← Nederland

Parkeerverordening Amsterdam 2025 (Amsterdam)

Kort samengevat

Deze verordening regelt de heffing en invordering van parkeerbelasting in Amsterdam, met als doel de dominantie van autoparkeren te verminderen en ruimte vrij te maken voor andere doeleinden. Het brengt de vraag naar en het aanbod van parkeercapaciteit in balans door middel van belastingheffing en vergunningen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Parkeerverordening Amsterdam 2025Verordening van de raad van de gemeente Amsterdam houdende regels over de heffing en invordering van parkeerbelasting (Parkeerverordening Amsterdam 2025) De raad van de gemeente Amsterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 22 oktober 2024; gelet op artikel 225 van de Gemeentewet; overwegende dat: de raad streeft naar een inrichting van de openbare ruimte waarin de dominantie van autoparkeren wordt gereduceerd en meer ruimte wordt vrijgespeeld ten gunste van andere doelgroepen en doeleinden, zoals: de voetganger, de fietser, het fietsparkeren, openbaar vervoer en groenvoorzieningen; de parkeerdruk hoog is binnen de gemeente en dat parkeercapaciteit schaars is en schaarser zal worden; de raad om die reden het parkeren binnen de gemeente reguleert door middel van een belastingheffing. Met belastingheffing - en het instrumentarium dat hieraan verbonden is, zoals vergunningproducten, tarifering, tijdvensters en vergunningenplafonds, wordt vraag naar - en aanbod van parkeercapaciteit in balans gebracht; bewoners en bedrijven onder strikte voorwaarden in aanmerking komen voor een parkeervergunning waarmee tegen een halfjaarlijks tarief kan worden geparkeerd in een gebied; het aantal te verlenen parkeervergunningen wordt gemaximeerd per gebied, adres en bedrijf. Parkeren dient op eigen terrein te geschieden en in geval van nieuwbouw en in geval van (voldoende) parkeergelegenheid op eigen terrein wordt vergunningverlening uitgesloten; een bewoner of bedrijf niet voor ieder voertuig in aanmerking kan komen voor een parkeervergunning en dat de raad inziet dat dit mogelijk tot hogere kosten of praktische uitdagingen kan leiden voor bewoners en bedrijven, maar dat de raad dit belang niet vindt opwegen tegen het belang van een hoogwaardige openbare ruimte en de ontwikkeling van nieuwe woon- en bedrijvengebieden besluit de volgende verordening vast te stellen: Parkeerverordening Amsterdam 2025 HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN §1.Inleidende bepalingen Artikel1.1Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: adres: adres als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, niet zijnde een nevenadres; ambulante handelaar: markthandelaar en de houder van een staanplaatsvergunning als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten; belanghebbendenparkeerplaats: een parkeerplaats aangeduid door bord E9 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; bedrijf of beroep: elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst arbeid wordt verricht; de zelfstandige die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep; of een niet-commerciële organisatie die hieraan door het college is gelijkgesteld; en met dien verstande dat bedrijven en beroepen worden beschouwd als één bedrijf en één beroep indien de vestigingsadressen dezelfde zijn of het een aaneengesloten bebouwing betreft, en sprake is van een (juridische) constructie waaruit moet worden geconcludeerd dat het in wezen één bedrijf of beroep betreft; bewoner: degene die: een leeftijd heeft van achttien jaar of ouder en is ingeschreven als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Amsterdam op het adres dat hij bewoont; of is ingeschreven in de protocollaire basisadministratie op het adres binnen de gemeente Amsterdam dat hij bewoont en beschikt over een identiteitsbewijs van het ministerie van Buitenlandse Zaken waaruit blijkt dat er sprake is van een geprivilegieerde status; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam; deelvergunninggebied: krachtens artikel 1.8, eerste lid, aangewezen deel van een vergunninggebied; elektronische parkeerapparatuur: alle hardware- en sofwarecomponenten, met inbegrip van de centrale computer van de gemeente of een rechtspersoon met wie de gemeente een daartoe strekkende overeenkomst heeft gesloten, die in werking worden gesteld met behulp van diensten op het gebied van betaald parkeren door een telefoon of ander communicatiemiddel voor het voldoen op aangifte van parkeerbelasting; houder van een motorvoertuig: degene: aan wie een kenteken van het motorvoertuig is opgegeven in het kentekenregister als bedoeld in artikel 42 van de Wegenverkeerswet 1994; die blijkens een leaseovereenkomst gebruikmaakt van het motorvoertuig; of die blijkens de inhoud en strekking van de arbeidsovereenkomst met zijn werkgever en een verklaring van de werkgever waaruit de exclusieve terbeschikkingstelling blijkt ten aanzien van het gebruik, gebruikmaakt van een door zijn werkgever beschikbaar gestelde motorvoertuig; mantelzorg: niet-beroepsmatige zorg die met regelmaat wordt verleend door familie, vrienden of kennissen van de persoon die de zorg krijgt; markthandelaar: degene die beroepsmatig markthandel uitoefent als bedoeld in artikel 1.1, onder m, van de Marktverordening; motorvoertuig: motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of brommobiel als bedoeld in dat artikel; overloopgebied: vergunninggebied of een deel van een vergunninggebied dat als zodanig is aangewezen voor aanvragers van een bewonersvergunning of een bedrijfsvergunning die voor hun eigen vergunninggebied op de wachtlijst staan; parkeren: gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; parkeerapparatuur: parkeerapparatuur bij de parkeerplaats of elektronische parkeerapparatuur; parkeerapparatuur bij de parkeerplaats: parkeerautomaat, verzamelparkeermeter, parkeermeter of andere parkeerapparatuur die door of vanwege de gemeente in de nabijheid van een parkeerplaats beschikbaar is gesteld voor het voldoen op aangifte van parkeerbelasting; parkeerplaats: plaats op een weg die, of een terrein dat, openstaat voor het openbaar verkeer waar het niet krachtens wettelijk voorschrift is verboden te parkeren; stallingsplaats: plaats die juridisch, feitelijk of planologisch is bestemd of bedoeld om motorvoertuigen te stallen, gelegen buiten de openbare weg en niet voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk waarbij geldt dat een solitaire inpandige stallingsplaats of garagebox ten minste 2,35 meter breed en ten minste 5,00 meter lang is en een toegangsdeur heeft van ten minste 2,20 meter breed; of plaats die aan de omschrijving onder a voldeed op het moment waarop in een beleidsvoorstel bekend is gemaakt dat betaald parkeren wordt ingevoerd op het adres van degene die over de plaats kon beschikken en na de bekendmaking van het beleidsvoorstel aard- en nagelvast is verbouwd waardoor deze niet meer voldoet aan de omschrijving onder a; tariefgebied: krachtens artikel 1.3, eerste lid, onder a, aangewezen gebied waar voor het parkeren parkeerbelasting wordt geheven; vergunninggebied: krachtens artikel 1.8, eerste lid, gebied waarbinnen parkeervergunningen kunnen worden verleend, inclusief het in dat lid bedoelde deelvergunninggebied; vergunninghouder: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een parkeervergunning is verleend; werknemer: persoon, werkzaam in een bedrijf voor minimaal 36 uur per week, waarbij personen die deeltijd werken worden herleid tot voltijdse equivalenten. Artikel1.2Parkeerplaatsen 1.Deze verordening is van toepassing op het gebruik van parkeerplaatsen. 2.Deze verordening is mede van toepassing op het gebruik van plaatsen in parkeergarages die bij nadere regeling door het college zijn aangewezen voor het parkeren door houders van een parkeervergunning in een daarbij aangewezen postcodegebied. §2.Betaald parkeren algemeen Artikel1.3Parkeerplaatsen met parkeerbelasting 1.Onder de naam parkeerbelasting vindt heffing plaats ter zake van het parkeren: op een bij besluit van het college aangewezen parkeerplaats, in een gebied dat in bijlage I bij deze verordening is aangewezen als tariefgebied; gedurende een tijdvak dat in bijlage II bij deze verordening is aangewezen als bloktijd; en met gebruik van parkeerapparatuur overeenkomstig deze verordening. 2.De tijdvakken, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden bij nadere regeling van het college uitgewerkt per onderdeel van de tariefgebieden, bedoeld in het eerste lid, onder a. Artikel1.4Parkeerplaatsen zonder parkeerbelasting Geen parkeerbelasting als bedoeld in artikel 1.3 wordt geheven voor het parkeren van een voertuig op: een gehandicaptenparkeerplaats, aangeduid door bord E6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; een belanghebbendenparkeerplaats, aangeduid door bord E9 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; een laad- en losplaats, aangeduid door bord E7 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; een taxistandplaats, aangeduid door bord E5 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; of een parkeerplaats in een parkeerschijfzone, aangeduid door bord E10 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

  1. Artikel1.5Tarief en maatstaf van de heffing 1.Het tarief van de heffing, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, bedraagt het in bijlage III bij deze verordening opgenomen tarief per tijdseenheid van parkeren voor een tariefgebied. De tijdseenheid wordt bepaald in minuten, dagen, avonden of nachten. 2.Het tarief van de naheffingsaanslag is opgenomen in bijlage IV bij deze verordening. 3.Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de heffing en de invordering van parkeerbelasting. Artikel1.6Belastingplichtige en tijdstip verschuldigdheid 1.De parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, wordt geheven van degene die door artikel 225, derde tot en met zesde lid, van de Gemeentewet, is aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. 2.De parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, is verschuldigd bij aanvang van het parkeren. Artikel1.7Wijze van heffing 1.De parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, wordt voldaan bij wege van voldoening op aangifte overeenkomstig artikel 234, tweede lid, van de Gemeentewet. 2.Aangifte wordt gedaan bij aanvang van het parkeren door het kenteken van het voertuig en de duur van het parkeren te registreren in het digitale parkeerbelastingbestand door gebruik van parkeerapparatuur. 3.Bij gebruik van parkeerapparatuur bij de parkeerplaats wordt het verschuldigde bedrag overeenkomstig de aangifte bij aanvang van het parkeren voldaan op de wijze zoals is aangegeven op de parkeerapparatuur en met inachtneming van de voorschriften die bij de verstrekking van of het toestaan van deze apparatuur zijn gesteld. 4.Bij gebruik van elektronische parkeerapparatuur wordt het verschuldigde bedrag overeenkomstig de aangifte betaald binnen één maand na het tijdstip waarop het parkeren is beëindigd en met inachtneming van de voorschriften die bij de verstrekking van of het toestaan van deze apparatuur zijn gesteld. §3.Betaald parkeren met een parkeervergunning Artikel1.8Parkeervergunning met parkeerbelasting 1.Onder de naam parkeerbelasting vindt een heffing plaats ter zake van een krachtens de hoofdstukken 3 tot en met 7 verleende parkeervergunning voor het parkeren van een voertuig op een parkeerplaats in een gebied dat is aangewezen als vergunninggebied in bijlage V bij deze verordening of in een door het college in nadere regels aangewezen deelvergunninggebied of overloopgebied. 2.Ter zake van het parkeren met een geldige parkeervergunning als bedoeld in het eerste lid, wordt geen parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, geheven. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op parkeren door een bezoeker als bedoeld in artikel 3.9 en 3.
  2. Artikel1.9Tarief en geldigheidsduur parkeervergunning 1.Het tarief van de heffing, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, bedraagt het in bijlage VI bij deze verordening opgenomen tarief per parkeervergunning per zes maanden, wat verschillend kan zijn voor een eerste, tweede of opvolgende vergunning voor eenzelfde adres. 2.Een parkeervergunning treedt in werking met ingang van de eerste dag van de maand waarvoor de parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, is voldaan, tenzij de parkeervergunning op of na deze dag is verleend, in welk geval de parkeervergunning in werking treedt op het moment dat de parkeerbelasting is voldaan. 3.Een parkeervergunning vervalt indien de parkeerbelasting bij verlenging van de geldigheidsduur niet is voldaan. 4.Indien de parkeervergunning wordt beëindigd voor het verstrijken van de geldigheidsduur, wordt voor het onbenutte aantal hele kalendermaanden na het moment van beëindigen naar rato de betaalde belasting gerestitueerd. Artikel1.10Belastingplichtige: vergunningparkeren 1.De parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, wordt overeenkomstig artikel 225, zevende lid, van de Gemeentewet geheven van degene die de parkeervergunning heeft aangevraagd. 2.De parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, is verschuldigd vanaf het moment van het verlenen van de parkeervergunning. Artikel1.11Wijze van heffing 1.De parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte bij het verlenen van de parkeervergunning. 2.De voldoening op aangifte geschiedt: door automatische incasso van het verschuldigde bedrag; of door bijschrijving van het verschuldigde bedrag op een daartoe bestemde bankrekening van de gemeente Amsterdam. §4.Tariefreductie en vrijstellingen Artikel1.12Gereduceerd tarief bezoekersparkeren 1.Indien voor een bezoekersvergunning als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, de heffing, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, is voldaan voor het parkeren van een bezoeker, wordt tot een door het college te bepalen maximaal aantal uren parkeren per tijdseenheid in afwijking van artikel 1.5, eerste lid, een gereduceerd tarief geheven. 2.Het gereduceerde tarief is per gebied opgenomen in bijlage VII bij deze verordening. 3.De bloktijden, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onder b, waarbinnen het gereduceerde tarief wordt geheven, kunnen door het college worden beperkt. Artikel1.13Gereduceerd tarief kraskaartparkeren 1.Indien voor een kraskaartvergunning als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, de heffing, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, is voldaan voor het parkeren van een bezoeker, wordt daarvoor in afwijking van artikel 1.5, eerste lid, tot maximaal 150 uren parkeren per kwartaal een gereduceerd tarief geheven. 2.Het gereduceerde tarief is per gebied opgenomen in bijlage VIII bij deze verordening. 3.Als in een kwartaal minder dan 150 uren tegen gereduceerd tarief is geparkeerd, wordt het aantal onbenutte uren meegenomen naar het volgende kwartaal. §5.Invordering en wanbetalen Artikel1.14Wielklem en wegsleepregeling 1.Een wielklem wordt aangebracht of verwijderd in de gevallen die het college in nadere regels heeft bepaald. 2.Het college wijst aan op welke terreinen of weggedeelten een wielklem wordt toegepast. 3.Indien na het aanbrengen van de wielklem ten minste 24 uur zijn verstreken, wordt het voertuig door de in artikel 231, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar naar een aangewezen plaats overgebracht en daar in bewaring gesteld. 4.De hoogte van de in rekening te brengen kosten voor het aanbrengen en verwijderen van een wielklem en het overbrengen en bewaren van het voertuig zijn opgenomen in bijlage IV bij deze verordening. 5.De hoogte van de in rekening te brengen kosten voor aanbrengen en verwijderen van de wielklem en voor het overbrengen en bewaren van het voertuig, wordt door het college bij beschikking vastgesteld. Artikel1.15Kwijtschelding Bij de invordering van de parkeerbelasting wordt geen kwijtschelding verleend. HOOFDSTUK2.ALGEMENE BEPALINGEN OVER PARKEERVERGUNNINGEN Artikel2.1Vergunningenplafonds 1.Het college kan bij nadere regeling het aantal te verlenen parkeervergunningen beperken of op nul stellen: binnen een vergunninggebied voor een parkeervergunning voor bewoners, bedrijven of volkstuincomplexen, als bedoeld in artikel 5.6, eerste lid; voor autodeelorganisaties die stadsbreed opereren; binnen een overloopgebied als bedoeld in artikel 2.
  3. 2.Bij toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met minimaal 10 procent noodzakelijke leegstand overdag per vergunninggebied. 3.Bij de toepassing van het eerste lid kan het beschikbare aantal vergunningen voor bewoners of bedrijven of een gedeelte daarvan worden voorbehouden aan motorvoertuigen die tenminste voldoen aan de door het college bij nadere regeling vast te stellen eisen. Artikel2.2Wachtlijsten 1.Aanvragen van parkeervergunningen worden behandeld op volgorde van datum en tijdstip van ontvangst van de volledige aanvraag, tenzij dit voor vergunningen voor autodelen door het college in nadere regeling anders is bepaald. 2.Een aanvraag van een vergunning voor bedrijven, volkstuincomplexen of een aanvraag van een eerste vergunning voor bewoners die wordt geweigerd omdat in dat vergunninggebied geen vergunningen beschikbaar zijn, wordt door het college op een bij het betreffende vergunninggebied behorende wachtlijst geplaatst, tenzij het aantal te verlenen vergunningen in dat gebied op nul is gesteld. 3.Wanneer een parkeervergunning voor verlening beschikbaar komt in een vergunninggebied waar een wachtlijst bestaat, wordt deze verleend op volgorde van de plaats op de wachtlijst naar de datum en het tijdstip, bedoeld in het eerste lid. 4.Als de persoon die op een wachtlijst is geplaatst of beschikt over een vergunning voor bewoners, of als het bedrijf dat op een wachtlijst is geplaatst of beschikt over een vergunning voor bedrijven, verhuist naar een ander vergunninggebied, wordt de aanvraag van een vergunning voor dat nieuwe vergunninggebied behandeld naar de datum en het tijdstip waarop de volledige aanvraag van de vergunning voor het aanvankelijke vergunninggebied was ontvangen. 5.De aanvrager wordt van de wachtlijst verwijderd als: de aanvrager daarom verzoekt; blijkt dat bij de aanvraag om de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens niet tot plaatsing op de wachtlijst zou hebben geleid; niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor een aanvraag of voor de verlening van een vergunning, bedoeld in de hoofdstukken 3 tot en met 7; de vergunning is verleend voor het vergunninggebied waarvoor de aanvrager op de wachtlijst stond. Artikel2.3Aanvraag van een vergunning 1.Een parkeervergunning wordt aangevraagd voor het adres waarop de bewoner woonachtig of het bedrijf of beroep gevestigd is. 2.Aanvragen voor parkeervergunningen worden gedaan op de door het college ter beschikking gestelde formulieren. 3.Indien het college voor de betreffende aanvraag geen formulier ter beschikking heeft gesteld, kan de aanvraag schriftelijk worden ingediend. Artikel2.4Inhoud van de vergunning 1.Een parkeervergunning geldt voor: het daarin beschreven kenteken van het motorvoertuig of kentekens van motorvoertuigen die gebruik kunnen maken van parkeren met de parkeervergunning, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald; het daarin beschreven gebied; de daarin beschreven duur; en de daarin beschreven parkeertijden. 2.Aan een parkeervergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van: het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte; het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade en van de gevolgen voor het milieu; overige belangen in verband met regulering van het gebruik van plaatsen. Artikel2.5Wijziging van kenteken door de vergunninghouder Het college kan nadere regels vaststellen over het wijzigen van het kenteken waarvoor een vergunning is verleend. Artikel2.6Intrekken van de vergunning 1.Het college trekt een vergunning in indien: de vergunninghouder daarom verzoekt; blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit op de aanvraag om de vergunning zou hebben geleid; niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening; de vergunningverlening onjuist was en de vergunninghouder dit wist of behoorde te weten. 2.Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen indien: de vergunninghouder verhuist naar een ander vergunninggebied; zich een wijziging voordoet in de omstandigheden voor zover die gewijzigde omstandigheden zich verzetten tegen het in stand laten van de verleende vergunning; de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; de vergunninghouder de vergunning gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de vergunning is verleend; het college, nadat de vergunning is verleend, heeft besloten het maximaal aantal te verlenen vergunningen voor het vergunningengebied waarvoor de vergunning is verleend op nul vast te stellen met inachtneming van een redelijke termijn; de vergunningverlening onjuist was; het een tweede of derde vergunning op een adres betreft, terwijl het aantal voor verlening beschikbare vergunningen, bedoeld in artikel 2.1, is bereikt. 3.Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder g, kan de houder van de vergunningen de keuze maken welke vergunning wordt ingetrokken. Als er geen voorkeur wordt aangegeven, wordt de laatst verleende vergunning(en) ingetrokken. Artikel2.7Overdraagbaarheid van vergunningen 1.Een vergunning voor bewoners, bedoeld in artikel 3.2, kan op aanvraag van de vergunninghouder overgaan op een ander als: de persoon op wie de vergunning overgaat op het moment van ontvangst van de aanvraag voor overgang van de vergunning ten minste zes maanden op hetzelfde adres als de vergunninghouder woonachtig is; en de persoon en het voertuig waarvan die de houder is, op wie de vergunning overgaat voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.
  4. 2.Een vergunning voor bedrijven, bedoeld in artikel 4.2, kan overgaan op een ander bedrijf als: het bedrijf waarop de vergunning overgaat, gevestigd is op hetzelfde adres als het bedrijf dat de vergunning heeft; het bedrijf waarop de vergunning overgaat volgens de inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel dezelfde bedrijfsactiviteiten heeft als het bedrijf dat de vergunning heeft; en het bedrijf waarop de vergunning overgaat voldoet aan de voorwaarden van artikel 4.
  5. 3.Andere parkeervergunningen dan bedoeld in het eerste en tweede lid zijn persoonlijk en niet overdraagbaar. Artikel2.8Beperking gebruik vergunningen 1.Het college kan nadere regels stellen over de beperking van geldigheid van parkeervergunningen naar plaats en tijd binnen een vergunninggebied. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: de hulpverlenersvergunning, bedoeld in artikelen 5.9 en 5.13; parkeervergunningen voor gehandicapten, bedoeld in artikelen 7.1, 7.6 en 7.11; en de stadsbrede vergunningen voor autodeelorganisaties, bedoeld in artikel 6.
  6. Artikel2.9Overloopgebieden 1.Het college kan voor een vergunninggebied een ander vergunninggebied of een deel van dat vergunninggebied als overloopgebied aanwijzen. 2.Indien de aanvrager van een vergunning voor bewoners of bedrijven op de wachtlijst is geplaatst als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, kan aan die persoon een parkeervergunning worden verleend voor het parkeren in het voor het vergunninggebied aangewezen overloopgebied. 3.Als de parkeervergunning voor het overloopgebied wordt geweigerd omdat in dat overloopgebied geen vergunningen beschikbaar zijn, wordt de aanvrager op een bij het betreffende overloopgebied behorende wachtlijst geplaatst. 4.Artikel 2.2, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing voor de wachtlijsten van een overloopgebied. 5.De vergunning voor het overloopgebied vervalt: als de vergunning voor bewoners of bedrijven wordt verleend in het eigen vergunninggebied; als de aanvrager wordt verwijderd van de wachtlijst als bedoeld in artikel 2.
  7. 6.De vergunning voor het overloopgebied kan worden ingetrokken als in het vergunninggebied of het deel van het vergunninggebied dat als overloopgebied is aangewezen geen vergunning voor verlening meer beschikbaar is. HOOFDSTUK
  8. PARKEERVERGUNNINGEN VOOR BEWONERS §1.Vergunningen voor bewoners Artikel3.1Aantal per woonadres 1.Het aantal vergunningen dat per woonadres voor verlening beschikbaar is, wordt door het college bij nadere regeling op nul, één of twee gesteld. 2.Een voor een bewoner op enig moment beschikbare stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats telt voor de toepassing van het eerste lid als verleende vergunning. Het college kan hetzelfde bepalen voor een op het woonadres verleende bedrijfsvergunning. 3.Een tweede vergunning voor een adres waarop het tweede lid, eerst volzin, van toepassing is, kan alleen worden verleend als de bewoners houder zijn van ten minste twee motorvoertuigen. 4.In afwijking van het tweede lid, eerste volzin, telt een voor een bewoner beschikbare solitaire inpandige stallingsplaats of garagebox die in open verbinding staat, eventueel afsluitbaar door een deur, met de woonruimte op het adres in het stadsgebied Weesp, niet als verleende vergunning. Artikel3.2Aanvraag door bewoners 1.Een bewoner kan, met inachtneming van artikel 3.1, een bewonersvergunning aanvragen voor het parkeren in het vergunninggebied waar hij woont, als: het motorvoertuig ten minste een in bijlage IX gestelde emissiestandaard heeft; en de bewoner houder is van het motorvoertuig. 2.De bewonersvergunning kan aangevraagd worden als milieuparkeervergunning voor bewoners, als het motorvoertuig voldoet aan de door het college bij nadere regeling vast te stellen eisen. 3.Het college kan nadere regels vaststellen over de wijze van uitgifte van de vergunning bedoeld in het tweede lid. 4.De gestelde emissiestandaard, als bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt niet voor een aanvraag in een vergunninggebied in stadsgebied Weesp. Artikel3.3Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de bewonersvergunning of de milieuparkeervergunning voor bewoners als: de aanvrager niet voldoet aan artikel 2.3, artikel 3.2 of de krachtens deze artikelen gestelde regels; in het vergunninggebied geen vergunning voor verlening beschikbaar is; of op het woonadres geen vergunning voor verlening beschikbaar is. Artikel3.4Bijzondere omstandigheden 1.De aanvraag van een bewoner van een corporatiewoning, zijnde een woning van een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid van de Woningwet, die niet kan beschikken over een stallingsplaats, die voorafgaand aan een project van stedelijke vernieuwing beschikte over een parkeervergunning en die op basis van een stadsvernieuwingsurgentieverklaring is verhuisd, wordt niet geweigerd op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, wanneer het aantal vergunningen in het vergunninggebied op nul is gesteld.
  9. Met de in het eerste lid benodigde stadsvernieuwingsurgentieverklaring wordt bedoeld een urgentieverklaring voor het verkrijgen van voorrang op een sociale huurwoning die door een woningcorporatie wordt afgegeven omdat de huurwoning van een bewoner wordt gesloopt of ingrijpend wordt gerenoveerd.
  10. Het bepaalde in het eerste lid geldt ook voor een bewoner van een corporatiewoning in een gebied waar geen betaald parkeren gold, maar ten tijde van de verhuizing wel reeds houder was van een motorvoertuig.
  11. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor vergunninggebieden Noord-5, Nieuw-West-9a, Oost-4, Oost-17, voor zover gelegen in het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door de IJburglaan, Zuiderzeeweg en de Zuider IJdijk, Zuid-6 en Zuidoost-
  12. 5.Artikel 3.3, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: de aanvrager in een periode van maximaal drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, voor hetzelfde adres over een vergunning beschikte en deze op verzoek van de aanvrager is ingetrokken; en de aanvraag minimaal zes maanden na de intrekking is ontvangen; en het maximaal aantal te verlenen vergunningen die beschikbaar zijn in het vergunninggebied niet op nul is gesteld. 6.Artikel 3.3 is niet van toepassing op de aanvraag van een vergunning van een persoon die kan beschikken over een stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats, wanneer die stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats als gevolg van wegwerkzaamheden door of in opdracht van de gemeente tijdelijk niet toegankelijk is. De aanvrager hoeft in dit geval geen houder te zijn van het voertuig waarvoor de vergunning wordt aangevraagd en hoeft ook niet te wonen in het vergunninggebied waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Artikel3.5Geldigheidsduur 1.Een bewonersvergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd zolang de vergunninghouder voldoet aan artikel 3.
  13. 2.In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. 3.Een vergunning als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, geldt tot de stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats weer toegankelijk is. §2.Vergunningen voor mantelzorgers van bewoners Artikel3.6Aanvraag voor mantelzorger 1.Een bewoner die naar objectieve maatstaven is aangewezen op mantelzorg kan een vergunning aanvragen voor het parkeren door diens mantelzorger, in het vergunninggebied waar de bewoner wel en de mantelzorger niet zijn woonadres heeft volgens de basisregistratie personen en als de mantelzorger houder is van het motorvoertuig. 2.Het is mogelijk om bij de vergunning, bedoeld in het eerste lid, drie kentekens van mantelzorgers op te geven. De vergunning kan slechts voor één kenteken tegelijk worden gebruikt. 3.In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag worden gedaan door een wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige bewoner die naar objectieve maatstaven is aangewezen op mantelzorg, indien de wettelijk vertegenwoordiger op hetzelfde adres staat ingeschreven als de minderjarige bewoner. Artikel3.7Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: niet is voldaan aan artikelen 2.3 en 3.6; of op het woonadres al een vergunning voor het parkeren door mantelzorgers is verleend. Artikel3.8Geldigheidsduur 1.De mantelzorgersvergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat: de geldigheidsduur eenmalig met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 3.6 wordt voldaan; of de geldigheidsduur telkens met zes kalendermaanden wordt verlengd zolang de indicatie mantelzorgverklaring nog geldig is, en tot maximaal vijf jaar na het overleggen van de indicatie mantelzorgverklaring en de belasting, bedoeld in artikel 1.8, is voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. §3.Bezoekersparkeren en kraskaartparkeren Artikel3.9Aanvraag bezoekersvergunning 1.Een bewoner kan een vergunning aanvragen voor het parkeren van diens bezoek in het vergunninggebied waar de bewoner volgens de basisregistratie personen zijn woonadres heeft, voor zover het gaat over een vergunninggebied dat daartoe door het college bij nadere regeling is aangewezen. 2.De vergunning wordt niet verleend op een vast kenteken. 3.Het college kan nadere regels vaststellen over het verlenen van de vergunning. Artikel3.10Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: niet is voldaan aan artikel 2.3, artikel 3.9 of krachtens dat artikel gestelde regels; op het woonadres al een vergunning als bedoeld in artikel 3.9 is verleend; of aan de aanvrager al een vergunning als bedoeld in artikel 3.12 is verleend. Artikel3.11Geldigheidsduur De bezoekersvergunning geldt gedurende maximaal twee jaar, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met twee jaar wordt verlengd zolang aan de voorwaarden van artikel 3.9 wordt voldaan. Artikel3.12Aanvraag kraskaartvergunning 1.Een bewoner kan een vergunning aanvragen voor het parkeren van diens bezoek in het vergunninggebied waar de bewoner volgens de basisregistratie personen zijn zelfstandige woonadres heeft, als: de bewoner blijkens medische indicatie is aangewezen op het vervoer door derden; of de bewoner 65 jaar of ouder is. 2.De vergunning wordt niet verleend op een vast kenteken. 3.De vergunning wordt niet verleend voor een vergunninggebied in stadsgebied Weesp. Artikel3.13Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: niet is voldaan aan artikelen 2.3 en 3.12; of aan de aanvrager al een vergunning als bedoeld in artikel 3.12 is verleend. Artikel3.14Geldigheidsduur De kraskaartvergunning geldt gedurende maximaal twee jaar, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met twee jaar wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 3.12 wordt voldaan. HOOFDSTUK4.PARKEERVERGUNNINGEN VOOR BEDRIJVEN Artikel4.1Per bedrijf 1.Het aantal vergunningen dat per bedrijf voor verlening beschikbaar is, kan door het college op nul worden gesteld of beperkt tot één vergunning: per nader bepaald aantal werknemers dat daadwerkelijk bij het bedrijf is gestationeerd op het adres waarvoor de vergunning wordt verleend; of per nader bepaalde locatie van een bedrijf. 2.Een bij het bedrijf behorende, op de bedrijfslocatie beschikbare of, als het een woonadres betreft, voor de bewoner beschikbare stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats telt voor de toepassing van het eerste lid als verleende vergunning. 3.Het college kan bepalen dat bewonersvergunningen en hulpverlenersvergunningen, als bedoeld in artikelen 3.2, 5.9 en 5.13, voor de toepassing van het eerste lid tellen als verleende vergunning. Artikel4.2Aanvraag door bedrijven 1.Een bedrijf in de gemeente Amsterdam kan, met inachtneming van artikel 4.1, een vergunning aanvragen voor het parkeren in het vergunninggebied waar het bedrijf zijn vestigingsadres heeft, als het voertuig tenminste een in bijlage IX gestelde emissiestandaard heeft. 2.De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als: dit nodig is vanwege de bedrijfsvoering omdat het bedrijf een volcontinu bedrijfsproces heeft of sprake is van een voortdurend en onvermijdelijk wisselend bestand aan voertuigen; en het college in nadere regels heeft bepaald dat dit mogelijk is. 3.De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt voor stadsgebied Weesp gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken. 4.De vergunning kan aangevraagd worden als milieuparkeervergunning voor bedrijven als het motorvoertuig voldoet aan de door het college bij nadere regeling vast te stellen eisen en een vast kenteken wordt opgegeven. 5.De gestelde emissiestandaard, als bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een aanvraag voor in een vergunninggebied in stadsgebied Weesp. 6.Als vijftien of minder werknemers in dienstverband zijn, kan een bedrijf, als bedoeld in het eerste lid, additioneel maximaal drie vergunningen aanvragen voor een voertuig dat een bedrijfsvoertuig is volgens het kentekenbewijs Deel I. Artikel4.3Aanvraag door ambulante handelaar 1.Een ambulante handelaar kan een vergunning, als bedoeld in artikel 4.2, aanvragen voor het parkeren in het vergunninggebied waar hij werkzaam is, als het voertuig tenminste een in bijlage IX gestelde emissiestandaard heeft. 2.Het college kan in nadere regels bepalen dat aan een ambulante handelaar als extra voorwaarde wordt gesteld dat hij een minimumaantal dagen per week werkzaam is in het betrokken vergunninggebied. 3.De vergunning kan aangevraagd worden als milieuparkeervergunning voor bedrijven als het motorvoertuig voldoet aan de door het college daartoe vast te stellen regels. Artikel4.4Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: niet is voldaan aan artikelen 2.3, 4.2 en 4.3 of de krachtens deze artikelen gestelde regels; in het vergunninggebied geen vergunning voor verlening beschikbaar is; of voor het bedrijf of de ambulante handelaar geen vergunning voor verlening beschikbaar is. Artikel4.5Bijzondere omstandigheden Artikel 4.4 is niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning van een bedrijf dat of ambulante handelaar die kan beschikken over een stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats, maar die als gevolg van wegwerkzaamheden door of in opdracht van de gemeente tijdelijk niet toegankelijk is. Artikel4.6Geldigheidsduur 1.De bedrijfsvergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 4.2 wordt voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. 3.Een vergunning, als bedoeld in artikel 4.5, geldt tot de stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats weer toegankelijk is. HOOFDSTUK5.PARKEERVERGUNNINGEN VOOR BIJZONDERE ORGANISATIES §1.Vergunningen voor sportorganisaties Artikel5.1Aantal per organisatie 1.Het aantal vergunningen dat in een vergunninggebied per sportorganisatie beschikbaar is, kan door het college op nul worden gesteld. 2.Het college kan bepalen dat in een vergunninggebied per sportorganisatie één of meer parkeervergunningen voor verlening beschikbaar zijn met maximaal: één per 50 leden in de vergunninggebieden Centrum-1 en Centrum-2; één per 10 leden in vergunninggebieden Centrum-3 en Centrum-4 en in de vergunninggebieden van de stadsdelen Oost, West en Zuid, met uitzondering van de vergunninggebieden West-5, West-6 en Zuid-7; één per 5 leden in de vergunninggebieden West-5, West-6 en Zuid-7 en in de vergunninggebieden van stadsdelen Noord, Nieuw-West en Zuidoost. 3.Het aantal bij de sportorganisatie behorende of zich op het grondgebied van de sportorganisatie bevindende stallingsplaatsen of belanghebbendenparkeerplaatsen tellen voor de toepassing van het eerste lid als verleende vergunning. Artikel5.2Aanvraag door sportorganisaties 1.Een niet-commerciële sportorganisatie die is aangesloten bij een door het NOC*NSF erkende sportbond en is gevestigd in de gemeente Amsterdam kan, met inachtneming van artikel 5.1, een vergunning aanvragen voor het parkeren in het vergunninggebied waarin het adres van de sportorganisatie is gelegen. 2.De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als dit door het college in nadere regels is bepaald. Artikel5.3Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: niet is voldaan aan artikel 5.2 of krachtens dat artikel gestelde regels; of voor de sportorganisatie geen vergunning voor verlening beschikbaar is. Artikel5.4Geldigheidsduur 1.De vergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 5.2 wordt voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. §2.Vergunningen voor volkstuincomplexen Artikel5.5Aantal per volkstuincomplex 1.Het college kan bepalen dat in een vergunninggebied een of meer parkeervergunningen voor verlening beschikbaar zijn voor een volkstuincomplex, met maximaal één vergunning per drie percelen. 2.Het aantal bij het volkstuincomplex behorende of zich op het grondgebied van het volkstuincomplex bevindende stallingsplaatsen of belanghebbendenparkeerplaatsen tellen voor de toepassing van het eerste lid als verleende vergunning. Artikel5.6Aanvraag door volkstuincomplex 1.Een rechtspersoon die blijkens zijn statuten tot doel heeft een volkstuincomplex te beheren kan, met inachtneming van artikel 5.5, een vergunning aanvragen voor het parkeren in het vergunninggebied waar het volkstuincomplex zijn adres heeft. 2.De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als dit door het college in nadere regels is bepaald. 3.Het college kan nadere regels vaststellen over het verlenen van de vergunning. Artikel5.7Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: niet is voldaan aan artikel 2.3, artikel 5.6 of krachtens dat artikel gestelde regels; in het vergunninggebied geen vergunning voor verlening beschikbaar is; of op het adres van het volkstuincomplex geen vergunning voor verlening beschikbaar is. Artikel5.8Geldigheidsduur 1.De vergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 5.6 wordt voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. §3.Vergunningen voor hulpverleners Artikel5.9Aanvraag door hulpverlener 1.Een huisarts of verloskundige kan een vergunning aanvragen voor het parkeren in alle vergunninggebieden, als: de meerderheid van de patiënten van de huisarts of verloskundige hun woonadres hebben in een gebied waar betaald parkeren is ingevoerd; het motorvoertuig gebruikt wordt voor de uitoefening van de praktijk; en het motorvoertuig ten minste een in bijlage IX gestelde emissiestandaard heeft. 2.De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als het college dat in nadere regels heeft vastgesteld of als het gaat over een aanvraag voor stadsgebied Weesp. 3.De gestelde emissiestandaard, als bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt niet voor een aanvraag voor in een vergunninggebied in stadsgebied Weesp. Artikel5.10Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als niet is voldaan aan artikelen 2.3 en 5.9; of al een vergunning aan de huisarts of verloskundige is verleend. Artikel5.11Geldigheidsduur 1.De vergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 5.9 wordt voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. §4.Vergunningen voor hulpverleningsinstellingen Artikel5.12Aantal per instelling Het aantal beschikbare vergunningen dat per vestigingslocatie van een hulpverlenersinstelling voor verlening beschikbaar is bedraagt maximaal één vergunning per vijf werknemers, met een maximum van vijftien vergunningen per instelling. Artikel5.13Aanvraag door hulpverleningsinstellingen 1.Een professionele zorg- of hulpverleningsinstelling kan, met inachtneming van artikel 5.12, een vergunning aanvragen voor het parkeren in alle vergunninggebieden, als: de professionele zorg- of hulpverleningsinstelling is vermeld op een daartoe door het college vastgestelde lijst; het motorvoertuig nodig is vanwege het geregeld met spoed of met groot materieel zorg of hulp verlenen aan personen of dieren op wisselende plaatsen in een gebied waar betaald parkeren is ingevoerd; en het motorvoertuig ten minste een in bijlage IX gestelde emissiestandaard heeft. 2.De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als het college dat in nadere regels heeft vastgesteld of als het gaat over een aanvraag voor stadsgebied Weesp. 3.De gestelde emissiestandaard, als bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt niet voor een aanvraag voor in een vergunninggebied in stadsgebied Weesp. Artikel5.14Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: niet is voldaan aan artikelen 2.3, 5.13 of krachtens artikel 5.13 gestelde regels; of voor de instelling geen vergunning voor verlening beschikbaar is. Artikel5.15Geldigheidsduur 1.De vergunning voor hulpverleningsinstellingen geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 5.13 wordt voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. §5.Vergunningen voor maatschappelijke organisaties Artikel5.16Aantal per maatschappelijke organisatie 1.Het aantal vergunningen dat per maatschappelijke organisatie beschikbaar is, wordt door het college vastgesteld per nader bepaald aantal werknemers dat daadwerkelijk bij de organisatie is gestationeerd op het adres waarvoor de vergunning wordt verleend. 2.Een bij het bedrijf behorende, op de bedrijfslocatie beschikbare of, als het een woonadres betreft, voor de bewoner beschikbare stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats telt voor de toepassing van het eerste lid als verleende vergunning. Een stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats telt voor de toepassing van het eerste lid niet als verleende vergunning indien deze als verleende vergunning voor bedrijven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, is geteld als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid. 3.Het college kan bepalen dat andere vergunningen voor de toepassing van het eerste lid tellen als verleende vergunningen. 4.Het college kan nadere regels vaststellen over het verlenen van de vergunning. Artikel5.17Aanvraag door maatschappelijke organisaties 1.Het college kan in nadere regels bepalen dat een maatschappelijke organisatie, met inachtneming van artikel 5.16, een vergunning kan aanvragen voor het parkeren in een vergunninggebied waarin de organisatie zijn vestigingsadres heeft en als het motorvoertuig tenminste een in bijlage IX gestelde emissiestandaard heeft en het gaat over: een instelling in de curatieve zorg welke op basis van de Wet toetreding zorgaanbieders is toegelaten tot het leveren van zorg die valt binnen de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; onderwijsinstelling voor basisonderwijs; onderwijsinstelling voor voortgezet onderwijs; onderwijsinstelling voor middelbaar beroepsonderwijs; of een bureau van de Regionale Eenheid Amsterdam van de Nationale Politie.
  14. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als het college dat in nadere regels heeft vastgesteld of als het gaat over een aanvraag voor stadsgebied Weesp.
  15. De gestelde emissiestandaard, als bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt niet voor een aanvraag voor in een vergunninggebied in stadsgebied Weesp. Artikel5.18Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: niet is voldaan aan artikel 2.3, artikel 5.17, of krachtens artikel 5.17 gestelde regels; of voor de betreffende maatschappelijke organisatie geen vergunning voor verlening beschikbaar is. Artikel5.19Geldigheidsduur 1.De vergunning voor maatschappelijke organisaties geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 5.17 wordt voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. §6.Vergunningen voor belanghebbenden Artikel5.20Aanvraag door belanghebbenden 1.Een belanghebbende kan een vergunning aanvragen voor het parkeren op de in de vergunning omschreven belanghebbendenparkeerplaats of belanghebbendenparkeerplaatsen indien deze belanghebbende is opgenomen op een lijst vastgesteld door het college. 2.De lijst, bedoeld in het eerste lid, bevat een opsomming van houders van motorvoertuigen, bedrijven, categorieën van houders van motorvoertuigen en categorieën bedrijven. 3.Voor één belanghebbendenparkeerplaats kan meer dan één belanghebbendenvergunning worden verleend. 4.Het college kan in nadere regels bepalen dat een belanghebbendenvergunning op verzoek van de aanvrager niet op vast kenteken wordt verleend. 5.Het college kan in nadere regels beperkingen stellen aan het verlenen van een vergunning, zoals bedoeld in het eerst lid, ten aanzien van de voertuigclassificatie en het maximumaantal vergunningen dat per aanvrager kan worden verleend. 6.De belanghebbendenvergunning geldt gedurende maximaal twee jaar, tenzij het recht op de vergunning eerder komt te vervallen. Artikel5.21Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: niet is voldaan aan artikel 5.20 of krachtens dat artikel gestelde regels; de aanvrager kan beschikken over een stallingsplaats behorende bij het adres waarvoor de aanvraag wordt ingediend in het geval dat de aanvrager een autodeelorganisatie is en deze niet voldoet aan artikel 6.1 of krachtens dat artikel gestelde regels. HOOFDSTUK6.PARKEERVERGUNNINGEN VOOR AUTODEELORGANISATIES §1.Vergunningen voor autodelen Artikel6.1Aanvraag door autodeelorganisaties Een autodeelorganisatie kan een vergunning aanvragen voor het parkeren in een vergunninggebied naar keuze, met uitzondering van een vergunninggebied in stadsgebied Weesp, als: de autodeelorganisatie voldoet aan de door het college nader gestelde voorwaarden; het motorvoertuig ten minste de in bijlage X gestelde kenmerken heeft. Artikel6.2Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als niet is voldaan aan artikel 6.1 of krachtens dat artikel gestelde regels. Artikel6.3Geldigheidsduur 1.De vergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 6.1 wordt voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. §2.Vergunningen voor stadsbreed autodelen Artikel6.4Aantal per stadsbrede autodeelorganisatie Per autodeelorganisatie kunnen er minimaal 50 en maximaal 600 stadsbrede vergunningen worden verleend. Artikel6.5Aanvraag door autodeelorganisatie 1.Een autodeelorganisatie kan, met inachtneming van artikel 6.4, een vergunning aanvragen voor het parkeren in alle vergunninggebieden, als: de autodeelorganisatie voldoet aan de door het college nader gestelde voorwaarden; het motorvoertuig ten minste de in bijlage X gestelde kenmerken heeft. 2.De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als het college in nadere regels heeft bepaald dat dit mogelijk is. 3.Het college kan nadere regels stellen over het verlenen van de vergunning. Artikel6.6Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: niet is voldaan aan artikel 6.5 of krachtens dat artikel gestelde regels; geen vergunning voor verlening beschikbaar is; of voor de autodeelorganisatie geen stadsbrede vergunning voor verlening beschikbaar is. Artikel6.7Geldigheidsduur 1.De vergunning geldt gedurende zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 6.5 wordt voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. 3.Het college kan in nadere regels een datum vaststellen waarop de geldigheid van alle stadsbrede autodeelvergunningen eindigt. HOOFDSTUK7.PARKEERVERGUNNINGEN VOOR GEHANDICAPTEN §1.Vergunningen voor bewoner Artikel7.1Aanvraag door bewoner met gehandicaptenparkeerkaart 1.Een bewoner kan een vergunning aanvragen voor het parkeren in alle vergunninggebieden wanneer de vergunning wordt gebruikt voor het vervoer van de bewoner of voor parkeren bij diens woning als aan de bewoner een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Bestuurder (B), Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B) is afgegeven. 2.In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag worden gedaan door een wettelijk vertegenwoordiger als die staat ingeschreven op hetzelfde adres van een minderjarige of handelingsonbekwame bewoner aan wie een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B) is afgegeven en wanneer de vergunning wordt gebruikt voor het vervoer van de minderjarige of handelingsonbekwame bewoner of voor parkeren bij diens woning. 3.Er kan maximaal één vergunning worden verleend per bewoner met een gehandicaptenparkeerkaart. Artikel7.2Kenteken 1.De aanvraag, bedoeld in artikel 7.1, wordt gedaan voor een vast kenteken als de vergunning wordt aangevraagd voor een motorvoertuig waar de bewoner of een andere bewoner van hetzelfde adres houder van is. 2.De aanvraag, bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, kan worden gedaan voor maximaal drie verschillende kentekens als: de vergunning wordt aangevraagd voor een motorvoertuig waar iemand die niet is ingeschreven op het adres van de bewoner houder van is; en aan de bewoner een Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B) is afgegeven. 3.De aanvraag, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, kan worden gedaan voor maximaal drie verschillende kentekens als: de wettelijk vertegenwoordiger en de minderjarige of de handelingsonbekwame bewoner op hetzelfde adres zijn ingeschreven; en de vergunning wordt aangevraagd voor een motorvoertuig waar iemand die niet is ingeschreven op het adres van de wettelijke vertegenwoordiger houder van is. 4.Wanneer de vergunning is afgegeven voor verschillende kentekens kan de vergunning slechts voor één kenteken tegelijk worden gebruikt. Artikel7.3Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als niet is voldaan aan artikel 7.1 of 7.
  16. Artikel7.4Bijzondere omstandigheden 1.Indien een persoon voordat hij beschikte over een Europese gehandicaptenparkeerkaart een vergunning voor bewoners of een vergunning voor bedrijven had, komt die persoon in aanmerking voor een dergelijke vergunning. 2.Indien een persoon beschikte over een Europese gehandicaptenparkeerkaart maar hier op grond van de geldende criteria niet meer voor in aanmerking komt kan die persoon op de wachtlijst, als bedoeld in artikel 2.2, worden geplaatst voor een vergunning voor bewoners of een vergunning voor bedrijven. 3.De aanvrager van de vergunning wordt op de wachtlijst geplaatst met aftrek van de tijd waarin die over een gehandicaptenparkeerkaart beschikte. Artikel7.5Geldigheidsduur De vergunning geldt zolang de Europese gehandicaptenparkeerkaart van de bewoner geldig is, gedurende maximaal vijf jaar, tenzij het recht op de vergunning eerder komt te vervallen. §2.Vergunningen voor bezoekers Artikel7.6Aanvraag door bezoeker met gehandicaptenparkeerkaart 1.Een bezoeker kan een vergunning aanvragen voor het parkeren in alle vergunninggebieden wanneer de vergunning wordt gebruikt voor het vervoer van de bezoeker als: de bezoeker geen bewoner is van de gemeente Amsterdam; en aan de bezoeker een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Bestuurder (B), Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B) is afgegeven.
  17. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag worden gedaan door een wettelijk vertegenwoordiger als die staat ingeschreven op hetzelfde adres van een minderjarige of handelingsonbekwame bezoeker aan wie een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B) is afgegeven en wanneer de vergunning wordt gebruikt voor het vervoer van de minderjarige of handelingsonbekwame bezoeker.
  18. Er kan maximaal één vergunning worden verleend per bezoeker met een Europese gehandicaptenparkeerkaart. Artikel7.7Kenteken 1.De aanvraag, bedoeld in artikel 7.6, wordt gedaan voor een vast kenteken als de vergunning wordt aangevraagd voor een motorvoertuig waar de bezoeker of een andere ingeschrevene op hetzelfde adres houder van is. 2.De aanvraag, bedoeld in artikel 7.6, kan worden gedaan voor maximaal drie verschillende kentekens als: de vergunning wordt aangevraagd voor een motorvoertuig waar iemand anders dan de bezoeker houder van is of de vergunning wordt verleend aan de wettelijk vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid; en aan de bezoeker een Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B) is afgegeven. 3.Wanneer de vergunning is afgegeven voor verschillende kentekens is de vergunning geldig voor maximaal 150 uur parkeren per kwartaal en kan de vergunning slechts voor één kenteken tegelijk worden gebruikt. Artikel7.8Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als niet is voldaan aan artikel 7.6 of 7.
  19. Artikel7.9Geldigheidsduur De vergunning geldt zolang de Europese gehandicaptenparkeerkaart van de bezoeker geldig is, gedurende maximaal vijf jaar, tenzij het recht op de vergunning eerder komt te vervallen. §3.Vergunningen voor instellingen Artikel7.10Aantal per instelling Het aantal vergunningen dat per instelling beschikbaar is, is gelijk aan het aantal geldige Europese gehandicaptenparkeerkaarten dat aan de instelling is afgegeven. Artikel7.11Aanvraag door instelling met gehandicaptenparkeervergunning 1.Een instelling gevestigd in de gemeente Amsterdam kan, met inachtneming van artikel 7.10, een vergunning voor maximaal drie opgegeven kentekens aanvragen voor het parkeren van een motorvoertuig in alle vergunninggebieden wanneer een bewoner van de instelling wordt vervoerd, als aan de instelling een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Instelling (I) is afgegeven. 2.De vergunning kan slechts voor één kenteken tegelijk worden gebruikt. Artikel7.12Geldigheidsduur De vergunning geldt zolang de Europese gehandicaptenparkeerkaart van de instelling geldig is, gedurende maximaal vijf jaar, tenzij het recht op de vergunning eerder komt te vervallen. HOOFDSTUK8.STRAFBEPALING EN TOEZICHT Artikel8.1Strafbepaling 1.Het is verboden zonder ontheffing van het college een ander voorwerp dan een motorvoertuig te plaatsen op een parkeerplaats met parkeerapparatuur, op een gehandicaptenparkeerplaats, als bedoeld in artikel 1.4, onder a, of op een belanghebbendenparkeerplaats als bedoeld in artikel 1.4, onder b. 2.Het is verboden het gebruik van parkeerapparatuur te belemmeren of te verhinderen door daartegen, daarop of daarbij een fiets, een bromfiets of een ander voorwerp te plaatsen, te laten staan of liggen. 3.Het inwerkingstellen van parkeerapparatuur bij de parkeerplaats door andere middelen dan aangewezen op of bij de parkeerapparatuur is verboden. 4.Het is verboden zonder een belanghebbendenvergunning en in strijd met de aan de belanghebbendenvergunning verbonden voorschriften en beperkingen een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden op een belanghebbendenparkeerplaats. 5.Overtreding van leden een tot en met vier, of handelen in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. Artikel8.2Toezicht Het college wijst personen of categorieën van personen aan die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. HOOFDSTUK9.SLOTBEPALINGEN §1.Experimenten en hardheidsclausule Artikel9.1Experimenten Het college kan voor een gebied waar parkeerregulering op grond van deze verordening is ingevoerd voor de duur van een te houden experiment, de werking van artikel 1.3, aanhef en onder b, of van een of meer artikelen uit hoofdstuk 2 tot en met 7 van deze verordening, voor een bepaald gebied, buiten toepassing laten, onder het stellen van nadere regels voor de duur van het experiment. Artikel9.2Hardheidsclausule Het college kan een of meer artikelen van hoofdstuk 2 tot en met 7 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. §2.Intrekken oude regelingen Artikel9.3Intrekking Parkeerverordening 2013 De Parkeerverordening 2013 wordt ingetrokken. Artikel9.4Intrekking Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2024 De Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2024 wordt ingetrokken. §3.Overgangsbepalingen Artikel9.5Gelijkstelling vergunningen en wachtlijsten Parkeerverordening 2013 1.Een vergunning met betrekking tot het parkeren als bedoeld in de hoofdstukken 3 tot en met 7 van deze verordening, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening van kracht is overeenkomstig de Parkeerverordening 2013 en de daarop gebaseerde bepalingen, wordt voor dat parkeren vanaf de inwerkingtreding gelijkgesteld met een door het college verleende parkeervergunning als bedoeld in deze verordening. 2.Een wachtlijst voor een parkeervergunning krachtens de Parkeerverordening 2013 die onmiddellijk voor het tijdstip van deze verordening bestaat, wordt vanaf de inwerkingtreding gelijkgesteld met een wachtlijst als bedoeld in artikel 2.2 van deze verordening. Artikel9.6Aanvragen Parkeerverordening 2013 Aanvragen die zijn gedaan bij of krachtens de Parkeerverordening 2013 waarover nog geen beslissing is genomen op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld met inachtneming van de bepalingen van deze verordening. Artikel9.7Bezwaarschriften Parkeerverordening 2013 Bezwaarschriften tegen een beslissing krachtens de Parkeerverordening 2013 waarop nog niet is beslist, worden behandeld met inachtneming van de Parkeerverordening 2013, tenzij toepassing van deze verordening voor de bezwaarmaker gunstiger is. Artikel9.8Uitzondering intrekken en weigeren vergunning en verwijderen van wachtlijst op grond van emissiestandaard 1.Aan een vergunning wordt geen verlenging onthouden of de vergunning wordt niet ingetrokken, op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder c, of aanvragen worden door het college niet geweigerd, op grond van de artikelen 3.3, 4.4, 5.10, 5.14 of 5.18, of een aanvrager wordt niet verwijderd van de wachtlijst, op grond van artikel 2.2, vijfde lid, onder c, wegens het niet voldoen aan de vereiste emissiestandaard waaraan een motorvoertuig bij de aanvraag van de vergunning volgens deze verordening moet voldoen, indien het gaat om: aanvragen gedaan voor 1 januari 2025 waarop nog geen beslissing is genomen; aanvragers die voor 1 januari 2025 op een wachtlijst zijn geplaatst; aanvragen voor een vergunninggebied dat vanaf 1 januari 2025 voor het eerst als vergunninggebied is aangewezen en waarbij de aanvrager op het moment van aanwijzen reeds houder was van het motorvoertuig. 3.Aan een vergunning die is verleend voor 1 januari 2025 wordt geen verlenging onthouden of de vergunning wordt niet ingetrokken, op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder c, wegens het niet voldoen aan de emissiestandaard waaraan een motorvoertuig bij de aanvraag van de vergunning volgens deze verordening moet voldoen, tenzij het kenteken wordt gewijzigd. 4.Het eerste en tweede lid zijn ook van toepassing indien de houder van een vergunning verhuist naar een ander vergunninggebied. 5.Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, aanhef en onder a en b, dan geldt voor die aanvragen een andere emissiestandaard, zoals gesteld in bijlage IX. Artikel9.9Uitzondering intrekken sportvergunning met beschikbare stallingsplaats Een vergunning voor een sportorganisatie die is verleend vóór 1 januari 2018, wordt niet ingetrokken, op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder c, en aan deze vergunning wordt geen verlenging onthouden, op grond van artikel 5.4, eerste lid, wegens het overschrijden van het maximaal aantal te verlenen vergunningen per organisatie doordat, op grond van artikel 5.1, derde lid, het aantal bij de sportorganisatie behorende of zich op het grondgebied van de sportorganisatie bevindende stallingsplaatsen of belanghebbendenparkeerplaatsen mee zijn gaan tellen als reeds verleende vergunning. Artikel9.10Uitzondering intrekken tweede bewonersvergunning verleend in stadsdeel Oost De volgende vergunningen worden niet ingetrokken, op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder c, en aan deze vergunningen wordt geen verlenging onthouden, op grond van artikel 3.5, eerste lid, wegens het feit dat het maximaal aantal te verlenen vergunningen, krachtens artikel 3.1, eerste lid, is beperkt tot één vergunning per adres: tweede bewonersvergunning die voor 1 juli 2000 is aangevraagd voor vergunninggebieden Oost-1 en Oost-2; tweede bewonersvergunning die voor 5 april 2005 is aangevraagd voor vergunninggebied Oost-3; tweede bewonersvergunning die voor 1 oktober 2013 is aangevraagd voor deelvergunninggebieden Oost-5a, en Oost-5d; tweede bewonersvergunning die voor 6 maart 2017 is aangevraagd voor deelvergunninggebied Oost-5c; tweede bewonersvergunning die tussen 6 maart 2017 en 1 januari 2018 is aangevraagd voor een adres in deelvergunninggebied Oost-5d. Artikel9.11Uitzondering intrekken bewonersvergunningen met beschikbare stallingsplaats in stadsdeel Oost Een vergunning wordt niet ingetrokken op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder c, en aan deze vergunning wordt verlenging niet onthouden op grond van artikel 3.5, eerste lid, wegens het door de houder van de vergunning op dat moment hebben kunnen beschikken over een stallingsplaats, als het gaat om een bewonersvergunning die voor 15 april 2011 is verleend voor een vergunninggebied in stadsdeel Oost. Artikel9.12Uitzondering intrekken tweede bewonersvergunning samen met bedrijfsvoertuig in stadsdeel Oost Een vergunning wordt niet ingetrokken op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder c, en aan deze vergunning wordt verlenging niet onthouden op grond van artikel 3.5, eerste lid, wegens het feit dat, krachtens artikel 3.1, eerste lid, het maximaal aantal te verlenen bewonersvergunningen op een adres wordt overschreden, als het gaat om een tweede bewonersvergunning die voor 1 januari 2017 is verleend voor een bedrijfsvoertuig op grijs kenteken voor een vergunninggebied in stadsdeel Oost. Artikel9.13Uitzondering intrekken bedrijfsvergunningen verleend in stadsdeel Oost Een vergunning wordt niet ingetrokken op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder c, en aan deze vergunning wordt verlenging niet onthouden op grond van artikel 3.5, eerste lid, wegens het feit dat, krachtens artikel 4.1, eerste lid, het maximaal aantal te verlenen bedrijfsvergunningen per bedrijf is overschreden, indien het, krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder a, maximaal aantal te verlenen vergunningen voor deelvergunninggebied Oost-8c niet is bereikt, en het gaat om een bedrijfsvergunning die is aangevraagd voor 1 januari
  20. Artikel9.14Uitsterfregeling in deelvergunninggebieden Zuidoost-1g en Zuidoost-1h De aanvraag van een bewonersvergunning voor deelvergunninggebieden Zuidoost-1g en Zuidoost-1h wordt niet geweigerd op grond van artikel 3.3, onder b, indien: de aanvrager reeds voor 1 januari 2018 bewoner is op een adres gelegen in deelvergunninggebied Zuidoost-1g of Zuidoost-1h ten tijde van de aanvraag; en nog geen bewonersvergunning is verleend op dat adres. Artikel9.15Uitzondering intrekken op basis van nulplafond in vergunninggebieden Noord-5 en Noord-8 Een bewonersvergunning of een bedrijfsvergunning die voor 1 januari 2019 is aangevraagd voor vergunninggebied Noord-5 of Noord-8, wordt niet op grond van artikel 2.6, tweede lid, onder e, ingetrokken. Artikel9.16Uitzondering intrekken tweede bewonersvergunning Weesp Een vergunning wordt niet ingetrokken op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder c, en aan deze vergunning wordt geen verlenging onthouden, op grond van artikel 3.5, eerste lid, wegens het overschrijden van het maximaal aantal te verlenen bewonersvergunningen op een adres in vergunninggebieden Weesp-1 of Weesp-2, krachtens artikel 3.1, eerste lid, indien het gaat om een tweede bewonersvergunning die is aangevraagd voor 1 juli
  21. Artikel9.17Uitzondering vergunningplafond nieuwbouwproject De Houtman Uitsluitend aan de eerste eigenaren van de koopwoningen in het nieuwbouwproject De Houtman met de adressen Van Noordtkade 3E, 5A, 5D en 7D die bij de oplevering van dit nieuwbouwproject geen stallingsplaats hebben gekocht, kan een vergunning voor bewoners of bedrijven worden verleend als, krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder a, het maximaal aantal te verlenen vergunningen voor het vergunninggebied al is verleend. Artikel9.19Uitzondering vergunning van een bewoner die terugkeert De aanvraag van een bewoner, zoals bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, wordt eveneens niet geweigerd op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b en c, wanneer het aantal vergunningen in het vergunninggebied op nul is gesteld, indien ten tijde van de verhuizing nog geen betaald parkeren was ingevoerd en de aanvrager houder was van motorvoertuig. Artikel9.20Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2024 De Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2024 blijft van toepassing op belastbare feiten die zich hebben voorgedaan voor de inwerkingtreding van artikel 9.
  22. §4.Inwerkingtreding Artikel9.21Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
  23. Artikel9.22Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Parkeerverordening Amsterdam
  24. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 12 december
  25. De plaatsvervangend voorzitterKune BurgersDe raadsgriffierJolien HoutmanBijlageITariefgebieden, als bedoeld in artikel 1.3 Tariefgebied 1: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door

(1)het midden van de vaargeul door het IJ,
(2)het midden van de Oosterdoksdoorgang,
(3)het midden van het Oosterdok ten oosten van de IJtunnel,
(4)het midden van het water van de Nieuwe Herengracht,
(5)het midden van het water van de Binnenamstel,
(6)het midden van het water van de Singelgracht,
(7)de zuidzijde van de zuidelijke spoorlijn in de richting van het Centraal Station (tot brugnummer 1901) en
(8)het midden van het water van de Westerdoksluis. Tariefgebied 2: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Nieuwe Vaart (ter hoogte van brugnummer 274 tot brugnummer 78),
(2)het midden van het Lozingskanaal (vanaf brugnummer 78 tot de westzijde van de spoorbrug,
(3)de westzijde van de spoorlijn in zuidelijke richting naar het Amstelstation,
(4)het midden van de Ringvaart,
(5)het midden van de Amstel,
(6)het midden van het Amstelkanaal,
(7)het midden van het Noorder Amstelkanaal,
(8)het midden van de Stadiongracht,
(9)het midden van het Olympiakanaal,
(10)het midden van de Schinkel in noordelijke richting,
(11)het midden van de Kostverlorenvaart,
(12)het midden van het Westelijk Marktkanaal,
(13)het midden van de Haarlemmervaart,
(14)een denkbeeldige lijn in noordelijke richting ter hoogte van het westen van de schoolwerktuinen tot aan de zuidzijde van de spoorlijn Amsterdam Sloterdijk – Amsterdam CS,
(15)de zuidzijde van de spoorlijn in oostelijke richting,
(16)de aansluiting op de andere spoorlijn en van daaruit de spoorlijn volgend in noordwestelijke richting tot het begin van de Spaarndammerdijk,
(17)de Spaarndammerdijk in noord-oostelijke richting tot de Archangelweg,
(18)de westzijde van de Archangelkade (langs de bebouwing van het westelijke bedrijventerrein),
(19)het verlengde van de westzijde van de Archangelkade tot aan de oever van de Mercuriushaven,
(20)het midden van de Mercuriushaven,
(21)het midden van het IJ,
(22)het midden van de Westerdoksluis (van brugnummer 314 tot 1901) en
(23)de noordzijde van de spoorlijn tot de Singelgracht; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)Zuidzijde A10 (Ringweg-Zuid),
(2)de gehele Europaboulevard tot aan de De Boelelaan,
(3)het midden van de De Boelelaan tot aan de Parnassusweg,
(4)het westen van de Buitenveldertselaan tot aan Arent Janszoon Ernststraat,
(5)het water ten noorden van de Arent Janszoon Ernststraat en Overijsselweg tot aan de Amstelveenseweg en
(6)het midden van de Amstelveenseweg tot aan de zuidzijde A10 (Ringweg Zuid). Tariefgebied 3: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de vaargeul door het IJ,
(2)het midden van de mond van het Amsterdam-Rijnkanaal,
(3)het midden van het Amsterdam-Rijnkanaal,
(4)de A-10 (Ringweg Oost) tot de spoorlijn,
(5)de westzijde van de spoorlijn tot het Galileïplantsoen,
(6)het de noordzijde van het Galileïplantsoen ter hoogte van nummers 111-113 tot de Archimedesweg,
(7)het midden van de Archimedesweg tot aan de Molenwetering,
(8)het midden van de Molenwetering tot aan de Middenweg,
(9)het midden van de Middenweg tot de noordzijde van de Hugo de Vrieslaan,
(10)het noorden van de Hugo de Vrieslaan,
(11)de westzijde van de Overzichtweg tot aan het spoor,
(12)het spoor tot het midden van de Weespertrekvaart,
(13)het midden van de Weespertrekvaart,
(14)het midden van de A10 (Ringweg Oost),
(15)de grens met de gemeente Ouder-Amstel,
(16)de Nieuwe Utrechtseweg tot aan de afrit naar de Joan Muyskenweg,
(17)een lijn tussen de Nieuwe Utrechtseweg ter hoogte van de afrit naar de Joan Muyskenweg en de Duivendrechtse Vaart, gaande tussen de adressen Joan Muyskenweg 2N en Joan Muyskenweg 4,
(18)het midden van de Duivendrechtse Vaart,
(19)het midden van de Amstel in zuidwestelijke richting tot aan de spoorlijn,
(20)de spoorlijn tot station Amsterdam Zuid,
(21)de spoorlijn tussen station Amsterdam Zuid en station Amsterdam Sloterdijk tot aan de Jan van Galenstraat,
(22)het midden van de Jan van Galenstraat tot aan de ring A10 (West),
(23)de A-10 (Ringweg West) in noordelijke richting tot de noordzijde van de Sloterdijkerweg,
(24)de noordzijde van de Sloterdijkerweg tot aan de oostzijde van de Contactweg,
(25)de oostzijde van de Contactweg tot aan het spoor,
(26)de spoorlijn in oostelijke richting tot aan de Spaarndammerdijk,
(27)de Spaarndammerdijk in noord-oostelijke richting tot de Archangelweg,
(28)de westzijde van de Archangelweg,
(29)de westzijde van de Archangelkade (langs de bebouwing van het westelijke bedrijventerrein),
(30)het verlengde van de westzijde van de Archangelkade tot aan de oever van de Mercuriushaven en
(31)het midden van de Mercuriushaven, met uitsluiting van het tariefgebied 1 en 2. Tariefgebied 4: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van het IJ,
(2)het midden van het water ten noorden van het adres Grasweg 41Z verder in een denkbeeldige lijn in oostelijke richting tot het midden van het Tolhuiskanaal,
(3)het midden van het Tolhuiskanaal in zuidelijke richting tot het noorden van de Grasweg,
(4)het noorden van de Grasweg in oostelijke richting tot het midden van het Buiksloterkanaal,
(5)het midden van het Buiksloterkanaal tot de Buiksloterweg,
(6)de Buiksloterweg in oostelijke richting tot het midden van het Noordhollandsch Kanaal en
(7)het midden van het Noordhollandsch Kanaal tot het midden van het IJ; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door alle eilanden van de wijk IJburg (Steigereiland, Haveneiland, Rieteilanden, Rieteiland Oost, Centrumeiland, Strandeiland en Buiteneiland) met inbegrip van het parkeerterrein sportpark Diemerpark ter hoogte van het Dick Hilleniuspad; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het Amsterdam-Rijnkanaal,
(2)Mond van het Amsterdam-Rijnkanaal,
(3)het IJ,
(4)het Buiten-IJ,
(5)het IJmeer onder de Enneus Heermabrug en brug 2037 tussen de Jan Olphert Vaillantlaan en de Diemerzeedijk naar de Buitenkerkerweg en
(6)de oostzijde van de Buitenkerkerweg; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de westzijde van het spoor ter hoogte van Galileïplantsoen 111-113 in zuidoostelijke richting tot aan de A-10 (Ringweg Oost),
(2)westzijde A-10 (Ringweg Oost) tot aan brugnummer 1269,
(3)het midden van de Weespertrekvaart vanaf brugnummer 1269 in westelijke richting tot aan de spoorbrug,
(4)de westzijde van de Overzichtsweg,
(5)de noordzijde van de Hugo de Vrieslaan tot aan de Middenweg,
(6)vanaf de Middenweg door het midden van de Molenwetering tot het noorden van de Archimedesweg en
(7)de noordwestzijde van het Galileïplantsoen (aan de zuidoostzijde van het huizenblok met nummers 111-113); Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de ring A10 (West),
(2)de spoorlijn Amsterdam-CS – Schiphol,
(3)de oostzijde van de contactweg en
(4)de spoorlijn Haarlem-Amsterdam CS; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de westzijde van de Europaboulevard,
(2)het midden van het water ten noorden van Oversinge en de Magerhorst,
(3)het midden van de Buitenveldertselaan,
(4)het midden van het water ten zuiden van Cannenburgh,
(5)de oostzijde van de Van der Boechorststraat tot brug 815;
(6)de noordzijde van het Gijsbrecht van Aemstelpark,
(7)de oostzijde van de Amstelveenseweg tot aan de Van Nijenrodeweg,
(8)de noordzijde van de Van Nijenrodeweg tot aan de museumspoorlijn,
(9)de museumspoorlijn tot aan het zuidelijk talud van de A10 Zuid,
(10)de oostzijde van de Amstelveenseweg,
(11)een denkbeeldige lijn tussen Amstelveenseweg 627 en 637 naar het water ten noorden van de Overijsselweg,
(12)het water ten noorden van de Arent Janszoon Ernststraat en Overijsselweg,
(13)het westen van de Buitenveldertselaan tot aan de De Boelelaan en
(14)het midden van de De Boelelaan tot de Europaboulevard; De Fizeaustraat voor zover gelegen ten zuidoosten van de brug die is gelegen tussen de adressen Fizeaustraat 35 en Fizeaustraat 37; De Kruislaan voor zover gelegen ten zuidwesten van de Gooiseweg; Het Drie Burgpad; De parkeerplaatsen komende van de Kruislaan voorbij het Ringslangpad. Tariefgebied 6: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de A10 (Ringweg West) tot de noordzijde van de Jan van Galenstraat,
(2)de noordzijde van de Jan van Galenstraat in westelijke richting tot de spoorlijn,
(3)van de spoorlijn in noordelijke richting tot het midden van de Haarlemmerweg,
(4)van het midden van de Haarlemmerweg in westelijke richting tot de oostzijde van de sportpark Spieringhorn,
(5)langs de oostzijde van sportpark Spieringhorn in noordelijke richting tot de Naritaweg,
(6)van de Naritaweg in westelijke richting tot het midden van de Seineweg,
(7)van het midden van de Seineweg in noordelijke richting tot het bovenste spoor,
(8)het bovenste spoor in noordoostelijke richting tot de Basisweg en
(9)de zuidzijde van de Basisweg in oostelijke richting tot de A10 (Ringweg West); Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de zuidzijde van de Noordzijde,
(2)het midden van de Burgemeester Cramergracht,
(3)het midden van het water ten noorden van de Jan Evertsenstraat,
(4)de westelijke teen van het talud van de ringspoorbaan,
(5)van de Henk Sneevlietweg,
(6)het midden van de Johan Huizingalaan,
(7)het midden van de Slotervaart,
(8)het midden van de Christoffel Plantijngracht in noordelijke richting tot de westelijke aftakking naar de Sloterplas,
(9)de westelijke aftakking van de Christoffel Plantijngracht tot het midden van de Sloterplas en
(10)het midden van de Sloterplas in noordelijke richting tot de zuidzijde van de Noordzijde; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de A10 (Ringweg Zuid),
(2)het water aan de westzijde van het Amstelpark,
(3)het water aan de noordzijde van het Kleine Loopveld,
(4)de westzijde van het Klein Loopveld,
(5)de gemeentegrens van Amstelveen tot aan de Ringvaart,
(6)de Ringvaart tot aan de Nieuwe Meer en
(7)het midden van de Nieuwe Meer tot aan de A10, met uitzondering van de gebieden omschreven in tariefgebieden 2, 3 en 4; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Osdorpergracht,
(2)de oostzijde van de Meer en Vaart,
(3)het midden van het Hoekenespad en
(4)het midden van de Hoekenesgracht; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de Burgemeester De Vlugtlaan aan beide zijden tussen de Antony Moddermanstraat en de Burgemeester Eliasstraat,
(2)beide zijden van het Joop van Weezelhof,
(3)de Jan de Jonghstraat,
(4)de Willem Kraanstraat,
(5)het Sape Kuiperplantsoen,
(6)het Arend Bontekoeplantsoen,
(7)het Johan Schippersplantsoen,
(8)de Hugo Flores Ruysstraat,
(9)de Burgemeester Eliasstraat aan beide zijden (tussen de Burgemeester Van Tienhovengracht en de Burgemeester De Vlugtlaan),
(10)de Krijn Breurstraat,
(11)de Slotermeerlaan aan beide zijden en inclusief de ventweg, tussen de Henriëtte Roland Holststraat en de Burgemeester De Vlugtlaan,
(12)de Cornelis van Vollenhovenstraat aan beide zijden,
(13)de Jan de Louterstraat aan beide zijden (tussen de Slotermeerlaan en de Cornelis van Vollenhovenstraat),
(14)de Van Gilsestraat,
(15)de David Vosstraat,
(16)de Van Hanxleden Houwerstraat en
(17)de Sieg Vaz Diasstraat (tussen de Burgemeester De Vlugtlaan en de Van Hanxleden Houwerstraat); Het gebied bevattende het parkeerterrein bij de Transformatorweg 6 en 10; Het gebied dat bestaat uit het gedeelte Spaarndammerdijk vanaf het Overbrakerpad in westelijke richting, uitsluitend op het grondgebied van Westerpark; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Zuiderzeeweg,
(2)het midden van de ring A10,
(3)het midden van de Weersloot,
(4)het midden van het water ten oosten van de volkstuinenparken Tuinwijck en Kweeklust,
(5)de noordzijde van de Durgerdammerdijk tot aan de bebouwde kom van Durgerdam,
(6)het midden van het Buiten IJ,
(7)het midden van Het IJ en
(8)een denkbeeldige lijn van Het IJ, via het midden van de aftakking richting de Schellingwouderbreek, naar de Zuiderzeeweg; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Johan van Hasseltweg,
(2)een denkbeeldige lijn van de Johan van Hasseltweg naar het midden van het Johan van Hasseltkanaal-West,
(3)het midden van het Buiksloterkanaal tot de Buiksloterweg,
(4)de Buiksloterweg in oostelijke richting tot het midden van het Noordhollandsch Kanaal,
(5)het midden van het Noordhollandsch Kanaal tot het midden van Het IJ,
(6)het midden van Het IJ,
(7)het midden van het Motorkanaal,
(8)de oostzijde van de Motorkade,
(9)de Zuidzijde van de Meeuwenlaan tot aan de Hamerstraat en
(10)het midden van de Meeuwenlaan tot aan de rotonde. Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de Westzijde van de Nieuwe Utrechtseweg,
(2)de westzijde van de A2,
(3)de noordzijde van de Ringweg A10,
(4)het midden van de Amstel,
(5)het midden van de Duivendrechtsevaart
(6)en denkbeeldige lijn tussen de Duivendrechtse en de Vaart en de Nieuwe Utrechtseweg ter hoogte van de afrit naar de Joan Muyskenweg, gaande tussen de adressen Joan Muyskenweg 2N en Joan Muyskenweg 4. Tariefgebied 7: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de ring A10,
(2)de oostzijde van de Nieuwe Leeuwarderweg,
(3)de noordelijke berm van de Nieuwe Purmerweg,
(4)de Grote Die,
(5)via de Kleine Die en de Grote Haven naar het midden van Zijkanaal K naar Nieuwendam,
(6)het midden van Het IJ,
(7)het Motorkanaal,
(8)de oostzijde van de Motorkade,
(9)de Zuidzijde van de Meeuwenlaan tot aan de Hamerstraat,
(10)het midden van de Meeuwenlaan tot aan de rotonde,
(11)het midden van de Johan van Hasseltweg,
(12)een denkbeeldige lijn van de Johan van Hasseltweg, aan de zuidzijde langs Papaverweg 1-3, naar het midden van het Johan van Hasseltkanaal-West,
(13)het midden van het Buiksloterkanaal tot de Grasweg,
(14)het noorden van de Grasweg,
(15)het midden van het Tolhuiskanaal tot achter de ligplaats met adres Grasweg 22A,
(16)een denkbeeldige lijn naar water het ten noorden van het adres Grasweg 41Z,
(17)het midden van Het IJ,
(18)het water langs Kraanspoor, denkbeeldig doorgetrokken tot de noordzijde van de tt. Vasumweg,
(19)de noordzijde van de tt. Vasumweg,
(20)bij kruising tt. Vasumweg en mt. Lincolnweg langs de westzijde van de Klaprozenweg,
(21)de noordzijde van de Klaprozenweg,
(22)vanaf de Klaprozenweg richting het noorden langs de gevel van het stroomdistributiestation (Klaprozenweg 58) en de westelijke perceelgrens van de Buiksloterbreek 118-122 naar het water Buiksloterbreek,
(23)het midden van het water Buiksloterbreek en
(24)het midden van het Noordhollandsch Kanaal tot aan de Ring A10; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de ring A10,
(2)de westzijde van de Beemsterstraat,
(3)het midden van de Zwarte Gouw,
(4)het midden van de Weersloot,
(5)het midden van het water ten oosten van de volkstuinenparken Tuinwijck en Kweeklust,
(6)de noordzijde van de Durgerdammerdijk,
(7)het midden van de ring A10,
(8)het midden van de Zuiderzeeweg,
(9)een denkbeeldige lijn van de Zuiderzeeweg ter hoogte van de Schellingwouderbreek naar het midden van de aftakking tussen Sportpark Schellingwoude en de Oranjewerf naar Het IJ,
(10)het midden van Het IJ,
(11)het midden van Zijkanaal K naar Nieuwendam,
(12)het midden van de Grote Haven,
(13)het midden van de Kleine Die,
(14)het midden van de Grote Die,
(15)de noordelijke berm van de Nieuwe Purmerweg en
(16)de oostzijde van de Nieuwe Leeuwarderweg tot aan de ring A10, met inbegrip van de parkeerplaatsen ten noorden van de zuidelijke perceelgrens van adressen Durgerdammerdijk 74 en 75 en met uitzondering van het tariefgebied Flat-rate 3 uur/tariefgebied 7; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van Het IJ,
(2)het water langs Kraanspoor, denkbeeldig doorgetrokken tot de noordzijde van de tt. Vasumweg,
(3)de noordzijde van de tt. Vasumweg,
(4)bij kruising tt. Vasumweg en mt. Lincolnweg langs de westzijde van de Klaprozenweg,
(5)de noordzijde van de Klaprozenweg,
(6)vanaf de Klaprozenweg richting het noorden langs de gevel van het stroomdistributiestation (Klaprozenweg 58) en de westelijke perceelgrens van de Buiksloterbreek 118-122 naar het water Buiksloterbreek,
(7)het midden van het water Buiksloterbreek,
(8)het midden van het Noordhollandsch Kanaal tot aan de Ring A10 en
(9)het midden van de Ring A10; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het oosten van de Dubbelinkdreef,
(2)het noorden van de Daalwijkdreef,
(3)het oosten van de Elsrijkdreef,
(4)het midden van het water ten zuiden van Strandvlietpad,
(5)het midden van de Weespertrekvaart,
(6)het midden van de Gaasperdammerweg,
(7)het midden van de Gaasperdammertunnel,
(8)het midden van het metrospoor richting het zuiden,
(9)het midden van de Meibergdreef,
(10)het Meibergpad,
(11)de westelijke teen van het talud van de A2,
(12)het midden van de Burgemeester Stramanweg,
(13)het midden van de Holterbergweg,
(14)het water ten noorden van De Loper,
(15)het water ten westen van De Passage,
(16)het Strandvlietpad en
(17)het treinspoor richting Diemen tot ter hoogte van het oosten van de Dubbelinkdreef; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Gaasperdammertunnel,
(2)het midden van de Gooiseweg,
(3)het midden van Langbroekdreef,
(4)het zuiden van Valburgdreef,
(5)het water ten oosten van Lambert Rimastraat,
(6)het water ten zuiden van Vreeswijkpad,
(7)het water ten oosten van Hendrik Veldhuishof,
(8)het water ten westen van Gaasperzoompad,
(9)Steengroevenpad,
(10)het water ten oosten van Spakenburgstraat,
(11)het water ten zuiden van Suideraspad,
(12)het water ten westen van Singravenpad,
(13)het water ten zuiden van Sieverdinkpad,
(14)het midden van het treinspoor tot de Gaasperdammertunnel en
(15)inclusief het parkeerterrein ten oosten van het busplatform Gaasperplas en ten westen het Gaasperparkpad; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van het water ten zuiden van de Haarlemmerweg,
(2)het midden van het water ten westen van de Pieter Postsingel,
(3)de denkbeeldige lijn tot aan het midden van het water ten noorden van de J. Calsstraat,
(4)het midden van het water ten noorden van de Haya van Someren-Downerstraat,
(5)de denkbeeldige lijn tot aan de westzijde van de P.J. Oudstraat,
(6)de westzijde van de P.J. Oudstraat tot de kruising met de Tom Schreursweg,
(7)alle parkeerplaatsen gelegen aan de Tom Schreursweg tot de kruising met de Joris van den Berghweg,
(8)het midden van het water ten westen van de Bok de Korverweg,
(9)het midden van de Nico Broekhuysenweg,
(10)het midden van het water ten oosten van Ma Braunpad,
(11)het midden van Ookmeerweg,
(12)het midden van de Ringvaart van de Haarlemmermeer tot de brug van de A4,
(13)het midden van de A4 ten noorden van ringspoorbaan (metro),
(14)het midden van de ringspoorbaan (sneltram),
(15)het midden van de Henk Sneevlietweg,
(16)het oosten van de Johan Huizingalaan tot brug 701,
(17)het midden van de Slotervaart,
(18)het midden van de Christoffel Plantijngracht tot de Karel van het Revebrug,
(19)het midden van Christoffel Plantijngracht,
(20)het midden van de Sloterplas,
(21)de zuidzijde van de Noordzijde,
(22)het midden van de Burgemeester Cramergracht,
(23)het midden van het water ten noorden van de Jan Evertsenstraat,
(24)de westelijke teen van het talud van de ringspoorbaan in noordelijk richting tot het midden van het water ten zuiden van de Haarlemmerweg en
(25)met uitzondering van de gebieden omschreven onder Tariefgebied 6; Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Basisweg,
(2)het midden van de Noordzeeweg,
(3)het zuidelijk talud van het goederenspoor,
(4)het midden van de Australiëhavenweg,
(5)de noordzijde van de Westpoortweg,
(6)het water ten westen van De Heining,
(7)de noordzijde van de Wethouder van Essenweg,
(8)het midden van het water ten westen van de Westrandweg,
(9)het midden van Daveren,
(10)het midden van de Australiëhavenweg,
(11)het midden van de Haarlemmervaart,
(12)het midden van de ringsloot van het sportpark Spieringhorn,
(13)het midden van de Seineweg,
(14)de noordelijke teen van het talud van het treinspoor,
(15)het treinspoor, ten zuiden van de Kastrupstraat richting het noorden,
(16)de denkbeeldige lijn tot aan het noorden van de Donauweg richting Deccaweg,
(17)het oosten van de Gyroscoopweg en
(18)het midden van de Radarweg tot het midden van de Basisweg. Tariefgebied 8: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het westelijk trottoir van de Prinses Irenelaan,
(2)de zuidelijke oever van het water Smal Weesp,
(3)het westelijk trottoir van de Papelaan,
(4)het zuidelijk trottoir van de Plataanlaan,
(5)het noordelijk trottoir van de Herensingel tot huisnummer Herensingel 187,
(6)het oostelijk trottoir aan de Jan Tooropstraat,
(7)het noordelijk trottoir van de M. Nijhoffstraat tussen Jan Tooropstraat en het voetpad naar de Willem de Mérodestraat,
(8)het westelijk trottoir van de Willem de Mérodestraat (in dit gebied vallen ook de huisnummers Willem de Mérodestraat 1 t/m 95),
(9)het noordelijk spoortalud,
(10)het voet- en fietspad tussen Leeuwenveldseweg en het spoortalud (grenzend aan het P+R-terrein,
(11)de zuidelijke berm van de Leeuwenveldseweg,
(12)overstekend naar de westelijke berm van de Lobbrich Boudgerslaan,
(13)het midden van het water ten noorden van de Lobbrich Boudgerslaan,
(14)het midden van het water ten noorden van het Aartje de Voseiland,
(15)de oostelijke berm van de Korte Muiderweg, tot aan de Nijverheidslaan,
(16)de noord-westelijke berm van de Korte Muiderweg tussen de Nijverheidslaan en de rotonde Stationsweg,
(17)het midden van de Stationsweg,
(18)het zuidelijk spoortalud,
(19)het midden van de Vecht tussen Ossenmarkt en de oever Lange Muiderweg/’s Gravelandseweg,
(20)het midden van het water De Vest, tussen zuidelijk bolwerk en de oever Utrechtseweg/Molenpad,
(21)de noordelijke berm van de Dr. A. Kuyperlaan, tussen het water De Vest en Hugo de Grootlaan,
(22)de Hugo de Grootlaan en
(23)de C.J. van Houtenlaan. Tot dit tariefgebied behoren ook de parkeerplaatsen aan de De Kostverlorenstraat tussen de Amstellandlaan en de eerste bocht vanuit zuidelijke rijrichting en de Amstellandlaan tussen Kostverlorenstraat en Lageweyselaan. Tariefgebied 8p: Het gebied waarvan de grenzen gevormd worden door
(1)de zuidelijke berm van de Leeuwenveldse weg,
(2)het voet- en fietspad tussen Leeuwenveldse weg en het spoortalud (grenzend aan het P+R-terrein),
(3)het noordelijk spoortalud en
(4)de erfafscheiding tussen P+R terrein en het tankstation. Flat-rate 3 uur/tariefgebied 7: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de zuidelijke berm van de IJdoornlaan, exclusief de parkeerplaatsen onder het viaduct ter hoogte van het water De Wieden,
(2)de oostelijke berm van de T.H. Weeversweg,
(3)de noordoost kant van de weg Buikslotermeerplein, inclusief de 25 langsparkeerplaatsen aan de noordzijde van deze weg ter hoogte van de even huisnummers Buikslotermeerplein 98 t/m 116, 152 t/m 158 en 320,
(4)de noordelijke berm van de Loenermark en
(5)het fietspad tussen Loenermark en IJdoornlaan. Progressief tariefgebied A Dit tariefgebied is qua ruimte en qua tijd begrensd. Ruimtelijk vallen de gebieden samen met delen van tariefgebied
  1. Het starttarief is tarief 7 voor de eerste drie uur op een kalenderdag, daarna geldt tarief
  2. De tijden waarop het progressief tarief van kracht is, worden door het college aangewezen bij nadere regeling. Het gebied bevattende de parkeerplaatsen op het parkeerterrein ten zuiden van de kruising Kruislaan/Radioweg; De parkeerplaatsen op de Radioweg ten zuidoosten van de Kruislaan; De parkeerplaatsen aan het Voorlandpad (inclusief het parkeerterrein) ten noordoosten van de Radioweg (fietspad); De Fizeaustraat voor zover gelegen ten zuidoosten van de brug die is gelegen tussen de adressen Fizeaustraat 35 en Fizeaustraat 37; De Kruislaan voor zover gelegen ten zuidwesten van de Gooiseweg; Het Drie Burgpad; Het gebied bevattende het parkeerterrein bij de Transformatorweg 6 en 10; en Het gebied dat bestaat uit het gedeelte Spaarndammerdijk vanaf het Overbrakerpad in westelijke richting, uitsluitend op het grondgebied van Westerpark. Progressief tariefgebied B Dit tariefgebied is qua ruimte en qua tijd begrensd. Ruimtelijk vallen de gebieden samen met delen van tariefgebied
  3. Het starttarief is € 0,10 per uur voor de eerste drie uur op een kalenderdag, daarna geldt tarief
  4. De tijden waarop het progressieve tarief van kracht is worden door het college aangewezen bij nadere regeling. Het gebied omgeven door
(1)de Ringweg A10,
(2)de verlengde Stellingweg,
(3)de Molenaarsweg,
(4)de westzijde van het Coentunnelcircuit,
(5)de zuidzijde van het Coentunnelcircuit en
(6)de Coentunnelweg; De parkeerplaatsen aan het Perenpad; De parkeerplaatsen aan het Vikingpad ten noorden van het Kadoelenpad; De parkeerplaatsen aan de IJsdoornlaan tussen het Kadoelenpad en de Vorticellaweg; De parkeerplaatsen aan de Beemsterstraat ten noorden van de Ringweg A10; De parkeerplaatsen aan de Volendammerweg ten noordoosten van de Ringweg A10; De parkeerplaatsen ten noorden van de zuidelijke perceelgrens van de adressen Durgerdammerdijk 74 en 75; De parkeerplaats ten zuiden van de Schellingwouderdijk tussen de adressen Schellingwouderdijk 220 en Schellingwouderdijk 244; en De parkeerplaatsen aan de Karspeldreef tussen brug 1036 en
  1. BijlageIIBloktijden, als bedoeld in artikel 1.3 Parkeerbelasting wordt geheven binnen bloktijden van 09.00 tot 12.00 uur, van 12.00 tot 16.00 uur, van 16.00 tot 19.00 uur, van 19.00 tot 21.00 uur, van 21.00 tot 24.00 uur, van 00.00 tot 02.00 uur en van 02.00 tot 09.00 uur: en in ieder geval voor de periode van maandag tot en met zaterdag van 09.00 uur tot 21.00 uur voor de gebieden binnen de ring A10, exclusief Amsterdam-Noord en de vergunninggebieden Zuid-1, Oost-14, Oost-15 en West-12, zoals beschreven in Bijlage V; en in ieder geval voor de periode van maandag tot en met vrijdag van 09.00 uur tot 19.00 uur voor de gebieden buiten de ring A10, inclusief Amsterdam-Noord en de vergunninggebieden Zuid-1, Oost-14, Oost-15 en West-12, zoals beschreven in Bijlage V. In afwijking van het eerste lid wordt in stadsgebied Weesp parkeerbelasting geheven binnen de bloktijden van 10.00 tot 17.00 uur, van 17.00 tot 20.00 uur en van 02.00 tot 06.00 uur: voor de periode maandag tot en met vrijdag van 10.00 tot 20.00 uur en zaterdag van 10.00 tot 17.00 uur voor tariefgebied 8; voor de periode maandag tot en met zondag van 02.00 tot 06.00 uur voor tariefgebied 8p. Gedurende de bloktijden van 19.00 tot 21.00 uur, 21.00 tot 24.00 uur, 00.00 tot 02.00 uur en van 02.00 tot 09:00 uur kan ook voor een gedeelte van de bloktijd parkeerbelasting worden geheven, mits het desbetreffende aan te wijzen gedeelte aansluit aan een voorafgaand of daaropvolgend blok. BijlageIIITarieven per tijdseenheid betaald parkeren algemeen, als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid Het tarief bedraagt: Tariefgebied 1 € 7,76 per 60 minuten Tariefgebied 2 € 6,73 per 60 minuten Tariefgebied 3 € 5,18 per 60 minuten Tariefgebied 4 € 4,04 per 60 minuten Tariefgebied 6 € 2,90 per 60 minuten Tariefgebied 7 € 1,66 per 60 minuten Tariefgebied 8 € 1,24 per 60 minuten Tariefgebied 8p € 7,76 per 60 minuten Flat-rate 3 uur/tariefgebied 7 € 1,66 voor de eerste 180 minuten of een gedeelte daarvan, daarna €1,66 per 60 minuten Het tarief voor tariefgebieden 1, 2, 3, 4, 6, 7, flat-rate 3 uur/tariefgebied 7, 8 en 8p tezamen bedraagt: geldig tot 19.00 uur geldig tot 21.00 uur Geldig tot 24.00 uur Dag (geldig vanaf 09.00 uur) € 46,50 € 55,80 € 69,80 *Zondag (geldig vanaf 12.00 uur) € 32,50 € 41,90 € 55,80 Avond (geldig vanaf 19.00 uur) € 31,- * Het tarief voor parkeren op zondag geldt niet in tariefgebieden 8 en 8p. **vanaf aanschaf 24 uur geldig. Het tarief voor tariefgebieden 2, 3, 4, 6, 7, flat-rate 3 uur/tariefgebied 7, 8 en 8p tezamen bedraagt: geldig tot 19.00 uur geldig tot 21.00 uur Geldig tot 24.00 uur Dag (geldig vanaf 09.00 uur) € 40,30 € 48,40 € 60,50 *Zondag (geldig vanaf 12.00 uur) € 28,20 € 36,30 € 48,40 Avond (geldig vanaf 19.00 uur) € 26,90 * Het tarief voor parkeren op zondag geldt niet in tariefgebieden 8 en 8p. Het tarief voor tariefgebieden 3, 4, 6, 7, flat-rate 3 uur/tariefgebied 7, 8 en 8p tezamen bedraagt: geldig tot 19.00 uur geldig tot 21.00 uur Geldig tot 24.00 uur Dag (geldig vanaf 09.00 uur) € 31,00 € 37,20 € 46,60 *Zondag (geldig vanaf 12.00 uur) € 21,70 € 27,90 € 37,20 Avond (geldig vanaf 19.00 uur) € 20,70 * Het tarief voor parkeren op zondag geldt niet in tariefgebieden 8 en 8p. Het tarief voor tariefgebieden 4, 6, 7, flat-rate 3 uur/tariefgebied 7, 8 en 8p tezamen bedraagt: geldig tot 19.00 uur geldig tot 21.00 uur Geldig tot 24.00 uur Dag (geldig vanaf 09.00 uur) € 24,20 € 29,00 € 36,30 *Zondag (geldig vanaf 12.00 uur) € 16,90 € 21,80 € 29,00 Avond (geldig vanaf 19.00 uur) € 16,10 Het tarief voor parkeren op zondag geldt niet in tariefgebieden 8 en 8p. Het tarief voor tariefgebieden 6, 7, flat-rate 3 uur/tariefgebied 7, 8 en 8p tezamen bedraagt: geldig tot 19.00 uur geldig tot 21.00 uur Geldig tot 24.00 uur Dag (geldig vanaf 09.00 uur) € 17,40 € 20,80 € 26,10 *Zondag (geldig vanaf 12.00 uur) € 12,10 € 15,60 € 20,80 Avond (geldig vanaf 19.00 uur) € 11,60 * Het tarief voor parkeren op zondag geldt niet in tariefgebieden 8 en 8p. Het tarief voor tariefgebieden 7, flat-rate 3 uur/tariefgebied 7, 8 en 8p tezamen bedraagt: geldig tot 19.00 uur geldig tot 21.00 uur Geldig tot 24.00 uur Dag (geldig vanaf 09.00 uur) € 9,90 € 11,90 € 14,90 *Zondag (geldig vanaf 12.00 uur) € 6,90 € 8,90 € 11,90 Avond (geldig vanaf 19.00 uur) € 6,60 * Het tarief voor parkeren op zondag geldt niet in tariefgebieden 8 en 8p. Het tarief voor het tariefgebied 7 en flat-rate 3 uur/tariefgebied 7: geldig tot 19.00 uur Geldig tot 21.00 uur Geldig tot 24.00 uur Zaterdag (vanaf 12.00 uur) * € 6,90 € 8,90 € 11,90 * Het tarief voor parkeren op zaterdag geldt niet in gebieden waar op zaterdag tussen 09.00 uur en 12.00 uur parkeerbelasting wordt geheven. Het tarief voor tariefgebied 8 bedraagt voor een dag (geldig vanaf 10.00 tot 20.00 uur) € 7,
  2. Het tarief voor tariefgebied 8 bedraagt voor een nacht (geldig van 02.00 tot 06.00 uur) € 7,
  3. BijlageIVTarief naheffingsaanslag, als bedoeld in artikel 1.5 en tarieven wielklem, overbrenging en bewaring, als bedoeld in artikel 1.14 Het tarief van de naheffingsaanslag bedraagt € 78,
  4. Het tarief voor het aanbrengen en verwijderen van een wielklem bedraagt € 158,00 Het tarief voor het overbrengen en bewaren van een voertuig bedragen € 461,00 voor de eerste 24 uur, aangevuld met € 9,00 bewaringskosten per 24 uur of een gedeelte daarvan. BijlageVVergunninggebieden, als bedoeld in artikel 1.8
  5. Stadsdeel Centrum 1.1 Vergunninggebied Centrum-1: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)water Westertoegang,
(2)Open Havenfront tot brug 306,
(3)midden rijbaan Damrak,
(4)midden rijbaan over de Dam,
(5)midden rijbaan Rokin,
(6)Muntplein,
(7)de Binnenamstel tot Herengracht,
(8)water Nieuwe Herengracht,
(9)water Schippersgracht,
(10)Oosterdok,
(11)water Oosterdoksdoorgang en
(12)het midden van Het IJ; 1.2 Vergunninggebied Centrum-2: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)water Westertoegang,
(2)Open Havenfront tot brug 306,
(3)midden rijbaan Damrak,
(4)midden rijbaan over de Dam,
(5)midden rijbaan Rokin,
(6)Muntplein,
(7)de Binnenamstel,
(8)de Singelgracht,
(9)het Westerkanaal,
(10)water Zoutkeetsgracht,
(11)het verlengde van Zoutkeetsgracht en
(12)het midden van Het IJ; 1.3 Vergunninggebied Centrum-3: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)Binnenamstel vanaf Herengracht,
(2)Singelgracht,
(3)water Nieuwevaart,
(4)water Schippersgracht en
(5)water Nieuwe Herengracht; 1.4 Vergunninggebied Centrum-4: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)midden Oostderdoksdoorgang,
(2)midden van het Oosterdok ten oosten van de IJtunnel,
(3)water Nieuwevaart,
(4)Lozingskanaal,
(5)westelijke teen van het spoorwegtalud en
(6)zuidelijke teen van het spoorwegtalud. 2. Haven Vergunninggebied Haven (Minervahaven): Het gebied waarvan de buitengrenzen worden gevormd door
(1)de Archangelkade ten noorden van de kruising met de Haparandaweg, tot de erfgrens met het westelijke bedrijfsterrein, denkbeeldig verlengd tot aan de oever van de Mercuriushaven,
(2)de oever van de Mercuriushaven,
(3)de oever van de Minervahaven tot aan de Minervahavenweg,
(4)Minervahavenweg, denkbeeldig verlengd tot aan de oever van de Mercuriushaven,
(5)de oever van de Mercuriushaven,
(6)de gehele Danzigerkade, denkbeeldig verlengd tot aan de oever van de Mercuriushaven,
(7)de as van de Haparandaweg, waarmee de Danzigerbocht (geheel),
(8)de Rigakade (vanaf 8 en hoger even zijde en vanaf 29 en hoger oneven zijde) worden omsloten en
(9)tevens de Haparandadam (verbindingsdam) in het verlengde van de Haparandaweg vanaf de Danzigerkade naar de strekdam in Het IJ, in de as van de weg, over de gehele lengte, begrensd door de stadsdeelgrens. 3. Stadsdeel Nieuw-West 3.1 Vergunninggebied Nieuw-West-1: Het gebied waarvan hde grenzen worden gevormd door
(1)het midden van het water ten zuiden van de Haarlemmerweg,
(2)het water ten oosten van sportpark Spieringhorn,
(3)het water ten noorden van sportpark Spieringhorn,
(4)het midden van de Seineweg,
(5)het zuidelijk talud van de spoorlijn Amsterdam-Haarlem,
(6)het midden van de Australiëhavenweg,
(7)het midden van het water ten zuiden van de Haarlemmerweg,
(8)het midden van het water ten westen van Antony Moddermanstraat,
(9)het midden van het water ten oosten van Eendrachtspark,
(10)het midden van het water ten zuiden van Albadagracht,
(11)het midden van het water ten westen van Heksenpad,
(12)het midden van Burgemeester Röellstraat,
(13)het midden van de Slotermeerlaan,
(14)het midden van de President Allendelaan,
(15)het midden van het Sloterparkbadsingel,
(16)het midden van de Sloterplas richting oever van Noordzijde,
(17)de noordzijde van de Jan Evertsenstraat tussen de rotonde Oostoever en het spoorwegtalud en
(18)het spoorwegtalud tot het midden van het water ten zuiden van de Haarlemmerweg; 3.2 Vergunninggebied Nieuw-West-2: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Osdorpergracht,
(2)de oostzijde van de Meer en Vaart,
(3)het midden van het Hoekenespad en
(4)het midden van de Hoekenesgracht; 3.3 Vergunninggebied Nieuw-West-3: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Jan van Galenstraat tussen het spoorwegtalud en de A10,
(2)de A10,
(3)de noordzijde van de Jan Evertsenstraat,
(4)de westzijde van de Orteliuskade,
(5)het midden van de Westlandgracht,
(6)de noordzijde van de Henk Sneevlietweg,
(7)de A10 tot aan de Schinkelbrug-Zuid,
(8)de ringspoordijk tot de Henk Sneevlietweg,
(9)het midden van de Henk Sneevlietweg,
(10)het midden van de Johan Huizingalaan,
(11)het midden van de Slotervaart en
(12)het spoorwegtalud; 3.4 Vergunninggebied Nieuw-West-4: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de noordzijde van de Jan Evertsenstraat tussen de rotonde Oostoever en het spoorwegtalud,
(2)het spoorwegtalud,
(3)het midden van de Slotervaart,
(4)het midden van de Christoffel Plantijngracht en
(5)het midden van de Sloterplas; 3.5 Vergunninggebied Nieuw-West-5 (Sloterdijk-Centrum): Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de zuidzijde van de Basisweg,
(2)de as van de A10,
(3)het midden van de Haarlemmervaart,
(4)het midden van de ringsloot van het sportpark Spieringhorn,
(5)de oostzijde van de Seineweg,
(6)de zuidzijde van het talud van de Haarlemmerspoorlijn en
(7)de westzijde van de Radarweg; 3.6 Vergunninggebied Nieuw-West-6 (Geuzenveld): Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de Binnenpolderringdijk Noord,
(2)het midden van de Joris van den Berghweg,
(3)het midden van Nico Broekhuysenweg,
(4)het water ten westen van Ma Braunpad,
(5)het midden van het water ten noorden van Sportpark Ookmeer tot de President Allendelaan,
(6)het midden van de Slotermeerlaan,
(7)het midden van de Burgemeester Röellstraat,
(8)het midden van het water ten westen van Henric van Veldekehof,
(9)het midden van het water ten noorden van Nellie van Kolstraat,
(10)het midden van het water ten oosten van het Eendrachtspark en
(11)midden van het water ten zuiden van de Haarlemmerweg; 3.7 Vergunninggebied Nieuw-West-7 (Sportpark Ookmeer): Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van Ma Braunpad,
(2)het noorden van de Ookmeerweg,
(3)het noorden van de President Allendelaan, tot brug 751,
(4)de zuidzijde van de President Allendelaan,
(5)het water ten zuiden van Platostraat,
(6)het water ten zuiden van Wessel Gasfortstraat,
(7)het water ten zuiden van Jacob Tilstraat en
(8)het water ten noorden van Sportpark Ookmeer; 3.8 Vergunninggebied Nieuw-West-8: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Basisweg,
(2)het midden van de Noordzeeweg,
(3)het zuidelijk talud van het goederenspoor,
(4)het midden van de Australiëhavenweg,
(5)de noordzijde van de Westpoortweg,
(6)het water ten westen van De Heining,
(7)de noordzijde van de Wethouder van Essenweg,
(8)het midden van het water ten westen van de Westrandweg,
(9)het midden van Daveren,
(10)de zuidzijde van de Theemsweg,
(11)het midden van de Seineweg,
(12)de noordelijke teen van het talud van het treinspoor,
(13)het treinspoor, ten zuiden van de Kastrupstraat richting het noorden,
(14)de denkbeeldige lijn tot aan het noorden van de Donauweg richting Deccaweg,
(15)het oosten van de Gyroscoopweg en
(16)het midden van de Radarweg tot het midden van de Basisweg; 3.9 Vergunninggebied Nieuw-West-9: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van Ookmeerweg,
(2)het midden van het water ten westen van Sportpark Ookmeer tot het verlengde van Herman Bonpad,
(3)het westen van Ma Braunpad,
(4)het midden van Ookmeerweg,
(5)het midden van de Ringvaart van de Haarlemmermeer,
(6)het midden van de A4 (Nieuwe Haagseweg) met inbegrip van de adressen Ringvaartdijk 100 t/m 114 (even),
(7)het midden van het Ringspoor, richting Isolatorweg,
(8)het midden van Henk Sneevlietweg,
(9)het midden van de Johan Huizingalaan,
(10)het midden van het water ten noorden van de Plesmalaan,
(11)het midden van de Christoffel Plantijngracht,
(12)het noorden van de Cornelis Lelylaan,
(13)het midden van Hoekenespad,
(14)het midden van Hoekenesgracht,
(15)het midden van Osdorpergracht,
(16)het oosten van Oeverpad tot brug 751 en
(17)het noorden van President Allendelaan tot het midden van Ookmeerweg en de adressen Ookmeerweg 276 t/m
  1. Stadsdeel Noord 4.1 Vergunninggebied Noord-1: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Nieuwe Leeuwarderweg,
(2)het midden van de Ring A10,
(3)het midden van de waterpartij ten westen van het Baanakkerspark tot aan brug 953 in de IJdoornlaan en
(4)het midden van de IJdoornlaan, inclusief de parkeerplaatsen onder het viaduct ter hoogte van het water De Wieden; 4.2 Vergunninggebied Noord-2: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de oostzijde van de Nieuwe Leeuwarderweg (tussen de straten Nieuwe Purmerweg en het water ten noorden van noordgevel Loenermark 632-646),
(2)het midden van het water ten noorden van Loenermark 632-646 tot aan het fietspad Loenermark,
(3)de noordberm van de Loenermark, tussen fietspad en rotonde Waddenweg,
(4)de noordoost kant van de weg Buikslotermeerplein, inclusief de 25 langsparkeerplaatsen aan de noordzijde van deze weg ter hoogte van de even huisnummers Buikslotermeerplein 98 t/m 116, 152 t/m 158 en 306 t/m 320,
(5)de doorgetrokken denkbeeldige rechte lijn vanuit de Th. Weeversweg naar het zuiden,
(6)het midden van het water De Wieden tussen Het Hoogt en de Buikslotermeerdijk (tussen de straten Th. Weeversweg en Nieuwe Purmerweg) en
(7)de noordelijke berm van de Nieuwe Purmerweg. In dit gebied vallen tevens de 40 woningen boven parkeergarage De Opgang (Buikslotermeerplein 224 t/m 246, 248A t/m 248L, 250A t/m 250L, 252A t/m 252L, 254A t/m 254L en 262) en het adres Buikslotermeerplein 2000 (Stadsdeelkantoor); 4.3 Vergunninggebied Noord-3: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Ring A10,
(2)het midden van het Noordhollandsch Kanaal,
(3)het midden van de Buiksloterbreek (water) en
(4)de oostzijde van de Vikingpad, in denkbeeldige lijn doorgetrokken tot de Ring A10; 4.4 Vergunninggebied Noord-4: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de middenas van de IJdoornlaan, exclusief de parkeerplaatsen onder het viaduct ter hoogte van het water De Wieden,
(2)het water ten westen van het Baanakkerspad,
(3)de noordoostkant van de weg Buikslotermeerplein, exclusief de 25 langsparkeerplaatsen aan de noordzijde van deze weg ter hoogte van de even huisnummers Buikslotermeerplein 98 t/m 116, 152 t/m 158 en 320,
(4)de noordelijke berm van de Loenermark en
(5)het fietspad tussen Loenermark en IJdoornlaan; 4.5 Vergunninggebied Noord-5: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het water langs Kraanspoor, denkbeeldige lijn doorgetrokken tot de noordzijde van de tt. Vasumweg,
(2)de noordzijde van de tt. Vasumweg,
(3)bij kruising tt. Vasumweg en mt. Lincolnweg langs de westzijde van de Klaprozenweg,
(4)de noordzijde van de Klaprozenweg,
(5)vanaf de Klaprozenweg richting het noorden langs de gevel van het stroomdistributiestation (Klaprozenweg 58),
(6)de noordelijke berm van de Metaalbewerkersweg in denkbeeldige lijn doorgetrokken tot de Ridderspoorweg,
(7)het midden van de Ridderspoorweg,
(8)het midden van het Schooltuinpad in denkbeeldige lijn doorgetrokken tot aan de Klaprozenweg,
(9)het midden van de Klaprozenweg tot aan Papaverweg,
(10)het midden van de Papaverweg tot aan de kruising Papaverhoek ter hoogte van huisnummer 1-3,
(11)langs de zuidelijke berm van de Papaverhoek tot aan het midden van de Distelhaven,
(12)door het Buiksloterkanaal tot aan Het IJ en
(13)alle huisnummers van de Buiksloterbreek; 4.6 Vergunninggebied Noord-6: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van Het IJ,
(2)het Buiksloterkanaal,
(3)de Distelhaven,
(4)de middenas van de Papaverweg tot aan de kruising Papaverhoek en Papaverweg ter hoogte van huisnummers 1-3,
(5)de Papaverweg naar de Klaprozenweg,
(6)de middenas van de Klaprozenweg,
(7)een denkbeeldige lijn naar het Schooltuinpad,
(8)het midden van het Schooltuinpad,
(9)het midden van de Ridderspoorweg tot aan het water van de Buiksloterbreek,
(10)het water van de Buiksloterbreek tot aan het Noordhollandsch Kanaal en
(11)het Noordhollandsch Kanaal tot aan Het IJ; 4.7 Vergunninggebied Noord-7: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van Het IJ,
(2)het midden van het Noordhollandsch Kanaal,
(3)het midden van de Johan van Hasseltweg,
(4)de oostzijde van de Nieuwe Leeuwarderweg,
(5)de noordelijke berm van de Nieuwe Purmerweg tot aan de Ringsloot,
(6)de Grote Die,
(7)een denkbeeldige lijn van de Grote Die ten noorden van het perceel Nieuwendammerdijk 243 en ten zuiden van het perceel Niewendammer Molenpad 1 naar het voetpad ten noorden van de percelen Nieuwendammerdijk 257-291,
(8)een denkbeeldige lijn doorgetrokken tussen de percelen Nieuwendammer Sluispad 1 en Nieuwedammerdijk 297 naar de Kleine Die,
(9)via de Kleine Die en de Grote Haven naar het midden van Zijkanaal K naar Nieuwendam tot aan de bocht aan de zuidoostzijde van het W.H. Vliegenbos,
(10)de Nieuwendammerkade zuidelijk langs het W.H. Vliegenbos tot aan de Zamenhofstraat,
(11)de westelijke berm van de Zamenhofstraat, tussen Nieuwendammerkade en de G.J. Ketjenweg,
(12)het midden van de Zamenhofstraat, tussen G.J. Ketjenweg en de Zesde Vogelstraat,
(13)het midden van de Zesde Vogelstraat inclusief parkeerplaatsen oostzijde,
(14)de zuidzijde van de Vogelkade,
(15)via het zuidoostelijk gelegen fietspad langs de Meeuwenlaan en
(16)de westelijke berm van de Motorkade denkbeeldig doorgetrokken tot aan het IJ; 4.8 Vergunninggebied Noord-8: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van Het IJ,
(2)westelijke berm van de Motorkade,
(3)het zuidoostelijke gelegen fietspad langs de Meeuwenlaan,
(4)de zuidzijde van de Vogelkade,
(5)midden van de Zesde Vogelstraat exclusief parkeerplaatsen oostzijde,
(6)het midden van de Zamenhofstraat,
(7)de noordzijde van de Nieuwendammerkade,
(8)het midden van Zijkanaal K naar Nieuwendam en
(9)het midden van Het IJ; 4.9 Vergunninggebied Noord-9: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van het Noordhollandsch Kanaal,
(2)het midden van de Ring A10,
(3)het midden van de Nieuwe Leeuwarderweg tot aan de IJdoornlaan,
(4)IJdoornlaan tot aan viaduct bij fietspad Loenermark,
(5)fietspad Loenermark tot aan noordgevel Loenermark 632-646,
(6)door het midden van het water tot aan midden Nieuwe Leeuwarderweg,
(7)het midden van de Nieuwe Leeuwarderweg tot het midden van de Johan van Hasseltweg en
(8)het midden van de Johan van Hasseltweg tot het midden van het Noordhollandsch Kanaal, met uitzondering van het adres Buikslotermeerplein 2000 (Stadsdeelkantoor); 4.10 Vergunninggebied Noord-10: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van het Zijkanaal K naar Nieuwendam,
(2)het midden van de Grote Haven,
(3)het midden van de Kleine Die,
(4)een denkbeeldige lijn doorgetrokken tussen de percelen Nieuwendammer Sluispad 1 en Nieuwendammerdijk 297 naar het voetpad ten noorden van de percelen Nieuwendammerdijk 257-291,
(5)een denkbeeldige lijn ten zuiden van het perceel Nieuwendammer Molenpad 1 en ten noorden van het perceel Nieuwendammerdijk 243 naar de Grote Die,
(6)het midden van de Grote Die,
(7)het midden van het water ten westen van het Dirkshornplantsoen,
(8)het midden van het water ten noorden van de Watergangseweg,
(9)het midden van de Schellingwouderbreek,
(10)het midden van de Zuiderzeeweg,
(11)het midden van de ring A10,
(12)het midden van de Weersloot,
(13)het midden van het water ten oosten van de volkstuinenparken Tuinwijck en Kweeklust,
(14)de noordzijde van de Durgerdammerdijk tot aan de bebouwde kom van Durgerdam,
(15)het midden van het Buiten IJ en
(16)het midden van Het IJ; 4.11 Vergunninggebied Noord-11: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de ring A10,
(2)de westzijde van de Beemsterstraat,
(3)het midden van de Zwarte Gouw,
(4)het midden van de Weersloot,
(5)het midden van de ring A10,
(6)het midden van de Zuiderzeeweg,
(7)het midden van de Schellingwouderbreek,
(8)het midden van het water ten noorden van de Watergangseweg,
(9)het midden van het water ten westen van het Baanakkerspad in denkbeeldige lijn doorgetrokken tot aan de ring A10 en
(10)de parkeerplaatsen ten noorden van de zuidelijke perceelgrens van adressen Durgerdammerdijk 74 en 75 en het adres Durgerdammerdijk 75; 4.12 Vergunninggebied Noord-12: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Molenaarsweg,
(2)het midden van de Stellingweg,
(3)de oostzijde van de Appelweg,
(4)een denkbeeldige lijn van de Appelweg tot de noordzijde van Zijkanaal I,
(5)het midden van Zijkanaal I,
(6)het midden van de Klaprozenweg,
(7)het midden van de Cornelis Douwesweg en
(8)het midden van het Coentunnelcircuit; 4.13 Vergunninggebied Noord-13: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Ring A10,
(2)het midden van de Verlengde Stellingweg,
(3)het midden van de Molenaarsweg,
(4)het Coentunnelcircuit,
(5)het midden van de Cornelis Douwesweg,
(6)het midden van de Klaprozenweg in zuidelijke richting,
(7)het midden van de tt. Vasumweg tot aan Kraanspoor,
(8)het water langs Kraanspoor en
(9)het midden van Het IJ; 4.14 Vergunninggebied Noord-14: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Ring A10,
(2)een denkbeeldige lijn naar het Vikingpad,
(3)de oostzijde van het Vikingpad,
(4)de oostzijde van de Buiksloterdijk tot de Metaalbewerkersweg,
(5)langs de westelijke grens het stroomdistributiestation (Klaprozenweg 58),
(6)het water direct achter de woonboten met adressen Buiksloterdijk 401- 413,
(7)het midden van Zijkanaal I,
(8)de oostzijde van de Appelweg,
(9)het midden van de Stellingweg en
(10)het midden van de Verlengde Stellingweg. 5. Stadsdeel Oost 5.1 Vergunninggebied Oost-1: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Amstel,
(2)het midden van de Singelgracht,
(3)het midden van de Linnaeusstraat,
(4)de spoorweg Amsterdam Muiderpoort – Amsterdam Amstel (tussen het viaduct over de Linnaeusstraat en de Ringvaart) en
(5)het midden van de Ringvaart; 5.2 Vergunninggebied Oost-2: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van de Singelgracht,
(2)het midden van het Lozingskanaal,
(3)de spoorweg Amsterdam CS – Diemen (tussen het Lozingskanaal en de Ringvaart),
(4)het midden van de Ringvaart (tussen de spoorweg Amsterdam CS – Diemen en de spoorweg Amsterdam Amstel – Amsterdam Muiderpoort),
(5)de spoorweg Amsterdam Amstel – Amsterdam Muiderpoort (tussen de Ringvaart en het viaduct over de Linnaeusstraat) en
(6)het midden van de Linnaeusstraat (tussen het spoorwegviaduct en de Singelgracht); 5.3 Vergunninggebied Oost-3: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)het midden van het Lozingskanaal,
(2)het midden van de Nieuwevaart,
(3)het midden van het Amsterdam-Rijnkanaal,
(4)de Ringvaart (tussen het Amsterdam-Rijnkanaal en het spoorwegtalud) en
(5)het spoorwegtalud; 5.4 Vergunninggebied Oost-4: Het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door
(1)de spoorweg Amsterdam CS – Diemen (tussen de A10 (Ringweg Oost) en de Molukkenstraat),
(2)de oostelijke rooilijn van de Molukkenst

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.