← Nederland

Beverbeheerplan 2021-2025 (Groningen)

In het kort

Dit plan, genaamd "Beverbeheerplan 2021-2025", is een verlenging van het bestaande beverbeheerplan tot en met 31 december 2028. Het heeft als doel de bescherming van bevers te waarborgen en tegelijkertijd richtlijnen te bieden voor het omgaan met schade en het garanderen van waterveiligheid in de provincies Groningen en Drenthe.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Beverbeheerplan 2021-2025GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN Gelet op artikel 2.13 en 2.18 van de Omgevingswet waaruit de taak volgt om zowel te zorgen voor het behoud en herstel van inheemse diersoorten, als het waarborgen van de waterveiligheid; Overwegende dat het beverbeheerplan de afgelopen jaren een bruikbaar handelingsperspectief heeft geboden aan de waterschappen om de waterveiligheid te garanderen; dat de beverpopulatie in Groningen en Drenthe zich positief heeft ontwikkeld, ondanks het uitgevoerde beheer; dat er de komende jaren schade door bevers valt te verwachten en continuïteit van het beverbeheer bijdraagt aan een goede balans tussen bescherming van de bever enerzijds, en schadebestrijding en het waarborgen van de waterveiligheid anderzijds; dat het actualiseren van het beverbeheerplan een zorgvuldige voorbereiding behoeft waarvoor voldoende tijd nodig is, ook om alle belanghebbenden daarin op een goede manier te kunnen betrekken. dat de waterschappen hebben verzocht om het beverbeheerplan tot en met 2028 te verlengen. Besluiten Het huidige beverbeheerplan 2021-2025 te verlengen tot en met 31 december

  1. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking een dag na de bekendmaking van dit besluit in het Provinciaal blad. Samenvatting Om de bescherming van bevers in de beheergebieden van de waterschappen Hunze & Aa's en Noorderzijlvest te borgen en tegelijkertijd heldere richtlijnen te formuleren om in voorkomende situaties vlot en effectief op te kunnen treden, is onderhavig concept- beverbeheerplan geschreven. In dit beheerplan wordt een analyse gepresenteerd van alle relevante informatie over de beverpopulatie in Groningen en Drenthe, de aard en omvang van de effecten van beveraanwezigheid, de mogelijkheden om die effecten te mitigeren en de juridische context. In het beheerplan worden keuzes gemaakt ten aanzien van beheer en inrichting. Het bijbehorende beverprotocol beschrijft hoe er gehandeld kan worden in het veld op basis daarvan. Het betreft een plan, geschreven in opdracht van provincies Groningen en Drenthe en de waterschappen Hunze & Aa's en Noorderzijlvest, op basis waarvan overleg heeft plaatsgehad met een klankbordgroep van belanghebbenden en de betrokken bestuurders van de opdrachtgevers. Er is een planhorizon gekozen van vijf jaar, maar tussentijdse evaluatie en eventuele aanscherping ligt voor de hand. Door de kenmerkende levenswijze is de bever in staat een bijzondere leefomgeving te creëren voor allerlei gewenste planten- en diersoorten. Maar er is overduidelijk ook een spanningsveld met, onder andere, de waterveiligheid en de economische belangen in het huidige cultuurlandschap. Om problemen vóór te zijn en draagvlak te behouden zal in Groningen en Drenthe in de komende jaren worden ingezet op doordacht en samenhangend beverbeheer. In navolging van wat daarover in de literatuur is geschreven rust dat beheer op vier pijlers 1) professioneel advies, 2) preventieve maatregelen, 3) tegemoetkoming bij schade en 4) adequaat ingrijpen bij onacceptabele natschade of in geval van gevaar voor veiligheid. Dit beheer wordt (vooralsnog tijdelijk) ingevuld met een zonering in de ruimte, omdat de belangen op grond waarvan ingrijpen te rechtvaardigen is en de beschikbare alternatieven, verschillen per deelgebied. Het gaat om drie zones: “bever welkom”, “bever groot risico” en “bever met aandacht”. Op onderstaande kaart is deze zonering weergegeven. Groningen en Drenthe dragen bij aan de duurzame instandhouding van de bever in Nederland en hebben daarvoor een groot oppervlak, onderling verbonden, geschikt leefgebied beschikbaar, met name in de beekdalen, de grote meren en de laagveenmoerassen. Aan goede aansluiting met de metapopulatie in West-Europa wordt al jaren gewerkt. Delen van dit geschikte gebied met een beschermde status vormen de in het kader van dit plan omlijnde “bever welkom”-zone. Er is in deze zone ruimte voor naar schatting 91 bever territoria, mede dankzij forse investeringen ten behoeve van beekherstel en waterretentie in de afgelopen decennia. De aanwezigheid van de bever draagt positief bij aan de water- en natuurdoelen in deze gebieden. Gezien de situatie dat beveraanwezigheid tot grote calamiteiten met de veiligheid kan leiden in de lage delen van het beheergebied, is daar de zone “bever groot risico” begrenst. Het overwegende belang hierachter is de openbare veiligheid in relatie tot overstroming. Zonder buitenproportionele investeringen kan aanwezigheid van de bever hier, in ieder geval in de voorliggende beheerperiode van vijf jaar, niet worden geaccepteerd. Door het handhaven van ecologische barrières voor de bever en het gericht wegvangen en verplaatsen van individuen wordt enerzijds vestiging voorkomen en anderzijds bijgedragen aan het verbinden van de noordelijke deelpopulatie met de centraal zuidelijke populatie in Nederland. In de wat verdere toekomst zal mogelijk populatiebeheer door doding aan de orde zijn, als herplaatsing niet meer mogelijk is. In de “bever met aandacht” zone is co-existentie met de bever mogelijk. Dat zal kunnen slagen als mensen niet alleen de lasten ondervinden, maar ook profijt ervaren (natuurschoon, ecotoerisme, etc.). Het is belangrijk dat particulieren, bedrijven en andere belanghebbenden hierin ondersteund worden met kennis en middelen, dat ingezet wordt op preventie en dat er een duidelijk en consistent beleid wordt gevoerd waarbij in voorkomende gevallen snel en adequaat wordt opgetreden. Het 'Beverprotocol Groningen en Drenthe, dat in Bijlage 5 is gegeven, geeft de handelwijze op grond waarvan op voorhand vrijstelling kan worden verleend van een aantal verboden uit de wet Natuurbescherming voor een periode van vijf jaar. Belangen die ingrijpen rechtvaardigen zijn belangrijke schade aan gewas of risico’s op persoonlijke veiligheid. Aldus werken we toe naar een situatie waarin mensen voelen dat beveraanwezigheid in veel gevallen niét tot problemen hoeft te leiden of dat die problemen beheersbaar zijn. De verzamelde inzichten geven richting aan maatregelen in het veld om de bescherming van bevers te optimaliseren en stellen daar een taakverdeling bij voor. Het is ons duidelijk dat we hierbij het meest kunnen bereiken als dit beheer in samenwerking wordt vormgegeven. De beoogde partners in deze samenwerking zijn daarom aan tafel gevraagd. Het plan is een eerste keer met hen besproken en op basis daarvan aangescherpt. 1Inleiding 1.1Aanleiding en kader In 1826 werd de laatste wilde bever in Nederland gedood en was deze diersoort bij ons uitgestorven. Samenhangend met diverse herintroductie projecten is de bever sinds 1988 weer terug in Nederland. Er worden verschillende deelpopulaties onderscheiden, waarvan een deel naar verwachting in de nabije toekomst contact met elkaar, of met populaties in het buitenland zal maken (Kurstjens & Niewold 2011). Ook in het Hunzedal en Drentse Aa zijn bevers uitgezet. Er is daar sprake van een zich ontwikkelende populatie en het dier kan in de naaste toekomst ook in andere (moeras-)gebieden van Groningen en Drenthe worden verwacht. De bever heeft een belangrijke ecologische sleutelrol (Schwab 2014). Bevers dragen sterk bij aan natuurontwikkeling en vergroting van de diversiteit rond beken, geulen en plassen. Door de kenmerkende levenswijze is hij in staat een bijzondere leefomgeving te creëren voor allerlei gewenste planten- en diersoorten (Kurstjens & Calle 2009). Maar er is overduidelijk ook een spanningsveld met de waterveiligheid en de economische belangen in het huidige cultuurlandschap. In specifieke situaties kan zelfs een conflict met andere (N-2000) natuurdoelen optreden. Graverij in oevers en keringen kan leiden tot overstromingen. Daarnaast kan nat- en vraatschade optreden (Kurstjens & Niewold 2011). De uitdaging is om de bever in Nederland zijn leefgebied weer in te laten nemen maar tegelijkertijd eventuele problemen en schade tot een minimum te beperken. De bever is een streng beschermde soort conform de Habitatrichtlijn en daarom staat de soort in de Wet natuurbescherming. De provincies zijn bevoegd gezag om ontheffingen te verlenen vanuit de Wet natuurbescherming. Dergelijke ontheffingen zijn nodig om in te kunnen grijpen bij ongewenste graverij of dammenbouw in bepaalde schadegevoelige of voor de veiligheid relevante gebieden, zoals dijken, kades, stuwen, maar ook andere relevante infrastructuur. De waterschappen zijn bij wet verantwoordelijk voor de waterveiligheid en hebben een duidelijk protocol nodig om in te kunnen grijpen bij onacceptabele natschade of veiligheidsrisico’s. Soms ook zijn er conflicten met andere natuurdoelen of doelen uit de Kaderrichtlijn Water die ingrijpen rechtvaardigen kunnen. Tegen deze achtergrond hebben de provincies Groningen en Drenthe en de waterschappen Hunze & Aa's en Noorderzijlvest een beverplan in twee delen laten opstellen: een beverbeheerplan en een beverprotocol. In het beheerplan worden keuzes gemaakt ten aanzien van beheer en inrichting, met een onderbouwing daarbij. Het beverprotocol beschrijft hoe er gehandeld kan worden in het veld op basis hiervan. Het onderhavige document omvat beide delen. De hoofdtekst is het beverbeheerplan, het daaruit volgende 'beverprotocol Groningen en Drenthe', staat in de bijlagen. 1.2Doelstelling Doel van het beverbeheerplan is om voor de beheergebieden van de waterschappen Hunze & Aa's en Noorderzijlvest de bescherming van bevers te borgen en tegelijkertijd heldere richtlijnen te formuleren in een beverprotocol om vlot en effectief op te kunnen treden bij schades, grote schaderisico’s of conflicten met ecologische doelstellingen. Tezamen dienen de documenten als onderbouwing voor te verlenen ontheffingen van de bepalingen in de Wet natuurbescherming door het bevoegd gezag. De verzamelde inzichten beogen richting te geven aan wenselijke maatregelen in het veld om de bescherming te optimaliseren en stellen daar een taakverdeling bij voor. Een kaart met daarop de omlijning van het studiegebied is gegeven in figuur 1.
  2. Figuur 1.1 Een kaart met daarop de omlijning van het studiegebied, de waterschapsgrenzen en een selectie van belangrijke toponiemen. 1.3Aanpak Om tot het gewenste beheerplan en protocol te komen zijn drie stappen gezet. Allereerst is alle relevante basisinformatie inzichtelijk gemaakt. Deels gaat het om informatie met een ruimtelijk aspect, met name waterveiligheid, economisch belang, en habitatgeschiktheid voor de bever. Deze informatie wordt op thematische kaarten gepresenteerd en beschreven. Een ander deel heeft betrekking op informatie die minder ruimtelijk specifiek is. Dit betreft de juridische context, de kosten en risico’s die met de beveractiviteiten zijn geassocieerd, de mogelijkheden tot preventie van graverij en tenslotte de populatiebiologie van bevers (zie het schema hieronder in figuur 1.2). Op basis van de niet-ruimtelijke informatie en de thematische kaarten is een interpretatie gemaakt waarin ecologische knelpunten zijn geïdentificeerd en is een visie gegeven op de staat van instandhouding. Vervolgens heeft de begeleidingsgroep1De begeleidingsgroep bestond uit vier leden, werkzaam bij provincies Drenthe en Groningen of Waterschap Hunze & Aa’s en Noorderzijlvest. keuzes gemaakt met betrekking tot een beoogde verdeling van het beheersgebied in een aantal typen gebieden en daarbij passende beheer- en inrichtingsmaatregelen. Dit noemen we in dit document de ‘Beverbeheerkaart’. De praktische uitwerking in een beverprotocol is feitelijk het sluitstuk. Het beverprotocol beschrijft hoe te handelen in het veld, indien een bever of sporen van bevers zijn gesignaleerd. Zowel de thematische kaarten als de resulterende ‘beverbeheer kaart’ zijn het resultaat van een proces over een periode van enkele jaren (2017-2020) waarin de input vanuit de opdrachtgever, literatuurkennis en de kennis van inhoudelijke specialisten van de uitvoerder is benut. Bij het opstellen van dit beverbeheerplan is daarnaast gebruik gemaakt van kennis en ervaring bij andere waterschappen en provincies, in het bijzonder die van waterschap en provincie Limburg. In Limburg is in 2014 reeds een bevervisie opgesteld (Kurstjens 2014), welke heeft geresulteerd in een door de Faunabeheereenheid Limburg opgesteld Faunabeheerplan voor de bever (Faunabeheereenheid Limburg, 2017). Figuur 1.2: schema van gemaakte stappen in het proces naar een beverbeheerplan en - protocol. 1.4Planhorizon en herziening Het beheerplan heeft een planhorizon van vijf jaar. Tussentijds zal er op basis van ervaringen met evt. schades en de geconstateerde populatieontwikkeling een evaluatie en eventuele aanscherping plaatsvinden. De komende planperiode zal worden aangegrepen om te leren. De ervaring in het buitenland is dat er vaak geen problemen door bevers hoeven op te treden, of dat veel problemen eenvoudig zijn op te lossen (Campbell-Palmer et al. 2016). Echter, de buitenlandse ervaringen en kennis – hoe uitgebreid en gedetailleerd ook- is niet één op één toepasbaar in het unieke landschap in grote delen van Nederland. Effecten van bevers, en dus ook oplossingen ter mitigatie daarvan, zijn landschapsspecifiek. En vooralsnog is er, buiten de Oderbruch (Dtsl.) in Noordwest Europa nog erg weinig ervaring opgedaan met bevers in het type laag liggend, druk bevolkt landschap waar dit plan betrekking op heeft. 1.5Status van dit plan Het onderhavige plan is besproken met een klankbordgroep van belanghebbenden en de betrokken bestuurders van de opdrachtgevers. Het plan wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincies en de Dagelijkse Besturen van de waterschappen. 1.6Leeswijzer In hoofdstuk twee tot vijf wordt alle relevante basisinformatie gepresenteerd over biologie, waterveiligheid, effecten van bevers en de juridische context. In het zesde hoofdstuk wordt een interpretatie gegeven van de huidige Staat van Instandhouding, en de mate waarin die binnen het studiegebied voor lange termijn kan worden geborgd. In hoofdstuk zeven volgen de keuzes met betrekking tot het beheer van de beverpopulatie, de zonering daarbij en de in te zetten middelen per zone. De beoogde samenwerking en de organisatie daarvan is beschreven in bijlage
  3. 2Bevers in provincies Groningen en Drenthe 2.1Aantal en verspreiding 2.1.1In het projectgebied Er is vanaf 2008 met de uitzetting gestart (vier dieren) en later is er nog een aantal dieren bijgeplaatst (zie tabel 2.1: dertien in 2009; vijf in 2011 en vier in
  4. Bron: Het Drentse Landschap; zie ook http://www.natuurplatform-drentsche-aa.nl/Aa_themas/-bever.html, en (Nooren 2006). De huidige stand van de bever populatie voor Groningen en Drenthe wordt momenteel ingeschat op 125-180 dieren (januari 2020, pers. med. B. Zoer). De schatting betreft een expertoordeel op basis van het aantal bezette bever territoria en kennis van het voortplantingssucces in een deel daarvan. In 2017 waren er 17 tot 21 reproductieve paartjes in Groningen en Drenthe (pers. med. B. Zoer). De verspreiding is vooralsnog beperkt tot het Zuidlaardermeergebied, de Hunze en de Drentsche Aa (zie figuur 2.1), met enkele waarnemingen sinds februari 2017 in het dal van de Ruiten Aa. Tabel 2.
  5. Overzicht van aantallen aanwezige en uitgezette bevers in Drenthe en Groningen en bekende sterfgevallen. Aantal Jaar min max Introductie Bekende sterf-gevallen 2008 4 4 4 0 2009 15 13 1 2010 0 2011 5 3 2012 4 1 2013 0 2014 3 2015 1 2016 2 2017 115 140 2018 3 2019 125 180 3 Er zijn daarmee in totaal 26 Elbe-bevers uitgezet. De herkomst van de uitgezette bevers is in zekere zin divers omdat acht dieren via Antwerpen zijn gekomen, vier dieren uit de Biesbosch, twee dieren uit Limburg en twaalf rechtstreeks uit de Elbe (pers. med. B. Zoer). Er is ook één spontane vestiging bekend, waarschijnlijk vanuit de Ems, die hierboven niet is bijgeteld. De huidige genetische diversiteit is onbekend. Voor zover bekend, zijn in de loop der jaren 17 bevers dood teruggevonden, waarvan 9 verkeersslachtoffer en 3 natuurlijke sterfte en 5 onbekend. Gemiddeld betekent een aantal tussen 125 en 180 individuen dat er een gemiddeld groeipercentage van 18-23% op jaarbasis is geweest (eigen berekening). De berekende populatiegroei van de afgelopen 3 jaar in Nederland als geheel was gemiddeld 17,5% (Dijkstra & Hollander, 2016). In de aangrenzende gebieden zijn in Friesland ca. 3 bevers aanwezig in 10 5*5 km-hokken. In Duitsland in de regio Hase-Ems komen ca. 175 bevers voor in 26 5*5 km-hokken. De centraal-zuidelijke aaneengesloten Nederlandse populatie die verbonden is via de grote rivieren beslaat ca. 300 5*5 km-hokken (Lammertsma et al. 2019). Figuur 2.1 Kaart met alle bekende waarnemingen van bevers en beversporen in Groningen en Drenthe (bron: NDFF tot december 2019). Met een ster zijn alle locaties van territoria aangegeven die minimaal één jaar bezet zijn geweest (bron: Het Drentse Landschap). De bekende territoria in het Emsland zijn overgenomen van www.emslandbiber.de (bron: Niedersächsischer Landesbetrieb für Wasserwirtschaft, Küsten- und Naturschutz – NLWKN) 2.1.2In Nederland In Nederland is de bever soort met succes geherintroduceerd. Door groei van de populatie en kolonisatie van nieuwe leefgebieden is de populatie inmiddels flink uitgebreid. (Fig. 1). Tegenwoordig komt de bever in een te groot gebied voor om de aantallen exact te bepalen, maar in het voorjaar van 2019 leefden naar schatting ongeveer 3.500 dieren in ons land (Dijkstra 2019, nature today). Dijkstra & Hollander

(2016)geven een overzicht van de huidige verspreiding van de bever in Nederland en maken een voorzichtige inschatting van welke gebieden of watersystemen de komende 5 jaar waarschijnlijk bevolkt gaan worden. Met name het rivierengebied (Rijntakken en Maasdal) is van groot belang voor de bevers in Nederland. Ten eerste omdat momenteel een belangrijk deel van de populatie hier voorkomt en daarmee de ruggengraat van de Nederlandse populatie vormt. Ten tweede omdat het de functie vervult van verbindingsgebied, waardoor verschillende delen van Nederland met elkaar in verbinding staan en genetische uitwisseling plaatsvindt. Dijkstra & Hollander wijzen op de ontwikkeling van de beverpopulatie die na uitzettingen langs de Hase in Duitsland rond 1988 is ontstaan. Deze populatie betreft ook Elbe bevers en is inmiddels zodanig gegroeid dat ze de Nederlandse grens heeft bereikt (figuur 2.1). Als deze dieren aansluiting vinden bij de Drentse populatie, dan heeft dat gunstige effecten op de genetische diversiteit van de populatie Groningen en Drenthe. Of dat ook betekent dat de populatie-ontwikkeling versnelt is ongewis. In Flevoland ontsnapten in 1990 enkele bevers en in 2019 werd het aantal op ruim 230 dieren geschat (Reinhold & Smeets 2014, data landschapsbeheer Flevoland). Naar verwachting zal ook op termijn van 5-10 jaar vanuit Overijssel en Flevoland aansluiting met de populatie in Drenthe gevonden kunnen worden, bijvoorbeeld via de Wieden/ Weerribben en de beeksystemen van Zuid-Drenthe. Figuur 2.2 Huidige verspreiding van de Europese bever (rood) en de Canadese bever (groen) in Europa. Zwart geeft de refugia aan waar Europese bevers nooit zijn uitgestorven. ‘F’ geeft aan welke landen haalbaarheidsstudies hebben uitgevoerd. (overgenomen uit Campbell-Palmer et al. 2016). 2.2Habitatgeschiktheid in de twee provincies Beverhabitat voldoet aan de criteria dat er voldoende voedsel moet zijn, en water om de ingang van de burcht onder water te kunnen hebben. Het in kaart brengen van geschikt beverhabitat is iets waarin diverse auteurs ons al zijn voorgegaan (review in: SNH 2015). Ervaringskennis leert dat de bever overal in het Nederlandse landschap de omstandigheden ‘naar zijn hand’ kan zetten (door peilopzet middels dammenbouw in kleine stromende wateren) en daarmee overal voor kan komen. Op een kaart van Dijkstra & Hollander
(2016)zijn alle uurhokken van Nederland dan ook als potentieel geschikt aangemerkt, op een paar droge delen van de Veluwe na alsook de Waddeneilanden en enkele Zeeuwse eilanden. Een meer subtiele benadering is die van SNH, waarbij op groot detail niveau beverhabitat is gemodelleerd in GIS (Shirley et al. 2015) met heldere beslisregels op een schaal van 100*100m. Er is in het kader van deze studie een kaart gemaakt van bevergeschiktheid, die gebruik maakt van deze beslisregels. We onderscheiden drie categorieën leefgebied en benutten voor het gemak even de door Shirley gebruikte Engelse namen: ‘Null’ habitat, dit is alle gebied verder dan 300m van water. ‘Core habitat’, dit is alle gebied in Groningen en Drenthe, binnen 20m van permanent water inclusief dat water zelf, waarbij aannemelijk is dat de dieren er voldoende voedsel kunnen vinden. ‘Dispersal habitat’, al het overige gebied. In Gis hebben is hier een kaartbeeld van gemaakt door van alle begrensde natuur in Groningen en Drenthe2Begrensde natuur omvat Natuurnetwerk Nederland (NNN, inclusief overige Natuur), de Natura_2000 gebieden en alle eigendom van terreinbeherende organisaties (TBO’s, Groninger Landschap, NMM en SBB). de oppervlaktes buiten beschouwing te laten waarvan het beheertype zeker niet door bevers zal worden benut (droge heide, naaldbos etc.). Dit is aangevuld met alle bosgebied van geschikte bostypen buiten de begrensde natuur. Om alle grotere wateroppervlaktes, hoofdwatergangen en schouwsloten is een buffer van 20m gelegd. Het ‘Core-habitat’ is in ieder geval dat gebied, waar aan beide voorwaarden wordt voldaan en waarbij er voldoende oppervlak bos is (meer dan 4 ha)3Het is noodzakelijk voor een dergelijke exercitie éénduidige criteria te gebruiken. Wel moet men in gedachten houden dat bevers ook veel verder van het water foerageren en dan vooral als het voedsel dichter bij het water niet meer voldoet. Er zijn voorbeelden bekend dat ze tot wel 50-100 m lopen om bij voedsel te komen. Nu zijn dat uitzonderingen, maar in de toekomst zal dat waarschijnlijk vaker voorkomen. Ook de 4 ha bos is verre van ‘heilig’. Het kan straks gaan om territoria met minder dan 1 ha houtige begroeiing en dan in combinatie met landbouwgewassen. Dit zien we in het zuiden van Nederland nu af en toe voorkomen.. De rest is potentieel geschikt leefgebied, afhankelijk van de jaarrond aanwezigheid van water. Alle echt droge delen hieruit (de gebieden met grondwatertrap VII en VIII) zijn op grond van die reden eruit geselecteerd, tenzij het binnen 20 meter van een permanent watervoerende grote leiding, kanaal of beek ligt. Zoals in § 4.1 wordt beschreven is er sprake van wateraanvoer naar grote delen van de beheergebieden van de Waterschappen, hetgeen in beginsel positief voor de bever uit kan pakken omdat daardoor altijd water van een bepaalde diepte wordt garandeert. De resulterende kaart van habitatgeschiktheid is gegeven in figuur 2.
  1. Door de eis van aanwezigheid van ca. 4 ha geschikt bos valt alle open landschap weg als ‘Core-habitat’ maar belandt dit in de categorie ‘dispersal habitat’. De ervaring in Limburg en het buitenland (Elbe, Donau) leert dat bevers zich ook in open agrarisch gebied met sloten vestigen en kunnen leven van landbouwgewassen (veldvruchten als maïs, bieten en aardappelen) en van water- en moerasplanten in slootjes en de vaak enkele losse struiken en bomen in dit soort landschappen! In de praktijk zullen zich dus ook bevers vestigen op locaties met veel minder bos. Uiteraard zijn de territoria hier wat groter en het voortplantingssucces vaak wat lager omdat het minder optimaal leefgebied voor de bever is. Overigens is de ervaring in Oderbruch (Dtls.) juist andersom en lijkt een populatie bevers na vestiging in landbouwgebied sneller te groeien waarbij territoria kleiner worden. Dit vanwege de ruimschoots aanwezigheid van krachtvoer als mais en suikerbieten (H. Assink, pers. med.). Op de kaart is goed te zien dat het meeste geschikte leefgebied zich in het zuiden op de hogere zandgronden bevindt, met enkele grote aaneengesloten stukken en verspreid wat kleine plukjes geschikt gebied in het noorden. In termen van de EU habitat richtlijn is dit de ‘natural range’ (European Commission 2007). Er is in Groningen en Drenthe vrijwel geen totaal ongeschikt “Null’-habitat. Vrijwel alle ‘Core-habitat’ heeft een beschermde status (d.w.z. ligt in beschermd gebied, opp. 11.398 ha). Alle andere gebied is ‘Dispersal’-habitat, de bevers kunnen er in potentie prima leven zoalang er voldoende waterdiepte en voedsel aanwezig is. De voormalige bos en veengebieden behoren in de huidige staat tot de “former range” in termen van de EU habitat richtlijn. De voormalige uitgestrekte kwelder (zeeklei-) gebieden en de zoute delen van de estuaria zullen in het verleden geen beverleefgebied zijn geweest (c.f. van Wijngaarden 1966), maar kunnen door het buitensluiten van de zoute invloed nu wél door bevers worden bevolkt. Er is daar tenminste permanent zoet water. De watergangen op het Hogeland zijn in de zomer watervoerend in verband met het zoetwateraanvoerplan. In essentie komen dezelfde gebieden als geschikt leefgebied naar voren die reeds waren benoemd bij het uitzetten van de dieren (Kurstjens 2007): Dit zijn de beekdalen van Eelderdiep, Peizerdiep, Drentse Aa, Hunze en Zuidlaardermeer, zij het dat er nu expliciet ook aandacht wordt gevestigd op de Ruiten Aa, de Westerwoldsche Aa, de Onlanden, 't Roegwold (Dannemeer, Schildmeer), het Oldambtmeer en het Lauwersmeer. Figuur 2.3 Kaart van habitat geschiktheid. Het ‘Core habitat’ is alle donkergroen en donkergeel gebied. Dit is alle gebied in Groningen en Drenthe, binnen 20m van permanent water inclusief dat water zelf, waarbij niet onaannemelijk is dat de dieren er voldoende voedsel kunnen vinden. Alle lichtgroen en lichtgeel gebied is potentieel geschikt afhankelijk van de jaarrond aanwezigheid van water. ‘Null’ habitat is alle gebied verder dan 300m van water. ‘Dispersal habitat’ is al het overige gebied. Deze laatste twee categorieën zijn niet apart op kaart gezet, maar ‘Dispersal habitat’ omvat o.a. het met lichtblauw aangegeven gebied binnen 20m van water. In tabel bijlage 1 is het geschatte areaal per legenda eenheid gegeven. 2.3Noodzakelijke verbindingen tussen leefgebieden en aandachtspunten Cruciaal is dat er tussen de kerngebieden voor bevers in Noord-Nederland goede ecologische verbindingen liggen. Dit heeft er mee te maken dat de gunstige staat van instandhouding pas wordt bereikt als het dier ook aanwezig is in het aanwezige natuurlijke leefgebied (zie hfdst. 6). De volgende verbindingen zien wij als cruciaal (zie figuur 2.4, rode labels); Verbinding met Zuid-Drenthe Verbinding tussen Hunzedal en Ruiten Aa Verbinding met Duitse populatie (stroomgebied van de Ems) Verbinding tussen Hunzedal en Drentse Aa Verbinding tussen Drentse Aa en Onlanden In figuur 2.4 is een overzicht gegeven van de door de provincies beoogde of reeds ingerichte ecologische verbindingszones, het Natuur Netwerk Noord- Nederland, en de ons bekende aandachtspunten qua connectiviteit in dat netwerk. Er zijn verbindingszones voorzien naar Friesland, Overijssel, Zuid- Drenthe en Duitsland. Er liggen van nature waterscheidingen tussen het project gebied in Drenthe en Groningen, Zuid-Drenthe en de beekdalen in Friesland. Dat is voor bevers een barrière. Tussen Nederland en Duitsland speelt dit minder. In de praktijk liggen Duitse en Nederlandse sloten hier naast elkaar. Vanuit de optiek van de bever gezien is het belangrijk om te onderkennen dat verplaatsing voornamelijk zwemmend gebeurt en dat verbindingen via water het meest functioneel zullen zijn. Allerlei types watergang, ook grote kanalen kunnen daarbij als migratieroute worden benut. Pas als een bever niet zwemmend van de ene naar de andere waterloop kan zal hij uit het water komen. Duikers die onder water staan worden gewoon door bevers doorzwommen. Er zijn daarvan waarnemingen bekend bij duikers van ongeveer 30 m lang (VD eigen waarneming), maar aangezien bevers lang hun adem in kunnen houden kunnen dergelijke duikers waarschijnlijk nog langer zijn voordat het een barrière is. Vanuit het perspectief van een bever gezien zijn er om die reden relatief weinig barrières in vergelijking met landdieren als das en otter. Mogelijke verbindingen met het Emsland lopen via de kanaalverbinding met Ter Apel/Haren-Rütenbrocker-Kanal. Duitse beveronderzoekers (pers. med. S. Ramme) hebben daar al beversporen gevonden, maar geen tekenen van permanente bewoning. Een andere mogelijke verbinding loopt via de Vechte/Overijsselse Vecht; nabij het dorpje Laar is een territorium gelegen (pers. med. Stefan Ramme). Het grensgebied Drenthe-Duitsland biedt overigens meer mogelijkheden via sloten en wijken. De provincie Groningen werkt samen met Duitse Ansprechpartner (counterparts) aan een natte verbinding via de Brualer Schloot. Naar verwachting zal ook vanuit Overijssel en Flevoland, via Zuid Drenthe, aansluiting met de populatie in Drenthe gevonden kunnen worden, bijvoorbeeld via de Drentsche hoofdvaart en de beeksystemen. Naar Friesland toe is het studiegebied voor de bever verbonden via o.a. het Lauwersmeer. Andere voor de bever kansrijke gebieden in Friesland, zoals de beekdalen van de Tjonger, de Linde, en het Koningsdiep (Forma & Kuipers 2015) zijn bereikbaar vanuit de Drentse hoofdvaart of via het Van Starkenborch kanaal. Deze gebieden zijn langs deze routes overigens niet geheel probleemvrij bereikbaar. De boezem van het Wetterskip kent een ander peil dan het gebied van Noorderzijlvest. Bij Gaarkeuken en bij Zoutkamp en Dokkumer Nieuwe Zijlen liggen daarom sluizen4Er zijn meerdere waarnemingen van bevers die door sluizen gaan (V. Dijkstra). Daarnaast zijn de beekdalen van de Tjonger, Linde en het Koningsdiep stroomgebieden die middels een natuurlijke waterscheiding van het projectgebied zijn gescheiden. Binnen het studiegebied zijn alle systemen met elkaar via het netwerk van kanalen in de boezem verbonden. In aanvulling daarop is een natte verbindingszone voorzien naar het oosten door het midden van de provincie Groningen (incl. Roegwold), tussen het dal van de Hunze en het dal van de Ruiten Aa dwars door de Veenkoloniën langs het Page diep. Let op: later in dit document (hoofdstuk zeven) zal er voor een zonering in beverbeheer worden gesproken, wat consequenties zal hebben voor de functionaliteit van de hier genoemde verbindingszones. De genoemde verbindingszone één tot en met vijf zijn nodig voor de gunstige staat van instandhouding van de bever en overigens grotendeels al gerealiseerd. Op de routes liggen echter nog tal van bekende aandachtspunten waar mogelijk sprake is van een ecologische barrière (zie figuur 2.4). Deze aandachtspunten zijn niet allemaal even relevant voor de bever. De niet relevante aandachtspunten zijn in figuur 2.4 met een onopvallende grijze stip weergegeven. In een tabel in bijlage 4 is een overzicht gemaakt van de aandachtspunten die mogelijk voor de bever relevant zijn, maar nog een beoordeling in het veld behoeven. Uit de literatuur is goed bekend wat passende faunavoorzieningen kunnen zijn om barrières op te lossen. Een duiker met watergang is een goede principe oplossing voor het opheffen van een barrière. Figuur 2.4 Overzicht van (voorgenomen) ecologische verbindingszones (rode pijlen) en bekende aandachtspunten (zwarte en grijze stippen) op kaart. Bij het presenteren van de voor bever beoogde verbindingszones is voorgesorteerd op de instelling van een zonering in beverbeheer in hoofdstuk
  2. Alleen de verbindingszones die een logische of cruciale schakel zijn tussen delen van de “bever welkom zone” hebben een rood label, wat met de opsomming in paragraaf 2.3 correspondeert. De aandachtspunten die met name voor de bever relevant zijn (zwarte sterren) hebben een label dat correspondeert met een tabel in bijlage
  3. Opvallende aandachtspunten zijn er bij: 1) de A
  4. Passage van de A28 is problematisch voor bevers (A. Hut pers. med.), omdat ze lopend de snelweg over moeten met een barrière in de middenberm. Feitelijk is er slechts één plek (de noordelijke onderdoorgang van de Drentsche Aa bij Witte Molen) waar het in de huidige situatie redelijk gemakkelijk zou moeten kunnen. De provincies Groningen en Drenthe werken samen met het Rijk aan het opheffen van de knelpunten met betrekking tot de A28 (Bijlsma & Klous, 2016). Volgens planning wordt er in 2020 een nieuwe, extra grote faunapassage onder de A28 aangelegd (in het verlengde van de Eelderschipsloot door de Provincie Groningen. en 2) bij Stadskanaal, waar bevers om het Pagediep te kunnen bereiken het Veendam-Musselkanaal in en uit moeten, en over de N366 heen. 3) In de ecologische verbindingszone van het Zuidlaardermeer naar 't Roegwold is een faunapassage aangelegd in de N860 bij Westerbroek. Gelet op de Beverbeheerkaart (zie hoofdstuk 7) is dat een passage waarin gebruik door de bever zou moeten worden ontmoedigd. Vooruitlopend hierop is er daarom hierin een beverwerend hek geplaatst. 3Effecten van bevers 3.1Algemeen De bever heeft een belangrijke ecologische sleutelrol (Schwab 2014). Bevers dragen sterk bij aan natuurontwikkeling en vergroting van de diversiteit rond beken, geulen en plassen. Door de kenmerkende levenswijze is hij in staat een bijzondere leefomgeving te creëren voor allerlei gewenste planten- en diersoorten (Kurstjens & Calle 2009). Maar er is overduidelijk ook een spanningsveld met de waterveiligheid en de economische belangen in het huidige cultuurlandschap. Graverij in oevers en keringen kan leiden tot overstromingen en persoonlijke ongevallen. Daarnaast kan nat- en vraatschade optreden (Kurstjens & Niewold 2011). In de onderstaande tabel wordt een overzicht van positieve en negatieve effecten gegeven. Het moge duidelijk zijn dat hier slechts een globaal overzicht is gegeven. Met name in het rapport van Scottish Natural Heritage aan de regering van Schotland (SNH 2015) wordt een zeer gedetailleerde review gepresenteerd van effecten op de biodiversiteit, geordend naar de relevante soortgroepen. Het is in deze context relevant om goed te benoemen dat -netto- in het overgrote deel van Europa een positieve bijdrage van de bever te verwachten is (Kurstjens 2009; SNH 2015; en referenties in: Campbell-Palmer et al. 2016). Tabel 3.1 Overzicht van positieve (baten) en negatieve (kosten) invloeden van de bever (vertaald uit: Campbell-Palmer et al 2016). Baten Kosten Vergroten biodiversiteit nat -schade, overstroming, schade aan transport- en hydrologische infrastructuur paaiplaats en leefgebied sommige vissoorten dammen als mogelijke barrière vismigratie en oorzaak verdwijnen paaiplaatsen stabilisatie fluctuatie waterafvoer, wateropslag schade aan landbouwvoertuigen door inzakken holen: persoonlijk veiligheidsrisico's toename dynamiek en heterogeniteit, voedsel en dekking andere soorten vraatschade landbouwgewas of bosopstanden socio-economisch: ecotoerisme, groene diensten, water retentie levert inkomen voor landeigenaren schade aan oevers en keringen: publiek waterveiligheidsrisico Ecosysteemfuncties: vastlegging CO2, invangen sediment, verbeteren waterkwaliteit nadelig effect op geïsoleerde populaties beschermde soorten begunstigen oeverbegeleidende vegetatie schade aan bijzondere bomen bron van bont, vlees, recreatie jacht 3.2Positieve effecten van bevers Eigenlijk doen we de bever tekort als we hier niet nog eens uitgebreid ingaan op alle positieve effecten van de bever op natuurwaarden en ecosysteemdiensten, maar zo uitgebreid, mooi en genuanceerd als SNH dat deed in haar rapport aan de Schotse overheid kunnen we dat hier niet. Om die reden gaan we slechts kort iets dieper in op een relevante selectie van de positieve effecten die van bevers te verwachten zijn, op basis van buitenlandse en Nederlandse literatuur. In termen van geld kan het om miljoenen gaan. Buckley et al.
(2011)laten zien dat de ecosysteemdiensten die zouden kunnen worden geleverd door bevers in een enkel watersysteem (het Escalante bekken, Utah Amerika) een sterk positieve waarde opleveren in de vorm van vermeden kosten voor wateropslag, habitatherstel en waterkwaliteit, naast een aantal andere directe en indirecte economische baten. Biodiversiteit Net als SNH geven ook Kurstjens & Calle
(2009)een overzicht van effecten van bevers op biodiversiteit. Zij beschrijven positieve effecten op hele levensgemeenschappen in watersystemen, uiteenlopend van libellen, andere macro fauna, vissen, amfibieën en hun predatoren zoals vogels en zoogdieren. De positieve effecten zijn vaak gerelateerd aan de bouw van de dammen en de bijbehorende afwisseling in stroomsnelheden. Terecht echter nuanceren Tolkamp & Gubbels
(2009)de zaak, door aan te geven dat het nogal uitmaakt waar die dammen zich bevinden, en op welke schaal de effecten worden beschouwd. Activiteiten van de bever kunnen lokaal zelfs conflicteren met andere natuurdoelen. Een beverdam vermindert de stroomsnelheden en begunstigt de levensgemeenschappen van stilstaand water, ten koste van levensgemeenschappen van waterorganismen die gebonden zijn aan stromend water. Bovendien kunnen in terreinen die blootgesteld worden aan overstroming natuurwaarden verloren gaan. Denk aan waardevolle vegetatietypen, zoals blauwgraslanden. In een robuust beeksysteem waar ruimte is voor opstuwing, stagnant water, overstroming, watervalletjes, maar ook voor nieuwe beekloopjes, zal de negatieve werking op soorten van stromend water meevallen. Ook zullen er dan altijd nog wel locaties zijn waar de kenmerkende floristische waarden zich kunnen handhaven. Maar als er te weinig ruimte langs de beek is om een compleet bever biotoop te laten ontstaan gaat dat niet op. De Drentse beeksystemen hebben in dit opzicht behoorlijk de ruimte en er is alle reden om aan te nemen dat in die gebieden de netto bijdrage positief zal zijn5Noot: ondanks deze constatering is er in de huidige situatie al discussie over de vraag of een dam in het Gasterensche Diep moet wijken om effecten op de paaiplaats van de Rivierprik en het voortbestaan van vegetaties van schrale omstandigheden te mitigeren.. Wat de bever aan positieve effecten zal hebben in intensief beheerd landbouwgebied in noord Nederland is niet bekend. Het is te verwachten dat de omvang van de effecten sterk zal afhangen van de mate waarin terreineigenaren ruimte laten voor het dier en al dan niet tevoren houtige opslag verwijderen om vestiging te voorkomen. Invloed op waterafvoer Van Winden
(2009)beschrijft hoe honderden bevers in de Ardennen daar vele kilometers beekloop onder handen nemen. Door de vergroting van het overstroomde oppervlak, en het nieuwe stelsel van ondiepe beekloopjes en meanders wat ontstaat in de beekdalen wordt véél extra water vastgehouden. In Devon is prachtig experimenteel bewijs verzameld dat bevers de piekafvoer sterk reduceren (30% in deze proef; Elliott et al. 2017). In een proefgebied van slechts 3 hectare hebben bevers in vijf jaar tijd 13 ‘beaver ponds’ gecreëerd, het overstroomd oppervlak weten te vergroten met een factor twintig en werd een miljoen liter water extra vastgehouden. De waterschappen hebben de laatste jaren veel geïnvesteerd in het bovenstrooms vasthouden van water. In landbouwgebieden gebeurt dit meestal door technische maatregelen als stuwen. In de natuurgebieden is waterberging gecreëerd door brede beekdalen met hermeanderde stromen aan te leggen (beekherstelprojecten). Op dit moment is met dit type maatregelen in de bestaande beekdalen de maximale berging bereikt (mond. med. Waterschap Hunze & Aa’s). Maar bovengenoemde ‘beaver ponds’ kunnen daar nog overstroomd oppervlak aan toevoegen, en als dit effect in de beekdalen van het onderhavige studiegebied optreedt kan dat veel geld aan toekomstige hoogwatermaatregelen schelen (van Winden 2009). Ecotoerisme Het Drentse Landschap organiseert circa 5 bever excursies per jaar en beverlessen op tientallen basisscholen. De aanwezigheid van de soort levert toegenomen positieve belangstelling op voor het Hunze gebied en de natuurontwikkeling vanuit de samenleving. Het Groninger Landschap besteedt sinds 2016 ook aandacht aan de bevers in de vorm van excursies, en onderwijs. Ze maakt het zelfs mogelijk live mee te genieten met een beverfamilie in het Hunzedal via een webcam (https://www.groningerlandschap.nl/dichtbijdebever/). Er zijn ook speciale kinderexcursies. De recreatieve sector in het Hunzegebied geeft zelf duidelijk aan voordeel te hebben van de combinatie natuurontwikkeling en aanwezigheid van bevers. Het heeft geleid tot een toegenomen belangstelling van het publiek voor het Hunzedal. Dit gaat verder dan een enkel recreatiebedrijf. Ook plaatselijke horeca, erfgoedlogies, minicampings en andere buitenbedrijven profiteren mee. Hunzevallei-ondernemers gebruiken soms de bever als icoon/logo vanwege de gevoelde positieve effecten op het toerisme. In midden Groningen zien sommigen uit naar de komst van de bever om die reden. Maar, mede door de terechte zorg om de problemen die ook kunnen ontstaan (zie onderstaande paragraaf), zijn de meningen nogal verdeeld om deze soort hier als mascotte te gebruiken. 3.3Negatieve effecten van bevers In opdracht van het Faunafonds is in het jaar 2011 een uitgebreide analyse gemaakt van de schade die in de toekomst door bevers in Nederland kan worden verwacht (Kurstjens & Niewold, 2011). Ook is aangegeven op welke manier problemen opgelost kunnen worden. In deze paragraaf is een beknopte samenvatting gemaakt van deze studie en wordt aangegeven welke problemen in het studiegebied tot nu toe aan de orde zijn geweest. In de daarop volgende paragrafen wordt een accent gelegd op het aspect van de waterveiligheid, in overweging nemende dat de watersystemen in dit laaggelegen deel van Nederland anders zijn dan elders, en zo ook de risico's. Schade veroorzaakt door bevers is grofweg te splitsen in drie categorieën: natschade, vraatschade en graafschade. Natschade Natschade door de bouw van dammen is alleen te verwachten waar langzaam stromend water aanwezig is in de vorm van beken of sloten. Een dam wordt gebouwd in sloten die smaller zijn dan 5-6 m (pers. med. V Dijkstra), maar in uitzonderlijke situaties worden soms ook bij grotere breedtes nog dammen gebouwd (waarneming Waterschap Hunze & Aa’s). Een functie van de dam kan zijn om voor de ingang van de burcht of het hol voldoende (een meter) waterdiepte te creëren. Een andere functie is om de oeverlengte en daarmee het foerageergebied te vergroten. Het is de verwachting dat dammenbouw in het studiegebied zich zal beperken tot de haarvaten van het systeem. Dammenbouw is een concreet en serieus probleem in de landbouwgebieden, omdat een goed functionerend peilbeheer economisch rendabele landbouw mogelijk maakt. Bij natschade is snelheid van handelen gewenst. Op termijn van dagen kan al oogstderving optreden. Een theoretische analyse in Limburg (Faunabeheereenheid Limburg 2017) liet zien wat bij benadering de effecten zijn op grondwaterstanden en oogstderving bij teelten van gras, maïs, bieten en aardappelen. Een enkele dam op een ongunstige plaats kon in de studie 27-76 euro per hectare gemiddeld aan opbrengstderving leiden. De totale landbouwschade als gevolg van een beverdam in de Horsterbeek was voor het onderzoeksgebied berekend tussen de 3540 en 8950 euro. In de praktijk zal de totale schade, naast het actuele landgebruik, afhankelijk zijn van de hoogte van de beverdam en de daardoor veroorzaakte peilverhoging in de beek. Daarnaast is de schade ook afhankelijk van de lokale geohydrologische situatie en de interactie tussen het oppervlaktewater en grondwater (Faunabeheereenheid Limburg 2017). Omdat het in het project gebied veelal om vlak land gaat, is het te verwachten dat een dam over een groter oppervlak effect heeft. In natuurgebieden is dammenbouw in sommige situaties een aanwinst, maar dat is niet zo als er negatieve effecten optreden op andere natuurwaarden (vis, gevoelige vegetatietypes) of op de landbouw buiten de natuurgebieden. In dit kader is bijvoorbeeld relevant dat er in de huidige situatie veel voedselrijk water door het watersysteem stroomt. Bij opstuwing door bevers veroorzaakt dit voedselrijke plantengroei en neerslag van slib in de beekdalen. Dit wordt i.r.t. andere natuurdoelen in bepaalde gevallen als zeer ongewenst gezien. Er is daarnaast discussie mogelijk over de vraag in hoeverre dammenbouw in beken de visintrek benadeelt. De effecten van beveractiviteit op vis is breder, niet zwart-wit en een beter begrip hiervan is wenselijk (SNH 2015). Bevers beïnvloeden vissen niet alleen door veronderstelde effecten op passeerbaarheid van dammen, maar ook door effecten op beschikbaar habitat, dekking, voedsel en waterkwaliteit. Dammen blokkeren daarbij de watergang niet (altijd) totaal en zijn vaak ook lek. En er is nogal een verschil in de ecologie tussen de verschillende vissoorten. Soorten als snoek, paling, rivierprik en baars hebben bijvoorbeeld waarschijnlijk voordeel (SNH 2015), terwijl van de zalm verondersteld wordt dat de soort een nadeel van beveractiviteit ondervindt. Problemen met natschade kunnen worden opgelost door grondverwerving, het verlagen van de dam, mogelijkerwijs door het verlagen van de waterbodem ter hoogte van het hol of burcht (Dijkstra & Polman 2018), of – in het uiterste geval – door het verwijderen van de dam of de dieren zelf (zie § 3.4). In de Drentse veenkoloniën is dammenbouw aan de orde geweest op enkele plekken (B. Zoer en M. Rothengatter pers. med.). Routinematige peilverandering, een verlaging van het peil bij de overgang naar winterpeil, heeft hier een rol bij gespeeld. Het waterschap Hunze & Aa’s heeft in de jaren 2015 en 2016 respectievelijk 8 en 12 uur werk door aannemers laten besteden aan het verwijderen van dammen in hoofdwatergangen, plus een hoeveelheid ongespecificeerde tijd door eigen personeel en inzet van het Drents Landschap. Ook in 2017 tot 2019 zijn enkele tientallen uren per jaar besteed door werknemers van het Waterschap aan het verlagen van dammen. Het verschilt sinds 1 jan 2017 per provincie of het Faunafonds natschade vergoedt; in Limburg gebeurt het niet. Voorheen is nooit natschade door het Faunafonds vergoed. Natschade komt ook aan de orde in Hoofdstuk 4, waar we dieper op het watersysteem ingaan. Vraatschade Vraatschade is tot op heden slechts op beperkte schaal opgetreden in Nederland. Alle bedrijfsmatige vraatschade wordt door het Faunafonds vergoed. Schade aan fruitboomgaarden en boomkwekerijen hebben in het recente verleden tot de hoogste tegemoetkomingen geleid. Figuur 3.1 geeft een overzicht van uitgekeerde schadebedragen voor vraatschade aan de landbouw door bevers per provincie sinds
  1. In het jaar 2019 bedroeg de som in totaal € 35.162 in heel Nederland, vooral op akkerbouw en fruit in Limburg. Er is een toename van de uitgekeerde schade in de tijd tot
  2. Uit de provincie Drenthe is één schadegeval in deze registratie terecht gekomen, waarbij voor ongeveer 1700 euro als compensatie voor schade aan suikerbieten in het jaar 2014 is uitgekeerd. Informatie van het Groninger en Drentse Landschap wijst op drie locaties met vraatschade sinds de herintroductie tot het jaar
  3. Eén serieus geval te Schipborg heeft ca. 300 euro gekost (A. Hut pers. med.) De meeste problemen kunnen door het nemen van preventieve maatregelen worden opgelost zoals het plaatsen van rasters, schrikdraad, gaas of vraatwerend middel, of het ontwikkelen van 10-20 m brede natuurlijke oevers langs waterlopen. Hierover meer in § 3.
  4. Figuur 3.1 De som van door het Faunafonds (nu Bij12) uitgekeerde schadebedragen (euro) voor vraatschade aan de landbouw door bevers per provincie sinds 1996 (bron: Bij12). Graafschade Graverij door bevers is overal relevant, maar het is pas schade als het op ongewenste plekken optreedt. Met name ongewenst is graverij in kades en keringen omdat het daar grote nadelige consequenties kan hebben voor de waterveiligheid. Dit belang was de aanleiding voor het onderhavige plan en protocol en is dermate groot dat we daar in hoofdstuk vier apart op ingaan. Bevergaten zijn groot. Een hol kan wel 12 m diep in de kering worden gegraven en lengtes daarboven komen ook voor. Ze beginnen onder de waterlijn (zie figuur 3.2). De nestkommen zijn ca. 80 cm en de pijpen 45 cm in diameter. Behalve graverij ten behoeve van permanente bewoning worden ook gaten gegraven om tijdelijk te rusten of om te schuilen wanneer een woonburcht door inundatie van het leefgebied tijdelijk ontoegankelijk is geworden. Een hol van enige meters diepte kan in een enkele nacht gegraven worden. Graverij in oevers kan het wegzakken van machines voor landbouw- of onderhoudswerkzaamheden aan de watergang veroorzaken of recreatief medegebruik hinderen. Dit kan leiden tot persoonlijke ongelukken, schade aan het materieel en vertraging van de werkzaamheden. Graverij treedt op waar de oevers van een waterloop het graven van een hol mogelijk maken6Door veelvuldig gebruik kunnen holen (in de loop der tijd) instorten en overgaan in burchten. Of graverij een hol blijft, of een burcht zal worden, wordt daarom mede bepaald door de hoogte van de oever (ten opzichte van het water) en de grondsoort. Een lage en zandige oever levert meestal burchten. Hogere, en kleiige oever levert meestal holen (Dijkstra & Polman, 2018).. Onder die omstandigheden verkiest de bever dat boven het bouwen van een burcht los van een oever, van op elkaar gestapelde takken, modder en waterplanten, zoals dat vanuit Canada en Scandinavië bekend is (een ‘lodge’, Campbell-Palmer et al. 2016). Kades en keringen zijn dan ook kwetsbaar waar (diep) water permanent tegen de dijken staat of tijdens hoogwaterperioden. Graverij leidt tot extra grond in de watergangen, wat de waterafvoer belemmeren kan. Om een idee te krijgen van de kosten die met graverij gemoeid kunnen zijn, is een overzicht gegeven van bekende (graaf)schade gevallen in tabel 3.
  5. In het plangebied is sinds 2014 jaarlijks tijd besteed aan inspectie en reparatie van oeverholen en gangen. Daarvoor zijn ook kosten gemaakt (besproken in § 3.4). Figuur 3.2: schematische tekening van een beverburcht in de kern van een waterkering (bron: WSRL). Maatregelen om graafschade te voorkomen zijn het aanbrengen van graafwerende constructies (o.a. ingraven van gaas of het verharden van de dijkoever), het onaantrekkelijk maken van de oever of kering (verwijderen houtige begroeiing van dijkvoet7Het wegnemen van houtige opslag van de oever is geen garantie dat bevers zich niet vestigen, maar als er op de voet van de dijk houtige begroeiing staat, is het extra aantrekkelijk voor bevers om daar te graven. Door het weg te halen wordt de kans op graven op die locatie kleiner, maar niet nul. Het hangt er ook vanaf welke alternatieven ze hebben binnen hun territorium. Het kan helpen om een combinatie te maken met het aanbieden van een alternatieve geschikte locatie in hun territorium., aanbrengen flauwe vooroever) en het aanbieden van alternatieve leefgebieden (onder andere hoogwaterterpen). Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 3.
  6. Tabel 3.2 Bekende, aan bever gerelateerde,schade gevallen in Groningen en Drenthe per jaar met de aard en omvang van de kosten. Het overzicht is niet uitputtend, maar helpt om een benadering te krijgen van de kosten die onder de huidige omstandigheden met graverij, inspectie en herstel gemoeid kunnen zijn. (aangepast op basis van: UvW, Dolf Moerkens, dec 2019, data Waterschap H&A en pers. med. B. Zoer en A. Hut). De complete tabel met het landelijke overzicht van meldingen beverschade en genomen maatregelen van 2016-2019 is op te vragen bij de UvW. Jaar plaats bron wat opmerking kosten Aantal (interne) mensuren 2011 Schipborg Groninger Landschap schade aan tuin Drie locaties met schade sinds herintroductie tot
  7. 1 serieus geval kostte 300 euro € 300 2014 Burcht Hunze & Aa's Bevergraverij Bouwstaalmat aangebracht, 20 meter € 360 8 2014 De Kneipe en De Groeve Hunze & Aa's Oeverholen Herstel kade € 1.772 35 2014 Hunze Hunze & Aa's Inspectie waterkeringen op oeverholen Grondradaronderzoek door Arcadis, Terra Carta € 4.450 2014 Hunze Hunze & Aa's Oeverholen Herstel oeverholen € 5.483 71 2014 Spijkerboor Hunze & Aa's Bevergangen Met grondradar bevergangen in kaart brengen + gaasafzetting € 1.563 2014 Spijkerboor Hunze & Aa's Inspectie waterkeringen op oeverholen Grondradar Terra Carta 2e meting oeverholen € 1.550 2015 Diverse Hunze & Aa's Stagnatie werkzaamheden Talud/maaipad herstel, extra begeleiding maaiwerk agv bevers en vertraging machines agv aanwezigheid bevers 44 2015 Diverse Hunze & Aa's Stagnatie werkzaamheden Vertraging beverratbestrijding agv aanwezigheid bevers 32 2015 Kades Hunze & Aa's Inspectie waterkeringen op oeverholen/beverschade Extra inzet voor beverschades 44 2015 Spijkerboor Hunze & Aa's Oeverholen Herstel oeverholen € 3.381 8 2015 Valthe Hunze & Aa's Te hoog waterpeil Verwijderen beverdam 8 2016 Diverse Hunze & Aa's Graafschade Herstel talud en maaipad 30 2016 Diverse Hunze & Aa's Graafschade Extra begeleiding maaiwerk en vertaging maaiwerkzaamheden agv aanwezigheid bevers 30 2016 Drentse Aa Hunze & Aa's boom uit Drentse Aa € 220 2016 Hunze en Spijkerboor Hunze & Aa's Stagnatie werkzaamheden Vertraging beverratbestrijding agv aanwezigheid bevers 66 2016 Kades Hunze & Aa's Inspectie waterkeringen op oeverholen/beverschade Extra inzet voor beverschades 62 2016 Valthe Hunze & Aa's Te hoog waterpeil Verwijderen beverdam 12 2016 Zuidlaren Hunze & Aa's Opstuwing Deels verwijderem boom 6 2017 Diverse Hunze & Aa's Oeverholen Testen sonar, drones met marktpartijen 12 2017 Exloo, Valtherblokken Noord Hunze & Aa's Oeverholen Herstel oerverholen € 2.622 34 2017 Hunze bij Annen Hunze & Aa's Oeverholen Diverse controles, opstellen werkprotocol, vrijgraven holen, pur-model gemaakt en opstellen verslag tbv bevoegd gezag € 2.811 37 2017 Hunze bij Spijkerboor Hunze & Aa's Oeverholen Herstel oerverholen € 7.266 94 2017 Hunze en Drents Diep Hunze & Aa's Inspectie waterkeringen op oeverholen Controle inspecties met sonar in de boot € 2.216 108 2017 Valthe Hunze & Aa's Te hoog waterpeil Verwijderen beverdam € 743 8 2018 Diverse Hunze & Aa's Oeverholen Aanschaf sonarapparatuur 2018 Diverse Hunze & Aa's Oeverholen Testen apparatuur defensie en marktpartijen 24 2018 Hoogezand Hunze & Aa's Takken in duikers Takken verwijderen uit duikers € 1.875 32 2018 Hunze bij Spijkerboor Hunze & Aa's Oeverholen Herstel oerverholen € 7.842 105 2018 Hunze bij Zuid-Laren De Kneipe Hunze & Aa's Oeverholen Herstel oerverholen € 8.130 103 2018 Hunze, Drents Diep, Valthermond Hunze & Aa's Inspectie waterkeringen op oeverholen Controle inspecties met sonar in de boot € 4.834 96 2018 Lofar terrein Buinerveen, Exloo Hunze & Aa's Te hoog waterpeil Verwijderen beverdam € 5.070 63 2018 Nieuw Weerdinge Hunze & Aa's Oeverholen Herstel oerverholen € 1.609 21 2018 Valthe Hunze & Aa's Te hoog waterpeil Verwijderen beverdam € 743 6 2019 Assen, de Haar Hunze & Aa's Te hoog waterpeil Verwijderen beverdam € 4.943 61 2019 Beverdam Gasteren Drentse Aa Hunze & Aa's opstuwing Verwijderen beverdam, veel overleg & controle € 9.738 118 2019 Valthe Hunze & Aa's Te hoog waterpeil Verwijderen beverdam € 1.605 21,5 2019 Lofar Buinerveen Hunze & Aa's Oeverholen Herstel oerverholen € 7.871 100 2019 weg Roswinkel -Emmen Hunze & Aa's vrijhouden rooster Takken verwijderen uit duikers € 3.722 58 2019 Hoogezand Hunze & Aa's vrijhouden duiker Takken verwijderen uit duikers € 3.632 62 2019 overige werken Hunze & Aa's berekeningen en inspectie o.a. aviesbureaus voor berekeningen 2019 Hunze & Drents diep Hunze & Aa's controles met sonar en boot € 6.262 96 2019 Valthermond Hunze & Aa's Weghalen en vrijmaken duikers Takken verwijderen uit duikers € 365 4 2019 EexterzandVoort Hunze & Aa's Verwijderen dam Verwijderen beverdam € 558 6 2019 Hunze nabij Spijkerboor Hunze & Aa's Oeverholen Herstel oerverholen € 5.288 64 3.4Overzicht van maatregelen ter preventie van schade en mitigatie De maatregelen ter preventie van schade en mitigatie variëren van heel kleinschalige ingrepen (het omrasteren van een individuele fruitboom) tot inrichtingsmaatregelen om een ecologische verbinding te optimaliseren. Ze omvatten beheer-maatregelen lokaal (in de vorm van het laten liggen van omgevallen bomen of het wegvangen van een individuele bever) tot regionaal (het al dan niet instellen van een schadevrij gebied door nulstand). Een samenvattende tabel uit Campbell-Palmer et al.
(2016)is hieronder overgenomen. Graag verwijzen we ook naar Dijkstra & Polman
(2018), een document met voorbeelden van bevermaatregelen voor de uitvoeringspraktijk. Het document werkt volgens een maatregelenschema waarbij men op basis van het probleem dat speelt (schade) of mogelijk gaat spelen (preventie), richting mogelijke oplossingen wordt geleid. Bij de verschillende oplossingen wordt via illustraties, foto’s en tekst uitgelegd hoe oplossingen eruit zien en wat je wel en niet moet doen om de grootste effectiviteit te bereiken. Hieronder zullen we van elk van deze algemene technieken een korte beschrijving geven, verwijzen naar een bron waarin meer detail kan worden gevonden, en aangegeven of en wanneer maatregelen al dan niet gewenste bijeffecten hebben op andere schadesoorten (Muskus- en beverrat) of doelsoorten van het natuurbeheer. Tabel 3.3 Algemene technieken om schade door bevervraat en -graverij te beperken (uit: Campbell-Palmer et al 2016). Onmiddellijke toepassing Langere termijn Bescherming individuele boom dijken en oevers graafwerend maken Weren/afrasteren hoogwatervluchtplaatsen Verwijderen/aanpassen van dammen dijken terugleggen of vooroever maken Herstellen schade graafwerkzaamheden vangen (levend/dood) herplaatsing aantalsregulatie/ nulstandgebieden Voorkomen van vraatschade De belangrijkste vormen van preventie van vraatschade betreffen het ontmoedigen van vestiging door inperking van het leefgebied met rasters, door het wegnemen van voedselbronnen, en door toepassing van werende stoffen of gaas aan individuele bomen. De meeste van deze maatregelen zijn zeer effectief. De methodes en hun effectiviteit staan helder beschreven in Campbell-Palmer et al.
(2016)en Dijkstra & Polman
(2018). Het Faunafonds/BIJ12 vergoedt alle erkende bedrijfsmatige vraatschade. Schade aan machines en grondherstel wordt daarentegen niet vergoed. De vergoeding van preventieve maatregelen is per provincie verschillend. Kosten van gaas, elektriciteitsdraad en werende stoffen zijn verwaarloosbaar op provinciale schaal, maar kunnen voor een individuele boer aardig oplopen in relatie tot de winstmarges van het gewas. De orde van grootte is tientjes tot honderden euro's per perceel. In Limburg draagt de provincie bij aan de kosten van aanschaf van rasters (Faunabeheereenheid Limburg 2017). Omdat 90% van alle schade nabij de oever optreedt kan verwerving van de gronden in voorkomende gevallen een geschikte lange-termijn oplossing zijn. Bij de verwerving van (delen van) percelen zal het in Groningen en Drenthe gaan om enkele gevallen en kleine oppervlaktes, daar waar dat een belangrijke meerwaarde heeft voor de realisering van het NNN. In enige mate kan herbegrenzing ook een rol spelen. Voorkomen van natschade Het voorkomen van natschade kan door het ontmoedigen van vestiging (het wegnemen van voedselbronnen of het toepassen van werende middelen, met name schrikdraad) en door het verwijderen en aanpassen van dammen. Deze laatste onderwerpen zijn goed besproken in Campbell-Palmer et al.
(2016), Grobben
(2013). Het gaat concreet om beverdammen ondertunnelen (“leveler” plaatsen), verlagen of afbreken. In figuur 3.4 is daar een tekening van gegeven. Er zijn ook goed gedocumenteerde maatregelen om vis intrek door dammen te vergemakkelijken en duikers vrij te houden van verstopping door bevers. Soms zullen er op maat gemaakte oplossingen mogelijk zijn, zoals het lokaal iets verdiepen van de watergang (Dijksta & Polman 2018), of een klein zijslootje graven (Dijkstra mond. med.). Figuur 3.4: De ondertunneling van een beverdam met behulp van een “leveler”. Hier is een 'leveler' afgebeeld met een kooiconstructie van gaas om te voorkomen dat bevers de instroom blokkeren. Vaak ook is het geheel onder water aangebracht, om het geluid van stromend water te vermijden (bron: Campbell-Palmer et al,. 2016). Bij ingrepen aan dammen is het zaak op te letten of er een zogend of zwanger vrouwtje aanwezig kan zijn in de nabijgelegen burcht. Dit is van 1 mei tot en met 31 augustus relevant. Het kan niet zonder bijzondere inspanning aan de dieren worden gezien in hoeverre het zwanger is. Het wegnemen van houtige opslag van de oever is geen garantie dat bevers zich niet vestigen, maar voor de korte termijn kan schrikdraad net boven de waterlijn effectief zijn (Schwab 2014). Om herbouw van afgebroken dammen te voorkomen kan behalve schrikdraad ook een aantal jerrycans aan een kabel boven de watergang worden gehangen (Campbell-Palmer et al. 2016). Grobben concludeert dat de door hem bestudeerde waterpeilregulerende maatregelen (diverse typen ‘leveler’) in 6 dammen technisch wel werken, maar in praktijk – omwille van diverse redenen – nog niet altijd de verhoopte resultaten opgeleverd hebben. Verder praktijkonderzoek rekening houdend met de door hen geformuleerde aanbevelingen op het vlak van praktische opbouw, beperking van verstorende factoren en opvolging van het waterpeil, kan de resultaten zeker verbeteren. Dit onder voorwaarde dat – ook op langere termijn – voldoende tijd genomen wordt voor blijvende monitoring van de peilregulerende maatregelen. Ook de ervaringen van Waterschap Hunze & Aa's met levelers zijn niet onverdeeld positief. Een deceiver door een dam blijkt alleen mogelijk wanneer er door mensen een nieuwe dam met buis gemaakt wordt en vervolgens de beverdam verwijderd wordt (pers. med. Marc Rothengatter). De kosten van aanpassing liggen in de orde van 400-500 euro aan materialen en 1200 euro aan arbeidskosten ex. BTW (Grobben 2013). Volgens Boyles (2009 in Grobben) blijkt uit een experiment op 40 locaties dat peilregulerende maatregelen kostenefficiënter zijn dan wegvangen van bevers en, in tegenstelling tot wegvangen van bevers langer effect zou hebben. Let wel: in deze studie ging het over locaties waar ook wegeninfrastructuur beschadigd werd door toedoen van de bever. De ervaring in Limburg is dat beheermaatregelen in de regel meestal wel toepasbaar, maar soms heel intensief, vaak repeterend en daardoor kostbaar zijn. Zo hebben de waterschappen Roer & Overmaas en Peel & Maasvallei meer dan 400 keer ingegrepen bij dammen in Limburg in de jaren 2015-2016 om haar doelstellingen te kunnen blijven voldoen. De kosten daarvan liepen op tot honderdduizenden euro’s aan kosten voor personeel en inhuur van aannemers. De provincie Limburg heeft bijgedragen aan de kosten door de waterschappen, maar bouwt die bijdrage per 2017 af, nu er met een nieuw faunabeheerplan (Faunabeheereenheid Limburg 2017) gemakkelijker kan worden ingegrepen. De laatste jaren bedragen de door Hunze & Aa's toegewezen kosten voor het voorkomen van natschade vele duizenden euro's (zie voor details de tabel 3.2). Er valt veel te leren Het is met de huidige kennis aannemelijk te maken dat vroeg ingrijpen soms gunstig kan zijn, maar hierover valt nog veel te leren. Vroegtijdig ingrijpen bij het ontstaan van beverdammen, die van invloed zullen zijn op landbouw en bebouwd gebied, kan in sommige situaties voor zowel de bever als de omgeving het minst ingrijpend blijken. Ook als natschade nog niet aan de orde is, kan een hydroloog op basis van het geldende peilbesluit al voorzien dat het waterpeil omhoog zal gaan en onacceptabele natschade zal gaan ontstaan. In dergelijke situaties kan het aan te bevelen zijn om al in een vroeg stadium van dammenbouw in te grijpen en daarmee de bever te sturen in gedrag of uiteindelijke locatiekeuze; Afhankelijk van de situatie kan vroeg ingrijpen de bever sturen in zijn gedrag, waardoor het dier wordt verleid zijn omgeving hieraan zelf aan te passen (bijv. door een waterbodem verlaging voor de ingang van het hol) of een minder kwetsbare locatie te kiezen. Het kan er echter ook toe leiden dat de bever aldus wordt ‘weggepest’ en kiest voor een nóg ongunstiger plek. Het is het beste om per situatie te beoordelen wat de meest passende handelwijze is en dit systematisch en proefondervindelijk aan te pakken (B. Zoer en V. Dijkstra pers. med.). In hoofdstuk 7 komen we hierop terug met de keuze om netjes opgezette experimenten uit te voeren en de effecten daarvan te documenteren. Voorkomen van ongelukken en overstroming door graafschade Bevergaten zijn groot (zie § 3.3) De holen zijn vaak van buitenaf voor een leek niet goed vindbaar, en ook voor een expert blijft een deel van de schades onder water onontdekt. Er wordt momenteel gewerkt aan de toepassing van grondradar (van Benthem 2015), sonar (Rothengatter pers. med.), warmtecamera's (van Olst, pers. med.) om holen en gangen in kaart te brengen, maar er is nog geen goed werkende methode gevonden (Kieftenburg, 2019). Kieftenburg benoemt in haar quickscan van mogelijke meetmethoden dat er een drietal veelbelovende technieken zijn met Electro-Magnetische metingen (EM) onder drones, Glasvezel en Artificiele intelligentie. En er is echter momenteel geen methode operationeel voor brede toepassing op grote schaal. Zonder dergelijke speciale hulpmiddelen, of gezenderde dieren, worden de gaten pas gevonden als er verzakkingen optreden of groter onheil plaatsvindt. Hieruit volgt dat de aanwezigheid van gaten niet geheel voorkomen kan worden door intensieve inspectie. Bevergraverij wordt hersteld door het hol op te vullen in afwezigheid van de bevers en door hernieuwde vestiging te ontmoedigen. Herstellen van bevergraverij kan bijzonder kostbaar zijn, bijvoorbeeld als het om moeilijk toegankelijke of anderszins bijzondere locaties gaat. Het dichten van oeverholen bij Milsbeek en het aanbrengen van stortsteen kostte Waterschap Limburg ca. 75.000 euro (bron: UvW). Het is ook kostbaar als er veel mensen bij moeten worden betrokken of de besluitvorming rondom het ingrijpen traag is. In het geval van een beverfamilie bij Waalwijk, die in de periode 2010 -2015 in een primaire waterkering verbleef (holenstelsel), liepen de kosten tot boven de 100.000 euro's op omdat er te laat informatie werd opgevraagd en te laat werd ingegrepen (pers. med. P. Blanker, Brabantse waterschappen en Vilmar Dijkstra). Uit door de UvW geregistreerde gegevens valt op te maken dat de geregistreerde kosten voor het herstel en beheermaatregelen variëren per jaar en per waterschap. Er worden per jaar per waterschap tientallen tot honderden mensuren gemaakt en voor vele duizenden euro’s geregistreerd (data UvW, de complete tabel met het landelijke overzicht van meldingen beverschade en genomen maatregelen van 2016-2019 is op te vragen bij de UvW, D. Moerkens). Er moet wel worden opgemerkt dat de registratie niet geheel compleet is. In de periode 2014 - 2019 lagen de door Hunze & Aa's uitgegeven controle- herstelkosten voor bevergraverij tussen de 3 en de 23.000 euro per jaar (gemiddeld 15.000, n = 6, zie voor details de tabel 3.2). Aan preventieve maatregelen is daarnaast tussen de 1000 en 8.000 euro per jaar uitgegeven. Om dijken en oevers graafwerend te maken kunnen ze met gaas of stalen damwanden ondoordringbaar worden gemaakt of worden bekleed met stortsteen, beton of asfalt (BCM, 2007; Campbell-Palmer et al., 2016). Een alternatief is om ze te overdimensioneren zodat graverij getolereerd kan worden. Het aanleggen van een vooroever van 20m hoort hier bij. Het verflauwen van het talud en het verwijderen van begroeiing verminderen de aantrekkelijkheid om in de oever te graven, maar bieden daarop geen zekerheid. Ervaringen uit Duitsland (Oderbruch, mond. med. H Assink) leert dat stortsteen constructies niet gegarandeerd afdoende zijn als de gebruikte stenen te klein zijn. Bevers kunnen te kleine stenen verplaatsen en alsnog in de oever graven. Ook gaas of houten schotten tot op de bodem voldoen niet altijd omdat bevers er onderdoor kunnen graven. Bij een groeiende populatie is de ervaring in Duitsland dat bevers ook door houten beschoeiingen kunnen knagen. In Duitsland wordt momenteel een stalen damwand tot minimaal een halve meter onder het dieptste punt van de watergang / kanaalwaterbodem toegepast. De ervaring leert dat dit gegarandeerde bescherming tegen graverij geeft. Het talud van de waterkering en de kwelsloot kan goed beschermd worden door middel van gaas mits deze dieper dan de slootbodem wordt ingegraven. Gaas (bijvoorbeeld “asfaltbewapening”) kan worden aangebracht op de graszode waarna het gaas en gras met elkaar vergroeien (ervaring uit Duitsland, Assink mond. med.) of net onder het maaiveld (Dijkstra & Polman 2018). Hele concrete ontwerpmaatregelen voor de Nederlandse situatie zijn beschreven door een werkgroep van Waterschap Rivierenland (WSRL-Werkgroep Preventieve Maatregelen ongepubliceerd). De kosten van dergelijke preventie zijn geschat in een pilot preventieve maatregelen bij polder Oudendijk (Zuid Holland), in de praktijk bij Waterschap Rivierenland en berekend op basis van ontwerpen uit het Duitse Oderbruch. Een globale kostenschatting door Waterschap Rivierenland bedraagt € 25 tot 100,- per meter lengte van de dijk of kade (Bronsveld et al. 2010), voor maatregelen die los van het reguliere werk voor dijkversterking worden uitgevoerd. Uit de pilot in Zuid Holland over drie stukken van 100m kwamen schattingen in dezelfde orde van grootte naar voren, ondanks het gegeven dat de werken waren geïntegreerd in een voorgenomen dijkversterking. De additionele kosten van preventie met betonnen matten, gaas en stortstenen bedroegen € 225, € 45 en € 75 per meter waterkering respectievelijk (Unie van Waterschappen 2014). Op basis van ontwerp van preventieve maatregelen in de Oderbruch, omgerekend naar Nederlandse bouwprijzen, schat het Waterschap Hunze & Aa's (berekeningen H. Assink, Hunze & Aa’s) de kosten van preventie met stalen damwanden in op € 830,- per m (voor waterkeringen met de teen in het water) en met gaas voor €250 per m (voor droge keringen). Als natuurlijke oevers van waterlichamen over grote lengtes vervangen worden door hard substraat, zullen er bijwerkingen zijn op de biodiversiteit (vegetatie, insecten, vogels, amfibieën, vissen) en het functioneren van het ecosysteem. Afhankelijk van de uitvoering kunnen maatregelen op gespannen voet staan met de doelstellingen en de herstelmaatregelen die worden geïmplementeerd in het kader van de KRW (Kader Richtlijn Water). Hierom, en vanwege de hoge kosten en het grote areaal aan watergangen is het geen optie om deze maatregel ter voorkoming van graverij ongericht en grootschalig toe te passen. Het gericht toepassen van de maatregel op locaties waar bevers herhaaldelijk schade of veiligheidsrisico’s veroorzaken kan overwogen worden, zeker als er ook nog andere doelen mee gediend zijn. Het terugleggen van dijken kost circa € 1 miljoen per km voor de werkzaamheden. Daar moeten vervolgens de kosten voor technische studie en grondaankoop bij worden opgeteld. Dat gaat respectievelijk om ca. € 200.000,- per km en een grondprijs met bijkomende kosten van € 100.000 per ha (bron: H. van Norel, waterschap Hunze & Aa’s pers. med.). In het afgelopen decennium zijn door provincies, waterschappen en TBO's veel terugleggingen van dijken uitgevoerd, in het kader van beekherstel. Enkele terugleggingen zijn nog gepland (rond Hunze en Ruiten Aa), maar de meeste projecten zijn inmiddels uitgevoerd. Een kaartje met de geplande beekherstel projecten is gegeven in hoofdstuk 4. Het maken van een brede vooroever, zonder het terugleggen van de dijk, is in het gebied van Drenthe en Groningen vrijwel nergens mogelijk omdat de dijk direct aan het water grenst. Om bevers een geschikte locatie te bieden om op of in te rusten bij hoog water zijn hoogwater terpen een passende oplossing. Deze heuvels moeten een doorsnee aan de bovenkant hebben van ca. 20 m en moeten voldoende hoog zijn om bij hoogwater niet onder te lopen. Zij kunnen bijvoorbeeld worden beplant met wilgen en populieren, of struiken. De bevers worden zo bij hoogwater afgeleid van de kale dijken. De ervaringen met deze terpen zijn in Duitsland erg bemoedigend (Niewold 2007). De aanleg ervan is niet ingewikkeld en vereist slechts de beschikbaarheid van oppervlak, grond, en grondverzet. Wel moet rekening gehouden worden met de ligging van deze terpen om opstuwing van het water zo veel mogelijk te voorkomen (zie ook Dijkstra & Polman 2018). Hoogwatervluchtplaatsen zijn in de vorm van 'muggenbulten' al aanwezig in het waterbergingsgebied de Onlanden. Bevers kunnen verleid worden om op specifieke locaties een hol of burcht te construeren, zodat meer kwetsbare locaties worden ontzien. Daartoe voor de hand liggende aanpassingen kunnen ook worden ingezet om bevers een plek bieden in tegen graverij beschermde kades en oevers, daar waar kunstmatige terpjes niet toepasbaar zijn. Hiertoe moet op een minder kwetsbare locatie een geschikte oever worden ingericht met een steile oever, houtige beplanting, voldoende waterdiepte en bij voorkeur op een kruispunt van wateren (Dijkstra & Polman 2018). Waarschijnlijk kunnen kleine schiereilandjes met een dimensie van 5 bij 5 meter al goed voldoen. Voor specifieke situaties in Drenthe en Groningen, met name langs ecologische verbindingszones, zullen dergelijke aanpassingen een geschikte voorziening kunnen zijn. In analogie daarmee zijn op maat gemaakte oplossingen denkbaar om lokale problemen met herhaalde graverij in oevers op te vangen, door een geschikt alternatief te bieden. Dit vraagt om de interactie met een ‘beverbeheerder’ of een andere lokale beverdeskundige. Ingrijpen in de populatie In de bovenstaande tekst zijn de maatregelen gecategoriseerd naar type schade, zoals in § 3.3 aangegeven. Het ingrijpen in de populatie, onderwerp van deze paragraaf, is een maatregel die voor alle drie de categorieën geldt. De gevoelde noodzaak om in beverpopulaties in te grijpen varieert binnen Europa (Campbell-Palmer et al. 2016). In Noorwegen bijvoorbeeld is er een goed gereguleerde jacht met quota’s. In Beieren (Duitsland) werden aanvankelijk veel dieren gevangen en verplaatst, maar worden tegenwoordig dieren geschoten om problemen te verminderen. Dit komt omdat er geen vraag in Europa meer is naar bevers om uit te zetten. Gangbare methodes om in te grijpen in de populatie zijn het wegvangen (levend/dood) en beheersjacht. Een protocol voor het vangen van bevers is gegeven in Campbell-Palmer et al.
(2016). Wegvangen is duur en erg bewerkelijk. Omdat dispersie en kolonisatie in grote delen van Noord Nederland nodig is voor het laten ontstaan van een duurzame populatie is er veel voor te zeggen dieren niet te doden. Het meest pragmatische is om ze gewoon weg te pesten en te hopen dat ze geschikte gebieden zelf bereiken. Dit heeft de voorkeur boven vangen en herplaatsen in situaties waar de veiligheidsrisico’s gering zijn. Daar staat tegenover dat gerichte herplaatsing naar de nog onbezette delen van het leefgebied de voorkeur heeft in situaties waar de veiligheidsrisico’s groot zijn. Van belang is dat de herplaats locatie niet te dicht bij de vanglocatie moet liggen anders gaat het gevangen dier gewoon terug. Door wegvangen en herplaatsing zal eenzelfde dier niet vlakbij direct opnieuw veiligheidsrisico’s opleveren. Wegvangen van dieren is technisch overigens lastig (B. Zoer pers. med. en W van Eerden pers. med.). Een gevestigde familie is makkelijker te vangen dan zwervende exemplaren. Vangen met kooien kan 2 tot 3 weken in beslag nemen. Het vangen met kooien is een zeer arbeidsintensief proces. Gebruik van kooien is één manier, maar andere opties zijn ongunstiger en ingewikkelder (denk bijv. aan een net op de bodem van een watergang). Aantalsregulatie. Ook methodes om dieren op humane wijze te doden zijn beschreven in Campbell-Palmer et al.
(2016). Gevangen dieren kunnen worden geëuthanaseerd door 1) intraveneuze injectie met sodium pentobarbiton, door een dierenarts, 2) door een schot in het hoofd met het juiste type geweer in een ‘killing pen’ of 3) door een ervaren schutter binnen 20 m afstand met het juiste type geweer en kogels. De eerste twee vormen van euthanasie zullen extra stress en meer vertraging opleveren dan methode drie. Nulschade door nulstandgebieden. Effectieve werende maatregelen om bepaalde grote gebieden onbereikbaar te maken bestaan feitelijk niet (Campbell-Palmer et al. 2016). Vangst, verplaatsing, en doding zijn dan de enige praktische oplossingen (Campbell-Palmer et al. 2016). Er zijn wel hele praktische ingrepen denkbaar om toegang te beperken, gebruikmakend van de ontwerpprincipes voor faunapassages. Er worden dan specifiek voor deze soort ecologische barrières opgericht. Bijvoorbeeld: waar nu een duiker is die passeerbaar is voor de bever wordt de opening vernauwd, zodat vis en Otter wél, maar de bever niet meer kan passeren. Uiteraard kunnen ook meer geavanceerde soort specifieke ‘tol poortjes’ op basis van beeldherkenning of gewicht worden geïnstalleerd. Bij open verbindingen via het water moeten levend vangende vallen worden opgezet, analoog aan wat er bij de bestrijding van beverratten gebeurt in een zone langs de grenzen met de andere zones. Ingrijpen in de populatie kan problemen verminderen voor korte of langere termijn. Het is zeer effectief en kan terreineigenaren een belangrijk gevoel van controle over de situatie geven, mits het beheer pragmatisch en goed is georganiseerd. 4Watersysteem en waterveiligheid in het studiegebied De wettelijke taak van het Waterschap is om de waterveiligheid en de beschikbaarheid van water te verzorgen in haar beheergebieden. Om dit goed uit te kunnen voeren is er een stelsel van watergangen, dijken, kades, keringen, lozingspunten, en gemalen. Al deze infrastructuur is onderdeel van het watersysteem. Dit is een systeem dat gegroeid is over de eeuwen om onder de gegeven omstandigheden aan de taken te kunnen voldoen. Het voert te ver om het hele watersysteem in detail hier uit te leggen, maar enkele aspecten ervan zijn van groot belang in relatie tot het beheer van de bever. Die zaken worden hier benoemd, voor het overige wordt verwezen naar de stroomgebiedsvisie (Stuurgroep Water 2000+, 2002). 4.1Inrichting en functioneren van het watersysteem Geomorfologie Figuur 4.1 A) Kaart AHN en B) gebiedsindeling met afvoerrichting water (uit: stroomgebiedsvisie 2002) Op grond van verschillen in geomorfologie zijn vier gebiedstypen onderscheiden (zie afbeeldingen 4.1 A en B ). Deze indeling is relevant voor het functioneren van het watersysteem en zal om die reden ook bij de zonering van het beverbeheer een rol spelen. Het gaat om: het zandgrond/beekdalen gebied, waar met name het voorkomen van meanderende beken het meest bepalende kenmerk is. de lage gronden, hier wil het water van nature heen stromen. de voormalige hoogveengebieden, waar de vervening een kenmerkend wijkenpatroon heeft achtergelaten en die vanwege een gering vochthoudend vermogen erg droogtegevoelig zijn. het zeekleigebied, relatief hoog gelegen en vruchtbare gronden. Inrichting Watersysteem De beheergebieden van de waterschappen Hunze en Aa’s en Noorderzijlvest zijn ingericht om een teveel aan water in de winter te kunnen afvoeren via lozing vanuit het boezemstelsel op de Waddenzee en de Dollard. Het water stroomt het boezemstelsel onder vrij verval in vanaf de hoge gronden in Drenthe. Daarnaast wordt water vanuit de inliggende polders op de boezem uitgeslagen. Langs diverse trajecten in het beekdalengebied zijn in de afgelopen jaren kades teruggelegd in het kader van beekherstel projecten. Dit heeft grote lengte extra geschikt leefgebied voor bevers opgeleverd, met kades die minder kwetsbaar zijn geworden voor graverij. Ook in de komende jaren worden nog langs enkele trajecten kades terug gelegd (zie figuur 4.2). Het gaat met name om aanzienlijke lengte langs Ruiten Aa en Hunze. Daarnaast staan vergelijkbare maatregelen bij het Oostervoortse Diep (fase 3 is in planvorming) en de bovenlopen van het Eelder- en Peizerdiep op het programma. Waterpeilen De beoogde waterpeilen in de beheergebieden liggen vast in zogenaamde peilbesluiten. Door te sturen op de aanvoer van water en de afvoer ervan houdt het Waterschap de peilen binnen de gestelde grenzen. De waterschappen handelen hierbij vanuit een wettelijke taakstelling: voldoen aan het vastgestelde peilbeheer en normering t.a.v. waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterpeil. Het peilbeheer is sterk relevant inzake potentiële natschade. De provincie stelt de randvoorwaarden voor het peilbeheer op en eist dat het peil de functie volgt. De functies (natuur, landbouw of bebouwd gebied) zijn door de provincie toegekend. Waterveiligheid Noord van de lijn Zuidlaardermeer, Veendam, Winschoten liggen gebieden onder zee niveau. Vooral in dit gedeelte bevinden zich veel keringen. De totale lengte regionale waterkeringen in het studiegebied bedraagt ca. 1.133 km. Het waterschap Hunze & Aa’s en NZV beheren resp. 665 en 467 km. Daarnaast is er 114 km primaire kering langs de Waddenzee. De ligging van de keringen en bergingsgebieden is aangegeven in § 4.3, figuur 4.4. De waterschappen hebben zich kosten noch moeite bespaard om de waterveiligheid te vergroten. Sinds de problemen met hoogwater in oktober 1998 zijn enorme investeringen gedaan door bergingsgebieden (14 stuks) in te richten, kades te verhogen (30 cm), een gemaal te bouwen (het gemaal Rozema) en mogelijkheden om water vast te houden te vergroten (door beekherstel, het aanleggen van meer open water, en door aangepaste stuwen). Figuur 4.2 Kaart met geplande beekherstelprojecten in het beheersgebied van Hunze & Aa’s. Langs deze trajecten worden kaden terug gelegd voor zover ze er zijn. N.B. langs de ecologische verbindingszones (de groene stippellijn op het kaartje) bestaat geen voornemen om de kaden te verplaatsen. Bron: beheerprogramma H&A’s. Normaal staat water in de boezem van Hunze & Aa’s op 53cm + NAP, maar dat kan omhoog naar 150cm + NAP bij Maatgevend Hoog Water. In de drie inliggende boezems is de peilstijging geringer. De boezemgebieden van Noorderzijlvest hebben overigens deels hiervan afwijkende waterniveaus; zo ligt het Maatgevend Hoogwater in de Onlanden op -20cm NAP. Hoogwater treedt op bij veel neerslag, in combinatie met beperkte afvoer door verminderde lozing op zee door hoge zeewaterstanden. Veel keringen grenzen direct aan water, het boezemwater aan de buitenzijde en/of het polderwater in een teensloot direct binnendijks. Een groot deel van de keringen wordt ook permanent belast door het boezemwater. Het maaiveldniveau in het beschermde achterland bevindt zich onder het streefpeil op de boezem. Het verval achter een belangrijk deel van de keringen (zie kaart 4.3) tijdens de maatgevende hoogwatersituatie is meer dan een meter. Lokaal kan het verval 3,5m groot zijn. Bij dergelijk verval stroomt veel water snel de boezem uit, mocht er onverhoopt een kade-breuk optreden. Dit brengt grote risico's elders in het boezemsysteem mee. Denk aan het afschuiven van het talud op andere delen van de kering, hetgeen direct tot overstromingsrisico leidt als het water weer opkomt. Denk ook aan woonboten die opeens aan hun trossen aan de kademuur worden opgehangen of voor peilverandering kwetsbare infrastructuur in de stad Groningen. Alle regionale keringen zijn door beide provincies aangewezen en genormeerd, op basis van de economische gevolgschade die op kan treden in het achterliggende gebied bij overstroming. De veiligheid van de keringen dient aan de gestelde veiligheidsnorm te voldoen. De waterschappen toetsen de veiligheid van de keringen periodiek.. Hoogwater treedt op bij veel neerslag of door opstuwing op zee. Het watersysteem is dusdanig dat een dijk of kering niet moet falen en betrouwbaar moet zijn in de periodes dat het er toe doet. Dat is vooral zo met hoog water. En juist onder die omstandigheden is er geen mogelijkheid meer om gaten of zwaktes degelijk te repareren, o.a. omdat de grond dan onberijdbaar is. Waterschappen kunnen dan slechts noodmaatregelen uitvoeren. Figuur 4.3 Kaart met de belangrijkste regionale keringen in het werkgebied van H&A’s en een indeling naar verval (m). De lengtes kade met een verval groter dan 1 m zijn op deze kaart met rood aangegeven. Bron: waterschap H&A’s. Visie van de waterschappen In de stroomgebiedsvisie uit 2002 geeft de Stuurgroep water 2000+ (waterschappen en provincies samen, hierna ‘de stuurgroep’) aan hoe zij in de komende eeuw om wil gaan met het water in onze leefomgeving en hoe de waterschappen mede in het licht van de optredende klimaatsveranderingen, ook in de komende eeuw zorg gaan dragen voor een duurzaam veilige woon- en werkomgeving. De visie is een instrument om sturing te geven aan de uitvoering van een groot aantal waterhuishoudkundige maatregelen die nu al voor een belangrijk deel zijn genomen. De stuurgroep hanteert o.a. het uitgangspunt dat "Herstel van het watersysteem in de richting van meer natuurlijke situaties een belangrijk instrument is om op een duurzame wijze bij te dragen aan de wateropgaven". De natuurlijke omstandigheden en de aan de systemen toegekende functies verschillen overigens van gebied tot gebied, en de visie is daarom door de stuurgroep meer concreet per deelgebied uitgewerkt. De stuurgroep onderscheidt in de visie vier deelgebieden: de zandgronden, de voormalige hoogveengebieden, de zeeklei gebieden en de lage gronden (zie figuur 4.1B). Per deelgebied is aangegeven wat de doelstelling is en welke type maatregelen in elk van de gebieden genomen zou moeten worden om bij te dragen aan het bereiken van doelstellingen uit de visie. Per gebied zijn aandachtspunten benoemd. De wijze waarop het water vanuit de hooggelegen zandgronden via de lager gelegen (veen)gebieden uiteindelijk tot afstroming naar de Waddenzee kan komen, is daarbij een belangrijk algemeen aandachtspunt. Het accent bij het zandgrond / beekdalengebied ligt op versterking van het beeksysteem, lokale berging, en een “natuurlijk” waterbeheer. De aanwezigheid van de bever is hier één op één mee te verenigen en draagt hier fors aan bij. De stuurgroep streeft hier naar kwalitatief en kwantitatief hoogwaardige watersystemen met behoud en ontwikkeling van de van nature voorkomende geomorfologische processen en herstel van de oorspronkelijke ecohydrologische situatie. Het oorspronkelijke waterhuishoudkundige systeem wordt zoveel mogelijk hersteld. Voor de lage gronden (inclusief het Lauwersmeer) geldt het accent: robuuste waterrijke zone, regionale waterberging, “natuurlijk” waterbeheer in combinatie met technische voorzieningen. Het streven is hier naar kwalitatief en kwantitatief hoogwaardige watersystemen met het karakter van de voor een groot deel oorspronkelijke laagveenachtige situaties. Uiteindelijk moet er een robuust watersysteem ontstaan. Het gebied functioneert als de buffer van het watersysteem waar op grote schaal berging plaatsvindt van zowel lokaal als regionaal toestromend water. Het systeem reguleert zich in grote mate zelf; een minimum aan beheer is vereist. De voormalige hoogveengebieden en de zeekleigebieden worden gezien als een technisch ingericht systeem met een combinatie van afvoer en lokale waterberging. De stuurgroep streeft hier naar een goede waterhuishouding in relatie tot de toe te kennen functies. Zo veel als mogelijk is, is het gebied zelfvoorzienend wat betreft de water aan- en afvoer. In deze gebieden wordt ingezet op technische en minimaal ruimte vragende maatregelen. 4.2Knelpunten met betrekking tot beveractiviteiten Vrijwel alle in hoofdstuk drie benoemde effecten van bevers op menselijke activiteit zijn zaken waar de waterschappen mee te maken hebben. Het gaat om effecten van dammenbouw (waterpeil, met effecten op natschade, visintrek, en overige natuurdoelen) en graverij (met gevolgen voor persoonlijke en publieke veiligheid). Ze worden hier opgesomd, maar niet nog eens uitgebreid besproken, om concreet voor dit projectgebied aan te geven welke problemen met bevers kunnen ontstaan. Op de zaken die met veiligheid hebben te maken gaan we dieper in gegeven wat hierboven over het watersysteem is gezegd. 1) Waterpeil Zoals benoemd in hoofdstuk drie komt de waterafvoer in het geding door grond in de watergang en door dammenbouw. Natschade kan hierdoor optreden in gebieden met functie landbouw, bebouwd gebied en natuur (zie onder). 2) Visintrek en andere natuurwaarden De waterschappen hebben allerlei migratievoorzieningen voor vis gemaakt, waarvan de doelmatigheid mogelijk belemmerd wordt door dammenbouw. Nu al -bijvoorbeeld- speelt er enige zorg bij het betrokken waterschap om mogelijke hinder die de Rivierprik (een vis met een instandhoudingsdoel i.h.k.v. de Natura 2000 wetgeving) zou kunnen ondervinden bij het bereiken van een specifieke paailocatie in het Gasterense Diep (RTV Drenthe, 29 nov. 2019) Uit nader onderzoek moet blijken of er in het Drentsche Aa gebied kwetsbare vegetatie types liggen die gevoelig zullen zijn voor inundatie na dammenbouw. Het wordt aanbevolen in beeld te brengen of er gevoelige habitattypes liggen in relatie tot het geschikte en beschermde beverleefgebied. 3) Gaten in oevers: persoonlijke veiligheid Het toezicht op, en onderhoud van, watergangen en keringen vereist menselijke aanwezigheid. Om dit mogelijk te maken ligt er langs vele kilometers watergang een stelsel van paden. Deze paden hangen met de oever en watergang samen. Het functioneren van de oever als leefgebied voor een groot aantal soorten en het functioneren van de watergang voor af- en aanvoer van water vereist onderhoud, zoals maaien en schonen. De paden hebben een functie voor het transport, maar worden ook gebruikt om het organisch materiaal uit de watergang op neer te leggen. De paden kunnen onveilig worden door graverij in de oevers. Sommig materieel kan door verzakkingen in de watergang terechtkomen. Dit is een reëel gevaar wat in het verleden ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden als gevolg van dierlijke graverij (Bayoumi & Meguid 2011; Bos et al. 2016). Voorkomen van graverij en het opvullen van gaten is nodig om de persoonlijke veiligheid te waarborgen. Het vereist een geheel andere organisatie, over grote lengtes watergang, om de gewenste persoonlijke veiligheid op andere wijze te waarborgen. 4) Gaten in kades en keringen: waterveiligheid Graverij door dieren in kades en keringen is een algemeen onderkend probleem. Bayoumi & Meguid
(2011)geven een overzicht van gedocumenteerde gevallen van schade, dijkfalen door dierlijke activiteit. Gevaar voor aantasting van dijken en kades door graverij (maar ook van wegen, taluds, en spoorwegen) is aantoonbaar en reëel. Aantasting van een waterkering door graverij heeft nadelig effect op de sterkte van de waterkering, waardoor de veiligheid wordt verlaagd. De kwetsbaarheid van een waterkering voor graverij is afhankelijk van lokale kenmerken van zowel de waterkering als het watersysteem, maar één schadegeval door graverij kan al een dijkdoorbraak veroorzaken (BCM 2007). Door gegraven gangen van grote gravers zal de macrostabiliteit van het binnentalud bij een dijk met een zandkern bij MHW circa 15% af kunnen nemen en daarmee regelmatig onder de geldende eis komen te liggen. Niet uit te sluiten valt dat dit al bij wat meer normale hoogwatersituaties op zal treden. Een veelal aanwezige aanberming geeft in eerste instantie enige reserve, maar uiteindelijk komt het uittredepunt van de 'freatische lijn'8Piping en freatisch zijn vaktermen. De freatische lijn is het niveau van de waterspiegel in de dijk. Piping staat voor het mechanisme waarbij water via een zandlaag onder een dijk doorstroomt. boven de binnenteen uit, zodat de bovenomschreven mechanismen alsnog in werking kunnen treden. Bij zandkernen treedt bovendien de mogelijkheid van micro-instabiliteit van het binnentalud op en is de kans op 'piping' 4 door de zandkern zeer groot (Kuipers 2005). Deze bevindingen zijn concreet ook nagerekend voor een viertal locaties in het beheergebied van waterschap Hunze en Aa’s waar bevergangen in een kade waren aangetroffen (Pater 2020). Per locatie is de invloed van bevergangen op de stabiliteitfactor vastgesteld met bestaande procedures. Op basis hiervan is – in overeenstemming met de studie van Kuipers
(2005)- geconcludeerd dat elke bevergang een substantiële impact heeft op de stabiliteit van de dijk. Dit wordt versterkt in dijken waar een deel van de gangen droog zijn, omdat hierin geen tegendruk wordt geleverd door water. Tenslotte dragen bevergangen bij aan een kortere kwelweg en daarmee een groter risico op piping in de dijk. Een plotselinge en ongecontroleerde kadebreuk heeft gevolgen voor taluds elders door het plotseling wegvallen van tegendruk bij een verzadigde dijklichaam /zode. Dit maakt dat het probleem verder kan escaleren. De kosten kunnen enorm oplopen als gevolgen van een overstroming (TAW 1985; BCM 2006; Bayoumi and Meguid 2011), naast het feit dat er mogelijk slachtoffers vallen. De potentiële schades door dijkfalen moeten dus niet worden onderschat. Conform de schadeberekeningen in het kader van de normering van de regionale keringen gaat het in de Groningse situatie –afgezien van alle persoonlijke leed- om tientallen tot honderden miljoenen euro’s schade, afhankelijk van welke kade het betreft (Nederpel & Jungermann 2013). Holen zijn vaak van buitenaf voor een leek niet goed vindbaar, en ook voor een expert blijft een deel van de schades onder water onontdekt. Er is geen meetmethode hiertoe operationeel voor brede toepassing op grote schaal (Kieftenburg 2019). Zonder dergelijke speciale methodes, of gezenderde dieren, worden de gaten pas gevonden als verzakkingen optreden of groter onheil plaatsvindt. Het is van belang de voor graverij kwetsbare kades in beeld te brengen en vervolgens de juiste vorm van preventie te kiezen. Dat doen we in paragraaf 4.3. 5). Gaten in overige infrastructuur: publieke veiligheid Naast de waterveiligheid speelt ook een effect van graverij in droge infrastructuur op de publieke veiligheid. Een beverhol onder een spoorlijn of weg is ook een gevaar voor de veiligheid. Dit is een aangelegenheid van de weg- en spoorwegbeheerders. 4.3Kwetsbare kades in Groningen en Drenthe Voor dit beheerplan is aan de dijkbeheerders gevraagd een kaart samen te stellen met daarop de kades die niet kwetsbaar zijn voor graverij omdat ze robuust en afdoende zijn beschermd door damwand, beton of een vooroever van minimaal 10m. Niewold
(2007)omschrijft dat robuuste bescherming tegen graverij mogelijk wordt gemaakt door versterking met ingegraven gaas, asfalt, basaltblokken, betonstenen, schanskorven stortstenen en puin. Deze indeling naar kwetsbaarheid is gegeven in figuur 4.
  1. De kaart laat zien dat er op een paar plekken kades liggen die min of meer ‘beverproof’ zijn. Het betreft de recent aangelegde keringen rond de Onlanden, omdat deze keringen breed zijn en een flauw talud hebben. Te Hoorndermeeden bij Wedde liggen de dijken verder landinwaarts zonder noemenswaardige kwelsloot, en zijn daarom ‘bever-proof’. Vrijwel alle kades in het studiegebied zijn echter van een standaardtype van max. 4 meter kruinbreedte met een buitentalud direct grenzend aan de waterlijn. Er is weliswaar in de meeste gevallen geen houtige opslag op de kade, maar –gezien de afwezigheid van anderszins geschikte plekken- vormen deze kades toch de voor bevers meest logische droge plek om een schuilplaats in te graven. Harde oeverconstructies waar een bever niet onderdoor kan graven, zijn de stalen damwandconstructies in de kanalen waar (beroeps) scheepvaart op zit. Het Eemskanaal is bijvoorbeeld helemaal voorzien van een stalen damwand. Dat is in het Damsterdiep hier en daar ook het geval, maar het merendeel betreft een talud met beschoeiing of stortsteen. Houten damwand constructies bieden geen zekerheid omdat er voorbeelden zijn van stuwplanken van azobe waar bevers een u-vorm in hebben geknaagd om er makkelijk overheen te komen. Stortsteen en paal-schot constructies blijken in de praktijk niet beverproof omdat de bevers er gewoon onderdoor graven (eigen waarneming Waterschap H&A’s). Deze oeverconstructies zijn aangelegd als ‘boordvoorzieningen’ (denk aan een soort van kraag ter hoogte van de waterlijn) ter bescherming van de oever door golfslag. Verreweg de langste stukken dijktraject in de beheergebieden zijn voorzien van een dergelijke boordvoorziening en hebben aan de andere zijde een kwelsloot. De kwelsloot is niet beschermd met een harde beschoeiing o.i.d. Bevers kunnen vanuit de kwelsloot de kade/dijk ingraven. Wanneer een bever vanuit de kwelsloot de kade ingraaft verkort hij de kwelweg van het grondwater. Het grondwater stroomt dan sneller door de kade en kan zand meespoelen. Hierdoor zal de kade eerder bezwijken. In de stad Groningen liggen ook harde oevers zonder kwelsloten. Het gaat hierbij vooral om de stadsgrachten en de industriegebieden langs het Winschoterdiep en Eemskanaal. Gezien vanuit de optiek van waterveiligheid zijn het landschap en de mensen in de regio's onder NAP feitelijk niet klaar voor de aanwezigheid van bevers, vanwege het feit dat de keringen kwetsbaar zijn, en niet beschermd zijn tegen graverij. Dit moet worden gezien in het licht dat bevers gaten maken op onvoorspelbare plekken, en ook nieuwe gaten maken op momenten dat reparatie niet mogelijk is. 4.4Economische belangen De kades en keringen beschermen mensen, vee, goederen en infrastructuur. Een inschatting van de economische schade die daaraan zou worden toegebracht bij onverhoopt dijkfalen is gemaakt door de provincies in het kader van de normering van de dijken. In de onderstaande figuur 4.5 zijn de resultaten van deze berekeningen gegeven. Belangrijke aspecten voor de gevolgen van een overstroming zijn de inrichting van het gebied, de grootte van het gebied dat kan inunderen en de hoeveelheid water die bij een doorbraak onder extreme omstandigheden beschikbaar is (Nederpel & Jungermann 2013). Met name in de overstromingsvakken rond de stedelijke gebieden kan de economische schade tot honderden miljoenen euro's oplopen (zie figuur 4.5). Figuur 4.4 kaart met onderverdeling naar kades die beverproof zijn, en kades die kwetsbaar zijn. Op de kaart zijn ook de bergingsgebieden aangegeven. Het Lauwersmeer is officieel geen waterberging maar een bergboezem. Figuur 4.5 Kaart Economische belangen. De berekende schade in miljoenen euro's inclusief schade aan bijzondere objecten bij dijkfalen (zichtjaar 2025). De berekende schade is gebaseerd op het prijspeil 2012 voor de verschillende overstromingsvakken zoals ze in de provinciale verordening zijn vastgelegd en is geclassificeerd naar normklasses (data provincie Groningen, berekening in Nederpel & Jungermann 2013). N.B. Een gebied kan vanuit meer dan één boezemstelsel overstromen; afhankelijk daarvan varieert de berekende schade. In de hoogste klasse kan de economische schade tot honderden miljoenen euro's oplopen. De reden dat de data het noordelijk deel van Noorderzijlvest en het zuidelijk deel van Hunze & Aa's niet dekken, is dat daar geen regionale waterkeringen voorkomen. 5Juridische context 5.1Europese en nationale wetgeving Ten aanzien van de bescherming van de bever De bever is opgenomen in bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn. Voor de bever geldt het beschermingsregime van de artikelen 3.5 en 3.6 Wet natuurbescherming. Dit betekent dat de soort een strikte bescherming geniet. Het is daarom verboden om de bever opzettelijk te verstoren, te doden of te vangen. Ook mogen voortplantingsplaatsen en rustplaatsen niet worden verstoord en/of aangetast. Provinciale Staten kunnen ontheffing verlenen voor deze verbodsbepalingen (art. 3.8). Om een ontheffing te verkrijgen, moet worden voldaan aan verschillende wettelijk vastgelegde voorwaarden. Zo dient er 1) een wettelijk belang te zijn, zoals openbare veiligheid, ernstige schade aan gewassen, wateren en andere vormen van eigendommen, en/of een dwingende reden van groot openbaar belang9Om precies te zijn:» in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;» ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;» in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;. 2) Er moet worden beargumenteerd dat er geen andere bevredigende oplossing is, en 3) er mag geen afbreuk worden gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. De Europese status van de bever op de 2007 Rode Lijst van de IUCN is ‘Least Concern’ (http://www.iucnredlist.org)10“The European beaver has shown good recovery across much of its range, as a result of conservation programmes. The highest numbers are found within Europe. Conservation measures are ongoing to prevent the population declining again and as long as these continue, there is no reason to continue to assess the species as threatened or Near Threatened.”. De bever staat in 2012 op de Nederlandse Rode Lijst voor bedreigde zoogdieren met de status ‘gevoelig’. Op dit moment wordt een nieuwe Nederlandse Rode Lijst samengesteld. Ten aanzien van door de bever geveld hout In artikel 4.3 van de Wnb is een herplantplicht geregeld voor situaties waarin een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld. Wij gaan er in deze tekst van uit dat als de provincie constateert dat er bomen door bevervraat teniet gegaan zijn, de eigenaar geen herplantplicht opgelegd krijgt. Door bevers gevelde bomen hoeven niet direct te worden herplant, mits natuurlijke verjonging/vervanging zal kunnen plaatsvinden. 5.2Provinciale regelgeving In de provinciale regelgeving van Groningen en Drenthe is uitgewerkt hoe de bescherming, het beheer en schadebestrijding worden geregeld. Groningen heeft hiertoe een Natuurvisie en een Verordening natuurbescherming vastgesteld in
  2. In de natuurvisie wordt de bever tevens benoemd als provinciaal relevante soort. Het is een gidssoort in Groningen voor de robuuste verbindingszone van oost naar west door Groningen (voorheen de "Natte As"). Drenthe heeft ook een natuurvisie en werkt overeenkomstig het Flora- en faunabeleidsplan. Faunabeheer In de Wnb is opgenomen dat voor een aantal diersoorten bepaald kan worden dat de soort bejaagd, beheerd of bestreden mag worden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt deels bij het Rijk (jacht) en deels bij de provincies (beheer en schadebestrijding). Van jacht is sprake wanneer bepaalde wildsoorten bemachtigd worden om te benutten, maar het middel kan ook bewust als beheermaatregel worden ingezet. Beheermaatregelen zijn aan de orde wanneer een wildpopulatie te groot is. Het bestrijden van soorten wordt gedaan om bijvoorbeeld overlast of schade te voorkomen (Provincie Groningen 2016). Het beheer van populaties is in de Wnb toebedeeld aan de faunabeheereenheden, aan de wildbeheereenheden, en daarnaast aan door Gedeputeerde Staten aan te wijzen andere personen, dan wel samenwerkingsverbanden van personen. Voordat sprake kan zijn van beheer van een populatie moet de onderbouwing hiervan worden vastgelegd in een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd faunabeheerplan. Voorkomen en bestrijden van schade Grondgebruikers kunnen als gevolg van de aanwezigheid op hun percelen van beschermde soorten –in dit geval bevers- schade lijden. In zo'n geval wordt een afweging gemaakt tussen de voorzienbare schade aan diersoorten en gewassen en het belang van bescherming van de soort. Deze afweging kán ertoe leiden dat de grondgebruiker op basis van een goedgekeurd plan een vrijstelling, ontheffing of aanwijzing krijgt ter voorkoming en bestrijding van schade aan diersoorten of gewassen op zijn grond. Schade door beschermde soorten kan vergoedingsplichten scheppen als er geen ontheffing of vrijstelling wordt verleend. De motivering voor het verlenen van ontheffing moet concreet en toegespitst zijn. Vrijstelling of ontheffing op grond gedragscode Om bij het uitoefenen van hun taken te voldoen aan de eisen uit de Wet natuurbescherming maken de waterschappen gebruik van de Gedragscode Wet natuurbescherming voor Waterschappen (Unie van Waterschappen 2019). Deze is in januari 2019 door het ministerie goedgekeurd. Deze gedragscode is generiek voor heel Nederland, en geldig op landelijk niveau. Gedragscodes zijn primair bedacht voor bestendig beheer en onderhoud zoals maaien en schonen van watergangen. Niet voor calamiteiten. Het waterschap mág volgens de gedragscode werken, voor zover de werkzaamheden in de gedragscode zijn omschreven. Ten aanzien van de bever geldt, voor bestendig beheer, onderhoud en gebruik, een vrijstelling op de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming bij de naleving van de gedragscode. Deze vrijstelling op de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming is niet van toepassing bij ruimtelijke ontwikkeling of inrichting daar waar soorten van de Vogel- en/of Habitatrichtlijn aan de orde zijn (zoals de bever, Bijlage IV Habitatrichtlijn), maar dit kan wel opgenomen worden. Voor handelingen die resulteren in het overtreden van een verbodsbepaling, op plaatsen waar de bever voorkomt, moet men over een ontheffing ex artikel 3.8 Wet natuurbescherming beschikken. De provincie is hier het bevoegd gezag. Vrijstelling of ontheffing op grond beverbeheerplan en/of faunabeheerplan Omdat het bij graverij door bevers en bij aanleg van dammen om situaties kan gaan, die onmiddellijk handelen vereisen, is het aanvragen van een ontheffing belemmerend omdat het tijdverlies oplevert. Een op grond van een beverbeheerplan en een beverprotocol afgegeven generieke ontheffing, zou de waterschappen de mogelijkheid verschaffen om in acute situaties, direct te kunnen handelen (in plaats van eerst een ontheffing te moeten aanvragen in het kader van de Wet natuurbescherming)11Het is in theorie mogelijk om de bever in het kader van schade en overlast bestrijding in een AmvB of in een provinciale verordening aan te wijzen. Hiertoe moet in de verordening schade in de gehele provincie worden aangetoond. Deze juridische route past niet goed bij de strikte bescherming die op maat en per locatie een specifieke motivering vereist. Een dergelijke aanwijzing is te grof en niet in overeenstemming met de Habitatrichtlijn.. In principe kan een generieke ontheffing alleen gelden voor de aanvrager daarvan (in dit geval o.a. het Waterschap, maar de route staat ook open voor terrein-, weg- en infrastructuurbeheerders). Een provinciale vrijstelling zou een mogelijkheid bieden om ook gepast ingrijpen door terreineigenaren in de bedrijfsmatige landbouw te regelen. Op een derde mogelijkheid, een machtigingensysteem, wordt nog gestudeerd. 6Gunstige Staat van Instandhouding De Gunstige Staat van Instandhouding is een juridisch begrip, dat relevant is voor het onderhavige beheerplan. Er mag namelijk, bij overtreding van de bepalingen in de Wet natuurbescherming, geen afbreuk worden gedaan aan het streven de populatie van de soort in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Een definitie van het begrip is gegeven in de richtlijn over soortbescherming door de Europese Commissie
(2007). De gunstige Staat van Instandhouding is een situatie waarin het goed gaat met de populaties van de soort en waarin het toekomstperspectief goed is. Het concept is niet beperkt tot beschermde gebieden, maar heeft ook betrekking op dieren daarbuiten. 6.1Doelstelling landelijke en lokale populatie De Staat van instandhouding wordt beoordeeld op vier beoordelingsaspecten (Synbiosis Alterra 2009), te weten: Natuurlijk verspreidingsgebied: het gaat om de verspreiding van de bever zelf. Dit wordt in Nederland gemeten op basis van het aantal 10*10 kilometerhokken waarin de bever gesignaleerd is. Het doel in Nederland is 80 10*10 km Populatie: de populatie omvang wordt uitgedrukt in het aantal individuele dieren. Het doel in Nederland is o.a. in Synbiosis Alterra
(2009)op 500 dieren gesteld. Beschikbaarheid aan geschikt leefgebied: hierbij gaat het om de mate waarin er voldoende areaal geschikt leefgebied aanwezig is voor een duurzame populatie. Toekomstperspectief: dit is een beoordeling van het toekomstperspectief voor verdere ontwikkeling van de beverpopulatie (Synbiosis Alterra 2009). Voor het studiegebied is geen kwantitatieve doelstelling voor de populatie bevers vastgelegd. Voor gebieden als de Biesbosch, Gelderse Poort, Uiterwaarden Waal en IJssel, Leudal, Swalmdal, Roerdal en Grensmaas zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de bever geformuleerd in de aanwijzingsbesluiten bij die gebieden. Maar in noord Nederland was daar bij de aanwijzing van de Natura_2000 gebieden nog geen aanleiding toe. Om toch goed houvast te krijgen bij het vormgeven van de bescherming, en het voeren van een consistent beheer, is er in dit beheerplan hieronder een kwantitatieve doelstelling gekozen in termen van een minimale populatieomvang voor duurzame instandhouding op de lange termijn. Dat maakt het mogelijk om in paragraaf 6.3 de Gunstige staat van Instandhouding te beoordelen op het juiste schaalniveau. Dit is in lijn met de stelling van Bastmeijer
(2018), dat het aannemen van een verplichting om een GSVI op provincieniveau te waarborgen vanuit ecologisch oogpunt niet voor de hand ligt, maar dat er wel goede redenen zijn om ook op provinciaal niveau een GSVI voor soorten te formuleren. Bastmeijer stelt dat men dient uit te gaan van de verplichting om een GSVI te waarborgen op het niveau van deelpopulaties of lokale populaties op grond van juridische argumenten, in het kader van het toelaten van uitzonderingen op verbodsbepalingen in het soortenbeschermingsrecht. Dit om ervoor te zorgen dat deelpopulaties duurzaam kunnen voortbestaan en om bij te dragen aan het bereiken en behouden van de landelijke GSVI. Voor de verslaglegging aan de EU, heeft de beoordeling van de Staat van Instandhouding plaats over het gehele natuurlijke leefgebied, en op landelijk niveau. Voor een gepaste beoordeling van de impact van een specifieke ontheffing moet de beoordeling echter op een kleinere schaal plaatsvinden (European Commission 2007). Pas dan is ze zinvol in ecologische termen. Een passend niveau is de lokale populatie, gegeven de definitie van populatie in de richtlijn van de EU. De lokale populatie is onderdeel van een Europese metapopulatie van ruimtelijk gescheiden populaties die in zekere mate aansluiting en uitwisseling met deelpopulaties elders hebben. In dit document wordt de Staat van Instandhouding voor de lokale noordelijke populatie in het studiegebied en de aangesloten gebieden in Friesland en Zuid Drenthe beschouwd. Omdat Nederland geen directe bevoegdheden en invloed heeft in Duitsland, laten we de deelpopulatie in het Eemsland (D) verder buiten beschouwing. Een duurzame populatie wordt gedefinieerd als een populatie die op lange termijn kan overleven ondanks te verwachten demografische en genetische effecten en natuurlijke catastrofes. De minimale omvang van een dergelijke populatie varieert per soort en is afhankelijk van een aantal factoren zoals populatieopbouw en sociale structuur Soulé
(1987). Voor de biologie achter de hieronder genoemde getallen verwijzen we de lezer naar Soulé
(1987)en naar Franklin, 1980). Een heel inzichtelijke afweging is ook gegeven in Stuyck et al.
(2012)en Jansman et al.
(2016). Voor een genetisch gezonde populatie bevers op kortere termijn zijn in theorie minimaal 50 zich actief voortplantende dieren nodig, gelijkelijk verdeeld over de geslachten. Rekening houdend met de natuurlijke populatieopbouw van bevers kan dan worden berekend dat de werkelijke populatiegrootte dan minimaal 125 dieren omvat verdeeld over ca. 25 families (Kurstjens 2007). Voor het behoud van voldoende genetische variatie zal een effectieve uitwisseling van twee dieren per 10 jaar met een andere populatie dienen plaats te vinden. Voor overleving op lange termijn dient een populatie uit minimaal 500 zich voortplantende dieren te bestaan (Franklin, 1980). Dit staat ook zo in de Soortenstandaard Bever (RvO 2014): “Voor een gunstige staat van instandhouding van de beverpopulatie in Nederland dient er ten minste één (deel)populatie te zijn van minstens 500 exemplaren”. Dit is dan ook het landelijke referentiegetal op basis waarvan Alterra in 2009 de Staat van Instandhouding voor de jaren 2000 en 2007 op nationale schaal als ‘matig ongunstig’ beoordeelde (Synbiosis Alterra 2009). Op basis van dezelfde criteria is de landelijke Staat van Instandhouding nu ‘gunstig’. In Vlaanderen is het niveau van de Gunstige Staat van Instandhouding gesteld op 100 reproductieve eenheden (ANB, 2015), hetgeen geacht wordt overeen te komen met ca. 167 territoria en ongeveer 467 bevers (Stuyck et al. 2012). In Vlaanderen is per 2019 de GSVI bereikt (van Hoydonk, pers. med.). In een nadere analyse voor specifiek de bever, op basis van berekeningen en ervaringen uit binnen- en buitenland, stelden Jansman et al.
(2016)de schatting voor een duurzame populatie iets bij en concluderen dat deze voor een op zichzelf staande (meta)populatie bij de bever uit 1225-1880 dieren dient te bestaan. Op basis daarvan beschouwen zij de beverpopulatie in zuidelijk Nederland als duurzaam, met een in 2016 geschat aantal bevers van 1700 (>1 jaar oud) en een (toenemende) verspreiding over 164 10x10km hokken. De minister van LNV heeft, in februari 2018 in een brief aangegeven dat de bever, op landelijk niveau in een "duurzame staat van instandhouding" is op basis van Jansman et al.
(2016). Lammertsma et al.
(2019)geven aan dat een lokaal populatieniveau van 1225-1880 dieren voor de noordelijke deelpopulatie niet bereikt zal worden bij een autonome ontwikkeling van de beverpopulatie in Drenthe en Groningen. Met een geschatte draagkracht voor de populatie in Drenthe en Groningen van ca. 400-500 volwassen dieren (Lammertsma et al. 2019) kan een dergelijk lokaal populatieniveau naar verwachting ook niet op langere termijn worden bereikt. Een verbinding tussen de centraal-zuidelijke Nederlandse en Duitse populaties met die in Groningen/Drenthe zou gunstig zijn voor de levensvatbaarheid van de beverpopulatie in Nederland. Zij bevelen aan het proces van aansluiting met de Nederlandse en Duitse populaties te versnellen door vol te blijven inzetten op realisatie van verbindingszones in het Natuur Netwerk Noord Nederland en te overwegen om actief dieren uit te zetten. Daarnaast heeft de beverpopulatie in Groningen/Drenthe naar verwachting een lage genetische variatie en een hoge mate van inteelt. Het actief bijplaatsen van onverwante bevers wordt door hen dan ook aanbevolen. Net als in Limburg (Faunabeheereenheid Limburg 2017), wordt ook voor de lokale populatie in ons plangebied het referentie getal van 125 dieren gezien als norm voor de beoordeling van het aspect ‘populatie’ van de Staat van Instandhouding voor de korte termijn. Voor de lange termijn wordt in het kader van dit beheerplan gestreefd naar een populatie die is aangesloten bij de centraal-zuidelijke Nederlandse en Duitse populaties. Een lokaal doel in termen van aantallen is niet geformuleerd12Overige bronnen die overwegingen geven ten aanzien van de minimum na te streven populatie zijn, naast Jansman et al. 2016, o.a. van Wijngaarden
(1966), van der Ouderaa & Boere
(1983), Ottburg & Swaay
(2014)en Dijkstra & Hollander
(2016). De in dit beheerplan gekozen doelstelling, zoals hierboven geformuleerd, wordt daar echter niet op gebaseerd. Zoals Stuyck et al.
(2012)aangeven hebben tal van onderzoekers uit verschillende disciplines zich in de loop der jaren over deze problematiek gebogen en brengen elk hun eigen benadering, al dan niet sterk aangevochten door anderen. Relevant is dat er in dit geval is gekozen voor aansluiting bij de meta-populatie. 6.2Verwachte ontwikkelingen: huidige populatie omvang en ruimte voor groei Er is alle reden om aan te nemen dat de bestaande populatie in het projectgebied verder zal groeien. Net als het bij andere herintroductieprojecten van bevers is vergaan, mag verwacht worden dat de soort alle bereikbare geschikte gebieden zal koloniseren. Aanvankelijk zullen de meeste dieren zich permanent in optimaal leefgebied vestigen, maar bij toenemende dichtheid zal ook sub-optimaal gebied bezet worden. Naarmate de dichtheid verder toeneemt worden alle bestaande lege plekken opgevuld. Bij een ongestoorde ontwikkeling zal er uiteindelijk een terugkoppelingsmechanisme optreden met regulatie van de populatie door verminderde aanwas en verhoogde sterfte (Campbell-Palmer et al. 2016). De terugkoppeling treedt op wanneer de meeste territoria in natuur-, stedelijk en landbouwgebied zijn opgevuld. Ervaring uit het buitenland duidt erop dat bevers hun terrotoriumgroottte verkleinen met het toenemen van de populatie omvang en zich soms op bijzondere plekken vestigen. De dichtheid kan naar verluid hoog worden (Waterschap Hunze & Aa’s), maar gepubliceerde cijfers uit vergelijkbare landschappen zijn ons niet bekend. Op basis van de habitatgeschiktheidskaart (figuur 2.3) is hieronder in tabel 6.1 een interpretatie gemaakt van de aantallen bevers die in het studiegebied beschermd geschikt leefgebied kunnen vinden. We hebben hierbij in tabel 6.1 voorgesorteerd op de instelling van een zonering in beverbeheer (zie hoofdstuk 7). In tabel 6.1 A staan de geschatte territoria die niet in het in hoofdstuk 7 gedefinieerde “bever groot risico” gebied vallen, en daarom redelijkerwijs gerealiseerd kunnen worden. Voor de theoretische territoria in tabel 6.1 B is dat niet zo omdat kolonisatie daarvan te gevaarlijk is voor de waterveiligheid. Uitgaande van 3.5 km per beverterritorium (Kurstjens 2007) kunnen er langs de gezamenlijke beekdalen, meren en laagveen moerassen ca. 91 beverfamilies leven in het projectgebied. Dit komt neer op 360-455 dieren, rekening houdend met een gemiddelde familiegrootte van 4-5 dieren (Dornbusch 1988, Heidecke 1984, Zurowski & Kasperczyk 1986). Merk op dat het overgrote deel van de hier betrokken waterlopen in beschermd gebied (d.w.z. onderdeel van Natuur Netwerk Noord Nederland) liggen. Het is belangrijk om op te merken dat ook daarbuiten bevers voor zullen kunnen komen als betrokkenen voldoende ondersteund worden met informatie, consistent beleid, middelen om onverhoopte effecten te kunnen mitigeren en controle over de situatie. Tabel 6.1. A en B. Interpretatie van de te verwachten aantallen bever territoria in het projectgebied voor de verschillende beekdalen en overige watersystemen in geschikt leefgebied. Er is in tabel 6.1 voorgesorteerd op de instelling van een zonering in beverbeheer (zie hoofdtekst), waarbij in 6.1 A de geschatte territoria staan die redelijkerwijs gerealiseerd kunnen worden, terwijl voor de gebieden in tabel 6.1 B geldt dat de bever daar niet getolereerd kan worden omwille van de waterveiligheid. De tabel bevat ook een vergelijking met een eerdere schatting door Kurstjens
(2007)voor drie van de vier beekdalsystemen. Bij de interpretatie is uitgegaan van een gemiddelde lengte van 3.5 km beekdal per verwacht beverterritorium en is een aantal territoria opgenomen voor de grote moerasgebieden en meren op grond van een expert inschatting. Een formele onzekerheidsmarge is niet te berekenen. Bij de exercitie hebben we ons tot het beschermde gebied beperkt, maar het is goed om op te merken dat ook daarbuiten bevers voor zullen kunnen komen. Houd rekening met een gemiddelde familiegrootte van 4-5 dieren. Kurstjens 2007 Deze studie Gebiedsnaam lengte (km) # territoria lengte (km) # territoria A Eelderdiep en Peizerdiep * 10 10-12 44 13 Drentse Aa 40 85 24 Hunze 55 11-14 74 21 Ruiten Aa - 49 14 Fochteloerveen - 2 Bargerveen - 2 Reitdiep - 0 Onlanden ** 1 9 Paterswoldsemeer & Hoornse meer 2 2

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.