Deze beleidsregel van de gemeente Gilze en Rijen beschrijft de regels voor re-integratie en arbeidsinschakeling, met als doel mensen te helpen bij het vinden van werk of het verbeteren van hun maatschappelijke participatie. Het college van burgemeester en wethouders biedt hiervoor diverse voorzieningen aan.
:1:
Het college hanteert de volgende
bij het bepalen van de noodzaak tot het inzetten van een voorziening: het college geeft de meeste aandacht aan belanghebbenden die in potentie kunnen participeren in arbeid; het college biedt een voorziening aan, wanneer de belanghebbende afhankelijk is van deze voorziening in het kader van zijn of haar arbeidsinschakeling en/of een blijvende verbetering van zijn/haar arbeidsmarktpositie voor langdurige uitstroom;. Als b niet mogelijk is kan een voorziening ingezet worden voor het zetten van stappen op de participatieladder. Artikel2:2:Aanbod van voorzieningen 1.Het college kan aan de doelgroep ondersteuning aanbieden op het gebied van re-integratie in de vorm van verschillende voorzieningen. 2.De ondersteuning kan bestaan uit: bemiddeling naar werk; bemiddeling naar maatschappelijke participatie; scholing; werkervaringsplaats; proefplaatsing; beschut werk; persoonlijke ondersteuning of jobcoach; participatieplaats; sociale activering nazorg; loonkostensubsidie; stimuleringspremie; flexconstructie; werkplekaanpassingen; onkostenvergoeding; vergoeding voor kosten van kinderopvang. 3.Het college gaat bij de inzet van een voorziening uit van de goedkoopst adequate voorziening. 4.Voor jongeren tot 27 jaar geldt op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel c, PW een scholingsplicht. Dit houdt in dat het college: jongeren tot 27 jaar de verplichting oplegt om zich maximaal in te spannen een startkwalificatie te behalen. Als een jongere deze verplichting niet nakomt, heeft dit uitsluiting van de PW en de re-integratievoorzieningen tot gevolg; een jongere tot 27 jaar voor de duur van maximaal 12 maanden kan ontheffen van de verplichtingen zoals genoemd in onderdeel a, als er sprake is van in de persoon gelegen omstandigheden, die conflicterend werken met de mogelijkheid tot het volgen van uit 's rijks kas bekostigd onderwijs; voor een jongere tot 27 jaar tijdens de zoektijd als bedoeld in artikel 41, vierde lid, PW, een voorziening kan inzetten op voorwaarde dat deze voorziening leidt tot een arbeidsovereenkomst, die zonder de inzet van deze voorziening niet tot stand gekomen zou zijn; voor nuggers de bepaling van artikel 3, zesde lid, Verzamelverordening onverkort toepast. Artikel2:3:Instelling budgetplafonds Het college kan jaarlijks voor alle voorzieningen, met uitzondering van loonkostensubsidie, een budgetplafond instellen. Het college kan de hoogte van een budgetplafond tussentijds wijzigen. Artikel2:4:Prioriteiten op het gebied van re-integratie Het college stelt met het oog op de beschikbare middelen in het Participatiebudget, jaarlijks prioriteiten daar waar het gaat om de inzet van voorzieningen. Hiertoe word elk jaar opnieuw bepaald welke inzet het meest nodig is. Artikel2:5:Indeling op de Participatieladder 1.Het college deelt personen, die behoren tot de doelgroep, in op de Participatieladder. 2.De participatieladder onderscheidt zes niveaus: Trede 6: betaald werk; Trede 5: betaald werk met ondersteuning; Trede 4: onbetaald werk; Trede 3: deelname aan georganiseerde activiteiten; Trede 2: sociale contacten buitenshuis; Trede 1: geïsoleerd. 3.Indeling op de Participatieladder vindt plaats bij de aanvang van de uitkering. Het college beoordeelt de indeling op de Participatieladder opnieuw bij periodieke heronderzoeken of zoveel eerder als daartoe aanleiding bestaat. Paragraaf2.2:Voorzieningen ten behoeve van een uitkeringsgerechtigde Artikel2:6:Bemiddeling naar werk 1.Definitie: het bij elkaar brengen van werkgever en uitkeringsgerechtigde, waarvan het college kan verwachten dat de uitkeringsgerechtigde binnen een jaar kan uitstromen naar reguliere arbeid. Bemiddeling houdt tevens in het stimuleren van het zelf-zoekgedrag van de uitkeringsgerechtigde. 2.Doel: het op een zo kort mogelijke termijn laten uitstromen van de uitkeringsgerechtigde naar algemeen geaccepteerde arbeid. 3.Doelgroep: de belanghebbende die, eventueel met inzet van de in de Verzamelverordening, dan wel deze beleidsregels genoemde voorzieningen, bemiddelbaar is naar algemeen geaccepteerde arbeid. 4.Nadere voorwaarden: de bepaling zoals opgenomen in de Verzamelverordening onder artikel 3, zevende lid, is van toepassing op deze voorziening; het college kan, als dat nodig is, individueel aanvullende verplichtingen opleggen die verband houden met de bemiddeling; om het doel zoals beschreven in het tweede lid te bewerkstellingen kan het college andere voorzieningen zoals genoemd in deze beleidsregels inzetten; de duur van de voorziening is bepaald op maximaal 6 maanden. Het college kan de voorziening steeds met maximaal 6 maanden verlengen, mits er geen sprake is van omstandigheden zoals beschreven in artikel 5 van de Verzamelverordening. 5.Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Artikel2:7:Bemiddeling naar maatschappelijke participatie 1.Definitie: het bemiddelen/matchen van een belanghebbende naar een plaats om de maatschappelijke deelname van de belanghebbende te stimuleren. 2.Doel: het college zet deze vorm van bemiddeling in om de maatschappelijke participatie van een belanghebbende te stimuleren. 3.Doelgroep: belanghebbenden die vanwege hun individuele situatie (vooralsnog) geen uitzicht hebben op regulier werk. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening: een plek in het kader van maatschappelijke participatie mag geen belemmering vormen voor het verkrijgen en behouden van arbeid in loondienst; het college laat voor belanghebbenden, ouder dan 27 jaar, een eventuele onkostenvergoeding vrij op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel k van de PW. 5.Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Artikel2:8:Scholing 1.Definitie: elke activiteit in het kader van een gestructureerde leersituatie die is gericht op het ontwikkelen of vergroten van kennis en/of vaardigheden van de belanghebbende. 2.Doel: het bijbrengen van kennis, vaardigheden of het behalen van een startkwalificatie die de arbeidsinschakeling van belanghebbende mogelijk maakt. 3.Doelgroep: de belanghebbende, bij wie het college of diens (potentiële) werkgever, heeft vastgesteld dat scholing noodzakelijk is, omdat arbeidsinschakeling van belanghebbende vanwege ontbrekende kennis of vaardigheden niet direct mogelijk is. 4.Nadere voorwaarden: het college biedt de scholing slechts aan als: deze verband houdt met een baangarantie; of de scholing gezien de arbeidsmarktsituatie een significante vergroting vormt van de kans op een baan; of deze deel uitmaakt van een arrangement dat het college heeft gesloten met een werkgever; of het college daartoe op grond van de wet is gehouden. de bepaling zoals opgenomen onder artikel 3, zevende lid, van de Verzamelverordening is op deze voorziening van toepassing; de scholing is beroepsgericht en het betreft het goedkoopste en meest adequate alternatief; de kosten staan in verhouding met de 'opbrengsten' die gepaard gaan met de beoogde uitkeringsafhankelijkheid van de belanghebbende. 5.Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Artikel2:9:Werkervaringsplaats 1.Definitie: een werkplek bij een werkgever dan wel op een door het college aangewezen plek, waar een uitkeringsgerechtigde met behoud van uitkering werkt om een vak te leren en vaardigheden op te doen dan wel op te halen. 2.Doel: een uitkeringsgerechtigde de kans bieden om met behoud van uitkering op een onbetaalde werkplek zijn of haar arbeidsmarktpositie te versterken, teneinde arbeidsinschakeling mogelijk te maken. 3.Doelgroep: uitkeringsgerechtigden die vanwege een gebrek aan werkervaring en/of vaardigheden de stap richting de arbeidsmarkt niet kunnen maken. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening: een BBL- of BOL-opleiding is voorliggend op de werkervaringsplaats; de werkervaringsplaats heeft een maximale duur van 9 maanden; het college kan de maximale duur, zoals genoemd bij onderdeel b, eenmalig met maximaal 6 maanden verlengen als dat - naar alle waarschijnlijkheid - arbeidsinschakeling tot gevolg heeft; de werkzaamheden zijn primair gericht op ontwikkeling en in mindere mate of geheel niet op productieve arbeid; de nadruk ligt op lerend werken in een bovenformatieve functie; de inzet van de werkzoekende beïnvloedt de concurrentieverhoudingen niet op een onverantwoorde wijze; de werkgever dient in staat en bereid te zijn aan de uitkeringsgerechtigde de noodzakelijke begeleiding te bieden; de belanghebbende beschikt over voldoende kennis en werk- en denkniveau om zich het vak of de vaardigheden op korte termijn eigen te maken; er hoeft bij de werkgever geen intentie te bestaan om de uitkeringsgerechtigde in dienst te nemen maar wel om hem het vak te leren; voor aanvang van de werkervaringsplaats tekent zowel de uitkeringsgerechtigde, als de werkgever, als het college een overeenkomst waarin tenminste de duur van de werkervaringsplaats en de aard van de werkzaamheden staan beschreven; de werkgever heeft ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde een aansprakelijkheidsverzekering en een ongevallenverzekering afgesloten. Er mag geen sprake zijn van verdringing op de arbeidsmarkt. 5.Gronden voor beëindiging: onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. Artikel2:10:Proefplaatsing 1.Definitie: een werkplek bij een werkgever, waar een uitkeringsgerechtigde met behoud van uitkering werkt gedurende een vooraf vastgestelde periode, voorafgaand aan het starten van arbeid in dienstbetrekking of voorafgaand aan een formele detacheringsperiode bij diezelfde werkgever. 2.Doel: een uitkeringsgerechtigde de kans te bieden om met behoud van uitkering op een onbetaalde werkplek zijn of haar arbeidsbekwaamheid te tonen, zodat bij diezelfde werkgever vervolgens instroom in regulier betaald werk kan plaatsvinden. 3.Doelgroep: uitkeringsgerechtigden, aan wie een werkgever voornemens is een dienstverband aan te bieden, maar bij wie de werkgever twijfels heeft over de geschiktheid voor een specifieke functie. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening: Het college hanteert een maximumduur van in principe 3 maanden met de mogelijkheid om deze gemotiveerd te verlengen (maatwerk); de werkzaamheden hoeven niet additioneel van aard te zijn; in aanmerking komen werkgevers in zowel de collectieve sector als in de marktsector; de werkgever heeft naar het oordeel van het college de serieuze intentie de uitkeringsgerechtigde bij goed functioneren na afloop van de proefplaatsing een regulier arbeidscontract van minimaal zes maanden zonder proeftijd met een minimale omvang van hetzelfde aantal uren als gedurende de proefplaatsing van toepassing was; voor aanvang van de proefplaatsing tekent zowel de uitkeringsgerechtigde als de werkgever een overeenkomst, waarin tenminste de duur van de proefplaatsing en de aard van de werkzaamheden staan beschreven; de werkgever heeft ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde een aansprakelijkheidsverzekering en een ongevallenverzekering afgesloten. 5.Gronden voor beëindiging: onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. Artikel2:11:Beschut werk 1.Definitie: een werkplek die het college organiseert voor mensen die door lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen een zodanige mate van ondersteuning nodig hebben dat men van reguliere werkgevers niet (zonder meer) kan verwachten dat zij deze mensen in dienst nemen. 2.Doel: het optimaal benutten van de aanwezige loonwaarde van mensen en deze doelgroep arbeidsfit houden door in te zetten op arbeidersontwikkeling, waarbij het streven is om mensen met beperkingen en een economische verdiencapaciteit naar werk bij een reguliere werkgever uit te laten stromen. 3.Doelgroep: werkzoekenden voor wie een indicatie beschut werk is afgegeven. 4.Nadere voorwaarden: het college benut de maximale mogelijkheden die de flexwet biedt; de organisatie van het beschut werk is bij voorkeur belegd bij de Diamant Groep; van toepassing is de CAO van de branche waar belanghebbende het beschut werk verricht, voor zover aanwezig. Is dat niet het geval, dan geldt in ieder geval het wettelijk minimumloon; voor de doelgroep zet het college indien nodig loonkostensubsidie in; er dient een balans te zijn tussen de opbrengsten (de netto toegevoegde waarde en de rijksbijdrage) en de kosten, bijvoorbeeld begeleiding en werkgeverschap; het college monitort de ontwikkeling van de loonwaarde en herbeoordeelt deze in overleg met de werkgever en de werknemer, waarbij het college in beginsel uitgaat van de ontwikkelingsmogelijkheden van de werknemer. 5.Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing; onverlet het gesteld in artikel 5 van de Verzamelverordening eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt; onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening eindigt de voorziening op het moment dat de financiering vanuit de rijksoverheid wijzigt. Artikel2:12:Persoonlijke ondersteuning of jobcoach 1.Definitie: een voorziening in persoonlijke ondersteuning, waarbij een jobcoach op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer, met beperkingen het verrichten van zijn taken, (systematisch) ondersteunt. 2.Doel: de activiteiten en handelingen die de jobcoach verricht, zijn erop gericht om de belanghebbende zelfstandig zijn werkzaamheden uit te kunnen laten voeren, dan wel de werkgever de begeleiding van de belanghebbende op zich te kunnen laten nemen. 3.Doelgroep: een persoon zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, dan wel artikel 10da van de PW, die algemeen geaccepteerde arbeid - waaronder begrepen gesubsidieerde arbeid - verricht of gaat verrichten, dan wel met behoud van uitkering arbeid bij een werkgever verricht of gaat verrichten, die naar het oordeel van het college zodanige structurele functionele beperkingen heeft richting werk, waardoor hij deze werkzaamheden zonder deze ondersteuning niet kan verrichten. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening: het college zet de voorziening in voor maximaal 3 jaar in hetzelfde dienstverband; Indien uit het loonwaarderapport blijkt dat er nog altijd een (structurele) ondersteuning van een jobcoach nodig is én de werkgever kan daarin niet voorzien (middels een erkend leermeester of Harrie gecertificeerd medewerker) kan jobcoaching langer worden ingezet, als er naar het oordeel van het college geen andere oplossing is. het college beoordeelt minimaal eenmaal per jaar of de inzet van de jobcoach nog (in gelijke omvang) noodzakelijk is en of er gronden voor beëindiging aanwezig zijn; de duur van de dienstbetrekking is ten minste 6 maanden; de belanghebbende werkt in dienstbetrekking of verricht activiteiten in het kader van een traject voor tenminste 12 uur per week; Indien het minimale aantal te werken uren lager is dan 12 uur per week, maar niet minder dan 8 uur en tevens verwacht mag worden dat het aantal te werken uren binnen een jaar kan worden uitgebreid naar 12 uur per week, kan eveneens jobcoaching worden toegekend. deze voorziening is ook inzetbaar voor personen zoals bedoeld in artikel 10f van de PW die een leerwerktraject volgen; de bepaling zoals opgenomen in artikel 3, zevende lid van de Verzamelverordening is van toepassing op deze voorziening. 5.Gronden voor beëindiging: onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. Artikel2:13:Participatieplaats 1.Definitie: plaatsen waarbij personen tijdelijke, onbeloonde en additionele werkzaamheden verrichten in de zin van artikel 10a PW, die uitkeringsgerechtigden, die vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt, met behoud van uitkering kunnen verrichten. 2.Doel: het activeren van de uitkeringsgerechtigde staat bij een participatieplaats centraal. De participatieplaats heeft geen directe arbeidstoeleiding tot doel. 3.Doelgroep: uitkeringsgerechtigden met geringe kans op de arbeidsmarkt, die vooralsnog niet direct bemiddelbaar zijn naar regulier werk. 4.Nadere voorwaarden: in artikel 10a van de PW en artikel 6 van de Verzamelverordening zijn de voorwaarden van de participatieplaats opgenomen; voor aanvang van de participatieplaats tekent zowel de uitkeringsgerechtigde, de werkgever als het college een overeenkomst, waarin tenminste de duur van de participatieplaats en de aard van de werkzaamheden staan beschreven; na 6 maanden beziet het college of voortzetting van de participatieplaats zinvol is; het college kan in verband met de participatieplaats de volgende voorzieningen inzetten: begeleidingskosten ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde aan de werkgever; scholing ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde, zoals opgenomen in artikel 10a, vijfde lid, van de PW, waarbij het college toetst aan de criteria zoals in dat lid zijn opgenomen; een premie voor de belanghebbende zoals bedoeld in artikel 10a, zesde lid van de PW. De premie bedraagt per jaar 25% van het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, PW. 5.Gronden voor beëindiging: onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. Artikel2:14:Nazorg 1.Definitie: ondersteuning die in het individuele geval bijdraagt aan het voortduren van de arbeidsinschakeling. De mate van intensiviteit van de nazorg stemt het college af op de individuele situatie van de werknemer. Vaak bestaat nazorg uit het contact opnemen met zowel de werkgever als de werknemer, nadat de werknemers is gestart met de werkzaamheden om de voortgang te bespreken. 2.Doel: duurzame arbeidsinschakeling van een persoon die met behulp van een in deze beleidsregels genoemde voorziening is gestart met werkzaamheden bij een werkgever. 3.Doelgroep: zowel de persoon die door of met de inzet van een andere voorziening zoals genoemd in deze beleidsregels is gestart op een werkplek, als de werkgever van deze persoon. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening: de duur van nazorg is in beginsel maximaal 6 maanden; deze voorziening kent het college niet expliciet aan een belanghebbende toe, maar geldt, als dit noodzakelijk is, als vervolg op een eerder ingezette voorziening die tot werkaanvaarding heeft geleid; de bepaling zoals opgenomen in artikel 3, zevende lid, van de Verzamelverordening is van toepassing op deze voorziening. 5.Gronden voor beëindiging: het gesteld in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Paragraaf2.3:Voorzieningen ten behoeve van een werkgever Artikel2:15:Loonkostensubsidie 1.Definitie: een financiële compensatie ten behoeve van een werkgever, die een persoon, behorend tot de doelgroep loonkostensubsidie, in dienst neemt. In geval van detachering van een persoon uit de doelgroep treedt de gecontracteerde uitvoerder als werkgever op. 2.Doel: het bewerkstelligen van arbeidsinschakeling voor personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie en het compenseren van de werkgever voor de verminderde loonwaarde. 3.Doelgroep: de (potentiële) werkgever van een persoon, van wie het college heeft vastgesteld dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, en die - met inzet van loonkostensubsidie - in dienst kan treden bij de werkgever, dan wel een al werkende persoon die in de periode van zes maanden voorafgaande aan de dienstbetrekking deelnam aan VSO-, PrO-, of Entree onderwijs. 4.Nadere voorwaarden en duur: het college ziet bij de inzet van loonkostensubsidie af van de toepassing van artikel 3, vijfde lid, Verzamelverordening; het college kan de werknemer onbeloonde werkzaamheden bij de werkgever laten verrichten, met het oog op een reële vaststelling van de loonwaarde. De werknemer verricht werkzaamheden die behoren tot de functie die hij gaat uitvoeren; de maximale duur van de proefplaatsing, zoals bedoeld onder b, bedraagt drie maanden, te verlengen met maximaal drie maanden; het college stelt de loonwaarde vast aan de hand van de regionaal overeengekomen gevalideerde methodiek Dariuz, tijdens de periode van de proefplaatsing. De definitieve bepaling van de loonwaarde vindt plaats op de werkplek; het college monitort de ontwikkeling van de loonwaarde en herbeoordeelt deze in overleg met de werkgever en de werknemer, doch minimaal eenmaal per vijf jaar; in overleg met de werkgever kan het college bepalen dat de vaststelling van de loonwaarde van de werknemer achterwege kan blijven en de dienstbetrekking tot stand komt met toepassing van een forfaitaire loonwaarde van 50%. Over het tijdvak na die forfaitaire periode stelt het college de loonwaarde vast en verleent het college loonkostensubsidie met inachtneming van artikel 10d, vierde lid, PW; voor de toepassing van lid f behoort de werknemer op grond van art. 10c eerste lid onder b, PW tot de doelgroep loonkostensubsidie. de vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking; na afloop van de proefplaatsing krijgt de werknemer, als er tijdens de proefplaatsing geen onregelmatigheden zijn opgetreden, een dienstverband aangeboden; de werkgever is verplicht alle wijzigingen die relevant kunnen zijn voor de subsidie (waaronder wijzigingen in naam, adres, rekeningnummer, ziektemelding) te melden aan het college binnen twee weken nadat deze wijziging zich heeft voorgedaan; de inzet van het instrument loonkostensubsidie mag de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord beïnvloeden. 5.Gronden voor beëindiging: onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening, eindigt de voorziening op het moment dat de persoon niet meer behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Artikel2:16:Stimuleringspremie 1.Definitie: een bedrag dat het college eenmalig kan toekennen aan de werkgever, om deze te stimuleren een persoon, behorend tot de doelgroep van de PW, met een belemmering richting werk een regulier dienstverband aan te bieden en deze te compenseren in de opstartkosten. 2.Doel: het stimuleren van werkgevers om een persoon, behorend tot de doelgroep van de PW, met belemmeringen richting werk een regulier dienstverband aan te bieden. 3.Doelgroep: de werkgever die een persoon, behorend tot de doelroep van de PW, met belemmeringen richting werk een dienstbetrekking aanbiedt. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening: het college beoordeelt de noodzaak tot het toekennen van de premie nadat de werving heeft plaatsgevonden; de noodzaak tot het verstrekken van de premie vervalt als de werknemer de proeftijd niet succesvol doorloopt; het college verstrekt de premie niet eerder dan de dag dat de proeftijd doorlopen is, na indiening van de eerste loonstrook en de arbeidsovereenkomst; de werkgever heeft de intentie om het contract bij goed functioneren te verlengen; de arbeidsovereenkomst heeft een omvang van minimaal 18 uur per week; de premie bedraagt voor mensen van 27 jaar en ouder maximaal € 5.000,00 voor een periode van 1 jaar op basis van een dienstverband van minimaal 32 uur per week. In geval van een overeenkomst met een looptijd van 6 maanden bedraagt de premie maximaal € 2.500,00; de premie bedraagt maximaal € 2.700,00 voor een periode van 1 jaar voor mensen tot 27 jaar op basis van een dienstverband van minimaal 32 uur per week. In geval van een overeenkomst met een looptijd van 6 maanden bedraagt de premie maximaal € 1.350,00; het college verlaagt de premie naar rato bij een dienstverband van een lager aantal uren; het college keert de premie maandelijks uit na ontvangst van de loonstrook; de werkgever ontvangt of ontving geen tegemoetkoming in de loonkosten voor de betreffende werknemer; bij het beoordelen van de noodzaak weegt het college ook mee de eventuele andere voorzieningen die reeds zijn ingezet, om een stapeling van voorzieningen te voorkomen; de stimuleringspremie is wel te combineren met een vergoeding voor de kosten van scholing als dat leidt tot arbeidsinschakeling; een werkgever kan slechts eenmaal in aanmerking komen voor een stimuleringspremie voor dezelfde werknemer. 5.Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Artikel2:17:Flex-constructie 1.Definitie: een variant op een uitzendconstructie waarbij de gemeente een deel van de kosten betaalt, in plaats van de inlener. 2.Doel: het stimuleren van werkgevers om een uitkeringsgerechtigde met belemmeringen richting werk een dienstverband aan te bieden. 3.Doelgroep: werkzoekenden met een afstand tot de arbeidsmarkt. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening: de uitzendorganisatie beoordeelt, in overleg met het college, de noodzaak tot het inzetten van de Flex-constructie; de eerste maand werkt de werkzoekende met behoud van uitkering en betaalt de gemeente de kosten van het uitzendbureau, met een maximum van € 7,50 per uur en € 1.300,00 per maand, bij een fulltime dienstverband; de tweede, derde en vierde maand ontvangt de werknemer salaris via het uitzendbureau, de inlener betaalt de kostprijs aan het uitzendbureau en de gemeente betaalt de uitzendkosten, met een maximum van € 2,50 per uur en € 1.300,00 voor de totale drie maanden bij een fulltime dienstverband; de vijfde en zesde maand ontvangt de werknemer salaris via het uitzendbureau en de inlener betaalt de kostprijs plus de uitzendkosten per uur, zoals genoemd in onderdeel c; afrekening vindt achteraf plaats op uurbasis; de werkgever ontvangt of ontving geen tegemoetkoming in de loonkosten voor de betreffende werknemer; bij het beoordelen van de noodzaak weegt het college mee of eventuele al andere voorzieningen zijn ingezet, zoals een jobcoach of een proefplaatsing, om een ongewenste stapeling van voorzieningen te voorkomen; een werkgever kan slechts eenmaal in aanmerking komen voor een flex-constructie voor dezelfde werknemer. 5.Gronden voor beëindiging: onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode of de uitzendconstructie eindigt. Artikel2:18:Werkplekaanpassingen 1.Definitie: aanpassingen op of rond de werkplek, bedoeld om belemmeringen weg te nemen, waardoor de werknemer met een structurele functionele beperking zijn werk kan uitvoeren. 2.Doel: het door middel van inzet van een werkplekaanpassing wegnemen van belemmeringen die een werknemer met een structurele functionele beperking heeft om op de werkplek te kunnen functioneren. 3.Doelgroep: de werkgever die een persoon met een structurele functionele beperking in dienst heeft dan wel in dienst wil nemen, voor wie inzet van een werkplekaanpassing noodzakelijk is om de betreffende functie uit te kunnen voeren, alsook de werknemer die voor het uitvoeren van zijn werk afhankelijk is van een meeneembare voorziening. 4.Nadere voorwaarden: als er recht bestaat op een voorliggende voorziening, zoals verstrekking door het UVW, dan wel vergoeding door de zorgverzekeraar, dan dient de werkgever daarop een beroep te doen; de structurele functionele beperking waarvoor de werkgever de voorziening aanvraagt heeft naar verwachting een duur van tenminste een jaar; als het college tot toekenning overgaat, dan kiest zij daarbij voor de goedkoopst adequate voorziening; om de noodzaak van een bepaalde werkplekaanpassing vast te stellen, kan het college een medisch- dan wel arbeidsdeskundig advies inwinnen; er vindt in beginsel geen vergoeding plaats wanneer de voorziening reeds is aangeschaft op het moment dat het college een aanvraag voor de voorziening ontvangt; er dient sprake te zijn van een contractduur van minimaal zes maanden; het college vergoedt geen zaken die algemeen gebruikelijk zijn of die tot de standaarduitrusting van het bedrijf behoren; het college hanteert een drempelbedrag van € 130,00; als de waarde van het bedrijfspand stijgt door de aanpassing van het pand, dan kan het college een bedrijfseconomische toets laten uitvoeren en als gevolg daarvan de vergoeding lager vaststellen. de kosten staan in verhouding met de ‘opbrengsten’ die gepaard gaan met de beoogde uitkeringsafhankelijkheid van de belanghebbende. 5.Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Paragraaf2.4:Overige voorzieningen Artikel2:19:Onkostenvergoeding 1.Definitie: een vergoeding voor noodzakelijke kosten, die de belanghebbende maakt in het kader van een re-integratietraject, waaronder begrepen een inburgeringstraject, of in verband met arbeidsinschakeling. 2.Doel: het wegnemen van financiële belemmeringen met betrekking tot het aanvaarden van arbeid, dan wel het deelnemen aan een re-integratievoorziening. 3.Doelgroep: de belanghebbende die in verband met de arbeidsinschakeling of een re-integratievoorziening dan wel een inburgeringstraject, noodzakelijke kosten moet maken, welke niet anderszins voor vergoeding in aanmerking komen. 4.Nadere voorwaarden: de kosten dienen verband te houden met de arbeidsinschakeling dan wel het deelnemen aan een re-integratievoorziening; het college beoordeelt de noodzakelijkheid van de te maken kosten; er is geen voorliggende voorziening voor de kosten, zoals een vergoeding door de werkgever; als het reiskosten betreft, zijn deze in beginsel pas noodzakelijk als de enkele reisafstand per fiets 10 kilometer of meer is. als belanghebbende met het openbaar vervoer reist, berekent het college de vergoeding op basis van kosten openbaar vervoer tweede klasse; als belanghebbende met eigen vervoer reist, dan bedraagt de vergoeding € 0,19 per kilometer; de onkosten waarvoor belanghebbende een vergoeding vraagt, dienen aantoonbaar en verifieerbaar te zijn; als de kosten noodzakelijk zijn, kan het college de kosten vooraf, na overleggen van een pro forma nota, vergoeden; de onkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking als het inkomen van belanghebbende na aftrek van de onkosten hoger is dan 100% van de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. 5.Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Artikel2:20:Kosten voor kinderopvang 1.Definitie: de kosten die belanghebbende maakt voor de opvang van één of meer ten laste komende kinderen, waarvoor geen recht op vergoeding bestaat vanuit voorliggende wetgeving. 2.Doel: het wegnemen van belemmeringen voor inschakeling in het arbeidsproces, dan wel re-integratie, als gevolg van het ontbreken van passende opvang voor een of meer ten laste komende kinderen. 3.Doelgroep: ouders met ten laste komende kinderen, die een re-integratie- of inburgeringstraject volgen. 4.Nadere voorwaarden: de belanghebbende ontvangt een (aanvullende) uitkering op grond van de PW, IOAW of IOAZ; belanghebbende volgt een re-integratietraject of een inburgeringstraject, zoals bedoeld in de Wet Inburgering; 5.Gronden voor beëindiging: onverminderd hetgeen gesteld is in artikel 5 van de Verzamelverordening eindigt de voorziening als er geen ten laste komende kinderen meer thuis wonen. Hoofdstuk3:Verplichtingen Paragraaf3.1:Verplichtingen gericht op re-integratie en arbeidsinschakeling Paragraaf3.1.1:Verplichtingen tijdens de inspanningsperiode Artikel3:1:Plan van Aanpak 1.Indien nodig of bij wet verplicht stelt het college voor belanghebbende een Plan van Aanpak op. 2.Het college stelt het plan van aanpak op, op basis van een screenings- en diagnoseproces van de belanghebbende. 3.In het Plan van Aanpak, zoals bedoeld in artikel 44 vierde lid PW is in ieder geval opgenomen: de uitwerking van de ondersteuning, voor zover van toepassing; de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen. Artikel3:2:Medewerking verlenen aan een oproep Bij de toepassing van artikel 17, tweede lid, PW, verstaat het college onder 'het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling' ook een dergelijke oproep door een begeleider bij een van de begeleidingspartijen. Artikel3:3Uitsluiting op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, PW 1.Geen recht op bijstand heeft een persoon, jonger dan 27 jaar, uit wiens houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 PW niet wil nakomen. Hieronder verstaat het college in ieder geval: de belanghebbende verricht geen sollicitaties tijdens de inspanningsperiode óf verricht geen sollicitaties gedurende de periode van één maand als het een lopende uitkering betreft; de belanghebbende verschijnt meer dan één keer binnen een maand zonder afmelding niet op een afspraak in het kader van een verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, of artikel 55 PW; de belanghebbende is niet bereid deel te nemen aan een re-integratietraject; 2.Als de jongere is vrijgesteld van één van de verplichtingen zoals beschreven onder het eerste lid, dan leidt het niet voldoen vanzelfsprekend niet tot toepassing van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, PW. Paragraaf3.1.2:Scholingsverplichting Artikel3:4:
scholingsverplichting 1.Alle jongeren tot 27 jaar kunnen terug naar school, tenzij het college terugkeer naar school redelijkerwijs niet van een jongere kan verwachten. 2.Het college kan terugkeer naar school redelijkerwijs niet van een jongere verwachten als: het een jongere betreft met een toereikende startkwalificatie, mits de afgeronde opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief biedt; het studieadvies uitwijst dat het voor de jongere niet haalbaar is om terug te gaan naar school; er in de individuele situatie van de jongere zeer bijzondere omstandigheden bestaan die een reële belemmering vormen op terug te gaan naar school. 3.Een jongere kan pas terug naar school vanaf het moment dat de opleidingen ook daadwerkelijk starten. Artikel3:5:Informatieplicht jongere met betrekking tot scholing 1.De jongere die aangeeft niet terug naar school te kunnen, dient met bewijsstukken aan te tonen dat het volgen van een uit 's rijkskas bekostigde opleiding niet mogelijk is. 2.Als de jongere de benodigde bewijsstukken, zoals bedoeld in het eerste lid, niet kan overleggen en dit niet verwijtbaar is, kan het college een medisch- dan wel een arbeidsdeskundig advies inwinnen naar de belemmeringen van de jongere. Paragraaf3.1.3:Ontheffingen, zorgtaken Artikel3:6:Verlenen van ontheffing wegens dringende redenen 1.Het college ontheft een uitkeringsgerechtigde slechts van een of meer verplichtingen zoals genoemd in artikel 9, eerste lid sub a en/of c, PW, artikel 37, eerste lid, IOAW en artikel 37, eerste lid, IOAZ wanneer hiervoor dringende redenen aanwezig zijn. 2.Het college ontheft een uitkeringsgerechtigde van de verplichtingen over de periode waarover de belemmering zich voordoet. 3.Dringende redenen zoals bedoeld in het eerste lid kunnen voortkomen uit zorgtaken, psychische en medische belemmeringen. 4.Dringende redenen zoals bedoeld in het eerste lid, zijn in ieder geval aanwezig wanneer een uitkeringsgerechtigde is opgenomen in een inrichting, zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, PW, of verblijft in een zelfstandige wooneenheid op het terrein van een inrichting. 5.Een ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting om de omstandigheden, die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen, als dit binnen het vermogen van de belanghebbende ligt. Artikel3:7:Ontheffing wegens lichamelijke of psychische belemmering 1.Als een belanghebbende vanwege lichamelijke of psychische belemmering niet aan de verplichtingen kan voldoen, kan het college hem (gedeeltelijke) ontheffing verlenen. 2.Het college ontheft een belanghebbende alleen van die verplichtingen waaraan hij vanwege zijn belemmeringen niet kan voldoen; lichamelijke of psychische belemmering sluiten deelname aan het arbeidsproces vaak niet volledig uit. 3.Bij het afstemmen van de plicht tot arbeidsinschakeling op de individuele omstandigheden van de belanghebbende, kan het college een advies van een arbeids- dan wel medisch deskundige inwinnen. 4.Als het college uit reeds beschikbare (recente) medische gegevens objectief kan vaststellen dat zij een ontheffing al dan niet kan verlenen, dan is een medisch onderzoek overbodig. Artikel3:8:Ontheffing wegens intensieve zorgtaken 1.Het college kan zorgtaken, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, PW, en artikel 37a, eerste lid, IOAW en artikel 37a, eerste lid, IOAZ in bepaalde gevallen als dringende redenen aanmerken op grond waarvan het college een ontheffing kan verlenen. 2.De zorgtaak die het college aanmerkt als dringende reden moet voldoen aan de volgende voorwaarden: de betreffende zorgtaak is niet te combineren met de verplichting tot arbeidsinschakeling; belanghebbende kan voor de zorgtaak geen of slechts een gedeeltelijk een beroep doen op een voorliggende voorziening; het betreft bijzondere zorg voor een zieke of anderszins hulpbehoevende bloed- of aanverwant, en dus niet de reguliere opvoeding of zorg; het college stelt de duur van de ontheffing vast conform hetgeen gesteld in is 3:8, tweede lid, dan wel zoveel korter als dat belanghebbende de zorgtaak verleent. 3.Wanneer het college bij het aanbieden van een voorziening rekening kan houden met de betreffende zorgtaken, beoordeelt het college de zorgtaken voor dat gedeelte niet als dringend. Artikel3:9:Rekening houden met bepaalde zorgtaken 1.Bij de invulling van de arbeidsverplichtingen houdt het college rekening met een verantwoorde invulling van de combinatie werk en zorg. 2.Het college houdt bij het aanbieden van voorzieningen rekening met volgende zorgtaken: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en de noodzaak van het verrichten van mantelzorg. 3.Wanneer het college rekening houdt met de zorgtaak, dan richt het college een voorziening, met name qua tijdsindeling, zodanig in dat belanghebbende deze naast de zorgtaak kan uitvoeren. 4.Het college wijst belanghebbende, als dit van toepassing is, op de aanwezigheid van flankerende voorzieningen. Paragraaf3.2:Verplichtingen gericht op de rechtmatigheid Artikel3:10:Bewijsstukken 1.Een belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor het overleggen van zijn of haar gegevens. 2.Wanneer deze gegevens niet meer in het bezit zijn, moet belanghebbende zorgen voor vervangende exemplaren. 3.Als een belanghebbende geen vervangende exemplaren kan overleggen, beoordeelt het college of dat verwijtbaar is. 4.Als het niet kunnen overleggen van gegevens niet verwijtbaar is, beoordeelt het college de aanvraag aan de hand van de wel aanwezige gegevens. 5.In het kader van de Wet eenmalige uitvraag vraagt het college geen gegevens bij belanghebbende op, die ook vanuit de eigen systemen inzichtelijk zijn. Artikel3:11:Bankafschriften 1.Bij onderzoeken naar de rechtmatigheid vraagt het college in beginsel bankafschriften op over de laatste drie maanden. 2.Het is mogelijk om afschriften op te vragen over een langere periode wanneer daartoe aanleiding bestaat. 3.Het college accepteert deels onleesbaar gemaakte bankafschriften, tenzij de onleesbaar gemaakte gegevens noodzakelijk zijn ter beoordeling van het recht op bijstand. Artikel3:12:Vaststelling van het vermogen 1.Het college stelt bij aanvang van de bijstandsverlening het vermogen vast, conform het bepaalde in artikel 34, eerste en tweede lid, PW. 2.Bij de bepaling van het vermogen laat het college de volgende zaken buiten beschouwing: auto's die ouder zijn dan 9 jaar, tenzij het een auto betreft van een merk zoals opgenomen in Bijlage 2 bij deze beleidsregels; aanhangers en caravans die ouder zijn dan 9 jaar; fietsen, e-bikes, brom- en snorfietsen, brom- of snorscooters, scooters en brommobielen; 3.Bij het bepalen van de waarde hanteren we de dagwaarde (vervanging bij total loss) van de Koerslijst ANWB 4.Bij voertuigen die wel tot het vermogen worden gerekend, hanteren we een vrijlating van € 2.
, voorzieningen ten behoeve van een uitkeringsgerechtigde, voorzieningen ten behoeve van een werkgever, overige voorzieningen. Hieronder volgt de artikelsgewijze toelichting. Paragraaf 2.1:
:1:
:1 geeft aan dat het college de re-integratiemiddelen zo efficiënt mogelijk wil inzetten, om een zo groot mogelijk deel van de doelgroep te kunnen bedienen. Daarbij kan voor iedereen die stappen kan maken richting een betaalde baan een voorziening ingezet worden. De focus ligt hierbij op duurzame (langdurige) uitstroom. Dat mag ook naar een parttime baan zijn. Artikel 2:2: Aanbod van voorzieningen In dit artikel staan voorzieningen opgenomen die het college kan inzetten. Bij de inzet van een voorziening zal het college steeds een afweging maken welke voorziening het meest passend is in de situatie van de belanghebbende. Uitgangspunt is en blijft het leveren van maatwerk. Het betreft daarom geen limitatief overzicht. In hoofdstuk 2 zijn alle individuele voorzieningen opgenomen, die het college kan inzetten in het kader van de re-integratie. De Verzamelverordening bevat al een opsomming van de categorieën waaronder de verschillende voorzieningen vallen. Het betreffen de volgende categorieën: (laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde arbeid; begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van arbeid; ondersteunen bij het zoveel mogelijk wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling, waaronder begeleiding op en aanpassingen van de werkplek en scholing; verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan maatschappelijke participatie; anderszins een voorziening verstrekken in verband met bepaalde specifieke re-integratieactiviteiten, nader te bepalen in de beleidsregels zoals vermeld in lid 3 van de verordening. Ook zijn in de Verzamelverordening de voorwaarden gesteld die gelden bij de aanspraak op en het inzetten van een voorziening. Een van de voorwaarden is opgenomen in artikel 3, vijfde lid. Het betreft de bepaling waarin is geregeld onder welke voorwaarden niet-uitkeringsgerechtigden aanspraak kunnen maken op een voorziening. De criteria zijn gericht op het inkomen, vermogen en de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling van de niet- uitkeringsgerechtigden. Deze bepalingen zoals die zijn opgenomen in artikel 3, vijfde lid, van de Verzamelverordening zijn op een specifieke groep niet van toepassing. Dat is de groep van personen, die structureel niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Hieronder vallen veelal de personen die voorheen recht zouden hebben gehad op een uitkering in het kader van de Wajong. Deze bepaling is opgenomen, zodat deze mensen niet tussen wal en schip vallen wanneer zij bijvoorbeeld een werkende partner hebben. In deze beleidsregels zijn verschillende voorzieningen aangewezen waarop de bedoelde doelgroep ook aanspraak kan maken wanneer zij niet binnen de criteria van artikel 3, vijfde lid, van de Verzamelverordening vallen. We willen hiermee mogelijk maken dat ook mensen met verminderd arbeidsvermogen aan het werk kunnen gaan, ongeacht de hoogte van het gezinsinkomen. In hoofdstuk 2 zijn de individuele voorzieningen benoemd. De voorzieningen die zijn opgenomen betreffen individuele voorzieningen, wat betekent dat het college de noodzaak tot inzetten ervan per individu beoordeelt. De beoordeling voor wat betreft welke voorzieningen het college in een specifiek geval inzet, vindt veelal plaats in overleg met de werkgever die zijn bedrijf open stelt voor personen die behoren tot de doelgroep re-integratie. In bepaalde gevallen zal het nodig zijn om niet één voorziening maar een samengesteld pakket van voorzieningen in te zetten. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand aan de slag gaat met behulp van loonkostensubsidie; niet zelden zal dan ook (tijdelijk) een jobcoach noodzakelijk zijn, om te zorgen dat de werknemer zijn werk goed kan uitvoeren. In voorkomende gevallen zal de werkgever niet een enkele werknemer nodig hebben, maar zal hij geïnteresseerd zijn in een groep werknemers. In dat geval zal de klantmanager in gesprek gaan met de werkgever om een arrangement samen te stellen. Op deze manier is het mogelijk meerdere personen tegelijk te plaatsen bij de werkgever. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van de inzet van een scholingsbudget, zodat de werkgever nieuwe werknemers kan trainen of opleiden voor de functie waarin zij gaan starten. Artikel 2:3: Instelling budgetplafonds Het college streeft ernaar de middelen uit het Participatiebudget zo efficiënt mogelijk in te zetten. Daarnaast wil het college met de beschikbare middelen een zo groot mogelijk groep belanghebbenden bedienen. Dit doet het college door het stellen van prioriteiten (artikel 2:4) en het inzetten van budgetplafonds. Hiermee probeert het college te voorkomen dat we de beschikbare ruimte in het Participatiebudget overschrijden. Het college kan budgetplafonds instellen voor alle in deze beleidsregels genoemde voorzieningen, met uitzondering van het instrument loonkostensubsidie. Het instellen van een budgetplafond voor loonkostensubsidie is niet mogelijk, dit is geregeld in de wet. Als blijkt dat we voor een bepaalde voorziening het budgetplafond naderen, terwijl er voor een andere voorziening nog nauwelijks middelen zijn ingezet, kan het college de budgetplafonds tussentijds wijzigen. In de praktijk kan het gebeuren dat het budgetplafond van het kalenderjaar bereikt is en het college om die reden een voorziening zal weigeren. Het college verleent de domeinmanagers sociaal domein mandaat om de hoogte van de budgetplafonds vast te stellen. Bij de vaststelling van het budgetplafond houden zij rekening met de beschikbare ruimte binnen het participatiebudget, zodat het college het participatiebudget als geheel niet overschrijdt. Daarnaast houdt de backoffice sociaal domein ten behoeve van de klantmanagers een overzicht bij van de uitgaven en verplichtingen die in het lopende kalenderjaar zijn geboekt op het participatiebudget. Hierdoor kan het college waar nodig ingrijpen als de uitvoering sociaal domein de besteedbare ruimte in het participatiebudget dreigt te overschrijden. Artikel 2:4: Prioriteiten op het gebied van re-integratie Doel van het stellen van prioriteiten is om te bewerkstelligen de beschikbare middelen uit het Participatiebudget zo efficiënt mogelijk in te zetten. Afhankelijk van de ontwikkelingen op landelijk en op regionaal niveau, kan aanpassing van de prioriteiten nodig zijn. Jaarlijks bepalen de teamleiders uitvoering samen met de beleidsmedewerker(s) participatiewet in overleg met de wethouder welke inzet in dat jaar prioriteit krijgt. Dit wordt ter kennisname gedeeld met de adviesraden sociaal domein/cliëntenraad. Artikel 2:5: Indeling op de participatieladder De participatieladder is een meetinstrument waarmee je kunt vaststellen in hoeverre een klant meedoet in de samenleving. De ladder is onderverdeeld in zes treden: van sociaal geïsoleerd tot werkend zonder ondersteuning. Door dit periodiek te meten is zichtbaar te maken of de mate van participatie is verhoogd. Hiermee maken we de resultaten van het participatiebeleid transparant. De participatieladder is ontwikkeld om twee redenen: het spreken van één taal: de participatieladder is ontwikkeld voor en door gemeenten. Dankzij de participatieladder kunnen de gemeenten over de drie beleidsonderdelen (re-integratie, inburgering en educatie) in één taal spreken; er ontstaat inzicht in klanten en effecten: de participatieladder meet niet alleen hoeveel mensen er in slagen betaald werk te vinden, maar ook andere resultaten. Zoals werk met behoud van uitkering, vrijwilligerswerk, het volgen van een cursus enzovoort. Klantmanagers krijgen hierdoor een duidelijk beeld van hun caseload en kunnen vorderingen van hun klanten eenvoudig bijhouden. De doelstellingen van de participatieladder zijn vierledig: ten aanzien van de klantmanagers: een heldere focus op participatie (als hoofddoel) met inzet van voorzieningen op het gebied van re-integratie, inburgering en educatie (als middel); alle klanten beter in beeld en realisatie van een adequate aanpak (op maat); er ontstaat inzicht in de resultaten van trajecten en diensten op klantniveau in termen van beweging of stabilisatie op de lader; ondersteunend aan het integraal werken, de goede taal en visie op de ontwikkeling van de klant; het ondersteunt de collegiale intervisie. ten aanzien van het beleid: de witte vlekken in het gebruik van het aanbod zijn in beeld; het is een basis voor nieuwe samenwerkingsafspraken met partners op het gebied van werk, inkomen, inburgering, educatie en zorg; het is mogelijk een integraal participatiebeleid te formuleren; input voor de beleidsontwikkeling en het inkoopbeleid; er is een nauwe relatie met de Verzamelverordening, onderdeel re-integratie. ten aanzien van de verantwoording: met de participatieladder is het mogelijk rapportages aan de leidinggevende, het college en de gemeenteraad te genereren; de participatieladder is een basis voor het aantonen van effecten van de inzet van instrumenten. ten aanzien van de automatisering: de participatieladder is afgestemd op de re-integratiepositie Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG). De participatieladder bestaat in totaal uit zes niveaus: Trede 6: betaald werk; Trede 5: betaald werk met ondersteuning; Trede 4: onbetaald werk; Trede 3: deelname aan georganiseerde activiteiten zoals een cursus of een vereniging; Trede 2: alleen sociale contacten buitenshuis (dus geen werk of activering); Trede 1: geïsoleerd levend. De participatieladder is verdeeld in twee delen: trede één tot en met vier voor mensen zonder arbeidscontract en trede vijf en zes voor iedereen met een arbeidscontract met als hoogste trede regulier werk zonder ondersteuning. Elk participatieniveau kent een precieze afbakening. Aan de hand van een aantal vragen bepaalt het college op welke trede zij de belanghebbende indeelt. Dit gebeurt door de klantmanager, op basis van gesprekken met belanghebbende. Naast het bepalen van de trede legt het college een aantal klantkenmerken vast. Gemeenten zijn vrij om, naast deze basisset, aanvullende kenmerken op te nemen. Bij ieder periodiek heronderzoek, of eerder als daartoe aanleiding bestaat, legt het college vast op welk niveau van de participatieladder iemand zich bevindt. Daarbij beoordeelt het college ook direct of dat het maximaal haalbare niveau is, of dat de persoon in kwestie nog kan stijgen op de participatieladder. Paragraaf 2.2: Voorzieningen ten behoeve van een uitkeringsgerechtigde De doelstelling van de PW is om zo veel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Daarnaast is de PW bedoeld om de kansen op arbeidsparticipatie van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt of een arbeidsbeperking op de lange termijn te verbeteren. Gemeenten krijgen met de PW de ruimte om zelf, op lokaal niveau, te bepalen of zij ondersteuning aanbieden en zo ja, welke ondersteuning. De PW biedt gemeenten de mogelijkheid om zowel bestaande als nieuwe re-integratievoorzieningen in te zetten. In de paragraaf voorzieningen zijn alle voorzieningen opgenomen, die het college kan inzetten in het kader van de re-integratie. Deze voorzieningen zijn onderverdeeld in drie categorieën: voorzieningen ten behoeve van een uitkeringsgerechtigde (paragraaf 2.2); voorzieningen ten behoeve van een werkgever (paragraaf 2.3); overige voorzieningen (paragraaf 2.4). In de Verzamelverordening zijn de voorwaarden gesteld die gelden bij de aanspraak op en het inzetten van een van een voorziening. Eén van de voorwaarden is opgenomen in artikel 3, vijfde lid, van de Verzamelverordening. Het gaat om de bepaling waarin is geregeld onder welke voorwaarden nuggers aanspraak kunnen maken op een voorziening. Deze criteria zijn gericht op het inkomen, het vermogen en de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling van de nuggers. Voor personen, die zijn opgenomen in het Doelgroepenregister Wet banenafspraak, gelden deze restricties niet. De voorzieningen die in deze paragraaf zijn benoemd, zijn individuele voorzieningen. De klantmanager beoordeelt welke voorziening we inzetten voor een bepaalde belanghebbende. De noodzaak van het inzetten van een voorziening is maatwerk; de klantmanager beoordeelt dit per individu. De beoordeling voor wat betreft welke voorziening we in een specifiek geval inzetten, vindt veelal plaats met de werkgever die zijn bedrijf openstelt voor belanghebbenden, die behoren tot de doelgroep re-integratie. In voorkomende gevallen zal het nodig zijn om niet één voorziening in te zetten, maar een samengesteld pakket van voorzieningen. Ook in deze gevallen leveren we maatwerk. In het geval een werkgever niet één werknemer, maar een aantal werknemers nodig heeft, kan het college een arrangement samenstellen. Op deze manier is het mogelijk meerdere personen tegelijk te plaatsen bij een werkgever. Ook de samenstelling van het arrangement is maatwerk. Artikel 2:6: Bemiddeling naar werk Voorheen zetten we de voorziening 'bemiddeling naar werk' enkel in bij belanghebbenden waarbij geen feitelijke belemmeringen meer aanwezig waren voor het verkrijgen en behouden van betaalde arbeid. De voorziening is bedoeld om belanghebbenden de noodzakelijk geachte ondersteuning te bieden bij het solliciteren, om hen te matchen en te bemiddelen op vacatures. Met de invoering van de PW bestaan er uitgebreidere mogelijkheden om personen met een arbeidshandicap te ondersteunen richting werk. In veel gevallen zal de voorziening 'bemiddeling naar werk' dan ook niet op zichzelf staan, maar zullen we bij een eventuele plaatsing een andere voorziening, zoals opgenomen in deze beleidsregels, inzetten. Dit maakt dat deze voorziening, anders dan voorheen, open staat voor een grotere doelgroep. Iemand die weliswaar een arbeidshandicap heeft maar die met bijvoorbeeld de inzet van loonkostensubsidie inzetbaar is bij een werkgever, is namelijk ook een kandidaat voor bemiddeling naar werk. Artikel 2:7: Bemiddeling naar maatschappelijke participatie We bemiddelen belanghebbenden bij voorkeur naar betaald werk. Maar voor sommige belanghebbenden is bemiddeling naar betaald werk niet haalbaar. In dat geval kan de klantmanager een belanghebbende ook bemiddelen naar maatschappelijke participatie, zoals vrijwilligerswerk, zorg of hulpverlening. De klantmanager beschikt over een breed, actueel netwerk en onderhoudt goede relaties met maatschappelijke instanties in de gemeente. Hierdoor is de klantmanager in staat om te zorgen voor een goede aansluiting tussen de belanghebbende en de organisatie of plaats waar de belanghebbende (bijvoorbeeld) vrijwilligerswerk gaat uitvoeren. De gemeente moedigt zijn inwoners aan om zich in te zetten voor de maatschappij. Daarom geeft het college bij voorbaat toestemming aan belanghebbenden die vrijwilligerswerk (gaan) verrichten. Enige voorwaarde hierbij is dat het vrijwilligerswerk geen belemmering mag vormen voor het verkrijgen en behouden van arbeid in dienstbetrekking. In de meeste gevallen heeft de belanghebbende de afspraken met de organisatie waar hij vrijwilligerswerk verricht of gaat verrichten, vastgelegd in een overeenkomst. In deze gevallen vraagt het college de belanghebbende de overeenkomst in te leveren. Het college voegt deze overeenkomst ter volledigheid toe aan het dossier. Soms ontvangt een belanghebbende een (onkosten)vergoeding voor het verlenen van vrijwilligerswerk. Op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel k, PW, laten we deze (onkosten)vergoeding vrij voor belanghebbenden, ouder dan 27 jaar. Belanghebbenden, jonger dan 27 jaar, hebben geen recht op vrijlating van de vergoeding voor vrijwilligerswerk (artikel 31, vijfde lid, PW). Artikel 2:8: Scholing In het tweede lid kan taalonderwijs behoren tot de kennis en vaardigheden die bijgebracht moeten worden om arbeidsinschakeling mogelijk te maken. In het vierde lid, onderdeel a, is opgenomen dat we de voorziening 'scholing' kunnen inzetten in verschillende situaties. We kunnen scholing inzetten als deze: verband houdt met een baangarantie; of gezien de arbeidsmarktsituatie een significante vergroting vormt van de kans op een baan; of deel uitmaakt van een arrangement dat het college heeft gesloten met de werkgever; of als het college daartoe op grond van de wet gehouden is. Scholing kan een zeer kostbaar instrument zijn om in te zetten. Daarom moet er een gedegen beoordeling plaatsvinden, waarin het college beziet of scholing in een individueel geval wel het meest doelmatige en doeltreffende instrument is. Van groot belang is dat de kosten, die met de scholing verband houden, in verhouding staan tot de beoogde uitkeringsafhankelijkheid van de belanghebbende. Vandaar dat er in beginsel altijd een verband moet bestaan tussen de inzet van de scholing en het (gedeeltelijk) uitstromen van een belanghebbende. Het college is echter op grond van artikel 9a tiende lid, en artikel 10a, vijfde lid, van de PW, artikel 38, tiende lid, IOAW/IOAZ, en artikel 38a IOAW/IOAZ, gehouden om scholing aan te bieden wanneer dit geen directe arbeidsinschakeling tot gevolg heeft. Dit is het geval bij alleenstaande ouders met een ontheffing en personen die werkzaamheden in het kader van een participatieplaats verrichten. Als alleenstaande ouders, die op grond van artikel 9a PW (artikel 38 IOAW/IOAZ) zijn ontheven van de arbeidsverplichting, en als personen die werkzaamheden verrichten in het kader van een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikken, dient het college aan deze personen scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.