6] KNMI - Klimaat van Nederland, via URL https://www.knmi.nl/klimaat. 2.2 Warmtevraag 2023-2035 Het komende (ruime) decennium (2024-2035) zal de warmtevraag afnemen. De verwachting is dat de warmtevraag zal afnemen door energiebesparende maatregelen, een hogere buitentemperatuur en herontwikkeling van gebieden. De verwachting is dat de warmtevraag in Rijswijk daalt van 1.218 TJ in 2023 naar 1.062 TJ in 2030 en 1.000 TJ in
- Dit staat gelijk aan een daling van circa 19%. Hiermee lopen we iets voor op de landelijke trend. Dit komt onder andere door de herontwikkeling van de Boogaard Stadscentrum en de Plaspoelpolder waar veel oudere gebouwen compleet gerenoveerd en geëlektrificeerd worden. Als we specifiek kijken naar de bestaande woningbouw dan daalt de warmtevraag van 761 TJ in 2023 naar 643 TJ in
- Dit staat gelijk aan een daling van 15,5% (een afname van 1,4% per jaar), wat in lijn ligt met de landelijke warmtevraagdaling in de gebouwde omgeving, volgens de Klimaat- en Energieverkenning 2024 van het PBL. De daling van de warmtevraag is wel mede afhankelijk van de prijs van energie. Als de energieprijs relatief goedkoper wordt, zal dit het gedrag van inwoners beïnvloeden. Figuur 4 daling van de warmtevraag in Rijswijk in TJ 2.3 Warmtedichtheid per wijk In deze paragraaf brengen we de warmtedichtheid per buurt in beeld
- De warmtedichtheid laat zien hoeveel vraag er naar warmte is per hectare. De warmtedichtheid wordt hoger als de warmtevraag per woning groot is en als er veel woningen op één hectare staan. In de onderstaande kaarten is te zien hoe de warmtedichtheid zich ontwikkelt van 2023 naar
- In deze kaarten is de toekomstige warmtevraag waarvoor een alternatieve warmteoplossing nodig is, meegenomen. Dat wil zeggen dat we rekening hebben gehouden met de herontwikkeling van gebieden zoals de gebiedsontwikkeling Havenkwartier (in de Plaspoelpolder), gebiedsontwikkeling Kessler Park (in de Plaspoelpolder) en gebiedsontwikkeling Bogaard stadscentrum (in de Artiestenbuurt). De toekomstige warmtevraag van deze gebieden is niet meegenomen omdat de warmtevraag met de herontwikkeling al wordt ingevuld. [7] Onderbouwing huidige en toekomstige warmte- en elektriciteitsvraag Rijswijk, Mentink Procesmanagement,
- Figuur 5: Warmtedichtheidskaarten 2023-2035 In alle buurten is er sprake van een daling van de warmtevraag alleen al doordat winters minder streng worden. In buurten met oude woningen die slecht geïsoleerd zijn, is met isolatiemaatregelen nog veel winst te behalen in het verminderen van de warmtevraag. De verwachting is dat de daling van de warmtevraag in deze buurten groter zal zijn in vergelijking met andere buurten. Dat is te zien bij Cromvliet, Oud-Rijswijk en Leeuwendaal. Ook in buurten waar veel woningen op een klein oppervlak staan, is de daling relatief groot. In deze buurten kunnen we ook aan de hand van de isolatieplanning van de corporaties een goede inschatting maken van de verwachte daling. Dit is bijvoorbeeld te zien in de Artiestenbuurt en Stervoorde. 2.4 Toenemende elektriciteitsvraag en netcongestie Ondanks de dalende warmtevraag zal de elektriciteitsvraag in Rijswijk toenemen. Deze toename wordt veroorzaakt door de groei van elektrische voertuigen en de daarbij behorende laadinfrastructuur, de toename van warmtepompen om de warmtevraag in te vullen, koken op inductie en de aanzienlijke toename van het aantal woningen in Rijswijk. Tussen 2023 en 2035 stijgt de vraag naar elektriciteit voor huishoudens in zijn totaliteit met circa 33%. De groei van de elektriciteitsvraag zorgt nu al voor toenemende druk op het elektriciteitsnet, met name in de piekuren (16:00–21:00 uur) en ook in de wintermaanden wanneer de vraag groot is en er geen eigen of lokale opwek van duurzame elektriciteit plaatsvindt. De gemeente Rijswijk wordt, net als de rest van Zuid-Holland, geconfronteerd met netcongestie. Stedin (regionaal netbeheerder) en TenneT (landelijk elektriciteitsnetwerk) hebben beide aangegeven dat er onvoldoende capaciteit is om nieuwe grote aansluitingen of verzwaringen van bestaande grote aansluitingen te realiseren. Deze situatie belemmert de voortgang van de energietransitie. Zonder forse investeringen en slimmere oplossingen zoals energiemanagement, energiehubs, lokale opslag of vraagsturing zullen veel plannen vertraging oplopen. Ook nieuwe wet- en regelgeving en tarifering zijn noodzakelijk om het gebruik van het elektriciteitsnetwerk in met name de pieken (afname en invoeden) niet over te belasten. In onderstaand figuur is een inschatting gemaakt voor de ontwikkelingen van het elektriciteitsverbruik richting de toekomst bij ongewijzigd beleid. Daaruit komt het onderstaande beeld naar voren. Figuur 6: stijging totale electriciteisvraag Rijswijk De groei van het elektriciteitsverbruik door woningen komt vooral door nieuwbouw en deels doordat woningen een warmtepomp installeren. De groei wordt nog enigszins geremd omdat huishoudelijke apparaten steeds energiezuiniger worden. Het verbruik door de utiliteit daalt met name doordat apparatuur energiezuiniger wordt. De inschatting is dat deze daling sterker is dan de groei van warmtepompen bij utiliteit. Zoals eerder gesteld houden we wel rekening met een sterke groei van elektrisch vervoer en de daarbij behorende laadinfrastructuur. Dit maakt dat de totale vraag naar elektriciteit stijgt.
- Kaders Kaders In dit hoofdstuk beschrijven we de kaders voor het Warmteprogramma. Eerst schetsen we het beleidskader vanuit de Omgevingsvisie Rijswijk, de regionale ontwikkelingen en vervolgens de landelijke ontwikkelingen. . 3.1 Omgevingsvisie In maart 2025 is de Omgevingsvisie Rijswijk vastgesteld. De Omgevingsvisie is een vooruitblik naar Rijswijk in de toekomst
(2050). Het beschrijft op welke wijze we de fysieke leefomgeving willen inrichten om de kostbare ruimte goed te benutten met aandacht voor de kwaliteit. De Omgevingsvisie Rijswijk stelt kaders voor het Warmteprogramma. In de Omgevingsvisie Rijswijk staat het volgende opgenomen: We werken aan een aardgasvrije gebouwde omgeving in
- We zetten enerzijds in op het besparen van energie en anderzijds op de overstap naar duurzame energie voor het verwarmen van gebouwen. We streven naar een efficiënt energiesysteem om de ruimtevraag boven en onder de grond zo klein mogelijk te houden. Bij de keuze voor nieuwe manieren van verwarmen houden we rekening met de beschikbare warmtebronnen, de druk op het elektriciteitsnet en de toekomstige vraag naar koeling. We gaan alleen in buurten aan de slag met een warmtenet wanneer dit betaalbaar is voor inwoners. De beoogde locatie voor aansluiting van het lokale warmtenet op WarmtelinQ, een geothermiebron en het hoge temperatuur opslag (HTO) is het Kruisvaarderspark. 3.2 Regionale ontwikkelingen RES Rotterdam – Den Haag Rijswijk werkt samen aan de energietransitie in de Energieregio Rotterdam-Den Haag. In 2021 hebben we de Regionale EnergieStrategie Rotterdam-Den Haag 1.0 (RES 1.0) vastgesteld. De energieregio Rotterdam-Den Haag is een dichtbevolkte regio met een grote warmte- en elektriciteitsvraag. In de regio wonen meer dan 2,3 miljoen mensen. Daarnaast heeft de regio veel glastuinbouw en de Rotterdamse haven. Door deze hoge dichtheid is er beperkt ruimte voor het opwekken van duurzame energie. De energietransitie kost ruimte. Niet alleen boven de grond maar ook in de (diepe) ondergrond. Ruimte is in onze regio schaars en de ruimtelijke claims vanuit andere beleidsvelden zijn groot. In onze energieregio voorzien we een regionaal warmtesysteem waarin warmte van geothermiebronnen en restwarmte uit het havengebied worden ontsloten voor gemeenten. In de regio werken we aan een Toekomstbeeld Warmte. We doen dit omdat het mogelijk is om warmtenetten in deze hoog verstedelijkte regio met veel tuinbouw tegen de laagste nationale kosten te realiseren. We hebben ook voldoende duurzame warmtebronnen in de regio. Daar komt bij dat het grootschalig elektrificeren van de warmtevraag in onze regio niet voor de hand ligt, omdat er weinig ruimte is om grootschalig elektriciteit op te wekken en te transporteren, en het elektriciteitsnet zit nu al vol. Vanuit de Regionale EnergieStrategie 1.0 zijn de volgende kaders meegegeven om uit te werken binnen de gemeentelijke programma's: Inzetten op energiebesparing, isoleren en verwarmen met lage(re) temperatuur. Benut de beschikbare rest- en aardwarmte en een toekomstbestendige energiemix. Samenwerken aan een optimale regionale warmtestructuur met de laagste nationale kosten. Gezamenlijk werken aan een regionaal warmtesysteem waarin warmte van geothermiebronnen en restwarmte uit het havengebied worden ontsloten voor gemeenten om zo optimaal mogelijk te profiteren van een robuust en toekomstbestendig regionaal warmtesysteem. Dit is het Toekomstbeeld Warmte. Gezamenlijk optrekken om te komen tot passende wet- en regelgeving en financiële instrumenten om de randvoorwaarden voor de overstap op een duurzame warmteoplossing te borgen. We werken actief met onze buurgemeenten samen om het toekomstbeeld verder uit te werken. Om deze reden is bij het opstellen van dit Warmteprogramma tussentijds contact gezocht met de buurgemeenten zodat onze plannen elkaar versterken en niet onbedoeld tegenwerken. Nationaal en provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (nMIEK en pMIEK) De energietransitie vraagt om grootschalige uitbreiding van het elektriciteitsnet en een nieuwe energie-infrastructuur. Deze ontwikkelingen vragen niet alleen afstemming op regioniveau maar zelfs op provinciaal en landelijk niveau. De Meerjarenprogramma’s Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK), op nationaal (nMIEK) en provinciaal niveau (pMIEK) bieden inzicht in welke projecten moeten gebeuren om de energietransitie vorm te geven. De MIEKen zijn overigens geen visie, maar een opsomming van lopende projecten met een nationaal of provinciaal belang. Het warmtesysteem Zuid-Holland heeft een nMIEK (nationaal belang) status waardoor ook landelijke partijen een bijdrage moeten leveren aan de uitrol van het hoofdtransportleidingnet (bijvoorbeeld WarmtelinQ) in Zuid-Holland. Zowel het nMIEK als het pMIEK leggen keuzes vast over belangrijke energie-infrastructuurprojecten, zoals warmtetransportleidingen, hoogspanningsleidingen, waterstofleidingen en transformatorstations. Deze projecten zijn essentieel voor de verduurzaming van de energievoorziening. De programma’s zijn ontworpen om projecten te integreren die van maatschappelijk belang zijn. Dit houdt in dat gemeenten, provincies en netbeheerders samenwerken om de energie-infrastructuur af te stemmen op lokale en regionale behoeften. We zijn actief betrokken bij het vormgeven van het pMIEK en nMIEK. We leveren input en zorgen ervoor dat lokale belangen worden meegenomen in de besluitvorming. 3.3 Het elektriciteitsnet De energietransitie vraagt om een nieuwe (warmte)infrastructuur en uitbreiding van bestaande elektriciteitsnetten. Tot 2050 moeten er vele tientallen miljarden euro’s8 in het elektriciteitssysteem worden geïnvesteerd om de stijgende elektriciteitsvraag, met name in de pieken, op te vangen. Het elektriciteitsnet bestaat grofweg uit drie niveaus: het hoogspanningsnet, het middenspanningsnet en het laagspanningsnet. Deze niveaus kan je vergelijken met het wegennet dat bestaat uit rijkswegen, provinciale wegen en lokale wegen. De verschillende niveaus worden met elkaar verbonden via een station of een transformatorhuisje. In onderstaande afbeelding is dit in beeld gebracht. Voor de oplossing van de overbelasting van het elektriciteitsnet moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden van de verschillende niveaus. [8] Schakelen naar de toekomst – IBO bekostiging elektriciteitsinfrastructuur, Rijksoverheid Afbeelding 7: Vereenvoudigde weergave van het elektriciteitsnet Bron: Kennisplatform Elektromagnetische velden, https://www.kennisplatform.nl/uit-welke-onderdelen-bestaat-het-elektriciteitsnetwerk/ . Zowel het regionale elektriciteitsnet van onze regionale netbeheerder Stedin als het landelijke hoogspanningsnet van TenneT worden op dit moment maximaal belast. Dit leidt tot netcongestie. Netcongestie betekent letterlijk: file op het elektriciteitsnet. Het treedt op als de volledige capaciteit van het net is bereikt. Netbeheerders kunnen hierdoor niet meer altijd de groeiende vraag naar stroom blijven leveren. Tennet heeft eind 2024 netcongestie afgekondigd voor bijna geheel Zuid-Holland en aangegeven dat dit minimaal tot 2032 duurt. Begin 2025 is ook netcongestie afgekondigd op het midden- en laagspanningsnet van Stedin in delen van Rijswijk, met name in en rondom Oud-Rijswijk. De verwachting is dat de komende decennia netcongestie daarom een grote uitdaging blijft. Het PBL heeft in samenwerking met Netbeheer Nederland een beeld opgesteld van de capaciteitsvraag van de verschillende warmteopties. Daarin is de gevraagde capaciteit van een woning die verwarmd wordt met een elektrische warmtepomp meer dan twee keer zo groot als die van een woning die verwarmd wordt met warmte uit een midden temperatuur warmtenet. Dit beeld kan op lokaal niveau veranderen, maar geeft wel een algemeen beeld van het verschil in de capaciteitsvraag die verschillende warmteopties met zich meebrengen. Figuur 8: Aansluitwaarde elektriciteitsnet per warmteoplossing Door gebouwen te isoleren neemt de warmtevraag af. In gebouwen met een hoger energielabel is de temperatuur meer constant. Het verwarmen of koelen van deze gebouwen vraagt minder energie. Omdat iedereen veelal op dezelfde momenten hun huis verwarmt of koelt, namelijk in de ochtend en aan het einde van de dag, is er sprake van piekmomenten in de vraag naar energie. Dit geldt zowel voor warmtebronnen als voor elektriciteit van het net. Vooral deze piekmomenten leveren problemen op. Met isolatie en een meer constante temperatuur worden piekmomenten verminderd. (Lokale) energieopslag kan de piekvraag op de dag ook verminderen. Seizoensopslag is belangrijk om de piekvraag en het aanbod van energie over de dag en het jaar heen met elkaar in balans te brengen. Ook slimme aansturing van apparaten kan daarbij helpen. Bijvoorbeeld met ‘slim laden’ waarbij elektriciteit voertuigen opladen op het moment dat er veel stroom beschikbaar is en afschalen met laden wanneer er veel vraag is. Figuur 9: Netbewuste ontwerpprincipes 3.4 Klimaatneutraal gas In de vorige versie van het Warmteprogramma (Transitievisie Warmte Rijswijk 2021) werd groen gas of waterstof nog als optie genoemd voor het verwarmen van de gebouwde omgeving. Daarbij werd al aangegeven dat groen gas en waterstof een kleine rol zouden spelen. In de brief van 20 juli 2023 heeft de toenmalig minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gemeenten verzocht om groen gas en waterstof niet als toekomstige warmteoplossing op te nemen in het Warmteprogramma. De reden hiervoor is de beperkte beschikbaarheid van beide gassen. In dit Warmteprogramma volgen we deze lijn.
- Toekomstige warmteoplossingen Toekomstige warmtepolossingen Het verwarmen van gebouwen zonder gebruik te maken van aardgas kan met verschillende technieken. Er bestaat niet één warmteoplossing die passend is voor alle gebouwen. De manier waarop gebouwen in Rijswijk in de toekomst worden verwarmd zal een combinatie zijn van verschillende warmteoplossingen en warmtebronnen. Hieronder volgt een toelichting op de verschillende warmteoplossingen. Daarin onderscheiden we twee vormen: Een oplossing waarbij het gebouw is aangesloten op een collectief warmtenet. Een individuele oplossing. 4.1 Een warmtenet Een warmtenet is een ondergronds leidingnetwerk waarmee warm water van een warmtebron naar woningen wordt gebracht. Het netwerk bestaat uit een aanvoerleiding met warm water en een retourleiding die het afgekoelde water weer terugbrengt. In de woning wordt de warmte via een afleverset overgedragen op het centrale verwarmingssysteem (voor radiatoren, convectoren en vloerverwarming) en het tapwater (voor de kraan en douche). Om een bestaande woning op een warmtenet aan te sluiten, moet je een aantal aanpassingen in de woning doen. Zo staat de cv-ketel nu meestal op zolder, maar komen de warmtenetleidingen binnen op de begane grond. Ook moet in de woning ruimte zijn voor het plaatsen van een afleverset. Figuur 10: OVerzicht warmtenet Afbeelding afkomstig van: Greenvis Warmtenetten kunnen op meerder temperaturen warmte leveren: Hoge temperatuur warmtenetten bevatten water met een temperatuur boven de 70° Celsius. Deze warmtenetten worden gebruikt voor gebouwen die een hoge temperatuur warmte nodig hebben, bijvoorbeeld in bedrijven voor een productieproces of zeer slecht geïsoleerde gebouwen. Een midden temperatuur warmtenet bevat water met een temperatuur van 50° tot 70° Celsius. Vrijwel alle woningen kunnen met een temperatuur van 70° Celsius goed verwarmd worden. Met deze temperatuur kan ook direct het tapwater verwarmd worden. Tapwater moet verwarmd worden tot minimaal 60° Celsius, om legionella in tapwater te voorkomen. Warmtenetten met een lage temperatuur (20° - 50° Celsius) of zeer lage temperatuur (<20° Celsius) zijn geschikt voor woningen of panden die goed geïsoleerd zijn en waar het verwarmingssysteem zo is ingericht dat de ruimte verwarmd kan worden met een lage temperatuur. Om het tapwater te verwarmen naar een hoge temperatuur is een warmtepomp of elektrische boiler nodig. Een laagtemperatuur warmtenet wordt vaak gebruikt in nieuwbouwbuurten of op bedrijventerreinen, omdat deze gebouwen naast de vraag naar warmte in de winter ook behoefte hebben aan koeling in de zomer. Een warmtenet kan gevoed worden vanuit verschillende bronnen. Hieronder volgt een toelichting over de verschillende bronnen voor een warmtenet. Restwarmte vanuit WarmtelinQ WarmtelinQ is een transportleiding die loopt van de Rotterdamse haven, door Rijswijk, naar Den Haag. In de Rotterdamse haven komt bij productieprocessen veel warmte vrij die niet gebruikt wordt. Zonder aansluiting op een warmtenet wordt deze warmte geloosd. Deze warmte wordt afgevangen en via WarmtelinQ naar gemeenten in de regio gebracht om woningen en bedrijven te verwarmen. WarmtelinQ heeft in Rijswijk een zogenoemd T-stuk. Op dat stuk kan de warmte via een hoofdafnamepunt worden overgebracht op lokale transportleidingen die de warmte naar de wijk vervoeren. Met een warmteoverdrachtstation in de wijk wordt de warmte vervolgens overgedragen op het warmtenet waar de woningen op zijn aangesloten. Geothermie Geothermie is aardwarmte uit de diepe ondergrond vanaf 500 meter. Afhankelijk van de diepte kan aardwarmte een warmtenet voorzien van warmte met een temperatuur van ongeveer 70-90 °C. In Rijswijk is op een diepte van 2200 meter ongeveer 85°C te halen. Een geothermiebron bestaat uit twee putten, een invoerleiding en een retourleiding. De invoerleiding pompt warm water uit de bodem omhoog. De warmte uit dit water wordt via een warmteoverdrachtstation overgezet naar de lokale transportleiding die de warmte naar de wijk vervoert. Het (afgekoelde) water dat terugkomt uit de wijk wordt met de retourleiding in de aarde teruggebracht. In Rijswijk is voldoende aardwarmte beschikbaar om een bron aan te boren die ongeveer 12.500-15.000 woningen kan voorzien van duurzame warmte. Bodemenergie Bodemenergie komt uit de ondiepe ondergrond tot 500 meter diep. Bodemenergie kent twee varianten: een open systeem en een gesloten systeem (zie onderstaande afbeelding). Het open systeem wordt ook wel warmte-koude-opslagsysteem (WKO) genoemd. In het open systeem wordt grondwater uit de bodem omhoog gepompt. Via een warmtewisselaar wordt de warmte uitgewisseld met het lokale warmtenet of direct met het verwarmingssysteem van het gebouw. Als het grondwater zijn warmte heeft afgegeven dan wordt het teruggebracht in de bodem. Bij een gesloten bodemenergiesysteem stroomt er water via een gesloten leidingstelsel door de bodem. De leiding en het water dat daardoorheen stroomt worden in de bodem opgewarmd, zonder dat er grondwater omhoog wordt gepompt. Figuur 11: OVerzicht WKO systemen De warmte uit het grondwater wordt via een warmtewisselaar in de woning overgedragen op het verwarmingssysteem. De warmtewisselaar is vaak onderdeel van de warmtepomp omdat een warmtepomp nodig is om het tapwater te verwarmen tot minimaal 55°-60° C. De ondergrond in Rijswijk is geschikt voor het gebruik van bodemenergiesystemen. De verwachting is dat in twee gebieden in Rijswijk de vraag naar bodemenergie in de toekomst groot zal zijn: Bogaard stadscentrum en de Plaspoelpolder. Als bodemenergiesystemen te dicht op elkaar staan, dan kunnen ze een negatief effect hebben op elkaar. Bijvoorbeeld omdat er te veel warm water wordt opgepompt en te veel koud water teruggebracht in een klein gebied. Om dit te voorkomen heeft de gemeente samen met de provincie Zuid-Holland regels opgesteld over de installatie van open bodemenergiesystemen. Deze regels zijn opgenomen in het Omgevingsplan. Aquathermie Bij aquathermie wordt warmte of koude gehaald uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA), riool (RIO-thermie) of drinkwater (TED). Deze bron heeft een lage temperatuur, vaak onder de 20° C. De warmte van deze bron moet in het gebouw daarom met een warmtepomp worden verhoogd tot de geschikte temperatuur voor ruimteverwarming en verwarming van het tapwater. Door de lage temperatuur biedt deze bron ook de mogelijkheid om gebouwen in de zomer te koelen. Warmtepomp of Zeer lagetemperatuur warmtenet 4.2 Individuele warmtepomp Woningen en gebouwen kunnen ook zelfstandig verduurzaamd worden met een warmtepomp. Er zijn drie verschillende warmtepompen: lucht-lucht warmtepomp, lucht-water warmtepomp, water-water warmtepomp. Een warmtepomp maakt gebruik van bronnen (de buitenlucht of bodemenergie) met een lage temperatuur. Daarom zijn deze systemen geschikt voor woningen en bedrijfspanden die goed geïsoleerd zijn en waarvan het verwarmingssysteem een groot oppervlak heeft voor de afgifte van warmte. Een lucht-lucht warmtepomp is vergelijkbaar met een aircosysteem, alleen werkt het proces andersom. De warmtepomp onttrekt warmte of koeling uit de buitenlucht en draagt dit over aan de lucht in het gebouw. Er zijn lucht-lucht warmtepompen en airco’s die het proces beide kanten op kunnen, dus zowel kunnen verwarmen in de winter, als koelen in de zomer. Het afgiftesysteem (de lucht) heeft een groot oppervlak en daarom kan dit systeem effectief koelen en verwarmen. Daartegenover staat dat dit beperkt blijft tot de ruimte waar de warmte/koeling aan de lucht wordt afgegeven. De lucht-water warmtepomp onttrekt warmte of koeling uit de lucht en draagt dit over op het water in het verwarmingssysteem en tapwater. Dit maakt de warmtepomp interessant voor woningen, omdat dit aansluit bij het huidige verwarmingssysteem van veel woningen dat de warmte afgeeft via radiatoren of vloerverwarming. Daarbij geldt dat de afgifte effectiever wordt naarmate de oppervlak groter is. Een water-water warmtepomp onttrekt warmte of koeling uit water. Dat kan zijn vanuit een collectieve bron of een eigen individuele bron. Meestal is de bron in Rijswijk de ondergrond. De water-water warmtepomp heeft in dat geval een pijp die circa 100 meter diep de bodem in gaat en waar water doorheen loopt dat opwarmt of afkoelt in de bodem. Dit noemen we ook wel een WKO-systeem (warmte-koude-opslag). De lucht-water en de water-water warmtepomp kennen ook een hybride variant die samenwerkt met een cv-ketel op gas. Deze variant is een tussenstap naar een volledige warmtepomp en kan gebruikt worden in woningen die minder goed zijn geïsoleerd of radiatoren hebben die niet geschikt zijn voor lagere temperaturen. De warmtepomp kan de woningen zelfstandig verwarmen buiten de wintermaanden. De cv-ketel ondersteunt in het verwarmen van de woning in de wintermaanden en bij de verwarming van het tapwater.
- Hoe gaan we Rijswijk in de toekomst verwarmen? Hoe gaan we Rijswijk in de toekomst verwarmen? In dit hoofdstuk staat welke warmteoplossing de meest passende duurzame warmteoplossing is voor iedere buurt. Eerst volgt een toelichting op de belangrijkste uitgangspunten voor de keuze tussen de verschillende oplossingen. Daarna volgt een toelichting op de verschillende buurten. 5.1 Hoe maken we een keuze voor een warmteoplossing? Een aantal criteria is bepalend voor de afweging welke warmteoplossing een goed alternatief is voor een buurt. Hieronder lichten we deze criteria toe. Reductie van CO₂ De energietransitie wordt ingezet om de uitstoot van CO₂ te verminderen en daarmee een bijdrage te leveren aan het afremmen van de klimaatverandering. Nieuwe warmteoplossingen moeten bijdragen aan een aanzienlijk lagere CO₂-uitstoot in vergelijking met aardgas. De reductie-eisen van de alternatieve warmteoplossing zijn vastgelegd in de besluiten van de wet. De laagste maatschappelijke kosten De overgang naar een nieuw energiesysteem vraagt om grote investeringen op verschillende niveaus. Denk daarbij aan de uitbreiding van het hoogspanningsnet, het toevoegen van nieuwe transformatorhuisjes in de wijk of het aanleggen van een lokaal warmtenet. Bij de keuze voor een nieuwe warmteoptie kijken we naar het energiesysteem waarbij de totale nationale kosten het laagste zijn. Voor de definitie van nationale kosten sluiten we aan bij de definitie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)
- De nationale kosten zijn de totale financiële kosten in Nederland van alle maatregelen die nodig zijn om ergens (bijvoorbeeld in een buurt) een strategie uit te voeren, ongeacht wie die kosten betaalt, inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. [9] PBL
(2025), Gebruikershandleiding. Toelichting op het gebruiken en interpreteren van de resultaten van de actualisatie van de Startanalyse 2025 Benutten van lokale bronnen binnen regionaal systeem Alle energie die we in de toekomst willen gebruiken voor het verwarmen en koelen van onze gebouwen moet ergens vandaan komen. Voor warmtetransport is energie nodig, daarom willen we zo min mogelijk warmte over grote afstanden transporteren en zoveel mogelijk gebruikmaken van lokale bronnen. Het aanleggen van een transportnetwerk is kostbaar en vraagt ruimte in en boven de grond. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van warmtebronnen. In sommige gevallen is het transporteren van warmte goedkoper dan lokaal een bron ontwikkelen. In de regio werken we samen om te komen tot een regionaal warmtesysteem die de warmtevraag aan warmtebronnen koppelt. Rijswijk kan beschikken over verschillende duurzame warmtebronnen die midden temperatuur (70°C) warmte kunnen leveren aan warmtenetten. WarmtelinQ en lokale of regionale geothermiebronnen zijn binnen afzienbare tijd beschikbaar. Ook heeft de afvalzuiveringsinstallatie (AWZI) van het Hoogheemraadschap Delfland in de effluentleiding, die door Rijswijk loopt, duurzame warmte beschikbaar om woningen te verwarmen. Benodigde capaciteit elektriciteitsnet Alle warmteoplossingen hebben een elektriciteitsaansluiting. De mate waarin de warmteoplossingen elektriciteit nodig hebben, verschilt. In algemene zin geldt dat de warmteoptie die gevoed wordt door een bron met een hogere temperatuur en een constantere temperatuur minder (piek)capaciteit vraagt op het elektriciteitsnet. Een warmtenet vraagt minder capaciteit dan een warmtepomp. En een bodemwarmtepomp vraagt minder capaciteit dan een luchtwarmtepomp10. In de keuze voor een warmteoplossing proberen we zoveel mogelijk te kiezen voor warmteoplossingen met de kleinste capaciteitsvraag voor het elektriciteitsnet. [10] PBL Startanalyse 2025, informatieblad netverzwaring en netcongestie: PBL rapporten sjabloon De warmtevraag van gebouwen per buurt Het bouwjaar, de mate van isolatie van gebouwen en de ruimte in een woning zijn in grote mate bepalend voor de geschiktheid van een warmteoplossing. Alleen indien er een grote warmtevraag per woning en per gebied is, kan een midden temperatuur warmtenet betaalbaar zijn. We noemen dit de warmtedichtheid. In dit Warmteprogramma zijn we ervan uitgegaan dat een midden temperatuur warmtenet alleen haalbaar is als de warmtedichtheid minimaal 600 GJ/ha is. De koelbehoefte De gevolgen van klimaatverandering worden steeds duidelijker: hittegolven nemen toe en de zomers worden warmer. Binnen de warmtetransitie ligt de focus vaak op het duurzaam verwarmen van gebouwen. In de winter is dat gunstig, maar in de zomer is er in toenemende mate behoefte aan koeling. Dit vormt een opgave voor Rijswijk. Deze opgave is beschreven in de RAAK-strategie (Rijswijkse Adaptatiestrategie en Aanpak voor Klimaatverandering 2023–2030). Hitte en de bijbehorende koudevraag zijn een onderdeel van het Warmteprogramma. Preventieve maatregelen kunnen hitte uit gebouwen weren. Voorbeelden daarvan zijn zonwering, goede ventilatie en verkoelende gebiedsmaatregelen in de openbare ruimte (denk aan meer groen en schaduw). Als er, ondanks preventieve maatregelen, toch nog sprake is van risico's op hitte, dan kunnen sommige warmteoplossingen voorzien in de vraag naar koeling. Voor de warmteoplossing in relatie tot de koelvraag bij woningen hanteren we de volgende uitgangspunten: We geven prioriteit aan warmtenetten: hoewel de koudevraag vanwege klimaatopwarming toeneemt, blijft deze relatief beperkt ten opzichte van de totale energievraag. Daarom blijven warmtenetten een geschikte en maatschappelijk kosteneffectieve oplossing voor veel woningen in Rijswijk, mits aanvullende maatregelen worden getroffen om oververhitting te voorkomen. We zetten in op het beperken van warmtelozing naar de buitenlucht, vooral bij hitte-eilanden: koelsystemen met buitenunits (zoals lucht-luchtwarmtepompen en airco’
- s)zijn onwenselijk in druk bebouwde gebieden. Ze verhogen het lokale hitte-eilandeffect. We kiezen bij nieuwbouw voor systemen met koudevoorziening: bij nieuwe (her)ontwikkelingen adviseren we het toepassen van warmteoplossingen die zowel verwarmen als koelen. Voor de warmteoplossing in relatie tot de koelvraag bij utiliteitsgebouwen hanteren we de volgende uitgangspunten: We beperken zoveel mogelijk de koelvraag bij utiliteitsfunctie: utiliteitsgebouwen hebben vaak een hogere en constantere koelvraag dan woningen. Hier passen we de koelteladder toe. We geven de voorkeur aan bodemenergiesystemen (WKO): deze systemen leveren warmte en koeling zonder extra warmtelozing naar de buitenlucht en voorkomen een negatieve bijdrage aan hittestress. We beperken de toepassing van systemen met buitenluchtwarmtelozing, vooral in hitte-eilanden. We vermijden systemen zoals split-airco’s en luchtwarmtepompen, tenzij er voldoende spreiding is. Onderstaande kaart is gebaseerd op de hittestresskaarten vanuit de Rijswijkse Klimaatatlas 2025 en de gebouwgebonden koudevraag die door het PBL in beeld is gebracht in de PBL Startanalyse 2025. Deze kaart laat zien welke buurten zowel een hoge kans op hittestress vertonen alsook naar verwachting in de toekomst een relatief hoge koudevraag hebben. Figuur 12: Hittestresskaart Rijswijk Per buurt is aangegeven welk percentage van het energieverbruik wordt ingezet voor de koelvraag. Dit geeft een vertekend beeld voor gebieden waar weinig gebouwen zijn zoals Elsenburg, het Wilhelminapark en Spoorzicht. Van de gebieden met een hogere bebouwingsdichtheid zijn de 5 buurten met de hoogste koelvraag: Plaspoelpolder, Hoornwijck, Stationskwartier, Broekpolder, Artiestenbuurt. Voor de gebouwen in deze gebieden zou een warmteoplossing die ook kan koelen invulling kunnen geven aan de toekomstige koelvraag. Dat kan met een warmtepomp (eventueel gevoed vanuit een lage temperatuur warmtenet), maar dat stelt wel eisen aan de energetische staat en het warmteafgiftesysteem van het gebouw. Het is niet voor alle gebouwen haalbaar om hieraan te voldoen. 5.2 Warmteoplossingen in Rijswijk Warmteoplossingen In onderstaande kaart is in beeld gebracht welke warmteoplossing een goed alternatief is voor iedere buurt. De kleur op de kaart verbeeldt de warmteoplossing waarvan we verwachten dat die het meest zal voorkomen in de aangegeven buurt. Dit betekent niet dat alle gebouwen in die buurt ook daadwerkelijk die warmteoplossing zullen gebruiken. Er blijft keuzevrijheid om de warmteoplossing te kiezen die het beste bij de woning of het pand past. In hoofdlijnen geldt dat de buurten met een hoge warmtevraag geschikt zijn voor een midden temperatuur warmtenet. Er is sprake van een hoge warmtevraag als er veel woningen op een kleine oppervlakte staan (bijvoorbeeld bij hoogbouw) en/of wanneer woningen minder goed geïsoleerd zijn. Dit betreft vooral de woningen die voor 1980 gebouwd zijn. Voor de buurten waar de woningen een hogere isolatiegraad hebben, is een individuele warmtepomp of aansluiting op een laagtemperatuur warmtenet een goede oplossing. Dit geldt ook voor utiliteitsgebouwen, omdat daar vaak sprake is van een koelbehoefte. Om deze reden is een warmtepomp of een laag temperatuur warmtenet voorzien voor de Plaspoelpolder en Bogaard stadscentrum. Figuur 13: Warmtestrategiekaart Bronnen Het midden temperatuur warmtenet kan gevoed worden vanuit verschillende bronnen. Voor de voeding van het warmtenet houden we rekening met minimaal één geothermische bron (15-20 MW) eventueel gekoppeld aan een hoge temperatuur opslag (HTO). Ook een aansluiting op de (rest)warmtetransportleiding WarmtelinQ is een optie. De overdracht van warmte uit WarmtelinQ of een geothermiebron op het warmtenet gebeurt in een warmteoverdrachtstation (WOS). Het warmtebedrijf wordt vanuit de wetgeving verantwoordelijk voor de inkoop, transport en levering van warmte. Het warmtebedrijf besluit dan ook vanuit welke bron het warmtenet wordt gevoed. Belangrijke kaders daarbij zijn de verplichtingen vanuit de wetgeving (zie daarvoor hoofdstuk 5.5) en de ruimtelijke mogelijkheden voor de ontwikkeling van een warmtebron. De beoogde locatie voor de aansluiting van het lokale warmtenet op WarmtelinQ en de ontwikkeling van een lokale geothermiebron is het Kruisvaarderspark. Voor de aansluiting op WarmtelinQ staat deze locatie vast vanwege het zogenaamde T-stuk dat bij de aanleg van WarmtelinQ hier is geplaatst. Ondanks dat nog niet definitief bepaald is of en waar de geothermische bron komt, ligt de locatie in het Kruisvaarderspark of in de directe nabijheid daarvan wel voor de hand. Dit komt doordat de voeding van het warmtenet dan via één centraal warmteoverdrachtstation kan plaatsvinden, wat bijdraagt aan de efficiëntie van het warmtesysteem. Een andere mogelijkheid is dat de buurten in Rijswijk-West aansluiten op het Warmtesysteem Westland en warmte krijgen van een geothermiebron in Midden-Delfland. In dat geval is ook een warmteoverdrachtstation in de Hoekpolder aan de orde. Op den duur zullen de andere buurten in Rijswijk aangesloten moeten worden op WarmtelinQ of een geothermiebron met een warmteoverdrachtstation in het Kruisvaarderspark. Nader onderzoek naar de meest geschikte locatie voor de bron in combinatie met onderzoek naar de inpassing is nog wel noodzakelijk. Figuur 14: Warmtestrategiekaart met bronnen Hoge temperatuur opslag is in feite geen warmtebron, maar kan wel een belangrijke bijdrage leveren aan het stabiliseren en vergroten van de beschikbaarheid van duurzame warmte in het systeem. We kijken daarom nadrukkelijk naar hoge temperatuur opslag, centraal nabij de bron en decentraal in de buurten en/of in de woning. De potentie en de voordelen van het toepassen van grootschalige hoge temperatuur opslag in de ondergrond in onze gemeente is groot. Het is echter nog een innovatieve techniek, die in de gebouwde omgeving nog niet eerder is toegepast. Opslag in de woningen is al wel een bewezen techniek. Opslag maakt het energiesysteem robuuster en duurzamer omdat het pieken in de vraag naar warmte beter kan opvangen. We zetten in Rijswijk duurzame bronnen in die binnen het regionale warmtesysteem passen en beschikbaar zijn. De (regionale) ambitie is om voorkeur te geven aan lokale bronnen boven regionale bronnen. Dit doen we vanuit de gedachte dat ook transport energie kost. Echter moet dit niet leiden tot inefficiënt gebruik van bronnen die de nationale kosten van het systeem duurder maken. Daarom kijken we samen met gemeenten in de regio naar optimaal gebruik van bestaande bronnen en naar waar en wanneer bronnen ontwikkeld worden. Dit betekent dat het warmtenet in Rijswijk in de beginjaren gevoed kan worden uit een regionale bron om in de toekomst, wanneer er voldoende afname is, over te schakelen op een andere, lokale bron. Een andere mogelijkheid is dat het warmtenet in de opstartfase gevoed wordt met warmte uit gasgestookte warmtecentrales om na de ontwikkeling van een duurzame bron over te schakelen op warmte uit de duurzame bron. Welke opties mogelijk en wenselijk zijn, is nog niet duidelijk en vraagt een verdere uitwerking. 5.3 Aanpak per gebied In dit hoofdstuk wordt per buurt dieper ingegaan op de keuze voor een warmteoplossing en de fasering. We leggen per buurt uit welke keuzes zijn gemaakt en we beschrijven op hoofdlijnen de aanpak in het gebied. Buurt Toelichting ‘WAT’ Toelichting ‘WANNEER’ Start tussen 2026 en 2030: Stervoorde Ministerbuurt Presidentenbuurt Hoekpolder Start tussen 2030 en 2036 Muziekbuurt Artiestenbuurt (exclusief Bogaard stadscentrum) Kleurenbuurt Deze buurten zijn overwegend in de jaren ’50 en ’60 gebouwd. De buurten zijn een mix van portiekflats, galerijflats en eengezinswoningen. In sommige buurten is meer dan de helft van de woningen corporatiebezit. Ook zijn in deze buurten grote VvE-complexen aanwezig. Een warmtenet heeft hier de laagste nationale kosten. Daarom zijn deze buurten aangewezen om binnen nu en 10 jaar te starten met het aardgasvrij maken door middel van een midden temperatuur warmtenet. De Artiestenbuurt hoort bij de 5 buurten met de hoogste koelvraag. Veel woningen in deze buurt beschikken niet over een afgiftesysteem waarmee de woning op lage temperatuur verwarmd en gekoeld kan worden. Door te verwarmen met een midden temperatuur warmtenet ontlasten we het elektriciteitsnetwerk in de wintermaanden wanneer de vraag naar elektriciteit hoog is en het aanbod van elektriciteit laag. Een eventuele koelvraag wordt apart ingevuld. De impact hiervan op het elektriciteitsnet zal beperkt zijn, aangezien de koelvraag zich voordoet op momenten dat er veel opwek van zonne-energie is. Vanwege de bereidheid van de woningcorporaties om hier binnen 10 jaar aan te sluiten op een warmtenet, is dit voor de gemeente een startbuurt. De gemeente is van plan de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Daarmee wordt ook het vollooprisico voor het warmtenet beperkt. Dit werkt kostenverlagend voor het warmtebedrijf en dus ook voor de inwoners en bedrijven.. Start tussen 2030 en 2036Bogaard stadscentrum enPlaspoelpolder De gebieden Bogaard stadscentrum en Plaspoelpolder zijn transformatiegebieden. De afgelopen jaren is veel nieuwbouw gebouwd en de komende jaren zal er ook nog veel worden gebouwd. De nieuwbouw is al aardgasvrij door middel van WKO’s. De oudbouw is matig geïsoleerd. Er is geen eenduidige, optimale warmteoptie voor de hele buurt. Wel geldt voor beide gebieden dat er sprake is van een hitte-eilandeffect en naar verwachting zal de koelvraag in de toekomst toenemen. Daarom zet de gemeente in op een mix van WKO-systemen voor kantoren en utiliteitsbouw en warmtepompen voor losstaande, kleinere, oudere gebouwen. De druk op de ondergrond is erg groot. Om deze reden is voor deze twee gebieden een bodemenergieplan van kracht. Door de oudbouw kan het gasnet in deze buurt niet binnen 10 jaar worden afgekoppeld. Wel wil de gemeente de eigenaren van (kantoor)gebouwen en winkels stimuleren en ondersteunen om binnen 10 jaar hun gebouwen aardgasvrij te maken. Start 2026RijswijkBuiten Deze buurt is al gasloos ontworpen. De bouw startte al voordat aardgasvrij bij nieuwbouw de norm werd. De aanwezige oude (tuinders)woningen zijn grotendeels nog niet gasloos. In de deelgebieden Sion en het Haantje (ParkRijk en Pasgeld West) zijn circa 100 woningen qua isolatiegraad niet direct geschikt voor een warmtepomp, maar gezien het beperkte aantal zijn collectieve warmtenetten als alternatief voor aardgas niet haalbaar. Warmtepompen leveren de laagste nationale en eindgebruikerskosten op. De woningen in dit gebied zijn zeer verschillend. Per woning zal een maatwerkoplossing nodig zijn om deze aardgasvrij te maken. De dichtheid van woningen in deze nieuwbouwwijk die nog op het aardgas zitten is gering. Hiervoor moet het netwerkbedrijf wel een heel gasnet in stand houden. In samenwerking met de netbeheerder en de bewoners starten we met het opstellen van een uitvoeringsplan dat erop toeziet een overstap naar gasloos over 10-15 jaar te realiseren. De gemeente gaat te zijner tijd in overleg met de bewoners en het netwerkbedrijf om daarvoor de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Start 2026Eikelenburg Deze buurt is tussen 2012 en 2024 gebouwd. Een deel van de woningen in deze wijk is al aardgasvrij door middel van een warmtepomp. Voor deze wijk levert een lage temperatuur warmtenet of Individuele warmtepomp de laagste nationale kosten. De twee varianten verschillen in kosten weinig van elkaar, maar een lage temperatuur warmtenet zorgt voor een lagere elektriciteitsvraag. De woningen verkeren in een goede energetische staat en kunnen zonder grote bouwkundige ingrepen omgezet worden naar verwarming door een (bodem/lucht/water-) warmtepomp. Daarom is een lage temperatuur warmtenet of een warmtepomp het eindbeeld. De eerste woningen moeten de komende jaren de cv-ketel vervangen. Dit is het moment om een keuze te maken. In samenwerking met de netbeheerder en de bewoners starten we met het opstellen van een uitvoeringsplan dat erop toeziet een overstap naar gasloos over 10-15 jaar te realiseren. De gemeente gaat te zijner tijd in overleg met de bewoners en het netwerkbedrijf om daarvoor de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Start tussen 2036 en 2040De Strijp De Strijp is een wijk die grotendeels in de jaren ’90 is gebouwd. De woningen zijn redelijk geïsoleerd, maar onvoldoende om te verwarmen met een warmtepomp. De bebouwingsdichtheid is groot. Lucht-water warmtepompen zijn gezien het geluid niet direct overal toepasbaar zonder aanvullende geluidreducerende maatregelen. We zien nu al wel dat bij verbouwingen inwoners kiezen voor een (individuele) warmtepomp. Dit zal de komende tijd doorzetten. Een alternatief is verschillende kleine lage temperatuur warmtenetten. Inwoners in de wijk hebben contact en willen aan de slag met het aardgasvrij maken van de woning. We geven deze initiatieven de tijd en ruimte en zullen inwoners hierbij ondersteunen en faciliteren. Met de kennis en ervaring uit die initiatieven kunnen we in een volgend Warmteprogramma meer duidelijkheid geven over de haalbaarheid van de verschillende alternatieven en het tempo van uitvoeren. Start na 2040Oud RijswijkBomenbuurtLeeuwendaalCromvliet In deze jaren ’30-buurten is de warmtevraag hoog. Een midden temperatuur warmtenet heeft de laagste nationale kosten, maar is evenwel kostbaar en veel woningen hebben nog een slechte energetische staat. We verwachten dat de woningen in deze buurten de komende jaren verder geïsoleerd worden, waardoor aansluiting op een midden temperatuur warmtenet mogelijk is. Daarom is een midden temperatuur warmtenet het eindbeeld, maar zet de gemeente eerst de komende 10 jaar in op woningverbetering.Wel zien we een aantal ontwikkelingen die aandacht vragen bij een volgende actualisatie van het Warmteprogramma: In deze buurten worden woningen bij een grootschalige verbouwing (bijvoorbeeld na aankoop) al aardgasvrij gemaakt .Deze buurten kennen een smal straatprofiel, dat uitdagingen met zich meebrengt voor de aanleg van een midden temperatuur warmtenet. Deze buurten bevinden zich in een hitte-eiland. Omdat de woningen in deze buurten bouwkundig nog niet klaar zijn voor de overstap naar aardgasvrij, gaan deze buurten de komende 10 jaar nog niet van het aardgas. Start tussen 2036 en 2040Te Werve Huis te LandeStationskwartier Deze buurten zijn overwegend in de jaren ’50 en ’60 gebouwd. Het is een mix van portiekflats, galerijflats en eengezinswoningen. In sommige buurten is meer dan de helft corporatiebezit. Ook zijn er in deze buurten grote VvE-complexen. Een warmtenet heeft hier de laagste nationale kosten. Daarom zijn deze buurten aangewezen om aardgasvrij te maken door middel van een warmtenet. Er wordt rekening mee gehouden dat een deel van de grondgebonden woningeigenaren kiest voor een warmtepomp in plaats van het warmtenet. Het Stationskwartier hoort, net als de Artiestenbuurt, bij de 5 buurten met de hoogste koelvraag. Ook hier beschikken veel woningen niet over een afgiftesysteem waarmee de woning op lage temperatuur verwarmd en gekoeld kan worden. Door te verwarmen met een midden temperatuur warmtenet ontlasten we het elektriciteitsnetwerk in de wintermaanden wanneer de vraag naar elektriciteit hoog is en het aanbod van elektriciteit laag. Een eventuele koelvraag wordt apart ingevuld. De impact hiervan op het elektriciteitsnet zal beperkt zijn, aangezien de koelvraag zich voordoet op momenten dat er veel opwek van zonne-energie is. We kunnen niet overal beginnen met het aanleggen van warmtenetten. In deze buurten zetten we dus in op isolatie om de warmtevraag terug te dringen. In de volgende Warmteprogramma’s wordt exact bepaald wanneer in welke buurt wordt gestart met het aansluiten van woningen op een warmtenet. Start na 2040ElsenburgLandgoederen-zoneHoekpolder (buitengebied/stadsparkzone) De aanwezige gebouwen zijn grotendeels nog aangesloten op het gasnet. Deels gaat het ook om monumenten. De meeste gebouwen zijn qua isolatiegraad niet direct geschikt voor een Individuele warmtepomp. Gezien het beperkte aantal gebouwen zijn collectieve warmtenetten als alternatief voor aardgas niet haalbaar. Een individuele warmtepomp als oplossing levert de laagste nationale en eindgebruikerskosten op. Omdat de gebouwen in dit gebied zeer verschillend zijn, zal per gebouw een maatwerkoplossing nodig zijn om deze aardgasvrij te maken. Maatwerk is nodig om alle gebouwen in deze buurten van het aardgas te halen. Stap 1 is isoleren. Stap 2 is het gasverbruik aanzienlijk verlagen door middel van een hybride warmtepomp. Stap 3 is bouwkundige aanpassingen en een afgiftesysteem gebruiken om te komen tot individuele aardgasvrije oplossingen. Het zetten van de stappen kost tijd. De gemeente gaat gebouweigenaren stimuleren en faciliteren om stappen te zetten. Start tussen 2036 en 2040PasgeldStart in overleg met Delft Vrijenban De bestaande bouw in Pasgeld is voor een groot deel gebouwd voor de jaren ’30. Gezien het beperkte aantal woningen in deze buurt en het ontbreken van een midden temperatuurbron in de buurt is het (financieel) niet aannemelijk om deze woningen aan te sluiten op een MT warmtenet. Daarom zijn een lokaal (z)lt-net of individuele warmtepompen de aangewezen oplossingen. Het Rijn-Schiekanaal of de bodem kan als warmtebron dienen voor een (z)lt-net. Voor Vrijenban is aansluiten op een midden temperatuur warmtenet volgens het PBL de oplossing met de laagste nationale kosten. We zien echter dat de warmtedichtheidsvraag relatief laag is voor deze oplossing. Aansluiting op een midden temperatuur warmtenet is alleen een mogelijkheid door aan te sluiten bij de Delftse buurten nabij Vrijenban. De gemeente blijft hierover in gesprek met de gemeente Delft. Als aansluiting op een warmtenet van de gemeente Delft een optie is, dan is dit vooral voor de gebouwen onder de Vrijenbanselaan een goede oplossing, omdat de warmtedichtheidsvraag daar het hoogste is. In Vrijenban Noord en West zijn vanwege een lagere warmtedichtheidsvraag, de aanwezigheid van utiliteit en de nabijheid van het Rijn-Schiekanaal een (z)lt-net of warmtepompen de voorkeursoplossingen. In deze buurten zetten we in op het terugbrengen van de warmtevraag. Voor Vrijenban blijven we de ontwikkelingen van de aangrenzende buurten in Delft actief volgen. Start na 2040 Hoornwijck en Broekpolder Hoornwijck en de Broekpolder zijn buurten met een groot aandeel utiliteit. Uit de PBL-startanalyse komt voor de Broekpolder een (z)lt-net als beste oplossing naar voren. Voor Hoornwijck is dat een midden temperatuur warmtenet. Gezien het beperkte aantal woningen in het gebied is de warmtevraag in beide gebieden echter te laag om aansluiting op een warmtenet mogelijk te maken. Ook een midden temperatuurwarmtebron in de buurt ontbreekt. Gezien de bedrijvigheid en de grote koelvraag is een (z)lt-net of warmtepompen de voorkeursoplossing. Een groot deel van de woningen in de Broekpolder is bouwkundig nog niet klaar voor de overstap naar aardgasvrij. We zetten voor beide buurten eerst in op het terugbrengen van de warmtevraag. 5.4 Voorwaarden voor uitvoering De overstap van aardgas naar een duurzaam alternatief brengt grote veranderingen met zich mee die iedereen in de stad zal merken. De veranderingen hebben impact op de leefomgeving maar ook op het eigendom van onze inwoners en ondernemers. Dit vraagt om een zorgvuldige besluitvorming. De gemeente gaat alleen aan de slag als aan de volgende belangrijke voorwaarden is voldaan. Iedereen kan meedoen Iedereen moet mee kunnen doen met de overstap naar duurzame energiebronnen. Dit betreft niet alleen de kosten, maar ook de uitvoering. De overstap naar duurzame energie vraagt om technische aanpassingen in de woning. Het kost voor mensen tijd om te weten welke oplossing het beste past, wat voor deze oplossing moet gebeuren en wat nodig is om dit in gang te zetten. Niet iedereen kan alle technische en financiële keuzes direct overzien, terwijl die keuzes nodig zijn om actie te kunnen ondernemen. Daarnaast biedt de uitvoering van de energietransitie ook kansen om onderhoud van en comfort in woningen en gebouwen te verbeteren. Voor een geslaagde overstap is het belangrijk om inwoners te adviseren en ondersteunen en om tijd te nemen om aanpassingen door te voeren. Bij een geslaagde overstap worden kansen voor verbetering benut. De overstap naar een duurzaam alternatief voor aardgas wordt op buurtniveau verder uitgewerkt in een uitvoeringsplan. Hierin wordt meer in detail uitgewerkt wat de startsituatie van de gebouwen in een buurt is en welke acties nodig zijn om over te stappen. Voor het opstellen van dit plan worden participatiebijeenkomsten met gebouweigenaren georganiseerd. Doel van deze bijeenkomsten is om bij inwoners op te halen waar zij zich zorgen over maken en behoefte aan hebben, zodat informatie en ondersteuning hierop wordt afgestemd. Daarnaast wordt er in landelijke wetgeving een aantal waarborgen opgenomen die ervoor zorgen dat de overstap zorgvuldig plaatsvindt en iedereen mee kan doen. Het gaat om: Keuzevrijheid: gebouweigenaren zijn niet verplicht om aan te sluiten op het alternatief dat door de gemeente als kansrijk is aangemerkt. Zij mogen een andere oplossing kiezen, onder de voorwaarde dat deze oplossing voldoet aan de wettelijke eisen. Voor de overstap moet de gemeente rekening houden met een redelijke termijn. Deze termijn bedraagt minimaal acht jaar, maar kan ook langer zijn indien nodig. Dit geeft gebouweigenaren de tijd om de benodigde aanpassingen te doen. De gemeente moet erop toezien dat gebouwen tijdig kunnen worden aangesloten op een duurzaam alternatief voor aardgas. Lukt dat niet, dan moet de termijn voor de overstap verlengd worden. De gemeente zal hier actief op monitoren. Betaalbaar voor iedereen De overstap naar duurzame energiebronnen kan alleen plaatsvinden als deze betaalbaar is. Dit uitgangspunt wordt gedeeld door het Rijk. De definitie van betaalbaar is nog niet door het Rijk nader gedefinieerd. Als richtlijn hanteert het Rijk vooralsnog het principe ‘niet meer dan anders’. Het ‘anders’ uit dit principe is gekoppeld aan de gasreferentie inclusief de kostenstijgingen van de komende jaren. In de nieuwe regelgeving werkt het Rijk aan een definitie van de term betaalbaarheid en een bepaling over de waarborging van de betaalbaarheid. In de uitvoeringsplannen zal de gemeente de betaalbaarheid op buurtniveau volgens de definitie van het Rijk uitwerken. Het eerlijke verhaal is dat de overstap van aardgas naar een duurzame warmteoplossing de gebouw-eigenaar geld gaat kosten. Aanvullende financiering is nodig om de overstap voor iedereen betaalbaar te maken. Voor woningisolatie en het installeren van een warmtepomp zijn individuele financieringsregelingen beschikbaar. Voor de overstap naar warmtenetten zien we dat er nog een grote uitdaging ligt. Voor de buurten waar een midden temperatuur warmtenet de laagste nationale kosten met zich meebrengt, is er nog geen duidelijkheid over de betaalbaarheid voor bewoners. De betaalbaarheid voor bewoners is een belangrijke voorwaarde om aan de slag te gaan. Als er niet aan die voorwaarde kan worden voldaan, kan niet besloten worden om met een buurt over te stappen op een duurzaam warmtealternatief. Wetgeving is op orde In de afgelopen periode is vanuit het Rijk gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving die gemeenten instrumenten en kaders geven voor de overstap van aardgas naar een duurzame warmteoplossing. Deze wet- en regelgeving is van belang omdat de energievoorziening een nutsvoorziening is. De energie-infrastructuur is duur en is daarom veelal in handen van publieke partijen. In enkele gevallen is een warmtenet in handen van een private partij of is een energiecollectief eigenaar van het net en de levering. In alle gevallen moeten de inwoners worden beschermd. Om inwoners en ondernemers duidelijkheid te geven, plannen van de gemeenten democratisch te borgen en gemeenten bevoegdheden te geven om uiteindelijk door te kunnen pakken, is wetgeving nodig. 5.5 Wet- en regelgeving Hieronder volgt een toelichting op de nieuwe wet- en regelgeving. Wet collectieve warmte (Wcw ) De Wet collectieve warmte (Wcw) stelt regels over de levering van warmte voor het verwarmen van gebouwen. De wet regelt de betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid van collectieve warmtelevering en geeft gemeenten meer regie over de warmtetransitie. Een belangrijk onderdeel van de Wcw is dat warmtebedrijven voor minimaal 50% in handen zijn van publieke partijen. Warmtebedrijven krijgen de taak om warmtenetten aan te leggen en warmte te leveren aan de gebouwen. Dit betekent dat het warmtebedrijf het aanspreekpunt is voor de inwoners als het gaat om de levering van warmte. Een grote zorg van inwoners is de leveringszekerheid van warmte. De wet stelt hoge eisen aan deze leveringszekerheid, net zoals dat nu is bij andere nutsvoorzieningen zoals bijvoorbeeld gas en elektriciteit. Doordat deze bedrijven in publieke handen moeten zijn, is er meer publieke sturing op de warmtetransitie. Daarnaast introduceert de Wcw transparante en kostengebaseerde tariefregulering voor inwoners en bedrijven die aangesloten zijn op een warmtenet. Transparante en kostengebaseerde tariefregulering betekent dat de kosten die het warmtebedrijf aan zijn klanten doorrekent niet meer mogen zijn dan de kosten die zij maken met een kleine opslag. De kosten worden berekend op basis van door de ACM (Autoriteit Consument en Markt) opgelegde rekenmethodes. Daarmee staat het warmtebedrijf onder toezicht en is de inwoner beschermd tegen te hoge kosten. Tot nu toe is de prijs van warmte vanuit de Warmtewet gekoppeld aan de gasprijs. Dit noemen we het Niet Meer Dan Anders (NMDA) principe. Het NMDA principe zorgt ervoor dat huishoudens die zijn aangesloten op een warmtenet voor hun verwarming niet méér hoeven te betalen dan ze anders met een gasgestookte verwarming zouden doen. De verwachting is dat de gasprijs, mede door de extra belastingen en verplichte bijmenging van groen gas, in de toekomst duurder wordt. De insteek van de Wcw is dat de prijs van warmte uiteindelijk niet meer gekoppeld is aan de gasprijs, maar op de werkelijke kosten is gebaseerd. De verwachting is dat de kosten voor warmte daardoor op den duur goedkoper worden. Een ander belangrijk onderdeel dat de Wcw regelt, is het “aanwijzen” van het publieke warmtebedrijf. Een warmtekavel is een aaneengesloten gebied waar een collectief warmtenet als alternatief voor aardgas is voorzien. De gemeente stelt daarvoor een warmtekavel vast, waaraan vervolgens een warmtebedrijf wordt gekoppeld dat exclusief verantwoordelijk is voor het transport en de levering van warmte in dat gebied. Deze aanwijzing geldt voor een periode van ten minste 20 en maximaal 30 jaar. Voor het bepalen van de omvang van de warmtekavel moet duidelijk zijn dat het financieel en technisch mogelijk is om duurzame, betaalbare en betrouwbare warmte te realiseren. De omvang van de warmtekavel moet waarborgen dat het aangewezen warmtebedrijf een warmtenet binnen de kavel op een doelmatige wijze kan aanleggen en exploiteren. Daarnaast wordt de grootte van de warmtekavel bepaald door de leveringszekerheid. De Wcw biedt ruimte aan andere (publieke) partijen en warmtegemeenschappen om als warmtebedrijf te opereren. Een warmtegemeenschap is een organisatievorm waarbij een groep inwoners zelf, of in samenwerking met andere partijen, een warmtenet ontwikkelt en exploiteert, zonder winstoogmerk. Het eigendom en de zeggenschap liggen bij de eindgebruikers van het warmtenet, waardoor het een lokaal en democratisch initiatief is. Het gaat daarbij veelal om kleinere warmtenetten (minder dan 1.500 aansluitingen). De warmtegemeenschap is een nieuwe speler in het samenspel van overheid en markt. Wet gemeentelijk instrumenten warmtetransitie (Wgiw) In de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw)11 is vastgelegd dat het Warmteprogramma een verplicht (beleids)programma is in het kader van de Omgevingswet. Gemeenten moeten een Warmteprogramma opstellen en dat iedere 5 jaar actualiseren. Het Warmteprogramma moet een terugblik bevatten met een beschrijving van de uitvoering en resultaten van het vorige Warmteprogramma (de Transitievisie Warmte Rijswijk) en een vooruitblik op de inrichting van de fysieke leefomgeving. De Wgiw geeft gemeenten ook de bevoegdheid om te bepalen op welk moment een buurt definitief van het aardgas af gaat. Die bevoegdheid wordt de aanwijsbevoegdheid genoemd. De aanwijsbevoegdheid zorgt ervoor dat er een datum wordt vastgesteld wanneer de levering van aardgas in een bepaalde wijk stopt. Hiermee wordt voorkomen dat de samenleving hoge kosten moet betalen voor het in stand houden van een aardgasnetwerk voor een klein aantal gebouwen. Het inzetten van de aanwijsbevoegdheid is een grote stap en vraagt om een zorgvuldig traject. In de Wgiw is vastgelegd wat de gemeente moet doen om de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Dit wordt het planproces genoemd. Het Warmteprogramma is de eerste stap van het planproces, waarin gemeenten aangeven voor welke gebieden zij de aanwijsbevoegdheid willen inzetten en wat de aanpak voor deze gebieden zal zijn. [11] De Wgiw is op 3 juli 2025 vastgesteld in de Tweede Kamer. De verwachting is dat de Eerste Kamer in het najaar van 2025 de Wgiw vast stelt. Naar verwachting treedt de wet per 1 januari 2026 in werking. 6. Wat gaan we doen Wat gaan we doen De ambitie ‘aardgasvrije buurten in 2050’ lijkt ver weg, maar er is veel te doen. Dat betekent dat we nu aan de slag moeten om die doelstelling te halen. Dit hoofdstuk beschrijft hoe we aan de slag gaan. 6.1 Aanpak In Rijswijk zijn ruim 23.000 gebouwen die een overstap moeten maken naar een nieuwe warmteoplossing. We kunnen niet alle buurten tegelijk van het aardgas af halen. We doen dit buurt voor buurt, gebouw voor gebouw. De gemeente werkt in samenwerking met partners de plannen uit om buurten aan te sluiten op een nieuwe warmteoplossing. De gemeente heeft daarin een regierol. We vullen deze regierol in door: Zoveel mogelijk duidelijkheid te geven welke warmteoplossingen we wanneer voorzien en daar actief op te sturen. Een warmtebedrijf of -bedrijven aan te wijzen of een ontheffing te verlenen aan een warmtebedrijf voor het realiseren en exploiteren van een klein warmtenet en daarmee afspraken te maken over de ontwikkeling en het beheer van een warmtenet. Een goede samenwerking tussen de verschillende partijen te stimuleren en te faciliteren om ervoor te zorgen dat duurzame warmteoplossingen worden ontwikkeld. Inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden te informeren en betrekken bij de ontwikkeling van plannen. Belangen en wensen van deze groep moeten zichtbaar zijn, zodat die een plek kunnen krijgen in de besluitvorming. Inwoners en ondernemers te stimuleren om hun woningen en gebouwen te verduurzamen door aan de slag te gaan met passende isolatie en waar dat al mogelijk is de overstap te maken naar een duurzame warmteoplossing. Samen te werken met gemeenten en andere partijen in de regio aan een efficiënt en toekomstbestendig energiesysteem tegen de laagste nationale kosten. De wettelijke instrumenten, zoals de aanwijsbevoegdheid zorgvuldig in te zetten en daarmee voor iedereen duidelijkheid te creëren over wanneer de aardgaslevering stopt. Het faciliteren van ingrepen in de openbare ruimte vanuit onze verantwoordelijkheid voor de inrichting, het beheer en het onderhoud van de openbare ruimte. Onze aanpak richt zich op 3 thema’s: a. Energiebesparing. b. Een gefaseerde overstap naar een duurzame warmteoplossing. c. Een doelmatige inrichting van het energiesysteem (in samenwerking met gemeenten in de regio). 6.2 Energiebesparing door passend isoleren Energie besparen draagt direct bij aan de doelstelling voor CO₂-reductie. De afgelopen jaren is ingezet op besparing van energie door kleine maatregelen te nemen. Deze maatregelen hebben ook geholpen de energierekening te verlagen en energiearmoede te bestrijden. Sinds 2024 stimuleert de gemeente ook inwoners om aan de slag te gaan met grotere isolatiemaatregelen. De kosten voor woningisolatie verschillen afhankelijk van de benodigde maatregelen en de uitgangspositie van woningen. De kosten voor de investering wegen niet altijd op tegen de besparing op de energierekening. Het is zinvol om te kijken welke mate van isoleren nodig is, om de woning in de toekomst goed te verwarmen en of de investering opweegt tegen de kosten. Dit noemen we passend isoleren. Bij woningisolatie is het belangrijk om rekening te houden met goede ventilatie en de mogelijkheden voor koeling. Onvoldoende ventilatie veroorzaakt schimmels en huisstofmijt en kan leiden tot gezondheidsklachten. Voor koeling geldt dat woningen die in de toekomst gebruik zullen maken van een individuele warmtepomp of (lage temperatuur warmtenet) met die warmtetechniek kunnen koelen. Voor woningen die aansluiten op een midden temperatuur warmtenet is die mogelijkheid er niet. Bij deze woningen is passief koelen belangrijk. Met passief koelen wordt gebruik gemaakt van natuurlijke bronnen, bijvoorbeeld vergroening rond het gebouw, (nacht)ventilatie of zonwering. Vanaf 2024 biedt de gemeente advies en ondersteuning aan woningeigenaren om isolatiemaatregelen te treffen. We blijven hier de komende jaren op inzetten en hebben daarbij specifiek aandacht voor de extra ondersteuningsbehoefte van Verenigingen van Eigenaren (VvE’
- s)om hiermee aan de slag te gaan. We bieden helder advies over isolatiemogelijkheden, geven praktische informatie over hoe deze maatregelen uitgevoerd moeten worden en welke (financiële) ondersteuning vanuit de gemeente en het Rijk beschikbaar is. Daarbij hebben we aandacht voor goede ventilatie en mogelijkheden voor het passief koelen van de woning in de zomer, specifiek voor gebouwen die zullen aansluiten op een midden temperatuur warmtenet. 6.3 Een gefaseerde overstap naar een duurzame warmteoplossing De overstap naar een duurzame warmteoplossing kan alleen plaatsvinden als deze voor iedereen haalbaar en betaalbaar is. Dit betekent dat wet- en regelgeving op orde moet zijn en de overstap voor iedereen financieel mogelijk moet zijn. De warmteoplossing met de laagste maatschappelijke kosten vertaalt zich nog niet altijd in de oplossing met de laagste kosten voor de eindgebruiker. Daarbij komt dat de warmteoplossing met de laagste kosten vraagt om een investering van de eigenaar. Niet elke eigenaar kan de investering betalen. Het Rijk zal hiervoor oplossingen moeten aandragen om de overstap voor iedereen mogelijk te maken. Naast Rijkssubsidies kunnen ook leningen helpen om de overgang betaalbaar te maken voor bewoners. Het Warmtefonds is nu al een van de mogelijkheden die in de praktijk steeds beter begint te werken. Uitvoeringsplannen We starten met het opstellen van uitvoeringsplannen als de wet- en regelgeving op orde is en de overstap voor iedereen betaalbaar is. In de uitvoeringsplannen werken we per buurt de overstap naar een duurzame warmteoplossing verder uit. Ook energiebesparing krijgt hierin aandacht. We starten met het opstellen van uitvoeringsplannen voor de buurten in Rijswijk West (Stervoorde, Ministerbuurt, Presidentenbuurt, Hoekpolder, Muziekbuurt, Artiestenbuurt, en de Kleurenbuurt) en voor Eikelenburg en RijswijkBuiten. De gemeente onderzoekt op dit moment samen met Rijswijk Wonen, Vidomes en HVC de haalbaarheid van een midden temperatuur warmtenet in de buurten in Rijswijk West: Stervoorde, Ministerbuurt, Presidentenbuurt, Hoekpolder, Muziekbuurt, Artiestenbuurt en de Kleurenbuurt. We zien bij het haalbaarheidsonderzoek voor Rijswijk West dat het lastig is om te komen tot een warmtenet dat voor iedereen betaalbaar is. Dit komt onder andere door alsmaar wisselend Rijksbeleid. We blijven kijken hoe het wel kan lukken. Voor het verbeteren van de wet- en regelgeving en de financiële instrumenten trekken we samen op met partijen in de RES Rotterdam-Den Haag, de WarmteAlliantie12 en het Rijk. In RijswijkBuiten (Sion, Haantje) is het overgrote deel van de woningen aardgasvrij. Deze woningen zijn gebouwd na 2013 of moeten, in het geval van Pasgeld, nog gebouwd worden. Tussen deze woningen staan circa 100 ‘oude’ woningen uit de periode dat dit gebied nog tuinbouwgebied was. Deze ‘oude’ woningen maken op dit moment veelal nog gebruik van aardgas en zijn deels nog niet voldoende aangepast om over te stappen op een individuele warmtepomp. Ook in Eikelenburg is een deel van de woningen aardgasvrij. Voor het overige deel van de woningen geldt dat deze woningen in een goede energetische staat verkeren en zonder grote bouwkundige ingrepen omgezet kunnen worden naar een (bodem/lucht/water)warmtepomp. Vanwege de lage warmtedichtheidsvraag in Eikelenburg en RijswijkBuiten is een middentemperatuur warmtenet niet haalbaar en zal een individuele warmtepomp de oplossing zijn. Het kleine aantal woningen biedt een mooie kans om in deze wijk te starten en ervaring op te doen met de overstap van aardgas naar een individuele warmtepomp. De extra opdracht is om dit wel netbewust te doen, zodat de belasting op het elektriciteitsnet zo minimaal mogelijk is. We willen voor deze wijk dan ook in 2026 aan de slag om samen met de inwoners een uitvoeringsplan op te stellen. In het uitvoeringsplan wordt in beeld gebracht welke gebouwen (woningen en utiliteit) zich in de buurten bevinden die nog aangesloten zijn op aardgas. We brengen de kenmerken van de gebouwen in beeld, beschrijven de toekomstige warmtetechniek en werken uit welke maatregelen nodig zijn om deze gebouwen aan te sluiten op de nieuwe duurzame warmtetechniek. Samen met inwoners bepalen we welke maatregelen zij goed zelf uit kunnen voeren en waar behoefte is aan een gezamenlijke aanpak. Ook hier geldt opnieuw dat we pas aan de slag kunnen als de haalbaarheid en de betaalbaarheid zijn gewaarborgd. Het uitvoeringsplan moet duidelijk maken op welke manier aan beide voorwaarden wordt voldaan. Daarvoor gaan we in op: De keuzevrijheid om te kiezen voor een duurzame warmteoplossing. Hoe de beschikbaarheid van de duurzame warmteoplossing(
- en)wordt geregeld. De verwachte kosten voor eigenaar-bewoners en huurders over de hele levensduur van de investering. De verwachte baten voor eigenaar-bewoners en huurders over de hele levensduur van de investering. De redelijke termijn waarop de levering van aardgas kan stoppen. Deze termijn bedraagt minimaal 8 jaar, maar kan langer zijn indien nodig. De participatie die heeft plaatsgevonden en welke wensen en zorgen daaruit naar voren komen. Op welke wijze de gemeente pandeigenaren ondersteunt om de overstap te maken. De monitoring op de voortgang van de overstap van inwoners op duurzame warmte. [12] De WarmteAlliantie bestaat uit meer dan honderd gemeenten, marktpartijen, koepelorganisaties en waterschappen. Fasering Het is niet mogelijk om in alle buurten te starten. In de Transitievisie Warmte is een fasering opgenomen voor de buurten waarvoor aansluiting op een midden temperatuur warmtenet is voorzien. De fasering van deze wijken blijft in volgorde hetzelfde. Doordat de buurten in Oud-Rijswijk hieraan toe worden gevoegd, zijn de buurten Rembrandkwartier, Havenkwartier en Welgelegen naar voren gehaald. Deze fasering is daarnaast aangevuld met de buurten waar een lage temperatuur warmtenet en/of warmtepomp de oplossing is. Daarmee zijn er nu 4 fases: Start met het opstellen van het uitvoeringsplan tussen 2026 en2030: Stervoorde, Ministerbuurt, Presidentenbuurt, Hoekpolder, RijswijkBuiten, Eikelenburg. Start met het opstellen van het uitvoeringsplantussen 2030 en 2036: Muziekbuurt, Artiestenbuurt, Kleurenbuurt, Bogaard stadscentrum, Plaspoelpolder. Start met het opstellen van het uitvoeringsplan tussen 2036 en 2040: Stationskwartier, Huis te Lande, Te Werve, Rembrandtkwartier, Welgelegen, Havenkwartier, Strijp, Pasgeld. Start met het opstellen van het uitvoeringsplan na 2040: Oud-Rijswijk, Bomenbuurt, Leeuwendaal, Cromvliet, Landgoederenzone, Broekpolder, Hoornwijck, Elsenburg, Kraayenburg, Vrijenban. Figuur 15: Warmtestrategiekaart inclusief fasering Voor alle buurten wordt eerst een uitvoeringsplan opgesteld waarin de overstap naar een duurzame warmteoplossing verder wordt uitgewerkt. Het opstellen van het uitvoeringsplan – inclusief de participatie van inwoners en ondernemers die daarbij hoort – neemt afhankelijk van de omvang en complexiteit naar verwachting één tot twee jaar in beslag. Tegelijkertijd werkt de gemeente aan het aanpassen van het omgevingsplan voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid (deze wordt nader toegelicht in hoofdstuk 6.5). Na vaststelling van het uitvoeringsplan volgt de uitvoering. Voor wijken waar een warmtenet wordt voorzien, zal dat samengaan met de start van de aanleg. De termijn voor uitvoering bedraagt minimaal 8 jaar, maar kan ook langer zijn indien nodig. Lokale initiatieven Naast de ontwikkelingen in het kader van de energietransitie in Rijswijk West en RijswijkBuiten zien we ook buurten waar inwoners zelf plannen en ideeën hebben om aan de slag te gaan. We zien initiatieven vanuit buurten om zelf aan de slag te gaan als zeer waardevol en belangrijk voor een geslaagde energietransitie. Initiatieven kunnen zich van klein, bijvoorbeeld de gezamenlijke inkoop energieadvies, tot groot, het uitwerken van een collectieve warmteoplossing voor de wijk, aandienen. We gaan in overleg met deze initiatiefnemers bekijken hoe we ze kunnen ondersteunen en faciliteren. Hoe die ondersteuning eruitziet is sterk afhankelijk van het soort initiatief. De mate van inzet door de gemeente hangt af van de schaalgrootte van het initiatief, de doorlooptijd, in welke mate het initiatief kan dienen als voorbeeld voor andere projecten in de stad en in welke mate het initiatief bijdraagt aan andere maatschappelijk gewenste ontwikkeling (naast de doelstelling van gas af). Daarbij zetten we ook in op kennisdeling tussen initiatieven. Niet alleen binnen de gemeente Rijswijk, maar ook in de regio samen met de provincie Zuid-Holland en buurgemeenten. De inzet van de gemeente kan variëren. Zo kan bij kleine individuele initiatieven gewezen worden op beschikbare subsidies en toegang tot de juiste informatie. Bij grotere gezamenlijke initiatieven kan de inzet van de gemeente bestaan uit het ondersteunen en faciliteren van informatieavonden naar gelang de behoefte met behulp van specialisten over het betreffende onderwerp. 6.4 Energiesystemen De overstap naar een duurzame manier van verwarmen vraagt om de inrichting van een nieuw energiesysteem. Rijswijk is voor zijn energievoorziening afhankelijk van regionale en landelijke systemen en netwerken. Dat is nu het geval en dat zal in de toekomst zo blijven. De overstap naar duurzame energie moet passen binnen een groter systeem. Onze regierol is erop gericht sturing te geven aan de systeemkeuzes die leiden tot een goed werkend robuust energiesysteem tegen de laagste nationale kosten. Voor Rijswijk gaat dat om het regionale warmtesysteem en elektriciteitsnetwerk dat de functie van het aardgasnetwerk gaan overnemen. Keuzes die we lokaal maken hebben invloed op de regionale systemen en andersom. Dit vergt dus afstemming met gemeenten in de regio. Voor het energiesysteem werken we in de RES Rotterdam-Den Haag met omliggende gemeenten en alle andere betrokkenen (zoals Stedin, WarmtelinQ, aardwarmtebedrijven, warmtebedrijven en provincie) samen aan een eindbeeld waarin de warmtevraag en het warmteaanbod op elkaar zijn afgestemd. Als we een gezamenlijk eindbeeld hebben, kunnen we daar in stappen naartoe werken. Het biedt houvast voor alle partijen in de warmte- en elektriciteitsketen om de komende jaren zo efficiënt en effectief mogelijk stappen te zetten. Door op deze wijze met elkaar samen te werken, zijn knelpunten op te lossen en is een energiesysteem te realiseren tegen lagere nationale kosten. Omdat de wederzijdse afhankelijkheid in de regio zo groot is, wordt een aantal uitgangspunten over de ontwikkeling van een verbonden regionaal warmtesysteem bestuurlijk vastgelegd. Deze uitgangspunten zijn nog in ontwikkeling. Naast de regie op de energietransitie met de daarbij behorende sturingsinstrumenten, voert de gemeente ook regie op ruimtelijke ordening. Beide regiefuncties moeten worden ingezet om de belasting op het elektriciteitsnet zo laag mogelijk te houden. Dit gebeurt door ‘netbewuste nieuwbouw’, zodat de kosten voor het uitbreiden van het elektriciteitsnet zo laag mogelijk gehouden kunnen worden, de netcongestieproblematiek niet groter wordt en de andere maatschappelijke opgaven zoals het bouwen van woningen geen vertraging oplopen. We werken met Stedin aan uitbreiding van het lokale elektriciteitsnetwerk via de buurtaanpak. De samenwerking is erop gericht om het proces van inpassen, besluitvorming en uitvoering te versnellen, zodat de doorlooptijden worden verkort en overlast voor inwoners wordt beperkt. Ten aanzien van het regionale net werken we in de RES-regio en op provinciaal niveau samen aan de integrale oplossingen. 6.5 Aanwijsbevoegdheid We gaan aan de slag met het uitwerken van de aanwijsbevoegdheid, zodat we duidelijkheid kunnen geven over wanneer de levering van aardgas stopt. De aanwijsbevoegdheid wordt opgenomen in het Omgevingsplan. Om dit te doen moeten de volgende zaken worden uitgewerkt: Een onderbouwing van de redelijke termijn waarop de levering van aardgas wordt beëindigd. In de toelichting van de wet is als richtlijn 8 jaar opgenomen. Dit betekent dat er minimaal 8 jaar tijd zit tussen het moment dat de aanwijsbevoegdheid wordt opgenomen in het Omgevingsplan en het stoppen met de levering van aardgas. Deze 8 jaar is een richtlijn. Daar mag van worden afgeweken als duidelijk is dat het sneller kan of dat er meer tijd nodig is. Voorop staat dat inwoners en ondernemers voldoende tijd moeten hebben om over te schakelen op een andere manier van verwarmen. Een onderbouwing van de haalbaarheid van de energie-infrastructuur en van de gekozen aanpak. Het moet zeker zijn dat de nieuwe infrastructuur voor de nieuwe warmteoplossing beschikbaar is voor alle woningen om de overstap te maken. Ook moeten inwoners en ondernemers de acties kunnen uitvoeren die nodig zijn voor de overstap, ook als er tegenslagen zijn. We werken uit op welke manier gebouwen kunnen aansluiten op de nieuwe warmteoplossing. De benodigde investering en de betaalbaarheid voor de bewoners, ondernemers en andere gebouweigenaren. Het installeren van de nieuwe warmteoplossing kost geld. Vooraf moet duidelijk zijn wat de kosten zijn voor gebouweigenaren om over te stappen op een nieuwe warmteoplossing. Deze kosten moeten voor iedereen betaalbaar zijn. In hoofdstuk 4 staat per buurt aangegeven welke nieuwe warmteoplossing wordt uitgewerkt. Inwoners en ondernemers hoeven niet aan te sluiten op de nieuwe warmteoplossing die de gemeente voorstelt. Zij hebben altijd het recht om zelf te kiezen voor een andere warmteoplossing. Dat noemen we de opt-out-regeling. De voorwaarde is wel dat de andere warmteoplossing minimaal even duurzaam is als de warmteoplossing die de gemeente voorstelt. In de uitwerking van het uitvoeringsplan gaan we het inzetten van de aanwijsbevoegdheid verder uitwerken. We streven ernaar om met de inzet van de aanwijsbevoegdheid de buurten die in tabel 16 staan genoemd, voor 2040 van het aardgas af te halen. Dit kan door één datum te stellen of stapsgewijs per buurt. In onderstaand overzicht is aangegeven voor welke buurten we aan de slag gaan met de uitwerking van de aanwijsbevoegdheid in het uitvoeringsplan. Voor iedere buurt is inzichtelijk gemaakt: Welke warmteoplossing wordt voorzien voor de vervanging van aardgas. Hoeveel gebouwen zich in het gebied bevinden en hoeveel daarvan geïsoleerd moeten worden voordat de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet. Wat de totale kosten van de nieuwe warmteoplossing voor de maatschappij zijn. Wat de verwachte gemiddelde warmtevraag is van de gebouwen waar de aanwijsbevoegdheid voor gaat gelden. De buurten zijn op alfabetische volgorde opgenomen in de tabel. Dit zegt niets over de volgorde waarin de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet. Buurten Voornemen tot aanwijzing Aantal woningen Waarvan te isoleren** Infrastructuur Gemiddelde warmtebehoefte GJ/ha * 2023 Gemiddelde warmtebehoefte GJ/ha * 2035 Artiestenbuurt Ja 1.536 0 MT-warmtenet 2361 1491 Eikelenburg Ja 192 0 Warmtepomp of bronnet 156 104 Haantje Ja 231 (waarvan 49 met aardgas-aansluiting) 49 Warmtepomp 247 156 Hoekpolder (gebouwde omgeving) Ja 373 0 MT- warmtenet 11 6 Kleurenbuurt Ja 1.573 0 Mt-warmtenet 2352 1857 Ministerbuurt Ja 2.150 0 Mt-warmtenet 1667 1257 Muziekbuurt Ja 2.256 0 Mt-warmtenet 1917 1570 Pasgeld Ja 228 228 Warmtepomp Presidentenbuurt Ja 426 0 Mt-warmtenet 1633 1174 Sion Ja 1.102 (waarvan 52 met aardgas-aansluiting) 52 Warmtepomp 115 75 Stervoorde Ja 3.444 0 Mt-warmtenet 1533 1176 Wilhelminapark Ja 4 4 Warmtepomp 2 1 Tabel 16 aanwijsbevoegheid * In de gemiddelde warmtebehoefte na 2023 is rekening gehouden met de verduurzamingsopgave van de woningcorporaties en de aanname dat de warmtevraag voor particulier bezit gemiddeld 1,4% per jaar afneemt door isolatie. ** Aanname is dat alle gebouwen die nu nog een aardgasaansluiting hebben en waar een warmtepomp als toekomstige warmteoplossing is voorzien, enige mate van isolatie nodig hebben om over te stappen op verwarming met een warmtepomp. De mate waarin isoleren nodig is, verschilt per gebouw. 6.6 Kavelplan Om in 2050 alle gebouwen aardgasvrij te laten zijn, moeten we nu aan de slag met het aardgasvrij maken van de eerste buurten. In tabel 16 is aangegeven welke buurten we als eerste op een collectief warmtenet willen zetten om aardgasvrij te worden. Dit doen we stap voor stap. Een van de stappen in het proces is om een warmtekavel aan te wijzen. Een warmtekavel is een aaneengesloten gebied waar een collectief warmtenet als alternatief voor aardgas is voorzien. Met de kennis van nu denken wij dat het gebied van Rijswijk-West (figuur 17) één warmtekavel is. Figuur 17: Kavelkaart Op dit moment zullen we niet toewerken naar het aanwijzen van één warmtekavel waar alle buurten in Rijswijk waar we nu een warmtenet voorzien, onder vallen. Hiervoor zijn een aantal redenen. Ten eerste willen we eerst ervaring opdoen in de warmtekavel Rijswijk-West. Het toepassen van de wettelijke bepalingen uit de Wcw om een kavel aan te wijzen is nog nergens in Nederland toegepast. Dit betekent dat we nog geen ervaring hebben. We willen de kennis die wij opdoen en de kennis elders in Nederland gebruiken voor de volgende fases in de warmtetransitie in Rijswijk. Daarnaast kunnen we nu niet overzien wat de gevolgen zijn van de keuze voor één warmtekavel. Daarbij zien we geen noodzaak om tot het aanwijzen van één kavel voor de gehele gemeente te komen. Een warmtenet in andere buurten van Rijswijk voorzien we pas na 2036. Het beoogde kavel Rijswijk-West voldoet, met de kennis van nu, aan de criteria die de Wcw stelt aan een kavel: Het warmtebedrijf moet het collectieve warmtesysteem doelmatig aanleggen en exploiteren. Dat betekent dat het warmtesysteem tegen zo laag mogelijke kosten moet worden gerealiseerd en beheerd. a. Het warmtebedrijf moet het collectieve warmtesysteem doelmatig aanleggen en exploiteren. Dat betekent dat het warmtesysteem tegen zo laag mogelijke kosten moet worden gerealiseerd en beheerd. Situatie Rijswijk-West: het ontwikkelen van nieuwe warmtenetten in bestaand stedelijk gebied is nog zeer lastig. Om de risico’s ook voor het warmtebedrijf niet te groot te maken moet de opgave niet te groot zijn en in de tijd niet te lang duren. Dit blijkt ook uit de studies naar de haalbaarheid die we afgelopen jaren in samenwerking met het publieke warmtebedrijf HVC hebben opgesteld. Met 8.000-10.000 WEQ in Rijswijk-West is er voldoende volume om een warmtesysteem tegen zo laag mogelijke kosten aan te leggen en te beheren. b. De leveringszekerheid moet worden geborgd. De warmtekavel moet voldoende omvang hebben om in de warmtevraag te voorzien, ook bij piekverbruik of als er sprake is van gedeelde bronnen of infrastructuur. Een bron kan immers in sommige gevallen worden gebruikt voor meerdere kavels, waardoor je de bron en de infrastructuur deelt. Situatie Rijswijk-West: het warmtenet van Rijswijk komt “te hangen” in een groot regionaal warmtenet met verschillende duurzame warmtebronnen. De omvang van de kavel is groot genoeg om het warmtenet op de kavel op een rendabele manier door verschillende bronnen te laten voeden. c. De omvang van de warmtekavel moet bijdragen aan een efficiënte warmtetransitie in één of meerdere gemeenten. Dit betekent dat de inzet van warmtebronnen en infrastructuur leidt tot de laagste nationale kosten en een efficiënter energiesysteem. Situatie Rijswijk-West: Hierover valt nu nog niet veel te zeggen. Hiervoor ontbreekt nog te veel praktijkkennis. De warmtekavel Rijswijk West maakt in de toekomst onderdeel uit van een regionaal systeem van warmtebronnen en infrastructuur. Door sterke sturing zal dit moeten leiden tot de laagste nationale kosten en een efficiënter energiesysteem. Daarnaast is het op een later moment mogelijk om (gemotiveerd) de kavelindeling te wijzigen. De gemeente kan de kavel op een later moment vergroten als de warmtekavel blijft voldoen aan de wettelijke criteria zoals ze hierboven zijn beschreven. Ook kan de gemeente de kavel verkleinen. Ook dan blijven deze wettelijke criteria gelden, maar belangrijker is wellicht dat het warmtebedrijf voldoende rendement moet blijven behalen om zijn taken en verplichtingen uit te voeren. Ook vergt het verkleinen van de warmtekavel instemming van het warmtebedrijf. Uiteindelijk kan ook sprake zijn van het samenvoegen van twee of meerdere warmtekavels. Het samenvoegen van kavels kan bijvoorbeeld wenselijk zijn vanwege een gezamenlijke aanpak of schaalvoordelen. Ook voor het samenvoegen van warmtekavels geldt dat de nieuwe warmtekavel moet voldoen aan de wettelijke criteria. Daarnaast mag slechts één warmtebedrijf per warmtekavel integraal verantwoordelijk zijn voor het transport en de levering van warmte. Daarom moeten beide warmtekavels hetzelfde warmtebedrijf hebben of moet er tot een nieuwe organisatie worden overgegaan. Kortom, er zijn voldoende mogelijkheden om in Rijswijk nu niet alle warmtekavels te definiëren en op een later moment te komen tot een gedetailleerde kavelindeling. 6.7 Hoe betrekken we inwoners en ondernemers? De warmtetransitie heeft gevolgen voor alle woning- en pandeigenaren binnen de gemeente. Het succes van deze transitie hangt niet alleen af van technische oplossingen, maar ook van de actieve betrokkenheid en inzet van de inwoners en ondernemers. De gemeente ziet communicatie (informeren) en participatie (betrekken) als belangrijke onderdelen om draagvlak te creëren en inwoners actief te betrekken bij dit proces. We bevinden ons in een periode van verandering waarin 2050 steeds dichterbij komt. De keuzes die we vandaag maken, bepalen mede dat we de klimaatdoelen in 2050 halen. We hebben als gemeente nog niet op alle vragen een antwoord. Dit komt doordat de transitie nog vol onzekerheden zit. De weg naar de overstap op een duurzame energiebron is continu in beweging. Het is een continu leerproces waarin nieuwe inzichten en ontwikkelingen elkaar snel opvolgen en waar veel verschillende partijen bij betrokken zijn. Onze stip op de horizon is: ‘Rijswijk aardgasvrij in 2050’ en stap voor stap proberen we de weg hiernaartoe duidelijk te krijgen. We doen dit samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners. Door gedurende het proces duidelijk te communiceren en in te zetten op het betrekken van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners, kunnen we samen leren, verbeteren en stap voor stap steeds dichter bij ons doel Rijswijk aardgasvrij in 2050 komen. Onze stip op de horizon is helder: Rijswijk aardgasvrij in 2050. Om dat te bereiken moeten we nú beginnen. De gemeente vindt het belangrijk om inwoners goed te informeren over wat de energietransitie inhoudt. Dit doen wij door duidelijke en toegankelijke communicatiekanalen in te zetten, zoals nieuwsbrieven, sociale media en informatiebijeenkomsten. We vinden het belangrijk dat inwoners begrijpen waarom de warmtetransitie nodig is en welke gevolgen dit met zich meebrengt. De gemeente hecht er veel waarde aan dat inwoners de kans krijgen om hun stem te laten horen over de warmtetransitie in Rijswijk. Op deze manier bouwen we aan vertrouwen en aan draagvlak voor de noodzakelijke keuzes die de komende jaren volgen. Naarmate we dichter richting 2050 komen, gaan we steeds meer richting de uitvoering. De mate van communicatie en participatie zullen meebewegen en meer op wijkniveau plaats gaan vinden. Ook zal het aantal participatiemomenten toenemen. Dit doen we door zowel digitale als reguliere participatiebijeenkomsten te organiseren waar inwoners hun ideeën en betrokkenheid kunnen delen. Door een open dialoog te creëren, is het de bedoeling dat inwoners zich betrokken voelen, informatie kunnen vinden, vragen kunnen stellen, hun mening kunnen geven en ideeën kunnen bespreken. Het gebruik van digitale platforms zien wij als een waardevolle aanvulling op onze communicatie- en participatiestrategieën. Op onze website “Rijswijk schakelt over | Gemeente Rijswijk” kunnen inwoners van Rijswijk informatie vinden, vragen stellen en zich inschrijven voor onze digitale nieuwsbrief. Door het zorgvuldig plannen en inzetten van alle communicatie- en participatiemomenten waarbij we zorgen voor begrijpelijke en actuele informatie leggen we niet alleen uit wat er verandert, maar ook waarom en wanneer. Hierdoor maken we deelname aan het energietransitieproces voor iedereen mogelijk. Het delen van successen is belangrijk om inwoners te laten zien wat hun betrokkenheid heeft opgeleverd. De gemeente Rijswijk blijft luisteren naar de feedback van inwoners en neemt deze serieus. Het proces van de warmtetransitie is dynamisch en kan zich ontwikkelen op basis van de input van inwoners. Door inwoners actief te betrekken en feedback te integreren in het vormgeven van beleid, kan de gemeente ervoor zorgen dat de warmtetransitie niet alleen een technisch project is, maar ook een gezamenlijke inspanning van de hele gemeenschap. Communicatie en participatie versterken elkaar De gemeente Rijswijk ziet communicatie en participatie niet als twee losse trajecten, maar als een wederkerig en circulair proces dat elkaar voortdurend versterkt. Om het gevoel van urgentie te benadrukken en de betrokkenheid te vergroten, maken we gebruik van duidelijke en toegankelijke communicatie. Dit vergroot de betrokkenheid en het gevoel van urgentie, terwijl een doelgerichte participatieaanpak waardevolle input oplevert die terugvloeit in de communicatie. Zo ontstaat naast de nadruk op urgentie ook een open en lerend proces waarin inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners zich niet alleen geïnformeerd voelen, maar ook daadwerkelijk gehoord en meegenomen. Communicatie gaat dus verder dan het zenden van informatie: het is een uitnodiging tot verbinding. Door eerlijk, helder en toegankelijk te communiceren ontstaat ruimte voor ontmoeting, uitwisseling en het delen van ideeën. Dit bevordert niet alleen transparantie, maar versterkt ook het onderlinge vertrouwen – zowel in het proces als in elkaar. Zo zorgen we ervoor dat de warmtetransitie niet iets van de overheid is, maar iets van en voor de hele stad. Vier kernwaarden vormen hierbij het fundament: a. Verbinding – We slaan bruggen tussen inwoners, gemeente en partners. Door actief te luisteren en ruimte te geven aan verschillende perspectieven, bevorderen we onderling begrip. b. Toegankelijkheid – Iedereen moet kunnen meedoen. Informatie is begrijpelijk en participatiemomenten zijn laagdrempelig en uitnodigend. c. Transparantie – We zijn open over wat we weten én over wat nog onzeker is. We maken duidelijk welke stappen nog volgen en waarom. d. Vertrouwen – We investeren in duurzame relaties waarin mensen zich serieus genomen voelen. Vertrouwen vormt de basis voor gezamenlijke verandering. Door communicatie en participatie op deze manier met elkaar te verweven, wordt de warmtetransitie niet alleen een technisch traject, maar een gezamenlijke beweging van de hele gemeenschap – gedragen, verbonden en voortdurend in ontwikkeling. Daarvoor zetten we in op de ontwikkeling van een merk en de merkbeleving die daarbij hoort. Merkbeleving De energietransitie raakt direct aan het dagelijks leven van inwoners. Het is een complexe, urgente en technische opgave die bij veel inwoners nog ver weg voelt. Begrippen als ‘aardgasvrij’, ‘bodemwarmte’, ‘warmtepomp’, of ‘hittestress’ zijn abstract of onbekend. Daarom zien we een sterke merkbeleving als een noodzakelijke communicatiestrategie. Het helpt om beleid te vertalen naar begrijpelijke, herkenbare en toegankelijke boodschappen die vertrouwen wekken en tot actie aanzetten. Met een merkbeleving voor programma’s en plannen op gebied van energie en klimaat, zetten we in op: Het creëren van samenhang en overzicht: De uitvoering van programma’s en plannen bestaan uit uiteenlopende projecten die nu vaak als losse onderdelen worden gecommuniceerd. Een overkoepelende merkidentiteit verbindt deze onderdelen tot één samenhangend verhaal. Hierdoor ervaren inwoners overzicht in plaats van versnippering. Herkenbaarheid en vertrouwen opbouwen: Een vaste visuele stijl, toon en boodschap zorgen voor herkenning. Inwoners herkennen: “Dit hoort bij het grotere verhaal van een duurzamer Rijswijk”. Die consistentie wekt vertrouwen, een essentiële voorwaarde bij ingrijpende veranderingen in huis of buurt. Toegankelijkheid en aansluiting bij de leefwereld van inwoners: We kiezen voor merkbeleving met eenvoudige taal, menselijke verhalen en visuele communicatie. Dat is essentieel om ook inwoners te bereiken die minder talig zijn of duurzaamheid nog als ‘ver van hun bed’ ervaren. Denk aan huurders, ouderen, mensen met een migratieachtergrond of lage interesse in het onderwerp. Verbinding stimuleren tussen beleid en participatie: We zetten niet alleen in op herkenbaarheid van de afzender, maar ook op emotionele verbinding. Wanneer inwoners zich kunnen identificeren met het verhaal, ontstaat ruimte voor participatie. Niet omdat het moet, maar omdat ze zich uitgenodigd voelen om mee te doen. De beweging van beleid naar actie: Uiteindelijk willen we niet alleen informeren, maar activeren. Inwoners helpen met het isoleren van hun woning, zich voorbereiden op hittestress, of kiezen voor een duurzame warmtebron. Een merkbeleving maakt van deze doelen een gedeeld project, niet van de gemeente, maar van de hele stad. Een goed merk is niet alleen een logo of campagne. Het is een gevoelde identiteit, die richting en samenhang geeft aan alle communicatie en de brug slaat tussen beleid en beleving. We gaan hiermee aan de slag, zodat onze plannen niet alleen technisch kloppen, maar ook gevoelsmatig landen bij de mensen om wie het gaat. 7. Monitoring Monitoring Het Warmteprogramma wordt iedere 5 jaar herzien. In de periode daartussen wordt het programma uitgevoerd en jaarlijks gemonitord. Daarmee krijgen we inzicht in hoever we zijn in het aardgasvrij maken van Rijswijk, wat daarin goed werkt en wat verbetering vraagt. Op die manier willen we leren en tussentijds bijstellen als dat nodig is. Hieronder beschrijven we op welke wijze we aan de slag gaan met de monitoring. We maken onderscheid in twee vormen van monitoring: de procesmonitor en de voortgangsmonitor. De procesmonitor is gericht op de uitvoering van het Warmteprogramma in uitvoeringsplannen en kavelplannen. Met de voortgangsmonitor houden we bij hoeveel woningen zijn geïsoleerd (energieverbruik) en/of aardgasvrij zijn gemaakt. 7.1 Procesmonitoring Voor de buurten waar we voor 2036 aan de slag gaan, monitoren we op de voortgang van het proces. Dit betreft: Het opstellen van een uitvoeringsplan. Het vaststellen van een warmtekavel. Het uitwerken van de aanwijsbevoegdheid. Het wijzigen van het omgevingsplan voor het opnemen van de aanwijsbevoegdheid. De uitvoering van de communicatie en de participatie, en daarbij specifiek: a. De inzet van online advertenties (meten klikgedrag). b. De inzet van digitale kanalen (gericht op gebruikersgroepen) c. De inzet van gerichte meetbare participatie (webinars, online enquêtes, platform Samen.Rijswijk). 7.2 Voortgangsmonitor De voortgangsmonitor richt zich op de hoofddoelstelling van het Warmteprogramma: het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Met de voortgangsmonitor brengen we in beeld: De ontwikkeling van het energieverbruik, waaronder: De ontwikkeling van het elektriciteitsgebruik. De ontwikkeling van het aardgasgebruik. De gebieden die aardgasvrij zijn geworden, en daarbij specifiek: Het aantal gebouwen dat aardgasvrij is geworden. Het aantal aansluitingen op het warmtenet. Het aantal woningen dat de opt-out keuze heeft gemaakt. De tevredenheid van inwoners over het proces. In de uitvoeringsplannen wordt op buurtniveau beschreven welke maatregelen worden ingezet in de overstap naar duurzame warmte te realiseren. In de uitvoeringsplannen wordt specifiek ingegaan op de monitoring van de voortgang op buurtniveau. 8. Hoe is dit Warmteprogramma tot stand gekomen? Hoe is dit Warmteprogramma tot stand gekomen? In december 2021 is de Transitievisie Warmte Rijswijk 2021 (hierna Transitievisie Warmte) vastgesteld door de gemeenteraad. Het opstellen van het Warmteprogramma is gestart met een terugblik op de uitvoering van de Transitievisie Warmte. In dit hoofdstuk gaan we in op die terugblik. Daarna volgt een toelichting op de participatie die tijdens het opstellen van het Warmteprogramma is uitgevoerd, de plan-mer-beoordeling, wie betrokken zijn geweest bij het opstellen van dit Warmteprogramma en een overzicht van de relevante onderzoeken en bronnen. 8.1 Terugblik Transitievisie Warmte In de Transitievisie Warmte zijn de volgende doelstellingen opgenomen: “Gemeente Rijswijk legt de focus op isolatie en voorlichting, het ondersteunen van lokale initiatieven en het maken van een uitvoeringsplan om een aantal buurten voor 2030 stap voor stap van het gas af te halen.” “Hoofdlijnen van de visie zijn: inzetten op het verkleinen van de warmtevraag, lokale initiatieven stimuleren en faciliteren, betaalbaarheid, stap voor stap, samen.” “Jaarlijkse reductie van energieverbruik gemiddeld 1,4%.” “Het maken van een uitvoeringsplan om een aantal buurten voor 2030 van het gas af te halen.” “Informeren (communicatie) en betrekken (participatie) zijn twee losse sporen waar de gemeente intensief op inzet.” Vanaf 2022 is de uitvoering van de Transitievisie Warmte van start gegaan. De inzet heeft zich hoofdzakelijk gericht op energiebesparing en het onderzoek naar warmtenetten in Rijswijk West. Onder de noemer “Rijswijk schakelt over” is een communicatiecampagne gestart. Vanuit deze campagne is ingezet op energiebesparing door bewustwording om het energieverbruik te verlagen. In samenwerking met de energiefixers is ingezet op energiebesparende maatregelen en het verminderen van energiearmoede. In 2024 is het Woningisolatieprogramma van start gegaan met een ondersteuningsaanbod voor VvE’s en individuele woningeigenaren om aan de slag te gaan met woningisolatie. De voorgenomen jaarlijkse reductie van energieverbruik met gemiddeld 1,4% is ruim behaald. In de periode 2014 – 2023 is de energievraag in Rijswijk met ongeveer 24,5% gedaald. Da