Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2026Burgemeester en wethouders van Borne; gelet op het collegevoorstel d.d. 3 februari 2026, met kenmerk 26int00078, waarvan de motivering onlosmakelijk deel uitmaakt van dit besluit. Gelet op Wmo 2015, Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2022 Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2026 treden met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari
(1)meereizende persoon als een reiziger zonder indicatie kan meereizen. De meereizende persoon betaalt dezelfde ritbijdrage als de geïndiceerde reiziger. De eigen ritbijdrage die de meereizende betaalt, komt vervoerder en niet de Gemeente toe. Vervoerder mag voor meereizende géén kosten in rekening brengen bij de Gemeente. Als de reiziger afhankelijk is van een begeleider in het vervoer, kan de reiziger de indicatie "medische begeleider" krijgen. Een indicatie voor een medisch begeleider wordt vastgesteld door de Gemeente in een nadere opdracht. Een indicatie "medische begeleiding" houdt in dat een reiziger door de aard van zijn/haar handicap tijdens de rit, wanneer nodig, begeleiding nodig heeft, die niet door de chauffeur geboden kan worden. Onder medische begeleiding valt het verrichten van medische handelingen (bijv. toedienen van medicijnen) of begeleiding ingeval er sprake is van gedragsstoornissen. Een reiziger met een indicatie "medische begeleiding" moet zelf zorgen voor een (medisch) begeleider. Een reiziger met een indicatie "medische begeleiding" mag niet zonder een dergelijke begeleider reizen. Nb. een medisch begeleider hoeft niet medisch geschoold te zijn, maar moet iemand zijn die bekend is met de medische beperkingen/gedragsstoornissen van reiziger en hierop adequaat kan reageren. Een medisch begeleider moet in staat zijn om zelfstandig (zonder hulpmiddelen) te reizen en moet minimaal 12 jaar zijn. De medische begeleider is vrijgesteld van de betaling van een eigen ritbijdrage. Vervoerder mag voor de medisch begeleider géén kosten in rekening brengen bij de Gemeente. Een indicatie wordt afgegeven met de maximale geldigheidsduur van 5 jaar. Na deze periode vindt heronderzoek plaats. Nadere regels Verlengde zorg (vervoer door zorgaanbieder) De gemeente Borne vergoedt de kosten voor het vervoer als dit vervoer onderdeel uitmaakt van de jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning en het voor de inwoner noodzakelijk is dat dit aansluitend een onlosmakelijk onderdeel is van de te bieden ondersteuning. Deze verlengde zorg wordt ingekocht bij zorgaanbieders. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het organiseren van dit vervoer met eigen middelen en personeel. Het is niet toegestaan om hiervoor een taxibedrijf in te huren. Wanneer de inwoner met taxi vervoerd kan worden, dan is er geen sprake van verlengde zorg en zal het door de gemeente ingekochte taxivervoer worden ingezet. Dit geldt ook wanneer een reiziger met taxi vervoerd kan worden, en hierbij extra begeleiding nodig heeft vanuit de zorgaanbieder dan kan de gemeente overgaan tot het vergoeden van de (reis)kosten van de begeleider. De zorgaanbieder ontvangt aanvullend op het bedrag wat zij ontvangt voor de geïndiceerde jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning een bedrag per reiziger per enkele reis. De aanbieder krijgt een vast bedrag per rit. De aanbieder krijgt voor een enkele reis een bedrag vergoed. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd volgens het contract voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. De wijze waarop de aanbieder het vervoer organiseert staat vrij. De veiligheid van de reiziger moet worden gewaarborgd en er moet worden voldaan aan alle wettelijke verplichtingen, waaronder ook het veilig vastzetten van een inwoner die in een rolstoel zit tijdens het vervoer. Indien de aanbieder de verlengde zorg kan en wil uitvoeren voor de gemeente Borne dient de aanbieder hiervoor een addendum op de overeenkomst te ondertekenen en terug te sturen naar de gemeente Borne. Scootmobiel Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer voor de korte en middellange afstanden. Als de cliënt minder dan 100 meter kan lopen dan kan de cliënt in beginsel in aanmerking komen voor een scootmobiel. Gemeente Borne gaat bij het toekennen van een scootmobiel uit van het meest eenvoudige model, waarbij de actieradius en snelheid is beperkt. De scootmobiel is met name bedoeld voor de verplaatsing in de directe woon- en leefomgeving. Om door de gemeente zelfstandig te rijden is het meest eenvoudige model meer dan voldoende voor het bieden van dagelijkse vrijheid. Een dergelijk eenvoudig model is daarmee aanzienlijk voordeliger in de kosten van aanschaf. Dat een gezonde partner/kind naast de cliënt wil fietsen, is geen reden om een scootmobiel met een hogere snelheid te verstrekken. Indien een cliënt dat wenst, hij zelf voor eigen kosten een zwaardere accu kan kopen bij de leverancier, mits de leverancier dat akkoord vindt. Bij de beoordeling worden o.a. de volgende punten bekeken: Kan cliënt zelfstandig gebruik maken van het openbaar vervoer? Kan cliënt zelfstandig fietsen? Is cliënt (of het gezin) in bezit van een auto? Indien de met de auto aan de vervoersbehoefte voldaan kan worden is dat een reden om niet in aanmerking te komen voor een scootmobiel Vervoersbehoeften: waar wil de cliënt naartoe reizen en met welk doel. Is cliënt in staat om veilig zelfstandig deel te nemen aan het verkeer? Is cliënt in staat zelfstandig en veilig de scootmobiel te rijden? Zo nodig kunnen maximaal drie gewenningslessen worden vergoed vanuit de gemeente; De voorziening is langdurig noodzakelijk? Kan de scootmobiel gestald worden? De stallingsplek moet overdekt zijn en er moet een oplaadpunt zijn. Stalling Om in aanmerking te komen voor een scootmobiel of een driewielfiets (met trapondersteuning) dient er een adequate stallingsmogelijkheid te zijn. Voordat een scootmobiel of een driewielfiets wordt verstrekt dient duidelijk te zijn of de scootmobiel of de driewielfiets tegen weer en wind en diefstal beschut kan worden. Dit houdt in dat de scootmobiel droog kan staan, redelijk uit de wind en in een ruimte of tuin die met een slot af te sluiten is. Daarnaast dient er sprake te zijn van een stroomvoorziening voor het opladen van de accu. Indien er geen adequate stallingsmogelijkheid te realiseren is, kan de aanvraag voor een scootmobiel worden afgewezen, tenzij de cliënt zelf de aanlegkosten van de stalling en de elektravoorziening voor zijn rekening neemt. Aangepaste fietsen Er zijn fietsen, zoals de driewielfiets en een duofiets, die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht. Dit zijn voorzieningen die voorzien in de vervoersbehoefte in de directe omgeving van de eigen woning, voor activiteiten als boodschappen doen, bezoek aan personen uit het sociaal netwerk of een vorm van dagbesteding. Om in aanmerking te komen voor een driewielfiets of een andere vervoersvoorziening gelden, naast de algemene criteria, de volgende voorwaarden: de persoon ervaart beperkingen in de korte en/of middellange afstanden, waardoor hij beperkingen ervaart in het participeren in de samenleving. Deze beperkingen kunnen niet op een andere manier worden opgeheven; de voorziening is langdurig noodzakelijk. Een fiets met lage instap, fiets met hulpmotor of elektrische fiets zijn niet speciaal ontworpen voor mensen met een beperking en worden in de reguliere handel verkocht. Daarom worden deze fietsen in beginsel als algemeen gebruikelijk beschouwd, ook al zijn de aanschafkosten hoger dan van een normale fiets. Uitzonderingen worden beoordeeld door de gemeente. Programma van eisen Als er een noodzaak bestaat voor een van deze voorzieningen, dan stelt de gemeente, zo nodig op basis van medisch of ander deskundig advies, een programma van eisen op. Vorm Zorg in natura Indien de voorziening in natura wordt verstrekt, wordt de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom verstrekt. Of de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt is afhankelijk van de voorziening. De gemeente bepaalt of de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt. De kosten voor onderhoud en verzekering zijn inbegrepen bij de verstrekking in natura. Bij de verstrekking van een voorziening in natura kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd: de persoon dient de voorschriften zoals deze door de fabrikant of leverancier zijn bijgeleverd met betrekking tot het gebruik, de bediening en het onderhoud van het hulpmiddel stipt na te komen; de persoon dient een door gemeente aangewezen (rechts)persoon in de gelegenheid te stellen de voorziening tijdig te controleren, onderhouden, keuren en te repareren; de persoon dient de gemeente direct te informeren als het hulpmiddel niet meer wordt gebruikt; de persoon dient de gemeente dan wel de leverancier onmiddellijk te informeren over schade aan het hulpmiddel alsmede over aan anderen toegebrachte schade door gebruik van het hulpmiddel; de persoon dient goed voor het hulpmiddel te zorgen en er voor te zorgen dat de normale levensduur gewaarborgd wordt; de persoon mag het hulpmiddel niet aan derden in gebruik geven of verhuren; de persoon mag het hulpmiddel alleen gebruiken voor het doel waarvoor het verstrekt is; de persoon dient het hulpmiddel na beëindiging van het recht op verzoek van de gemeente in dezelfde staat terug te geven als waarin het hulpmiddel aan hem verstrekt is. Bij beoordeling van de staat van het hulpmiddel na inlevering blijven normale slijtage en veroudering buiten beschouwing; bij een wijziging in de situatie dient de cliënt de gemeente te informeren. Persoonsgebonden budget Het persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een vervoersvoorziening wordt vastgesteld op basis van de kostprijs die geldt bij de koop van een vervoersvoorziening die de persoon zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met de termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. Vanaf het tweede jaar ontvangt de persoon jaarlijks een vast bedrag voor onderhoud en reparatiekosten. De persoon heeft recht op dit bedrag gedurende de door de gemeente vastgestelde gebruiksduur. Bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd: het toegekende bedrag mag alleen worden aangewend voor de aanschaf van een adequate voorziening, op basis van een door of namens de gemeente vastgesteld pakket van eisen; de gebruiksduur van de aan te schaffen voorziening kan door de gemeente worden vastgesteld op een met een natura voorziening vergelijkbare gebruikstermijn; bij gebruikmaking van het persoonsgebonden budget dient een onderhouds- en servicecontract afgesloten te worden met een leverancier voor minimaal de in de beschikking genoemde periode; bij gebruikmaking langer dan de termijn waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend, dient het onderhouds- en servicecontract te worden verlengd met de feitelijke gebruiksperiode van de voorziening; de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen hulpmiddelen dienen het GO-en CE-kwaliteitskeurmerk te hebben; na aanschaf van de voorziening met het persoonsgebonden budget dient een kopie van de aankoopnota en het betalingsbewijs te worden overlegd; Het college verstrekt geen persoonsgebonden budget voor ondersteuning door een aanbieder die fraude heeft gepleegd of wanneer er twijfels zijn over de integriteit van een aanbieder. (Zie Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2022 art. 5.5) Autoaanpassing Als een cliënt zonder autoaanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het aanvullend openbaar vervoer of een andere vervoersvoorziening niet voldoet, kan overwogen worden of een autoaanpassing wordt vergoed. De gemeente hanteert naast de algemene criteria, de volgende criteria om te bepalen of een cliënt in aanmerking komt voor een autoaanpassing: het gebruik van de eigen auto is nodig voor het zich verplaatsen binnen de leefomgeving en collectief lokaal vervoer is geen passende oplossing; de persoon of ouder/verzorger van een jeugdige waar de autoaanpassing voor bestemd is, is eigenaar en/of bestuurder van de auto; er is sprake van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden; een autoaanpassing is de goedkoopst adequate oplossing; de te maken kosten van de autoaanpassing zijn in relatie tot de geldigheidsduur van het rijbewijs, de verwachte levensduur en technische staat van de auto nog verantwoord. De aanvrager dient aan te tonen dat de aan te passen auto de investering nog waard is (naar verwachting nog minimaal 5-7 jaar mee kan). Bij twijfel moet dit door middel van een technische autokeuring vastgesteld worden en daarvan dient een technisch keuringsrapport worden overlegd. een aantal autoaanpassingen zijn algemeen gebruikelijk, zoals stuurbekrachtiging, rembekrachtiging, automatische versnelling, een airco, een auto met hoge instap, een (verstelbare) autostoel met een goed zitcomfort en/of zithouding. Van de persoon wordt verwacht dat hij bij de aanschaf van een auto rekening heeft gehouden met de op dat moment aanwezige beperkingen en daarbij voldoende aandacht heeft besteed aan de genoemde algemeen gebruikelijke mogelijkheden. de afstand van het vervoer. De gemeente heeft een compensatieplicht voor een afstand conform het lokaal collectief vervoer (20 km vanaf de woning). Indien de persoon als gevolg van zijn beperkingen pas klachten krijgt na het rijden van langere afstanden wordt hiervoor geen voorziening verstrekt. Overige vervoersvoorzieningen Onder overige vervoersvoorzieningen valt de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto, een taxi, een rolstoeltaxi of een bruikleen auto. Voorwaarden Om in aanmerking te komen voor een overige vervoersvoorziening gelden, naast de algemene criteria, de volgende voorwaarde: de persoon kan hier aanspraak op maken als, gezien zijn beperkingen, andere vervoervoorziening geen adequate oplossing bieden in zijn vervoersbehoefte. Vervoer naar dagbesteding De persoon is in principe zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de aanbieder van de dagbesteding. Wanneer het voor de persoon niet mogelijk is om op eigen kracht of met behulp van zijn sociale netwerk zelf zijn eigen vervoer te regelen en het is niet mogelijk om gebruik te maken van een algemene voorziening of een algemeen gebruikelijke voorziening, dan kan er vervoer naar dagbesteding worden ingezet. Bij de indicatiestelling voor vervoer wordt er onderscheid gemaakt tussen mensen die in een rolstoel moeten worden vervoerd en overige. Vervoer naar kortdurend verblijf De persoon is in principe zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Wanneer het voor de persoon niet mogelijk is om op eigen kracht of met behulp van zijn sociale netwerk zelf zijn eigen vervoer te regelen en het is niet mogelijk om gebruik te maken van een algemene voorziening of een algemeen gebruikelijke voorziening, dan kan er vervoer naar dagbesteding worden ingezet. Bij de indicatiestelling voor vervoer wordt er onderscheid gemaakt tussen mensen die in een rolstoel moeten worden vervoerd en overige. Begeleiding van vervoer Als de inwoner dat wenst kan één medereiziger voor hetzelfde tarief als dat de inwoner betaalt mee reizen. Deze kosten worden bij de inwoner in rekening gebracht, zodat de inwoner, als hij dat wenst zelf de kosten kan delen. De inwoner dient bij de reservering aan te geven of hij hiervan gebruik wenst te maken. - Het meenemen van (Huis)dieren (hulphond4Hulphonden zijn professioneel opgeleide honden die mensen met een beperking helpen bij meer vrijheid en een zelfstandiger leven.). Een hulphond of blindengeleidehond biedt de reiziger hulp vanwege de beperking die de reiziger heeft. Hij mag altijd gratis mee. Voorwaarde is wel dat de reiziger dit doorgeeft bij de boeking van de rit. Kinderen tot en met 11 jaar mogen niet met het aanvullend openbaar vervoer reizen zonder begeleiding. Voor kinderen jonger dan 12 jaar met een Wmo-indicatie geeft de gemeente ook een indicatie af voor verplichte/medische begeleiding. Voor een aanvraag voor kinderen worden de geldende openbaar vervoertarieven gehanteerd. Door de gemeente wordt hiervoor een nadere opdracht gegeven aan de vervoerder. Ad 3. Woningaanpassingen Algemeen Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving zijn er voorzieningen die dit mogelijk maken. De gemeente onderscheidt de volgende woonvoorzieningen: losse woonvoorzieningen; woningaanpassingen; voorziening voor een sanering van de woning in verband met een longaandoening en/of een allergie. Algemene voorwaarden Bij woonvoorzieningen worden een aantal algemene voorwaarden gehanteerd. De voorwaarden zijn: De voorziening was voorzienbaar, maar waar van de persoon redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt; De voorziening is niet algemeen gebruikelijk voor de persoon; Er bestaat geen aanspraak op de voorziening op grond van enige andere wettelijke regeling; De ondervonden ergonomische beperkingen vloeien niet voort uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; Met het treffen van de voorziening is niet gestart voordat op de aanvraag is beschikt; De persoon verblijft niet in of verhuist niet naar een Wlz-inrichting; Het betreft een zelfstandige woonruimte in de gemeente Borne. Normaal gebruik van de woning Een woonvoorziening is erop gericht de beperkingen die iemand in het normale gebruik van de woning ondervindt te compenseren. Het begrip ‘normale gebruik van de woning’ houdt in dat men de normale (elementaire) woonfuncties moet kunnen verrichten, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, horizontale en verticale verplaatsingen binnen de woning, toegang tot de woning en de verzorging van kinderen. In beginsel zijn dit de woonkamer, slaapkamer, keuken, wc en de badkamer. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden in principe geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutisch baden. Een cliënt is zelf verantwoordelijk voor het veilig stallen en opbergen (droog en afgesloten) van hulpmiddelen, die als maatwerkvoorziening door de gemeente beschikbaar worden gesteld. Dit geldt tevens voor een hulpmiddel dat door inzet van een persoonsgebonden budget is aangeschaft. Sociale woningbouw Een voorziening wordt geweigerd als een voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het niveau van de sociale woningbouw. Zo zal een voorziening voor het gebruik van de kelder of de zolder geweigerd worden. Afweging Indien vaststaat dat een aanpassing van de woning noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden wat in de situatie van de cliënt de meest goedkope en adequate voorziening is. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de bedoeling van de wetgever dat de persoon zo lang als mogelijk in de eigen leefomgeving moet kunnen blijven wonen. Bij voorkeur is dit de eigen woning. Bij met name grote en kostbare woningaanpassingen dient de beoordeling te worden gemaakt wat de meest goedkope en adequate oplossing is. Vaak dient in deze situaties de afweging te worden gemaakt tussen de toekenning van een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen. De gemeente hanteert hierbij geen primaat van verhuizen meer. In iedere situatie afzonderlijk dient een beoordeling te worden gemaakt wat de meest goedkope en adequate oplossing is. Om te bepalen of een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing dan wel in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van verhuis- en inrichtingskosten de meest goedkope en adequate oplossing is, worden de volgende factoren in de belangenafweging: of de ergonomische belemmeringen voldoende kunnen worden opgelost door aanpassingen in de eigen woning. Indien dit niet het geval is, dan is verhuizen naar een andere geschiktere woonruimte de enige adequate oplossing; of een woningaanpassing (technisch) mogelijk is; of er aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen beschikbaar zijn en wat de aanpassingskosten van de huidige versus de nieuwe woonruimte zijn. Dit is op zich geen grond om direct tot een verplichte verhuizing te komen, maar dient altijd in samenhang met de overige aspecten gewogen te worden; met welke snelheid de belemmering in de woning kan worden opgelost. In een aantal gevallen kan verhuizing de belemmering veel sneller oplossen; welke sociale omstandigheden een rol spelen, zoals de nabije aanwezigheid van mantelzorg en aanwezigheid en afstand tot de verschillende voorzieningen in de woonkern (openbaar vervoershalte, winkels, ziekenhuis etc.); wat de woonlastenconsequenties zijn, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de woonlasten van het aanpassen van de huidige woonruimte versus het verhuizen naar een andere woonruimte. Hierbij wordt rekening gehouden met de (hoogte en de duur) van de te ontvangen huurtoeslag; of de bewoner eigenaar of huurder is van de woning en welke consequenties dit heeft, zoals vermogenswinsten of-verliezen of nadelig financieel gevolg van verplichte verkoop van een woning. Verhuizen naar een andere woning zou dan kunnen leiden tot een onbillijke situatie; de mogelijkheid tot hergebruik van de woningaanpassing. Losse woonvoorzieningen Dit zijn woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard. Dit worden ook wel roerende woonvoorzieningen genoemd. Losse woonvoorzieningen zijn verplaatsbaar en zijn voor rekening van de cliënt. Woningaanpassing Onder woningaanpassing wordt verstaan een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woning. Een bouwkundige ingreep is een verbouwing aan de woning. Een woontechnische ingreep is het aanbrengen van speciale voorzieningen zonder aantasting van het gebouw. Kosten die vergoed worden Bij een woningaanpassing worden de volgende kosten vergoed: de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor vergoeding in aanmerking; de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor vergoeding in aanmerking; het architectenhonorarium, inclusief btw, tot ten hoogste 10% van de aanneemsom. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld kunnen deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen; de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is (bijv. bij nieuwbouw of uitbreiding), tot een maximum van 2% van de aanneemsom (inclusief btw). de leges voor de bouwvergunning, voor zover de bouwvergunning betrekking heeft op het treffen van de voorziening; de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; het renteverlies en/of de rentekosten, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; de prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen de oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden; de door de gemeente (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; de kosten van (her)aansluiting op de openbare nutsvoorziening. Voor het aanbrengen van bouwkundige voorzieningen gelden nog de volgende voorwaarden: een locatie die bestemd is voor doelgroepen (bijvoorbeeld een woonservicelocatie) dient door de verhuurder bouwtechnisch geschikt gemaakt te worden voor de verhuur aan de doelgroep; bouwkundige nagelvaste woonvoorzieningen in natura worden eigendom van de woningeigenaar ongeacht de hoogte van de aanschafprijs van de voorziening. Het college kan een voorziening verstrekken voor keuring, onderhoud en reparatie van woonvoorzieningen. De kosten hiervoor zijn namelijk inherent aan het verstrekken van een voorziening. Wanneer de voorziening niet gekeurd, onderhouden of gerepareerd wordt, is deze immers niet compenserend. Zie ook de uitspraak van de Rechtbank Gelderland 26-02-2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:3345, waarbij de rechtbank oordeelde dat een traplift een woonvoorziening is die alleen deugdelijk functioneert en dus compenserend is indien deze regelmatig wordt onderhouden. Indien het aannemelijk is dat de cliënt aangewezen is op de traplift, dan is het college in beginsel gehouden een voorziening te verstrekken voor het onderhoud daarvan. trapliften worden in bruikleen (natura) verstrekt. Deze zijn her-inzetbaar waardoor kapitaalvernietiging kan worden voorkomen; voor de offertes wordt uitgegaan van het programma van eisen dat door of namens de gemeente is opgesteld; de offertes worden in beginsel door de consulent opgevraagd, waarbij de medewerkers van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht kunnen worden geraadpleegd voor wat betreft een kostenraming voor wat betreft bouwkundige aanpassingen; de hoogte van het persoonsgebonden budget is het bedrag van de goedkoopste door de gemeente geaccepteerde offerte; kosten voor verwijderen van woningaanpassingen en herstelwerkzaamheden na het verwijderen van woningaanpassingen vallen niet onder de Wmo. Voor complexe bouwkundige vraagstukken en / of het beoordelen van offertes wordt afstemming gezocht met afdeling samen bouwen, team handhaving en uitvoering. Stopzetting bouwkundige en woontechnische woonvoorziening Indien na toekenning van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, doch voor de gereedmelding van de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, de relatie tussen de aanvrager en de woning niet meer aanwezig is (in verband met verhuizing, overlijden en dergelijke), kan het besluit worden herzien. De mate van herziening is afhankelijk van het stadium waarin de woningaanpassing verkeert en de al aangegane en niet meer te annuleren verplichtingen. Vorm Persoonsgebonden budget Indien de woningaanpassing in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt toegekend dan gelden de volgende voorwaarden: er mag niet al voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop het persoonsgebonden budget betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de gemeente; indien het bedrag meer dan € 1.000,- bedraagt, dan dienen er twee offertes overlegd te worden; aan door de gemeente aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verleend tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht; er wordt inzicht geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; aan door de gemeente aangewezen personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de woningaanpassing; terstond na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 1 maand na het toekennen van het persoonsgebonden budget, verklaart de gerechtigde aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen (PvE); deze gereed melding gaat vergezeld van een verklaring, met onderliggende bewijsstukken, dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder de voorziening is verleend en is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de voorziening. Het college verstrekt geen persoonsgebonden budget voor ondersteuning door een aanbieder die fraude heeft gepleegd of wanneer er twijfels zijn over de integriteit van een aanbieder. (Zie Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2022 art. 5.5) Terugvordering De eigenaar van de woning, die een persoonsgebonden budget heeft ontvangen voor een woningaanpassing van minimaal €10.000 en die binnen een periode van tien jaar na het realiseren van de woningaanpassing in eigendom overdraagt, is gehouden om de gemeente hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. Het gesubsidieerde bedrag wordt door de gemeente op basis van onderstaande schema teruggevorderd. Het terug te storten bedrag wordt berekend aan de hand van onderstaand schema: bij verkoop in het eerste jaar na gereedmelding 100 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het tweede jaar na gereedmelding 90 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het derde jaar na gereedmelding 80 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het vierde jaar na gereedmelding 70 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het vijfde jaar na gereedmelding 60 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het zesde jaar na gereedmelding 50 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het zevende jaar na gereedmelding 40 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het achtste jaar na gereedmelding 30 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het negende jaar na gereedmelding 20 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking; bij verkoop in het tiende jaar na gereedmelding 10 % van de gesubsidieerde aanpassingskosten conform beschikking. Woningsanering Wanneer sprake is van aantoonbare medische beperkingen ten gevolge van bijvoorbeeld astma of allergie waardoor vervanging van vloerbedekking noodzakelijk is, kan hiervoor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Voorwaarde is dat de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning. Aangetoond dient te worden dat de medische beperkingen ontstonden na het leggen van de vloerbedekking en niet al aanwezig waren ten tijde van het leggen van de vloerbedekking. Alleen als de sanering niet verwijtbaar is kan hiervoor een voorziening worden verstrekt. De gemeente zal zo nodig een extern medisch advies vragen met betrekking tot de noodzaak van de woningsanering. In principe worden alleen de slaapkamer en de woonkamer gesaneerd. Woningsanering in de Wmo heeft betrekking op vloerbedekking woonkamer, vloerbedekking slaapkamer. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met afschrijving van de te vervangen vloerbedekking op de volgende wijze: leeftijd tot 2 jaar: vergoeding van 100% van het normbedrag leeftijd tot 4 jaar: vergoeding van 75% van het normbedrag leeftijd tot 6 jaar: vergoeding van 50% van het normbedrag leeftijd tot 8 jaar: vergoeding van 25% van het normbedrag leeftijd ouder dan 8 jaar: geen vergoeding i.v.m. economische afschrijving. Het normbedrag staat voor de goedkoopst compenserende oplossing in natura. Vloerbedekking vervangen vanwege rolstoel Als het vanwege het permanente gebruik van een rolstoel nodig is om de vloerbedekking te vervangen gelden dezelfde afschrijvingsregels als bij woningsanering. Ad 4. Andere maatregelen Verhuiskosten Een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten, dient beoordeeld te worden aan de hand van de individuele situatie van de cliënt. Daarbij zijn de persoonskenmerken, behoeften en financiële capaciteit van de cliënt van belang. Er dient een uitgebreide belangenafweging gemaakt te worden, waarbij alle belangen worden meegenomen. Hierbij kan gedacht worden aan: leeftijd; gezinssituatie; woonsituatie; type woning (incl. eigendom/huur); inschrijving als woningzoekende; aanwezigheid van voorzieningen in de directe omgeving; sociaal netwerk; financiële draagkracht op vrijwillige basis. Deze omstandigheden zijn voorbeelden waarmee rekening gehouden kan/moet worden en het betreft dus ook geen limitatieve opsomming. Steeds zullen alle individuele omstandigheden beoordeeld moeten worden. Als de aanvraag verband houdt met een verhuizing van een adequate naar een inadequate woning komt cliënt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de meerkosten van de verhuizing. Ook latere aanvragen worden niet gehonoreerd als tijdens de verhuizing van een adequate naar een inadequate woning duidelijk was dat in de toekomst een beroep zou worden gedaan op maatwerkvoorzieningen/woningaanpassingen (traplift o.a.) Verhuiskosten worden toegekend door de gemeente waar de cliënt woont, b.v. als een cliënt uit de gemeente Borne verhuist naar Almelo is de gemeente Borne verantwoordelijk voor de financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Artikel5.2Beginsel van primaat De hoofdregel is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals de begeleiding in groepsverband. Het beginsel van primaten is een verbijzondering van het beginsel van de ‘goedkoopst compenserende voorziening’. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat een collectieve verstrekking als een (goedkoopst) compenserende voorziening kan worden aangemerkt. Het gaat daarbij om het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Artikel5.3Voorwaarden en weigeringsgronden Eerste lid Goedkoopst compenserend De naar objectieve maatstaven gemeten "goedkoopst compenserende" voorziening geldt als norm voor de verstrekking (Verordening art. 5.3). Compenserend houdt in dat de voorziening haar doel moet bereiken op het gebied van zelfredzaamheid en/of participatie. Voldoen meerdere voorzieningen aan dit criterium, dan zal de gemeente de goedkoopst compenserende voorziening beschikken. Als de cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens compenserend
- is)komen de meerkosten voor rekening van de cliënt. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een persoonsgebonden budget gebaseerd op de goedkoopst compenserende voorziening. Artikel 5.3, tweede lid Geen toelichting. Artikel 5.3, derde lid, sub a. Aanspraak op andere wetgeving Hoewel niet limitatief beschreven kan er in een aantal gevallen aanspraak gemaakt worden op andere wetgeving zoals: Zorgverzekeringswet (Zvw) De Zorgverzekeringswet geeft aan op welke medisch noodzakelijke zorg iemand recht heeft. De rijksoverheid beslist welke zorg in de basisverzekering zit (basispakket). Iedere cliënt is verplicht zich te verzekeren en zorgverzekeraars zijn verplicht verzekeringsplichtigen voor een basisverzekering te accepteren. Voor de minder noodzakelijk geachte vormen van zorg kunnen verzekerden kiezen om een aanvullende verzekering af te sluiten. Wet langdurige zorg (Wlz) Iemand kan zorg vanuit de Wlz aanvragen als er 24 uur per dag permanent zorg/toezicht in de nabijheid nodig is om ernstig nadeel te voorkomen. Iemand komt in aanmerking voor de Wlz als: iemand zichzelf niet meer kan redden in de maatschappij; er sprake is ernstige verwaarlozing; er sprake is van lichamelijk letsel door een ziekte, aandoening of beperking; de ontwikkeling van iemand ernstig wordt geschaad, al dan niet onder invloed van een ander; de veiligheid van iemand ernstig wordt bedreigd. Hulpmiddelen Vanaf 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zorgverzekeringswet gebracht. Voor de beantwoording van de vraag of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (artikel 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013. Voor hulpmiddelen geldt vanaf 1 januari 2020 dat bewoners van Wlz-instellingen met en zonder behandeling hun (nieuwe) mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen niet meer uit de Wmo 2015 maar uit de Wlz krijgen: voor de bewoners die al gebruik maken van een hulpmiddel via de Wmo 2015 komt een overgangsregeling; voor Wlz-cliënten die met een persoonsgebonden budget, een volledig pakket thuis (vpt) of met een modulair pakket thuis (mpt) thuis wonen, blijft de verstrekking van hulpmiddelen vooralsnog onveranderd onder de Wmo 2015 vallen. Is sprake van een persoonsgebonden budget, een vpt of een mpt dan is juridisch namelijk van sprake van ‘thuis’ wonen. Wordt de Wlz-indicatie in natura verzilverd, dan is de situatie anders. Vanaf 1 januari 2020 ontvangen cliënten in een Wlz-instelling mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) en hulpmiddelen voor zorgverlening en wonen die door meerdere verzekerden te gebruiken zijn (zoals een tillift) vanuit de Wlz. Ook als zij geen behandeling ontvangen. Het gaat om de volgende mobiliteitshulpmiddelen: (elektrische) rolstoelen, aangepaste fietsen, scootmobielen, aangepaste wandelwagens/buggy’s en aangepaste autostoeltjes voor kinderen. Roerende voorzieningen zijn hulpmiddelen voor zorg en wonen die door meerdere personen gebruikt kunnen worden, zoals tilliften en douchestoelen. Deze voorzieningen worden onderdeel van de inventaris van zorginstellingen. Participatiewet De Participatiewet (P-wet) is geen aan de Wmo 2015 voorliggende voorziening. De P-wet is een vangnet in de Sociale Zekerheid, zowel in financiële zin als in de ondersteuning naar werk. De P-wet richt zich primair op de arbeidsparticipatie van mensen en de Wmo 2015 op de maatschappelijke ondersteuning van mensen. De P-wet is er om zoveel mogelijk mensen met of zonder arbeidsbeperking werk te laten vinden. Artikel 5.3, derde lid, sub b. tot en met e. Geen toelichting. Artikel 5.3, derde lid, sub f. Voorzienbaar Als te voorzien is dat zich bij een persoon bepaalde beperkingen gaan voordoen mag van hem verwacht worden dat hij daarop anticipeert. Dit betekent echter niet dat beperkingen die ontstaan bij het ouder worden niet vanuit de Wmo 2105 moeten worden gecompenseerd. Als een persoon vanwege ouderdomsverschijnselen niet meer zelfstandig de slaapkamer op de bovenverdieping van de woning kan bereiken kan de gemeente zich niet beroepen op voorzienbaarheid.(zie uitspraak ECLI:CRVB:2018:2603). Dit is anders als een cliënt al eerder bepaalde beperkingen ondervond en toch ondanks die beperkingen keuzes maakte waarvan verwacht mocht worden dat dit in de toekomst problemen zou geven. Bij bijvoorbeeld een verhuizing nadat men al beperkingen ondervindt kan men daarmee al rekening houden. Artikel 5.3, vierde lid, sub a. Geen toelichting. Artikel 5.3, vierde lid, sub b. Hoofdverblijf Een voorwaarde om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen is dat de cliënt zijn hoofdverblijf in de gemeente Borne heeft. Hoofdverblijf betekent meer dan alleen ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen ( BRP); de cliënt moet daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven. Als de cliënt kan aantonen dat hij op korte termijn in de gemeente Borne komt wonen, kan -als hij nog niet staat ingeschreven in het BRP- de melding in behandeling worden genomen. Vreemdelingen zonder verblijfsvergunning hebben geen zorgverzekering en kunnen ook geen zorgverzekering afsluiten. Zij hebben dan ook geen recht op de zorg, voorzieningen en collectieve regelingen die zijn opgenomen in de Zvw, Wlz en Wmo 2015. Artikel 5.3, vijfde lid Geen toelichting. Artikel 5.3, zesde lid, sub a. Geen toelichting. Artikel 5.3, zesde lid, sub b. Meerdere hoofdverblijven Een woonvoorziening wordt slechts verleend als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waar de voorziening wordt getroffen. In uitzonderingssituaties kan er sprake zijn van twee hoofdverblijven bijvoorbeeld bij kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed. Als kan worden aangetoond, bijvoorbeeld door een ouderschapsplan, dat de cliënt daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder woont en de andere helft van de tijd bij de andere ouder kan in die situatie, indien niet anders mogelijk, worden bepaald dat twee woningen aangepast worden. Echter zal de vertrekkende ouder altijd eerst, zo nodig in afstemming met de consulent, moeten onderzoeken of een verhuizing naar een geschikte woning mogelijk is. Artikel 6, zesde lid, sub c. en sub d. Bijzondere woonsituaties In een aantal situaties zal geen sprake zijn van een resultaatsverplichting van de gemeente, omdat in die situaties sprake is van een bijzondere woonsituatie: woningen die niet als zelfstandige woning dienst doen (hotels, pensions); woningen die niet bedoeld zijn voor permanente bewoning (tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen); (een) verhuurde kamer of kamers; Het treffen van woonvoorzieningen in één van bovenstaande woonvormen is in het kader van de wet niet mogelijk. Artikel 5.3, zesde lid, sub e. Verhuizing naar een ongeschikte woning Er zijn situaties waarbij de cliënt verhuist van een aangepaste en/of geschikte woning naar een woning die minder of helemaal niet is aangepast/geschikt. Dit is een verhuizing van een geschikte naar een niet geschikte woning. De gemeente heeft alleen een verantwoordelijkheid voor het aanpassen van de woning als er voor deze verhuizing een belangrijke reden bestaat en van de cliënt niet verwacht mag worden dat hij of zij zelfredzaam is in het oplossen van het probleem. De gemeente dient bij de berekening van de eventueel te vergoeden kosten een afweging te maken van alle individuele relevante factoren die voor een persoon van belang zijn. Ook als iemand met (dreigende) beperkingen verhuist vanuit een voor hem of haar ongeschikt huis, dan verwacht de gemeente dat hij of zij deze gelegenheid aangrijpt om naar een geschikte woning te verhuizen. Hierbij wordt ook van de cliënt verwacht dat hij of zij rekening houdt met de toekomst. Artikel 5.3, zesde lid, sub f. Algemeen gebruikelijke renovatie van badkamer of keuken Er worden geen voorzieningen verleend die algemeen gebruikelijk zijn voor de cliënt in kwestie. Dit betekent dat, als er sprake is van renovatie van voorzieningen die technisch of economisch zijn afgeschreven, in beginsel geen voorziening gericht op het wonen zal worden verstrekt. Voor zowel ingezetenen met als zonder beperkingen geldt immers dat voorzieningen na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. Maar de gemeente moet gaan toetsen of de renovatie financieel gedragen kan worden door iemand met een minimuminkomen, ongeacht of iemand zelf een minimuminkomen heeft. Op basis van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep zullen de meeste badkamer- en keukenrenovaties niet meer zo snel als een algemeen gebruikelijke voorziening kunnen worden aangemerkt. Artikel 5.3, zevende lid Beschermd wonen Bij het ‘beschermd wonen’ gericht op participatie gaat het om de cliënt die een beschermde woonomgeving en toezicht in een instelling nodig heeft, maar voor wie er geen noodzaak is voor opname vanwege een psychiatrische behandeling (beschermd wonen gericht op behandeling is onderdeel van de Zvw). Het betreft die zorgvrager die vanwege zijn psychische beperkingen op meerdere momenten van de dag begeleiding en toezicht nodig heeft. De zorgverlening moet hem op relevante (onverwachte) momenten ondersteunen bij de oordeelsvorming over essentiële zaken in het dagelijkse bestaan. Hij kan de consequenties van eigen handelen niet overzien. Het mogelijke gevaar kan optreden als gevolg van het ontbreken van voldoende regie en regelvermogen. Vanwege de psychische problemen is hij niet (altijd) in staat tijdig een zorgverlener op te roepen. Er doen zich dagelijks ongeplande zorgmomenten voor, waarbij de zorgverlener het initiatief moet nemen om op deze momenten de zorg te verlenen. Ook erkent betrokkene niet altijd de behoefte aan zorg, waardoor mogelijk gevaar kan ontstaan. Het wachten op de komst van de zorgverlener als zich ongeplande zorgmomenten voordoen brengt hem niet in levensgevaar. Het kerndoel van verblijf op basis van ‘beschermd wonen’ is gericht op het creëren van de noodzakelijke voorwaarden om samenhangende zorg te kunnen leveren die in de thuissituatie van de zorgvrager niet adequaat of niet effectief geleverd kan worden. De zorgbehoefte is niet op te lossen met andere (voorliggende) voorzieningen en/of extramurale zorg. Gemeente Borne kent een aantal woningen met cliënten met een indicatie voor beschermd wonen. Deze cliënten doen een beroep op voorzieningen van de gemeente Borne. Over de uitstroom (als een cliënt vanuit de beschermde woonvorm naar een zelfstandige woning gaat) worden werkafspraken gemaakt met de gemeente Enschede. Toegang tot Beschermd Wonen Een beschermende woonomgeving is een veilige en afgeschermde woon- en leefomgeving waar samenhangende zorg wordt geboden aan cliënten die door hun beperkingen niet in staat zijn zelfstandig te wonen en een mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen vormen. De bescherming richt zich primair op de persoon zelf, niet op zijn omgeving of de maatschappij. De toelating tot beschermd wonen wordt beoordeeld in samenspraak met de centrumgemeente Enschede. Om toegang tot deze voorziening te krijgen meldt een cliënt (of zijn begeleider) zich voor een screening bij de gemeente Borne of bij het consulenten beschermd wonen van de gemeente Enschede. De cliënt dient aan de volgende eisen te voldoen: psychiatrische aandoening én wonen in de regio van de centrumgemeente Enschede of gegronde reden hebben om zich hier aan te melden én behoefte hebben aan beschermende woonsetting. Om tot een beschermde woonvorm te worden toegelaten moet duidelijk zijn dat mogelijk gevaar bestaat omdat de cliënt: niet in staat is een adequaat oordeel te vormen in het dagelijkse bestaan (er zijn vaak regieproblemen) en/of vaardigheden of remmingen mist om zich staande te houden in een zelfstandige woonomgeving en/of op relevante momenten niet in staat is om hulp in te roepen. Het betreft het niet adequaat kunnen alarmeren vanwege cognitieve, communicatieve en/of motorische beperkingen. Het gaat dan om: inzicht in risico’s, eigen wensen duidelijk kunnen maken, hanteren van alarmeringsapparatuur. Beschermd Wonen is landelijk toegankelijk. Dit betekent dat ook cliënten uit andere gemeenten dan de regiogemeenten in onze regio gebruik kunnen maken van Beschermd Wonen. Als iemand uit een andere regio zich in onze regio meldt voor Beschermd Wonen is het vanzelfsprekend dat nagegaan wordt welke informatie bij de gemeente/regio van herkomst beschikbaar is. Voor beschermd wonen gelden de volgende criteria: Situatie: Cliënt is niet dakloos (anders doorverwijzen naar de maatschappelijke opvang); Cliënt is geen gevaar voor zichzelf of omgeving en bevindt zich niet in een acute psychische crisis (anders doorverwijzen naar GGZ crisisdienst); Cliënt verblijft legaal in Nederland; Cliënt is 18 jaar en ouder; Er is sprake van psychiatrische problematiek (evt. in samenhang met verslaving); Er is geen reclasseringstoezicht; De cliënt is niet al aangemeld bij een aanbieder. Hulpvraag: Cliënt is niet in staat om een hulpvraag te stellen als hij ondersteuning nodig heeft en heeft ook niemand die dat voor hem/haar kan doen; Cliënt kan de hulpvraag niet > 30 minuten uitstellen; Cliënt heeft begrenzing in gedrag nodig, door agressie of veroorzaken overlast; Er is een hoog risico op decompensatie en complicaties die kunnen leiden tot risicovolle situaties; Heeft zeer beperkte ADL vaardigheden (algemene dagelijkse levensverrichtingen); Heeft moeite met indelen van de dag (beperkte regie en oriëntatie); Tijdsduur hulpvraag is langer dan drie maanden; Aandoening is chronisch, uitzicht op herstel/verbetering is afhankelijk van –gecreëerde- omstandigheden. Omvang bepalen De gemeente Enschede bepaalt vanuit haar regierol het (gemiddeld) aantal etmalen per week en de geldigheidsduur van het besluit voor Beschermd Wonen tevens aan de hand van de prognose ten aanzien van de ziekte/aandoening, duur van de beperkingen en de mogelijkheden van de sociale omgeving. Als het een cliënt betreft die door Borne is aangedragen wordt de consulent van Borne hierbij betrokken. De beschikking op de aanvraag om een maatwerkvoorziening ten behoeve van Beschermd Wonen zoals genoemd in artikel 2.3.5. van de wet, wordt gegeven door de gemeente waar de aanvraag is ingediend. Voor gemeente Borne is dat dus het college van Borne. Verblijf anders dan beschermd wonen Met ingang van 2025 wordt met de nieuwe inkoop geen verblijf Wmo (‘dakjes’) meer ingekocht. Voor verblijf anders dan beschermd wonen kan beoordeeld worden welke vorm van verblijf het best passend is. Dit kan zijn dat voor LVB verblijf via de centrumgemeente (CIMOT) wordt ingezet of bijvoorbeeld verblijf nodig is voor respijtzorg. Artikel5.4Regels voor een persoonsgebonden budget Eerste tot en met het derde lid Het pgb-plan Om in aanmerking te kunnen komen voor een persoonsgebonden budget dient de cliënt hiervoor een ingevuld en ondertekend pgb-plan in te leveren. Dit kan voor of na het gesprek, maar uiterlijk bij het indienen van een aanvraag. Het pgb-plan omvat de uitwerking van de benodigde zorg en de daarmee samenhangende kosten voor een persoonsgebonden budget. Het pgb-plan moet volledig zijn ingevuld en omschrijven welke zorg er op welk moment nodig is en op welke manier de zelfredzaamheid (daar waar mogelijk) gerealiseerd wordt. Het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie is omschreven in concrete resultaten. Door een concrete omschrijving wordt achteraf getoetst of de gestelde doelen worden gerealiseerd. Tijdens het gesprek krijgt de cliënt alle informatie die nodig is voor het opstellen van het pgb-plan. Doel van een persoonsgebonden budget Een persoonsgebonden budget kan een geschikt instrument zijn voor de cliënt om zijn leven naar eigen wensen en behoeften in te vullen. Een persoonsgebonden budget kan noodzakelijk zijn als: een vaste hulpverlener gewenst is; on-planbare zorg nodig is; de gewenste zorgaanbieder niet is gecontracteerd. Voorwaarden waaraan voldaan moet worden om een persoonsgebonden budget te kunnen krijgen De cliënt dient tijdens het onderzoek een pgb-plan te overhandigen. Wanneer bij de aanvraag geen ingevuld en ondertekend pgb-plan aanwezig is, dan wordt de cliënt een hersteltermijn gestuurd (art. 4:5 Algemene wet bestuursrecht) met een laatste termijn om het pgb-plan alsnog in te leveren. Daarbij wordt opgenomen dat wanneer het pgb-plan niet tijdig retour wordt ontvangen, een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget niet mogelijk is, maar misschien wel in de vorm van zorg in natura. Dit wordt door de consulent beoordeeld. Het persoonsgebonden budget dient in Nederland besteed te worden. Er bestaat geen recht op persoonsgebonden budget voor zover het is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij de gemeente hier vooraf expliciet toestemming voor verleent. Als de cliënt de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget geleverd wil hebben moet de cliënt of zijn budgetbeheerder in staat zijn om een pgb-plan te maken en een zorgverleningsovereenkomst af te sluiten met de zorgverlener. Het is niet toegestaan om tussenpersonen of belangenbehartigers uit het persoonsgebonden budget te betalen. Het persoonsgebonden budget bevat geen vrij besteedbaar deel. Een persoonsgebonden budget wordt toegekend onder de voorwaarden dat: de cliënt naar het oordeel van de gemeente op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; naar het oordeel van de gemeente is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Een budgetbeheerder is de persoon die het geld van het persoonsgebonden budget beheert en de administratie daarover voert voor de cliënt; dit kan de cliënt zelf zijn. Pgb-vaardigheid De gemeente controleert niet alleen of een cliënt aan de voorwaarden van een persoonsgebonden budget voldoet. Zij controleert ook of men met een persoonsgebonden budget kan omgaan. Daarmee willen we voorkomen dat men in de problemen komt. Bijvoorbeeld omdat men niet weet welke zorg een cliënt nodig heeft. Of hoe men goede afspraken maakt met een zorgverlener. Een cliënt is pgb-vaardig als hij de volgende taken zelf kan verrichten: een zorgovereenkomst met een hulpverlener kunnen en durven af (
- te)sluiten; de hulpverlener kunnen en durven aan te spreken over de kwaliteit van de geleverde zorg; de hulpverlener kunnen en durven aan te spreken over de gemaakte afspraken; oftewel wordt er gedaan wat er is afgesproken; indien nodig vervanging van mijn hulpverlening te regelen; bijvoorbeeld bij ziekte van de hulpverlener; de bestedingen uit het persoonsgebonden budget in de gaten kunnen houden (op de website van de Sociale Verzekeringsbank: verder te noemen SVB); kunnen onderbouwen welke hulp is betaald vanuit het persoonsgebonden budget; beseffen dat er niet meer geld uitgegeven kan worden dan wat er aan persoonsgebonden budget uitgekeerd wordt en dat indien de cliënt meer wil uitgeven hij dat uit eigen middelen moet bekostigen. Een pgb-vaardigheidstoets in het toekenningsproces zorgt ervoor dat een persoonsgebonden budget bewust en goed gemotiveerd wordt afgegeven of afgewezen. Uit de statistieken blijkt dat slechts vijftig procent van de dossiers van niet pgb-vaardige cliënten als rechtmatig wordt bestempeld. Toets tijdens de aanvraag de cliëntmotivatie en of een persoonsgebonden budget een weloverwogen en onafhankelijke keus is. Goede beheersing van het Nederlands bij de cliënt of vertegenwoordiger dient een voorwaarde te zijn voor toewijzing van een persoonsgebonden budget. Voorwaarden voor het voeren van het budgetbeheer regie kunnen uitoefenen in de levering van de zorg; zelf kunnen bepalen wie de zorg levert en het moment waarop de zorg geleverd moet worden; ondersteuning kunnen kiezen en inkopen die voor hem passend is. Dat wil zeggen passend bij zijn leefsituatie en leefstijl; Een zorgaanbieder die betaald wordt vanuit het persoonsgebonden budget kan niet optreden als budgetbeheerder. Weigeringsgronden In de wet staat dat het college een persoonsgebonden budget kan weigeren (artikel 2.3.6 lid 5): voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of; als het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e. Het gaat hier om het herzien of intrekken van een persoonsgebonden budget vanwege: het vertrekken van onjuiste of onvolledige gegevens waarbij de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; het niet voldoen aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden; het niet of voor het ander doel gebruiken van het persoonsgebonden budget. Als er een ernstig vermoeden is dat de budgetbeheerder problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget wordt overwogen of een persoonsgebonden budget wel de juiste leveringsvorm is voor de maatwerkvoorziening. Situaties waarbij het risico groot is dat het persoonsgebonden budget niet besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel: de budgetbeheerder is handelingsonbekwaam; de budgetbeheerder beschikt niet over voldoende organisatie - en regelvermogen en verantwoordelijkheidsbesef; de budgetbeheerder heeft als gevolg van dementie, een verstandelijke beperking of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de situatie; er is sprake van verslavingsproblematiek bij de budgetbeheerder; er is sprake van schuldenproblematiek bij de budgetbeheerder; er is eerder misbruik/fraude gemaakt (van het persoonsgebonden budget) door de budgetbeheerder. Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een persoonsgebonden budget ook niet gewenst is. Deze situaties vereisen altijd een individuele afweging. In deze situaties kan een persoonsgebonden budget worden geweigerd. Om een persoonsgebonden budget af te wijzen op contra-indicaties, moet er enige feitelijke onderbouwing zijn waarop het afwijzingsbesluit is gebaseerd. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld. De gemeente verstrekt geen persoonsgebonden budget voor zover de melding betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de melding heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. Hierbij speelt ook eigen kracht een rol. Als blijkt dat de voorziening is aangeschaft, daarna pas de melding plaatsvindt en de cliënt door de aanschaf niet in financiële problemen is gekomen dan is er geen reden om alsnog een persoonsgebonden budget te verstrekken. Artikel 5.4 Vierde lid Trekkingsrecht In de Wmo 2015 is de verplichting opgenomen dat gemeenten persoonsgebonden budgetten uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het persoonsgebonden budget stort op rekening van het Servicecentrum persoonsgebonden budget van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De budgetbeheerder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren ondersteuning zijn geleverd. De SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling aan de zorgverlener. Om zorg te dragen dat pgb-uitgaven gecontroleerd kunnen worden is het niet mogelijk om met een vast maandloon te werken. Van de zorgverlener wordt verwacht dat hij zijn gewerkte uren/facturen declareert bij de SVB. De niet bestede pgb-bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente. Het is belangrijk dat cliënten vooraf goed weten wat het persoonsgebonden budget inhoudt en welke verantwoordelijkheden zij daarbij hebben. De budgetbeheerder krijgt informatie bij de melding en tijdens het gesprek. Die informatie is nodig voor het opstellen van een pgb-plan en de budgetbeheerder wordt verwezen naar de SVB voor het opstellen van een zorgverlenings-overeenkomst (overeenkomsten met zorgverleners). Daarnaast verzorgt het Servicecentrum persoonsgebonden budget van de SVB voorlichting en ondersteuning aan budgetbeheerders. De SVB draagt zorg voor de juridische en arbeidsrechtelijke aspecten (rechtmatigheid) van de inhuur van zorgverleners. Voor ondersteuning en eisen ten aanzien van de af te sluiten zorgverleningsovereenkomst verwijst de gemeente naar de SVB. Verantwoordelijkheden van de budgetbeheerder De budgetbeheerder is verantwoordelijk voor: het inkopen van de individuele voorziening, het hulpmiddel of de hulp. In de hoogte van het persoonsgebonden budget zitten ook de eventuele kosten van het verplichte onderhoudscontract voor de voorziening. Het bedrag is een vastgesteld maximaal bedrag van de door de gemeente aanvaarde kosten; verantwoording afleggen aan de gemeente en de SVB over het persoonsgebonden budget en de kwaliteit van de geleverde maatwerkvoorziening; degene die ingeschakeld wordt voor hulp is verantwoordelijk voor het doorgeven van loongegevens aan de belastingdienst. Kwaliteitseisen van dienstverlening De gemeente stelt als voorwaarde aan de kwaliteit van zorgverlening dat: degene die uit het sociaal netwerk begeleiding of zorg verleent, die zorg en begeleiding kan verlenen naar de eisen die in het pgb-plan staan vermeld en dat de kwaliteitseisen overeenkomen met de eisen van de gemeente, waarbij de begeleiding geschikt moet zijn om het gestelde doel te behalen; de inzet van deze professionele zorgverleners aantoonbaar effectief en doelmatig is; de professionele zorgverleners die door middel van een persoonsgebonden budget betaald worden in het bezit dienen te zijn van een gelijkwaardige kwalificatie als professionele zorgverleners die ZIN bieden. Nadat de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget is toegekend, controleert de gemeente de kwaliteit en de dienstverlening die uitgevoerd wordt door middel van het persoonsgebonden budget. Gedurende het jaar kan de gemeente o.a. een steekproef houden bij de budgetbeheerder of de cliënt door bijvoorbeeld een huisbezoek en/of een administratieve controle uit te voeren (rechtmatigheid) en de inhoudelijke zorgverlening en ondersteuningsvraag met de cliënt /budgetbeheerder te bespreken (doelmatigheid). Als onrechtmatigheden of ondoelmatig gebruik van het persoonsgebonden budget word(t)en geconstateerd kan de gemeente besluiten om voorwaarden te stellen aan voortzetting van het persoonsgebonden budget of het verstrekken van het persoonsgebonden budget te heroverwegen en eventueel in te trekken. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt de gemeente mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Vijfde lid (nadere regels) Persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen en woningaanpassingen Wanneer de cliënt kiest voor een persoonsgebonden budget krijgt hij na indicatie bij de beschikking een programma van eisen (PvE) waaraan de voorziening moet voldoen. De cliënt kan op basis van dit PvE zelf de voorziening aanschaffen. Als de cliënt een andere voorziening wil, kan hij daarvoor kiezen onder de voorwaarde dat de voorziening geen (andere) belemmeringen oproept. De voorziening die de cliënt aanschaft moet wel de beperking op hetzelfde niveau compenseren zoals in het PvE wordt gesteld en niet slechts een deel van het probleem oplossen. Duur van de toekenning De voorziening in de vorm van persoonsgebonden budget wordt toegekend voor een periode die afhankelijk is van de gebruikelijke levensduur van de voorziening. De periode waarvoor de voorziening wordt toegekend wordt beschreven in de beschikking. Diensten Ondersteuning aan de cliënt met een persoonsgebonden budget kan in de volgende vormen worden geboden: huishoudelijke ondersteuning; begeleiding; nachtverzorging; dagbesteding; kortdurend verblijf. Persoonsgebonden budget voor diensten door een professionele zorgverlener (een zorginstelling of een ZZP’
- er)Wanneer de cliënt met de inzet van een persoonsgebonden budget kiest voor de levering van een dienst door een professionele zorgverlener gelden de volgende voorwaarden: De professionele zorgverlener: zorgt voor een ondersteuningsplan waaruit blijkt welke kansen/mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften de cliënt heeft en welke voorziening er wordt geboden; zorgt ervoor dat de voorziening passend is bij de doelen van de cliënt op basis waarvan de maatwerkvoorziening is afgegeven; legt de beoogde doelen (of subdoelen) met de cliënt vast met daarbij de wijze waarop deze doelen behaald worden en binnen welke termijn; evalueert tussentijds op basis van het ondersteuningsplan de verleende ondersteuning en stelt de deze waar nodig bij. Indien een evaluatie leidt tot bijstelling wordt dit vastgelegd in het ondersteuningsplan; maakt afspraken met de cliënt over de bereikbaarheid; draagt zorg voor continuïteit op het gebied van personele inzet en voldoende ondersteuning; zorgt ervoor dat de medewerkers de cliënten passend en correct bejegenen; brengt de fysieke en sociale veiligheid van cliënten in kaart en houdt daarmee rekening bij de geboden voorziening; zorgt ervoor dat de inhoud van de meldcode Huiselijk geweld en (kinder)mishandeling voldoet aan de wettelijk gestelde eisen; draagt er zorg voor dat medewerkers op de hoogte zijn van de meldcode en weten hoe zij hier naar moeten handelen; en de medewerkers die voor hem werkzaam zijn, verstrekken bij en naar aanleiding van een melding aan de toezichthoudende ambtenaar de gegevens, waaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens betreffende de gezondheid en andere bijzondere persoonsgegevens (als bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming) voor zover deze voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn; is bekend met en handelt conform de Nederlandse wet- en regelgeving, richtlijnen, verdragen en de geldende Verordening maatschappelijke ondersteuning Borne; heeft passend beleid ontwikkeld op het gebied van kwaliteitszorg (t.a.v. de te leveren ondersteuning); zorgt ervoor dat de uitvoering van het (kwaliteit)beleid wordt getoetst en waar nodig bijgesteld; wordt niet onderzocht (lopend onderzoek) door het college van de gemeente Borne of de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Tevens mag er geen sprake zijn van een justitiële maatregel. Indien er sprake is van een lopend onderzoek dient toestemming van de gemeente voor het leveren van zorg te worden overlegd bij de aanvraag voor het persoonsgebonden budget; staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten bestaan uit het verlenen van ondersteuning die past binnen de kaders van de te verlenen ondersteuning; treft een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de zorgverlener die voor de gebruikers van belang zijn; heeft een toegankelijke klachtenregeling die onafhankelijke afhandeling van klachten garandeert; zorgt ervoor dat de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger en de mantelzorger op de hoogte zi