Verordening van Provinciale Staten van de provincie Groningen houdende regels omtrent ruimtelijke ordening (Omgevingsverordening Provincie Groningen 2016)Omgevingsverordening Provincie Groningen 2016 Gedeputeerde Staten van Groningen maken bekend dat Provinciale Staten in hun vergadering van 1 juni 2016, nr. 3c, zaaknummer (GS 626402) de Omgevingsverordening Provincie Groningen 2016 hebben vastgesteld. De tekst van de Omgevingsverordening Provincie Groningen 2016 luidt als volgt: Omgevingsverordening Provincie Groningen 2016 Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1 Voor zover in deze verordening geen begripsomschrijving is opgenomen, hebben de begrippen van de verordening de betekenis die zij ook hebben in de wetten en andere wettelijke voorschriften die regelingen bevatten met hetzelfde onderwerp als deze verordening. Als in de wetten of de wettelijke voorschriften een begripsbepaling ontbreekt, wordt bij de uitleg van een begrip aangesloten bij hetgeen daaronder naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan. 2 Onder Gedeputeerde Staten wordt tevens verstaan het gezag dat op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de plaats van Gedeputeerde Staten treedt. Artikel 1.2 Ontheffing 1 Voor zover in deze verordening niet anders is bepaald, kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing van de voorschriften, geboden en verboden van deze verordening verlenen. 2 Een ontheffing wordt geweigerd als door het stellen van beperkingen of voorschriften niet voldoende kan worden tegemoet gekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd. Artikel 1.3 Beslistermijn (lex silencio positivo) 1 Tenzij anders is bepaald, beslissen Gedeputeerde Staten op een aanvraag voor een ontheffing of vergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2 Gedeputeerde Staten kunnen de termijn genoemd in het eerste lid met ten hoogste acht weken verdagen. 3 Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op een aanvraag tot het geven van een beschikking op grond van deze verordening, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Artikel 1.4 Wijziging en intrekking van een ontheffing of vergunning Een ontheffing en vergunning kan in ieder geval worden gewijzigd of ingetrokken als: het gebruik maken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend; de houder van de ontheffing of vergunning handelt in strijd met de voorschriften die aan de ontheffing of vergunning zijn verbonden of de bij de ontheffing of vergunning opgelegde verplichtingen niet nakomt; geen gebruik is gemaakt van de ontheffing of vergunning binnen een in deze verordening genoemde termijn. Als geen termijn is bepaald geldt dat gebruik moet worden gemaakt van de ontheffing of vergunning binnen een termijn van drie jaar of binnen een kortere termijn wanneer dat in het besluit is voorzien; ter verkrijging van de vergunning of ontheffing onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de houder dit verzoekt. Artikel 1.5 Digitale bekendmaking Bekendmakingen op grond van deze verordening of op grond van wetten krachtens welke deze verordening is vastgesteld, kunnen met uitsluiting van bekendmaking op andere wijze via elektronische weg geschieden, indien Gedeputeerde Staten daartoe besluiten. Hoofdstuk 2 Ruimtelijke ordening Titel 2.1 Algemeen Artikel 2.1 Begripsbepalingen In deze titel en de daarop berustende regels wordt verstaan onder: bestaand gebruik: gebruik van grond en bebouwing dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening bestond, met uitzondering van gebruik dat op dat tijdstip in strijd was met het geldende bestemmingsplan of de geldende beheersverordening, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan of van de geldende beheersverordening; bestaande bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouw- of omgevingsvergunning, met uitzondering van bebouwing die gebouwd is zonder bouw- of omgevingsvergunning en in strijd is met het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan, of de geldende beheersverordening, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan of van de geldende beheersverordening; kleine windturbine: een installatie of bouwwerk voor het opwekken van energie uit wind: met een horizontale as en een rotor die een oppervlakte beschrijft van maximaal 40 m²; met een horizontale as in andere vormen dan twee of drie wieken, waaronder de zogenaamde niet-wiekturbines; met een verticale as van maximaal 10 meter. Artikel 2.2 Toepasselijkheid 1 De regels van dit hoofdstuk over de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening zijn, voor zover elders in dit hoofdstuk niet anders is bepaald, van overeenkomstige toepassing op: beheersverordeningen als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening; omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken; wijzigings- of uitwerkingsplannen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de Wet ruimtelijke ordening; projectuitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet; omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken, voor zover het betreft artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht: onder 3; onder 9, behoudens het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de gebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, uitsluitend voor zover het betreft de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen buiten het bestaand stedelijk gebied; onder 11, voor zover het betreft het gebruik van gronden voor een zonnepark. 2 In afwijking van het eerste lid zijn de regels over de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, niet van toepassing: voor zover het bestemmingsplan betrekking heeft op een militair terrein en de regels over de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen leiden tot beperkingen voor de functionele bruikbaarheid van het militair terrein; op een door Gedeputeerde Staten op basis van artikel 3.1 van het Besluit omgevingsrecht verleende omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening ten behoeve van een project van provinciaal belang. Artikel 2.3 Bestaande rechten De regels van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op een bestemmingsplan dat bestemmingen en regels bevat die afwijken van deze verordening ten behoeve van: het vastleggen van bestaande bebouwing en bestaand gebruik; ontwikkelingen waarvoor Gedeputeerde Staten ontheffing of een verklaring van geen bedenkingen hebben verleend op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze verordening of waarmee Gedeputeerde Staten anderszins schriftelijk hebben ingestemd. Artikel 2.4 Wijze van meten 1 Bij de toepassing van de regels van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten: de bouwhoogte van een reclame- of een antennemast: vanaf het hoogste punt van het bouwwerk tot aan het aansluitende afgewerkte terrein, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein gemeten wordt vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994; de ashoogte van een windturbine: vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein gemeten wordt vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994; de wieklengte van een windturbine: de afstand tussen de uiterste punt van een wiek en de naaf. 2 In afwijking van het eerste lid, onder b, is de daar beschreven wijze van meten niet van toepassing op een kleine windturbine op daken van gebouwen binnen het bestaand stedelijk gebied. Artikel 2.5 Ontheffingen en verklaringen van geen bedenkingen 1 Alleen de colleges van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente kunnen een ontheffing aanvragen van de regels in titel 2.2 tot en met 2.13 of een verklaring van geen bedenkingen voor het verlenen van een omgevingsvergunning die in strijd is met de rechtstreeks werkende regels in titel 2.2 tot en met 2.13. 2 Ontheffing van de regels in titel 2.2 tot en met 2.13 kan uitsluitend worden verleend voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. 3 Aan de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, kunnen voorschriften worden verbonden als de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. 4 In afwijking van artikel 1.3, derde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een verzoek om ontheffing of op een verzoek tot het verlenen van een verklaring van geen bedenkingen. Artikel 2.6 Termijn voor aanpassing van geldende bestemmingsplannen 1 Voor zover er voor een gebied geen bestemmingsplan van kracht is, wordt voor dat gebied uiterlijk op 30 december 2018 een bestemmingsplan vastgesteld dat in overeenstemming is met de in dit hoofdstuk gestelde regels. 2 In afwijking van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening moet een bestemmingsplan voor zover dat voorziet in een niet op de verbeelding aangewezen agrarisch bouwperceel uiterlijk op 30 december 2017, in overeenstemming worden gebracht met artikel 2.26.1. 3. In afwijking van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening moet een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het aardbevingsgebied, bedoeld in artikel 2.7, onder a, of op het buitengebied van de niet binnen het aardbevingsgebied gelegen gemeenten, uiterlijk op 15 juli 2019 in overeenstemming met artikel 2.9.1 worden gebracht. Titel 2.2 Zorg voor ruimtelijke kwaliteit Artikel 2.7 Begripsbepalingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: aardbevingsgebied: het op kaart 11 aangegeven gebied. bestaand stedelijk gebied: gebied dat geen deel uitmaakt van het op kaart 1 aangeduide buitengebied; beeldbepalende gebouwen: gebouwen die op grond van hun ruimtelijk relevante kenmerken bijdragen aan de visuele belevingswaarde van het landschap buitengebied: gebieden aangegeven op kaart 1; deskundige: de gemeentelijke monumentencommissie, een onafhankelijke deskundige op het gebied van cultuurhistorie, of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van cultuurhistorie die voldoet aan de kwaliteitscriteria uit de gemeentelijke Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht; karakteristieke gebouwen: gebouwen die van cultuurhistorische waarde zijn op grond van karakteristieke hoofdvorm, architectuur, landschappelijke en/of stedenbouwkundige situering, bijdrage aan de herkenbaarheid van de omgeving, gaafheid of zeldzaamheid; karakteristieke hoofdvorm: ruimtelijke verschijningsvorm van een gebouw zoals die wordt bepaald door bouwmassa naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen, dakvorm, nokrichting, dakoverstekken, goothoogte, daklijsten en schoorstenen, erkers en balkons. gewoon onderhoud en herstel: activiteiten die gericht zijn op het behoud van een bouwwerk waarbij vormgeving, detaillering en profilering niet wijzigen. voorziening: bouwkundige of bouwtechnische maatregel aan een gebouw die strekt tot verbetering van de gebruiksfunctie, waaronder begrepen de daarbij noodzakelijke opheffing van gebreken aan de constructieve veiligheid. Artikel 2.8 Inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen De toelichting op een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied, biedt afhankelijk van en evenredig aan de aard, omvang en ruimtelijke gevolgen van een ruimtelijke ontwikkeling, inzicht in: de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied; de bestaande stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van het gebied; de inpassing van de met het plan mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkelingen in de directe en in de wijdere omgeving; de maatregelen die nodig worden geacht om eventuele aantasting van kwaliteiten en waarden binnen of buiten het plangebied als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling te salderen of te compenseren; de bijdrage die de met het plan mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkeling kan leveren aan de bestaande of nieuwe kwaliteiten en waarden. Afdeling 2.1 Beeldbepalende en/of karakteristieke gebouwen Artikel 2.9.1 Bescherming beeldbepalende en/of karakteristieke gebouwen 1.Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het aardbevingsgebied en een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied gelegen buiten het aardbevingsgebied, stelt regels ter bescherming van de hoofdvorm van de karakteristieke en beeldbepalende gebouwen. 2. De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in ieder geval een verbod om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een karakteristiek gebouw geheel of gedeeltelijk te slopen. 3. Het in het tweede lid bedoelde vergunningstelsel bevat in ieder geval een toetsingscriterium op grond waarvan een omgevingsvergunning niet kan worden verleend zonder dat is onderzocht of zinvol hergebruik van het gebouw overeenkomstig de geldende bestemming of een andere, uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, passende functie objectief gezien mogelijk is al dan niet na het treffen van voorzieningen aan het gebouw. 4. Het tweede lid is niet van toepassing voor zover het sloop betreft: ten behoeve van gewoon onderhoud en herstel; van inpandige delen van een gebouw; ten behoeve van het uitvoeren van destructief onderzoek; die noodzakelijk is ter voorkoming van instortingsgevaar en daarbij sprake is van een acute bedreiging van de veiligheid van personen of beschadiging van omliggende bebouwing en andere maatregelen het instortingsgevaar niet kunnen voorkomen; of van gebouwen die op grond van de Erfgoedwet of gemeentelijke erfgoedverordening zijn beschermd. Artikel 2.9.2 Rechtstreeks werkende regel aardbevingsgebied 1. Tot het tijdstip dat het bestemmingsplan in overeenstemming is gebracht met artikel 2.9.1 of bij het ontbreken van een bestemmingsplan, is het verboden om een gebouw dat gelegen is binnen het aardbevingsgebied geheel of gedeeltelijk te slopen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het sloop betreft: ten behoeve van gewoon onderhoud en herstel; van inpandige delen van een gebouw; ten behoeve van het uitvoeren van destructief onderzoek; die noodzakelijk is ter voorkoming van instortingsgevaar en daarbij sprake is van een acute bedreiging van de veiligheid van personen of beschadiging van omliggende bebouwing en andere maatregelen het instortingsgevaar niet kunnen voorkomen; van rijksmonumenten die op grond van de Erfgoedwet of van gemeentelijke monumenten die op grond van de gemeentelijke erfgoedverordening zijn beschermd. van een gebouw dat volgens een in het kader van artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening verricht onderzoek of - vooruit lopend daarop - een advies van een deskundige niet karakteristiek is; van een gedeelte van een karakteristiek gebouw waarbij de karakteristieke hoofdvorm volgens het advies van een deskundige niet onevenredig wordt aangetast. 3. In afwijking van het eerste lid kan voor het geheel of gedeeltelijk slopen van een karakteristiek gebouw - met toepassing van artikel 2.12, aanhef en eerste lid, onder c, gelezen in samenhang met artikel 2.27 van de Wabo en artikel 6.6. van het Bor - een omgevingsvergunning worden verleend als deugdelijk wordt onderbouwd dat vergunningverlening in overeenstemming is met de in voorbereiding zijnde bestemmingsplanregels als bedoeld in artikel 2.9.1. Afdeling 2.2 Reclamemasten Artikel 2.10.1 Beperking hoogte reclamemasten Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied kan voorzien in de mogelijkheid tot het oprichten van een reclamemast, als deze laatste niet hoger is dan zes meter. Artikel 2.10.2 Rechtstreeks werkende regel Tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan in overeenstemming is gebracht met artikel 2.10.1, of bij het ontbreken van een bestemmingsplan, is het verboden om een reclamemast hoger dan zes meter op te richten in het buitengebied. Titel 2.3 Bundeling van verstedelijking Artikel 2.11 Begripsbepalingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bebouwingslint: een lijnvormige verzameling van gebouwen, gesitueerd op meerdere bouwpercelen, langs een weg of vaart in het buitengebied met kleine afstanden tussen de bouwkavels; bestaand stedelijk gebied: gebied dat geen deel uitmaakt van het op kaart 1 aangeduide buitengebied; bestaand niet-agrarisch bedrijf: een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig bedrijf dat niet is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, inclusief houtteelt, of het houden van dieren; bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels van een bestemmingsplan of van een beheersverordening zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan; bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; buitengebied: gebied aangegeven op kaart 1; bijbehorende bouwwerken: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak; detailhandel: bedrijfsmatig te koop aanbieden en uitstallen van goederen met het oog op de verkoop voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan als een niet zelfstandig onderdeel van ondergeschikte aard van de hoofdfunctie; erfinrichtingsplan: een plan waarin met toepassing van de maatwerkmethode in overleg met de betrokken belanghebbende de omvang, situering, ruimtelijke inrichting en de landschappelijke inpassing van een project binnen een plangebied zijn vastgelegd; gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; hoofdgebouw: een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; karakteristieke gebouwen: gebouwen die van cultuurhistorische waarde zijn op grond van karakteristieke hoofdvorm, architectuur, landschappelijke en/of stedenbouwkundige situering, bijdrage aan de herkenbaarheid van de omgeving, gaafheid of zeldzaamheid; kleinschalig kamperen: kamperen in de vorm van recreatief medegebruik op gronden met een andere hoofdfunctie voor maximaal 25 tenten, vouwwagens, campers, toercaravans of huifkarren; maatwerkmethode: methode van overleg via keukentafelgesprekken met als doel overeenstemming te bereiken over omvang, situering en inrichting van een project binnen een plangebied; nieuwe stedelijke ontwikkeling: een ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan nieuw planologisch beslag op de ruimte door middel van uitbreiding van bouwmogelijkheden of wijziging van gebruiksmogelijkheden van substantiële aard en omvang ten behoeve van: niet-agrarische bedrijven, woningen, kantoren; voorzieningen voor de uitoefening van detailhandel, zaalsport en vrijetijdsbesteding, dienstverlening, horeca; instellingen voor onderwijs, zorg, cultuur, of bestuur; andere stedelijke voorzieningen;. vervangende nieuwbouw: het vervangen van een op hetzelfde perceel aanwezig bestaand gebouw voor een gebouw van gelijke aard, omvang en karakter;. voorwaardelijke verplichting: regel in het bestemmingsplan die bepaalt dat het gebruik van gronden en bouwwerken slechts is toegestaan als maatregelen en/of voorzieningen zijn getroffen en in stand worden gehouden; vrijgekomen gebouwen: gebouwen die blijvend zijn of worden onttrokken aan het gebruik waarvoor ze oorspronkelijk zijn opgericht en/of zijn bestemd. Artikel 2.12 Begrenzing buitengebied Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot wijziging van de op kaart 1 aangeduide grens van het buitengebied: voor een stedelijke ontwikkeling die vanwege de specifieke aard en omvang (thematisering) ervan niet aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied kan worden ingepast; om de grens aan te passen aan een in een bestemmingsplan vastgelegde stedelijke ontwikkeling. Afdeling 2.3 Niet-functioneel aan het buitengebied gebonden functies, zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Artikel 2.13.1 Nieuwvestiging of uitbreiding van niet-functioneel aan het buitengebied gebonden functies 1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied bevat geen bestemmingen die voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 2 Het eerste lid is niet van toepassing: op een stedelijke ontwikkeling die aansluit op het bestaand stedelijk gebied, op voorwaarde dat in de plantoelichting is aangetoond dat voor deze ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied geen ruimte beschikbaar is of na intensivering, revitalisering en herstructurering kan worden verkregen; of als de ontwikkeling betreft: wetenschappelijk onderzoek door middel van het clustergewijs plaatsen van antennes en/of sensoren tot een hoogte van maximaal 3 meter; het winnen en opslaan van water, grondwater of delfstoffen; voorzieningen voor sport al dan niet in combinatie met bijbehorende voorzieningen op het gebied van cultuur, educatie, kinderopvang, verenigingsleven voor zover gesitueerd op, of aangrenzend aan een reeds bestaand sportcomplex; voorzieningen voor openbaar nut; gebouwen en bouwwerken voor terreinonderhoud en ondergeschikte ondersteunende functies op, of aangrenzend aan een openbaar toegankelijk park of begraafplaats; het plaatsen van meetvoorzieningen, waaronder de oprichting van maximaal zes meetmasten voor certificering van offshore en onshore testturbines en wetenschappelijk onderzoek, in het gebied dat op kaart 5 is aangeduid als 'testveld prototype offshore testturbines' en 'testveld onderzoekturbines'; het gebruik van gronden voor de opvang van asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen; het plaatsen van voorzieningen voor onderzoek naar de opwekking van energie door middel van zweefvliegtuigen, binnen een gebied dat Gedeputeerde Staten hebben aangewezen als ‘Onderzoeksgebied opwekking energie door middel van zweefvliegtuigen’; kleinschalig kamperen; paardenbakken voor hobbymatig gebruik. Artikel 2.13.2 Gebruik vrijgekomen gebouwen in het buitengebied In afwijking van artikel 2.13.1 kan een bestemmingsplan voorzien in hergebruik van vrijgekomen gebouwen voor een andere functie, op voorwaarde dat daarbij regels worden gesteld aan het gebruik van de vrijgekomen gebouwen en het daarbij behorende erf die er in ieder geval toe strekken dat: de functie wonen slechts is toegestaan: in het hoofdgebouw; in een bij het hoofdgebouw behorend karakteristiek gebouw; mits het toevoegen van nieuwe woningen past in een woonvisie als bedoeld in artikel 2.15.1; bedrijfsactiviteiten beperkt blijven tot activiteiten die naar aard en omvang ruimtelijk, milieu hygiënisch en verkeerskundig inpasbaar zijn; de mogelijkheid van opslag van materialen en goederen op het erf wordt beperkt; de mogelijkheid voor het uitoefenen van detailhandel wordt beperkt. Artikel 2.13.3 Bouw- en verbouwmogelijkheden vrijgekomen gebouwen in het buitengebied 1Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op vrijgekomen gebouwen in het buitengebied voorziet niet in: het vergroten van gebouwen; het oprichten van nieuwe gebouwen, anders dan vervangende nieuwbouw. 2In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in: de mogelijkheid tot het vergroten van vrijgekomen gebouwen, als ten minste in de planregeling voorwaarden zijn opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als: de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen, , met niet meer dan 20% kan toenemen; en de ruimtelijk relevante kenmerken van de gebouwen passen in het aanwezige bebouwingsbeeld. de mogelijkheid tot het vergroten van vrijgekomen gebouwen met een grotere oppervlakte dan 20% van de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen, als ten minste in de planregeling voorwaarden zijn opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als: voor deze uitbreiding de maatwerkmethode is gevolgd onder begeleiding van een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur, waarbij rekening wordt gehouden met: de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur; de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande gebouwen; een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de gebouwen; het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en het aspect nachtelijke lichtuitstraling. de mogelijkheid om een of meer nieuwe, bijbehorende gebouwen op te richten, als tenminste in de planregeling voorwaarden zijn opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als: de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen, , met niet meer dan 20% kan toenemen; en de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe gebouwen passen in het aanwezige bebouwingsbeeld. de mogelijkheid om een of meer nieuwe, bijbehorende gebouwen op te richten met een grotere oppervlakte dan 20% van de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen , als tenminste in de planregeling voorwaarden zijn opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als voor deze uitbreiding de maatwerkmethode is gevolgd onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur, waarbij rekening wordt gehouden met: de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur; de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande gebouwen; een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de gebouwen; het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en het aspect nachtelijke lichtuitstraling. Artikel 2.13.4 Ruimte-voor-Ruimte-regeling In afwijking van artikel 2.13.3 kan een bestemmingsplan voorzien in: de mogelijkheid om een nieuwe woning te bouwen op een perceel waarop reeds een woning aanwezig is, mits: de nieuwe woning de woning vervangt die vanwege de bouwkundige staat, oppervlakte of inwendige vorm niet geschikt is of redelijkerwijs niet geschikt kan worden gemaakt voor een wijze van gebruik die voldoet aan de geldende bouwkundige voorschriften of aan hedendaagse eisen op het gebied van wooncomfort; de bestaande woning wordt gesloopt alsmede de bijbehorende bouwwerken voor zover deze in visueel landschappelijk opzicht niet bij de nieuwe woning passen; de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe bebouwing passen in het voor het betrokken gebied kenmerkende bebouwingsbeeld; de gezamenlijke oppervlakte van een woning en bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 300 m2, tenzij voor de ruimtelijke inpassing van de nieuwe bebouwing een grotere oppervlakte noodzakelijk is in welk geval deze oppervlakte niet meer bedraagt dan die van de te slopen bebouwing als bedoeld in het tweede lid.; over de ruimtelijke inpassing van de nieuwe bebouwing advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; de mogelijkheid om een woning te bouwen ter compensatie van de afbraak van 750 m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of beeldbepalende bebouwing of de mogelijkheid om twee woningen op te richten ter compensatie van de afbraak van 2000 m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of beeldbepalende bebouwing, mits: het toevoegen van nieuwe woningen past in een woonvisie als bedoeld in artikel 2.15.1; de nieuw te bouwen woning of woningen wordt/worden gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, tenzij gemotiveerd wordt dat het bouwen van (een) woning(
- en)op deze locatie uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is in welk geval op een andere locatie (een) woning(
- en)mag/mogen worden gebouwd; de ruimtelijke kwaliteit door de sloop en vervangende nieuwbouw verbetert; de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe bebouwing en de erfinrichting passen in het landschapsbeeld; de gezamenlijke oppervlakte van een woning en de bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 300 m2:, tenzij voor de ruimtelijke inpassing van de nieuwe bebouwing een grotere oppervlakte noodzakelijk is in welk geval deze oppervlakte niet meer bedraagt dan die van de te slopen bebouwing als bedoeld in de aanhef; in het geval een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; in het geval een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op een andere locatie dan op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; de betreffende gronden niet zijn gelegen binnen de op kaart 6 aangegeven 'NNN-beheergebieden, 'NNN-natuurgebieden', 'NNN-beheer aanpassingsgebied', 'NNN-natuur aanpassingsgebied', het 'Zoekgebied robuuste verbindingszone' of de 'bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland'. Artikel 2.13.5 Uitbreiding van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen in het buitengebied, die niet zijn gevestigd in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing 1 In afwijking van artikel 2.13.1, eerste lid, kan een bestemmingsplan voorzien in de mogelijkheid tot: uitbreiding van bebouwing van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen in het buitengebied tot een percentage dat niet meer mag bedragen dan 20% van de totale oppervlakte van de op het bouwperceel aanwezige bebouwing; en uitbreiding van het bouwperceel tot een percentage dat niet meer mag bedragen dan 20% van de oppervlakte van het bouwperceel; , waarbij rekening wordt gehouden met: de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur; de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande bebouwing; een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen; het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en het aspect nachtelijke lichtuitstraling. 2 In afwijking van artikel 2.13.1, eerste lid, kan een bestemmingsplan voorzien in de mogelijkheid tot: uitbreiding van bebouwing van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen in het buitengebied tot een percentage dat meer mag bedragen dan 20% van de totale oppervlakte van de op het bouwperceel aanwezige bebouwing; en uitbreiding van het bouwperceel tot een percentage dat meer mag bedragen dan 20% van de oppervlakte van het bouwperceel; als in de plantoelichting verantwoord wordt dan: redelijkerwijs niet op een andere locatie dan waar het bedrijf of de maatschappelijke voorziening is gevestigd in de ruimtebehoefte kan worden voorzien; en aan het plan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt dan met toepassing van de maatwerkmethode is opgesteld onder begeleiding van een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur, indien de omvang van het bouwperceel niet groter wordt dan 0,5 hectare of een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur, indien de omvang van het bouwperceel groter wordt dan 0,5 hectare; en, rekening is gehouden met: de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur; de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande bebouwing; een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen; het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en het aspect nachtelijke lichtuitstraling. Artikel 2.13.6 Borging uitvoering erfinrichtingsplan 1. Een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.13.3, tweede lid, onder b en onder d, en artikel 2.13.5, tweede lid, stelt regels die ervoor zorgen dat: de bebouwing en voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, slechts overeenkomstig het erfinrichtingsplan worden gebouwd en/of aangelegd; en de aanleg en instandhouding van de in het erfinrichtingsplan opgenomen erfbeplanting publiekrechtelijk wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan dan wel als voorwaarde bij een omgevingsvergunning. 2. Aan burgemeester en wethouders kan de bevoegdheid worden toegekend om het erfinrichtingsplan op het punt van de erfbeplanting te wijzigen onder dezelfde aanplant- en instandhoudingsverplichtingen, als dat vanwege onvoorziene omstandigheden nodig is en als deze wijziging getuigt van een goede ruimtelijke ordening. Artikel 2.13.7 Nieuwbouw van woningen binnen bebouwingslinten in het buitengebied In afwijking van artikel 2.13.1, eerste lid, kan een bestemmingsplan voorzien in de bouw van maximaal twee nieuwe woningen met bijbehorende bouwwerken voor zover het betreft: een aan deze woning of woningen ruimte biedende open plek binnen een bestaand bebouwingslint; of de ruimtelijke afronding van een bestaand bebouwingslint. als: daarbij regels worden gesteld die ervoor zorgen dat de woonbebouwing past in het landschap en het bebouwingsbeeld; en over de aanvaardbaarheid advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en de bouw van de nieuwe woning(
- en)past in een woonvisie als bedoeld in artikel 2.15.1. Artikel 2.13.8 Oppervlakte van woningen in het buitengebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied bevat regels over de oppervlakte van woningen en bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen. Deze regels zorgen er in elk geval voor dat de gezamenlijke grondoppervlakte van de woning en bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen, niet groter is dan 300 m², of dat deze grondoppervlakte de bestaande oppervlakte voor zover groter dan 300 m², niet mag overstijgen. Titel 2.4 Zorg voor een op de regionale behoefte afgestemde woningvoorraad Artikel 2.14 Begripsbepalingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: nieuwbouwruimte: het aantal woningen dat binnen een bepaalde periode aan de woningvoorraad in een gemeente kan worden toegevoegd; nieuwe woning: het realiseren van een woning in een bestaand gebouw of het bouwen van een woning anders dan het vervangen van een bestaande woning; regionale woonvisie: een door de gemeenteraad in samenwerking met de raden van de gemeenten in de betrokken regio vastgestelde structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een daarmee vergelijkbaar document waarin het beleid voor de groei en/of krimp van de woningvoorraad in de regio is vastgelegd en het aantal nieuw te bouwen en te slopen woningen per gemeente is bepaald; woning: complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Afdeling 2.4 Woningbouw Artikel 2.15.1 Woningbouw 1 Onverminderd artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan alleen voorzien in de bouw van nieuwe woningen, voor zover deze woningbouwmogelijkheden naar aard, locatie en aantal overeenstemmen met een regionale woonvisie die rekening houdt met regionale woningbehoefteprognoses die de provincie elke twee jaar uitbrengt, of met nadere regels als bedoeld in het tweede lid. 2 Wanneer niet binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een regionale woonvisie is vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van de betrokken gemeenten nadere regels over de nieuwbouwruimte vaststellen. 3 In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan - onverminderd artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening - voorzien in de bouw van nieuwe woningen, voor zover deze woningbouwmogelijkheden naar aard, locatie en aantal in overeenstemming zijn met: een woonvisie of een woon- en leefbaarheidsplan waarover ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening overeenstemming bestaat met de gemeenten in het regionaal samenwerkingsverband waar de betreffende gemeente deel van uitmaakt, of bij het ontbreken van een dergelijk samenwerkingsverband, met de Groninger buurgemeenten van de betreffende gemeente; of de in het kader van de Regio Groningen-Assen tot stand gekomen regionale planningslijsten voor woningbouw. Artikel 2.15.2 Wijzigingsbevoegdheid Gedeputeerde Staten Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om artikel 2.15.1 te wijzigen met dien verstande dat het derde lid komt te vervallen. Titel 2.5 Vestigingslocaties voor bedrijvigheid Artikel 2.16 Begripsbepalingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bedrijf: inrichting voor de bedrijfsmatige uitoefening van industrie, ambacht, handel, vervoer of nijverheid; bedrijventerrein: cluster aaneengesloten percelen met een totale oppervlakte van ten minste één hectare in hoofdzaak ten behoeve van bedrijven en dienstverlening en de daarbij behorende voorzieningen; bestaand bedrijventerrein: een ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening in een geldend bestemmingsplan als bedrijventerrein bestemd terrein, dan wel bij het ontbreken van een geldend bestemmingsplan, het in het laatst geldende ruimtelijke plan als bedrijventerrein aangewezen terrein; regionale bedrijventerreinenvisie: een door de gemeenteraad in samenwerking met de raden van de in de betrokken regio gelegen gemeenten vastgestelde structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een daarmee vergelijkbaar document waarin de gemeentelijke visie op de ontwikkeling van bedrijventerreinen is vastgelegd en waarin het beleid is opgenomen dat gevoerd moet worden voor een op de actuele behoefte afgestemd aanbod van locaties voor bedrijventerreinen, met inbegrip van herstructurering en het terugdringen van planologische overcapaciteit; Afdeling 2.5 Bedrijventerreinen Artikel 2.17.1 Bedrijventerrein 1 Onverminderd artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening ,kan een bestemmingsplan alleen voorzien in een nieuw bedrijventerrein en in uitbreiding van een bedrijventerrein voor zover de nieuwe bedrijfsvestigingsmogelijkheden naar aard, locatie en aantal in overeenstemming zijn met een regionale bedrijventerreinenvisie of met de nadere regels als bedoeld in het tweede lid. 2 Wanneer niet binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een regionale bedrijventerreinenvisie is vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van de betrokken gemeenten nadere regels stellen die voorzien in uitbreiding of nieuwvestiging van een bedrijventerrein. Artikel 2.17.2 Uitbreiding bestaand bedrijventerrein Een bestemmingsplan kan in afwijking van artikel 2.17.1 voorzien in uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein ten behoeve van uitbreiding van een op dat bedrijventerrein gevestigd bestaand bedrijf, als in de toelichting is aangetoond dat op het bedrijventerrein direct aansluitend aan het bedrijf redelijkerwijs geen ruimte meer beschikbaar is of kan worden verkregen na herstructurering, revitalisering of intensivering. Artikel 2.17.3 Nieuw bedrijventerrein Een bestemmingsplan kan in afwijking van artikel 2.17.1 voorzien in een nieuw bedrijventerrein op de plaats van de aanduiding ‘nieuw bedrijventerrein toegestaan’ op kaart 2. Titel 2.6 Vestigingslocaties voor detailhandel Artikel 2.18 Begripsbepalingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: fabriekswinkels: winkels waarin producten rechtstreeks door of namens fabrikanten en aan fabrikanten verbonden partijen zoals licentiehouders, franchisenemers en partijverkopers worden verkocht. factory outlet center: een concentratie van fabriekswinkels, al dan niet in combinatie met bijvoorbeeld ondersteunende horeca, waar verkoop plaatsvindt in de sectoren mode, schoenen/lederwaren en sportartikelen, welke artikelen hetzij buiten het reguliere seizoen worden aangeboden, hetzij onvolmaakt zijn afgewerkt hetzij overschotten en/of experimentele collecties betreffen. Voor alle gevallen geldt dat de artikelen geen deel uitmaken van de lopende collecties - met uitzondering van uitverkoop - van de reguliere detailhandel. De artikelen worden aangeboden tegen gereduceerde prijzen ten opzichte van de prijzen die gewoonlijk door de reguliere detailhandel worden gehanteerd. Artikel 2.18.1 Factory outlet center Uitsluitend een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied in of aansluitend op het bestaand stedelijk gebied van de stad Groningen kan voorzien in de vestiging van een factory outlet center. Titel 2.7 Veiligheid en bescherming van het milieu Artikel 2.19 Begripsbepalingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: beperkte (groepsrisico) verantwoording: verantwoording groepsrisico waarin in ieder geval wordt ingegaan op: de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval op de desbetreffende transportroute, ook in het licht van de aangebrachte of aan te brengen ruimtelijk relevante bouwkundige voorzieningen; en, voor zover dat besluit betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen als zich op die transportroute een ramp of zwaar ongeval voltrekt;. beperkt kwetsbaar object: object als bedoeld in artikel 1, eerste lid , onder b, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen; buitengebied: gebied aangeduid op kaart 1; gevaarlijk afval: afval dat als zodanig staat vermeld in de Europese Afvalstoffenlijst; groepsrisico: de kans per jaar dat een groep personen die zich in de omgeving van een transportroute bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route; hoogwaterbestendig: het bestand zijn tegen de gevolgen van het onder water zetten van het gebied, zodat bij feitelijk gebruik van de waterberging mogelijke schade aan gebouwen en andere onroerende zaken beperkt blijft. Onder hoogwaterbestendig bouwen valt ook het treffen van andere dan bouwkundige voorzieningen aan gebouwen en andere onroerende zaken om waterschade te voorkomen of te beperken tot een aanvaardbare omvang; kwetsbaar object: object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder l, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen; nadere (groepsrisico) verantwoording: verantwoording groepsrisico waarin in ieder geval wordt ingegaan op de volgende aspecten: de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied al aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen, inclusief projectbesluiten, redelijkerwijs te verwachten zijn; en de als gevolg van het plan of besluit redelijkerwijs te verwachten verandering van de bevolkingsdichtheid in het gebied waarop dat plan of besluit betrekking heeft; het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico; de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of besluit zijn overwogen en de in dat plan of besluit opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet, mogelijkheden tot het treffen van ruimtelijk relevante bouwkundige voorzieningen en voorzieningen voor de inrichting van de openbare ruimte; en de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan;. objecten ten behoeve van minder zelfredzame personen: objecten zoals basisscholen en scholen voor bijzonder onderwijs, zorginstellingen, verzorgings-, verpleeg- en ziekenhuizen, kinderdagopvang, aanleunwoningen bij zorginstellingen, sociale werkplaatsen, cellencomplexen of daarmee gelijk te stellen inrichtingen; plaatsgebonden risico: de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route; PR max: het maximale plaatsgebonden risico met ruimtelijke gevolgen op basis van de in bijlage 1 opgenomen referentiewaarden; richtwaarde: richtwaarde als bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen; bergingsgebied: berging wateroverlast, noodberging wateroverlast en zoekgebied noodberging aangeduid op kaart 3. Afdeling 2.6 Waterkeringszone Artikel 2.20.1 Algemeen Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een op kaart 3 aangeduide waterkeringszone aan weerszijden van de primaire waterkering voorziet in bestemmingen en regels voor bescherming van de functie van de bestaande of toekomstige primaire waterkering. Artikel 2.20.2 Profiel vrije ruimte 1. De bestemmingen en regels van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 3 aangegeven waterkeringszone aan weerszijden van de primaire waterkering bevatten in elk geval een verbod op de oprichting van nieuwe gebouwen en bouwwerken anders dan ten dienste van de bestaande of toekomstige primaire waterkering binnen het op kaart 3 aangegeven profiel van vrije ruimte, waarbij het profiel van vrije ruimte in het bestaand stedelijk gebied vijf meter en in het buitengebied 75 meter bedraagt. 2. In afwijking van het eerste lid kunnen indien sprake is van een maatschappelijk belang het college van burgemeester en wethouders bij omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3, j°, artikel 2.23, eerste lid, van de Wet algemene omgevingsrecht, afwijken van een bestemmingsplan of beheersverordening voor het oprichten van nieuwe gebouwen en bouwwerken anders dan ten dienste van de bestaande of toekomstige primaire waterkering binnen het op kaart 3 aangegeven profiel van vrije ruimte, mits in de vorm van voorwaarden is geborgd dat: de betreffende ingreep redelijkerwijs niet elders kan plaatsvinden; geen afbreuk wordt gedaan aan de functie van de bestaande en toekomstige primaire waterkering; versterking van de primaire waterkering niet onomkeerbaar wordt belemmerd; en hierover advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de primaire waterkering. Artikel 2.20.3 Beschermingszone De bestemmingen en regels van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 3 aangegeven waterkeringszone aan weerszijden van de primaire waterkering voorzien in elk geval in een verbod op de oprichting van nieuwe gebouwen en bouwwerken als deze gebouwen of bouwwerken de stabiliteit van de waterkering nadelig kunnen beïnvloeden binnen de op kaart 3 aangeduide beschermingszone van 25 meter aan weerszijden van de waterkering binnen de waterkeringszone. Artikel 2.20.4 Bebouwingszone Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 3 aangegeven bebouwingszone van 70 meter van de aangeduide waterkeringszone voorziet niet in bestemmingen en regels die de functie van de bestaande of toekomstige waterkering in de bebouwingszone nadelig kunnen beïnvloeden. Afdeling 2.7 Bergingsgebieden, noodbergingsgebieden en zoekgebieden noodberging Artikel 2.21.1 Bergingsgebieden Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 3 aangeduide bergingsgebieden, voorziet in bestemmingen en regels om de geschiktheid van deze gebieden voor de functie van berging te waarborgen. Deze regels houden in ieder geval een verbod in om op een andere wijze dan hoogwaterbestendig te bouwen en een verbod om op een andere wijze dan hoogwaterbestendig infrastructuur aan te leggen. Artikel 2.21.2 Noodbergingsgebieden Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 3 aangeduide noodbergingsgebieden voorziet in bestemmingen en regels om de geschiktheid van deze gebieden voor de functie van noodberging te waarborgen. Deze regels bevatten in ieder geval een verbod om anders dan hoogwaterbestendig te bouwen en een verbod om anders dan hoogwaterbestendig infrastructuur aan te leggen. Artikel 2.21.3 Zoekgebied noodberging Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een op kaart 3 aangeduid 'zoekgebied noodberging', voorziet in bestemmingen en regels om de geschiktheid van deze gebieden voor de functie van noodberging te waarborgen. Deze regels bevatten in ieder geval een verbod om anders dan hoogwaterbestendig te bouwen en een verbod om anders dan hoogwaterbestendig infrastructuur aan te leggen. Afdeling 2.8 Radioactief afval, gevaarlijk afval, kerncentrales en kolencentrales Artikel 2.22.1 Radioactief afval, gevaarlijk afval, kerncentrales en kolencentrales Een bestemmingsplan voorziet niet in: gebruik van de bodem met inbegrip van de ondergrond of de diepe ondergrond ten behoeve van het opslaan of bergen van radioactief afval of het storten van gevaarlijk afval; de mogelijkheid middel- en hoogradioactief afval bovengronds op te slaan; en, de bouw van een kerncentrale; de bouw van een nieuwe kolencentrale. Artikel 2.22.2 Rechtstreeks werkende regels Tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan in overeenstemming is gebracht met artikel 2.22.1, of bij het ontbreken van een bestemmingsplan, is het verboden om: in de bodem met inbegrip van de diepe ondergrond radioactief afval of gevaarlijk afval op te slaan of te bergen; op de bodem middel- en hoogradioactief afval op te slaan of te bergen; een kerncentrale te bouwen; een nieuwe kolencentrale te bouwen. Afdeling 2.9 Provinciaal basisnet Groningen Artikel 2.23.1 Provinciaal basisnet Groningen Wegen als bedoeld in artikel 23, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, zijn op kaart 3 aangegeven. Artikel 2.23.2 Zone langs provinciale wegen in verband met plaatsgebonden risico (PR max) provinciale wegen 1 Een bestemmingsplan voorziet niet in de oprichting van bebouwing of het gebruik van bestaande bebouwing of gronden voor kwetsbare objecten binnen de op kaart 3 aangegeven veiligheidszone 1 provinciale wegen. 2 De toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in beperkt kwetsbare objecten binnen een in het eerste lid bedoelde zone, bevat een verantwoording waarom niet aan de richtwaarde, wordt voldaan. Artikel 2.23.3 Invloedsgebied provinciaal basisnet Groningen 1 De toelichting op een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 3 aangegeven ‘veiligheidszone 2 invloedsgebied provinciale wegen' bevat een nadere verantwoording van het groepsrisico en biedt inzicht in de manier waarop rekening is gehouden met het advies van de Veiligheidsregio Groningen. 2 In afwijking van het eerste lid kan in de toelichting op een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 3 aangegeven ‘veiligheidszone 2 invloedsgebied provinciale wegen' worden volstaan met een beperkte groepsrisico verantwoording, als: het plangebied geheel is gelegen op een afstand van minimaal 200 meter van de betreffende infrastructuur; of in het vigerende, minder dan 10 jaar geleden vastgestelde, bestemmingsplan reeds een nadere verantwoording van het groepsrisico is opgenomen en het bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van: maximaal 41 woningen per hectare buiten de PRmax; of maximaal 3000 m2 bruto vloeroppervlakte kantoorruimte per hectare buiten de PRmax; of maximaal 3000 m2 bruto vloeroppervlakte winkelruimte per hectarebuiten de PRmax; of maximaal 100 personen per hectare buiten de PRmax in de vorm van objecten of een combinatie van objecten die leiden tot een personen dichtheid van maximaal 100 per hectare. 3 Wanneer op grond van het tweede lid, geen nadere verantwoording van het groepsrisico in de toelichting op het bestemmingsplan wordt opgenomen, wordt in de toelichting op het bestemmingsplan de reden daarvan aangegeven. 4 Eventuele berekeningen voor een nadere verantwoording van het groepsrisico moeten worden gemaakt op basis van de in tabel 1 en tabel 2 van bijlage 1 opgenomen referentiewaarden. Artikel 2.23.4 Veiligheidszone rondom wegen en spoorwegen in verband met de bescherming van minder zelfredzame personen Een bestemmingsplan voorziet niet in de bouw van nieuwe objecten of het gebruik van bestaande objecten voor minder zelfredzame personen binnen de op kaart 3 aangegeven ‘veiligheidszone 3 transport'. Artikel 2.23.5 Wijzigingsbevoegdheid Gedeputeerde Staten Gedeputeerde Staten kunnen kaart 3 wijzigen wanneer veranderingen in de infrastructuur, in landelijke wetgeving of in het beheer van de wegen daartoe aanleiding geven. Afdeling 2.10 Stilte en duisternis Artikel 2.24.1 Algemeen De toelichting op een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied biedt inzicht in hoe met de aspecten stilte en duisternis rekening is gehouden. Artikel 2.24.2 Lichtuitstraling ligboxenstal Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied voorziet niet in een nieuwe ligboxenstal waarbinnen de lichtsterkte meer dan 150 lux bedraagt, tenzij de ligboxenstal tussen 20.00 uur en 6.00 uur is voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling met ten minste 90% reduceren. Titel 2.8 Agrarische ontwikkelingsmogelijkheden Artikel 2.25 Begripsbepalingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: agrarisch bedrijf: bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, houtteelt, of het houden van dieren; agrarisch bouwperceel: een op de verbeelding van het bestemmingsplan aangeduid aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels van een bestemmingsplan zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan; bebouwing: één of meer gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde; bedrijfsbebouwing: één of meerdere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan aan de uitoefening van een bedrijf; bestaande stalvloeroppervlakte: gezamenlijke vloeroppervlakte van de stalruimtes waarin dieren worden gehouden, en de hiermee onlosmakelijk verbonden ruimtes waaronder gang- en looppaden, zoals op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is of gerealiseerd kan worden op grond van een bouw- of omgevingsvergunning, met uitzondering van stalvloeroppervlakte die gerealiseerd is zonder bouw- of omgevingsvergunning en die in strijd is met het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan of de geldende beheersverordening, inclusief de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan of die beheersverordening; biologische regelgeving: regelgeving zoals opgenomen in de Landbouwkwaliteitswet, het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007, de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 en in het bijzonder verordening (EG) 834/2007 en de bijbehorende bepalingen in verordening (EG) 889/2008 en verordening (EG) 1235/2008. Specifieke voor dierlijke productie is tevens de Wet dieren, het Besluit Diervoeders, de Regeling Diervoeders 2012, het Besluit Dierlijke producten en de Regeling Dierlijke producten 2012 van toepassing; buitengebied: gebied aangegeven op kaart 1; detailhandel: bedrijfsmatig te koop aanbieden en uitstallen van goederen met het oog op de verkoop voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan als een niet zelfstandig onderdeel van ondergeschikte aard van de hoofdfunctie; erfinrichtingsplan: een plan waarin met toepassing van de maatwerkmethode in overleg met de betrokken belanghebbende de omvang, situering en ruimtelijke inrichting en de landschappelijke inpassing van een project binnen een plangebied zijn vastgelegd; gekoppeld agrarisch bouwperceel: het aanduiden van een agrarisch bouwperceel op de verbeelding van een bestemmingsplan op een plaats waar niet reeds een agrarisch bouwperceel aanwezig is waarbij door middel van een koppeling met een ander agrarisch bouwperceel volgens de regels van een bestemmingsplan binnen deze agrarische bouwpercelen uitsluitend zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van één agrarisch bedrijf is toegestaan; glastuinbouwbedrijf: agrarisch bedrijf waarbij de teelt van gewassen in een kas plaatsvindt onder gecontroleerde omstandigheden; intensieve veehouderij: Agrarische bedrijfsvoering, zelfstandig of als neventak, gericht op het geheel of nagenoeg geheel in gebouwen houden van varkens, pluimvee, vleeskalveren en vleesstieren alsmede pelsdieren, met uitzondering van het biologisch houden van dieren overeenkomstig de geldende biologische regelgeving;. maatwerkmethode: methode van overleg via keukentafelgesprekken met als doel overeenstemming te bereiken over de omvang, situering en inrichting van een project binnen een plangebied; Natuurnetwerk Nederland: samenhangend netwerk van robuuste natuurgebieden, ecologische verbindingszones en agrarische gebieden met natuurwaarden, waarbinnen ecosystemen met daarbij behorende soorten duurzaam kunnen voortbestaan; nevenactiviteiten: aan de hoofdactiviteit ondergeschikte activiteiten die niet rechtstreeks de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering betreffen; nieuw agrarisch bouwperceel: het aanduiden van een agrarisch bouwperceel op de verbeelding van een bestemmingsplan ten behoeve van bedrijfsvestiging op gronden waarop krachtens een op dat moment geldend bestemmingsplan nog geen zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan; nieuwvestiging intensieve veehouderij: het bestemmen van gronden voor intensieve veehouderij anders dan het vastleggen van bestaande rechten als bedoeld in artikel 2.3 van deze verordening; uitbreiding agrarisch bouwperceel: uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel direct aangrenzend aan een bestaand agrarisch bouwperceel; volwaardig agrarisch bedrijf: duurzaam agrarisch bedrijf waarvan het aannemelijk is dat het aan ten minste één arbeidskracht volledige werkgelegenheid biedt of op termijn zal bieden; voorwaardelijke verplichting: regel in het bestemmingsplan die bepaalt dat het gebruik van gronden en bouwwerken slechts is toegestaan onder de voorwaarde dat maatregelen dan wel voorzieningen zijn getroffen en in stand worden gehouden; gemeentelijke gebiedsvisie mestopslag op de veldkavel: een door de gemeenteraad al dan niet in samenwerking met de raden van andere gemeenten vastgestelde structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening - of een daarmee vergelijkbaar ruimtelijk beleidsdocument - waarin aan de hand van een gebiedsanalyse is bepaald welke gebieden in beginsel geschikt kunnen worden geacht voor mestopslag op een veldkavel. Afdeling 2.11 Agrarisch bouwperceel Artikel 2.26.1 Concentratie van bebouwing binnen bouwperceel 1 Een bestemmingsplan stelt regels op grond waarvan agrarische bedrijfsbebouwing en voorzieningen voor mestopslag en opslag van veevoer worden geconcentreerd binnen een op de verbeelding van het bestemmingsplan aangewezen agrarisch bouwperceel. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op: bestaande solitair gesitueerde bedrijfsbebouwing en bestaande solitair gesitueerde voorzieningen voor de opslag van mest en veevoer; erf- en terreinafscheidingen of schuilstallen voor het niet-bedrijfsmatig houden van vee tot een oppervlakte van maximaal 25 m². Artikel 2.26.2 Nieuwe agrarische bouwpercelen 1 Een bestemmingsplan kan alleen voorzien in een nieuw agrarisch bouwperceel als: er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf dat verplaatst wordt: uit het Natuurnetwerk Nederland in de provincie; of omdat de bestaande bedrijfsvoering aantoonbaar niet kan voldoen aan actuele wettelijke milieuhygiënische normen of omdat de bedrijfsvoering op de oorspronkelijke vestigingslocatie aantoonbaar ernstige overlast veroorzaakt, die niet op een andere manier kan worden tegengegaan; of omdat een actuele stedelijke ontwikkeling, of aanleg van infrastructuur binnen de provincie Groningen, dan wel het Besluit externe veiligheid buisleidingen aan continuering van de bedrijfsvoering in de weg staat; of op basis van een door Gedeputeerde Staten vastgestelde specifieke taakstelling tot inplaatsing van agrarische bedrijven; en in de plantoelichting is gemotiveerd dat redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van een bestaand agrarisch bouwperceel gelegen in de nabijheid van de bij het bedrijf in gebruik zijnde gronden; en de maatwerk methode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. 2 Aan de omvang, situering, en vormgeving van het nieuwe agrarische bouwperceel bedoeld in het eerste lid moet een erfinrichtingsplan ten grondslag liggen, waarbij in ieder geval rekening is gehouden met achtereenvolgens: de historisch gegroeide landschapsstructuur; de afstand tot andere ruimtelijke elementen; een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen; het uitgangspunt dat voor de bedrijfsvoering ontsierende opstallen, met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen, op de verlaten bouwpercelen worden gesloopt het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en, de nachtelijke lichtuitstraling. 3 Het nieuwe agrarisch bouwperceel bedoeld in het eerste lid kan niet groter zijn dan 2 hectare. 4 In afwijking van het derde lid e kan een agrarisch bouwperceel een omvang hebben van maximaal 4 hectare, als Gedeputeerde Staten op grond van artikel 3.1, aanhef en onder b, van het Besluit omgevingsrecht voor de nieuwvestiging een omgevingsvergunning hebben verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 2.26.3 Uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot 2 hectare 1 Een bestemmingsplan voorziet niet in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot een omvang groter dan 2 hectare. 2Een bestemmingsplan voorziet alleen in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot een oppervlakte tussen de 1 en 2 hectare, als: de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. een erfinrichtingsplan is opgesteld waarbij in ieder geval rekening is gehouden met achtereenvolgens: de historisch gegroeide landschapsstructuur; de afstand tot andere ruimtelijke elementen; een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen; het uitgangspunt dat voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen, met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen op het bouwperceel worden gesloopt; het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; het aspect nachtelijke lichtuitstraling. Artikel 2.26.3AGekoppeld agrarisch bouwperceel In afwijking van artikel 2.26.1, eerste lid, en artikel 2.26.3, eerste lid, kan een bestemmingsplan voorzien in de uitbreiding van een agrarisch bedrijf door middel van een gekoppeld agrarisch bouwperceel, mits: objectief wordt aangetoond dat een uitbreiding van het agrarisch bouwperceel direct aangrenzend aan het bestaand agrarisch bouwperceel niet mogelijk is of een uitbreiding van het agrarisch bouwperceel noodzakelijk is in verband met het biologisch houden van dieren overeenkomstig de geldende biologische regelgeving; geen gebruik kan worden gemaakt van een bestaand agrarisch bouwperceel in de nabijheid van de bij het bedrijf in gebruik zijnde gronden; de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; aan de omvang, situering en vormgeving van een bouwperceel, bedoeld in de aanhef, moet een erfinrichtingsplan ten grondslag liggen, waarbij in ieder geval rekening is gehouden met achtereenvolgens: de historisch gegroeide landschapsstructuur; de afstand tot andere ruimtelijke elementen; een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen; het uitgangspunt dat voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen, met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen op het bouwperceel worden gesloopt; het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; het aspect nachtelijke lichtuitstraling; en de som van de oppervlakte van de agrarische bouwpercelen ten behoeve van één zelfstandig agrarisch bedrijf in totaal niet groter mag zijn dan 2 hectare of, voor zover de bestaande oppervlakte groter is dan 2 hectare, in totaal niet groter mag zijn dan de bestaande oppervlakte. Artikel 2.26.4 Uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot 4 hectare 1 In afwijking van artikel 2.26.3, eerste lid, kan een bestemmingsplan voorzien in een agrarisch bouwperceel met een omvang tussen de 2 en de 4 hectare, als: Gedeputeerde Staten op grond van artikel 3.1, aanhef en onder b, van het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning hebben verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor uitbreiding van een agrarisch bedrijf die een bouwperceel met een omvang groter dan 2 hectare vergt, of aangetoond wordt dat vóór 20 maart 2013 als gevolg van toepassing van de maatwerkmethode met de provincie overeenstemming is bereikt over het erfinrichtingsplan, mits een periode van minder dan twee jaar is verstreken tussen de datum waarop met de provincie overeenstemming over de bedrijfsontwikkeling is bereikt en de datum van de aanvraag om planwijziging of een omgevingsvergunning. 2 Bij het erfinrichtingsplan behorend bij het bestemmingsplan bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met achtereenvolgens: de historisch gegroeide landschapsstructuur; de afstand tot andere ruimtelijke elementen; een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen; het uitgangspunt dat voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen, met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen op het bouwperceel worden gesloopt; het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; het aspect nachtelijke lichtuitstraling. Artikel 2.26.4A Vervallen artikel 2.26.4 eerste lid, onder b De onder artikel 2.26.4 eerste lid, onder b, opgenomen overgangsrechtelijke bepaling vervalt met ingang van 30 december 2018. Artikel 2.26.5 Afwijkende regeling gemeente Vlagtwedde 1 Artikel 2.26.2 en artikel 2.26.3 zijn niet van toepassing op een bestemmingsplan van de gemeente Vlagtwedde dat voorziet in een nieuw agrarisch bouwperceel of uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel ten behoeve van respectievelijk de vestiging en uitbreiding van een melkrundveehouderijbedrijf, waarvoor vóór 20 maart 2013 een omgevingsvergunning is aangevraagd en de maatwerkmethode met betrokkenheid van de provincie is toegepast. 2 Een bestemmingsplan bedoeld in het eerste lid bevat regels op grond waarvan: de agrarische bedrijfsbebouwing en opslagvoorzieningen, geen gebouwen zijnde, slechts overeenkomstig het bij de in het eerste lid bedoelde aanvraag om een omgevingsvergunning gevoegde erfinrichtingsplan worden gebouwd; en de realisering en instandhouding van de in het erfinrichtingsplan opgenomen erfbeplanting wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan; en ter compensatie van een nieuw agrarisch bouwperceel, de agrarische bestemming van de percelen aan de J. Buiskoolweg 13, 17 en 19 komt te vervallen en het gebruik en de inrichting van deze percelen overeenkomstig het bij de betrokken aanvraag om omgevingsvergunning gevoegde document ‘Uitwerking erven’ wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting. Artikel 2.26.6 Borging uitvoering erfinrichtingsplan 1 Een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.26.2, artikel 2.26.3, artikel 2.26.3A en artikel 2.26.4, stelt regels die bewerkstelligen dat: de agrarische bedrijfsbebouwing en opslagvoorzieningen, geen bouwwerken zijnde, slechts overeenkomstig het erfinrichtingsplan worden gebouwd en aangelegd; en de aanleg en instandhouding van de in het erfinrichtingsplan opgenomen erfbeplanting wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan of als voorwaarde bij een omgevingsvergunning. 2 Aan burgemeester en wethouders kan de bevoegdheid worden toegekend om het erfinrichtingsplan op het punt van de erfbeplanting te wijzigen onder dezelfde aanplant- en instandhoudingsverplichtingen, als dat vanwege onvoorziene omstandigheden nodig is en als deze wijziging getuigt van een goede ruimtelijke ordening. Artikel 2.26.7 Opslag van veevoer en mest buiten het agrarisch bouwperceel 1 In afwijking van artikel 2.26.1, eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in de mogelijkheid om: sleufsilo's, kuilvoerplaten, mestsilo's, foliemestbassins en mestzakken aansluitend op het agrarisch bouwperceel of - zolang niet is voldaan aan artikel 2.6, tweede lid - aansluitend aan de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing respectievelijk op te richten en aan te leggen, op voorwaarde dat in de planregeling in de vorm van voorwaarden is geborgd dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als: objectief wordt aangetoond dat de opslag van veevoer en mest buiten het bouwperceel op grond van ruimtelijke of milieuhygiënische belemmeringen noodzakelijk is; en een afstand van 25 meter van de grens van het agrarisch bouwperceel of de bestaande bedrijfsbebouwing niet wordt overschreden; en andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad; en over de landschappelijke aanvaardbaarheid en de wijze van inpassing van de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijkeof een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer aansluitend op het agrarisch bouwperceel, wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting of voorwaarde bij de omgevingsvergunning; foliemestbassins en mestzakken op de veldkavel aan te leggen in door Gedeputeerde Staten, op basis van een gemeentelijke gebiedsvisie op mestopslag op de veldkavel, aangegeven gebieden als: wordt aangetoond dat de mestopslag op grond van milieuhygiënische belemmeringen binnen het bouwperceel of daarop aansluitend niet mogelijk is; of de voorzieningen noodzakelijk zijn om aantoonbare structurele verkeersoverlast door transportbewegingen in kernen te voorkomen of te beperken als reële alternatieve ontsluitingsroutes ontbreken; en andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad; en over de landschappelijke aanvaardbaarheid van de locatie en de wijze van inpassing van de mestopslag advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur en; de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van mestopslag op de veldkavel wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan of voorwaarde bij de omgevingsvergunning. mestsilo's op de veldkavel op te richten in door Gedeputeerde Staten, op basis van een gemeentelijke gebiedsvisie op mestopslag op een veldkavel aangegeven gebieden als: wordt aangetoond dat de mestopslag op grond van milieuhygiënische belemmeringen binnen het bouwperceel of daarop aansluitend niet mogelijk is; of de mestsilo's noodzakelijk zijn om aantoonbare structurele verkeersoverlast door transportbewegingen in kernen te voorkomen of te beperken als reële alternatieve ontsluitingsroutes ontbreken; en de bouwhoogte van mestsilo's niet meer zal bedragen dan 2,5 meter; en andere ruimtelijke belangen niet onevenredig worden geschaad; en de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van mestopslag op de veldkavel wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan of voorwaarde bij de omgevingsvergunning. Artikel 2.26.8 Rechtstreeks werkende regel 1 Tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan in overeenstemming is gebracht met artikel 2.26.7, is het verboden om de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer buiten het agrarisch bouwperceel op te richten of aan te leggen. 2 Gedeputeerde Staten kunnen verklaren geen bedenkingen te hebben tegen het bij omgevingsvergunning afwijken van het eerste lid, als wordt aangetoond dat de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer buiten het bouwperceel op grond van ruimtelijke of milieuhygiënische belemmeringen noodzakelijk is, en: de opslag van mest en veevoer zoveel mogelijk aansluit op bebouwing binnen het agrarisch bouwperceel, waarbij een afstand van 25 meter van de grens van het agrarisch bouwperceel niet mag worden overschreden; en andere (ruimtelijk relevante) belangen niet onevenredig worden geschaad. Afdeling 2.12 Glastuinbouw Artikel 2.27.1 Nieuwe glastuinbouwbedrijven niet toegestaan Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied voorziet niet in de vestiging van nieuwe glastuinbouwbedrijven. Artikel 2.27.2 Uitbreiding bestaande glastuinbouwbedrijven 1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied kan voorzien in uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven met een percentage van maximaal 20% van de bestaande totale oppervlakte van de bedrijfsbebouwing zoals aanwezig op 17 juni 2009. 2 In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied voorzien in uitbreiding met een percentage van maximaal 50% van de bestaande totale oppervlakte van de bedrijfsbebouwing zoals aanwezig op 17 juni 2009, als hiervoor de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. Artikel 2.28 Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven 1 Een bestemmingsplan bevat regels over nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven. 2 Deze regels behelzen in elk geval: de beperking van de toelaatbaarheid van de nieuwe activiteit anders dan het plaatsen van tenten, vouwwagens, campers, toercaravans of huifkarren tot het agrarisch bouwperceel; het behoud van de agrarische hoofdfunctie van het bedrijf; de ondergeschiktheid van de gebouwen en bouwwerken voor de nieuwe nevenactiviteit ten opzichte van de gebouwen en bouwwerken voor de hoofdactiviteit, uitgedrukt in een maximale vloeroppervlakte; het behoud van bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden; de toelaatbaarheid van de uitoefening van detailhandel. Afdeling 2.13 Intensieve veehouderij Artikel 2.29.1 Nieuwvestiging en uitbreiding van intensieve veehouderij niet toegestaan Een bestemmingsplan voorziet niet in nieuwvestiging van een hoofd- of neventak intensieve veehouderij noch in uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij. Artikel 2.29.2 Uitbreiding van intensieve veehouderij in het belang van het milieu of het dierenwelzijn In afwijking van artikel 2.29.1 kan in een bestemmingsplan aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid worden toegekend om een omgevingsvergunning te verlenen voor uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij, als in de planregels in de vorm van voorwaarden is geborgd dat deze uitbreiding: noodzakelijk is om tegemoet te komen aan aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van het milieu, of bijdraagt aan verbetering van het welzijn van de te houden dieren doordat zij netto meer leefruimte tot hun beschikking hebben; mits in het bestemmingsplan geborgd wordt dat het aantal te houden dieren zoals is vergund op 1 januari 2019 niet toeneemt. Artikel 2.29.3 Afwijkende regeling tot 1 januari 2019 1 In afwijking van artikel 2.29.1 kan een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een agrarisch bedrijf waar ten tijde van de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 reeds intensieve veehouderij wordt uitgeoefend en dat gelegen is binnen het op kaart 10 aangegeven gebied ‘uitbreiding stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij tot 5.000 m2' voorzien in een toename van stalvloeroppervlakte ten behoeve van intensieve veehouderij tot een oppervlakte van maximaal 5.000 m² dan wel maximaal de bestaande stalvloeroppervlakte voor zover groter dan 5.000 m². 2 In afwijking van artikel 2.29.1 kan een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een agrarisch bedrijf waar ten tijde van de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening reeds intensieve veehouderij wordt uitgeoefend en dat gelegen is binnen het op kaart 10 aangegeven gebied ‘uitbreiding stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij tot 7.500 m2, voorzien in een toename van stalvloeroppervlakte ten behoeve van intensieve veehouderij tot een oppervlakte van maximaal 7.500 m² dan wel maximaal de bestaande stalvloeroppervlakte voor zover groter dan 7.500 m². 3 Een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.29.2 en artikel 2.29.3 stelt regels die erin voorzien dat binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren. Artikel 2.29.4 Artikel 2.29.3 vervalt met ingang van 1 januari 2019. Artikel 2.29.5 Rechtstreeks werkende regels tot 1 januari 2019 1 Tot 1 januari 2019 is het verboden om een hoofd- of neventak intensieve veehouderij te starten. Ook is het verboden om de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij uit te breiden als dit leidt tot een grotere stalvloeroppervlakte dan: de bestaande stalvloeroppervlakte indien het bedrijf is gelegen binnen het op kaart 10 aangegeven gebied ‘geen uitbreiding stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij’; 5.000 m², of de bestaande stalvloeroppervlakte indien reeds groter dan 5.000 m², indien het bedrijf is gelegen binnen het op kaart 10 aangegeven gebied ‘uitbreiding stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij tot 5.000 m²’; 7.500 m², of de bestaande stalvloeroppervlakte indien reeds groter dan 7.500 m², indien het bedrijf is gelegen binnen het op kaart 10 aangegeven gebied ‘uitbreiding stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij tot 7.500 m2’. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op het verlenen en gebruik maken van een omgevingsvergunning voor het oprichten van nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen of het aanwenden van bestaande agrarische bedrijfsgebouwen of het uitbreiden van bestaande gebouwen die leidt tot een grotere stalvloeroppervlakte dan ingevolge het eerste lid is toegestaan,indien deze omgevingsvergunning noodzakelijk is om tegemoet te komen aan aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van het milieu; of ertoe strekt om het welzijn van de te houden dieren te vergroten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten; mits het aantal te houden dieren zoals is vergund niet toeneemt. Artikel 2.29.6 Rechtstreeks werkende regels vanaf 1 januari 2019 1 Vanaf 1 januari 2019 is het verboden om een hoofd- of neventak intensieve veehouderij te starten. Ook is het verboden om de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij uit te breiden. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op het verlenen en gebruik maken van een omgevingsvergunning voor het oprichten van nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen of het aanwenden van bestaande agrarische bedrijfsgebouwen of het uitbreiden van bestaande gebouwen die leidt tot een grotere stalvloeroppervlakte dan de bestaande stalvloeroppervlakte, indien deze omgevingsvergunning noodzakelijk is om tegemoet te komen aan aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van het milieu; of ertoe strekt om het welzijn van de te houden dieren te vergroten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten; mits het aantal te houden dieren zoals is vergund op 1 januari 2019 niet toeneemt. Artikel 2.29.7 Inwerkingtreding artikel 2.29.6 Artikel 2.29.6 treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Artikel 2.29.8 Overgangsrecht Artikel 2.29.6, eerste lid, is niet van toepassing op uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij, als de hiervoor vereiste omgevingsvergunning aantoonbaar is aangevraagd vóór 1 januari 2019 en deze vergunning verleend kan worden met in acht neming van de rechtstreeks werkende regel zoals die gold voor 1 januari 2019. Artikel 2.29.9Overgangsrecht Alteveersterweg 6 Stadskanaal Als voor 1 januari 2019 een bestemmingsplan is vastgesteld dat betrekking heeft op het perceel Alteveersterweg 6 en voorziet in een toename van stalvloeroppervlakte ten behoeve van intensieve veehouderij en het vaststellingsbesluit is, naar aanleiding van daartegen ingesteld beroep vernietigd, kan een bestemmingsplan opnieuw worden vastgesteld overeenkomstig artikel 2.29.3, zoals dat gold voor 1 januari 2019, mits het aantal te houden dieren zoals vergund door de gemeente Stadskanaal op 10 juli 2017 niet toeneemt. Artikel 2.30 Gestapeld houden van vee Een bestemmingsplan stelt regels die erin voorzien dat binnen gebouwen voor een agrarisch bedrijf ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren. Artikel 2.31 Tweede agrarische bedrijfswoningen 1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied voorziet niet in de mogelijkheid tot het oprichten van meer dan één bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf. 2 In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in het oprichten van een tweede bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf, als in de planregels in de vorm van voorwaarden is geborgd dat de tweede bedrijfswoning nodig is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Titel 2.9 Recreatieve ontwikkelingsmogelijkheden Artikel 2.32 Begripsbepalingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: buitengebied: gebied aangeduid op kaart 1; erfinrichtingsplan: plan waarin met toepassing van de maatwerkmethode de omvang, situering en ruimtelijke inrichting van het bouwperceel en de landschappelijke inpassing van de bebouwing en voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, zijn vastgelegd; kampeermiddel: tent, vouwwagen, camper, toercaravan of huifkar; maatwerkmethode: methode van overleg via keukentafelgesprekken met als doel om op bedrijfsniveau overeenstemming te bereiken over de omvang, situering en inrichting van het bouwperceel; permanente bewoning: gebruik als feitelijk hoofdverblijf; recreatiewoning: woonverblijf bestemd voor recreatief gebruik door gebruikers die hun hoofdverblijf elders hebben; voorwaardelijke verplichting: regel in het bestemmingsplan waarin is bepaald dat het gebruik van gronden en bouwwerken slechts is toegestaan onder de voorwaarde dat maatregelen of voorzieningen zijn getroffen en in stand worden gehouden; zelfstandig kampeerterrein: terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht en blijkens die inrichting bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen voor recreatief nachtverblijf. Artikel 2.33 Permanente bewoning van recreatieverblijven Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied voorziet niet in de mogelijkheid van permanente bewoning van recreatiewoningen, recreatiechalets en stacaravans. Afdeling 2.14 Recreatiebungalowparken Artikel 2.34.1 Nieuwe recreatiebungalowparken en uitbreiding bestaande recreatiebungalowparken 1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied kan voorzien in uitbreiding van een bestaand recreatiebungalowpark met een percentage van maximaal 20% van de bestaande totale oppervlakte van het recreatiebungalowpark . 2 Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuw recreatiebungalowpark of uitbreiding van een bestaand recreatiebungalowpark met een percentage groter dan 20% van de bestaande totale oppervlakte van het recreatiebungalowpark, als de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur en als aan de omvang, situering en inrichting van het park een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt en waarbij in de plantoelichting is verantwoord dat in ieder geval rekening is gehouden met achtereenvolgens: de historisch gegroeide landschapsstructuur; de afstand tot andere ruimtelijke elementen; een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen; het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en de nachtelijke lichtuitstraling. Artikel 2.34.2 Borging uitvoering erfinrichtingsplan 1 Een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.34.1, tweede lid, stelt regels die ervoor zorgen dat: eventuele bebouwing en voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, slechts overeenkomstig het erfinrichtingsplan worden gebouwd en/of aangelegd; de aanleg en instandhouding van de in het erfinrichtingsplan opgenomen erfbeplanting wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan of. als voorwaarde bij een omgevingsvergunning. 2 Aan het college van burgemeester en wethouders kan de bevoegdheid worden toegekend om het erfinrichtingsplan op het punt van de erfbeplanting te wijzigen onder dezelfde aanplant- en instandhoudingsverplichtingen, als dat vanwege onvoorziene omstandigheden nodig is. Artikel 2.34.3 Bedrijfsmatige exploitatie recreatiebungalowparken 1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een in het buitengebied gelegen bestaand recreatiebungalowpark, of dat voorziet in uitbreiding of nieuwvestiging van een recreatiebungalowpark, stelt regels om de bedrijfsmatige exploitatie van de recreatiewoning te waarborgen. 2 In afwijking van het eerste lid kunnen regels ter waarborging van de bedrijfsmatige exploitatie achterwege blijven voor zover het bestemmingsplan betrekking heeft op bestaande recreatiewoningen waarop niet reeds een verplichting tot bedrijfsmatige exploitatie van toepassing is. Afdeling 2.15 Zelfstandige kampeerterreinen Artikel 2.35.1 Nieuwe zelfstandige kampeerterreinen en uitbreiding bestaande zelfstandige kampeerterreinen 1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied kan voorzien in uitbreiding van een bestaand zelfstandig kampeerterrein met een percentage van maximaal 20% van de bestaande totale oppervlakte van het kampeerterrein. 2 Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuw zelfstandig kampeerterrein of uitbreiding van een bestaand zelfstandig kampeerterrein met een percentage groter dan 20% van de bestaande oppervlakte van het kampeerterrein, als de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur en als aan de omvang, situering en inrichting van het kampeerterrein een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt en waarbij in de plantoelichting is verantwoord dat in ieder geval rekening is gehouden met achtereenvolgens : de historisch gegroeide landschapsstructuur; de afstand tot andere ruimtelijke elementen; een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen; het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en de nachtelijke lichtuitstraling. Artikel 2.35.2 Borging uitvoering erfinrichtingsplan 1 Het bestemmingsplan bedoeld in artikel 2.35.1, tweede lid, stelt regels die ervoor zorgen dat: eventuele bebouwing en voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, slechts overeenkomstig het erfinrichtingsplan worden gebouwd en/of aangelegd; en, de aanleg en instandhouding van de in het erfinrichtingsplan opgenomen erfbeplanting wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan of als voorwaarde bij een omgevingsvergunning. 2 Aan burgemeester en wethouders kan de bevoegdheid worden toegekend om het erfinrichtingsplan op het punt van de erfbeplanting te wijzigen onder dezelfde aanplant- en instandhoudingsverplichtingen, als dat vanwege onvoorziene omstandigheden nodig is. Titel 2.10 Infrastructuur Afdeling 2.16 Gereserveerd tracé leidingen [vervallen] Afdeling 2.17 Gereserveerd tracé spoorverbinding en zoekgebied spoorverbinding Artikel 2.37.1 Gereserveerd tracé spoorverbinding Een bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid van bouw of aanleg van nieuwe gebouwen en bouwwerken, noch in de mogelijkheid van gebruik van gronden wanneer deze mogelijkheden afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid om spoorwegen aan te leggen binnen het op kaart 4 aangegeven 'gereserveerd tracé spoorverbinding’. Artikel 2.37.2 Zoekgebied spoorverbinding Een bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid van bouw of aanleg van nieuwe gebouwen en bouwwerken, noch in de mogelijkheid van gebruik van gronden wanneer deze mogelijkheden afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid spoorwegen aan te leggen binnen het op kaart 4 aangegeven zoekgebied spoorverbinding. Afdeling 2.18 Gereserveerd tracé wegverbinding en zoekgebied wegverbinding Artikel 2.38.1 Gereserveerd tracé wegverbinding Een bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid van bouw of aanleg van nieuwe gebouwen en bouwwerken, noch in de mogelijkheid van gebruik van gronden wanneer deze mogelijkheden afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid om wegen aan te leggen binnen het op kaart 4 aangegeven gereserveerd tracé wegverbinding. Artikel 2.38.2 Zoekgebied wegverbinding Een bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid van bouw of aanleg van nieuwe gebouwen en bouwwerken, noch in de mogelijkheid van gebruik van gronden wanneer deze mogelijkheden afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid om wegen aan te leggen binnen het op kaart 4 aangegeven zoekgebied wegverbinding. Afdeling 2.19 Helikopterhaven [vervallen] Titel 2.11 Duurzame energie Artikel 2.40 Begripsbepalingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: agrarisch bouwperceel: op de verbeelding van het bestemmingsplan aangeduid aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels van een bestemmingsplan zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan; bestaand stedelijk gebied: gebied dat geen deel uitmaakt van het op kaart 1 aangeduide buitengebied biomassavergisting: bedrijfsmatig produceren van duurzame energie door het bewerken van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, inclusief plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, en de afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval; buitengebied: gebied aangegeven op kaart 1; gemeentelijke gebiedsvisie zonne-energie: een door de gemeenteraad al dan niet in samenwerking met de raden van andere gemeenten vastgestelde structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een daarmee vergelijkbaar ruimtelijk beleidsdocument waarin ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening voor het grondgebied van de gemeente(
- n)het gemeentelijk beleid ten aanzien van zonne-energie is vastgelegd waarbij in ieder geval aan de hand van een gebiedsanalyse de locaties of gebieden worden aangewezen die in beginsel geschikt kunnen worden geacht voor de realisering van kleine en/of grote zonneparken en inzicht wordt geboden in de mogelijkheid voor omwonenden om te participeren in de ontwikkeling en opbrengst van een zonnepark; maatwerkmethode: methode van overleg via keukentafelgesprekken met als doel overeenstemming te bereiken over de omvang, situering en inrichting van een project binnen een plangebied; mestvergistingsinstallatie: installatie voor het omzetten van mest en eventueel co-substraat in biogas en digestaat, inclusief installaties voor opslag en bewerking van het biogas, en voor- tussen- en naopslag van mest; onderzoeksturbine: commercieel verkrijgbare gecertificeerde windturbine die primair bestemd is voor offshore toepassing, waarmee langjarig onderzoek wordt gedaan naar zog-effecten en die bedoeld is voor andere onderzoeksdoeleinden; prototype onshore testturbine: nog niet gecertificeerde onshore windturbine waarvan het primaire doel niet het opwekken van elektriciteit is, maar het verkrijgen van certificering voor de turbine; prototype offshore testturbine: nog niet gecertificeerde offshore windturbine waarvan het primaire doel niet het opwekken van elektriciteit is, maar het verkrijgen van certificering voor de turbine; solitaire windturbine: windturbine met een ashoogte groter dan 15 meter gelegen buiten de op kaart 5 aangeduide 'concentratiegebieden grootschalige windenergie', ‘testveld onderzoeksturbines’, ‘testveld prototype offshore testturbines’ en ‘zoekgebied vervanging windturbines’; tijdelijke windturbine: het bestemmen van een windturbine op gronden waar op het moment van vaststelling van de Structuurvisie Eemsmond - Delfzijl (d.d. 19 april 2017) het oprichten van een windturbine krachtens een op dat moment geldend bestemmingsplan nog niet is toegestaan;. windturbine: door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit. zonnepark: een ruimtelijk samenhangende, grondgebonden of drijvende installatie voor het opwekken van zonne-energie, groter dan 200 m2. Afdeling 2.20 Windturbines Artikel 2.41.1 Nieuwe windturbines 1 Een bestemmingsplan voorziet niet in de plaatsing van nieuwe windturbines anders dan mogelijk is op grond van de artikelen 2.41.3, 2.41.4, 2.41.6, 2.41.8 en 2.41.9. 2In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in de plaatsing van windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter als dat bestemmingsplan betrekking heeft op: het bestaand stedelijk gebied; of het buitengebied voor zover het betreft: een op de verbeelding aangewezen agrarisch bouwperceel; een zone van 25 meter rond de bestaande agrarische bebouwing zolang niet is voldaan aan artikel 2.6, tweede lid; of een al dan niet op de verbeelding aangewezen niet-agrarisch bouwperceel. Artikel 2.41.2 Proefprojecten windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter 1Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de gemeente één of meerdere gebied(
- en)aanwijzen waar - in afwijking van artikel 2.41.1 - bij omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12. eerste lid, onderdeel a, onder 3, j° artikel 2.23, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor een periode van maximaal 30 jaar kan worden afgeweken van het bestemmingsplan of beheersverordening voor de oprichting van: maximaal 3 windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter binnen een zone van 25 meter rond een agrarisch bouwperceel, als: is aangetoond dat het op grond van bijzondere feiten en omstandigheden niet mogelijk is om de windturbines binnen het agrarisch bouwperceel te plaatsen; en de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; maximaal één park- of lijnopstelling van windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter ten behoeve van een lokaal initiatief gericht op duurzaamheid en zelfvoorziening als de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. 2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend voor zover de betreffende gronden zijn gelegen binnen de op kaart 6 aangegeven 'NNN-beheergebieden', NNN-natuurgebieden', NNN-beheer aanpassingsgebied', NNN-natuur aanpassingsgebied', het 'zoekgebied robuuste verbindingszone' of de 'bos- en natuurgebieden buiten het natuurnetwerk Nederland'. 3 De ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, onder b, biedt inzicht in de mogelijkheid voor omwonenden om te participeren in de ontwikkeling en opbrengst van het windturbinepark of de lijnopstelling van windturbines. Artikel 2.41.3 Vervanging van bestaande windturbines Een bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid tot het vervangen van: een bestaande solitaire windturbine met uitzondering van vervanging van een solitaire windturbine op de bestaande locatie, waarbij de ashoogte niet groter is dan de bestaande ashoogte en de wieklengte niet meer bedraagt dan twee derde van de ashoogte; een bestaande turbine in een lijnopstelling met uitzondering van vervanging op de bestaande locatie waarbij de ashoogte niet meer bedraagt dan 40 meter en de wieklengte niet groter is dan twee derde van de ashoogte. Artikel 2.41.4 Concentratiegebieden grootschalige windenergie Een bestemmingsplan kan voorzien in de oprichting van windturbinesmet bijbehorende voorzieningen binnen de op kaart 5 aangegeven 'concentratiegebieden grootschalige windenergie', op voorwaarde dat: de windturbines deel gaan uitmaken van een park- of lijnopstelling; en, ze geen grotere wieklengte hebben dan twee derde van de ashoogte. Artikel 2.41.4A Tijdelijkheid windenergie Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het op kaart 5 aangegeven gebied 'tijdelijkheid windenergie' en dat wordt vastgesteld vóór 15 juli 2021 voorziet niet in het bouwen en in werking hebben van een tijdelijke windturbine voor een termijn langer dan 30 jaar. Artikel 2.41.5 Rechtstreeks werkende regel Tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan in overeenstemming is gebracht met artikel 2.41.1, 2.41.3, 2.41.4 en 2.41.9, of bij het ontbreken van een bestemmingsplan, is het verboden om: buiten de op kaart 5 aangegeven 'concentratiegebieden grootschalige windenergie' en het 'Zoekgebied vervanging windturbines' een nieuwe windturbine met een ashoogte van meer dan 15 meter te plaatsen; buiten de op kaart 5 aangegeven 'concentratiegebieden grootschalige windenergie' en het 'Zoekgebied vervanging windturbines' bestaande windturbines met een ashoogte van meer dan 15 meter te vervangen door windturbines met een grotere ashoogte dan die van de bestaande turbine; buiten de op kaart 5 aangegeven 'concentratiegebieden grootschalige windenergie' en het 'Zoekgebied vervanging windturbines' bestaande windturbines met een ashoogte van meer dan 15 meter te vervangen door windturbines met een grotere wieklengte dan twee derde van de ashoogte; buiten de op kaart 5 aangegeven 'concentratiegebieden grootschalige windenergie' bestaande solitaire windturbines met een ashoogte van meer dan 15 meter te vervangen door windturbines op een andere locatie, tenzij de vervangende windturbine deel zal uitmaken van een park-of lijnopstelling binnen het concentratiegebied grootschalige windenergie; buiten de op kaart 5 aangegeven 'concentratiegebieden grootschalige windenergie' bestaande windturbines die deel uitmaken van een park- of lijnopstelling te vervangen door een windturbine met een grotere ashoogte dan 40 meter of met een wieklengte groter dan twee derde van de ashoogte; binnen de op kaart 5 aangegeven 'concentratiegebieden grootschalige windenergie' en het'zoekgebied vervanging windturbines' een windturbine op te richten met een wieklengte van meer dan twee derde van de ashoogte; binnen de op kaart 5 aangegeven 'concentratiegebieden grootschalige windenergie' windturbines op te richten die geen deel uitmaken van een lijn- of parkopstelling. Artikel 2.41.6 Testveld onderzoeksturbines Een bestemmingsplan kan voorzien in de oprichting van maximaal vijf onderzoeksturbines met als doel wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van offshore windenergie binnen het op kaart 5 aangegeven ‘testveld onderzoeksturbines’, op voorwaarde dat: de turbines deel gaan uitmaken van een park- of lijnopstelling; en, geen grotere wieklengte hebben dan twee derde van de ashoogte. Artikel 2.41.7 Rechtstreeks werkende regels Tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan in overeenstemming is gebracht met artikel 2.41.6, of bij het ontbreken van een bestemmingsplan, is het verboden om: binnen het op kaart 5 aangegeven 'testveld onderzoeksturbines' een onderzoeksturbine op te richten met een wieklengte van meer dan twee derde van de ashoogte; binnen het op kaart 5 aangegeven 'testveld onderzoeksturbines' een onderzoeksturbine op te richten die geen deel uitmaakt van een lijn- of parkopstelling. Artikel 2.41.8 Testveld prototype offshore testturbines Een bestemmingsplan kan voorzien in de oprichting van maximaal vier prototype offshore testturbines, of maximaal drie prototype offshore testturbines en één prototype onshore testturbine, met als doel certificering van offshore en onshore windturbines en wetenschappelijk onderzoek, binnen het op kaart 5 aangegeven 'testveld prototype offshore testturbines'. Artikel 2.41.9 Zoekgebied vervanging windturbines 1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het op kaart 5 aangegeven 'zoekgebied vervanging windturbines' kan voorzien in de oprichting van maximaal twee tijdelijke windturbines met bijbehorende voorzieningen ter vervanging van twee windturbines die worden gesloopt voor de aanleg van een helikopterhaven in de Eemshaven, als: de vervangende windturbines geen grotere wieklengte hebben dan twee derde van de ashoogte; binnen de gebieden die zijn aangeduid als 'zoekgebied vervanging windturbines' in totaal maximaal twee tijdelijke windturbines worden opgericht. 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid dat wordt vastgesteld vóór 15 juli 2021 voorziet niet in het bouwen en in werking hebben van een tijdelijke windturbine voor een termijn korter dan 25 jaar en langer dan 30 jaar. Afdeling 2.21 Zonneparken en vergistingsinstallaties Artikel 2.42.1 Zonneparken 1 Een bestemmingsplan voorziet niet in de plaatsing van zonneparken. 2In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in het plaatsen van zonneparken voor een periode van maximaal 30 jaar: binnen het bestaand stedelijk gebied; aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied indien het zonnepark ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bestaand stedelijk gebied, en de omvang van het zonnepark kleiner is dan 10.000 m² en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke, of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied indien het zonnepark ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bestaand stedelijk gebied, en de omvang van het zonnepark groter is dan 10.000 m² en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; binnen een bouwvlak in het buitengebied en/ of daaraan aansluitend, mits het zonnepark zich ruimtelijk manifesteert als een hecht geheel met het bouwvlak en daar qua maatvoering ondergeschikt aan is, en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; op een voormalig slibdepot, op een bedrijfsterrein ten behoeve van gaswinning en gastransport, of op een gesloten stortplaats als de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; op door Gedeputeerde Staten, op basis van een gemeentelijke gebiedsvisie zonne-energie aangewezen locaties en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. 3 Aan de omvang, situering, en inrichting van het zonnepark als bedoeld in het tweede lid, dient een inrichtingsplan ten grondslag te liggen, waarbij in ieder geval rekening is gehouden met achtereenvolgens: de historisch gegroeide landschapsstructuur; de afstand tot andere ruimtelijke elementen; een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de voorzieningen voor de opwekking van zonne-energie. 4 Het bestemmingsplan biedt inzicht in de mogelijkheid voor omwonenden om te participeren in de ontwikkeling en opbrengst van het zonnepark. 5 Het tweede lid is niet van toepassing voor zover het bestemmingsplan betrekking heeft op het op kaart 6 aangegeven 'NNN-beheergebieden', 'NNN-natuurgebieden', 'NNN-beheer aanpassingsgebied' en 'NNN-natuur aanpassingsgebied', het 'Zoekgebied robuuste verbindingszone' of de 'bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland'. Artikel 2.42.2 Borging uitvoering inrichtingsplan 1 Een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.42. 1, tweede lid, stelt regels die ervoor zorgen dat: bebouwing en voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, slechts overeenkomstig het inrichtingsplan worden gebouwd of aangelegd; en de aanleg en instandhouding van de in voorkomend geval in het inrichtingsplan opgenomen beplanting wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting. 2 Aan burgemeester en wethouders kan de bevoegdheid worden toegekend om het inrichtingsplan op het punt van de erfbeplanting te wijzigen onder dezelfde aanplant- en instandhoudingsverplichtingen, als dat vanwege onvoorziene omstandigheden nodig is. Artikel 2.42.3 Rechtstreeks werkende regels 1 Tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan in overeenstemming is gebracht met artikel 2.42.1, is het verboden om installaties voor de opwekking van zonne-energie te plaatsen op een bedrijventerreinen, anders dan als ondergeschikt onderdeel van de bedrijfsvoering van het op hetzelfde bouwperceel gevestigde bedrijf. 2 Het verbod bedoeld in het eerste lid a is niet van toepassing op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin in de vorm van een voorwaarde is geborgd dat de installaties voor de opwekking van zonne-energie niet voor een langere periode dan maximaal 30 jaar op het bedrijventerrein geplaatst zullen blijven. Artikel 2.43 Biomassavergistingsinstallaties en mestvergistingsinstallaties 1 Een bestemmingsplan bevat geen regels op grond waarvan een installatie voor biomassa- of mestvergisting kan worden opgericht anders dan: op een bedrijventerrein; binnen een door Gedeputeerde Staten aangewezen gebied. 2 In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een agrarisch bouwperceel voorzien in de bouw van een mestvergistingsinstallatie, op voorwaarde dat daarbij sprake is van een bedrijfseigen activiteit. 3 Uit de toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in een biomassa- of een mestvergistingsinstallatie moet blijken dat omwonenden van deze installatie geen overlast door geur, geluid of verkeersbewegingen zullen ondervinden. Titel 2.12 Bescherming van natuur en bos Artikel 2.44 Begripsbepalingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: inrichtingsplan- en beheersplan: plan waarin met toepassing van de maatwerkmethode de omvang, situering en ruimtelijke inrichting van het gebied en de landschappelijke inpassing van de bebouwing en voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, waaronder ook beplanting, zijn vastgelegd; maatwerkmethode: methode van overleg via keukentafelgesprekken met als doel overeenstemming te bereiken over de omvang, situering en inrichting van een project binnen een plangebied; natuurbegraven: het ter aarde bestellen van menselijke stoffelijke overschotten anders dan op een reguliere begraafplaats; Natuurnetwerk Nederland: samenhangend netwerk van robuuste natuurgebieden, ecologische verbindingszones en agrarische gebieden met natuurwaarden, waarbinnen ecosystemen met daarbij behorende soorten duurzaam kunnen voortbestaan; natuurlijke waarden: biotische en abiotische waarden van een gebied; normaal agrarisch gebruik: gebruik dat gelet op de bestemming noodzakelijk is voor een goede agrarische bedrijfsvoering en agrarisch gebruik van de gronden; robuuste verbindingszone: natuurlijk ingerichte ecologische zone van voldoende omvang tussen grotere natuurkernen, die tot doel heeft dat soorten zich kunnen verplaatsen van het ene naar het andere natuurgebied. Afdeling 2.22 Natuurnetwerk Nederland Artikel 2.45.1 Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden 1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die deel uitmaken van het NNN-natuurgebieden, of van het ‘NNN-Natuur aanpassingsgebied’ aangegeven op kaart 6, voorziet niet in wijziging van de bestemming of van de regels voor het gebruik van de grond, als die wijziging per saldo leidt tot een significante aantasting van het areaal van de gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland – natuurgebieden behoren, of tot een significante aantasting van de in bijlage 2 beschreven wezenlijke kenmerken en waarden van deze gronden, tenzij: de wijziging een groot openbaar belang dient en; er geen andere mogelijkheden zijn om in het betreffende openbaar belang te voorzien; en de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt, terwijl de overblijvende effecten gelijkwaardig in termen van areaal, kwaliteit en samenhang worden gecompenseerd; of de ingreep kleinschalig van aard is en; schade als gevolg van de ingreep zoveel mogelijk wordt voorkomen; en resterende schade volledig wordt gecompenseerd; en er netto winst optreedt voor de belangrijke kenmerken en waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang. 2 Onder de in het eerste lid bedoelde wezenlijke kenmerken en waarden van de gronden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden worden ook begrepen de potentiële kenmerken en waarden. 3 De toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in een herziening van de bestemming en regels die volgens het eerste lid gecompenseerd moet worden bevat een verantwoording over de aard en omvang van de effect beperkende- en compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied, en de manier waarop de compensatie duurzaam is verzekerd. 4 Artikel 2.45.1, eerste lid, is niet van toepassing: op gronden die deel uitmaken van een agrarisch bouwperceel; op activiteiten die deel uitmaken van een normale agrarische bedrijfsvoering, als landbouw de hoofdfunctie is. Artikel 2.45.2 Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden 1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die deel uitmaken van het NNN-natuurgebieden, of van het ‘NNN-Beheer aanpassingsgebied’ aangegeven op kaart 6, voorziet niet in wijziging van de bestemming of wijziging van de regels voor het gebruik van de grond, als die wijziging per saldo leidt tot een significante aantasting van het areaal van de gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland – beheergebieden behoren, of tot een significante aantasting van de in bijlage 2 beschreven wezenlijke kenmerken en waarden van deze gronden, tenzij: de wijziging een groot openbaar belang dient; er geen andere mogelijkheden zijn om in het betreffende openbaar belang te voorzien; de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt, terwijl de overblijvende effecten gelijkwaardig in termen van areaal, kwaliteit en samenhang worden gecompenseerd. de ingreep kleinschalig van aard is; schade als gevolg van de ingreep zoveel mogelijk wordt voorkomen; resterende schade volledig wordt gecompenseerd; en, er netto winst optreedt voor de belangrijke kenmerken en waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang. 2 De toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in een herziening van de bestemming en regels die overeenkomstig het eerste lid gecompenseerd moet worden bevat een verantwoording omtrent de aard en omvang van de effect beperkende- of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied, en over de manier waarop de compensatie duurzaam is verzekerd. 3 Artikel 2.45.2, eerste lid is niet van toepassing: op gronden die deel uitmaken van een agrarisch bouwperceel; op activiteiten die deel uitmaken van een normale agrarische bedrijfsvoering, indien landbouw de hoofdfunctie is. Artikel 2.45.3 Wijzigingsbevoegdheid Gedeputeerde Staten 'Natuurnetwerk Nederland – natuurgebieden’ en ‘Natuurnetwerk Nederland – beheergebieden’ Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de begrenzing van het op kaart 6 aangegeven ‘NNN– natuurgebieden’ en van het ‘NNN– beheergebieden’, te wijzigen: ten behoeve van een verbetering van de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland of een betere planologische inpassing van het Natuurnetwerk Nederland, mits : de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland worden behouden; en de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft. ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling, voor zover de aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden beperkt is; en de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland; en de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland tenminste gelijk blijft. als gevolg van een besluit tot vaststelling van de begrenzing van de robuuste verbindingszone. Artikel 2.45.4 Wijzigingsbevoegdheid Gedeputeerde Staten NNN-natuur aanpassingsgebied Gedeputeerde Staten zijn - als de hydrologische situatie of de realiseerbaarheid daartoe aanleiding geeft - bevoegd de begrenzing van het op kaart 6 aangegeven NNN-natuur aanpassingsgebied te wijzigen en deze aanduiding geheel of gedeeltelijk te laten vervallen of geheel of gedeeltelijk te veranderen in 'NNN-beheer aanpassingsgebied' Artikel 2.45.5 Wijzigingsbevoegdheid Gedeputeerde Staten NNN-beheer aanpassingsgebied Gedeputeerde Staten zijn - als de hydrologische situatie of de realiseerbaarheid dan wel de effectiviteit van het agrarisch natuurbeheer daartoe aanleiding geeft - bevoegd de begrenzing van het op kaart 6 aangegeven ‘NNN-Beheer aanpassingsgebied’ te wijzigen en de aanduiding geheel of gedeeltelijk te laten vervallen. Artikel 2.45.6 Wijzigingsbevoegdheid Gedeputeerde Staten bijlage 2 Natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot wijziging van bijlage 2 Natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden voor zover het betreft de daarin opgenomen waarden, als ontwikkelingen in de abiotische en biotische kenmerken daartoe aanleiding geven. Artikel 2.46 Zoekgebied robuuste verbindingszone Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het op kaart 6 aangegeven zoekgebied robuuste verbindingszone voorziet niet in wijziging van de bestemming of van de regels voor het gebruik van de grond, als die wijziging een significante beperking met zich meebrengt van de mogelijkheid om een hoogwaardige robuuste verbindingszone te creëren en in stand te houden, tenzij Gedeputeerde Staten voor het van toepassing zijnde deel van het zoekgebied robuuste verbindingszone de begrenzing van de robuuste verbindingszone hebben vastgesteld. Artikel 2.47 Bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland 1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die deel uitmaken van de op kaart 6 aangegeven 'bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland', voorziet niet in wijziging van de bestemming of wijziging van de regels voor het gebruik van de grond, als door die wijziging significant afbreuk wordt gedaan aan het areaal van de gronden die tot het bos- of natuurgebied behoren of aan de actuele natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het bos- of natuurgebied, tenzij: er sprake is van een groot openbaar belang; en er geen andere mogelijkheden zijn; en de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt, terwijl de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd; of de ingreep kleinschalig van aard is; en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen; en resterende schade volledig wordt gecompenseerd; en er netto winst optreedt voor de belangrijke kenmerken en waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang. 2 De toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in een wijziging van de bestemming of van de regels die als gevolg van het eerste lid gecompenseerd moet worden bevat een verantwoording over de aard en omvang van de effect beperkende- of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied, en de manier waarop de compensatie duurzaam is verzekerd. Artikel 2.47A Wijzigingsbevoegdheid Gedeputeerde Staten Bos en Natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de begrenzing van de op kaart 6 aangegeven 'bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland’, te wijzigen: ten behoeve van: een verbetering van de kwaliteit en het functioneren van het lokale ecologische systeem binnen het als bos- en natuurgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland aangeduide gebied; of duurzame borging van een ecologisch waardevol gebied; of versterking van aangrenzend gebied dat deel uitmaakt van het NNN; mits: er netto winst optreedt voor de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, en de oppervlakte van het totale areaal aan gronden van de op kaart 6 aangegeven 'bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland' ten minste gelijk blijft. ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling, mits: de aantasting van de belangrijke kenmerken en waarden beperkt is; de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de ecologische waarden van het bos- en natuurgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland; en de oppervlakte van het totale areaal aan gronden van de op kaart 6 aangegeven 'bos en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland' tenminste gelijk blijft. Artikel 2.47B Natuurbegraven 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied kan voorzien in natuurbegraven, mits: aan het plangebied de bestemming natuur wordt toegekend met natuurbegraven als ondergeschikte nevenfunctie; en de vestiging of uitbreiding van de natuurbegraafplaats aantoonbaar gepaard gaat met netto winst voor de natuurlijke- en landschappelijke waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang; en aan het plan een inrichtings- en beheerplan ten grondslag ligt dat tot stand is gekomen onder begeleiding van een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van ecologie en landschapsarchitectuur; en de aanleg en uitvoering van het inrichtings- en beheerplan publiekrechtelijk wordt geborgd; en de betreffende gronden niet zijn gelegen binnen de op kaart 12 aangegeven 'bosgebieden van voor 1850'. 2. De toelichting op het bestemmingsplan bedoeld in het eerste lid biedt inzicht in: de gevolgen voor de recreatieve waarden van het gebied; en de gevolgen van de voorziene duur van de grafrust op toekomstige ontwikkelingen; en de wijze waarop wordt voorzien in parkeerbehoefte van bezoekers. Artikel 2.47C As-verstrooiing Een bestemmingsplan voorziet niet in gebruik van gronden ten behoeve van het verstrooien van crematie-as binnen: de op kaart 6 aangegeven gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, of de op kaart 6 aangegeven bos- en natuurgebieden buiten het NNN, of de op kaart 3 aangegeven grondwaterbeschermingsgebieden. Afdeling 2.23 Leefgebied weide- en akkervogels Artikel 2.48.1 Leefgebied weidevogels 1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een op kaart 6 aangegeven ‘leefgeb