← Nederland

Werk maken van eigen bodem, Uitvoering en Beleidsregels bodemsanering (Drenthe)

Kort samengevat

Deze wet beschrijft hoe de provincie Drenthe omgaat met bodemsanering en stelt beleidsregels vast voor de uitvoering van deze taak, met uitzondering van de gemeente Emmen. Het doel is om een eenduidige, transparante en consistente aanpak te garanderen bij bodemverontreiniging.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Werk maken van eigen bodem, Uitvoering en Beleidsregels bodemsaneringWERK MAKEN VAN EIGEN BODEM Deel 2, Uitvoering en Beleidsregels bodemsanering Hoofdstuk Inhoud en Inleiding INHOUD 1. INLEIDING 5 1.1. Leeswijzer 5 2. HISTORISCH EN VERKENNEND BODEMONDERZOEK 7 2.1. Aanleiding en doel 7 2.2. Opzet onderzoek 7 2.3. Beoordeling en vervolgaanpak 9 3. NADER ONDERZOEK 12 3.1. Aanleiding en doel 12 3.2. Opzet en uitvoering nader onderzoek 12 3.3. Gevalsafbakening 14 3.4. Ernst 15 3.5. Spoed 16 3.6. Besluitvorming en voorwaarden 20 4. SANEREN VAN RECENTE BODEMVERONTREINIGING 26 5. SANERINGSDOELSTELLING EN SPECIFIEKE SITUATIES 32 5.1. Saneringsdoelstelling 32 5.2. Specifieke situaties 37 5.2.1. Gebiedsgerichte aanpak grondwater 37 5.2.2. Hergebruik van grond bij saneringen 38 5.2.3. Sanering van voormalige stortplaatsen 39 6. SANERINGSONDERZOEK EN -PLAN 42 6.1. Aanleiding en doel 42 6.2. Opzet saneringsonderzoek en saneringsplan 42 6.3. Verschillende soorten saneringsplannen 43 6.4. Financiële zekerheidsstelling bij saneringen 47 6.6. Besluitvorming instemming saneringsplan 48 7. UITVOERING SANERING, ZORG, EVALUATIE EN NAZORG 50 7.1. Uitvoeringsaspecten 50 7.2. Zorg tijdens saneren 52 7.3. Wijzigingen voor en tijdens de sanering 53 7.4. Evaluatie 56 7.5. Zorg na saneren (nazorg) 57 7.6. Overdracht van de nazorg 60 8. KOSTENVERHAAL/BEVELSBELEID 61 9. BEDRIJVENREGELING, COFINANCIERING EN DRAAGKRACHT- REGELING 65 10. STIMULERING BODEMSANERING PARTICULIEREN 69 11. AFSTEMMING MET ANDERE BELEIDSTERREINEN 72 11.1. Afstemming met het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit 72 11.1. Bodemverontreiniging en de Woningwet 73 11.2. Wbb in relatie tot de Wm 74 11.3. Wbb in relatie met de Wro 76 11.4. Onttrekkingen en bodemverontreiniging 76 11.5. Bodemverontreiniging en archeologie 78 12. PROCEDURE 80 13. TOEZICHT EN HANDHAVING 83 14. PROGRAMMERING/OVERDRACHT TAKEN 86 14.1. Meerjarenprogramma Wbb 86 14.2. Meerjarenprogramma ISV 86 14.3. Toekomst Meerjarenprogramma ILG 87 14.4. Decentralisatie 88 BIJLAGEN 1. Overzichtstabel beleidsregels 90 2. Begrippenlijst 94 3. Monitoring en eindcontrole grondwatersanering 103 4. Zorg 108 5. Beslismodel 109 6. Bevelbeleid 114 7. Stappenschema bestuurlijke en strafrechtelijke handhaving 117 1, INLEIDING In deel 1 van de bodemnota "Werk maken van eigen bodem" is de rol van de bodem in het dagelijkse leven beschreven. Daarbij is het beleid voor bodemsanering, bodem- en grondwaterbescherming voor de komende jaren neergezet. Ook zijn de activiteiten weergegeven die moeten leiden tot een duurzaam bodembeleid. Voor u ligt deel 2 van de bodemnota "Werk maken van eigen bodem". In dit deel beschrijven wij hoe de provincie Drenthe handelt bij het uitvoeren van haar bodemsaneringstaak. Dit geldt voor zowel het stedelijk als het landelijke gebied, met uitzondering van het grondgebied van de gemeente Emmen. Sinds 2003 is Emmen zelf bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb) en voert de bodemsaneringstaak zelf uit. Deel 2 bevat ook beleidsregels die gelden als toetsingskader voor het afgeven van beschikkingen Wbb (Saneringsparagraaf). De Wbb biedt ruimte voor eigen beleidsinterpretatie. Wij maken hier gebruik van, gelet op de specifieke Drentse situatie (onder meer kwetsbare zandbodem). Met deze beleidsregels zijn wij in staat om in de praktijk bij de uitvoering van bodemsanering en onze rol daarin eenduidig, transparant en consistent te zijn. Deze beleidsregels zijn een nadere invulling van de artikelen uit de Wbb. Door de beleidsregels specifiek op te nemen in de Bodemnota is de motiveringsplicht bij het nemen van beschikkingen vereenvoudigd en transparanter. Ondanks de sterke veranderingen in het bodembeleid blijft er een aantal constanten. Zo staat het geval van verontreiniging centraal. Bodemonderzoek, meestal uitgevoerd in verschillende fasen, heeft tot doel het geval van bodemverontreiniging geheel in beeld te brengen en vervolgens te bepalen of de situatie leidt tot risico's. De mate waarin zich risico's voordoen bepaalt of er met spoed moet worden gesaneerd of dat er meer tijd voor kan worden genomen. Uiteindelijk zullen de gevallen van ernstige bodemverontreiniging allemaal aangepakt gaan worden. Om ervoor te zorgen dat de saneringsactiviteiten leiden tot het gewenste resultaat, worden saneringsplannen opgesteld en aan ons voorgelegd ter instemming. 1.1, Leeswijzer Het doel van deel 2 is het geven van een praktische handleiding voor de uitvoering van bodemtaken. Deze nota is opgesteld op volgorde van in de praktijk voorkomende stappen die een rol spelen bij bodemverontreiniging. Per stap wordt het landelijke beleid beschreven en vervolgens het Drentse beleid toegelicht. In bijlage 1 is een overzicht van de beleidsregels opgenomen met een verwijzing naar de desbetreffende paragraaf in deze nota. De landelijke ontwikkelingen, waaronder de gewijzigde Wbb en het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit (inclusief het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer, ook wel Kwalibo genoemd) zijn verwerkt in dit notadeel. Daar waar naar circulaires wordt verwezen dient altijd de meest recente circulaire worden toegepast of de daarvoor in plaats tredende regelgeving. Inwerkingtreding De Beleidsregels bodemsanering, opgenomen in deze nota, treden in werking de dag na bekendmaking in het Provinciaal blad. Overgangssituatie Op aanvragen die binnen komen voor inwerkingtreding van deze beleidsregels en wordt besloten na inwerkingtreding van deze beleidsregels, zijn deze beleidsregels niet van toepassing. Hoofdstuk Historisch en verkennend bodemonderzoek 2, HISTORISCH EN VERKENNEND BODEMONDERZOEK 2.1, Aanleiding en doel Een onderzoek naar bodemverontreiniging begint bij het uitvoeren van historisch en verkennend/oriënterend bodemonderzoek. De aanleiding voor het uitvoeren van dit bodemonderzoek kan divers zijn: - de BSB-operatie (Wbb, Besluit verplicht bodemonderzoek); - voorafgaand aan vergunningverlening (nulsituatieonderzoek -Wm of kwalitatief bodemonderzoek Inrichtingen- en vergunningenbesluit Wm); - combi-onderzoek (protocol Bodemonderzoek milieuvergunning en BSB); - aanleg of verwijdering van ondergrondse tanks (BOOT); - de aanvraag van een bouwvergunning (Woningwet); - het opstellen of wijzigen van een bestemmingsplan (WRO); - aan- en verkoop van grond (privaatrecht); - het verplaatsen van grond (Wbb, Besluit bodemkwaliteit); - meldingen derden (klachten stank) - afspraken/convenanten, zoals Bedrijvenregeling; - in beeld brengen van de werkvoorraad (NMP 3). De doelstelling is echter altijd dezelfde: het aantonen van de aan- of afwezigheid van mogelijke bodemverontreiniging op de locatie. In dit hoofdstuk wordt beschreven waar historisch en verkennend/oriënterend bodemonderzoek aan moet voldoen en hoe wij daarmee omgaan. 2.2, Opzet onderzoek Landelijk beleid Normbladen Voor het uitvoeren van bodemonderzoek zijn landelijk diverse NEN-normen en protocollen ontwikkeld: - NVN 5725 (Bodem - Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek, 1999); - NEN 5740 (Bodem - Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, 1999); - NEN 5707 (Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in de bodem, 2003) voor asbest; - NEN 5897 (Bodem - Monsterneming en analyse van asbest in onbewerkt bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat); - NVN 5720 (Waterbodem - Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek). Historisch onderzoek Elk onderzoek begint met een "duik" in de geschiedenis om te weten hoe, waardoor en in welke periode de bodemverontreiniging, met bijzondere aandacht voor de saneringsbepalende stoffen, is ontstaan. Dit historisch onderzoek dient er ook voor om de bodembedreigende activiteiten (bedrijfsactiviteiten, calamiteiten) op een perceel inzichtelijk te maken en hierop eenonderzoeksprogramma in te stellen. Mocht dan een bodemverontreiniging aangetroffen worden, dan dienen de onderzoeksgegevens naast het historisch onderzoek gelegd te worden om te kijken hoe en in welke periode de aangetroffen bodemverontreiniging veroorzaakt is. Hiervoor is de Richtlijn voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek (NVN 5725) opgesteld. Deze richtlijn dient gehanteerd te worden. Kwalibo (Besluit bodemkwaliteit en Regeling Bodemkwaliteit) Deze regelgeving moet de kwaliteit van de werkzaamheden van het bodembeheer verbeteren. Werkzaamheden, zoals bodemonderzoek, bodemsanering en laboratoriumanalyses, moeten voldoen aan kwaliteitseisen. Bedrijven en overheidsinstanties (de zogenaamde bodemintermediairs) die werkzaamheden willen uitvoeren, mogen alleen werkzaamheden verrichten als zij daarvoor door de Ministeries van VROM en VW zijn erkend. Voor nadere informatie over de Kwalibo-regelgeving, inclusief de erkenningen, wordt verwezen naar Bodem+ (www.senternovem.nl). In de rapportages van de bodemonderzoeken moeten de uitvoerders aantoonbaar maken dat de werkzaamheden door gecertificeerde en erkende intermediairs zijn uitgevoerd. Als aan deze eisen niet wordt voldaan, kan het bevoegd gezag de aanvraag/melding niet in behandeling nemen en doorgeven aan het meldpunt hiervoor. Als het aanvragen betreft om een besluit in het kader van de Wm en/of Wbb (zie artikel 14 van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer Kwalibo), dan mag het bevoegd gezag de aanvraag of melding niet in behandeling nemen. Normdocumenten (zoals de Beoordelingsrichtlijn) zijn te downloaden op de website van het SIKB (www.sikb.nl). Drents beleid en toelichting Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Historisch onderzoek Uit de praktijk blijkt dat het vooronderzoek onvoldoende wordt uitgevoerd. Daarom moet uit de rapportage van het vooronderzoek blijken welke bronnen daadwerkelijk zijn geraadpleegd, ook wanneer een bron geen informatie oplevert. Bij het historisch onderzoek moet ook worden bekeken of de locatie potentieel asbestverdacht is. Wanneer dit het geval is, dient bij het uitvoeren van bodemonderzoek ook asbestonderzoek verricht te worden. Hierbij zijn de NEN 5707 en 5897 het uitgangspunt. De volgende situaties worden door ons als potentieel asbestverdacht beschouwd: - aanwezigheid van oude (voor 1993 aangebrachte) verhardingslagen op/in de bodem, bestaande uit puin- of menggranulaat of ophogingen/dempingen met bouw- en sloopafval; - zichtbare aanwezigheid van asbestresten in de bodem; - aanwezigheid voormalige stortplaats; - voormalig glastuinbouwgebied met oude verhardingen en afval van kassen; - asbestverdachte bedrijven, zoals scheepswerven, gasfabrieken, metaalgiete-rijen, lasbedrijven, defensieterreinen, garagebedrijven; - sterk puinhoudende grond in een oud stedelijk gebied; - asbesthoudende beschoeiingen langs watergangen; - asbestproducerende of verwerkende industrie (UBI-code 2665). Relatie tussen verharding (van erven en wegen) en bodem Verhardingen die op de bodem zijn aangebracht, maken geen deel uit van de bodem en vallen dus niet onder de Wbb. De verharding moet als zodanig herkenbaar zijn en te scheiden zijn van de bodem. Bij verwijdering van dit materiaal zijn de regels van het Besluit en regeling bodemkwaliteit (voor hergebruik als grond of bouwstof) of de regels van de Wm (bij definitieve verwijdering als afvalstof) van toepassing. Bij de fundering onder een verharding is door vermenging met de bodem geen eenduidige scheiding meer waarneembaar. Ook kunnen puinlagen voorkomen in de diepere ondergrond. Uitgangspunt is dat wij puin en slakken niet als bodem zien in de zin van de Wbb als minder dan 50 volumeprocent van het materiaal uit bodemdeeltjes (< 2

  1. mm)bestaat. Wanneer er echter sprake is van verontreiniging op of in de verharding die zich kan verspreiden naar onderliggende bodem geldt artikel 13 (zorgplicht) van de Wbb. 2.3, Beoordeling en vervolgaanpak Landelijk beleid Toetsing bodemverontreiniging De gehalten die zijn gemeten in de bodemmonsters worden getoetst aan de streef- en interventiewaarden (Circulaire streef- en interventiewaarden, 2000)*. * De Circulaire streef- en interventiewaarden 2000 vervalt bij in werkintreding Circulaire bodem-sanering 2008. Gehalten onder de streefwaarden (S) betekenen dat er sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Gehalten boven de interventiewaarden (I) betekenen dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Er is dan sprake van een ernstige (bodem)verontreiniging. In de praktijk worden de tussenwaarden ook gebruikt. Deze zijn niet vastgelegd in de genoemde circulaire. Deze tussenwaarden gelden als toetsingswaarden voor nader onderzoek en worden getalsmatig ingevuld door (S+I)/2. Als er sprake is van verontreiniging maar de tussenwaarde wordt niet overschreden, is vervolgonderzoek niet nodig. Als in een of meer monsters de aangetroffen gehalten de tussenwaarden of de interventiewaarden overschrijden is een nader bodemonderzoek noodzakelijk om vast te kunnen stellen of er daadwerkelijk sprake is van een geval van (ernstige) bodemverontreiniging in de zin van de Wbb. Het nader bodemonderzoek moet meer inzicht geven in de aard en de omvang van de verontreiniging en de mogelijke risico¿s daarvan. Melding volgens artikel 41 Wbb Vroeg of laat zal een gemeente op de hoogte worden gesteld van de uitkomsten van een verkennend bodemonderzoek. Als gehalten zijn aangetroffen die de tussenwaarde overschrijden, is de gemeente wettelijk verplicht het bevoegd gezag Wbb daarvan op de hoogte te stellen (artikel 41 Wbb). Deze zal zich dan een oordeel moeten vormen over de vervolgaanpak. Drents beleid en toelichting Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Melding volgens artikel 41 Wbb Voor de opgaven artikel 41 hebben wij een formulier ontwikkeld (Melding bodemverontreiniging, www.drenthe.nl). Van deze opgaven bepalen wij of (vervolg)onderzoek noodzakelijk is en/of gaan wij over tot het bepalen van de ernst van het geval van bodemverontreiniging (zie hoofdstuk 3) . Ouderdom onderzoek Als uitgangspunt geldt dat het onderzoek niet ouder mag zijn dan 5 jaar. Wij kunnen dit verlengen, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van: - een immobiele verontreiniging en onderbouwd is dat er in de tussenliggende periode geen verontreiniging is toegevoegd; - een mobiele verontreiniging, waarbij uit de onderzoeksrapporten een stabiel beeld van de verontreiniging naar voren is gekomen. Wij kunnen de periode ook verkorten wanneer het een zeer mobiele verontreiniging betreft of er activiteiten (zoals een naburige onttrekking) hebben plaatsgevonden waardoor de gegevens niet actueel meer zijn. Hoofdstuk Nader onderzoek 3, NADER ONDERZOEK 3.1, Aanleiding en doel Een nader onderzoek heeft meerdere doelen, zoals: - het definiëren van het geval of de gevallen van bodemverontreiniging, zodat duidelijk is op welke verontreiniging de beschikking (vaststelling ernst en spoed, artikelen 29 en 37 Wbb) of de beschikkingen (artikelen 29 en 37 én artikel 28 Wbb) betrekking hebben; - het bepalen of een verontreiniging een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft; - het bepalen van de omvang, oorzaak, veroorzaker en periode van veroorzaking van een geval van bodemverontreiniging; - in bepaalde situaties wordt deze omvang niet volledig vastgesteld (geen afperking), zoals bij een deelsanering: - het bepalen of de verontreiniging met spoed gesaneerd moet worden. In dit hoofdstuk wordt op deze aspecten ingegaan, waarbij specifiek aandacht wordt gegeven aan voormalige stortplaatsen. Ook wordt ingegaan op mogelijke beheersmaatregelen en tijdelijke beveiligingsmaatregelen die in bepaalde situaties noodzakelijk zijn en kunnen worden voorgeschreven in een beschikking `vaststelling ernst en spoed¿. 3.2, Opzet en uitvoering nader onderzoek Landelijk beleid Protocollen en richtlijnen De vereisten en opzet van een nader onderzoek zijn vastgelegd in: - Protocol voor het nader onderzoek deel 1 naar de aard en concentratie van verontreinigende stoffen en de omvang van bodemverontreiniging, 1994; - Richtlijn nader onderzoek deel 1 voor specifieke categorieën van gevallen van bodemverontreiniging, 1995. - Richtlijn nader onderzoek voor waterbodems, 2002 Deze richtlijnen en protocollen dienen gehanteerd te worden. Kwalibo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer) Werkzaamheden zoals bodemonderzoek, bodemsanering en laboratoriumanalyses moeten voldoen aan kwaliteitseisen. Zie verder paragraaf 2.2. Drents beleid en toelichting Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Protocollen en richtlijnen Afwijken van richtlijnen en protocollen kunnen toelaatbaar zijn en dienen te worden aangeduid en gemotiveerd in het rapport zelf. Nader onderzoek In het formulier voor het aanvragen van de beschikking ernst, spoed en instemming met een saneringsplan (www.drenthe.
  2. nl)hebben wij de eisen opgenomen waaraan een nader onderzoek minimaal moet voldoen. Voor het nader onderzoek geldt verder dat de historie goed dient te zijn omschreven, inclusief aanduiding van de oorzaak, de relatie met de aangetoonde verontreiniging, de veroorzaker en de periode van veroorzaking. De vermelding van de periode van veroorzaking is van belang voor onder meer de vraag of er sprake is van een historische bodemverontreiniging of recente verontreiniging (zie hoofdstuk 4). Als uit het verkennend/oriënterend onderzoek het vermoeden bestaat dat het om een geval van ernstige bodemverontreiniging gaat, benaderen wij de eigenaar over de vervolgaanpak. Wij maken onderscheid in de benadering van particulieren en bedrijfsmatige eigenaren. Bedrijfsmatige eigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor de vervolgaanpak, meestal het uitvoeren van een nader onderzoek. Mogelijk wordt aan de uitvoering van het nader onderzoek een termijn gekoppeld. Bij vermoedelijke gevallen van ernstige bodemverontreiniging waarvoor spoedig saneren noodzakelijk is, koppelen wij aan de uitvoering van het nader onderzoek een termijn. De eigenaar wordt gevraagd en zo nodig verplicht dit nader onderzoek te doen. Ook particuliere eigenaren zijn zelf in principe verantwoordelijk voor de vervolgaanpak. Wij zijn terughoudend met het verplichten tot nader onderzoek bij particulieren (zie hoofdstuk 8). Dit betekent dat als bij een particulier een nader onderzoek nodig is wij dit kunnen verrichten. 3.3, Gevalsafbakening Landelijk beleid Gevalsdefinitie De Wbb definieert een geval van bodemverontreiniging als een (dreigende) bodemverontreiniging die betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen. Om te kunnen spreken van een geval van bodemverontreiniging moet aan alle 3 de criteria zijn voldaan. Bovendien moet de verontreiniging zijn veroorzaakt door menselijk handelen. De 3 criteria die bepalen of er sprake is van een geval van bodemverontreiniging kunnen als volgt worden samengevat: - Technische samenhang: Een technische samenhang is aanwezig als de verontreiniging het gevolg is van een bepaald productieproces, installatie of mechanisme. - Organisatorische samenhang: Een organisatorische samenhang is aanwezig als de verontreinigingen een gevolg zijn van een en dezelfde organisatorische eenheid/veroorzaker. - Ruimtelijke samenhang: Een ruimtelijke samenhang is aanwezig als de verontreinigingen in aan elkaar grenzende of in elkaars nabijheid gelegen grondgebieden voorkomen of in het verspreidingsgebied van de verontreiniging liggen. Een vaste afstand is echter niet te geven. Drents beleid en toelichting Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Gevalsdefinitie voor diffuse verontreiniging De gevalsdefinitie hebben wij een Drentse invulling gegeven voor diffuse verontreiniging. In de Wbb worden diffuse verontreinigingen aangemerkt als bodemverontreiniging als zij het gevolg zijn van menselijk handelen, ook al hebben deze handelingen lang geleden plaatsgevonden. Een dergelijke verontreiniging zien wij als een geval van bodemverontreiniging als deze kan worden toegerekend aan een duidelijke technische handeling (vanuit een productieproces of ontwikkelingsactiviteit). Zo zal bij ophooglagen, bemesting van percelen en/of uitstoot via een fabrieksschoorsteen eerder sprake zijn van een geval van bodemverontreiniging, terwijl bij atmosferische depositie en bij verontreinigde wegbermen door autoverkeer niet kan worden gesproken van een geval. Bij historische activiteiten in binnensteden (een verzameling puntbronnen, die niet meer te onderscheiden zijn van elkaar) is de verontreiniging als totaal geen geval, maar kunnen plaatselijk wellicht wel puntbronnen en daarmee gevallen worden benoemd. Wanneer wordt vastgesteld dat er geen sprake is van een geval, dan is de saneringsparagraaf van de Wbb niet van toepassing. Voormalige stortplaatsen Wij beschouwen voormalige stortplaatsen als een aparte categorie, waarbij altijd sprake is van een potentieel geval van ernstige bodemverontreiniging. De reden is de onbekendheid van het stortmateriaal, waardoor het stort beschouwd kan worden als een "black-box", die een mogelijke bedreiging vormt voor de om- en onderliggende bodem en het grondwater. 3.4, Ernst Landelijk beleid De Circulaire streef- en interventiewaarde bodemsanering en de Circulaire bodemsanering

(2006)* bevatten de landelijke richtlijnen voor het vaststellen van de ernst en spoed van een geval van bodemverontreiniging. Vaststellen ernst Van een geval van ernstige verontreiniging is sprake als voor ten minste 1 stof gemiddeld de interventiewaarde in een bodemvolume van meer dan 25 m3 vaste bodem en/of 100 m3 grondwater wordt overschreden. Dit wordt vastgesteld door toetsing van de gemeten gehalten uit het nader onderzoek aan de interventiewaarden uit de Circulaire streef- en interventiewaarden
(2000)* De Circulaire streef- en interventiewaarden 2000 vervalt bij in werkintreding Circulaire bodem-sanering
  1. Asbest Voor asbest geldt een uitzondering op het volumecriterium zoals hiervoor aangegeven. In de Circulaire bodemsanering is aangegeven dat er sprake is van een ernstige verontreiniging met asbest als de concentratie (gewogen gemiddelde) binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde voor asbest (te bepalen volgens het protocol NEN 5707/5897 of NTA 5727). Drents beleid en toelichting Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Vaststellen ernst bij voormalige stortplaatsen Gedetailleerd onderzoek naar de kwaliteit en/of samenstelling van het stortlichaam is in dit kader niet noodzakelijk, omdat een voormalige stortplaats als een black-box wordt beschouwd. Het feit dat sprake is van een black-box betekent echter ook dat als bij indicatief onderzoek geen interventiewaarde wordt overschreden, er niet geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een niet ernstige bodemverontreiniging. Dat kan alleen als een onderzoek is uitgevoerd met ten minste een kwaliteit die vergelijkbaar is met het protocol NO. Bij verontreiniging in het grondwater dient deze (zoals ook andere grondwaterverontreinigingen) in kaart te worden gebracht. Onderzoek naar de inhoud van het stortlichaam wordt wel relevant geacht voor het bepalen van de saneringsoplossing. 3.5, Spoed Landelijk beleid Wanneer is vastgesteld dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, moet er worden nagegaan of de verontreiniging dusdanige risico¿s met zich meebrengt dat spoedige sanering noodzakelijk is (artikel 37 Wbb). De wet maakt onderscheid in risico¿s voor mens en ecologie en risico van verspreiding van de verontreiniging. De Circulaire bodemsanering geeft richtlijnen voor het vaststellen van de risico¿s voor de mens, het ecosysteem en de verspreiding van de verontreiniging. Het saneringscriterium is het onaanvaardbaar zijn van die risico¿s. Risico¿s voor de mens Er is sprake van onaanvaardbare risico¿s voor de mens als bij het huidige of voorgenomen gebruik een situatie bestaat waarbij: - chronische negatieve gezondheidseffecten kunnen optreden; - acute negatieve gezondheidseffecten kunnen optreden. Ook wanneer bij het huidige gebruik aantoonbare hinder is voor de mens (onder andere huidirritatie en stank) moet met spoed worden gesaneerd. Risico¿s voor ecosysteem Er is sprake van onaanvaardbare risico¿s voor het ecosysteem als bij het huidige of voorgenomen gebruik een situatie bestaat waarbij: - de biodiversiteit kan worden aangetast; - kringloopfuncties kunnen worden verstoord; - bio-accumulatie (ophoping van giftige stoffen in een organisme) en doorvergiftiging (door eten van een vergiftigd organisme) kunnen plaatsvinden. Risico¿s van verspreiding Onaanvaardbare risico¿s als gevolg van verspreiding ontstaan wanneer het gebruik van de bodem door mens of ecosysteem wordt bedreigd door verspreiding van verontreiniging in het grondwater. Dit is het geval wanneer kwetsbare objecten als gevolg van die verspreiding binnen het bodemvolume liggen dat wordt ingesloten door de interventiewaardecontour in het grondwater of binnen enkele jaren komen te liggen en daardoor ontoelaatbare hinder ondervinden (zie bijlage 1 van de Circulaire bodemsanering). Het criterium "enkele jaren" is in de circulaire ingevuld met een zone van 100 m om de interventiewaardecontour heen. Er is sprake van onaanvaardbare risico¿s van verspreiding van de verontreiniging in de volgende situaties. - Het gebruik van de bodem door mens of ecosysteem wordt bedreigd door de verspreiding van verontreiniging in het grondwater, waardoor kwetsbare objecten hinder ondervinden. - Er is sprake van een onbeheersbare situatie, dat wil zeggen als: - er een drijflaag aanwezig is die door activiteiten en processen in de bodem kan verplaatsen en van waaruit verspreiding van verontreiniging kan plaatsvinden; - er een zaklaag aanwezig is die door activiteiten en processen in de bodem kan verplaatsen en van waaruit verspreiding van verontreiniging kan plaatsvinden; - de verspreiding heeft geleid tot een grote grondwaterverontreiniging én de verspreiding nog steeds plaatsvindt. Vaststellen risico¿s Het vaststellen van de risico¿s gebeurt als volgt (zie Circulaire bodemsanering, bijlage 1, Saneringscriterium: Vaststelling van het risico voor de mens, voor het ecosysteem of van verspreiding (Sanscrit)). Stap 1 bestaat uit het vaststellen van het geval van ernstige bodemverontreiniging. Stap 2 bestaat uit een standaard risicobeoordeling met het model Sanscrit (opvolger van SUS). Stap 3 bestaat uit een locatiespecifieke risicobeoordeling en kan worden uitgevoerd als uit stap 2 blijkt dat er onaanvaardbare risico¿s zijn. De initiatiefnemer kan zelf hiervoor kiezen, het bevoegd gezag kan dit verlangen van de initiatiefnemer, als zij dit noodzakelijk acht met het oog op de besluitvorming. Asbest Voor het vaststellen van risico¿s van verontreiniging met asbest worden alleen humane risico¿s bepaald en hiervoor wordt gebruikt gemaakt van bijlage 2 van de Circulaire bodemsanering. Tijdstip start sanering Gevallen die met spoed moeten worden gesaneerd op grond van humane en verspreidingsrisico¿s, moeten zo snel mogelijk met de sanering starten. Drents beleid en toelichting Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Aanpassen beschikkingen "ernst en urgentie" in "ernst en spoed" De eerder verleende beschikkingen (vóór 2006) ernst en urgentie zullen alleen als daar een bijzondere reden voor is worden aangepast. Een (her)beoordeling van spoed kan op verzoek van derden maar ook ambtshalve geschieden. Risico¿s voor de mens Voor de vaststelling van de humane risico¿s sluiten wij aan bij bijlage 1 van de Circulaire bodemsanering. Bij de vaststelling van de risico¿s wordt altijd de meest recente versie van het Sanscrit gebruikt. Een uitgebreide risicobeoordeling (verdergaand dan stap 2) kan achterwege blijven als tegelijkertijd met het vaststellen van de ernst en spoed van het geval van bodemverontreiniging een verzoek om instemming met een saneringsplan voor het gehele geval van bodemverontreiniging is ingediend en de sanering binnen 6 maanden na afgifte van de beschikking zal worden gestart. Bij humane risico¿s moet echter altijd stap 3 plaatsvinden, waarbij: - de Sanscrit-modellering locatiespecifiek moet plaatsvinden. Dit betekent dat alleen de werkelijke aanwezige blootstellingsroutes worden meegenomen in de modelberekening; - bij uitdampingsrisico¿s minimaal een luchtmeting (kruipruimte en binnenlucht) moet plaatsvinden die representatief is voor de situatie. Er wordt gesproken van een onaanvaardbare situatie van hinder door stank, wanneer de mediane geurdrempel wordt overschreden. Risico¿s voor ecosysteem De ecologische risico¿s worden bepaald op grond van het daadwerkelijk gebruik. Als er sprake is van een bronlocatie (perceel waar de bron van verontreiniging zich bevindt) binnen een gebied met kritischer gebruik, dan vindt de toetsing gesplitst plaats. Een voorbeeld is een bedrijfsterrein binnen een Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)-gebied of binnen de ecologische hoofdstructuur (EHS) of de hierin gelegen Natura-2000 gebieden. De verontreiniging op de bronlocatie wordt aan het daadwerkelijke gebruik, dus industrie, getoetst. Voor de verontreiniging buiten de bronlocatie vindt toetsing plaats aan het daar aanwezige daadwerkelijk gebruik, dus natuur. Per gebruiksfunctie wordt het ecologische risico van de aanwezige verontreiniging vastgesteld. Het meest kritieke risico is bepalend voor de risicobepaling van het gehele geval. Dit betekent dat alleen de meest gevoelige functie getoetst hoeft te worden. Risico¿s van verspreiding Gezien de specifieke situatie van de ondergrond in Drenthe is een goede beoordeling van de verspreidingsrisico¿s gewenst. Wij beoordelen daarom de vastgestelde verspreidingsrisico¿s kritisch en eisen zo nodig aanvullend onderzoek van de initiatiefnemer. Bij verspreidingsrisico¿s wordt onderscheid gemaakt in aantasting van de functie van kwetsbare objecten en in onbeheersbare situaties (zak- en drijflagen en ontoelaatbare verspreiding). Kwetsbare objecten In Drenthe zijn de volgende kwetsbare objecten benoemd: - drinkwaterwinningen (25-jaarszone) - de in het kader van de Kaderrichtlijn water (KRW) gedefinieerde kleine grondwaterlichamen waaruit grondwater wordt onttrokken voor drinkwaterwinning en industriële winningen voor menselijke consumptie; - iedere bestaande continue grondwateronttrekking is in beginsel een kwetsbaar object, tenzij de verontreiniging het gebruiksdoel niet belemmert (bijvoorbeeld koelwater). De initiatiefnemer dient zich ervan te vergewissen of dergelijke winningen zich in de omgeving van de verontreinigingslocatie voordoen en of het gebruik van het grondwater wordt belemmerd door de verontreiniging. Onbeheersbare situaties Voor de bepaling van de verspreidingsrisico¿s is het in ieder geval vereist dat de initiatiefnemer in aanvulling op stap 2 de jaarlijkse toename aan bodemvolume met grondwater met gehalten boven de interventiewaarde zoals benoemd in de circulaire onder stap 3 berekent. Tijdstip start sanering Gevallen die met spoed moeten worden gesaneerd op grond van humane en verspreidingsrisico¿s, moeten zo snel mogelijk na instemming met het saneringsplan met de sanering starten. In geval van een onvolledige risicobeoordeling kan met het nader onderzoek worden ingestemd en kan een beschikking ernst en spoed worden genomen als door initiatiefnemer is aangegeven dat de sanering binnen 0,5 jaar na de afgifte van de beschikking wordt gestart. Humane risico¿s Bij gevallen met onaanvaardbare humane risico¿s geldt dat binnen 1 jaar na de beschikking ernst en spoed met sanering van het spoedeisende deel moet worden begonnen en dat het saneringsplan binnen 0,5 jaar ter instemming bij ons moet zijn ingediend. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek indienen voor afwijking van deze termijn(en). Daarnaast wordt altijd om Tijdelijke beveiligingsmaatregelen (TBM) gevraagd. Verspreidingsrisico¿s met kwetsbaar object Als er sprake is van spoedeisende sanering vanwege het (eventueel binnen enkele jaren) bereiken van een kwetsbaar object, kan start van de sanering op een kortere termijn dan 4 jaar worden geëist. Andere spoedeisende gevallen In andere spoedeisende gevallen moet binnen 4 jaar na de beschikking ernst en spoed met sanering van het spoedeisende deel zijn begonnen. Daarbij geldt dat het saneringsplan binnen 3 jaar ter instemming bij ons moet zijn ingediend. Hiermee wordt de richtlijn uit de Circulaire bodemsanering gevolgd. 3.6, Besluitvorming en voorwaarden Na afronding en melding van het nader onderzoek vindt besluitvorming over ernst en spoed plaats. Landelijk beleid Melding nader onderzoek De beoordeling van een nader onderzoek vindt plaats naar aanleiding van een melding artikel 28 of artikel 29, tweede lid, Wbb bij het bevoegd gezag. Op grond van de artikelen 29 en 37 Wbb neemt het bevoegd gezag de beschikking ernst en spoed. Hierin wordt vastgesteld of er al dan niet sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of het huidige dan wel voorgenomen gebruik of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging tot zodanige risico¿s voor mens, plant of dier leidt dat een spoedige sanering noodzakelijk is. Als er sprake is van risico¿s (en dus van spoed), wordt ook een tijdstip vastgelegd waarop met de sanering moet worden gestart en een tijdstip wanneer een saneringsplan bij het bevoegd gezag ter instemming moet worden ingediend. Voorwaarden In een beschikking ernst en spoed van het geval van bodemverontreiniging kan het bevoegd gezag nadere voorwaarden stellen. Het gaat om de volgende punten: - tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij gevallen waar spoedig saneren noodzakelijk is; - beheersmaatregelen bij gevallen waar spoedig sanering niet noodzakelijk is; - gebruiksbeperkingen; - wijzigingen in het gebruik; - wijzigingen van omstandigheden. TBM TBM worden getroffen tot het moment dat door sanering de onaanvaardbare risico¿s worden weggenomen (artikelen 37, 38, 43, 45 en 46 van de wet) en worden opgenomen in de beschikking ernst en spoed. TBM kunnen nodig zijn vanwege acute risico¿s of om een flexibele aanpak van de sanering mogelijk te maken (binnen de gestelde termijnen). Voorbeelden van TBM zijn: - het plaatsen van een hekwerk en borden; - het afdammen van sloten; - het treffen van bijzondere bouwkundige voorzieningen (luchtafzuiging); - bodemluchtafzuiging; - monitoring en rapportageverplichting; - grondwaterbeheersing. Beheersmaatregelen Het onderscheid tussen beheersmaatregelen en TBM is dat beheersmaatregelen kunnen worden getroffen bij ernstige gevallen waar spoedig saneren niet noodzakelijk is. TBM kunnen aan de orde zijn bij ernstige gevallen waar spoedig saneren wel noodzakelijk is en niet direct met de sanering wordt gestart. Dit betekent dat in de periode tussen het definitief worden van de beschikking en het starten van de sanering TBM worden gerealiseerd om de onaanvaardbare risico¿s weg te nemen. TBM worden dan onmiddellijk gerealiseerd. Het vragen en treffen van beheersmaatregelen moet worden opgenomen in de beschikking ernst en spoed (artikel 37, vierde lid). Het bevoegd gezag kan, in het belang van de bescherming van de bodem, deze beheersmaatregelen eisen. Beheersmaatregelen kunnen ook aan de orde zijn wanneer er na sanering een restverontreiniging achterblijft. Mogelijke beheersmaatregelen zijn: - monitoring met daaraan gekoppelde rapportageverplichting; - maatregelen ter voorkoming van verspreiding; - in stand houden van peilbuizen (voor monitoring). Gebruiksbeperkingen Bij ernstige gevallen van bodemverontreiniging kunnen door de verontreiniging gebruiksbeperkingen gelden. Wijziging in het gebruik/van omstandigheden Op grond van de Wbb (artikel 37, zesde lid) kan het bevoegd gezag Wbb de risico¿s (opnieuw) vaststellen bijvoorbeeld naar aanleiding van monitoringsgegevens, een melding in de wijziging in het gebruik of bij wijziging van omstandigheden. Dit kan leiden tot herziening van de beschikking ernst en spoed. Registratie bij het Kadaster De beschikkingen ernst en spoed worden op grond van de Wet Kenbaarheid Publiekrechtelijke Beperkingen (WKPB) voor registratie aangeboden aan de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers. Deze beschikkingen zijn beperkingenbesluiten volgens de WKPB indien er sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde in de grond. Het Kadaster schrijft de publiekrechtelijke beperking in het openbare register. De publiekrechtelijke beperking vervalt als de verontreiniging geheel tot beneden de interventiewaarde is verwijderd en het saneringsresultaat is vastgelegd in een beschikking tot instemming op het evaluatieverslag. Drents beleid en toelichting Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Melding nader onderzoek Voor de melding artikel 28 Wbb moet volgens de POV gebruik worden gemaakt van het formulier voor het aanvragen van de beschikking ernst, spoed en instemming met een saneringsplan (www.drenthe.nl). Als uitgangspunt geldt dat een onderzoek niet ouder mag zijn dan 5 jaar (zie paragraaf 2.3). Blijkt uit een nader onderzoek dat een geval niet ernstig is, dan nemen wij alleen op verzoek een beschikking geval van niet-ernstige bodemverontreiniging. In hoofdstuk 12is een toelichting gegeven op de procedurele aspecten bij het nemen van de beschikking. Bij een melding nader onderzoek moeten de nodige gegevens worden aangeleverd. Zie hiervoor de website van de provincie Drenthe (www.drenthe.nl). Voorwaarden TBM TBM eisen wij vooral bij onaanvaardbare humane risico¿s. Voorbeelden zijn: - huidirritatie en stankoverlast ten gevolge van de bodemverontreiniging; - uitdamping verontreiniging; - mogelijkheden voor direct contact met de verontreiniging; - aanwezigheid van respirabele asbestvezels in de contactlaag. De vereiste TBM moeten direct genomen worden. Ook kunnen TBM worden geëist bij onaanvaardbare verspreidingsrisico¿s, vooruitlopend op de sanering. Deze zullen dan vaak bestaan uit monitoring en zo nodig tegengaan van de mogelijke verspreiding van verontreinigd grondwater. Beheersmaatregelen Monitoring In situaties waar geen onaanvaardbare risico¿s zijn voor verspreiding eisen wij alleen monitoring als een nadere verificatie geëist wordt of als wijziging van omstandigheden kan leiden tot andere risico¿s. De monitoring dient daarbij ter ondersteuning van geohydrologische modelberekeningen. Een voorbeeld waarbij monitoring is gewenst, is de situatie waarbij de verspreiding mede wordt bepaald door menselijke invloeden. De verspreidingsrisico¿s kunnen onaanvaardbaar worden als deze situatie wijzigt. Een voorbeeld hiervan is een onttrekking op of nabij de verontreinigingslocatie die de verspreiding beperkt. Wanneer deze onttrekking wordt beëindigd, verminderd of per seizoen fluctueert, is de werkelijke verspreiding anders dan is bepaald tijdens het onderzoek. Het gaat niet om eeuwigdurende monitoring, maar om het opbouwen van een meetreeks om berekeningen uit een geohydrologisch model te kunnen toetsen en daarop mogelijke maatregelen te baseren. De monitoringsfrequentie is afhankelijk van het type verontreiniging, de verspreidingssnelheid en de aanwezigheid van kwetsbare objecten (ook vanuit potentiële humane risico¿s die als gevolg van verspreiding kunnen optreden). Dit is dus maatwerk. Maatregelen ter voorkoming van verspreiding Hierbij moet worden gedacht aan onttrekking binnen het geval van verontreiniging of aan het plaatsen van een geohydrologisch scherm aan de rand van het geval. Gebruiksbeperkingen Voor de locatie kunnen door de verontreiniging gebruiksbeperkingen gelden. Per situatie kunnen andere gebruiksbeperkingen gelden die in de beschikking ernst en spoed worden aangegeven. Hierna is een overzicht gegeven van mogelijke gebruiksbeperkingen als gevolg van aanwezige verontreiniging (niet uitputtend): - in stand houden van verhardingen; - geen gewasteelt voor consumptie; - geen begrazing door vee; - geen bouwwerkzaamheden met grondverzet; - geen drenking van vee; - niet betreden terrein; - geen onttrekking van grondwater. Wijzigingen in het gebruik Alle wijzigingen van het gebruik moeten bij ons worden gemeld. Na een melding beoordelen wij of bij het voorgenomen gewijzigde gebruik aanvullende maatregelen nodig zijn. Vooral in navolgende situaties dient met aanvullende maatregelen rekening te worden gehouden: - wijziging van alle landgebruik naar gebruik "natuur"; - wijziging van "bebouwing", "verharding", "industrie" naar "woningbouw"; - wijziging van "landbouw" naar "woningbouw". Wijziging van omstandigheden Wij hebben geen algemene criteria voor het herzien van de beschikking ernst en spoed bij een melding van wijziging van omstandigheden. Dit is namelijk zeer situatieafhankelijk en locatiespecifiek. Een melding wijziging van omstandigheden aan het bevoegd gezag moet vergezeld gaan van een risicobeoordeling met Sanscrit. Voorbeelden: - als uit monitoring (zie beheersmaatregelen) blijkt dat de verspreiding groter is dan aangenomen of dat een bedreigd object sneller wordt bereikt dan verwacht; - het stopzetten of verminderen van een industriële onttrekking, wat gevolgen kan hebben voor de verspreiding. Het omhoog komen van de grondwaterstand kan ook gevolgen hebben voor mogelijke uitdampingrisico¿s. Met Sanscrit zullen dan de risico¿s opnieuw moeten worden bepaald. Voormalige stortplaatsen Als uit het nader onderzoek blijkt dat de aanpak van een stortplaats geen spoed heeft en dit is in een beschikking ernst en spoed vastgelegd, bestaat de mogelijkheid dat volgens artikel 37 Wbb beheersmaatregelen worden gevraagd. Deze beheersmaatregelen kunnen bestaan uit monitoring van de locatie. De beheermaatregel is bedoeld om te controleren dat blijvend geen sprake is van (verspreidings-) risico¿s. De monitoringsstrategie die wordt gevraagd is opgenomen in bijlage 3 en sluit aan bij de monitoringsstrategie voor het vaststellen van de stabiele eindsituatie bij saneringen. Als de stabiele (eind)situatie is vastgesteld kan de beheersmaatregel worden beëindigd. Ook wordt in de beschikking ernst en spoed ingegaan op de gebruiksbeperkingen in het geval van een niet-spoedeisende locatie. Deze gebruiksbeperkingen zijn gericht op het voorkomen van veranderingen in het stortlichaam, waardoor processen op gang kunnen komen die uitloging van verontreiniging tot gevolg kunnen hebben. Gedacht moet worden aan het toevoeren van zuurstof (bij boren of graven in de stortplaats), waardoor chemische processen op gang kunnen komen die kunnen leiden tot mobilisatie van verontreinigingen. Bij herbestemming van een voormalige stortplaats ligt de focus op risico¿s en risicobeheersing. Herontwikkeling van voormalige stortplaatsen wordt door ons gestimuleerd en ondersteund. Wij hebben voorkeur voor herontwikkeling in het kader van landschapsontwikkeling, natuur- en recreatieve ontwikkeling en herinrichtingsplannen in het landelijk gebied. Voor de herbestemming van voormalige stortplaatsen naar industrie/bedrijfsterrein zien wij goede mogelijkheden. Uiteraard dient te locatie geschikt te zijn voor de beoogde functie. Wij zijn terughoudend in het gebruik van stortplaatsen voor woningbouw, gezien de milieuhygiënische aspecten en psychosociale factoren. Wanneer toch tot bebouwing wordt overgegaan, moet er voldoende inzicht in de risico¿s en de mogelijkheden om deze te beheersen zijn. Woningbouw moet te allen tijde als veilig worden ervaren. Mogelijke maatregelen om risico¿s te beheersen zijn gebruiksbeperkingen en technische voorzieningen. Het toepassen van funderingspalen is door de onzekerheid over in het verleden gestort materiaal niet zonder meer toegestaan. Verder dient bij de bouw het creëren van lekstromen waarmee mogelijk verontreinigd grondwater zich in verticale richting kan verspreiden zo veel mogelijk voorkomen worden. Wordt de funderingswijze niet in het saneringsplan of in het nazorgplan beschreven, dan zullen aan de instemming met het sanerings- of nazorgplan voorschriften worden verbonden in de vorm van (gebruiks)beperkingen voor handelingen op of in de gesaneerde stort. Hoofdstuk Saneren van recente bodemverontreiniging 4, SANEREN VAN RECENTE BODEMVERONTREINIGING In de aanpak van bodemverontreinigingen wordt onderscheid gemaakt tussen historische verontreinigingen (ontstaan vóór 1987) en recent ontstane verontreinigingen (ontstaan ná 1987). De saneringsparagraaf van de Wbb (artikel 28 en volgende) is van toepassing op de historische verontreinigingen. In de hoofdstukken 5 en 6 is het saneren van historische verontreinigingen uitgewerkt. Landelijk beleid Zorgplicht Met de inwerkingtreding van de Wbb in 1987 kent Nederland een algemeen beschermingsniveau en is het veroorzaken van bodemverontreiniging verboden. Dit wordt het zorgplichtbeginsel genoemd. Het zorgplichtbeginsel verplicht degene die handelingen verricht waardoor de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om de bodem te saneren en de directe gevolgen te beperken en zo veel mogelijk ongedaan te maken. Het zorgplichtbeginsel is vastgelegd in artikel 13 Wbb en artikel 1.1a Wm. Voor verontreinigingen die na 1987 zijn ontstaan, kent de Wbb dan ook een strenger saneringsregime. Verontreiniging veroorzaakt na 1987 moet zo spoedig mogelijk worden gesaneerd, ongeacht de aangetroffen gehalten en de risico¿s van de verontreinigde stoffen. De bepaling van ernst en spoed van het geval van bodemverontreiniging speelt geen rol. Ongewone en gewone voorvallen Uit de Wbb (artikelen 13 en 30) blijkt dat er onderscheid is tussen ongewone voorvallen en niet ongewone voorvallen. Een ongewoon voorval wordt als volgt gedefinieerd: "elke gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten". Dit zijn bijvoorbeeld storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen van de inrichting, als ongelukken en calamiteiten (zoals kantelen van tankwagen of stuk trekken leiding). Het gaat daarbij bijvoorbeeld niet om (dagelijkse) verontreinigingen bij benzinestations door morsen en ook niet over verontreinigingen in het verleden. Meldingsplicht Alle nieuwe verontreinigingen (veroorzaakt na 1987) moeten worden gemeld. Als de verontreiniging het gevolg is van een ongewoon voorval, moeten de maatregelen zo spoedig mogelijk worden genomen. De veroorzaker of degene die bij de handelingen is betrokken maakt onmiddellijk melding van de nieuwe verontreiniging en de voorgenomen maatregelen aan het bevoegd gezag. Als de verontreiniging zich binnen een inrichting bevindt dient de melding te worden verricht bij het bevoegd gezag Wm van de desbetreffende inrichting. Meestal is dat de gemeente. Voor nieuwe verontreinigingen buiten inrichtingen geldt dat onmiddellijk bij het bevoegd gezag Wbb (de provincie) dient te worden gemeld. Bevoegdheidsverdeling Voor nieuwe gevallen buiten inrichtingen geldt sinds 2001 dat zowel de gemeente, de provincie, het Rijk als de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag is en daarover afspraken met elkaar moeten maken. De hoofdregel voor de handhaving binnen inrichtingen is dat het bestuursorgaan dat bevoegd is tot vergunningverlening op grond van de Wm, dan wel het orgaan waar gemeld wordt, tot taak heeft zorg te dragen voor de handhaving (artikel 18.2 Wm). Dit betekent dat bij verontreiniging: - het bevoegd gezag Wm optreedt in het kader van de Wm en de Wm-vergunning en doormeldt aan gedeputeerde staten die zo nodig bodemkundige expertise verlenen; - wanneer handhaving niet slaagt in het kader van de Wm, gedeputeerde staten binnen de inrichting optreedt in het kader van artikel 27 Wbb. Saneringsdoelstelling Op grond van artikel 13 Wbb moet binnen redelijke grenzen de verontreiniging worden verwijderd. Als er geen duidelijke veroorzaker meer is aan te wijzen, kan worden terug gevallen op de saneringsparagraaf van de Wbb. Dit betekent dat functiegericht en kosteneffectief gesaneerd mag worden (en dat er dus ook een beschikking ernst en spoed genomen moet worden). Deels voor en deels na 1987 Een verontreiniging kan deels vóór 1987 en deels na 1987 veroorzaakt zijn. De veroorzaker en/of initiatiefnemer/eigenaar dienen aan te tonen dat er een relevant onderscheid kan worden gemaakt tussen deze periodes. Gaat het om een verontreiniging die deels vóór 1987 en deels na 1987 is ontstaan, dan kan de saneringsparagraaf van de Wbb worden toegepast. Als het zwaartepunt van de veroorzaking na 1987 is gelegen, kan het bevoegd gezag van de initiatiefnemer/veroorzaker een verdergaand saneringsresultaat verlangen. Is het onderscheid niet gemaakt, dan geldt in principe voor het hele geval de zorgplichtaanpak tenzij aangetoond kan worden dat er sprake is van een uitzonderingsgeval. Aanwijzingen Bij een melding in het kader van artikel 27 Wbb kan het bevoegd gezag aanwijzingen geven aan de initiatiefnemer/veroorzaker voor te nemen maatregelen, zoals een plan van aanpak voor de geheel te saneren verontreiniging. Als de initiatiefnemer niet geheel kan saneren (restverontreiniging), beoordeelt het bevoegd gezag via het proces van instemming saneringsplan en instemming evaluatieverslag of eventuele restverontreiniging acceptabel is. Daarbij moet initiatiefnemer/veroorzaker met een saneringsonderzoek komen waarbij de verschillende saneringsalternatieven met elkaar vergeleken worden. Drents beleid en toelichting Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Meldingsplicht In de figuren 4.1 en 4.2 laten we zien hoe Drenthe de meldingsplicht hanteert. Figuur 4.
  2. Melding nieuwe verontreiniging (niet zijnde ongewoon voorval) Ja - Binnen inrichting - Nee Melding aan bevoegd gezag Wm en melding aan bevoegd gezag Wbb art. 27 Wbb) Melding aan bevoegd gezag Wbb (art. 27 Wbb) Doormelding door bevoegd gezag Wbb aan B&W Toetsing door bevoegd gezag Wm aan art. 1.1a Wm, vergunningvoor-schriften en art. 13 Wbb Doormelding door bevoegd gezag Wm aan bevoegd gezag Wbb (art. 41 Wbb) Toetsing door bevoegd gezag Wbb aan art. 13 Wbb Handhaving vergunning-voorschiften en zorgplicht Wm Aanwijzing van bevoegd gezag Wbb (art. 27 lid 2 Wbb) Figuur 4.
  3. Melding ongewoon voorval Ja - Binnen inrichting ¿ Nee Melding aan bevoegd gezag Wm (art. 17.2) Melding aan bevoegd gezag Wbb (art. 27 Wbb) Toetsing door bevoegd gezag Wm aan vergunning voorschriften en art. 13 Wbb Doormelding door bevoegd gezag Wm aan bevoegd gezag Wbb (art. 17.3 Wm, art. 41 en 27 derde lid Wbb) Toetsing door bevoegd gezag Wbb aan art. 13 juncto 30 -35 Wbb Handhaving vergunning-voorschiften Aanwijzing van bevoegd gezag Wbb (art. 27 lid 2 Wbb) en/of maatregelen GS Doormelding door bevoegd gezag Wbb aan B&W Bevoegdheidsverdeling Buiten inrichtingen Voor de handhaving van onder meer artikel 13 Wbb buiten inrichtingen geldt het volgende: - gaat het om slib op oevers of dammen in watergangen, dan is de waterkwaliteitsbeheerder aanspreekpunt; - voor het dempen van watergangen is de provincie aanspreekpunt; - voor het overige storten van bedrijfsafval buiten inrichtingen van minder dan 50 m3 is de gemeente aanspreekpunt; - voor het storten van bedrijfsafval buiten inrichtingen van meer dan 50 m3 is de provincie aanspreekpunt; - voor het storten van gevaarlijk afval is VROM aanspreekpunt om handhavend op te treden. Saneringsdoelstelling Recente verontreinigingen dienen geheel te worden verwijderd. Bij recente verontreiniging kunnen wij op basis van redelijkheid (artikel 13 Wbb) toestaan dat wordt afgeweken van het principe dat verontreiniging multifunctioneel gesaneerd moet worden. Voor deze situaties kan de saneringsparagraaf van de Wbb ook van toepassing zijn. Dit houdt in dat er een saneringsplan inclusief ¿onderzoek ter instemming ingediend moet worden (zie de hoofdstukken 5, 6 en 7). Dit kunnen wij doen in het geval dat: - er geen veroorzaker is aan te wijzen of - als het vanuit milieutechnisch oogpunt niet redelijk is verdergaande sanering te vragen of - de verontreiniging is ontstaan deels voor en deels na
  4. Milieutechnische belemmering Bij milieutechnische belemmeringen kan gemotiveerd worden afgeweken van multifunctionele sanering. Daarbij dient in het saneringsonderzoek de verschillende saneringsalternatieven met elkaar vergeleken worden. Aanwijzingen Het kan voorkomen dat een veroorzaker niet weet dat er een verontreiniging is ontstaan na 1987, want bodemverontreiniging ontstaat nu eenmaal vaak verborgen. Volgens artikel 27 Wbb dient de veroorzaker de verontreiniging zo spoedig mogelijk bij ons te melden. Als dit wordt nagelaten, maar na een lange tijd wordt wel een saneringsplan ingediend door de veroorzaker, beschouwen wij dit als een melding volgens artikel 27 Wbb. Wij beoordelen de saneringsmethodiek en geven aanwijzingen voor de te nemen maatregelen. Dit kan betekenen dat de maatregelen kunnen afwijken van de maatregelen die in het saneringsplan staan. Saneringsparagraaf Wbb Ook kan het voorkomen dat er een melding artikel 28 Wbb wordt gedaan door een veroorzaker van een verontreiniging die vraagt om instemming met het saneringsplan. Uit de gegevens kan blijken dat de verontreiniging is ontstaan na
  5. Hiervoor is in principe een melding artikel 27 Wbb van toepassing. Wij kunnen besluiten om hier de saneringsparagraaf van toepassing te verklaren, omdat de veroorzaker hiervoor kiest en overgaat tot een multifunctionele sanering of op basis van de uitzonderingsregels hiervan kan afwijken. Evaluatieverslag Wij stellen onder andere verplicht dat na afronding van de multifunctionele sanering volgens plan van aanpak (artikel 27), de saneerder een evaluatieverslag moet opstellen en bij ons indienen. Voor de opzet van het evaluatieverslag kan gebruik worden gemaakt van de checklist voor het evaluatieverslag die is opgenomen in het Besluit uniforme saneringen. Wij geven indien het evaluatieverslag voldoet aan het plan van aanpak en artikel 38 van de Wbb een schriftelijke goedkeuring op het ingediende evaluatieverslag. Ook worden mogelijke belanghebbenden schriftelijk geïnformeerd. Procedure Voor de overige procedure verwijzen wij naar hoofdstuk
  6. Hoofdstuk
  7. Saneringsdoelstelling en specifieke situaties 5, SANERINGSDOELSTELLING EN SPECIFIEKE SITUATIES Voor historische verontreinigingen wordt de saneringsdoelstelling bepaald door de gewenste functie van de locatie en door de kosten van de sanering in relatie met het rendement. Er hoeft niet verder te worden gesaneerd dan voor het beoogde gebruik nodig is. Er blijft wel beheer nodig. 5.1, Saneringsdoelstelling Landelijk beleid De Wbb van 1 januari 2006 gaat uit van een functiegerichte saneringsdoelstelling. Artikel 38 van de Wbb stelt dat degene die de bodem saneert dat zodanig moet doen, dat: - de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na saneren krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt; - het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt; - de noodzaak tot het nemen van maatregelen na saneren en beperkingen in het gebruik van de bodem zoveel mogelijk worden beperkt. De saneringsdoelstelling moet gericht zijn op vorenstaande eisen uit de wet. Met "zoveel mogelijk" bedoelt de wetgever een goede relatie tussen de kosten en de effecten van de sanering. Het saneringsplan dient zo duidelijk mogelijk inzicht te bieden in met welke saneringsmaatregelen de saneringsdoelstelling het beste wordt behaald. Onderscheid mobiele en immobiele verontreinigingen Bij immobiele verontreiniging wordt de contactzone gesaneerd ter voorkoming van blootstelling. De saneringsdoelstelling is gekoppeld aan de functie van de bodem. Bij mobiele verontreiniging is het uitgangspunt volledige verwijdering van de verontreiniging mits kosteneffectief. Als volledige verwijdering technisch niet kan of niet kosteneffectief geacht kan worden moet zoveel mogelijk van de verontreiniging verwijderd worden. Verder verspreiding van de verontreiniging dient te worden voorkomen. Deze zogenoemde stabiele eindsituatie moet binnen redelijke termijn (tot 30 jaar) tot stand worden gebracht. Saneringsdoelstelling bovengrond De standaardaanpak voor immobiele verontreinigingen in de bovengrond bestaat uit het aanbrengen van een leeflaag. Voor de leeflaag gelden de eisen die daaraan worden gesteld in de Circulaire bodemsanering: - de leeflaag heeft een standaarddikte van 1 m; - in tuinen kan afhankelijk van de bewortelingsdiepte een grotere diepte, variërend van 1 m tot 1,5 m, noodzakelijk zijn; - bij overig begroeid terrein (parken, openbare groenstroken, groen op bedrijfsterreinen of wegbermen) mag de dikte variëren van 0,5 m tot 1,5 m, afhankelijk van de bewortelingsdiepte; - een van de standaarddikte afwijkende leeflaag is mogelijk onder bijzondere omstandigheden, zoals een hoge grondwaterstand, ter beoordeling aan bevoegd gezag; - de leeflaag moet kunnen worden onderscheiden van de onderliggende bodem als sprake is van verschillende kwaliteit. Daarvoor wordt als regel een signaallaag aangebracht. Hoofdregel is dat de terugsaneerwaarden voor de bovengrond aansluiten bij de generieke dan wel gebiedsspecifieke waarden die op grond van het Besluit bodemkwaliteit zijn vastgesteld. Het bevoegd gezag Wbb heeft echter altijd mogelijkheid om hiervan af te wijken bij het vaststellen van de saneringsdoelstelling waarvan de redenen liggen in de omstandigheden van het geval. Saneringsdoelstelling ondergrond Voor mobiele verontreiniging in de ondergrond geldt dat de verontreiniging verwijderd wordt voor zover dit kosteneffectief kan. De aanpak moet erop gericht zijn zoveel mogelijk verontreiniging te verwijderen. Als het verwijderen van alle verontreiniging niet kosteneffectief kan, dient gekoerst te worden op het bereiken van een stabiele eindsituatie. De bron en de pluim van de verontreiniging moeten zoveel mogelijk worden verwijderd. Als het bereiken van een stabiele eindsituatie te hoge kosten met zich meebrengt, komen mogelijkheden in beeld als permanente monitoring of isolatie van de verontreiniging. Drents beleid en toelichting Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Onderscheid mobiele en immobiele verontreiniging In het onderscheid bij mobiele en immobiele verontreiniging gaat het om een bepaalde stof in een bepaalde bodem. Als algemene definities hanteren wij: Bij een immobiele verontreinigingsituatie verspreiden de in de bodem aanwezige stoffen zich niet (significant) naar het grondwater. Als maximum wordt de tussenwaarde in het grondwater gehanteerd. Bij een hogere verontreinigingsgraad van het grondwater wordt de situatie als mobiel beschouwd. Bij immobiele verontreiniging in de bovengrond geldt dat de leeflaag minimaal dient te voldoen aan de maximale waarden voor de desbetreffende bodemfunctieklasse. Saneringsdoelstelling bovengrond Als wij het hebben over de bovengrond bedoelen wij de bovenste laag van de bodem, vanaf het maaiveld tot meestal 1 m onder maaiveld. Het is de bodemlaag waarmee de mens direct in aanraking kan komen. Wanneer de grondwaterstand hoger is dan 1 m -mv reikt de bovengrond tot aan de grondwaterspiegel. Functiegericht saneren is het uitgangspunt. Bij het vaststellen van de saneringsdoelstelling moet worden nagegaan met welke aanpak de risico¿s voor mens, plant en dier als gevolg van blootstelling aan die verontreiniging of de beperkingen in het gebruik van de bodem zoveel mogelijk worden beperkt. Onder zoveel mogelijk wordt verstaan: een goede relatie tussen de kosten (van sanering en nazorg) en de effecten van de sanering. Hierbij sluiten wij aan bij de Circulaire bodemsanering. Er zijn situaties denkbaar waarin het volledig verwijderen van de verontreiniging een doelmatiger aanpak is dan een functiegerichte sanering, bijvoorbeeld vanwege te hoge kosten voor nazorg. Bij een functiegerichte sanering is de leeflaag geschikt voor normaal gebruik behorende bij de functie. Hoewel dit dus functiespecifiek is, wordt vaak onder normaal gebruik verstaan: - dat er mag worden gegraven tot de dikte van de leeflaag (dus tot de signaallaag of de diepte waarbij wordt voldaan aan de gestelde normen). Zo kan een vijver of een zitkuil tot een diepte gelijk aan de dikte van de leeflaag worden aangebracht. Wel moet na opheffen van de situatie (verwijderen vijver/zitkuil) de leeflaag tot de oorspronkelijke dikte worden hersteld; - dat er beplanting mag worden aangebracht met een worteldiepte tot een diepte gelijk aan de dikte van de leeflaag; - dat er gebouwd kan worden voor zover dit niet leidt tot grondverzet van mogelijk verontreinigde grond onder de leeflaag; - dat in de leeflaag kabels en leidingen kunnen worden gelegd. Het gebruik van de ondergrond dieper dan de leeflaag (bijvoorbeeld voor de aanleg van een kelder) en het onttrekken van grondwater valt buiten normaal gebruik. Per situatie worden in de beschikking instemmen met het saneringsplan de gebruiksbeperkingen vermeld die na saneren worden verwacht. In hoofdstuk 7 wordt hierop ook beknopt ingegaan. Oppervlaktecriterium Uit oogpunt van beheersbaarheid en handhaafbaarheid wordt in Drenthe gestreefd naar enige grootschalige ruimtelijke zones in bodemkwaliteit. Immers, elke sanering zou een eigen eindkwaliteit kunnen opleveren. Het ontstaan van een "lappendeken" aan bodemkwaliteiten is ongewenst. Er wordt aangesloten bij het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit die naast de Achtergrondwaarde 2000 2 bodemfunctieklassen onderscheidt: Wonen en Industrie. Aan deze bodemfunctieklassen zijn bodemkwaliteitsklassen gekoppeld. Bijvoorbeeld: verharde paden en terrassen behoren niet tot de categorie Bebouwing/verharding (industrie), maar tot de categorie Wonen. Andersom vallen smalle groenstroken op industrieterreinen niet onder Groen, maar onder Industrie. Hiermee wordt versnippering van kwaliteit voorkomen. Overigens dienen te allen tijde onaanvaardbare risico¿s te worden voorkomen. Locale referentiewaarden en afwijken van generieke referentiewaarden Met de inwerkingtreding van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit krijgt de lokale (water)bodembeheerder de bevoegdheid om voor zijn beheergebied maximale waarden (locale referentiewaarden) vast te stellen. Deze zijn bedoeld om doelstellingen voor verbetering of minimaal stand-still van de bodemkwaliteit in een gebied te bewerkstelligen en als kader voor toepassing van grond en bagger. Er is een duidelijke samenhang tussen deze locale referentiewaarden en de kwaliteit van de leeflaag bij saneringen. In Drenthe geldt dat formeel vastgestelde locale referentiewaarden (in een gemeentelijke bodembeleidsnota) gebruikt kunnen worden als leeflaagkwaliteit in plaats van de generieke maximale waarden, onder voorwaarde dat de gemeentelijke bodembeleidsnota met ons is afgestemd. Saneringsdoelstelling ondergrond Bij het opstellen van de saneringsdoelstelling moet inzicht worden gegeven in de volgende aspecten: - de te verwachten restconcentraties in de grond en de omvang daarvan in verband met nalevering naar het grondwater; - het al of niet aanwezig zijn van duurzame (natuurlijke) afbraak en het effect hiervan op de verontreiniging; - de wijziging in omvang van de restverontreiniging in het grondwater (krimp en groei onder meer als gevolg van de nalevering enerzijds en afbraak anderzijds); - de optredende verspreiding van de gehele vlek via het grondwater (ook na saneren); - de mogelijke restrisico¿s op de locatie en in de omgeving (ook als gevolg van mogelijke groei van de vlek en verdere verplaatsing); - de duur van de sanering; - de gebruiksbeperkingen en nazorg na saneren. Als het verwijderen van alle verontreiniging niet kosteneffectief kan, dient gekoerst te worden op het bereiken van een stabiele eindsituatie. In de praktijk blijkt het begrip `stabiele eindsituatie¿ verwarring te geven. Bijvoorbeeld als blijkt dat volgens het nader onderzoek de verontreiniging al stabiel is en daarbij wordt aangegeven dat een sanering niet nodig is. Een dergelijke benadering wordt in Drenthe niet geaccepteerd. Ons uitgangspunt is dat bron en pluim zoveel mogelijk worden verwijderd. Hiervoor moet een saneringsplan opgesteld moet worden. Stabiele eindsituatie De sanering van mobiele verontreiniging moet bewerkstelligen dat de verspreiding van de verontreiniging tot stilstand komt en de (rest)verontreiniging zo min mogelijk nazorg vereist. Dit wordt beschouwd als een stabiele milieuhygiënisch acceptabele eindsituatie. Wij beschouwen een situatie als stabiel wanneer er alleen nog maar verontreiniging onder de tussenwaarde in het grondwateris aangetoond. Daarboven kan een situatie ook stabiel zijn. Maar dit moet op basis van monitoringsgegevens goed onderbouwd worden. Het begrip stabiele eindsituatie is als volgt nader ingevuld: - bij een stabiele eindsituatie moet voor 2030 een duidelijk afnemende trend waarneembaar zijn tot tenminste de oorspronkelijke omvang. De afnemende trend moet voor 2020 starten en worden aangetoond door metingen; - bij een stabiele eindsituatie moet sprake zijn van een blijvend afnemende trend. De vlek wordt steeds kleiner, ook na 2030; - onder de oorspronkelijke omvang wordt verstaan de in het nader onderzoek vastgestelde omvang van de vlek; - nu en in de toekomst mogen zich geen ontoelaatbare risico¿s voordoen betekent dat de restverontreiniging niet mag leiden tot risico¿s bij bestaande activiteiten of bij al te voorziene ontwikkelingen. In de beleidsdocumenten Doorstart A5/ROSA(II) is dit verder uitgewerkt. Aan de hand van de mate van stabiliteit van de eindsituatie definieert A5 een vijftal situaties die meer of minder nazorg vereisen, de zogeheten saneringsladder (zie bijlage 4). Gefaseerde aanpak met actieve en passieve fase Bij sanering van de ondergrond is meestal sprake van een gefaseerde aanpak. Daarbij kunnen in hoofdlijnen de volgende fasen en activiteiten worden onderscheiden. - Actieve saneringsfase van de vaste bodem (graven en actieve maatregelen). Na de grondsanering vindt een tussenevaluatie plaats, waarbij kan worden gezien of de doelstelling voor de ondergrond nog als realistisch geldt. - Actieve saneringsfase van het grondwater. Deze kan in bepaalde gevallen weliswaar ook geheel of gedeeltelijk samenvallen met de grondsanering. - Passieve saneringsfase. De passieve fase is gericht op monitoren van de restverontreinigingen met als doel een stabiele eindsituatie aan te tonen. Deze gefaseerde aanpak moet in het saneringsplan expliciet worden vermeld (zie ook paragraaf 6.3). Bij passieve sanering (monitoring) dient minimaal aan de richtlijn in bijlage 5 van de nota worden voldaan. 5.2, Specifieke situaties 5.2.1, Gebiedsgerichte aanpak grondwater Landelijk beleid Gebiedsgerichte aanpak van ernstig verontreinigd grondwater staat de laatste tijd sterk in de belangstelling. Deze vorm van beheer wordt gezien als een alternatief voor het beheer van individuele gevallen van grondwaterverontreiniging of als een aanvulling daarop. Voorbeelden van situaties waarin een gebiedsgerichte aanpak een goed alternatief is zijn: - verschillende verontreinigingspluimen gaan in elkaar over; - activiteiten in een bepaald gebied beïnvloeden verontreinigingen; - andersom, de aanwezigheid van grondwaterverontreiniging belemmert activiteiten in een gebied. Denk bijvoorbeeld aan bedrijven waar grondwater wordt opgepompt voor de bedrijfsvoering. Het vormgeven van gebiedsgericht beheer van verontreinigd grondwater is niet eenvoudig. De problemen die hierbij optreden zijn zowel van praktische als van principiële aard. Zo kent de huidige Wbb nog een "gevalsgerichte" benadering in plaats van "locatie- of gebiedsgerichte" benadering. Landelijk zijn ontwikkelingen gaande over gebiedsgericht beleid, gevoed door de kennis en ervaring die op uitvoeringsniveau wordt opgedaan. Er is echter nog geen formeel landelijk beleid geformuleerd voor gebiedsgericht beheer van ernstig verontreinigd grondwater. Drents beleid en toelichting Gebiedsgerichte aanpak van verontreinigd grondwater is ook in Drenthe actueel. Door de geologische en bodemkundige kenmerken van de ondergrond (veel zandgronden waarin infiltratie plaatsvindt) zijn verontreinigingen, onttrekkingen en infiltraties in het grondwater sterk aan elkaar gerelateerd. Dit is de reden dat er een sterke behoefte is aan beleidsmatige invulling van de gebiedsgerichte aanpak van grondwater. Wij gaan hiervoor eigen beleid ontwikkelen. Dit beleid moet worden gezien als denkrichting en kaderscheppend. Hierbinnen kunnen initiatiefnemers en bevoegd gezag gezamenlijk tot een aanpak komen om stagnatie van maatschappelijke ontwikkelingen of van bodemsanering aan te pakken. 5.2.2, Hergebruik van grond bij saneringen Landelijk beleid Het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit hebben ook betrekking op het gebruik van verontreinigde grond op een saneringslocatie. In paragraaf 5.1 is al ingegaan op de lokale referentiewaarden en de rol die zij hebben binnen het Drentse bodemsaneringsbeleid. Wat ook een belangrijke rol speelt bij hergebruik van verontreinigde grond is het standstill-beginsel. Standstill Het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit bieden de ruimte om het standstill-beginsel op gebiedsniveau te toetsen. Dit betekent dat de bodemkwaliteit op gebiedsniveau niet mag verslechteren, maar dat er lokaal wel verschillen mogen zijn. Plaatselijk mag de kwaliteit slechter zijn (worden), wanneer op een andere plaats de kwaliteit beter is of wordt verbeterd. Licht verontreinigde grond Voor licht verontreinigde grond betekent dit dat standstill wordt getoetst op gebiedsniveau. Met gebiedsniveau wordt bedoeld een aaneengesloten, door het bevoegd gezag (Besluit en de Regeling bodemkwaliteit) afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten of beheergebied van een waterkwaliteitsbeheerder. De gebieden zijn op een bodemkwaliteitskaart en in een bodembeleidsnota aangegeven. De volgende eisen gelden daarbij. - Een saldobenadering wordt toegepast (plaatselijk verslechtering waar plaatse-lijke verbetering van de kwaliteit tegenover staat). - Het betreft alleen grond met een gebiedseigen kwaliteit (grond met een vergelijkbare kwaliteit). - Er mogen geen nadelige gevolgen voor de omgeving ontstaan. Ernstig diffuus verontreinigde grond Het hergebruik van ernstig verontreinigde grond is aan zeer strenge regels gebonden en valt onder de saneringsparagraaf Wbb. Als de bodem ernstig verontreinigd is, wordt het ontgraven ervan gezien als saneren. Alleen in uitzonderingsgevallen mag ernstig verontreinigde grond worden hergebruikt en dan alleen binnen de verontreinigde locatie waar de bodemsanering betrekking op heeft. Voorwaarde is wel dat vóóraf door het bevoegd gezag Wbb goedkeuring wordt gegeven. Drents beleid en toelichting Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Voor hergebruik van grond bij saneringen is er een onderscheid tussen hergebruik van saneringsgrond binnen en hergebruik van die grond buiten een geval van bodemverontreiniging. Hergebruik grond binnen een geval Voor hergebruik van saneringsgrond binnen een geval gelden de volgende criteria. - De kwaliteit voldoet aan de benodigde kwaliteit voor de leeflaag (generieke of locale maximale waarden) als de grond in de leeflaag wordt toegepast. - De aanvulgrond is van vergelijkbare of betere kwaliteit dan de omliggende bodemlaag (vergelijkbaar met de toets van gebiedseigen kwaliteit bij diffuse verontreiniging). - Het hergebruik mag niet leiden tot actuele risico¿s. - Het concentreren van de verontreiniging binnen het geval is toegestaan, maar niet in een schone onderlaag. Voor grond aangevoerd van een andere plaats gelden dezelfde criteria en de criteria van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. Hergebruik saneringsgrond buiten een geval Voor hergebruik van saneringsgrond buiten een geval volgen wij het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. Sterk verontreinigde grond (boven interventiewaarde) afkomstig van een geval van bodemverontreiniging (dus van een sanering) komt niet voor hergebruik buiten het geval in aanmerking. 5.2.3, Sanering van voormalige stortplaatsen Landelijk beleid Landelijk is voor het beleid voor voormalige stortplaatsen de Wbb uitgangspunt geweest, vanwege het bodembedreigende karakter van de locaties en omdat in de praktijk blijkt dat de meeste voormalige stortplaatsen verontreinigd zijn. Drents beleid en toelichting Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Herontwikkeling of bestemmingswijziging Bij herontwikkeling of bestemmingswijziging van voormalige stortplaatsen dient een saneringsplan onze instemming te hebben. Daarbij moet een nader onderzoek zijn wat gericht is op het inzichtelijk maken van de risico¿s die de stortplaats oplevert in de nieuwe situatie. Dit zal echter niet kunnen leiden tot het wegnemen van alle onzekerheden. Bij herontwikkeling zal daarom een afwegingsproces gericht op risico¿s en risicobeheersing moeten plaatsvinden om tot een verantwoorde inpassing/herontwikkeling van een voormalige stortplaats te komen. Bij sanering (herontwikkeling) van voormalige stortplaatsen dient in het bijzonder aandacht te worden besteed aan: - herschikken bij sanering, inclusief overslaan van afval; - kwaliteit deklaag na sanering; - deelsanering. Herschikken bij sanering, inclusief overslaan van afval Voor het herschikken van verontreinigd materiaal (grond en stortmateriaal) geldt voor voormalige stortplaatsen min of meer hetzelfde beleid als voor "gewone" saneringen. Binnen het wettelijke kader is herschikken van verontreinigd materiaal mogelijk, mits dat gebeurt binnen de grenzen van het geval. Bij voormalige stortplaatsen geldt dit ook voor het niet-veraarde afval. Wij kunnen voorwaarden aan herschikken verbinden die voornamelijk te maken hebben met het black-box karakter. Bij handelingen in het stortmateriaal kunnen immers diverse fysisch-chemische processen optreden die een risico voor de gezondheid en het milieu kunnen vormen. Herschikken binnen de stort van grond en stortmateriaal mag, mits in het saneringsplan goed staat omschreven hoe de risico¿s worden beheerst. Dit betekent dat het saneringsplan aan moet geven welke handelingen worden verricht, welke effecten deze hebben op het verontreinigde materiaal (grond en stortmateriaal), hoe deze effecten zich vertalen naar risico¿s en op welke wijze deze risico¿s worden beheerst. Bij effecten kan worden gedacht aan uitdamping en uitloging of uitspoeling van verontreinigingen. Voor afvalmining geldt dezelfde voorwaarde. Herbruikbaar restmateriaal mag worden "gewonnen" en de reststroom mag worden herschikt, mits in het saneringsplan goed staat omschreven hoe de risico¿s worden beheerst. Deklaag Uit de informatie NAVOS is naar voren gekomen dat een deel van de voormalige stortplaatsen een deklaag met een ontoereikende dikte en/of onvoldoende kwaliteit heeft. Deze deklagen zullen in de toekomst aangevuld dienen te worden. De wens om onze schone provincie schoon te houden, de duurzame aanwending van grondstoffen en het vermijden van mogelijke risico's voor mens en milieu leiden tot de volgende uitgangspunten bij het aanvullen/aanbrengen van deklagen op voormalige stortplaatsen: - voorkeur heeft de toepassing van schone grond; - licht verontreinigde grond mag onder voorwaarden worden toegepast. Kwaliteitseisen Voor de uitwerking is gekozen voor een benadering vanuit de locale situatie. Wij onderscheiden de volgende aspecten: - gebruiksfunctie van de locatie. - kwaliteit van de huidige deklaag. - lokale kwaliteit van de bovengrond vastgelegd in een bodemkwaliteitskaart. De kwaliteit van de deklaag dient te voldoen aan het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. Procedure Er zijn 2 situaties te onderscheiden:
  8. aanbrengen deklaag, waarbij geen verontreiniging wordt verplaatst of verminderd. Deze werkzaamheden hebben geen invloed op de verontreinigingsituatie zelf, zodat ook geen melding ex artikel 28 Wbb hoeft te worden gedaan. Wel dienen wij op de hoogte gesteld te worden zodat wij de informatie in ons bodeminformatiesysteem kunnen verwerken;
  9. aanbrengen deklaag, waarbij verontreiniging wordt gesaneerd, verplaatst of verminderd. Hierbij dient een melding volgens artikel 28 Wbb te worden gedaan vergezeld van een saneringsplan. Hoofdstuk 6 Saneringsonderzoek en -plan 6, SANERINGSONDERZOEK EN SANERINGSPLAN 6.1, Aanleiding en doel Om een historische verontreiniging te kunnen saneren is instemming van het bevoegd gezag met een saneringsplan nodig. Bij de melding van het voornemen tot saneren dient naast de resultaten van een nader onderzoek ook de resultaten van het saneringsonderzoek en een saneringsplan te worden overlegd. Het saneringsonderzoek heeft het volgende tot doel: - het vaststellen van de doelstelling van de sanering; - het uitwerken en tegen elkaar afwegen van een aantal saneringsvarianten; - het opstellen van een globaal tijdsplan voor de saneringsuitvoering. In het saneringsplan beschrijft de initiatiefnemer welke saneringsdoelstelling hij wil realiseren en welke maatregelen hij daartoe voorstelt. Met de introductie van het BUS (zie ook paragraaf 6.3) kan voor de aanpak van standaardgevallen een saneringsonderzoek en saneringsplan achterwege blijven en worden volstaan met een melding. 6.2, Opzet saneringsonderzoek en saneringsplan Landelijk beleid In een saneringsonderzoek wordt een inventarisatie gegeven van de mogelijke wijzen van sanering. Daarbij is beschreven de milieuhygiënische, technische en financiële aspecten, evenals de kwaliteit van de bodem die met de verschillende wijzen uitgevoerde sanering zal worden bereikt. Op basis hiervan wordt een keuze gemaakt van de wijze van sanering. Het proces van afweging van de saneringsvarianten is beschreven in het beleidsdocument Doorstart A
  10. Voor saneringen die vallen onder het BUS geldt dat er geen afweging volgens Doorstart A5 hoeft plaats te vinden. In het saneringsplan wordt de gekozen saneringsvariant gedetailleerd uitgewerkt. Werkwijze, maatregelen en voorzieningen worden naar aard en omvang omschreven. Het saneringsplan beschrijft waar nodig ook globaal de nazorg. De Wbb geeft vereisten aan wat een saneringsplan in ieder geval moet inhouden. Verder hebben de bevoegde gezagen op grond van de Wbb de mogelijkheid om nadere regels te stellen over de gegevens die in een saneringsplan moeten worden opgenomen. Er zijn diverse landelijke beleidsstukken (onder andere ROSA 2) die gebruikt kunnen worden voor de opzet van een saneringsonderzoek en een saneringsplan. Drents beleid en toelichting Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Met de introductie van functiegerichte saneringen, waarbij niet verder hoeft te worden gesaneerd dan voor het beoogde gebruik nodig is, wordt steeds meer gebruik gemaakt van een standaardmatige aanpak van saneringen. De saneringsdoelstelling ligt hierbij min of meer vast en het uitvoeren van een saneringsonderzoek kan in die gevallen meestal achterwege blijven. Voor grootschalige mobiele verontreinigingen wordt er een uitgebreid saneringsonderzoek vereist vanaf trede 3 van de landelijke saneringsladder (Doorstart A5, 2 juli 2001). Bij een immobiele verontreiniging moet er een uitgebreid saneringsonderzoek uitgevoerd worden als het geen standaardsituatie betreft. Onder een uitgebreid saneringsonderzoek verstaan wij een onderzoek waarin de saneringsvarianten worden uitgewerkt en afgewogen. In een beperkt saneringsonderzoek mag worden volstaan met een kosteneffectieve afweging. 6.3, Verschillende soorten saneringsplannen Landelijk beleid De voorkeur bij de uitvoering van een bodemsanering blijft dat het gehele geval van ernstige verontreiniging wordt aangepakt. De wet kent wel meerdere mogelijkheden om een eenvoudiger procedure of flexibele aanpak te ondersteunen. Wij kennen daarom verschillende saneringsplannen: - standaardsaneringsplan; - deelsaneringsplan; - gefaseerd saneringsplan; - melding BUS. Mogelijkheden om een flexibele aanpak te ondersteunen zijn de deelsanering en de gefaseerde aanpak. Standaardsaneringsplan Hierin staat de aanpak van het gehele geval/de gevallen van bodemverontreiniging beschreven. Een standaardsanering kan bestaan uit verschillende fasen, zoals de fasen grondsanering en grondwatersanering. Bij een standaardsanering sluiten de fasen in de tijd op elkaar aan of overlappen elkaar; dit in tegenstelling tot een gefaseerde sanering. Deelsaneringsplan Een deelsanering hoeft niet meer betrekking te hebben op een "gering gedeelte" zoals voorheen. De afweging die het bevoegd gezag moet maken heeft te maken met het toestaan van een deelsanering, al dan niet in combinatie met het treffen van beheersmaatregelen voor de restverontreiniging enerzijds en het aangrijpen van het "natuurlijk moment" om het gehele geval aan te pakken anderzijds. Wat een duurzame oplossing is zal van geval tot geval verschillen. Deze afweging zal dus per geval moeten worden gemaakt. Bij een deelsanering kunnen een nader onderzoek en saneringsplan voor slechts een deel van het geval worden uitgevoerd en opgesteld. Ook in die situatie moet een risicobeoordeling deel uitmaken van het nader onderzoek. Gefaseerd saneringsplan Op grond van de wet is het mogelijk een sanering gefaseerd uit te voeren. Deze aanpak biedt het voordeel dat de sanering optimaal kan aansluiten bij de (ontwikkelings)dynamiek van de locatie. Het saneringsplan geeft aan in welke fasen de sanering uitgevoerd zal worden en geeft op hoofdlijnen de uitwerking, kosten, planning en nazorg weer. Hierop wordt een beschikking afgegeven. Bij uitvoering wordt voorafgaand aan elke fase een gedetailleerde uitwerking opgesteld en aan het bevoegd gezag ter beoordeling toegezonden. Het bevoegd gezag toetst aan het gefaseerde saneringsplan en de beschikking hierop. Het grote voordeel van een gefaseerde sanering is de vereenvoudiging van de hele procedure. Er wordt eenmalig een beschikking gegeven, waarna voor iedere fase de start van saneren schriftelijk aan het bevoegd gezag wordt doorgegeven. Wel kan het voorkomen dat voor een bepaalde fase toch nog een melding wordt verlangd, bijvoorbeeld als nog niet alle saneringsgegevens bekend zijn of een bijstelling is te verwachten (bijvoorbeeld na sanering van de vaste bodem voorafgaand aan sanering van het grondwater). Ook de evaluatie zal per fase plaatsvinden. Als een initiatiefnemer een afzonderlijk beschikking op een tussenevaluatieverslag wenst, bijvoorbeeld als de grondsanering is afgerond, moet dit als fase in het saneringsplan zijn aangegeven. Melding BUS De melding BUS is bedoeld om voor de eenvoudige saneringen een simpeler procedure mogelijk te maken. Voor eenvoudige uniforme gevallen van bodemverontreiniging is een standaardaanpak ontwikkeld. De voorwaarden voor een BUS-sanering en de aanpak worden beschreven in het door VROM ontwikkelde meldingsformulier (www.drenthe.nl). Drents beleid en toelichting Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. We geven hierna een toelichting op de verschillende plannen waarvoor wij in Drenthe nadere beleidsinvulling hebben gegeven. Deelsaneringplan In principe zijn deelsaneringen toegestaan, mits de deelsanering aantoonbaar het belang van bescherming van de bodem niet schaadt. Wij toetsen de deelsanering aan de volgende aspecten. - De bodem van het te saneren gedeelte zal ten minste geschikt moeten worden gemaakt voor het beoogde gebruik, de gebruiksbeperkingen en nazorg moeten worden beperkt en ook verdere verspreiding van verontreiniging moet zo veel als mogelijk worden beperkt (artikel 38 Wbb). Uiteraard moet herverontreiniging van het gesaneerde deel door de aanwezige restverontreiniging worden voorkomen. - Inzicht in resterende verontreiniging. - De voorgestelde deelsanering en de ontwikkeling die daartoe aanleiding vormt mogen uiteraard geen belemmering opleveren voor een mogelijke toekomstige sanering van het overige deel. Is daarvan wel sprake, dan zal niet met de deelsanering kunnen worden ingestemd. In de praktijk betekent het vorenstaande onder meer het volgende. - Als met een beperkte extra inspanning (geringe extra ontgraving of monitoring van grondwater) de nazorg aanzienlijk verminderd kan worden, dan heeft een verdergaande saneringsinspanning de voorkeur. - Bij verontreiniging van alleen de bovengrond is in de meeste gevallen een (functiegerichte) deelsanering mogelijk. - Bij verontreiniging van de ondergrond zal, gelet op het eerder gestelde, in veel gevallen niet kunnen worden ingestemd met een deelsanering. In deze situaties ligt een gefaseerde aanpak meer voor de hand. Als toch een deelsanering wordt voorgesteld, moet in ieder geval inzichtelijk worden gemaakt hoe invulling is gegeven aan vorenstaande aspecten, zoals de integrale aanpak, het beperken van verdere verspreiding, het voorkomen van herverontreiniging. Zo nodig zullen aanvullende voorwaarden worden gesteld voorafgaand aan de instemming met het saneringsplan of als voorwaarde in de beschikking. Zo kan het uitvoeren van nader onderzoek (voor het resterende deel van het geval) voorafgaand aan de instemming met het saneringsplan nodig zijn als er onvoldoende inzicht is in problemen bij de vervolgaanpak. Bij een vermoeden van een spoedgeval kan er aanleiding zijn om, los van de deelsanering, verder onderzoek te eisen. Hiermee kan worden vastgesteld of na de deelsanering nog sanering van het resterende deel op grond van milieuhygiënische risico¿s noodzakelijk is. Gefaseerd saneringsplan Bij een gefaseerde aanpak bevat het saneringsplan naast de wettelijke vereisten en de eisen genoemd in de POV: - een beschrijving van de verschillende fasen met daarbij de saneringsmaatregelen in hoofdlijnen. De saneringsdoelstelling is, als dat nodig is, onderbouwd in een saneringsonderzoek. Per fase wordt aangegeven welke aanvullende gegevens bij de melding van de start van de fase worden overlegd; - een beschrijving van de mogelijke tijdelijke beveiligingsmaatregelen (TBM, zie ook paragraaf 3.6); - een globale planning voor de aanpak van de verschillende fasen. Met het verontreinigde deel dat de spoedeisendheid bepaalt, moet uiterlijk worden gestart op het tijdstip dat is opgenomen in de beschikking ernst en spoed; - een beschrijving van de wijze van evalueren per fase; - het (verwachte) tijdstip waarop de sanering van de hele verontreiniging is afgerond; - een communicatieplan, waarin is aangegeven hoe de melder met belangen van derden omgaat. Speciale aandacht verdienen de zogenaamde "nieuwe" belanghebbenden, zoals nieuwe bewoners bij gerealiseerde woningbouw waar in de omgeving nog gesaneerd moet worden. Saneringsplan op hoofdzaken In een saneringsplan op hoofdzaken staat beschreven wat de kwaliteit van de bodem minimaal moet zijn. Het saneringsplan is gericht is op het bereiken van doelen en minder op middelen. Het saneringsplan vormt het kader waarbinnen de te verrichten saneringsactiviteiten worden uitgevoerd en de saneringsdoelstellingen zijn er in verwoord en vastgelegd. Het saneringsplan kan worden toegepast als sprake is van een of meerdere gevallen van bodemverontreiniging of 1 saneringslocatie waarop meerdere gevallen van bodemverontreiniging zijn gelegen. Daarbij dient wel sprake te zijn van een organisatorische samenhang. In principe is de beschikking instemming saneringsplan gericht aan 1 rechtspersoon. Indien er geen organisatorische samenhang is maar er zijn meerdere initiatiefnemers die gezamenlijk een saneringsplan op hoofdzaken indienen, is het noodzakelijk dat zij zijn georganiseerd in een samenwerkingsverband (rechtspersoon). Bij de instemming op het saneringsplan stellen wij als voorschrift dat alle nog op te stellen deelplannen van aanpak moeten voldoen aan de doelstellingen beschreven in het saneringsplan op hoofdzaken. Deze plannen dienen aan ons te worden voorgelegd voordat wordt gestart met de feitelijke sanering. De initiatiefnemer dient onze reactie af te wachten voordat er gesaneerd wordt. Deze reactie heeft niet het karakter van een besluit waarop een bezwaar- en beroepsprocedure van toepassing is. De vrijheid die het saneringsplan de initiatiefnemer biedt, kan worden gegeven nadat duidelijk vast te stellen valt dat de initiatiefnemer zich daadwerkelijk de bodemverontreinigingproblematiek aantrekt en in staat is al datgene te doen om de soms langdurige saneringsweg op succesvolle wijze te doorlopen. Men dient zelf het verzoek tot een saneringsplan op hoofdzaken in te dienen. 6.4, Financiële zekerheidsstelling bij saneringen Landelijk beleid De Wbb biedt bevoegde gezagen de mogelijkheid om aan de instemming op een saneringsplan of nazorgplan (zie hoofdstuk 7, paragraaf 7.5), voorschriften te verbinden tot het stellen van financiële zekerheid door degene die de bodem saneert. In de Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005 is een nadere uitwerking hierover opgenomen. De melder moet een raming van de kosten opnemen in het saneringsplan. De financiële zekerheidsstelling kan worden gevraagd voor de kosten van uitvoering van de sanering of voor de kosten van vereiste nazorgmaatregelen. Financiële zekerheid kan alleen worden geëist als de saneringskosten van het te saneren geval, dan wel de kosten van nazorg na de sanering, voor meer dan 50% na een periode van tenminste 5 jaar zullen worden gerealiseerd. Het eisen van financiële zekerheidsstelling heeft ten doel om de financiering van sanerings- en nazorgmaatregelen door derden op lange termijn te waarborgen. Voorkomen moet worden dat bij faillissement of beëindiging van het bedrijf de maatregelen voor de voortzetting van sanering of nazorg gefinancierd moeten worden uit overheidsbudget. Dit geldt ook voor situaties waarbij de initiatiefnemer na afronding van de actieve saneringsfase de saneringsplicht voor de daarop volgende passieve saneringsfase overdraagt aan meerdere (huis)eigenaren. In dergelijke situaties is er een risico dat de nieuwe eigenaren de kosten van het faalscenario niet kunnen opbrengen en het faalscenario dus vanuit het overheidsbudget moet worden gefinancierd. Drents beleid In Drenthe sluiten wij aan bij het landelijk beleid met navolgende Drentse aanvullingen. In de praktijk voeren wij geen actief beleid om de uitvoering van de sanering financieel zeker te stellen. Wij hebben de indruk hebben dat bedrijven doorgaans goed in staat zijn de financiering van een bodemsanering ook op lange termijn te beoordelen. Tot dusver blijkt financiële zekerheidstelling niet nodig om tot een verantwoorde afronding van saneringen te komen. Daar waar twijfels zijn, vragen wij een saneerder naast het saneringsplan ook de financiering van de sanering aan te geven, zodat wij beter kunnen beoordelen of de sanering een realistische financiële basis heeft. 6.5, Besluitvorming instemming saneringsplan Landelijk beleid Voordat tot uitvoering van de sanering kan worden overgegaan, worden de beschikkingen op het nader onderzoek (paragraaf 3.6) en het saneringsplan vastgelegd in een beschikking waarin ook voorschriften kunnen worden opgenomen. Drents beleid Wij sluiten aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Aanvraag instemming saneringsplan Voor het aanvragen van de instemming op het saneringsplan moet volgens de POV gebruik worden gemaakt van het formulier voor het aanvragen van een beschikking over ernst, spoed en instemming met een saneringsplan (zie www.drenthe.nl). De vereisten waar een saneringsplan en nader onderzoek minimaal aan moeten voldoen zijn opgenomen in het formulier (inclusief checklist). Het saneringsplan toetsen wij aan artikel 38 van de Wbb en ook aan de uitwerking van de in de checklist aangegeven zaken. Om hiermee te kunnen instemmen is van belang dat ten minste een redelijke verwachting bestaat dat met de voorgestelde aanpak de saneringsdoelstelling zal worden behaald binnen de aangegeven periode. Dit houdt in dat de informatie om tot een dergelijk oordeel te komen in het saneringsplan is opgenomen. Verder vinden wij dat belangen van derden niet geschaad mogen worden. Dit betekent dat als belangen (dreigen) te worden geschaad in het saneringsplan, aangetoond moet worden dat er geen redelijke (kosteneffectieve) alternatieven zijn. Ook moet in het beste geval overeenstemming (schadeloosstelling) met deze derden aangetoond worden of ten minste worden aangetoond dat een vergaande inspanning is verricht om tot overeenstemming te komen. Ontheffing opstellen saneringsplan Voor het uitvoeren van onderhoudsbaggerwerk kunnen wij ontheffing verlenen voor het opstellen van een saneringsplan. Het verzoek om ontheffing wordt door ons getoetst aan de uitgangspunten zoals opgenomen in de POV en de Wbb. Aan deze ontheffing kunnen wij voorschriften stellen. Saneren niet-ernstige bodemverontreiniging Als het geval van niet-ernstige bodemverontreiniging niet in een beschikking is vastgelegd en men wil overgaan tot sanering van dit geval, dan volstaat een plan van aanpak dat wij schriftelijk afdoen en waarbij geen bezwaar en beroep mogelijk is. BUS sanering Voor de BUS-saneringen geldt een vereenvoudigde procedure. Daarvoor moet een formulier Melding sanering BUS worden ingevuld (www.drenthe.nl) en bij ons ingediend. Wij toetsen de melding aan de vereisten van het BUS en de Wbb. Advies Bij de uitvoering van een sanering kunnen naast de instemming met het saneringsplan op grond van andere wetgevingen vergunningen/toestemmingen nodig zijn. Te denken valt aan de Flora- en Faunawet, archeologie, grondwateronttrekking en kap-, bouw- en aanlegvergunningen. Bij aanvraag van een beschikking instemming saneringsplan wordt altijd gekeken of de locatie samen valt met andere beleidsterreinen waarvoor advies gevraagd moet worden. Hoofdstuk 7 Uitvoering sanering, zorg, evaluatie en nazorg 7, UITVOERING SANERING, ZORG, EVALUATIE EN NAZORG 7.1, Uitvoeringsaspecten Landelijk beleid Kwalibo Ook bij de uitvoering van bodemsaneringen dienen de werkzaamheden volgens Kwalibo en de normdocumenten te worden uitgevoerd. Deze normdocumenten zijn te downloaden via www.sikb.nl Nadat met het saneringsplan is ingestemd, kan de uitvoering van de sanering starten. In Kwalibo is aangegeven dat de werkzaamheden op het gebied van milieukundig bodemonderzoek en bodemsanering alleen nog mogen worden uitgevoerd door bedrijven die beschikken over een erkenning voor de desbetreffende activiteit. Deze erkenning wordt gekregen door het behalen van diverse certificeringen. Voor verschillende onderdelen van het werk bestaan ook verschillende BRL¿s. Voorbeelden zijn de BRL SIKB 6000 voor Milieukundige begeleiding en evaluatie van bodemsanering (met de protocollen VKB 6001 tot en met 6004) en de BRL SIKB 7000 voor Uitvoering bodemsanering (met de protocollen SIKB 7001 tot en met 7003). Milieukundige begeleiding Onder voorwaarden kan de aannemer van de sanering de controle van de saneringswerkzaamheden (de milieukundige processturing) of een deel hiervan uitvoeren. Deze voorwaarden betreffen onder meer onafhankelijkheid en deskundigheid. Bedrijven en personen die bepaalde bodemwerkzaamheden uitvoeren, mogen geen direct belang hebben bij de uitkomst ervan. Zij moeten onafhankelijk zijn. De werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een andere organisatie dan de organisatie die de opdracht verleent (functiescheiding). De milieukundige begeleiding is te onderscheiden in 2 taken: - Processturing: milieukundige aansturing tijdens de bodemsanering, aangeven ontgravingsgrenzen, afvoer en grondbestemming, plaatsing en instelling installaties, nemen monsters ten behoeve van voortgangscontrole, vergunningen; - Milieukundige verificatie: milieukundige controle tussen- en eindsituatie, vastlegging eindresultaat en beschrijving van de uitgevoerde saneringswerkzaamheden in een evaluatieverslag. De controle van tussenresultaten en het eindresultaat (de milieukundige verificaties) moet altijd plaatsvinden door een organisatorisch onafhankelijk deskundig advies-bureau. Uitgangspunt is dat er dagelijks milieukundige begeleiding plaatsvindt, tenzij gemotiveerd is aangegeven waarom geen dagelijkse milieukundige begeleiding nodig is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er sprake is van een lange uitvoeringsduur waarbij dagelijks toezicht vanwege de werkzaamheden niet zinvol is. Deze motivatie heeft de instemming van het bevoegd gezag nodig. Voor eisen betreffende bemonstering en analyse tijdens de sanering en voor eindbemonsteringen bij saneringen wordt verwezen naar de desbetreffende normdocumenten. Voor de eindcontrole bij grondwatersaneringen verwijzen wij naar bijlage
  11. In het saneringsplan moeten naast de milieutechnische begeleiding de controle en milieukundige verificatie van een sanering zijn omschreven. Drents beleid en toelichting In Drenthe sluiten wij aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Start sanering De sanering kan in principe starten nadat wij met het saneringsplan hebben ingestemd of nadat die instemming van rechtswege is gegeven. Er kan echter bezwaar worden gemaakt tegen de beschikking van gedeputeerde staten. Immers, op grond van artikel 20.1, eerste lid, Wm worden besluiten op grond van onder meer de WBB pas van kracht met ingang van de dag waarop de termijn van 6 weken afloopt voor het indienen van een bezwaarschrift. Dit houdt in principe in dat met de uitvoering van het saneringsplan tot 6 weken na de instemming moet worden gewacht. Uiteraard staat het de initiatiefnemer vrij voor eigen risico eerder met de uitvoering te beginnen. Het is denkbaar dat hij dit aandurft als tijdens de procedure voorafgaand aan de instemming geen enkele zienswijze is geuit. De initiatiefnemer kan verder ons verzoeken gebruik te maken van artikel 20.5 Wm. Dit artikel houdt in dat wij de mogelijkheid hebben de beschikking instemmen met het saneringsplan onverwijld van kracht te verklaren. Feitelijke aanvang sanering Na het verkrijgen van de instemming met het saneringsplan dient de feitelijke start van de saneringswerkzaamheden uiterlijk 1 week voor de aanvang van de sanering bij ons te worden gemeld. Dit geldt ook voor de aanvang van een nieuwe fase van de sanering. Hiervoor moet gebruik worden gemaakt van het formulier Melding van de feitelijke aanvang van de saneringswerkzaamheden (www.drenthe.nl). Overige meldingen Ook het bereiken van in het saneringsplan geformuleerde mijlpalen, zoals de einddiepte bij ontgraven en het beëindigen van de sanering, moet worden gemeld. Hiervoor stellen wij voorschriften op in de beschikking instemmen met het saneringsplan. Uitvoering van de sanering Nadat de start van de sanering is gemeld kan worden overgegaan tot de uitvoering van de sanering. De saneringsuitvoering omvat het aanbrengen van voorzieningen, het uitvoeren van civieltechnische werken, het onttrekken en zo nodig behandelen van grondwater of bodemlucht etc. De regie ligt in beginsel bij de initiatiefnemer/opdrachtgever; dit wordt directievoering genoemd. Het is gewenst om door een onafhankelijke partij de voortgang en het milieuhygiënisch resultaat van de sanering tijdens de uitvoering te laten bewaken. Deze milieukundige begeleiding ziet niet alleen toe op het verwezenlijken van het (civielrechtelijke) contract tussen de opdrachtgever en aannemer, maar ook op het verwezenlijken van de (bestuursrechtelijke) overeenkomst tussen bevoegd gezag en beschikkinghouder (de beschikking instemming saneringsplan). Voortgang en beëindiging sanering Wij vinden het noodzakelijk dat over de voortgang en beëindiging van de sanering overleg met ons plaatsvindt. Voor situaties waarbij de saneringsdoelstelling nog niet is bereikt, maar er twijfels bestaan over nut en noodzaak van het doorzetten van de sanering, is het beslis-model ontwikkeld (Beslismodel voor evaluatie- en beëindiging van bodemsaneringen, provincies Groningen, Fryslân, Overijssel en Drenthe, april 2004). Het beslismodel hanteren wij als richtlijn bij de heroverweging van de saneringsaanpak en/of doelstelling. In bijlage 5 is het model schematisch weergegeven. 7.2, Zorg tijdens saneren Landelijk beleid Bodemsaneringen kunnen bestaan uit een actieve en een passieve fase of bestaan uit slechts een van deze fasen. Bij de actieve fase wordt de verontreinigingsituatie actief beïnvloed, bijvoorbeeld door grondwateronttrekking, bodemluchtonttrekking, het toedienen van voedingsstoffen ter stimulatie van biologische afbraak of ontgraving. De passieve fase bestaat uit monitoring van de bodem- en grondwaterkwaliteit als controlefase na de actieve saneringsmaatregelen. Voordat op een passieve saneringsfase kan worden overgegaan moet het doel van de actieve saneringsfase gehaald zijn. Drents beleid en toelichting In Drenthe sluiten wij aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Zorg tijdens de actieve saneringsfase Van actieve zorg tijdens de sanering is sprake wanneer de saneringsdoelstelling nog niet is bereikt. Dit zijn actieve maatregelen die erop gericht zijn om de saneringsdoelstelling te bereiken of monitoring om vast te stellen dat de stabiele eindsituatie zal worden bereikt (trede 3 van de saneringsladder, zie bijlage 4). Tijdens de actieve saneringsfase is de zorg gericht op het controleren van de actieve maatregelen en de effecten daarvan. Deze worden getoetst op bepaalde momenten. Tijdens de uitvoering van de maatregelen kunnen bovendien gebruiksbeperkingen aan de orde zijn. Zorg tijdens de passieve saneringsfase Tijdens de passieve saneringsfase bestaat de zorg uit het monitoren van de verontreinigingsituatie, met als doel om te controleren of de verwachte ontwikkeling van de verontreinigingsituatie in de praktijk ook zo verloopt als voorzien. Wij toetsen hier op vastgestelde momenten. In Drenthe geldt dat minimaal op de volgende momenten tijdens de passieve saneringsfase getoetst moet worden: - 1 jaar na afsluiting van de actieve sanering; - 5 jaar na afsluiting van de actieve sanering; - daaropvolgend: elke 5 jaar. Tijdens de passieve saneringsfase kunnen specifieke gebruiksbeperkingen gelden, gericht op het in stand houden van het monitoringsnetwerk. 7.3, Wijzigingen voor en tijdens de sanering Landelijk beleid In de Wbb is de verplichting opgenomen dat een sanering moet worden uitgevoerd volgens het saneringsplan en de voorschriften uit de beschikking instemmen met het saneringsplan. Wanneer er wijzigingen optreden ten opzichte van het saneringsplan, moeten deze door de saneerder minimaal 2 weken van te voren worden gemeld aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan vervolgens aanwijzingen geven over de verdere uitvoering van de sanering. In de Wbb is ook opgenomen dat die aanwijzingen van het bevoegd gezag opgevolgd moeten worden. Het doel van de melding is dat het bevoegd gezag wordt geïnformeerd als er keuzes worden gemaakt die invloed hebben op het resultaat en de uitvoering van de sanering. Drents beleid en toelichting In Drenthe sluiten wij aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Wijziging saneringsplan In de instemmingbeschikking op een saneringsplan geven wij vaak een bandbreedte aan bij de te bereiken saneringsdoelstelling. Dit gebeurt door naast de gewenste saneringsdoelstelling ook een harde, minimaal te bereiken saneringsdoelstelling te formuleren die in ieder geval gerealiseerd moet worden. In de praktijk wordt vaak afgeweken van de gewenste saneringsdoelstelling. Dit wordt nu voor een groot deel ondervangen door invoering van deze bandbreedte. Ondanks deze bandbreedte kan de aanpak van de sanering in de praktijk nog afwijken van het plan. Wijzigingen op het saneringsplan moeten zo snel mogelijk (ten minste 2 weken voordat de wijziging wordt uitgevoerd) aan ons worden gemeld via het ingevulde meldingsformulier Wijziging saneringsplan (www.drenthe.nl). Hier kan het gaan om wijzigingen die er zijn voordat er is gestart met de sanering of wijzigingen die tijdens de uitvoering van de sanering naar voren komen. Wij onderscheiden de volgende categorieën van wijzigingen:
  12. Wijzigingen die leiden tot een andere, minder vergaande saneringsdoelstelling; schriftelijke melding en indienen nieuw/herzien saneringsplan.
  13. Wijzigingen die niet leiden tot een minder vergaande saneringsdoelstelling, maar uitvoeringsmaatregelen die afwijken van het saneringsplan; schriftelijke melding.
  14. Wijzigingen die niet leiden tot een minder vergaande saneringsdoelstelling, maar wel passen binnen het saneringsplan; overleg toezichthouder. Indien de wijziging zich tijdens de uitvoering voordoet, dient deze meteen gemeld te worden. De melding wordt gepubliceerd. Ad
  15. Wijzigingen die leiden tot een andere, minder vergaande saneringsdoelstelling (schriftelijke melding en indienen nieuw/herzien saneringsplan). Het gaat hierbij om de volgende situaties: - een minder vergaande bodemkwaliteitsnorm behorende bij de functie voor de bovengrond; - een hogere terugsaneerwaarde voor de grond of het grondwater; - een hogere trede voor de ondergrond; - een onvoorziene restverontreiniging. Dit is een restverontreiniging die vooraf, op basis van de onderzoeksgegevens, het saneringsplan en de terreinsituatie, redelijkerwijs niet voorspeld kon worden. Ad
  16. Wijzigingen die niet leiden tot een minder vergaande saneringsdoelstelling, maar niet passen binnen het saneringsplan (schriftelijke melding). Hieronder worden de volgende situaties verstaan: - De wijziging heeft gevolgen voor belangen van derden, bijvoorbeeld: - de saneringswerkzaamheden breiden zich uit tot percelen van derden; - de wijziging brengt bovengronds gebruik van percelen van derden met zich mee; - er kan schade optreden aan eigendommen van derden (bijvoorbeeld zettingsrisico¿s); - er kan overlast ontstaan in de omgeving (bijvoorbeeld door grote toename transportbewegingen); - er zijn nieuwe/extra vergunningen noodzakelijk (onttrekkingsvergunning, kapvergunning etc.). - Een andere wijze van uitvoeren die echter tot hetzelfde (of een beter) saneringsresultaat leidt, bijvoorbeeld: - ontgraven in plaats van isoleren; - biosparging in plaats van onttrekken; - onttrekken in plaats van vacuümextractie; - Een grote afwijking van de omvang en/of diepte van een ontgraving of een restverontreiniging: - het ontgravingsvolume wijkt meer dan 25% af (met een minimum van 250 m³); - de gemiddelde ontgravingsdiepte wijkt meer af dan 1 m; - de ontgravingsdiepte wijkt dusdanig af dat alsnog een bemaling noodzakelijk is; - het restverontreinigingsvolume wijkt meer dan 25% af van de in het saneringsplan gemaakte inschatting. Ad
  17. Wijzigingen die niet leiden tot een minder vergaande saneringsdoelstelling, maar wel passen binnen het saneringsplan (overleg toezichthouder). Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan: - meer/minder grond ontgraven of grondwater onttrekken; - verontreinigde grond gaat naar een andere verwerker; - het onvoorzien moeten verwijderen van ondergrondse obstakels (zoals funderingsmateriaal en afval). Overgangsbepaling bij oude saneringen met wijzigingen van het saneringsplan Ook als handelingen al zijn uitgevoerd (lopende saneringen van voor de wetswijziging Wbb van 1 januari 2006 waarvoor nog geen evaluatieverslag is ingediend) maar er wel sprake was van een wijziging van het saneringsplan, is een melding artikel 39 vierde lid, nodig. Een dergelijke melding achteraf, met de bijbehorende reactie van ons is nodig, omdat er anders geen goedgekeurde werkwijze bestaat waaraan het evaluatieverslag kan worden getoetst. De eindevaluatie kan in dat geval dus niet in behandeling worden genomen! Ook voor de handhaving geldt dat getoetst wordt aan het oorspronkelijke saneringsplan en het daarop genomen beschikking. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat het niet melden van wijzigingen van thans lopende saneringen strijdig is met de Wbb. Wijziging tenaamstelling De beschikking instemmen met het saneringsplan is een (rechts)persoonsgericht besluit. Dit wil zeggen dat de beschikking gericht is tot degene die voornemens is de bodem te saneren (de melder). Deze melder is verantwoordelijk voor de uitvoering van de sanering en de nazorg na saneren. Voordat het saneringsplan volledig is uitgevoerd, is het mogelijk dat door omstandigheden (bijvoorbeeld naar aanleiding van overdracht van de eigendom van de saneringslocatie) een ander de juridische verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de sanering en de nazorg wil overnemen. Om dit te kunnen realiseren is een gedeeltelijke herziening van de beschikking gericht op de tenaamstelling) waarbij met het saneringsplan is ingestemd nodig. Daarvoor moeten de oorspronkelijke melder en degene die de sanering wil overnemen (de nieuwe melder) gezamenlijk een verzoek doen aan ons om de beschikking op naam te stellen van de nieuwe melder. Bij dit verzoek dienen de gegevens te worden gevoegd van de nieuwe melder en een nieuw overzicht van de (nog te maken) sanerings- en zorgkosten en de daarvoor beschikbare middelen. Bij de behandeling van het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling van de beschikking instemmen met het saneringsplan worden vooral de financiële gevolgen van de wijziging van de tenaamstelling beoordeeld. 7.4, Evaluatie Landelijk beleid Over een evaluatieverslag moet een beschikking tot instemmen worden genomen (artikel 39c). Het saneringsplan, de beschikking instemmen met het saneringsplan en de wijziging op het saneringsplan zijn de belangrijke documenten waaraan wordt getoetst. Daarin wordt immers de afgesproken saneringsvariant vastgelegd. De toets is uiteindelijk aan de doelstelling van artikel 38 Wbb. Drents beleid en toelichting In Drenthe sluiten wij aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Indienen evaluatieverslag Na uitvoering van de sanering of een fase ervan moet binnen 13 weken na afronding een schriftelijk verslag bij ons ter instemming worden ingediend. Hiervoor dient gebruik gemaakt te worden van het formulier voor het aanvragen van een beschikking instemmen met een evaluatieverslag (www.drenthe.nl). De vereisten waar een evaluatieverslag minimaal aan moet voldoen zijn opgenomen in het formulier. Betreft het een BUS-sanering, dan dient gebruik gemaakt te worden van het daarvoor bestemde formulier BUS-evaluatieverslag (www.VROM.nl). Als de grondwatersanering (ondergrond) meer dan 0,5 jaar later dan de grondsanering (bovengrond) is afgerond, moet voor de grond alvast een evaluatieverslag ter instemming worden ingediend. Hierop zullen wij een beschikking nemen. Tussenevaluaties Neemt de grondwatersanering enige tijd in beslag dan moeten, zoals aangegeven in het saneringsplan, tussentijdse rapportages ingediend worden. Deze beschouwen wij als tussenevaluaties en wij nemen daar geen beschikking op. Nadat de grondwatersanering is afgerond moet er een eindevaluatieverslag ter instemming worden ingediend. De grond- en grondwatersanering kunnen als afgerond worden beschouwd als wij met een beschikking op het(de) evaluatieverslag(en) hebben ingestemd. 7.5, Zorg na saneren (nazorg) Landelijk beleid Als er verontreinigingen achterblijven, is nazorg nodig. De vervuilde bodem moet dan "blijvend worden beheerd". Nazorg is vooral nodig bij mobiele verontreiniging, verontreiniging die zich verder kan verspreiden. Maar ook bij immobiele verontreinigingen kan nazorg nodig zijn. Nazorg bij mobiele verontreiniging houdt in dat er periodiek moet worden gemeten of de verontreiniging zich verplaatst en of folies, damwanden en drainage moeten worden vervangen. Bij immobiele verontreinigingen zijn het maatregelen gericht op het in stand houden van de saneringsmaatregel. Hiervoor gelden gebruiksbeperkingen, zoals geen diepgewortelde beplanting of aanleggen van vijvers in de leeflaag. Ook kan het betekenen dat gebruik voor een gevoeliger functie anders dan in het saneringsplan niet is toegestaan. De maatregelen en gebruiksbeperkingen moeten zijn beschreven in een nazorgplan. Het bevoegd gezag moet instemmen met het nazorgplan. Als regel geldt dat het nazorgplan gelijktijdig wordt ingediend met het evaluatieverslag. In het nazorgplan moet zijn beschreven wie er aangesproken kan worden op het deugdelijk uitvoeren van de nazorgverplichtingen en moet onderscheid worden gemaakt tussen de gebruiksbeperkingen en de verplichting tot het nemen van nazorgmaatregelen. Uit de beschikking als bedoeld in artikel 39d, derde lid, vloeit een publiekrechtelijke beperking voort volgens de WKPB voor de percelen die zich bevinden binnen de interventiewaardecontour in het vaste deel van de bodem. De publiekrechtelijke beperking wordt ingeschreven bij het Kadaster in het openbaar register. Zo kan iedereen nagaan of op een bepaalde locatie nazorg verplicht is. Zolang de verontreiniging in de bodem een risico vormt, moet die worden beheerst, beheerd en gecontroleerd. Drents beleid en toelichting In Drenthe sluiten wij aan bij het landelijke beleid met navolgende Drentse aanvullingen. Indienen nazorgplan Voor het indienen van een nazorgplan dient gebruikgemaakt te worden van het formulier voor het aanvragen van een beschikking instemmen met een nazorgplan (www.drenthe.nl). Nazorg Met nazorg bedoelen wij "het geheel aan technische, juridische, organisatorische en financiële maatregelen om het saneringsdoel in stand te houden nadat dit is bereikt". De maatregelen zijn het eeuwigdurende in stand houden en controleren van de isolerende voorzieningen, gebruiksbeperkingen, administratief beheer en daarbij behorende (financiële) verantwoordelijkheden. Nazorg is onder te verdeling in passieve en actieve nazorg (zie bijlage 4). Ons uitgangspunt is saneren met een zo min mogelijk blijvende nazorg. Een nazorgplan in de vorm van een paragraaf in het evaluatieverslag is volgens de Wbb niet de bedoeling. Toch willen wij voor kleine restverontreinigingen (zie bijlage 5, Beslismodel voor evaluatie- en beëindiging van bodemsaneringen, provincies Groningen, Fryslân, Overijssel en Drenthe, april 2004) waar een beperkte nazorg geldt (zoals gebruiksbeperkingen) accepteren dat hiervoor een aparte paragraaf is opgenomen in het evaluatieverslag inclusief de (financiële) verantwoordelijkheden. In de titel van het evaluatieverslag moet dan expliciet worden vermeld dat het een evaluatieverslag inclusief nazorgplan is. In bijlage 4 is een overzicht gegeven van de nazorgmaatregelen die minimaal vereist zijn. Samengevat kunnen de volgende aspecten van nazorg na saneren worden onderscheiden. - Gebruiksbeperkingen en het in stand houden van de situatie (leeflaag en dergelijke). - Monitoring en actieve maatregelen (beheersing om verspreiding tegen te gaan). (Publiekrechtelijke) gebruiksbeperkingen In hoofdstuk 3 is al ingegaan op mogelijke gebruiksbeperkingen die kunnen gelden bij aanwezigheid van bodemverontreiniging. Uitgangspunt bij een functiegerichte sanering is dat normaal gebruik behorende bij die functie mogelijk is. Ook is in hoofdstuk 3 al ingegaan op dit begrip van "normaal gebruik". Daarbij is aangegeven dat het normaal gebruik zich beperkt tot de leeflaag en niet tot de diepere ondergrond. In de beschikking instemmen op het nazorgplan worden de gebruiksbeperkingen aangegeven. Na sanering is van een (publiekrechtelijke) gebruiksbeperking alleen sprake als: - er een restverontreiniging in de grond boven de interventiewaarde is en - het normale gebruik van de bodem gelet op de functie niet meer mogelijk is of beperkt wordt c.q. saneringsmaatregelen in stand moeten worden gehouden om het normale gebruik blijvend mogelijk te maken. Eventuele gebruiksbeperkingen buiten de interventiewaardecontour zijn geen publiekrechtelijke gebruiksbeperkingen en worden niet ingeschreven bij het Kadaster in het openbaar register. Deze gebruiksbeperkingen, zoals het afvoeren van licht verontreinigde grond, worden wel in de correspondentie aan betrokkenen vermeld. Het normale gebruik geldt voor het gehele gebied dat in het nazorgplan als gesaneerd wordt aangegeve

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.