Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2025De raad van de gemeente Purmerend, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 februari 2025, B E S L U I T: Het integraal huisvestingsplan Onderwijs 2025 als richtinggevend kader vast te stellen. De financiële consequenties te betrekken bij de Voorjaarsnota 2025 Voorwoord Ontwikkeling en groei, dat staat centraal in het onderwijs in Purmerend. Onze gemeente is ook in ontwikkeling en om kinderen het onderwijs te kunnen bieden dat hen past, moeten we vooruitkijken. Wat is de oplossing voor het groeiend leerlingenaantal tegenover de beperkte beschikbare ruimte? Hoe geven we bewegingsonderwijs letterlijk en figuurlijk een belangrijkere plek? Met de ontwikkelingen die de komende jaren op ons afkomen, moet het onderwijs kunnen meebewegen. Met toekomstbestendige, duurzame oplossingen die aansluiten bij wat financieel past. In dit Integraal Huisvestingsplan Onderwijs (IHP) staan die kaders voor toekomstbestendig onderwijs. Met oog voor maatschappelijke functies zoals kinderopvang en jeugdvoorzieningen en ruimte voor de ambities die schoolbesturen, opvangorganisaties en de gemeente hebben. Kortom, de uitgangspunten van deze visie vertalen zich in toekomstbestendige, inspirerende en functionele gebouwen. Fijne plekken waar elk kind kan spelen, leren en zichzelf ontwikkelen op een manier die bij hun past. Onderwijs en huisvesting zijn niet los te zien van andere maatschappelijke voorzieningen. Daarom is deze visie ook in lijn met andere documenten die in ontwikkeling zijn, zoals de Woon(zorg)visie, het beleidskader dagelijkse voorzieningenstructuur Purmerend en de behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen Purmerend. Het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs kwam met de schoolbesturen en besturen van de kinderopvang uit onze gemeente, in goed overleg tot stand. Natalie Saaf, Wethouder Onderwijs 1.Inleiding Aanleiding In 2021 heeft de gemeenteraad het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs (IHP) vastgesteld, daarna is gestart met het uitvoeren van de projecten. Tijdens de uitvoering is de gemeente Purmerend verschillende uitdagingen tegengekomen waar bij het maken van het IHP 2021 geen rekening mee was gehouden, zoals de uitwerking van IKC-vorming, ruimtelijke beperkingen bij projecten, locatie specifieke kenmerken, de relatie met het programma 2040, maatschappelijke en commerciële voorzieningen en het bewegingsonderwijs. Het is belangrijk aan deze zaken goed aandacht te besteden en daarbij is geluisterd naar wat er speelt bij schoolbesturen, kinderopvangorganisaties en Spurd. De gemeente is samen met deze organisaties aan de slag om voor onze kinderen te zorgen voor toekomstbestendige onderwijshuisvesting in een nieuw IHP. Met de verwachte ontwikkelingen in de komende jaren, zoals groeiende leerlingenaantallen en ruimtelijke inpasbaarheid, is het noodzakelijk om het IHP 2021 te evalueren en te verbeteren. Het doel is om toekomstbestendige oplossingen te vinden die passen bij de wijken en dorpen en de groeiende gemeente. Daarnaast is er de wens om een beter inzicht in de technische staat van de scholen te krijgen. Door een analyse van bestaande informatie, waaronder gegevens uit Meerjaren Onderhoudsplannen (MJOP's), jaarrekeningen en de belevingswaarde van de gebouwen, brengen we alle schoolgebouwen in kaart. Ook brengen we demografische ontwikkelingen en stedenbouwkundige ontwikkelingen in de gemeente Purmerend in beeld. En tenslotte zetten we de belangrijkste ontwikkelingen in en voor het onderwijs en de daaraan gerelateerde maatschappelijke functies (zoals kinderopvang en mogelijke jeugdvoorzieningen) en de ambities die de gemeente, schoolbesturen en opvangorganisaties samen hebben op een rij. Al deze ingrediënten brengen we samen tot verschillende scenario’s voor de onderwijshuisvesting in Purmerend. Op basis van deze scenario’s worden er keuzes gemaakt voor het toekomstperspectief van de verschillende gebouwen: (vervangende) nieuwbouw, renovatie of handhaven en verduurzamen. Vanwege aanscherpingen van de wettelijke verplichting om kinderen genoeg bewegingsonderwijs te bieden, wordt de capaciteit van de gymzalen ook meegenomen in de nieuwe versie van dit IHP. De uitgangspunten zoals opgenomen in deze visie vertalen zich in toekomstige, duurzame, inspirerende en functionele gebouwen, die een goed binnenklimaat hebben en voor alle partijen binnen de beschikbare middelen te exploiteren zijn. Omdat de ruimte waarop alle voorzieningen in een complete stad gerealiseerd moeten worden beperkt is, wordt steeds gekeken op welke manier dit - met respect voor geldende regels voor bekostiging- slim combineren van functies tot toekomstbestendig en slim ruimtegebruik leidt. Wettelijk kader Gemeenten ontvangen in de Algemene Uitkering uit het Gemeentefonds financiële middelen om de zorgplicht voor adequate onderwijshuisvesting te kunnen betalen. De middelen zijn voor primair onderwijs gebaseerd op onder andere het aantal kinderen dat in de gemeente woont en voor het voortgezet onderwijs gebaseerd op het aantal leerlingen dat in de gemeente op een vo (voorgezet onderwijs) school is ingeschreven. Dat gaat zowel over de onderwijsgebouwen als voorzieningen voor bewegingsonderwijs (in vervolg onderwijshuisvesting). Uitgangspunt daarbij is sober en doelmatige onderwijshuisvesting die voldoet aan geldende wet- en regelgeving. De minimale kwaliteitseisen die worden gesteld aan onderwijsgebouwen zijn vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), voorheen het Bouwbesluit. In het Bbl staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Aanvullende regels staan in het Uitvoeringsbesluit 'Voorzieningen in de huisvesting po/vo' (bijvoorbeeld normen ruimte m2 per kind voor verschillende schooltypen). Kort samengevat komt het er in het algemeen op neer dat de minimale eisen zoals in het bestaande Bouwbesluit zijn vastgelegd voor nieuwbouw voldoen aan BENG (bijna energie neutraal) en Frisse Scholen (gemiddeld) klasse B. De wettelijke basis voor de uitgangspunten die voor het IHP en het daaruit voortvloeiende uitvoeringsplan gelden, is gelegd in de wet WPO (wet op het primair onderwijs), de wet WEC (wet op de expertisecentra) en de wet WVO (wet op het voortgezet onderwijs). Hierin is voor de onderwijshuisvesting onder andere de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de gemeente en schoolbesturen geregeld. Zo is de gemeente verantwoordelijk voor adequate onderwijshuisvesting en zijn de schoolbesturen er verantwoordelijk voor dat dit zo blijft. Voor de gemeente houdt dit in dat zij verantwoordelijk is voor (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding, herstel constructiefouten en schades, tijdelijke huisvesting en huisvesting voor bewegingsonderwijs. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van het schoolgebouw; onderhouden, exploiteren en het uitvoeren van inpandige (onderwijskundige) aanpassingen zijn de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. Voor deze taken ontvangen de besturen jaarlijks vanuit het Rijk financiële middelen. Deze vergoeding wordt gebaseerd op het aantal ingeschreven leerlingen. Door een wetswijziging in het primair onderwijs is het zo dat vanaf schooljaar 2023-2024 de wettelijke verplichting geldt om ten minste 2 lesuren per week bewegingsonderwijs te geven door bevoegde leraren. Er is een wetswijziging in behandeling waardoor het wettelijk kader voor onderwijshuisvesting gaat veranderen. De streefdatum voor de inwerkingtreding van het wetswijzigingsvoorstel is 1 januari
- Dit is nog niet definitief. In het voorstel staan de volgende punten: Het hebben van een IHP wordt een wettelijke verplichting van gemeenten. Het IHP heeft een scope van 16 jaar; Renovatie wordt een voorziening in de huisvesting en valt onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid; Het investeringsverbod voor het primair en speciaal onderwijs wordt voor een deel opgeheven; Gemeenten en schoolbesturen hebben de verplichting te zorgen voor een gezond binnenklimaat. Hierbij is de gemeente bij (ver)nieuwbouw verantwoordelijk voor het creëren van een goed binnenklimaat en is het schoolbestuur verantwoordelijk om het gezonde binnenklimaat te behouden. Het vernieuwde IHP sluit aan op het wijzigingsvoorstel, maar is onder voorbehoud van de kosten. Zowel in de visie als bij het formuleren van scenario’s en het berekenen van investeringen zijn bovenstaande thema’s onder de aandacht gebracht en vertaald naar concrete voorstellen. Voor de huisvesting van aan onderwijs gerelateerde partners, zoals kinderopvang of zorgfuncties zoals logopedie, fysiotherapie en dergelijke heeft de gemeente geen wettelijke taak en ontvangt de gemeente geen bekostiging. De behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen geeft hier inzicht in. Voor deze functies geldt dat gemeenten in het kader van de Wet Markt en Overheid gehouden zijn aan regels die er op toezien om oneerlijke concurrentie in de markt te voorkomen en dus elke vorm van bevoordeling van partijen moeten voorkomen. Voor het transparant aanbieden van deze huisvesting moet daarbij ook nog worden verwezen naar het zogenaamde Didam-arrest. Verordening onderwijshuisvesting Elke gemeente heeft een verordening onderwijshuisvesting waarin de wettelijke bepalingen worden beschreven. Dit wordt gebaseerd op normen voor onderwijshuisvesting en afspraken over hoe de gemeente invulling geeft aan haar zorgplicht voor onderwijshuisvesting en hoe de gemeente en schoolbesturen processen inrichten om daar uitvoering aan te geven. Deze verordening is gebaseerd op een modelverordening die de VNG publiceert en eens in de zoveel tijd vernieuwd. De verordening van de gemeente Purmerend wordt ook vernieuwd op basis van wat er in dit plan staat. Proces De eerste stap in het opstellen van het IHP is het op- en vaststellen van een visie op onderwijshuisvesting. Dit proces wordt door de stakeholders gedaan1Schoolbesturen, kinderopvangorganisaties, Spurd en de ambtelijke organisatie van de gemeente Purmerend.. Hierin komen de belangrijkste thema’s aan bod voor wat betreft de prioriteiten, zoals genoeg huisvesting op korte termijn en uitgangspunten voor de onderwijshuisvesting van het primair, voortgezet en speciaal onderwijs binnen de gemeente Purmerend. Vervolgens wordt op basis van zoveel mogelijk feitelijke informatie een ‘factsheet’ gemaakt. Het gaat hier om gegevens als bouwjaar, gebruikerslasten, technische en functionele kwaliteit van schoolgebouwen en de ontwikkeling van vraag en aanbod op basis van de verwachtingen in leerlingenaantallen. Met de basisinformatie en het inzicht in de vooraf benoemde knelpunten en ontwikkelingen, wordt een situatieschets per kern/wijk gemaakt in de vorm van een zogenaamde kansenkaart. Tijdens de werksessies worden alle ontwikkelingen en knelpunten die belangrijk zijn in de clusters van onderwijshuisvesting of specifiek voor locaties, in kaart gebracht. Op basis van de knelpuntenanalyse ontstaat een prioritering met schoolgebouwen die binnen het IHP in verschillende fasen om een actie vragen. De basisinformatie uit de factsheets, de situatieschets per cluster en prioritering vormen de input voor de oplossingsrichtingen. De basis voor prioritering is het bestaande IHP. In de analyse kijken we of het nodig is om de in het bestaande IHP opgenomen projecten en/of de prioritering daarvan aan te passen. In het proces wordt gewerkt met een basis en een optimale variant waar uiteindelijk een voorkeursvariant uit ontstaat. De oplossingsrichtingen worden financieel vertaald. De situatieschets per primair en voortgezet onderwijs, de gezamenlijke ambities, oplossingsrichtingen, inclusief financiële vertaling worden vastgelegd in het IHP. In deze rapportage wordt ook voor elke schoollocatie een voorstel opgenomen voor de toekomstige huisvesting van (ver)nieuwbouw of instandhouding, kijkend naar de periode tot
- Tijdens het proces vormt ieder deelproduct de input voor het daaropvolgende deelproduct. Zo vormen de factsheets de input voor de kansenkaarten en de kansenkaarten de basis voor het vormen van de prioriteiten en de oplossingsrichtingen. De deelprojecten worden tijdens de gezamenlijke werksessies besproken en verbeterd waar dat nodig is. Met de afspraken die we in het IHP vastleggen, willen de gemeente en schoolbesturen samen bereiken dat kinderen en medewerkers in het onderwijs (en daaraan gerelateerde andere functies) kunnen leren en werken in prettige, passende en duurzame gebouwen die bijdragen aan de leer- en werkprestaties en de ontwikkeling van elk kind. Leeswijzer Het tweede hoofdstuk ‘Visie op funderend onderwijs’ gaat over de visie op een groeiende gemeente en de thema’s die een directe relatie hebben met onderwijshuisvesting. Het derde hoofdstuk ‘Doorgaande ontwikkellijn voor elk kind’ gaat over Integraal Kind Centrum (IKC)-vorming, inclusie en onderwijs voor nieuwkomers. Het vierde hoofdstuk richt zich op duurzaamheid: op naar ‘Parisproof’. In dit hoofdstuk gaat het om het akkoord van Parijs en duurzaamheid bij nieuwbouw, renovatie en in stand te houden bestaande gebouwen. Het vijfde hoofdstuk ‘Anticiperen op demografische en stedelijke ontwikkelingen’ gaat over hoe onderwijsinstellingen zich kunnen aanpassen aan demografische en stedelijke veranderingen. Hier maken volumeafspraken, piekgebouwen, modulair bouwen, tijdelijke huisvesting en maatschappelijke ontwikkelingen onderdeel van uit. Het zesde hoofdstuk ‘Bewegingsonderwijs’ gaat over hoe belangrijk bewegingsonderwijs is, met thema’s zoals continuroosters, IKC-vorming en het verbeteren van sport en nieuwe vormen van bewegingsonderwijs. Bij de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 worden in de grijze vakken voorstellen gedaan om op te nemen in het IHP. In hoofdstuk 7 worden de uitgangspunten van het bestaande IHP beschreven en de keuzes die daarnaast ook gemaakt kunnen worden in het nieuwe IHP. De toelichting op de keuzes is te lezen in de hoofdstukken. 2.Visie op funderend onderwijs in Purmerend Purmerend 2040 Purmerend 2040 is een koersdocument waarin de visie op de ontwikkeling van de gemeente voor de komende jaren is vastgelegd, met als uitgangspunt de ambitie om woningen toe te voegen. Purmerend wil in haar stedelijkheid meer gezicht krijgen, maar ook een complete gemeente blijven met toevoeging van meer verschillende woonmilieus en -programma’s en daarbij passende werkgelegenheid en voorzieningen. De visie op de gemeente Purmerend 2040 is in samenhang met de visie op de Metropool Regio Amsterdam (MRA) opgesteld en wordt ook in samenhang met actuele ontwikkelingen in deze regio gemonitord en waar nodig aangepast. De uitvoering van Purmerend 2040 bestaat uit een gebiedsgerichte en een thematische aanpak. De gebiedsgerichte aanpak zorgt ervoor dat de ontwikkeling van woningbouw past in de omgeving. De thematische aanpak is gericht op de thema’s:
(1)wonen,
(2)economie en commerciële voorzieningen,
(3)leefbare gemeente met maatschappelijke voorzieningen op basis van de behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen,
(4)verduurzaming en
(5)mobiliteit en parkeren. Met name de laatste 3 thema’s spelen ook bij de visie op onderwijshuisvesting een rol. Onderwijs wordt ook nadrukkelijk genoemd in relatie tot de leefbaarheid van Purmerend: “Leefbare wijken en dorpen zijn aantrekkelijk en geschikt voor Purmerenders om in te wonen en te werken.vVoor een prettige woonstad/dorpen zijn genoeg voorzieningen nodig op o.m. het gebied van zorg, onderwijs en sport. De Purmerendse wijken hebben ieder hun eigen ‘DNA’. De (maatschappelijke) voorzieningen vormen samen met de openbare ruimte de basis voor de verbinding in de wijk. Ze verbinden buurten, wijken, dorpen maar bovenal de mensen die er wonen.” Naast de gemeentelijke visie Purmerend 2040 zijn ook de behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen Purmerend en de economische visie (Beemster+Purmerend #datwerkt), opgesteld. In deze visies wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan onderwijs: “Leren is de katalysator van onze economische ontwikkeling. Onderwijs – scholing, bijscholing en omscholing – verdient dan ook veel aandacht in ons economisch toekomstperspectief.” Voor de ontwikkeling en welzijn van het kind speelt onderwijs een grote rol. De onderwijsagenda 2021-2025 zoekt aansluiting bij andere maatschappelijke beleidsterreinen zoals het sportakkoord, jeugdnota en gezondheidsbeleid. “Onderwijshuisvesting draagt bij aan het realiseren van deze gezamenlijke doelen.” Primair onderwijs Het IHP gaat over het funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs). In de economische visie wordt met name aandacht besteed aan de relatie tussen bedrijfsleven en beroepsgerichte opleidingen (middelbaar en hoger beroepsonderwijs), met specifiek aandacht voor levenslang leren. De basis daarvoor wordt natuurlijk gelegd in de eerste ontwikkeljaren van elk kind, al voordat ze naar school gaan. Het is de ambitie om de keten waarin de hele doorgaande leerlijn van 0 tot 12 jaar en verder wordt verzorgd te verbeteren. En de samenhang tussen de verschillende schakels daarin meer als één geheel te behandelen. De gemeente Purmerend heeft met haar verdere verstedelijkingsambitie een flinke opgave. Niet alleen ruimtelijk en economisch, maar ook sociaal-maatschappelijk heeft de groei van de stad en dorpen veel invloed. De groei van de gemeente leidt, zo laten de prognoses zien, ook tot groei van het aantal verwachte leerlingen op de basisscholen. Kijkend naar 2040 verwachten we dat we voor ongeveer 1.000 leerlingen meer permanente onderwijscapaciteit nodig hebben dan we nu beschikbaar hebben, nog los van of die capaciteit op de juiste plek beschikbaar is. In het bestaande IHP is bijvoorbeeld nog niet genoeg rekening gehouden met de (woningbouw)ontwikkeling in de verschillende gebieden. Naar verwachting is er een tekort aan huisvesting voor het basisonderwijs, ook nadat de in het IHP 2021 geplande investeringen worden uitgevoerd. Maar de ontwikkeling van Purmerend levert niet alleen een capaciteitsopgave voor onderwijshuisvesting op. Ook merken scholen dat er steeds meer sprake is van grootstedelijke problematiek, segregatie en kansenongelijkheid. Dat maakt inzetten op inclusief onderwijs en IKC- vorming belangrijk: het vroeg herkennen van ondersteuningsbehoefte en het bieden van onderwijs thuis nabij zijn thema’s die de schoolbesturen als belangrijke opgave zien voor de komende jaren, natuurlijk met in de basis het waarborgen van de kwaliteit van onderwijs. Ook de opgave om genoeg docenten voor de klas te vinden, is een thema van dit moment en een grote zorg voor schoolbesturen. Hier ligt ook een relatie met de woningbouwopgave. Het is namelijk de verwachting dat wanneer Purmerend aantrekkelijk is als vestigingsplaats voor deze beroepsgroep, het eenvoudiger is om genoeg gekwalificeerd personeel te waarborgen. Schoolbesturen geven daarbij ook aan dat onderwijzend personeel eerder kiest voor scholen waar meer ontwikkelperspectief is voor henzelf en waar een goede ondersteuningsstructuur in de school aanwezig is. Dat vraagt iets van het volume van scholen. Om genoeg organiserend vermogen te krijgen op schoollocaties, is het de intentie om waar mogelijk grotere onderwijseenheden dan de stichtingsnorm2Een school heeft volgens de wet bestaansrecht als ze voldoet aan een minimum aantal leerlingen. van 300 leerlingen te realiseren. We gaan daarbij uit van een bandbreedte tussen de 300 tot 500 leerlingen als richtlijn, maar zullen op basis van maatwerk bepalen wat het beste past. Zo zien we de situatie in Westbeemster3De Lourdesschool in Westbeemster is al jaren stabiel (rond 100 leerlingen) in de leerlingenprognose. en bij de Waterlandschool4Schoolbestuur Ithaka houdt zich voor de grootte van haar scholen aan het aantal ‘stromen’ als uitgangspunt, waarbij een ‘éénstroomsschool’ een grootte van 250 leerlingen heeft en een ‘tweestroomsschool’ 500 leerlingen. Daar is haar bedrijfsvoering op ingericht en daar stuurt zij op bij de instroom van leerlingen. Voor de locatie in Purmerend ziet Ithaka een duurzaam perspectief voor De Waterlandschool op basis van een éénstroomsschool, oftewel voor 250 leerlingen. als uitzonderingen. Het stelt partijen in staat om het onderwijsaanbod meer toekomstbestendig te maken en meer passend bij de stedelijke ontwikkeling in Purmerend. Daarnaast zijn schoolbesturen daarmee ook beter in staat om te sturen op de organisatie en bedrijfsvoering en is het voor de gemeente efficiënter om maatschappelijke dienstverlening uit te voeren bij grotere onderwijseenheden. Voortgezet onderwijs Gemeente Purmerend heeft een rijk aanbod voortgezet onderwijs, vallend onder de schoolbesturen PSG en Vonk. Ook het mbo-onderwijs is vertegenwoordigd in Purmerend en is belangrijk voor het MKB-netwerk in de omgeving. Voortgezet onderwijs en mbo zetten steeds meer in op samenwerking om in die lijn de doorstroming van leerlingen zo goed mogelijk te ondersteunen. Maar het is ook een belangrijke lijn in het kader van inclusie en kansengelijkheid. Hiermee bedoelen we dat iedereen, ongeacht zaken zoals schoolniveau maar ook afkomst, leeftijd of beperking, mee kan doen. Het voortgezet onderwijs heeft de ambitie om de samenwerking met het basisonderwijs (verder) te versterken. Naast inhoudelijke samenwerking tussen schoolbesturen en ter versterking daarvan, is de wens om een campus te vormen waar kinderen ‘van 0 tot en met 18 jaar’ worden opgeleid, zichzelf ontwikkelen en worden voorbereid op vervolgonderwijs of uitstromen naar de maatschappij. Een combinatie van voortgezet onderwijs, speciaal basisonderwijs en regulier basisonderwijs als campus op 1 locatie zou een mooie basis bieden om deze ambitie verder uit te bouwen. Binnen het voortgezet onderwijs is de vernieuwing in de huisvesting al eerder in gang gezet. Met de nieuwbouw van het Da Vinci College en Antoni Gaudí wordt een behoorlijke slag geslagen in de vernieuwingsopgave binnen de PSG. Na deze nieuwbouw is binnen het voortgezet onderwijs naar verwachting genoeg gebouwcapaciteit aanwezig om het verwachte aantal leerlingen in 2040 te kunnen huisvesten. De ontwikkeling van de Oostflank is op lange termijn wel van invloed hierop. Brede blik op maatschappelijke ontwikkelingen Kindcentra spelen een belangrijke rol in de wijk en zijn over het algemeen laagdrempelige voorzieningen voor kinderen en hun ouders. Er vindt een natuurlijke manier van ontmoeting en informatie-uitwisseling plaats. Dat kan in bepaalde situaties net genoeg zijn om belangrijke sociaal-maatschappelijke hulpverlening op tijd in te zetten. Die schakelfunctie in het sociaal-maatschappelijk netwerk kan versterkt worden door nog duidelijker invulling te geven aan de wijkfuncties van een kindcentrum. Dat heeft niet per se in elke wijk toegevoegde waarde, maar kan dat in sommige wijken/dorpen wel zijn. Hier ligt een kans voor een combinatie met andere maatschappelijke voorzieningen. In de afgelopen periode zijn we in Nederland geconfronteerd met een stijging van mensen die vanuit conflictgebieden of regimes waar mensen geen toekomstperspectief hebben een toevluchtsoord zoeken. Dat vraagt in elke gemeente veel van de gemeenschap en heeft invloed op de voorzieningen die er in de gemeente zijn. De reactiesnelheid die wordt gevraagd past niet bij huisvestingsvraagstukken, waardoor we vaak teruggrijpen op onwenselijke noodvoorzieningen. Deze voorbeelden vragen om een actuele en brede blik op sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen. Wanneer we plannen uitwerken voor vernieuwing van onderwijshuisvesting, vraagt het om die brede en actuele blik: wat komt er (mogelijk) op ons af en hoe kunnen we ons daar zo goed mogelijk op voorbereiden? Hoe kunnen we het sociaal-maatschappelijk netwerk in deze omgeving zo sterk mogelijk maken? We kijken bij een nieuwe (of vernieuwings-) opgave niet alleen naar behoefte vanuit onderwijs en opvang, maar in de breedte naar maatschappelijke behoeften in die wijk/dorp of omgeving. Met het uitgangspunt dat uiteindelijk de kwaliteit van onderwijs en opvang voorop staat. Eventuele maatschappelijke functies die aan een opgave worden gekoppeld, moeten passen bij en extra waarde toevoegen aan het kindcentrum. Voorstel in IHP: De intentie is te streven naar onderwijseenheden groter dan de stichtingsnorm van 300 leerlingen m.u.v. de Lourdesschool en de Waterlandschool. Er is de voorkeur om niet ‘alleen’ een school te realiseren. Kinderopvang hoort er in ieder geval bij. Bij nieuwe opgaven wordt ook breed en in samenhang gekeken naar de sociaal- maatschappelijke omgeving en onderzocht welke extra huisvestingsbehoefte in de wijk/ het dorp of de omgeving bestaat die kan worden meegenomen in de opgave, maar alleen als: dezelfde kwaliteit en functionaliteit van het kindcentrum daarbij is gewaarborgd; het ruimtelijk (en infrastructureel) in te passen is; er sprake van een sluitende businesscase is. Thema’s ondersteunend aan de opgave voor het funderend onderwijs Op basis van de visie en de opgave waar we voor staan, zijn de volgende hoofdthema’s verder uitgewerkt in deze visie van het IHP: Doorgaande ontwikkellijn voor elk kind, waarin we uitgangspunten voor de huisvesting formuleren voor IKC-vorming, inclusief onderwijs, nieuwkomersonderwijs en verbreding naar andere maatschappelijke voorzieningen. Dit is in lijn met de onderwijsagenda; Duurzaamheid: op naar ‘Paris Proof’, waarin we uitgangspunten formuleren voor duurzaamheid bij vernieuwings- en renovatieprojecten en bij gebouwen die de komende jaren in stand worden gehouden; Anticiperen op demografische en stedelijke ontwikkelingen, waarin we uitgangspunten formuleren die helpen om de regie over spreiding en benutting van onderwijsgebouwen beter te kunnen voeren. En waarmee we beter in staat zijn om in te spelen op onverwachte ontwikkelingen; Bewegingsonderwijs, waarin we uitgangspunten formuleren waarmee we de kwaliteit en de capaciteit van voorzieningen voor bewegingsonderwijs kunnen waarborgen. 3.Doorgaande ontwikkellijn voor elk kind Schoolbesturen en kinderopvangorganisaties voelen een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de ontwikkeling van kinderen vanaf het eerste begin tot aan volwassenheid te stimuleren en begeleiden. Grofweg spreken we over de ontwikkellijn van 0 tot 18 jaar. Daarin spelen achtereenvolgend kinderopvang, primair onderwijs en voortgezet onderwijs een belangrijke rol. Dat het belangrijk is om die fasen in de ontwikkeling zo goed mogelijk op elkaar aan te laten sluiten wordt steeds duidelijker en dat dit grote maatschappelijke voordelen heeft wordt ook steeds beter begrepen. Dat begint bij goede samenwerking tussen partijen, maar vraagt uiteindelijk ook wat van de manier waarop we de huisvesting van deze organisaties vormgeven. Purmerend krijgt steeds meer te maken met ‘grootstedelijke’ problematiek die vraagt om specifieke voorzieningen gericht op jeugd en gezin. De keten opvang – onderwijs speelt daarin altijd een rol, vaak samen met andere maatschappelijke partners. Het vroeg ontdekken van problemen en de weg vinden naar de juiste ondersteuning is noodzakelijk om de ‘gevolgschade’ zo klein mogelijk te houden. Dat heeft een groot maatschappelijk belang. In het kader van de doorgaande ontwikkellijn van kinderen is een aantal thema’s belangrijk die ook raken aan de (onderwijs)huisvesting: IKC-vorming Inclusie Onderwijs voor nieuwkomers IKC-vorming Een Integraal Kind Centrum (IKC) is een voorziening voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar waar zij komen om te leren, te spelen en te ontwikkelen. Een IKC biedt een totaalpakket op het gebied van onderwijs, opvang, ontwikkeling, zorg en welzijn. Een IKC kenmerkt zich daarnaast doordat het 1 organisatie, 1 aanspreekpunt, 1 team, 1 management en 1 ongedeelde klantengroep heeft. Het management kan uit meerdere organisaties bestaan. We streven naar het ontwikkelen van integrale kindcentra, waarin onderwijs, peuteropvang (PO), voor- en vroegschoolse educatie (VVE), kinderopvang (KO) en eventuele zorg- en jeugdvoorzieningen samen zijn gehuisvest. We zien een trend in de groei van de BSO. Bij de PO, VVE en KO is er een grotere afhankelijkheid van ontwikkelingen in overheidsbeleid dan bij de BSO. De verschillende instellingen die deze voorzieningen aanbieden werken, waar het kan, in deze centra of in dezelfde wijk/dorp in goed overleg met elkaar samen om de ontwikkeling van de kinderen zo goed mogelijk te ondersteunen. Per locatie of per wijk/dorp wordt het aanbod aan voorzieningen afgestemd op aan de ene kant de behoefte en aan de andere kant op de mogelijkheden om voorzieningen bij elkaar te brengen. Hierbij is de hiervoor genoemde optimale benutting van ruimte door slimme combinatie van functies het uitgangspunt. De doorgaande ontwikkellijn staat centraal bij de vorming van een IKC. Maar uiteindelijk zal de omgeving bepalend zijn voor de precieze invulling. Zo kunnen IKC’s worden gevormd die zich bij voorkeur richten op 0–12-jarigen, op 2–12-jarigen of bijvoorbeeld een verdere doorgaande leerlijn van het primair onderwijs naar voortgezet onderwijs van o-18 jaar in de vorm van een campus. Voor bepaalde doelgroepen kan het wenselijk zijn om de overgang van primair onderwijs naar voortgezet onderwijs op een andere manier te organiseren en fysiek te huisvesten. Huisvesting mag wenselijke en belangrijke vernieuwingen niet in de weg zitten. Op een aantal schoollocaties is leegstaande onderwijsruimte in de afgelopen jaren verhuurd of tegen vergoeding in gebruik gegeven aan opvangfuncties. Hier zijn kindcentra ontstaan omdat er én behoefte was én ruimte beschikbaar. Maar zolang deze ruimte formeel als onderwijsruimte is bestemd, kan deze altijd zo worden geclaimd, ten koste van de opvangfunctie. Voor het realiseren van integrale kindcentra is het belangrijk dat de functies opvang – onderwijs en de samenwerking in de huisvesting wordt gewaarborgd. Dat betekent dat er voor (solitair) gebruik van ruimte in een onderwijsgebouw voor opvangfuncties afspraken gemaakt worden. Dit betekent dat de gemeente niet formeel kan afzien van haar claimrecht (Art. 108 WPO5Artikel 108 van de WPO staat het bevoegd gezag toe om een deel van schoolgebouwen te gebruiken voor onderwijs of andere doeleinden, maarniet voor wonen of commercieel gebruik, met vereiste toestemming van de gemeente voor verhuur en bepalingen tegen overtredingen.) voor onderwijshuisvesting maar er wel goede afspraken gemaakt kunnen worden om meer zekerheid te geven aan opvangorganisaties. Dit maakt onderdeel uit van de voorgestelde volumeafspraken (paragraaf: Volumeafspraken). Er moet daarbij rekening worden gehouden met het feit dat wanneer het leerlingaantal in een wijk/dorp stijgt, de vraag naar opvangvoorzieningen ook stijgt en andersom. Daarbij moeten kansen die uit de woningbouw en maatschappelijke voorzieningen ontstaan benut worden. De gemeente is niet wettelijk verantwoordelijk voor de opvangopgave, maar vindt deze zo belangrijk dat ze sinds het IHP 2021 deze ontwikkeling faciliteert door de kinderopvanginvesteringen tegen kostprijs aan te bieden aan de schoolbesturen. Voorstel in IHP: De gemeente ondersteunt IKC-vorming bij nieuwbouw door extra gebouwcapaciteit voor te financieren, maar alleen als daar langjarige en kostendekkende financieringsafspraken met het schoolbestuur over gemaakt kunnen worden. Bij de aanvraag moet een duidelijke visie op IKC- vorming zijn opgesteld door het schoolbestuur en haar eventuele partners. De gemeente en schoolbesturen maken afspraken (beheer en organisatie overeenkomst*) over de capaciteit van het gebouw voor de onderwijsfunctie en overige functies (zoals opvang), zodat schoolbesturen langjarige afspraken met (opvang)partijen kunnen maken over het gebruik van ruimten en partijen ‘in elkaar kunnen investeren’ zonder dat Art. 108 WPO in gevaar komt. *bijlage conceptovereenkomst verhuur Inclusie Inclusief onderwijs wordt omschreven als onderwijs waarbij kinderen, ongeacht hun beperking, naar dezelfde school gaan als kinderen zonder beperking. Elk kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte moet in de regio waar hij of zij woont onderwijs kunnen krijgen dat bij hem of haar past. Die voorziening moet een kind zo dicht mogelijk nabij huis kunnen vinden. Het idee is dat kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte tijdens schooltijd met dezelfde kinderen uit de buurt kunnen optrekken als die ze na school in de omgeving van hun thuis tegenkomen. En om reistijd voor elk kind zo kort mogelijk te houden. De zorgstructuur voor leerlingen in het primair onderwijs wordt geregeld via het Samenwerkingsverband Waterland PO en in het voortgezet onderwijs via het Samenwerkingsverband VO. De samenwerkingsverbanden hebben de opdracht om de instroom naar speciaal onderwijs te verminderen. Dat heeft niet alleen een financiële aanleiding, maar is ook ingegeven vanuit de maatschappelijke opdracht om elk kind zo gelijkwaardig mogelijk en zo thuis nabij mogelijk te laten meedoen. Maar dat betekent wel dat daarmee een enorme opdracht ligt bij de reguliere scholen (po en vo) én dat er consequenties zijn voor de huisvestingsbehoefte. Er zal meer ruimte moeten worden gerealiseerd voor zorgondersteuning op schoollocaties (en/of in de wijk/het dorp) en er zal (nog) meer aandacht moeten worden besteed aan de toegankelijkheid en ergonomische kwaliteit van schoolgebouwen. Ook kan dat ertoe leiden dat er meer ruimte nodig is. Dit komt voort uit de Wet passend onderwijs. Voorstel in IHP: Het toekennen van extra ruimte bij het onderwijs voor zorgondersteuning in het kader van inclusief onderwijs is mogelijk als: Er voor de locatie een duidelijke visie is op inclusie en dit in lijn is met afspraken die in het samenwerkingsverband zijn of worden gemaakt; Het onderdeel is van een samenhangend aanbod op wijk-/dorpsniveau; Daar geen andere voorzieningen beschikbaar voor zijn in de wijk/het dorp; De bekostiging (voor een groot deel) kan worden geregeld uit niet reguliere middelen voor onderwijshuisvesting. Onderwijs voor nieuwkomers Specifieke aandacht is er voor onderwijs aan nieuwkomers: kinderen die nieuw in Nederland zijn – met of zonder Nederlandse nationaliteit – en voor wie Nederlandse taal (en onderwijs) nieuw is. Er zijn verschillende voorzieningen om nieuwkomers tijdens de eerste periode te laten wennen aan het Nederlandse onderwijs en hen voor te bereiden op een reguliere school. In het po zijn er scholen verbonden aan asielzoekerscentra (type I), scholen die alleen nieuwkomersonderwijs verzorgen (type II) en scholen met een paar nieuwkomersgroepen (type III). In het vo kunnen nieuwkomers terechtkomen in internationale schakelklassen (ISK’s). De gemiddelde groepsgrootte bij deze voorzieningen is ongeveer 15 leerlingen. Na gemiddeld 1 jaar stromen nieuwkomers in het po door naar het regulier onderwijs en in het vo na gemiddeld 2 jaar. De zorg voor en het aanbod van het onderwijs aan nieuwkomers wordt in regionaal verband door de schoolbesturen georganiseerd. In het basisonderwijs is het regionaal met schoolbesturen en gemeenten georganiseerd en gefinancierd. Bij het vo wordt het door de Purmerendse Scholen Groep (PSG) in samenwerking met de gemeente georganiseerd. Het vo ontvangt financiering voor het onderwijs van het Ministerie, de gemeente is verantwoordelijk voor de huisvesting zonder bekostiging. Ook hierbij is het belangrijk om te zorgen voor een goede bereikbaarheid en spreiding van deze voorzieningen. Dit wordt op dit moment regionaal (regio Waterland) verzorgd. Het aanbod van onderwijs aan nieuwkomers moet dan ook onder andere worden afgestemd op de vestigingsplaatsen van nieuwkomers. Gelet op de discussie over de spreiding van plekken voor opvang van bijvoorbeeld asielzoekers en de ervaringen met de oorlogsvluchtelingen uit Oekraïne, is het belangrijk om een bepaalde mate van flexibiliteit te hebben voor het onderwijsaanbod aan nieuwkomers. Het bieden van volledig onderwijs is met instroom, onvoorspelbaarheid en krapte het doel. Hier kunnen primair onderwijs en voortgezet onderwijs meer gezamenlijk vorm en inhoud aan geven. Tenslotte is het belangrijk om ook bij deze nieuwkomers de zorgstructuur in een zo vroeg mogelijk stadium van de ontwikkeling van het kind vorm te geven. Ook al voordat ze naar school gaan hebben deze kinderen vaak een specifieke zorgvraag. Door samen met de opvangpartijen vorm te geven aan een visie op nieuwkomersonderwijs, wordt ook voor deze doelgroep de doorgaande ontwikkellijn in zijn geheel benaderd. Daarmee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat de druk op de zorginfrastructuur rond deze nieuwkomers extra belast wordt. De behoefte aan onderwijsvoorzieningen voor nieuwkomers is moeilijk voorspelbaar, omdat én de instroom van nieuwkomers zich moeilijk laat voorspellen én de specifieke ondersteuningsbehoefte afhankelijk is van specifieke omstandigheden én omdat het aanbod van voorzieningen ook veelzijdig is. Bovendien is de behoefte en het aanbod afhankelijk van regionale afspraken. Aandachtspunt is dat de nieuwkomers nog niet in de leerlingenprognoses zijn opgenomen. Voor het IHP zijn verschillende denkrichtingen mogelijk om invulling te kunnen geven aan de huisvesting van onderwijsvoorzieningen voor nieuwkomers: Centrale oplossing: gebruik maken van een wissellocatie als flexibel in te zetten voorziening; Decentrale oplossing op wijk/dorpsniveau: op wijk/dorpsniveau een flexibele schil inrichten door op wijk/dorpsniveau overcapaciteit op de reguliere onderwijscapaciteit te realiseren (of in stand te houden); Gebruik maken van kansen voor combinaties met andere maatschappelijke voorzieningen; Decentrale oplossing op locatieniveau: op elke onderwijslocatie rekening houden met een flexibel in te zetten overcapaciteit. Voorstel in IHP: Om snel en flexibel in te kunnen spelen op de huisvestingsbehoefte van nieuwkomersonderwijs, is het wenselijk om enige flexibiliteit in de onderwijs huisvestingsportefeuille te realiseren en behouden (zie ook hoofdstuk 5). Door het faciliteren van ruimte voor nieuwkomersonderwijs voldoet de gemeente aan haar verplichting om invulling te geven aan het bieden van onderwijsvoorzieningen aan deze doelgroep. 4.Duurzaamheid: op naar ‘Parisproof’ Het Klimaatakkoord van Parijs heeft als doel om de klimaatopwarming op aarde onder de 2 graden Celsius te houden, waarbij gestreefd wordt naar maximaal 1,5 graad. Het wereldwijde Klimaatakkoord laat zich weer verder vertalen naar Europese en Nederlandse doelen en wetgeving. Fit for 55: De Europese klimaatwet maakt van de doelstelling om in 2030 de netto-uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55% te hebben verminderd een wettelijke verplichting. De EU- lidstaten werken aan nieuwe wetgeving om dit doel te bereiken en de EU richting 2050 klimaatneutraal te maken. Regeerakkoord (bestaand): Nederland wil koploper in Europa zijn bij het tegengaan van de opwarming van de aarde. Om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn, scherpen we het doel voor 2030 in de Klimaatwet aan tot tenminste 55% CO2 reductie. We verbinden ons aan dit doel en zullen als dat nodig is extra stappen zetten om dit te realiseren. Voor de verduurzamingsopgave onderscheiden we in dit visiedocument de volgende thema’s: Duurzaamheid en nieuwbouw Duurzaamheid en renovatie (vernieuwbouw) Duurzaamheid en in stand te houden bestaande gebouwen Subsidiemogelijkheden Duurzaamheid en nieuwbouw (en uitbreiding) Voor nieuwe onderwijsgebouwen gelden op dit moment de volgende uitgangspunten, onder andere volgend uit het bestaande Bouwbesluit: BENG (bijna energieneutraal) Aardgas vrij (wet VET) Frisse scholen (gemiddeld klasse B) TO juli6Temperatuur Overschrijding juli, belangrijk t.b.v. hittestress en binnenklimaat. Met deze eisen wordt ingespeeld op klimaatdoelstellingen voor 2030, maar nog niet genoeg op de klimaatdoelstellingen die voor 2050 zijn geformuleerd. Het is dan ook de verwachting dat binnen korte tijd aanscherpingen zullen komen op de eisen voor nieuwbouw. Die aanscherpingen zullen gaan over
(1)verdergaande eisen om CO2-uitstoot te reduceren (van BENG naar ENG7ENG = energie neutraal gebouw of zelfs NoM8NoM = nul op de meter) en
(2)circulair bouwen en
(3)natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen. Van BENG naar ENG Energieneutrale (onderwijs)gebouwen bouwen, wordt al in de praktijk gebracht en is bij nieuwbouw goed te realiseren, alleen als er genoeg ruimte is om vanuit deze doelstelling te ontwerpen en te bouwen. Dit vraagt wel om extra investeringsruimte. De extra investering leidt er meestal toe dat de energielasten voor de school zullen dalen. Maar in veel gevallen leidt het aan de andere kant tot extra kosten voor onderhoud. Of de extra investeringskosten dan ook (volledig) zijn terug te verdienen tijdens het gebruik, is vooraf niet met zekerheid te zeggen. De stap van BENG naar ENG wordt gezien als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van schoolbestuur en gemeente, waarbij op basis van een businesscase wordt bepaald of sprake is van een nuttige extra investering. De gemeente ondersteunt in de vorm van laagdrempelige financiering (volgens bestaande regeling IHP 2021, zie bijlage ‘’ENG normbedragen’’). De investering moet daarbij ‘nuttig’ zijn. Als de laatste paar procent om ENG te behalen financieel zwaarwegend is, is de investering ‘niet’ nuttig. Ook moet een bijdrage vanuit de gemeente hierin passend zijn in relatie tot investeringen bij andere schoolgebouwen en ten opzichte van de begroting. Circulair bouwen Nederland heeft het doel gesteld om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben. Dat vraagt ook voor bouwopgaven een andere aanpak. Door demontabel te bouwen, kunnen elementen en materialen eenvoudiger en hoogwaardiger worden hergebruikt na demontage. Bij nieuwbouw wordt ook steeds vaker een zogenaamd materialenpaspoort gemaakt, zodat precies wordt bijgehouden uit welke materialen het gebouw wordt opgebouwd. Zo kan in een later stadium, bijvoorbeeld aan het eind van de functionele levensduur van het gebouw, goed in kaart worden gebracht welke materialen bij een ander bouwproject kunnen worden ingezet. De verwachting is dat dit op die manier niet alleen een maatschappelijke waarde heeft, maar ook steeds meer een economische waarde. Ook kan gedacht worden aan het gebruik van gebruikt materiaal bij een nieuw te bouwen gebouw en aan het gebruik van bio-based materiaal. Niet alleen het gebruikte materiaal, maar ook de verwerking van die gebruikte materialen in het project zijn belangrijk, net als de manier waarop de uitvoering op de bouwplaats plaatsvindt. Dit is een gebied waar nog veel vernieuwing kan worden verwacht. Ook voor financiering: zo is het bijvoorbeeld denkbaar dat op termijn een leverancier producten of materialen na de gebruiksduur gegarandeerd terugneemt of zelfs terugkoopt. Een gebouw dat volgens deze principes wordt ontwikkeld, kan op termijn niet alleen als gebouw, maar ook als verzameling materialen een restwaarde vertegenwoordigen. Circulair bouwen en slopen is in ontwikkeling en hoewel er op dit moment nog niet heel veel aansprekende voorbeelden en ervaringen mee zijn, wordt er steeds meer aandacht aan besteed en komen meer en meer voorbeelden van projecten waarin principes van circulair bouwen zijn meegenomen. Bij nieuwe projecten maken we zoveel mogelijk gebruik van de kennis en ervaring die er al is en nog wordt opgedaan en zorgen we dat zoveel mogelijk van de circulaire principes bij elkaar worden gebracht in het project. Klimaatadaptatie Het klimaat verandert, het wordt warmer, natter, droger en de kans op overstromingen neemt toe. Klimaatadaptatie is het aanpassen van de fysieke leefomgeving en maatschappij voor het veranderende klimaat, om schade en overlast als gevolg van klimaatextremen zo klein mogelijk te houden. In lijn met het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) werkt de gemeente toe naar een waterrobuuste en klimaatbestendige leefomgeving in 2050. Om dit te bereiken heeft de gemeente Purmerend in november 2021 de ‘Intentieovereenkomst klimaatbestendige nieuwbouw MRA + Noord- Holland’ ondertekend en heeft de ‘Basisveiligheidsniveaus klimaatbestendige nieuwbouw’ geborgd binnen het gemeentelijk handelingsinstrumentarium. De Intentieovereenkomst is breed ondertekend door verschillende overheden, marktpartijen en brancheorganisaties in de regio. De basisveiligheidsniveaus hebben 4 klimaatthema’s: wateroverlast, hitte(stress), droogte en gevolg beperking overstromingen. Elk thema heeft uitgangspunten en richtlijnen waaraan nieuwbouw moet voldoen om klimaatbestendig te zijn. Denk daarbij aan genoeg waterberging, natuurlijke speelplaats, groen dak, het aanleggen van een groen schoolplein, bouwmaterialen om hittestress in lokalen te verminderen, een wadi9Een wadi is een droge greppel of waterafvoerkanaal dat is ontworpen om regenwater op te vangen, te vertragen en te infiltreren in de bodemom zo wateroverlast te voorkomen en grondwater aan te vullen. en het gebruik maken van de natuurlijke eigenschappen van verschillende beplantingen om de ecologie te versterken. Natuurinclusief bouwen Het veranderende klimaat en de verdichting en uitbreiding van het stedelijk gebied heeft in Purmerend effect op de fysieke leefomgeving van mens en dier. De aanwezigheid van groen is belangrijk voor de gezondheid en het welzijn van mensen, maar ook voor de ecologie in de stad. Om de gemeente voor mens en dier leefbaar te houden, wordt er op gemeentekavels verplicht natuurinclusief10Ambitiedocument natuurinclusief bouwen en bijbehorende puntensysteem https://www.metropoolregioamsterdam.nl/wp-content/uploads/2021/09/Basisveiligheidsniveau-Klimaatbestendige- nieuwbouw-3.0.pdf gebouwd. Gebouwen bieden namelijk veel kansen om de biodiversiteit van onze gemeente te vergroten. Door relatief simpele en goedkope aanpassingen te doen, kunnen gebouwen een volwaardige plaats in een stedelijk ecosysteem innemen. Denk aan nestplaatsen voor vogels of vleermuizen, groene daken of gevels en natuurspeelplaatsen. Natuurinclusief bouwen zorgt zo voor een gezonde, toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier. Om deze reden zal het natuurinclusief bouwen ook onderdeel uitmaken van de nieuwbouw van kindcentra en scholen en gecombineerde voorzieningen. Landelijke ‘Maatlat groene en klimaatadaptieve bebouwde omgeving’ In 2023 is de landelijke ‘Maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ gepresenteerd door het Rijk. De maatlat maakt duidelijk hoe klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen en inrichten eruitziet en biedt daarmee houvast voor overheden en partijen uit de bouw zoals projectontwikkelaars en woningcorporaties. De maatlat zorgt voor een referentiekader dat landelijk gelijk is waarmee projecten klimaatbestendig en groen kunnen worden uitgevoerd. Vooruitlopend op juridische borging voor de maatlat en het ruimtelijk afwegingskader, vraagt het Rijk decentrale overheden de instrumenten alvast zoveel mogelijk toe te passen in de praktijk. Purmerend geeft met de ‘Basisveiligheidsniveaus klimaatbestendige nieuwbouw’ invulling aan de maatlat. Verplichte nestkasten Per 1 juli 2024 is het volgens het bouwbesluit verplicht om bij nieuwbouw nestkasten aan te brengen voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Op basis van het beschikbare geveloppervlak wordt de hoeveelheid kasten bepaald. Binnenklimaat De ambitie is om voor het binnenklimaat gemiddeld te voldoen aan Frisse Scholen Klasse B bij nieuwbouw. Daarbij moet worden gezocht naar een goede balans tussen een zo goed mogelijk binnenklimaat en een zo duurzaam mogelijk energieconcept binnen de gestelde financiële kaders. Het totale installatieconcept moet bovendien gebruiksvriendelijk zijn: rekening houdend met gedrag van mensen en op ruimteniveau of per gebouwdeel bedienbaar. Dus vanuit de mens ontworpen, meer dan vanuit de techniek. Het uitgangspunt bij nieuwe bouwprojecten moet zo duurzaam mogelijk zijn. Voorstel in IHP: Basis voor investeringen van de gemeente onder onderwijsgebouwen is BENG en Frisse Scholen klasse B; De ambitie om hogere prestatie-eisen te realiseren ondersteunt de gemeente door middel van een laagdrempelige financieringsfaciliteit (voorfinanciering); Bij de realisatie van nieuwbouw of vernieuwbouw worden de uitgangspunten van het duurzaamheidsbeleid van de gemeente nagestreefd, zoals: Keuze op aansluiting op stadsverwarming of andere duurzameenergiebronnen; Basisveiligheidsniveaus klimaatbestendige nieuwbouw; Uitgangspunten voor circulair bouwen en klimaatadaptief bouwen worden in het proces en de planuitwerking meegenomen. Met het verhogen van de eisen voor de energieprestaties en de uitgangspunten voor circulair en klimaatadaptief bouwen, komen partijen zoveel mogelijk tegemoet aan de klimaatdoelen die voor de langere termijn zijn gesteld
(2050). Duurzaamheid en renovatie (vernieuwbouw) Renovatie is nog geen officiële voorziening voor de onderwijshuisvesting, zoals nieuwbouw of uitbreiding dat wel is. Maar er is wel wetgeving in de maak die daar op toeziet. Vooruitlopend op de implementatie van deze wetgeving willen we renovatie als voorziening erkennen en daarvoor als oplossingsrichting in het IHP meenemen op basis van de volgende uitgangspunten. Met het renoveren van gebouwen verlaag je de vraag naar grondstoffen, wat een vermindering van de CO2 uitstoot tot gevolg heeft. Renoveren kan daarmee een duurzaam alternatief zijn voor nieuwbouw. De gemeente zet op dit moment al in op renovatie als voorziening, naast nieuwbouw en uitbreiding. Een renovatie wordt gezien als een gelijkwaardig alternatief voor (vervangende) nieuwbouw. We spreken in het vervolg daarom van het begrip ‘vernieuwbouw’ in plaats van renovatie. Met een vernieuwbouw wordt gestreefd naar hetzelfde kwaliteitsniveau als nieuwbouw. Met als voordeel dat bij vernieuwbouw een deel van het gebouw behouden blijft, op zijn minst de constructie. Een vernieuwbouw draagt op die manier bij aan hergebruik van materiaal en daarmee het verminderen van het grondstofgebruik. Er is geen principevoorkeur voor vernieuwbouw of nieuwbouw, de beste optie is altijd afhankelijk van de specifieke situatie. De doorslag voor vernieuwbouw of nieuwbouw wordt gemaakt in een huisvestingsonderzoek met afwegingskader waarbij de volgende zaken worden meegenomen: Er wordt een (bedrijfseconomische) afweging gemaakt of de benodigde flexibiliteit en functionaliteit die hoort bij het Programma van Eisen en de visie op het kindcentrum behaald kan worden bij vernieuwbouw; Er wordt een afweging gemaakt tussen de klimaateffecten die ontstaan uit verbeterde energieprestaties van het nieuwe gebouw in vergelijking met de klimaateffecten die horen bij het realiseren van het project (nieuwbouw of vernieuwbouw); Er wordt een afweging gemaakt tussen risico op schade en overlast door klimaatextremen aan het pand. Welke vergroenings- en waterbergingskansen liggen bij het huidige pand en welke klimaatrisico’s kunnen verminderd worden bij een nieuw pand; Er wordt een afweging gemaakt tussen de klimaateffecten die ontstaan uit verbeterde energieprestaties van het nieuwe gebouw in vergelijking met de klimaateffecten die horen bij het realiseren van het project (nieuwbouw of vernieuwbouw); Eventuele monumentale kwaliteit van het gebouw en de waarde van het gebouw in zijn omgeving en de wijk/het dorp worden meegewogen. In het huisvestingsonderzoek wordt de afschrijftermijn in combinatie met de investering voor de vernieuwbouw van een monumentaal gebouw in zijn totaliteit afgewogen. We streven met vernieuwbouw dezelfde kwaliteit na als bij nieuwbouw. Daarmee kan de gemeente voor de vernieuwbouw ook dezelfde afschrijvingstermijn aanhouden voor vernieuwbouw als voor nieuwbouw. Er zijn toch situaties denkbaar waarbij het kwaliteitsniveau bij een vernieuwbouw op bepaalde vlakken niet haalbaar is, maar toch vernieuwbouw de best haalbare optie is. In zo’n geval wordt de aan te houden afschrijvingstermijn opnieuw beoordeeld op basis van de kenmerken van de kwaliteit die wel wordt bereikt. Voorstel in IHP: Wanneer bij renovatie de prestatie-eisen en verwachte levensduur gelijk zijn aan nieuwbouw, spreken we van vernieuwbouw. Vernieuwbouw wordt door de gemeente gefaciliteerd als gelijkwaardig alternatief voor nieuwbouw; Wanneer een minder ingrijpende renovatie dan vernieuwbouw voor de situatie het beste alternatief voor nieuwbouw biedt, wordt dit door de gemeente gefaciliteerd, maar alleen als het gebouw weer voor minstens 20 jaar kan functioneren voor onderwijs, de kwaliteit van het gebouw dit rechtvaardigt en de investeringskosten duidelijk veel lager zijn dan (ver)nieuwbouw; De afweging voor nieuwbouw, vernieuwbouw of renovatie wordt gebaseerd op een huisvestingsonderzoek. In het huisvestingsonderzoek wordt de haalbaarheid van deze scenario’s onderzocht op basis van een technische, functionele, ruimtelijke en financiële verkenning, met aandacht voor de impact op het milieu/klimaat. Maar ook met aandacht voor de (historische) kwaliteit en waarde van het gebouw in de omgeving. Met het gelijkstellen van vernieuwbouw aan nieuwbouw sorteert de gemeente voor op de aankomende wetswijziging. Duurzaamheid en in stand te houden bestaande gebouwen Bestaande gebouwen die binnen de looptijd van het IHP (en verder) in stand worden gehouden, vragen ook om aandacht in dit IHP. Hoewel deze gebouwen geen grootschalige ingreep in de vorm van nieuwbouw of renovatie (vernieuwbouw) krijgen, is het ook voor deze categorie de ambitie om bij te dragen aan de verduurzaming en het binnenklimaat te verbeteren. We grijpen hierbij natuurlijk momenten in de onderhoudscyclus aan. Naast de natuurlijke momenten die een Meerjaren Onderhoudsplan (MJOP) biedt voor investeringen, wordt zoveel mogelijk aangesloten op de energietransitie die binnen de gemeente wordt of gaat worden uitgerold. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het in stand houden en onderhouden van het schoolgebouw, tenzij daar andere afspraken tussen de gemeente en schoolbesturen over zijn gemaakt. Schoolbesturen stellen onder andere een MJOP op en doen metingen naar de luchtkwaliteit. Het schoolbestuur is ook verplicht om de Erkende Maatregelenlijsten (EML, Wet Milieubeheer) uit te voeren. Dit gaat over duurzame maatregelen met een terugverdientijd van maximaal 5 jaar. Voor het onderhouden en het uitvoeren van de Erkende Maatregelen zet het schoolbestuur een deel van haar vergoeding vanuit het Rijk in. Deze regeling blijft. Toch vraagt het behalen van de doelstellingen uit het klimaatakkoord en/of belangrijke verbeteringen van het binnenklimaat in bepaalde gevallen om extra maatregelen. Het uitvoeren van die maatregelen hangt onder andere af van de last die wordt ervaren door de gebruikers, maar ook van de nog te verwachten termijn waarop het gebouw in stand gehouden moet worden ten opzichte van de investering die de maatregel kost en de stappen die vanuit de energietransitie worden gezet. Dit vraagt per gebouw dus om maatwerk. In de eerste plaats ligt de verantwoordelijkheid voor de bekostiging van maatregelen bij de schoolbesturen. Daarbij moeten zij zich maximaal inspannen om ook gebruik te maken van subsidies die vanuit Europa, de Rijksoverheid of de provincie worden aangeboden, naast de bekostiging vanuit het gebruik. Subsidiemogelijkheden De opgave waar we wereldwijd, in Europa, in Nederland en uiteindelijk in Purmerend voor staan als het gaat om verduurzaming is groot. Vanuit verschillende instanties zijn subsidies beschikbaar die deze opgave proberen te ondersteunen. Het is belangrijk om zoveel mogelijk gebruik te maken van de subsidiemogelijkheden die geboden worden vanuit Europa, het Rijk, de provincie en de gemeente zelf. Voorstel in IHP: Bij elk project wordt onderzocht van welke subsidiemogelijkheden gebruik kan worden gemaakt en vervolgens een aanvraag ingediend door het schoolbestuur; De gemeente faciliteert schoolbesturen bij de subsidieverwerving met kennis. De gemeente is bij bestaande schoolgebouwen niet verplicht om te investeren in duurzaamheid en gezondheid. Het (samen met de schoolbesturen) onderzoeken van de mogelijkheden om tot een duurzamer en prettiger schoolgebouw te komen is een bovenwettelijke ambitie om ook in de toekomst aan klimaatdoelstellingen te kunnen voldoen. 5.Anticiperen op demografische en stedelijke ontwikkelingen Gemeente Purmerend heeft een flinke woningbouwopgave in het vooruitzicht. Er worden veel nieuwe woningen verwacht tot 2040 in verschillende wijken van met name de kern Purmerend. De verwachting is dat deze nieuwe woningen ook tot groei van het aantal kinderen zal leiden. De woningbouwontwikkelingen zijn verwerkt in de meest recente leerlingenprognoses. De woningbouwontwikkelingen zitten in verkennings- of ontwerpfase en de woningbouwaantallen kunnen veranderen Groei van het aantal inwoners betekent ook dat voorzieningen mee gaan groeien, zodat Purmerend meer een complete gemeente wordt. In de economische visie is onderwijs 1 van de pijlers die we willen versterken. We versterken de connectie tussen leren en het bedrijfsleven. Daarnaast is het mbo in Purmerend vertegenwoordigd en dat willen we vasthouden. Tegelijk willen we dat versterken en uitbreiden door ook onderwijs op hbo-niveau aan te bieden. Met name op het gebied van digitalisering en IT liggen er kansen. Daarmee creëren we lange leerlijnen en een breed onderwijsaanbod passend bij een gemeente met in de toekomst 100.000 inwoners. De groei van het aantal leerlingen op gemeenteniveau betekent niet dat in alle dorpen en wijken sprake is van groei. Er is dan ook sprake van verschuiving in de vraag naar kindvoorzieningen en 1 van de opgaven in dit IHP is om de spreiding van kindcentra binnen de gemeente zo passend mogelijk te maken op de lokale behoefte. Tegelijkertijd begrijpen we dat (kleine) veranderingen van leerlingaantallen in dorpen, wijken en op individuele locaties altijd aan de orde zullen zijn. Om in te kunnen spelen op veranderende behoeften, beschrijven we hier een aantal thema’s die belangrijk zijn bij het nadenken over kindcentra; Volumeafspraken Piekgebouwen Modulair bouwen en planologische ruimte Tijdelijke huisvesting Mobiliteit en verkeersveiligheid Volumeafspraken Op dit moment zien we groei van het aantal leerlingen op bijna alle scholen. Maar door onder andere belangstelling van ouders, kan het voorkomen dat de ene school ruimte tekort komt, terwijl een andere school ruimte over heeft. Om te voorkomen dat we op basis van de aantrekkingskracht van scholen uitbreidingen moeten realiseren en daarmee tegelijkertijd bouwen voor leegstand, is in de verordening onderwijshuisvesting de mogelijkheid opgenomen om bij een capaciteit behoefte van een school te verwijzen naar leegstaande capaciteit bij een andere school in de buurt. In de praktijk wordt dat vaak niet toegepast omdat scholen dat onwenselijk vinden, of dat de veronderstelde leegstand al wordt ingezet voor bijvoorbeeld kinderopvang. Bij het bepalen van schoolgroottes is het belangrijk dat schoolbesturen sturen op die capaciteit. Een andere manier om de benutting van capaciteit zo efficiënt mogelijk te maken, is dat afspraken worden gemaakt over de maximale capaciteit van scholen, waarbij de totale capaciteit van de portefeuille natuurlijk genoeg aansluit bij het voorziene aantal leerlingen (in een wijk of gebied). Bij het bepalen van die capaciteit dient bijvoorbeeld ook rekening gehouden te worden met een bepaalde ruimteclaim voor IKC-partners. In bepaalde gevallen kan zo’n afspraak leiden tot een instroombeperking bij een locatie en heeft dan mogelijk effect op de keuzevrijheid van ouders. De volumeafspraken dienen meerdere doelen: Evenwichtige spreiding van leerlingen over de schoolgebouwen; Efficiënte inzet van beschikbare onderwijsruimte en organisatiecapaciteit scholen; Betere voorspelbaarheid knelpunten in onderwijshuisvesting voor gemeente en schoolbesturen; Er kan een beter beeld geschetst worden waar nieuwe schoollocaties moeten worden ontwikkeld. Bij de invulling van de volumeafspraken is het belangrijk om te zorgen voor een optimale spreiding en bereikbaarheid van onderwijs om zoveel mogelijk recht te doen aan de keuzevrijheid van ouders. De aantallen spelen hierbij een rol, maar er is ook aandacht voor een uitgebreid aanbod aan onderwijsconcepten. Voor het primair onderwijs wordt de capaciteit van de scholen op wijkniveau in samenhang beoordeeld en vastgesteld. Per locatie wordt afgesproken wat het maximaal aantal leerlingen is dat op die locatie kan worden gehuisvest. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de huisvesting van IKC-partners. Voor scholen die speciaal onderwijs bieden, zijn volumeafspraken minder belangrijk vanwege het specifieke karakter van deze scholen. Voor het voortgezet onderwijs geldt dat de capaciteit van de verschillende onderwijsniveaus in regionaal verband wordt bekeken. Uitgangspunt voor afspraken hierover binnen de gemeente Purmerend is dat de huidige beschikbare ruimte alleen kan worden uitgebreid als daar
(1)met regionale partners overeenstemming over is bereikt (in zgn. RPO11Met een Regionaal Plan Onderwijsvoorzieningen (RPO) maken schoolbesturen voor voortgezet onderwijs binnen hun regio afspraken over de inrichting van het regionale onderwijsaanbod. verband) en
(2)de gewenste uitbreiding van de capaciteit grotendeels verband houdt met planologische en/of demografische ontwikkelingen binnen de gemeente Purmerend zelf of binnen een direct aangrenzend gebied die logischerwijs kan worden gezien als voedingsgebied voor de school waar het om gaat. Voorstel in IHP: Om beter te kunnen sturen op de optimale inzet van schoolgebouwen en het voorkomen van leegstand maken gemeente en po-schoolbesturen volumeafspraken, waarbij de gebouwcapaciteit als uitgangspunt wordt aangehouden. Om er zeker van te zijn dat deze volumeafspraken worden nageleefd, ontwikkelen gemeente en schoolbesturen samen een reguleringsbeleid. Voor het vo geldt een meer regionale aanpak waarbij afspraken in regionaal verband en de huidige bestaande gebouwvolumes als uitgangspunt worden gezien voor het optimaal gebruik maken van de capaciteit van het gebouw. De volumeafspraken, gemaakt door gemeente, schoolbesturen en IKC-partners, helpen bij het efficiënter beheren van de capaciteit van gebouwen en organisaties in relatie tot het aantal leerlingen. Piekgebouwen De gemeente Purmerend heeft in een eerdere groeifase van de gemeente gebruik gemaakt van zogenaamde piekgebouwen voor voorzieningen, waaronder onderwijshuisvesting. De piekgebouwen zijn gebouwen die (bij voorkeur centraal) in wijken zijn gebouwd om pieken in huisvestingsbehoefte van verschillende maatschappelijke functies te voorzien. De piekgebouwen hebben inmiddels dienst bewezen. Op sommige plekken zijn de gebouwen nog in gebruik voor maatschappelijke functies, in deze gevallen zijn de gebouwen herontwikkeld tot andere functies. De piekgebouwen doen dienst als tijdelijke aanvulling op bestaande onderwijscapaciteit, maar kunnen ook dienst doen als tijdelijke huisvesting ten tijde van een grootschalige verbouwing van een schoolgebouw. Ook bij de instroom van nieuwkomers bewijzen de piekgebouwen hun nut als flexibele, inzetbare ruimte voor de onderwijshuisvestingscapaciteit. Piekgebouwen worden als een mogelijke oplossingsrichting gezien om te zorgen voor flexibiliteit zodat de gemeente en schoolbesturen in staat zijn goed in te kunnen spelen op onverwachte ontwikkelingen. Modulair bouwen en planologische ruimte Modulair bouwen kenmerkt zich door een ontwerp dat is opgebouwd uit aparte modules of bouwstenen die onafhankelijk van elkaar kunnen functioneren. Dit maakt het mogelijk om de fysieke structuur van onderwijsfaciliteiten aan te passen op basis van actuele behoeften. Modulair bouwen biedt zowel binnen een bestaande gebouwstructuur mogelijkheden om relatief eenvoudige aanpassingen te doen in de inrichting, als de mogelijkheid om een gebouw (tijdelijk of permanent) uit te breiden. Ook modulair bouwen beschouwen we dan ook als oplossingsrichting die we kunnen inzetten om te zorgen voor flexibiliteit. Daarbij moeten ook de planologische voorwaarden goed worden voorbereid. En, om echt te kunnen profiteren van de flexibiliteit van modulair bouwen, is het belangrijk om genoeg ruimte (terreinoppervlak) te reserveren om uitbreidingen daadwerkelijk in de toekomst fysiek mogelijk te maken. Tijdelijke huisvesting In het kader van groei van de gemeente Purmerend en de voortdurende ontwikkeling in onderwijsbehoeften, is het onvermijdelijk dat sommige scholen zullen worden gerenoveerd of vervangen door nieuwbouw. Tijdens zulke ingrijpende verbouwingen of vervangingen is het noodzakelijk om een strategische aanpak te hebben voor tijdelijke huisvesting. Met als doel om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen. Er zijn verschillende mogelijkheden om tijdelijke huisvesting te organiseren om de uitvoering van bouwprojecten mogelijk te maken. Voorkomen van tijdelijke huisvesting: gefaseerd bouwen Niet voor elk verbouwproject is het noodzakelijk om naar tijdelijke huisvesting uit te wijken. Onderzocht kan worden of het uitvoeren van een project bijvoorbeeld gefaseerd in vakantieperiodes kan. Telkens moet de afweging worden gemaakt of dit mogelijk is en of de voordelen hiervan opwegen tegen eventuele nadelen. Tijdelijke units Gebruik maken van tijdelijke units is over het algemeen eenvoudig te realiseren, maar is
(1)kostbaar en
(2)afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikte locaties en de juridische mogelijkheden om die locatie met tijdelijke units te bebouwen. Naast kosten voor huur of aanschaf van de tijdelijke units moet rekening worden gehouden met kosten voor het aanleggen van de nodige infrastructuur (onder- en bovengronds), het maken van fundatie voor het plaatsen en kosten voor transport, plaatsing en na gebruik het verwijderen. Gebruik van piekgebouwen en vrijkomende (school)gebouw De meest eenvoudige manier om invulling te geven aan tijdelijke huisvesting is wanneer gebruik gemaakt kan worden van een bestaand gebouw, zoals een vrijkomend schoolgebouw of een piekgebouw. Vaak zijn minimale aanpassingen nodig om het gebouw geschikt te maken voor de school waar het in dat geval om gaat. Omdat het om een relatief korte gebruiksperiode gaat en het uitzicht biedt op een vernieuwde huisvesting wordt een mindere kwaliteit van zo’n gebouw geaccepteerd. Een centrale tijdelijke voorziening voor meerdere projecten Het is wenselijk om voor meerdere projecten dezelfde voorziening voor tijdelijke huisvesting te gebruiken, omdat dat kostenefficiënt is. Het is daarbij wel belangrijk om er scherp op te zijn dat de planning van projecten goed op elkaar aansluiten. Vertraging van een voorgaand project, leidt al snel tot vertraging van een volgend project. Voorstel in IHP: Voor tijdelijke huisvesting houden we alle opties open met een voorkeur voor bestaande gebouwen. Er wordt telkens een afweging gemaakt tussen de kwaliteit voor onderwijs, de planning van uit te voeren projecten en kostenefficiency; Waar planologisch mogelijk houden we rekening met flexibiliteit en toekomstige uitbreidingsmogelijkheden voor onderwijsgebouwen; maar piekgebouwen en modulaire oplossingen behoren ook tot de mogelijkheden. Door ruimte te creëren voor flexibiliteit in de onderwijshuisvesting zijn gemeente en schoolbesturen beter in staat om snel in te spelen op actuele en onverwachte ontwikkelingen. Mobiliteit en verkeersveiligheid Op dit moment wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van de gemeenteraad van 3 november 2022 waarin verzocht wordt om onderzoek te doen naar de verkeersveiligheid rond scholen in de gemeente Purmerend en de te nemen maatregelen waar dat nodig blijkt. De insteek van deze motie en het maatregelenpakket dat uit het onderzoek komt, wordt meegenomen in het IHP. Bij de uitvoering van geadviseerde maatregelen zullen we nadenken over het toekomstperspectief van de schoollocatie. Een van de uitgangspunten is dat maatschappelijke voorzieningen binnen 10 minuten per fiets of lopend bereikbaar moeten zijn. In dit IHP wordt voor elke schoollocatie een toekomstperspectief geschetst. Wanneer op korte termijn het perspectief van een locatie verandert - bijvoorbeeld door het beëindigen van de onderwijsbestemming, of dat door verplaatsing van scholen het type school en de mobiliteit die erbij hoort verandert - zal dat worden meegenomen in de uitwerking van de maatregelen om de verkeersveiligheid te optimaliseren. Naast de bestaande locaties hebben we ook nieuwe onderwijslocaties nodig om te kunnen voldoen aan de vraag naar ruimte voor onderwijs. Ook bij deze nieuwe locaties zullen mobiliteit en verkeersveiligheid thema’s zijn die een belangrijke plek krijgen in zowel de afweging voor een locatie als de planuitwerking. Daarbij leren we van de resultaten van het onderzoek, zetten we deze leerpunten om naar de bestaande locaties en maken we gebruik van de kennis die we daaruit opdoen. Om langdurige procedures zoveel mogelijk te voorkomen en voor gemeenschapsvorming worden de scholen zoveel mogelijk aan het begin van de gebiedsontwikkeling gebouwd. Voorstel in IHP: Nieuw te bouwen schoolgebouwen worden gerealiseerd in aansluiting op Purmerend 2040, op basis van de leerlingenprognoses en te maken volumeafspraken; Schoolgebouwen worden zoveel mogelijk gerealiseerd in de eerste fase van een nieuwbouwontwikkeling; Bij de keuze van type school en locatie speelt mobiliteit en verkeersveiligheid een belangrijke rol en maken we onderscheid tussen bijvoorbeeld scholen met een wijk-/dorpsfunctie en scholen met een meer regionale functie. 6.Bewegingsonderwijs Sport en bewegen zijn belangrijke onderdelen in de ontwikkeling van het kind en überhaupt in het leven van elk mens. Bewegingsonderwijs maakt een belangrijk deel uit van het onderwijs, zowel in het primair, speciaal als in het voortgezet onderwijs. Door een wetswijziging geldt in het primair onderwijs de wettelijke verplichting vanaf schooljaar 2023-2024 om ten minste 2 lesuren per week bewegingsonderwijs te geven door bevoegde leraren. In feite komt dit overeen met de altijd al gehanteerde 1,5 klokuren per week, maar nu is het een verplichting en wordt dat gekoppeld aan de bevoegdheid van de leraren. In 2023 is onderzoek gedaan naar de capaciteit bewegingsonderwijs in de gemeente Purmerend (Hospitality Group, 7 april 2023). Bij dit onderzoek komt naar voren dat 7 van de 20 sportaccommodaties (sporthal, sportzaal en gymzaal) ouder zijn dan 40 jaar en binnen korte termijn om aanpassingen vragen. Die opgave staat nog los van de vraag of de beschikbare capaciteit genoeg aansluit op de behoefte, zowel qua grootte als qua spreiding en type aanbod. De gemeente Purmerend houdt hierbij als richtlijn, zoals ook staat in de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs, een maximale afstand tot gymnastiekvoorzieningen van 1.000 meter (met als streefafstand 750 meter) aan voor primair onderwijs. Voor het voortgezet onderwijs is het 2.000 meter hemelsbreed. Als de streefafstand van 750 meter wordt aangehouden heeft dit gevolgen. De keuze voor de 750 of 1000 meter richtlijn heeft gevolgen voor de toekomstige plaatsing van gymzalen t.o.v. de onderwijslocaties of andersom, plaatsing van onderwijslocaties bij gymzalen. Daarom zal hier een besluit over genomen moeten worden. Met de algemene trend in Purmerend van een stijgend aantal leerlingen in de komende jaren, stijgt ook de behoefte aan voorzieningen voor bewegingsonderwijs. Als dat leidt tot de noodzaak om het aantal voorzieningen uit te breiden, moet goed gekeken worden naar het soort voorziening en de plek of plekken waar die voorzieningen zouden moeten en kunnen komen. Uitgangspunt is en blijft dat we zo efficiënt mogelijk om willen gaan met voorzieningen voor bewegingsonderwijs. Daar komt bij dat we willen aansluiten bij belangrijke ontwikkelingen, ook als het gaat om de behoefte aan sportvoorzieningen vanuit de breedtesport. En vernieuwingen in het aanbod moeten meegenomen worden bij afwegingen voor nieuwe of te vernieuwen accommodaties. Belangrijke ontwikkelingen voor bewegingsonderwijs: Continuroosters (en gevolgen voor roostering gymnastiekvoorzieningen); IKC-vorming en sport waar het bij arrangement buitenschoolse opvang ook deels om sport gaat en onderwijs en opvang meer samen en bij elkaar wordt georganiseerd; Vanuit het mbo-onderwijs is er behoefte aan voorzieningen voor bewegingsonderwijs; Nieuwe vormen van bewegingsonderwijs; Naschools aanbod waaronder sport en cultuur die gebruik maken van de sportaccommodaties; Toenemende druk op zowel de beschikbare uren voor bewegingsonderwijs als het gebruik tijdens buitenschoolse uren van de sportzalen; Sport is een examenvak en onderdeel van een uitstroomprofiel in het vo. Dit legt extra druk op het gebruik van gymzalen. Tegelijkertijd is het belang om genoeg gymnastiekdocenten op te leiden ook in deze regio groot, dus voldoet dit uitstroomprofiel in het vo zeker aan een maatschappelijke behoefte. Het mbo in Purmerend heeft ook behoefte aan voorzieningen voor bewegingsonderwijs en maakt waar mogelijk gebruik van (gemeentelijke) accommodaties. Hoewel de gemeente geen formele verantwoordelijkheid heeft om voorzieningen voor bewegingsonderwijs voor mbo-instellingen te organiseren, legt deze behoefte extra druk op de beschikbare capaciteit van sportaccommodaties in de gemeente. Continuroosters De afgelopen jaren zijn bijna alle primair onderwijslocaties in Purmerend al overgegaan op een continurooster. Normaal gesproken kan zo’n aanpassing impact hebben op de capaciteit. Dit onder andere omdat de gymlessen dichter op elkaar moeten worden ingepland. Het continurooster zorgt meestal voor druk in de ochtend en begin van de middag maar ook voor meer leegstand in de latere middag omdat scholen met een continurooster eerder klaar zijn met een schoolprogramma. Maar, aangezien deze situatie in Purmerend al is doorgevoerd, zorgt dit richting de toekomst niet voor veranderingen in de behoefte. IKC-vorming en bewegen in en om de school (BIOS) Bij IKC-vorming werken organisaties als onderwijs, kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, peuteropvang en welzijnsactiviteiten voor kinderen samen. Zo wordt meer gehaald uit de samenwerking tussen kinderopvang, voor- tussen- en naschoolse opvang, peuteropvang en school. Deze ontwikkeling zorgt voor meer naschoolse gymlessen/sportactiviteiten en lessen onder schooltijd voor peutergym (als er geen speellokaal aanwezig
- is)en daarmee naar verwachting meer gebruik/bezetting van de bestaande binnensportaccommodaties. Aan de andere kant maakt het nog meer samenbrengen van onderwijs- en opvangvoorzieningen het in de toekomst misschien mogelijk dat lestijden kunnen worden opgerekt, waardoor het aantal toerekenbare uren voor het beschikbaar zijn van een gymzaal voor onderwijs kan worden verlengd, bijvoorbeeld van 27,5 uur naar 37,5 of zelfs 40 uur voor het primair onderwijs. Nieuwe ontwikkelingen in het bewegingsonderwijs Voor bewegingsonderwijs richten we nog steeds traditionele gymzalen in. Onder andere als gevolg van eisen die worden gesteld aan dit curriculum. Een traditionele gymzaal, op basis waarvan de VNG haar normen (of richtlijnen) vaststelt, heeft een sportvloer van 21 x 12 meter (252 m2) en een vrije hoogte van 5,5 meter. De KVLO (Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding) adviseert ondanks dat toch om de sportvloer te vergroten naar minimaal 24 x 14 meter (308 m2) om de gebruiksfunctie voor verschillende sporten te vergroten. Nog idealer is een afmeting van 26 x 16 meter (416 m2) en een obstakelvrije hoogte van 7 meter. De normatieve klokuren bewegingsonderwijs die zijn vastgesteld, zijn uitgangspunt voor het berekenen en plannen van de benodigde capaciteit aan gymnastiekvoorzieningen. In de basis geldt dat de normatieve klokuren gym moeten kunnen worden aangeboden in gymzalen. Met de eerder geschetste ontwikkelingen en vernieuwingen in het aanbod van bewegingsfaciliteiten, kan hier ook anders naar worden gekeken. Zo kan het aanbod aangevuld worden met meer keuzes. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld beweegboxen of beweegpleinen. Uitgangspunt bij een nieuwe opgave voor een sportaccommodatie is dat breed wordt gekeken naar de behoefte, zowel bij onderwijs als bij breedtesport binnen de gemeente. Op basis daarvan wordt afgewogen welk type accommodatie het best passend is bij die situatie. Daarbij worden de adviezen van KVLO meegenomen in de afweging. Type sportvoorziening Als er nieuwe sportaccommodaties gerealiseerd moeten worden, moet er goed gekeken worden naar het type sportvoorziening. Hierbij zijn er verschillende mogelijkheden en alternatieven. Bij het realiseren van een nieuwe gymvoorziening, kan gekeken worden of het mogelijk is om een beweegvoorziening te realiseren op basis van de gebruikers die past bij de tijd van nu. Een beweegbox is heel erg geschikt voor modern bewegingsonderwijs, maar ook multifunctioneel inzetbaar voor andere gebruikers. Een beweegbox heeft een minimale afmeting van 16x16 met een vrije hoogte van 5,5 meter. Die is te verdelen in 4 delen, waardoor in kleinere groepen efficiënt kan worden gesport. Afwijken van de afmetingen is mogelijk, maar alleen als de minimale afmetingen (oppervlakte) behouden blijft. Door vooraf een programma van bewegen en sporten te maken kan er ingespeeld worden op vragen. Op steeds meer plekken in Nederland worden zogenaamde beweegpleinen ingericht. Geen statische pauzeplekken voor kinderen, maar speelpleinen waar beweging en spel worden gestimuleerd. De beweegpleinen worden gezien als aanvulling op het aanbod van beweegvoorzieningen en spelen ook een belangrijke rol bij naschoolse activiteiten. We willen kinderen weer meer buiten laten spelen, maar zijn nog erg voorzichtig om buitenvoorzieningen als volledig alternatief te zien voor indoorfaciliteiten. Voorstel in IHP: Bij de ontwikkeling van een nieuwe schoollocatie wordt onderzocht in hoeverre het nodig of wenselijk is om ook voorzieningen voor bewegingsonderwijs te realiseren; Uitgangspunt bij een nieuwe opgave voor een sportaccommodatie is dat breed wordt gekeken naar de behoefte, zowel bij onderwijs als bij breedtesport binnen de gemeente. Op basis daarvan wordt afgewogen welk type accommodatie het best past bij die situatie. Daarbij worden de adviezen van KVLO, maar ook de wettelijke richtlijnen en ruimtelijke mogelijkheden meegewogen in de afweging. Sport- en gymnastiekaccommodaties worden zo breed mogelijk gebruikt, kansen voor benutting accommodaties door zowel po als vo worden benut; In de uitwerking wordt zoveel mogelijk gezocht naar oplossingen om de afstanden van scholen naar gymnastiekzalen binnen de wenselijke afstanden maximaal hemelsbreed 1.000 m po (met als streefafstand 750
- m)i.v.m. de doelmatige onderwijstijd en veiligheid en voor het vo 2.000 m te realiseren; Bij nieuwe opgaven worden verschillende oplossingen verkend en met elkaar vergeleken, waarbij ook de relatie tussen binnen- en buitenfaciliteiten wordt meegenomen. 7.Uitgangspunten IHP en keuzes Deze visie is samen met stakeholders tot stand gekomen en is de basis om het nieuwe IHP 2025- 2030 verder vorm te geven. Dit doen we door de uitgangspunten in het bestaande IHP aan te houden en er nieuwe aan toe te voegen. Uitgangspunten in bestaand IHP: eerder vastgestelde beleidskeuzes In het bestaande IHP uit 2021 is een aantal eerder gemaakte beleidskeuzes vastgelegd, waarvan we voorstellen deze zo te houden: Gemeente Purmerend baseert haar investeringsbijdrage in de onderwijshuisvesting niet op de VNG normvergoeding, maar op de (jaarlijks te indexeren) “Financiële kaders IHP Onderwijshuisvesting gemeente Purmerend” die zijn opgesteld door Hevo (15 september 2020); Binnen de genoemde financiële kaders wordt rekening gehouden met eisen die nu gesteld worden aan het binnenklimaat, gebaseerd op een afgewogen keuze voor verschillende componenten uit de Frisse Scholen classificatie; Gemeente Purmerend gaat bij de duurzaamheidscomponent energie uit van BENG (bijna energieneutraal), nu de minimale eis die ook wordt gesteld in de Bbl. Dit vormt 1 van de uitgangspunten in het voornoemde financieel kader; Gemeente Purmerend en schoolbesturen streven samen naar een hogere duurzaamheidsambitie in de vorm van ENG (energieneutraal) of waar mogelijk NoM (nul op de meter). Gemeente faciliteert deze ambitie door een laagdrempelige voorfinancieringsfaciliteit voor de schoolbesturen beschikbaar te stellen, die schoolbesturen in staat moet stellen om deze hogere verduurzamingsambitie te bekostigen met een jaarlijkse bijdrage. Gemeente Purmerend ondersteunt IKC-vorming bij nieuwbouw door investeringen in ruimte voor kinderopvangfuncties (KDV, VVE, PO, BSO12Kinderdagverblijf, Voor- en Vroegschoolse educatie, Peuteropvang en Buitenschoolse Opvang.) voor te financieren, maar alleen als er waterdichte afspraken over dekking hiervan via huur of gebruiksvergoeding op basis van langjarige overeenkomsten gemaakt worden; Gemeente Purmerend stelt jaarlijks een bedrag beschikbaar om schoolpleinen te vergroenen. In overleg met de schoolbesturen wordt dit verdeeld over 3 scholen per jaar. Bij toekomstige nieuwbouw kijken we hoe vergroening meegenomen kan worden in de plannen. Voorstel aanvullende uitgangspunten In aanvulling op de uitgangspunten vanuit de wetgeving en de eerder gemaakte beleidskeuzes (vastgelegd in bestaand IHP), stellen wij voor om de hierna genoemde uitgangspunten toe te voegen. Daarbij geven we aan welke keuzes gemaakt kunnen worden. Op basis van de in deze visie beschreven ambities, ervaringen en uitkomsten van gesprekken met betrokken stakeholders, wordt geadviseerd om de keuze voor nieuw beleid over te nemen en als basis aan te houden voor de verdere uitwerking in het IHP proces. Volume schoolgebouwen (toelichting hoofdstuk 2) In de visie van de primair onderwijs (
- po)schoolbesturen is het belangrijk om, daar waar het mogelijk is, te streven naar (met uitzondering van Westbeemster13De Lourdesschool in de Westbeemster is al jaren stabiel (rond 100 leerlingen) in de leerlingenprognose. en de Waterlandschool14Schoolbestuur Ithaka houdt zich voor de grootte van haar scholen aan het aantal ‘stromen’ als uitgangspunt, waarbij een zgn. ‘éénstroomsschool’ een grootte van 250 leerlingen heeft en een ‘tweestroomsschool’ 500 leerlingen. Daar is haar bedrijfsvoering op ingericht en daar stuurt zij op bij de instroom van leerlingen. Voor de locatie in Purmerend ziet Ithaka een duurzaam perspectief voor De Waterlandschool op basis van een éénstroomsschool, oftewel voor 250 leerlingen.) grotere onderwijseenheden dan de stichtingsnorm van 300 leerlingen15Een school heeft volgens de wet bestaansrecht als ze voldoet aan een minimum aantal leerlingen.. Maatwerk op basis van de lokale omstandigheden en het onderwijsconcept blijft daarbij wenselijk. Als gevolg van grotere onderwijseenheden kan dat op bepaalde plekken in de gemeente het aantal schoollocaties verminderen of verschuiven. De schoolbesturen geven organisatorisch invulling aan deze opschaling: fusie van scholen, samenvoegen van scholen op 1 locatie, met of zonder uitruil van schoollocaties tussen besturen. In feite wordt de omvang van een schoollocatie niet gebaseerd op de leerlingenprognose voor die ene school, maar op een bredere interpretatie van de leerlingenprognose. Bovenop de onderwijscapaciteit dient rekening te worden gehouden met aanvullende ruimtebehoefte voor de IKC-partner(s). De keuzevrijheid van ouders zal misschien minder zijn want als een school het maximum aan leerlingen heeft bereikt zal (volgens de volumeafspraken) een school doorverwijzen naar een andere school in de buurt. Nieuw beleid: Gemeente Purmerend heeft de intentie te streven voor de onderwijscapaciteit bij (ver)nieuwbouw van schoolgebouwen naar het
(1)verminderen van kleine schoollocaties en
(2)inzetten op onderwijseenheden groter dan de stichtingsnorm van 300 leerlingen, waarbij uitgegaan wordt van een bredere interpretatie van de leerlingenprognose in een bepaalde wijk of omgeving. Als hier een vaste voet mee wordt bespaard, wordt deze niet afgeraamd, maar beschikbaar gehouden voor ambities voor inclusief onderwijs. Volumeafspraken (toelichting hoofdstuk 5) Schoolbesturen en de gemeentelijke organisatie vinden het wenselijk om afspraken te maken over het gebruik van de onderwijshuisvestingscapaciteit. Daarmee wordt (bouwen voor) leegstand zoveel mogelijk voorkomen, maar wordt het ook beter mogelijk om scholen in hun kracht te zetten en te houden en onderlinge concurrentie tussen scholen om te buigen naar focus op kwaliteit en inzet op specifieke behoeften. Bovendien kan het vorige beleidsvoorstel om te streven naar bepaalde schoolgrootte van schoollocaties niet zonder daar ook volumeafspraken bij te maken. Nieuw beleid: Gemeente Purmerend maakt volumeafspraken met schoolbesturen, gericht op het optimaal inzetten van de onderwijshuisvestingscapaciteit. De volumeafspraken worden gebaseerd op de onderwijscapaciteit van de schoolgebouwen (bestaand en nieuw), waarbij rekening wordt gehouden met gebruik van gebouwdelen door IKC-partners. Om de volumeafspraken uit te kunnen voeren, werken schoolbesturen onder regie van de gemeente een gezamenlijk reguleringsbeleid uit en komen binnen een jaar met een voorstel. Inclusie (toelichting hoofdstuk 3) De basis voor inclusief onderwijs is gelegd in de wet op het passend onderwijs, vastgelegd achtereenvolgend in art 40 lid 4 WPO, art 40 lid 5 WEC, art 8.9 WVO. Vanuit de minister van OCW zijn de grote lijnen voor de werkagenda inclusief onderwijs 2035, concrete acties en vervolgstappen in een brief met de tweede kamer gedeeld in maart
- Hoewel het zwaartepunt van de opgave om invulling te geven aan inclusief onderwijs bij de schoolbesturen ligt en er geen wettelijke verplichting is voor de gemeente in relatie tot de onderwijshuisvesting, kan de gemeente hier in faciliteren door extra, boven de norm te berekenen onderwijsruimte, aan scholen beschikbaar te stellen. Nieuw beleid: Gemeente Purmerend kent, al dan niet onder voorwaarden, extra ruimte toe bij (ver)nieuwbouw van scholen in het primair onderwijs en het vo voor inclusief onderwijs. Daarbij gaat de gemeente voor nu uit van gemiddeld 50 m2bvo per project, maar per project zal beoordeeld worden wat nodig is. Dit hangt af van de visie van schoolbesturen op inclusie. De inhoudelijke beoordeling hiervan vindt plaats door het domein Maatschappelijk, ‘onderwijs’ binnen de gemeente. De dekking hiervan komt uit het over een langere periode bouwen van grotere scholen waarmee bespaard wordt op de ‘vaste voet’. Brede blik op maatschappelijke voorzieningen (toelichting hoofdstuk 2) Naast het IHP is er ook een behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen binnen de gemeente Purmerend. De vernieuwing van onderwijsgebouwen biedt ook kansen om breder te kijken naar (de behoefte aan) voorzieningen in de omgeving van de scholen waar het om gaat. Deze kansen willen we graag aangrijpen. Een integrale aanpak zoals deze vraagt wel wat van de projectorganisatie en de inbreng vanuit de gemeentelijke organisatie bij de ontwikkeling van projecten. Maar dit vraagt ook om aandacht voor de manier waarop invulling wordt gegeven aan eigendom en beheer van brede maatschappelijke accommodaties en goede en duurzame afwegingen daarin. Nieuw beleid: Gemeente Purmerend gebruikt een integrale aanpak bij nieuwe of te vernieuwen onderwijslocaties, waarbij als onderdeel van de planvorming verkend wordt of verbreding met andere maatschappelijke voorzieningen nuttig en haalbaar is. Circulair, klimaatadaptief en natuurinclusief (toelichting hoofdstuk 4) In het bestaande IHP en in de financiële kaderstelling worden geen budgettaire maatregelen vastgesteld om specifieke investeringen in deze duurzame onderdelen te realiseren, behalve de inzet op vergroening van de schoolpleinen. De gemeente heeft wel beleid geformuleerd voor nieuwbouw van gebouwen die gaat over deze duurzaamheidsonderdelen: nieuwbouw moet voldoen aan de basisveiligheidsniveaus klimaatbestendige nieuwbouw en moet voldoen aan het puntensysteem natuurinclusief bouwen. In hoeverre dit kan worden waargemaakt binnen het eerder genoemde financieel kader, is de vraag. De verwachting is dat echt inzetten op deze duurzaamheidsthema’s om extra investeringsruimte zal vragen. Nieuw beleid: We volgen de wettelijke basis en samen met de schoolbesturen gebruiken we elke kans om de thema’s circulair, klimaatadaptief en natuurinclusief zo optimaal mogelijk in elk bouwproject te realiseren, waarbij de gemeente hulp biedt bij het vinden en inzetten van subsidiemogelijkheden. Anticiperen op demografische ontwikkelingen (toelichting hoofdstuk 5) De gemeente Purmerend staat voor een flinke ontwikkelopgave en heeft verschillende gebieden aangewezen waar grootschalige ontwikkelingen zullen plaatsvinden. Dat heeft ook demografische gevolgen die ook in de prognose van de leerlingaantallen zijn meegenomen. In die nieuwe ontwikkelgebieden moeten ook voorzieningen, waaronder scholen of integrale kindcentra, worden gerealiseerd. Het is daarbij belangrijk om die kindvoorzieningen zoveel mogelijk in de eerste fase van de ontwikkelingen te realiseren. Dat levert in de eerste tijd naar verwachting meer capaciteit op die we graag flexibel wensen in te zetten. Per locatie zullen we zoeken naar effectieve manieren om invulling te geven aan de gewenste flexibiliteit. Daarbij kunnen ook zogenaamde piekgebouwen een rol spelen. Nieuw beleid: Bij stedelijke uitbreiding wordt de realisatie van kindvoorzieningen (integrale kindcentra) zoveel mogelijk in de eerste fase gepland. Bewegingsonderwijs (toelichting hoofdstuk 6) Onderdeel van het IHP is het in kaart brengen van de capaciteit voor het bewegingsonderwijs en inzichtelijk maken waar knelpunten ontstaan. Een belangrijk onderdeel daarbij is de afstand van een school tot een gymzaal. Wettelijk zijn die afstanden bepaald op maximaal 1 kilometer hemelsbreed in het primair onderwijs en maximaal 2 kilometer hemelsbreed in het voortgezet onderwijs. De wens is om die afstand zo beperkt mogelijk te houden. De gemeente Purmerend heeft voor het primair onderwijs de ambitie om binnen een streefafstand van 750 meter te blijven, maar beschouwt de wettelijke afstand daarbij als uiterlijke afstand. Nieuw beleid: Gemeente Purmerend zet in op een zo effectief mogelijke benutting van de beschikbare capaciteit voor bewegingsonderwijs en om zoveel mogelijk leegstand te voorkomen; Gemeente Purmerend streeft naar een afstand van maximaal 750 meter tussen een basisschool en een gymvoorziening, maar houdt de wettelijke afstand (1 km) als uiterlijke afstand aan; Er wordt geen capaciteit voor bewegingsonderwijs toegevoegd als daar op basis van de wettelijke normen (afstand en aantal uren) geen reden voor is. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 27 maart 2025De wnd. griffier,M. Timmermande voorzitter, E. van Selm IHP Purmerend 2025 – 2040 Uitvoeringsplan 1.Inleiding Deze rapportage betreft het uitvoeringsplan IHP Purmerend
- Het IHP bestaat uit twee delen: de visie en het uitvoeringsplan. De ‘Visie op huisvesting kindcentra en scholen’ schetst een visie voor de toekomst van onderwijshuisvesting in de gemeente, gericht op duurzaamheid, inclusiviteit en een efficiënte inrichting van de beschikbare ruimte. De visie biedt voor de langere termijn houvast voor de wijze waarop gemeente en schoolbesturen in Purmerend om willen gaan met de huisvesting van de scholen in het funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs). Onderhavig uitvoeringsplan vertaalt die visie naar concrete projectvoorstellen voor die huisvesting en een investeringsplan voor de komende 15 jaar. Daarbij geldt dat naar mate de investeringen verder in de tijd worden geplaatst de waardes daarvan in dit uitvoeringsplan in steeds meer indicatieve mate moeten worden beschouwd. Het IHP wordt dan ook elke vier jaar geactualiseerd, waarbij de verwachting is dat de actualisatie voor het grootste deel betrekking heeft op het uitvoeringsplan. In dit inleidende hoofdstuk gaan we nader in op de context van het IHP, de aanleiding, het proces waarop het IHP tot stand is gekomen en de status van het IHP. Context De gemeente Purmerend, de schoolbesturen en hun maatschappelijke partners actief in Purmerend staan voor een enorme opgave. De gemeente groeit op diverse plekken als gevolg van nieuwe woningbouwontwikkelingen. In die nieuwe wijken ontstaat ook vraag naar maatschappelijke voorzieningen, waaronder onderwijsvoorzieningen en voorzieningen voor kinderopvang. Niet in elke wijk wordt echter groei van het aantal leerlingen voorzien, waardoor naast de vraag om nieuwe locaties ook een spreidingsvraagstuk speelt. Tegelijkertijd is een groot gedeelte van de bestaande onderwijsgebouwen aan vernieuwing toe. Of is een uitbreidingsvraag aan de orde, als gevolg van groei van leerlingaantal of de wens om kinderopvangvoorzieningen in een schoollocatie te huisvesten. En dat allemaal binnen een context waarin ruimte schaars is. Zeker in de bestaande binnenstedelijke gebieden is het vinden van een nieuwe of tijdelijke locatie voor onderwijshuisvesting moeilijk, zo niet onmogelijk. Bovendien stellen we tegenwoordig hogere eisen aan de infrastructuur rond schoollocaties, onder andere met betrekking tot bereikbaarheid, veiligheid en parkeergelegenheid. Maar de opgave voor partijen ligt niet alleen in het fysieke domein. Ook spelen diverse ontwikkelingen binnen het onderwijs en opvang die uiteindelijk van invloed zijn op de fysieke opgave. Zo hebben schoolbesturen een uitdaging als het gaat om het waarborgen van voldoende docenten voor de klassen, is er de ambitie om de doorgaande ontwikkellijn van kinderen steeds meer geïntegreerd vorm te geven en hebben partijen de opdracht om zoveel mogelijk kinderen in het reguliere onderwijs te houden en de noodzakelijke ondersteuning te bieden (inclusief onderwijs). Voor de kinderopvangorganisaties geldt dat wet- en regelgeving aan verandering onderhevig is en dat binnen de landelijke politiek ambities leven om de toegankelijkheid van kinderopvang te vergroten. Ook al deze inhoudelijke thema’s vertalen zich uiteindelijk in meer of mindere mate naar een huisvestingsvraag. Om de opgave van de gemeente, schoolbesturen en maatschappelijke partners ten aanzien van de onderwijshuisvesting (inclusief bewegingsonderwijs) richting te geven, is een nieuw integraal huisvestingsplan (IHP) opgesteld. Aanleiding In 2021 heeft de gemeenteraad van Purmerend het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs (IHP) vastgesteld, waarna de uitvoering van de eerste projecten daaruit van start is gegaan. Tijdens de uitvoering is de gemeente diverse uitdagingen tegengekomen waar het IHP niet in voorzag. Zo bleken sommige projecten complexer dan aanvankelijk gedacht, werd tegen ruimtelijke beperkingen van locaties aangelopen en leidde de stijging van de marktprijzen tot noodzakelijke aanpassingen van de investeringsopgaven. Daarbij komt dat gemeente Purmerend voor een aanzienlijke woningbouwopgave in diverse ontwikkelgebieden staat, wat effect heeft op het verwachte aantal leerlingen. Kortom, allerlei omstandigheden waar in het vigerend IHP uit 2021 onvoldoende rekening mee werd gehouden en die vragen om een herijking van het IHP. Doel Het doel van de herijking van het IHP is om een langeretermijnstrategie voor de onderwijshuisvesting vast te stellen die past bij de groeiende gemeente. Een plan dat kaders en handvatten biedt aan gemeente en schoolbesturen om de onderwijslocaties op basis van een gezamenlijke en gedragen visie toekomstbestendig te maken. Dit plan voorziet tevens in de toekomstige behoefte aan capaciteit in de binnensportaccommodaties. Proces Het voorliggende IHP-rapport is opgesteld met begeleiding van ICSadviseurs en in samenwerking met alle schoolbesturen, (een afvaardiging van) opvangorganisaties, sportbedrijf Spurd en de gemeente Purmerend. Deze partijen zijn te vinden in onderstaande tabel. Organisatie Gemeente Purmerend Wethouder onderwijshuisvesting Programmamanager onderwijshuisvesting Schoolbestuur Confessioneel PrimairOnderwijs Waterland (CPOW) Stichting OPSPOOR Stichting Vrijescholen Ithaka Stichting VierTaal Stichting iHUB Onderwijs Stichting Blosse Onderwijs Stichting Purmerendse ScholenGroep (PSG) Kinderopvang Sportify Kids Forte Kinderopvang Kinderopvang Purmerend (SKOP) Partou Tinteltuin PSZ Kleinduimpje Met bovenstaande partijen is een zorgvuldig proces doorlopen om tot een gedragen IHP te komen. De volgende stappen zijn daarbij doorlopen: Visie op de onderwijshuisvesting – Met de betrokken partijen is gezamenlijk aan de hand van diverse thema’s nagedacht over wat de gemeente en schoolbesturen met de onderwijshuisvesting beogen. De visie op onderwijshuisvesting is beknopt beschreven in hoofdstuk 3 en volledig opgenomen in de ‘Visie op huisvesting kindcentra en scholen’. Inventarisatie gebouwen – Voor elke locatie is op basis van zoveel mogelijk objectieve informatie een zogenaamde ‘factsheet’ gemaakt. Het gaat hier om gegevens als bouwjaar, exploitatielasten, technische en functionele kwaliteit en de ontwikkeling van vraag en aanbod op basis van de leerlingenprognoses. Tevens is het medegebruik en de verhuur van (onderwijs)capaciteit inzichtelijk gemaakt. Een samenvatting van de factsheets wordt gegeven in hoofdstuk 4: Portefeuille-analyse. Daarnaast zijn de factsheets opgenomen als bijlage 1 aan dit IHP. Situatieschets per wijk – Aan de hand van de basisinformatie, interviews en het inzicht in de vooraf benoemde knelpunten en ontwikkelingen, is een wijkgerichte situatieschets gemaakt. Deze kaarten geven de knelpunten per wijk visueel weer. Tijdens de werksessies zijn alle knelpunten per school(gebouw) met elkaar gedeeld, zodat er een integraal beeld is ontstaan van de opgave die voorligt. De wijkkaarten vormen daarmee een belangrijke basis om tot gedragen oplossingen te komen. De toelichting op de wijkkaarten is weergegeven in hoofdstuk 5: Knelpunten & oplossingsrichtingen. Financiële vertaling - Voor de voorgestelde oplossingsrichtingen zijn de investeringskosten (voor de gemeente en schoolbesturen) in beeld gebracht. De financiële vertaling is opgenomen in hoofdstuk 9: Financiën. Een belangrijk uitgangspunt voor het Integraal Huisvestingsplan Purmerend is dat het een gezamenlijk plan is van de betrokken partijen. De betrokkenheid en aandacht van schoolbesturen, opvangorganisaties en de gemeente vormen de basis voor de aanpak en uitvoering. Tijdens meerdere werksessies hebben schoolbesturen en vertegenwoordigers van kinderopvang en gemeente gezamenlijk informatie, inzichten en standpunten uitgewisseld om tot een samenhangend en gedragen plan te komen. Gedurende het proces vormt ieder deelproduct de input voor het daaropvolgende deelproduct. Zo hebben we alle bouwstenen voor het IHP gedurende het proces gezamenlijk ontwikkeld. De bouwstenen zijn tijdens de werksessies besproken, aangescherpt, vastgesteld en nu verwerkt in dit IHP. In dat proces zijn telkens twee sporen bewandeld: één spoor waarin de afstemming met de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties werd gelopen en één spoor waarin met een brede vertegenwoordiging vanuit de gemeente werd afgestemd om in aansluiting op onder andere stedenbouwkundige en andere maatschappelijke ontwikkelingen vanuit een breder kader af te stemmen over de visie- en planvorming. Zo hebben we zo goed mogelijk proberen te borgen dat de planvorming in dit IHP aansluit op andere ontwikkelingen binnen de gemeente. Status Dit IHP, bestaat uit het visiedocument en het uitvoeringsplan en is een gezamenlijk plan van de gemeente Purmerend, de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties, vastgesteld in het Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) tussen de gemeente en schoolbesturen. Dit gezamenlijke plan wordt ter besluitvorming voorgelegd aan het College van B&W en vervolgens namens het college aan de Gemeenteraad. Het IHP wordt in zijn geheel (visie en uitvoeringsplan) na 4 jaar geëvalueerd en zo nodig aangepast op nieuwe, nu nog onvoorziene ontwikkelingen. Jaarlijks wordt de voortgang van uitvoering van het uitvoeringsplan gerapporteerd aan de Gemeenteraad. Leeswijzer Hoofdstuk 1: Inleiding In dit hoofdstuk wordt de context van het IHP beschreven. De aanleiding voor het plan wordt toegelicht, evenals het proces van totstandkoming en de status van het IHP. Het hoofdstuk legt ook de verbinding tussen de ‘Visie op huisvesting kindcentra en scholen’ en de vertaling daarvan in concrete projectvoorstellen in het uitvoeringsplan. Hoofdstuk 2: Algemene kaders Hier worden de uitgangspunten voor het IHP besproken. Het vigerende IHP, wettelijke kaders en het vertrekpunt van het nieuwe plan worden behandeld. Ook wordt een overzicht gegeven van het huidige onderwijsaanbod en lopende of vastgestelde projecten. Hoofdstuk 3: Visie op huisvesting (kindcentra en scholen) Dit hoofdstuk schetst de ambities voor de toekomstige inrichting van onderwijshuisvesting in Purmerend. Het benadrukt duurzaamheid, inclusiviteit en efficiënte ruimtebenutting, met het doel om tegen 2040 een flexibel en toekomstbestendig systeem van onderwijshuisvesting te realiseren. Hoofdstuk 4: Analyse portefeuille op hoofdlijnen In dit hoofdstuk wordt de huidige staat van de onderwijshuisvesting geanalyseerd. Er wordt ingegaan op aspecten zoals de gemiddelde leeftijd van de gebouwen, de kwaliteit ervan, en de mate waarin het aanbod aansluit op de behoeften van het onderwijs. Hoofdstuk 5: Analyse schoollocaties per wijk/dorp Dit hoofdstuk biedt een gedetailleerde knelpuntenanalyse per schoolgebouw. Met behulp van een kansenkaart worden gebouwen beoordeeld op vraag en aanbod, kwaliteit (technische staat, binnenklimaat, verkeersveiligheid) en financiën (onderhouds- en energielasten). Ook wordt ingegaan op de toekomstige verhoudingen tussen beschikbare en benodigde capaciteit. Hoofdstuk 6: Analyse gymvoorzieningen In dit hoofdstuk worden de gymvoorzieningen in Purmerend specifiek geanalyseerd. Het behandelt de spreiding, berekende capaciteit en biedt een korte analyse van de huidige voorzieningen. Hoofdstuk 7: Uitwerking projectvoorstellen Hier worden verschillende scenario’s en projectvoorstellen voor schoollocaties uitgewerkt. Deze voorstellen zijn ingedeeld in tijdvakken, met indicatieve planningen voor ingebruikname, capaciteitsdoelen (in leerlingen en m² bvo) en afhankelijkheden zoals de beschikbaarheid van bouwrijpe locaties. Hoofdstuk 8: Effecten projectvoorstellen Dit hoofdstuk bespreekt de effecten van de projectvoorstellen op de onderwijshuisvesting en de gemeente als geheel. Het richt zich op de bijdrage aan groeiambities, leefbaarheid en de ontwikkeling van de jongste generatie inwoners van Purmerend. Hoofdstuk 9: Financiële uitwerking In dit hoofdstuk worden de benodigde investeringen en de financiële planning van het uitvoeringsplan gepresenteerd. Hoofdstuk 10: Procesvoorwaarden Het afsluitende hoofdstuk behandelt de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een succesvolle uitvoering van het IHP. Dit omvat afspraken over samenwerking, de beschikbaarheid van middelen en de procesmatige randvoorwaarden die geborgd moeten worden. 2.Algemene kaders We ontwikkelen het IHP niet vanuit een totaal nieuw kader. Er ligt een vigerend IHP op basis waarvan al projecten zijn uitgevoerd en in uitvoering, danwel opgestart zijn en er zijn wettelijke kaders die van belang zijn om in acht te nemen. In dit hoofdstuk staan we eerst stil bij een aantal kaders die van belang zijn voor het ontwikkelen van dit IHP en vervolgens geven we inzicht in het vertrekpunt voor dit IHP: hoe ziet het huidige onderwijsaanbod er uit en welke projecten kunnen als lopend (of vastgesteld) worden beschouwd. Wettelijke taak onderwijshuisvesting De wettelijke basis voor regelgeving over onderwijshuisvesting is vastgelegd in de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), de Wet op de expertisecentra (WEC) en de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO). Deze wetten verplichten de gemeente om te zorgen voor adequate huisvesting. Bij het uitoefenen van deze taak dient de gemeente onder meer rekening te houden met de materiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs. Deze gelijkstelling houdt in dat alle scholen recht hebben op dezelfde voorzieningen in dezelfde omstandigheden. De regels die in acht moeten worden genomen zijn uitgewerkt in de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs die de gemeenteraad in 2009 heeft vastgesteld. De verordening is gedateerd en dient op onderdelen te worden herzien. In de verordening is vastgelegd welke verantwoordelijkheden de gemeente en de schoolbesturen hebben ten aanzien van de huisvesting van de binnen de gemeente Purmerend gevestigde scholen voor primair, voortgezet en speciaal onderwijs. Ook is beschreven welke voorzieningen schoolbesturen kunnen aanvragen bij de gemeente en welke procedures daarbij gelden. De verordening is de uitwerking van een aantal wettelijke bepalingen. De belangrijkste daarvan is dat de verordening zodanig moet worden opgezet dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt. Over aanvragen voor onderwijshuisvestingsvoorzieningen die de gemeente in behandeling heeft genomen, wordt een OOGO met de schoolbesturen gevoerd. Taken en verantwoordelijkheden (zorgplicht) De taken en verantwoordelijkheden van gemeente en schoolbestuur zijn wettelijk bepaald. De afbeelding hieronder (figuur 1) toont het onderscheid in wettelijke taken en verantwoordelijkheden. De gemeente heeft een wettelijke zorgplicht om te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het primair, speciaal, voortgezet onderwijs en bewegingsonderwijs. Deze zorgplicht is uitgewerkt in de verordening voorziening huisvesting onderwijs gemeente Purmerend. De gemeente is onder andere verantwoordelijk voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Vooruitlopend op en in lijn met de aangekondigde wetswijziging wordt de gemeente tevens verantwoordelijk voor renovatie (zie ook hoofdstuk 3, visie op onderwijshuisvesting). Voor de gymzalen die in eigendom zijn van schoolbesturen in het basisonderwijs dient de gemeente te voorzien in het zogenaamde buitenonderhoud zoals daken, kozijnen enz. (de onderdelen die voorheen ten aanzien van de schoolgebouwen vielen onder het ‘groot onderhoud’). Voor de uitvoering van de zorgplicht ontvangt de gemeente jaarlijks ongelabeld budget in het gemeentefonds vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dit budget wordt jaarlijks gebaseerd op verschillende maatstaven (factoren) en verschilt per gemeente. In de gemeente Purmerend wordt onderhoud, exploitatie en beheer uitgevoerd door stichting SPURD. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de instandhouding van het schoolgebouw. Taken als het onderhouden (op basis van een meerjarenonderhoudsplan, MJOP), exploiteren en het uitvoeren van inpandige (onderwijskundige) aanpassingen zijn belegd bij het schoolbestuur. Voor deze taken ontvangen de besturen jaarlijks vanuit het Rijk middelen. Deze vergoeding wordt gebaseerd op het aantal ingeschreven leerlingen. Figuur 1: Taken en verantwoordelijkheden Wetswijzigingsvoorstel Er is een wetswijziging in behandeling waardoor het wettelijk kader voor onderwijshuisvesting gaat veranderen. De streefdatum voor de inwerkingtreding van het wetswijzigingsvoorstel is 1 augustus
- Het voorstel bevat de volgende elementen: Het IHP wordt een wettelijke verplichting van gemeenten. Het IHP heeft een scope van 16 jaar en daarbinnen een perspectief van een beschikking voor alle projecten in de eerste 4 jaar. Renovatie wordt een voorziening in de huisvesting en valt onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid. De taakverdeling met betrekking tot het bouwheerschap wordt daarmee ook gelijk aan de taakverdeling bij nieuwbouw (bouwheerschap in de basis bij het schoolbestuur, maar daarvan kan worden afgeweken). Het investeringsverbod voor het primair en speciaal onderwijs wordt gedeeltelijk opgeheven. Gemeente en schoolbesturen hebben de verplichting te zorgen voor een gezond binnenklimaat. Waarbij de gemeente bij (ver)nieuwbouw verantwoordelijk is voor het creëren van een goed binnenklimaat en het schoolbestuur verantwoordelijk is om het gezonde binnenklimaat te behouden. Het voorliggende IHP sluit aan op het huidig wettelijk kader en is in lijn met het wijzigingsvoorstel. Onderwijsachterstanden beleid Gemeenten hebben geen rol in het (uitvoerend) onderwijsbeleid van de scholen. Zo zijn schoolbesturen primair verantwoordelijk voor onderwijsachterstandenbeleid en passend onderwijs. Wel zijn gemeenten verantwoordelijk voor het vormgeven en uitvoeren van voorschoolse en vroegschoolse educatie. Uiteindelijk leidt dat tot een gezamenlijke opgave tussen schoolbesturen en het samenwerkingsverband, kinderopvang organisaties en de gemeente om kinderen een passende en zoveel mogelijk kansengelijke ontwikkellijn te bieden. Huidige aanbod onderwijs PO, (V)SO en VO in Purmerend De samenstelling van het onderwijsaanbod in de gemeente Purmerend is als volgt: Primair onderwijs (28 scholen, 7 schoolbesturen) Speciaal basisonderwijs (2 scholen, 2 schoolbesturen) (Voortgezet) Speciaal Onderwijs (5 scholen, 3 schoolbesturen) Voortgezet Onderwijs (5 scholen, 1 schoolbestuur) Nieuwkomersonderwijs (2 scholen, 2 schoolbesturen) Figuur 2: Huidige aanbod onderwijs Onderdeel van het onderwijs is bewegingsonderwijs. Binnen de gemeente Purmerend zijn de volgende voorzieningen voor bewegingsonderwijs aanwezig: 20 gymzalen (sportaccommodatie bestaande uit 1 zaaldeel), waarvan 1 tijdelijk 2 sportzalen (sportaccommodatie bestaande uit 2 zaaldelen), waarvan 1 tijdelijk 3 sporthallen (sportaccommodatie bestaande uit 3 zaaldelen) Lopende projecten We zijn met dit IHP traject gestart op basis van het IHP dat een aantal jaren geleden werd opgesteld en vastgesteld. Op basis van dat IHP zijn projecten in uitvoering genomen, waarvan een enkeling reeds is afgerond. Projecten die we als lopend kunnen beschouwen zijn: Centrum In de wijk Centrum wordt bij het KC Willem Eggert in Q2 2025 een uitbreiding gerealiseerd van maximaal 321 m2 bvo. Dit is het maximaal aantal m2 wat bijgebouwd kan worden op het huidige kavel. Dit project is reeds vastgesteld en in uitvoering. Overwhere In de wijk Overwhere zijn twee lopende projecten. Het Antoni Gaudi en Da Vinci college krijgen nieuwbouw op de huidige locatie van het Antoni Gaudi. Dit project is in uitvoering. In totaal bedraagt de capaciteit van de nieuwe locatie 13.040 m2 bvo, wat betekent dat in totaal 1.900 leerlingen gehuisvest kunnen worden. De oplevering van het nieuwe gebouw staat gepland in Q4
- De nieuwe school gaat Het Innovium College heten. Naast de nieuwbouw van Het Innovium College, is ook de nieuwbouw van OBS de KlimOp reeds vastgesteld en in uitvoering. De onderwijscapaciteit in de nieuwbouw van de KlimOp bedraagt 3.092 m2 bvo, waarmee onderwijs kan worden geboden aan 575 leerlingen. Daarnaast is in de nieuwbouw 527 m2 bvo kinderopvang ruimte voorzien. Middenbeemster In Middenbeemster is de nieuwbouw van IKC de Keyser, inclusief gymzaal een lopend project. De afronding van dit project zal plaatsvinden in Q4
- In totaal bedraagt de nieuwbouw van IKC de Keyser 3.586 m2 bvo, bestaande uit onderwijs, kinderopvang, gymzaal en maatschappelijke ruimtes. De onderwijscapaciteit in dit nieuwe gebouw bedraagt 1.851 m2 bvo, wat betekent dat dit gebouw kan worden gegeven aan 328 leerlingen. In totaal kunnen er in de Middenbeemster op de bestaande en de nieuwe locatie circa 550 leerlingen onderwijs krijgen. Wheermolen De nieuwbouw van de Plankier/ARS (verplaatsing vanuit Weidevenne en De Gors) inclusief gymzaal, is reeds vastgesteld en in voorbereiding. In Q2 2027 staat de oplevering van het nieuwe gebouw gepland. Inclusief een gymzaal bedraagt de nieuwbouw in totaal 2.572 m2 bvo. Hier kunnen vanaf 2027 in totaal 203 leerlingen onderwijs krijgen. Zuidoostbeemster De nieuwbouw van de tweede Wilgenhoek/ Bloeiende Perelaar, inclusief gymzaal is reeds vastgesteld. Bij dit project heeft nog geen definitieve besluitvorming over de beschikbaarheid van een locatie plaatsgevonden. In totaal gaat het hier om ruimte voor 1.895 m2 bvo onderwijs, 608 m2 bvo kinderopvang en 500 m2 bvo gymzaal. In het nieuwe gebouw kunnen derhalve 336 leerlingen onderwijs krijgen. In totaal kunnen er in de Zuidoostbeemster op de bestaande en de nieuwe locatie circa 700 leerlingen onderwijs krijgen. Purmer Zuid De nieuwbouw van De Delta is reeds vastgesteld en in voorbereiding. De nieuwbouw komt op dezelfde locatie als het huidige schoolgebouw. De uitvoering van het project (en daarmee de planning) is afhankelijk van tijdelijk gehuisvest kunnen worden in een bestaand gebouw. De nieuwbouw van De Delta bestaat uit 1.820 m2 bvo onderwijscapaciteit. In het nieuwe gebouw kunnen 322 leerlingen onderwijs krijgen.
- Visie op huisvesting (kindcentra en scholen) Met het IHP beogen we adequaat te reageren op maatschappelijke en demografische veranderingen en oplossingen te bieden voor groeiende leerlingenaantallen, verouderde schoolgebouwen en veranderende eisen aan onderwijs- en kinderopvangvoorzieningen. Het doel is om tegen 2040 een flexibel, toekomstbestendig en duurzaam systeem van onderwijshuisvesting te realiseren, passend bij de bredere gemeentelijke strategieën zoals Purmerend 2040 en passend bij de stedelijke ontwikkeling van deze gemeente. Het IHP bestaat uit twee delen: de visie en het uitvoeringsplan. De ‘Visie op huisvesting kindcentra en scholen’ schetst een visie voor de toekomst van onderwijshuisvesting in de gemeente, gericht op duurzaamheid, inclusiviteit en een efficiënte inrichting van de beschikbare ruimte. In dit hoofdstuk geven we samengevat weer welke elementen onderdeel uitmaken van de visie en hoe we daar invulling aan geven in de planvorming. Aansluiting bij de stedelijke ontwikkeling van gemeente Purmerend Purmerend groeit en de verstedelijkingsambitie van de gemeente heeft ook invloed op de sociaal- maatschappelijke context. Dat vraagt om een heldere en passende visie op de maatschappelijke infrastructuur in de gemeente, waaronder ook onderwijs en onderwijshuisvesting. Onderwijshuisvesting draagt immers ook bij aan het realiseren van de gezamenlijke doelen op weg naar Purmerend 2040, onder andere ten aanzien van het waarborgen van de leefbaarheid, veiligheid en economische ontwikkeling. De focus op duurzaamheid, inclusie en flexibiliteit maakt het IHP niet alleen een plan voor betere scholen, maar ook voor een betere gemeente. Kinderen, ouders en leraren kunnen rekenen op veilige, moderne en inspirerende leeromgevingen die zijn afgestemd op hun behoeften en de uitdagingen van de toekomst. In het vigerend IHP werd te weinig rekening gehouden met die verstedelijkingsopgave en concreet de verschillende ontwikkelgebieden binnen de gemeente. Bij het tot stand komen van dit nieuwe IHP zijn nieuwe leerlingenprognoses in 2024 opgesteld, gebaseerd op alle bekende voorgenomen woningbouwontwikkelingen. Dat betekent dat we een reëel beeld hebben van de ontwikkeling van het leerlingaantal, maar volledige zekerheid daarover hebben we natuurlijk niet. Het blijft immers een voorspelling. Ook met die onzekerheid proberen we in de planvorming rekening te houden. Thema’s en uitgangspunten als basis voor planvorming De voorziene groei van de gemeente is niet de enige ontwikkeling waar we in dit IHP een antwoord op proberen te geven. Ontwikkelingen in het onderwijs zelf vragen ook om een nieuwe visie op plannen voor onderwijshuisvesting voor de toekomst. Denk daarbij aan het realiseren van doorgaande ontwikkellijnen en het vormgeven van inclusief onderwijs. Voor schoolbesturen ligt een opgave om hier gezamenlijk en met partners vorm aan te geven in combinatie met de uitdaging om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen en voldoende onderwijskundig personeel aan zich te binden. Ook koppelen we in dit IHP de consequenties van leerling ontwikkelingen en de daaruit voortvloeiende projectvoorstellen aan de behoefte aan bewegingsonderwijs. In de visie op de onderwijshuisvesting worden de volgende thema’s verder uitgewerkt: Doorgaande ontwikkellijn voor elk kind. Hier wordt ingegaan op de vorming van integrale kindcentra (IKC’s), inclusie en onderwijs voor nieuwkomers. Duurzaamheid: op naar Paris Proof. Hier wordt ingegaan op de ambities die worden nagestreefd ten aanzien van duurzaamheid bij nieuwbouw, bij renovatie/vernieuwbouw en bij in stand te houden gebouwen en de inzet van subsidiemogelijkheden. Anticiperen op demografische en stedelijke ontwikkelingen. Hier wordt ingegaan op volumeafspraken, de inzet van piekgebouwen, modulair bouwen en planologische ruimte, tijdelijke huisvesting en mobiliteit en verkeersveiligheid. Factoren die een rol spelen bij het inspelen op de veranderende behoefte als gevolg van de demografische en stedelijke ontwikkelingen. Bewegingsonderwijs. Naast de capaciteitsvraag die volgt uit de ontwikkeling van het aantal leerlingen op de verschillende onderwijslocaties, spelen ook andere ontwikkelingen een rol bij het plannen van nieuwe voorzieningen voor bewegingsonderwijs. Zo wordt ingegaan op continuroosters, IKC vorming en bewegen in en om de school (BIOS), nieuwe ontwikkelingen in het bewegingsonderwijs en het type sportvoorziening. De manier waarop de gemeente Purmerend in dit IHP invulling wil geven aan de verschillende thema’s heeft geleid tot de volgende keuzes. Deze keuzes vormen uitgangspunt voor de uitwerking van de projectvoorstellen. Volume nieuwe schoolgebouwen minimaal 300 leerlingen en max 500 leerlingen als richtlijn, met afspraken over handhaven van de volumeafspraken. Individuele uitbreidingsverzoeken worden in de context van de wijk beoordeeld. Integrale aanpak bij nieuwe projecten: voorafgaand aan een project wordt met een brede blik op maatschappelijke voorzieningen geïnventariseerd of ook andere maatschappelijke functies onderdeel moeten worden van het te realiseren programma. Anticiperen op stedelijke ontwikkelingen: zoveel mogelijk vooruitlopend op stedelijke ontwikkelingen nieuwe schoollocaties ontwikkelen (eerst de kindvoorzieningen, dan de woningen). Onder voorwaarden extra m2-s toekennen ten behoeve van vormgeven inclusie op schoollocaties bij nieuwbouw. In de uitwerking hanteren we een gemiddelde waarde voor de extra m2-s van 50m2bvo per project voor reguliere basisscholen. Zie hoofdstuk 10: procesafspraken. Gemeente gaat in basis uit van BENG, maar gemeente en schoolbesturen gezamenlijk zoeken naar mogelijkheden om ambitie hoger te leggen (ENG). Circulair, klimaat adaptief en natuur inclusief 16 Er is nog onduidelijkheid over de definitieve verplichting van het plaatsen van nestkasten bij nieuwbouw, als gevolg van een lopende discussie in de Tweede kamer. worden als thema meegenomen in projecten maar vanuit onderwijshuisvesting geen extra middelen voor beschikbaar. In elk project wordt onderzocht welke aanvullende financieringsmogelijkheden (bijv subsidies) er aangewend kunnen worden om op deze thema’s stappen te zetten. Gymnastiekcapaciteit zoveel mogelijk binnen 750 meter van schoollocatie te bereiken en zo optimaal mogelijk benutten van capaciteit (efficiënte spreiding en inzet van gymnastiekvoorzieningen). Er wordt bovendien bij de invulling van gymcapaciteit ook ingespeeld op de behoefte die vanuit de brede sportbeoefening binnen de gemeente aanwezig is. Claims nieuwe locaties en mogelijk te verlaten locaties Naast deze beleidskeuzes gaan we bij de uitwerking van de planvorming zoveel mogelijk uit van het beperken van de noodzaak om kostbare tijdelijke huisvesting (THV) te moeten realiseren om projecten uit te kunnen voeren. De nieuwe stedelijke ontwikkeling biedt daarbij kansen omdat we aanbod willen creëren waar de nieuwe behoefte ontstaat. Dus we zullen claims leggen op nieuwe locaties waar we die kunnen vinden en waar die aansluiten bij nieuwe woningbouwontwikkelingen. Voor locaties in nieuw te ontwikkelen wijken geldt dat we er zoveel mogelijk naar streven om de nieuwe onderwijslocatie gereed te hebben bij aanvang of in de eerste fase van de woningbouw ontwikkeling. In de planuitwerking komen ook situaties voor waarbij we op dit moment voorzien dat bestaande onderwijslocaties kunnen worden verlaten. Uitgangspunt is dat we deze locaties pas uit de onderwijsportefeuille (en uit de onderwijsbestemming) halen