Welstandsnota 2016Hoofdstuk1– Inleiding en leeswijzer A. Aanleiding / achtergrond Harmonisatie De aanleiding voor deze ontwerp-Welstandsnota 2016 is de gemeentelijke herindeling. In het kader van de harmonisatie van beleid in verband met de gemeentelijke herindeling op 1 januari 2014 is het nodig dat de welstandsnota’s van de samengevoegde gemeentes worden geharmoniseerd. De bestaande welstandsnota’s zullen, zo is wettelijk bepaald per 1 januari 2016 komen te vervallen. Het Heerenveense dereguleringsbesluit van 11 juni 2012 wat de grondslag was voor de welstandsnota Heerenveen 2013 is ook als grondslag genomen voor het welstandsbeleid van de gebieden van de voormalige gemeentes Boarnsterhim en Skarsterlân, die werden samengevoegd met de gemeente Heerenveen. Hieruit resulteert de voorliggende ontwerp-Welstandsnota 2016. Concreet betekent dit dat het welstandsbeleid voor het grondgebied van de ‘oude’ gemeente Heerenveen hetzelfde blijft. En dat er voor gebieden van de voormalige gemeentes Boarnsterhim en Skarsterlân die bepalende zijn voor de identiteit en de kracht van Heerenveen er gekozen wordt voor meer sturing op ruimtelijke kwaliteit dan in gebieden met een zekere basis kwaliteit. Dit kan inhouden dat in sommige gebieden waar nu nog vooraf een welstandstoets is dat deze komt te vervallen en deze gebieden welstandsluw worden. De visiekaart ‘de kracht van Heerenveen’ is uitgebreid tot de visiekaart 2016, Welstand als onderdeel van ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Het welstandsbeleid is een onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de gemeente. Ondermeer structuurvisies, bestemmingsplannen en inrichtingsplannen voor het openbaar gebied maken hier deel van uit. Welstand is niet alles bepalend, maar doet mee in het geheel. Het belang van een goede ruimtelijke structuur staat voorop. De vormgeving van bouwplannen draagt hier aan bij. Daarbij is ook sprake van overlap tussen één een ander. In de discussies rondom deregulering is geconstateerd dat een effectieve inzet van regels en instrumenten, samen met een gebiedsgerichte aanpak tot het beste resultaat zal leiden. De nota is opgesteld vanuit het besef dat sprake is van een verander(en)de context waarbinnen de nota een functie heeft. Uitgangspunt is ‘loslaten waar het kan, sturen waar nodig’. Nadruk ligt op gesprek vooraf (o.a. betekenisvolle projecten), waarbij de nota de leidraad vormt. De nota vormt nadrukkelijk geen dichtgetimmerd kader. Enerzijds, met name ontwikkelingen van beperkte omvang die binnen de bestaande structuur passen, is sprake van een globaal kader, waarbinnen de beoordeling plaatsvindt (met name niveau 2). Anderzijds gaat het meer om ‘vastleggen’ van belangrijke kernwaarden. B. Grondslag Het voeren van welstandsbeleid is gebaseerd op de volgende wettelijke grondslag. Woningwet - afdeling 3: De Welstand (tekstuitgave 2013/1) Artikel 12 Het uiterlijk van: Een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een bouwwerk, niet zijnde een seizoensgebonden bouwwerk, waarvoor in de omgevingsvergunning is bepaald dat dit slechts voor een bepaalde periode in stand mag worden gehouden; Een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht geen omgevingsvergunning is vereist, Mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b De gemeenteraad kan besluiten dat, in afwijking van het eerste lid en artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor een daarbij aan te wijzen gebied of voor een of meer daarbij aan te wijzen categorieën van bestaande en te bouwen bouwwerken geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Artikel 12a.1 De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling: Of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachte ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand: Of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) (tekstuitgave 2013/1) Artikel 2.10.1 Beoordeling van de aanvraag Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: Het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeel naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend. C. Leeswijzer: hoe werkt de nota Bouwplannen worden getoetst aan redelijke eisen van welstand, op grond van de welstandsnota. Onderstaand schema geeft de volgorde van de onderdelen van de nota weer. Langs deze volgorde worden bouwplannen getoetst. Hiermee is het verband tussen de onderdelen in de nota helder. In de eerste plaats zal bij de beoordeling worden gekeken naar het welstandsniveau. Vervolgens zal (bij niveau 1 en 2, voor Heerenveen belangrijke gebieden) worden gekeken waar een plan zich op het perceel bevindt. Indien aan de orde (als een plan het straatbeeld beïnvloedt), wordt getoetst aan de sneltoetscriteria. Als deze toets niet volstaat, wordt verder gekeken naar de gebiedscriteria. Tot slot kan een plan eventueel op grond van algemene principes en hardheidsclausule van een welstandsadvies worden voorzien. Onderstaand worden de onderdelen kort uitgelegd. Niveaus Indeling op basis van de Visiekaart 2016 en de Welstandsnota 2013. Niveau 1: regulier; niveau 2: licht (globalere regeling); niveau 3 : luw (eigenlijk welstandsvrij maar met excessenregeling). Het onderscheid tussen niveau 1 en 2 komt tot uiting in de manier waarop de criteria zijn geformuleerd. Niveau 1 bevat over het algemeen meer concrete aanwijzingen, bijvoorbeeld voor kleur- en materiaalgebruik. Niveau 2 bevat vaak wat abstractere criteria, meer gericht op de algehele kwaliteit van het gebied. Indeling op basis van o.a. type en ligging gebied. Voor- en achterkanten In principe zijn alle achterkanten bij woningen welstandsluw (niveau 3). Binnen niveau 1 en 2 zijn deze welstandsluwe zones aangegeven, waar kleinschalige bebouwing ten behoeve van een woonfunctie, niet zal worden getoetst aan welstandscriteria. De welstandsluwe zone, geldt niet voor een beschermd monument of in een beschermd stads- of dorps¬gezicht. Uitgangspunt is dat bebouwing aan de achterzijde van een hoofdgebouw geen invloed heeft op het straatbeeld. De achterzijde is het gebied achter de achtergevel van het hoofdgebouw. Hoeksituaties, of situaties die anderszins van invloed zijn op het straat- of waterbeeld, zijn niet of niet geheel welstandsluw. Er is sprake van een differentiatie naar niveau 1 en 2. Beleidsintentie Per onderdeel is ook de beleidsintentie beschreven. Deze kan beschouwd worden als een algemeen welstandscriterium, waarin het doel wordt beschreven wat met de specifieke welstandscriteria wordt nagestreefd. Het kan voorkomen dat bij de welstandstoetsing een bouwplan niet geheel aan de criteria voldoet, maar wel aansluit bij de beschreven intentie van het beleid dat wordt nagestreefd. Dit zal in het welstandsadvies worden meegenomen. Sneltoetscriteria Sneltoetscriteria zijn bedoeld voor veel voorkomende kleine bouwplannen. Deze kunnen aan de hand van deze criteria in de regel makkelijk en snel worden afgedaan. Is er twijfel of strijdigheid, dan vindt toetsing aan de hand van de gebiedscriteria plaats. Dit geldt ook voor plannen waar geen sneltoetscriteria voor zijn. Bij het opstellen van de sneltoetscriteria hebben de volgende overwegingen een rol gespeeld: het doel om een grote hoeveelheid (kleine) bouwplannen hiermee te kunnen afhandelen (dus regels niet te ‘strikt’, en zo concreet mogelijk); het realiseren van een evenwichtig, acceptabel straat- en bebouwingsbeeld (dus regels niet te ‘ruim’). leesbaarheid, toepasbaarheid van de regels; handhaafbaarheid van de regels. De voorliggende set criteria is een optimum vanuit deze overwegingen. In de praktijk zal moeten blijken in hoeverre de criteria voldoen. Eventueel kan na enige tijd, waar nodig en op grond van evaluatie, de set criteria worden bijgesteld. De nota is in die zin dan ook niet statisch! Reclame voor het centrum van Heerenveen maakt geen deel uit van de sneltoetscriteria. Met name hier ligt de vraag t.a.v. draagvlak en tot verder dereguleren voor. Voor het centrum bestaat de wens om met externe partijen te verkennen in hoeverre hier gezamenlijk actie op kan worden ondernomen en in welke vorm. De sneltoetscriteria voor reclame in het centrum zullen daarom (mogelijk) later aan de welstandsnota worden toegevoegd. Tot die tijd blijven de huidige welstandscriteria voor reclame in het centrum (onderdeel van het beeldkwaliteitplan centrum) van kracht. Voor de overige reclamebepalingen o.a. voor kantoren, is het beleid recent met externe partijen afgestemd, en maakt wel deel uit van de sneltoetscriteria. Overige reclames, waarvoor niet in een beeldkwaliteitplan of bij de sneltoets, welstandscriteria zijn geformuleerd, zullen niet aan welstand worden getoetst. Gebiedscriteria Gebieden zijn zodanig begrensd, dat er sprake is van een bepaalde mate van ruimtelijke samenhang, en daarmee een bepaald eigen karakter, vaak samenhangend met ontstaan, functie en ligging van een gebied. De gebiedenkaart verbeeldt de structuur / opbouw van Heerenveen en sluit nauw aan bij andere instrumenten voor ruimtelijk kwaliteitsbeleid (zoals Visiekaart Deregulering bestemmingsplannen en Samenwerkingsagenda). Per gebied is een beleidsintentie (overigens ook bij de sneltoetscriteria) geformuleerd; de ‘bril’ waardoor naar een gebied (of: type plan) wordt gekeken. Daarnaast zijn per gebied welstandscriteria opgesteld. Criteria zijn deels concreet, deels abstracter. Het is onmogelijk om voor alle bouwwerken en typen plannen die zich aandienen, toegesneden criteria op te stellen. Er is altijd sprake van een zekere mate van interpretatie. De beleidsintentie is hierin sturend en geeft ook een stukje flexibiliteit. De beleidsintentie en de welstandscriteria samen vormen als het ware de leidraad waarlangs de beoordeling van een bouwwerk plaatsvindt. Hardheidsclausule / algemene principes Bedoeld om bijzondere plannen van hoge kwaliteit, die een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit, en die niet voldoen aan de sneltoets- of gebiedscriteria, te kunnen voorzien van een positief welstandsadvies. Deze beoordeling vindt mede plaats op grond van de algemene principes (deze liggen ten grondslag aan iedere welstandsbeoordeling). Excessenregeling Vangnet. Voor alle niveaus van toepassing. Tot slot bevat de nota twee onderdelen die niet in het schema zijn genoemd. Ontwikkelgebieden Voor zogenaamde ontwikkelgebieden is vaak sprake van beeldkwaliteitplannen, als onderdeel van de nota. Bij nieuwe projecten zal bij de start de afweging worden gemaakt of een beeldkwaliteitplan nodig is, afhankelijk van type project, één of meer bouwers, etc. Beeldkwaliteitplannen zullen in de regel globaler worden opgesteld dan in het verleden. Insteek is dat zo mogelijk vroegtijdig een stedenbouwkundig kader voor een gebied aan de raad wordt voorgelegd, zo nodig voorzien van een beeldkwaliteitplan. Juist hier is het gesprek aan voorkant van groot belang, waarbij binnen de visie vanuit de gemeente en de ideeën van de opdrachtgever een optimum wordt gezocht. Welstand vormt daarbij één van de gespreksonderwerpen. De concrete Beeldkwaliteitplannen zijn opgenomen in bijlage 3. Bijlage 3 is dynamisch omdat na realisatie een beeldkwaliteitplan kan vervallen en bij nieuwe projecten een nieuw beeldkwaliteitplan kan worden toegevoegd. Alleen beeldkwaliteitplannen voor actuele projecten zijn opgenomen. Projecten die reeds zijn gerealiseerd (of geen doorgang zullen vinden), en waarvan het beeldkwaliteitplan dus niet meer actueel is, zijn niet meer in de nota opgenomen. Rangorde De algemene lijn is dat, zolang een beeldkwaliteitsplan geldt, bouwplannen in het betreffende gebied worden getoetst aan dat beeldkwaliteitsplan. Als de gemeenteraad een beeldkwaliteitsplan inttrekt, gaat voor het betreffende gebied het welstandsniveau gelden dat in hoofdstuk 2 is aangegeven. Objectcriteria Voor enkele bijzondere categorieën bouwwerken zijn specifieke criteria opgesteld (niet in het schema vermeld). Bijlage 1 bevat voor de volledigheid de regels rondom vergunningvrij bouwen. Bijlage 2 bevat een begrippenlijst met als insteek begrippen die eigen zijn (en onvermijdelijk) aan de welstandsbeoordeling, zo veel mogelijk worden verklaard. D. Uitvoering van de nota De wijze waarop de nota wordt uitgevoerd, dat willen zeggen de wijze waarop de welstandsbeoordeling plaatsvindt, door wie, volgens welke procedure, etc. is onderwerp van gesprek buiten de kaders van de welstandsnota. De nota beperkt zich tot de inhoudelijke kaders waaraan bouwplannen worden getoetst. Hoofdstuk2– Gebiedsindeling en welstandsniveaus Aan de hand van de visiekaart ‘De kracht van Heerenveen’, die in het kader van de notitie ‘Dereguleren en ruimtelijke kwaliteit’ is vastgesteld en die ten behoeve van de harmonisatie uitgebreid is tot de Visiekaart 2016, is de welstandsgebiedenkaart en welstandsniveauskaart opgesteld. Hierbij is gekeken waar de ruimtelijke kwaliteit van gebieden in belangrijke mate door de bebouwing wordt bepaald (welstand gaat immers over bouwen). In die gebieden ligt het voor de hand de karakteristiek van die bebouwing in een bepaalde mate te beschermen en/of de ontwikkeling van een dergelijke karakteristiek te stimuleren. In grote lijnen is de insteek dat gebieden met veel kwaliteit en veel kansen, om meer sturing vragen dan gebieden met een ‘basiskwaliteit’ of waar weinig dynamiek heerst. In de welstandsnota wordt gewerkt met drie niveaus - regulier - licht - luw (alleen excessen) Kaart 1 geeft de welstandsniveaus weer. In de analoge versie zijn er uitsneden van de kaart bijgevoegd; kaart 1A , uitsnede plaats Heerenveen, kaart 1B uitsnede Akkrum-Nes-Aldeboarn. Per gebied is bekeken wat de essentiële kwaliteiten zijn. Alleen voor deze zaken zijn welstandscriteria opgesteld. Dit leidt ertoe dat voor een aantal gebieden duidelijk minder criteria worden opgenomen dan voor andere gebieden. Het verschil in niveaus komt met name tot uitdrukking in de hoeveelheid en gedetailleerdheid van welstandscriteria. In het verlengde van de visiekaart wordt aan de sturing in het ene gebied meer belang gehecht dan in het andere gebied. De ‘zwaarte’ van de criteria varieert per gebied (belang/ligging/karakter). Het verschil in de niveaus komt onder meer voort uit het gegeven in hoeverre bebouwing in een gebied tot in detail om bescherming / sturing vraagt. Bij grotere gebouwen langs de snelweg is bijvoorbeeld vooral relevant hoe de hoofdmassa zich presenteert, terwijl voor de historische bebouwing in het centrum of de oude linten ook de detaillering van groot belang is. Voor het buitengebied gelden bijvoorbeeld alleen criteria voor de hoofdvorm, het materiaal en kleurgebruik, en niet voor de gevelindeling. De gebiedsindeling wordt bepaald door het onderscheid in type gebieden met verschillende kwaliteiten. In het ene gebied ligt de nadruk meer op bescherming van bestaande waarden, in het andere meer op het faciliteren van ontwikkelingen / wijzigingen. Bij de gebiedsbeschrijving en criteria (hoofdstuk 5) wordt beschreven wat de waarde en karakteristiek is per gebied. Kaart 2 geeft de gebiedsindeling weer. In de analoge versie zijn er uitsneden van de kaart bijgevoegd; kaart 2A , uitsnede plaats Heerenvee , kaart 2B uitsnede Akkrum-Nes-Aldeboarn. Onderscheiden worden de volgende gebieden: Niveau 1: Station, centrum, Vlinderbuurt, Sportstad, middenzone Skoatterwâld De beschermde stads- en dorpsgezichten Stedenbouwkundige hoofdlijnen, Oude kernen en linten Stedenbouwkundige hoofdlijnen, Hoofdentrees Zichtzones-zichtzone vaarroutes Groenstructuren – deels Niveau 2: Stedenbouwkundige hoofdlijnen, Lange Lijnen en hoofdwegen Planmatige woningbouw tot de jaren ‘60 Zichtzones-zichtzone infrastructuur en bedrijventerreinen Groenstructuren - deels Buitengebied Niveau 3: Overig gebied – witte gebieden ondermeer: De Heide, De Greiden, De Akkers, Oudeschoot, Skoatterwâld eerste fase, Oranjewoud Noord, Jousterweg, Heidemeer, Buitendorpen (m.u.v. de oude lintstructuur), Recreatie bungalow parken en bedrijventerreinen (niet de randen). Zoals aangegeven is deze gebiedsindeling gebaseerd op de Visiekaart Deregulering 2016. In algemene zin is het zo dat het inkleuren van een gebied op de kaart (dus niet welstandsvrij maken) gebeurt vanuit het vertrekpunt dat zo’n gebied een bepaalde waarde heeft, die we willen beschermen. Hierbij kan worden teruggegrepen op de uitgangspunten achter de Visiekaart Deregulering. “In grote lijnen is de insteek dat gebieden met veel kwaliteit (wat voor kwaliteit…vanuit meerdere invalshoeken….) en veel kansen, om meer sturing vragen dan gebieden met een ‘basiskwaliteit’ of waar weinig dynamiek heerst. In het onderscheiden van factoren gaat het in principe om zaken die voor (een belangrijk deel van) de plaats Heerenveen en/of gemeente als geheel van belang zijn, kortom wat is bepalend voor de identiteit van Heerenveen, de kracht van Heerenveen.” [uit: Toelichting Visiekaart Deregulering]. Daarbij zijn vanuit de volgende invalshoeken de kwaliteiten benoemd. Vanuit de visiekaart is de vertaling gemaakt naar de Welstandskaart, door te kijken in welke gebieden de bebouwing mede of grotendeels bepalend is voor de ruimtelijke kwaliteit. In een aantal gevallen speelt ook het specifieke karakter van bepaalde gebouwen / structuren een rol. Samenwerkingsagenda. De 3 accenten: ‘werken’ (snelwegzones A7), ‘de kern’ (zigzag station tot Belvedère) en ‘het groen’ (aan de zuidzijde van Heerenveen). Cultuurhistorie. Met name de oude lintstructuren en de oudste delen, oude kern, van Akkrum, Aldeboarn en de plaats Heerenveen zijn van belang. In deze gebieden liggen ook de meeste monumenten. Stedenbouwkundige hoofdstructuur. Betreft de hoofdstructuur van Heerenveen die in belangrijke mate bepalend is voor het functioneren en de beleving van Heerenveen. Dynamiek. Dynamiek in de zin van plekken waar veel gebeurt en veel mensen komen. Grote infrastructuur (de grote schaal) en voorzieningen. De gebieden langs snelweg en spoorlijn, maar ook het centrum en sportstad, zijn de visitekaartjes van Heerenveen. De identiteit van Heerenveen. Waar denk je aan als je het hebt over Heerenveen. Welke items zijn typisch Heerenveens, waarmee staat Heerenveen bekend als je het vraagt aan een buitenstaander. Onder meer Abe Lenstra stadion, Thialf, Oranjewoud, snelwegen. Groenstructuur. Dit betreft ten aanzien van welstand met name de groengebieden waar ook bebouwing een onderdeel vormt. Bijvoorbeeld zandrug zuidzijde Heerenveen. Ontwikkelgebieden. Hier is sprake van de dynamiek van verandering in de ruimtelijke situatie. Uitleggebieden, maar ook steeds meer veranderingen binnen bestaand gebied. Bijvoorbeeld A32 zone, maar ook IBF en Skoatterwâld. Vanuit de gedacht dat ‘sturing aan de voorkant’ het meest effectief is, staan ook deze gebieden op de kaart. De uitwerking van de criteria in deze gebieden is sterk gericht op het sturen van een veranderingsproces, meestal (mede) via een beeldkwaliteitplan. Overige uitgangspunten achter de kaart: Indeling in gebieden met een redelijke / minimale omvang. De indeling betreft ‘complete gebieden’ met een bepaalde karakteristiek. Hiermee is goed uit te leggen waarom een woning / gebouw binnen een bepaald gebied valt. Waardering van het bebouwingsbeeld. Vanuit (stapeling van) bovenstaande aspecten is tot een kaartbeeld gekomen. Vervolgens is bekeken of aan de samenhang en kwaliteit van de bebouwing ook een zekere waardering is toe te kennen (de ‘gaafheid‘ van een gebied). In sommige gebieden, die in eerste instantie wel zijn ‘ingekleurd’, is bijvoorbeeld de samenhang minder sterk en sprake van minder dynamiek, en kan aan individuele ontwikkelingen meer ruimte worden gegeven. Het onderbrengen onder welstand heeft daar geen toegevoegde waarde. Anders gezegd, er is geen specifieke waarde die beschermd hoeft te worden. Dit betekent overigens niet dat de welstandsluwe gebieden geen waarde zouden hebben, alleen is de waarde niet zodanig dat deze bescherming behoeft met het instrument welstand. De belevingssnelheid vormt met name een overweging voor het toekennen van een bepaald welstandsniveau. Bijvoorbeeld langs de rijkswegen is met name het beeld ‘door de oogharen’ van belang. De karakteristiek bestaat uit het beeld gevormd door met name de verschijningsvorm van de bouwmassa (en bijvoorbeeld de kleur). In het centrum, in de linten of langs een vaarroute is ook de detaillering vaak karakteristiek en van waarde om vast te leggen. Ontwikkelgebieden De ontwikkelgebieden vallen buiten de niveau indeling, die ingezet worden bij welstandssturing als ‘beheersinstrument’. Zie hiervoor hoofdstuk 10 ‘Ontwikkelgebieden’. Hoofdstuk3– Welstandsluwe zone achterkanten Binnen niveau 1 en 2 zijn op de navolgende schema’s welstandsluwe zones aangegeven, waar kleinschalige bebouwing ten behoeve van een woonfunctie, niet zal worden getoetst aan welstandscriteria. Hier geldt alleen de excessenregeling. Het betreft hier met name de achtererfgebieden die niet grenzen aan het openbaar toegankelijk gebied. De welstandsluwe zone begint achter de achtergevel van het hoofdgebouw, om ruimtelijke structuur, samenhang en opzet van de hoofdgebouwen te kunnen behouden. Verbouwingen die van invloed kunnen zijn op het ruimtelijke beeld van het hoofdgebouw (en daarmee op het straat- en bebouwingsbeeld) vallen niet in de welstandsluwe zone. Een één-laagse uitbreiding aan de achterzijde van het hoofdgebouw presenteert zich over het algemeen als een ondergeschikt element en valt meestal wel binnen de welstandsluwe zone. Het verschil in het welstandsluwe zone bij niveau 1 en 2, ligt vooral bij de hoekwoningen en achtererven aansluitend aan het openbaar gebied. In niveau 1 geldt hierbij dat het hele achtererf niet welstandsluw is. Terwijl in niveau 2 alleen de kopgevel en het verlengde hiervan (erf -afscheiding of bijgebouw in lijn met kopgevel) buiten de welstandsluwe zone vallen. Overigens is het zo dat er een onderscheid wordt gemaakt in de invloed op het straatbeeld (voor- en zijkanten die naar een straat zijn gericht) en de invloed op bijvoorbeeld wandelpaden door openbaar groen. Bij de laatste is de welstandsluwe zone in de regel groter. Er is dus sprake van een zekere hiërarchie in de openbare ruimten, waaraan de omvang van de welstandsluwe zone is gekoppeld. In de onderstaande schema’s zijn de principes voor de welstandsluwe zones aangegeven voor de twee welstandsniveaus. Aan de hand van deze schema’s kan bij een omgevingsaanvraag bouwen, bepaald worden of het betreffende bouwplan binnen de welstandsluwe zone valt. De welstandsluwe zone geldt niet voor een beschermd monument of in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Hierbij zal bij een omgevingsvergunning middels een gemotiveerd advies bekeken worden of het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand aan de hand van de beleidsintentie en daarbij geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarden. Hoofdstuk4- Sneltoetscriteria Inhoud Toepassing van sneltoetscriteria Algemene uitgangspunten bij sneltoetscriteria Aan- en uitbouwen bij woonfuncties Losstaande bijgebouwen en overkappingen bij woonfuncties Kozijn- en gevelwijzigingen Dakkapellen Dak-opbouwen Dakramen Erf-afscheidingen Zonnepanelen en –collectoren Spriet, staaf en schotelantennes Rolhekken, luiken en rolluiken Airco-installaties Luifels Zonnewering Reclame Reclame algemeen Reclame op kantoren Reclame op bedrijventerreinen Reclame in gebieden met niet commerciële functie zoals woongebieden en parken 1.Toepassing van sneltoetscriteria Sneltoetscriteria zijn concrete welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen. Bij aanvragen omgevingsvergunning voor dergelijke kleine bouwplannen wordt getoetst of het bouwplan voldoet aan de sneltoetscriteria. Als het bouwplan voldoet aan de sneltoetscriteria, is het in principe niet strijdig met redelijke eisen van welstand en krijgt het een positief welstandsadvies. Het kan ook zijn dat het bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria, maar wel aansluit bij de beleidsintentie voor dit type bouwplan. Indien goed gemotiveerd kan worden dat een bouwplan wel aansluit bij de beleidsintentie, ondanks dat het niet aan de sneltoetscriteria voldoet, kan alsnog een positief welstandsadvies gegeven worden. Kleine bouwplannen ten behoeve van woonfuncties, die vallen in de ‘welstandsluwe zone’ van het achtererfgebied (zie schema’s hoofdstuk 3), worden niet getoetst op redelijke eisen van welstand. Hiervoor is alleen de excessenregeling van toepassing. Bij de sneltoetscriteria staat bij elk onderwerp (bijvoorbeeld dakkapel of erf -afscheiding) voor welke niveau’s deze criteria gelden. Voor niveaus waar de criteria niet gelden, is bij betreffend onderwerp alleen de excessenregeling van toepassing. Indien het een bouwplan betreft bij een beschermd monument of in een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt niet aan sneltoetscriteria getoetst, maar zal altijd middels een gemotiveerd advies bekeken of het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand aan de hand van de beleidsintentie, waarbij de insteek is dat het bouwplan geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarden. Indien het een bouwplan betreft op een woonboot of op de oever bij een woonboot in het welstandsgebied zichtzone vaarroute wordt niet aan sneltoetscriteria getoetst, maar aan de welstandscriteria woonboten of oeverbebouwing woonboten in hoofdstuk 5.7a 2.Algemene uitgangspunten bij sneltoetscriteria Van toepassing bij: welstandsniveau 1 en 2 Een bouwplan is in het algemeen niet strijdig met redelijke eisen van welstand als: het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde sneltoetscriteria het bouwwerk bij vervanging qua plaatsing en vormgeving (vrijwel) identiek is aan het oorspronkelijke vergunde bouwwerk, mits de vervanging geen gevolg is van repressief welstandstoezicht het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving identiek is aan een in het betreffende bouwblok of straat eerder (sinds 7 juni 2004) als zodanig door de welstandscommissie goedgekeurd exemplaar, een trendsetter. (bij gelijkvormige kapvorm/woningtype) het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een door een architect vooraf ontworpen en qua welstand goedgekeurde optionele toevoeging of wijziging voor een woonwijk. 3.Aan- en uitbouwen bij woonfuncties Van toepassing bij: welstandsniveau 1 en 2 Beleidsintentie Een aanbouw of aangebouwd bijgebouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw. Als de aanbouw of aangebouwd bijgebouw zichtbaar is vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld mede bepalend. Het heeft de voorkeur om in gebieden naar samenhang te streven middels gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat en de gebouwen. Belangrijk is dat de contour en het silhouet van het oorspronkelijke hoofdgebouw of bouwblok zichtbaar blijven en dat de aanbouw of aangebouwd bijgebouw qua uitstraling en volume ondergeschikt is aan het oorspronkelijke gebouw. Uitgangspunt is dat een aanbouw of aangebouwd bijgebouw wordt vormgegeven of als ondergeschikte terughoudende toevoeging of als een architectonische hoogwaardige verrijking, of op natuurlijke wijze geïntegreerd met het bestaande gebouw alsof het altijd zo geweest is. In het welstandsgebied zichtzone vaarroutes zijn onderstaande welstandscriteria alleen van toepassing op de aan-en uitbouwen in de zichtzone van de vaarroute. Voor aan- en uitbouwen op woonboten in dit welstandsgebied zie hoofdstuk 5.7a Welstandscriteria aan- en uitbouwen bij woonfuncties Algemeen: de aanbouw of aangebouwd bijgebouw is in maat, schaal en verschijningsvorm een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw; aanbouw of aangebouwd bijgebouw direct tegen de hoofdmassa plaatsen en niet tegen bestaande aanbouw of aangebouwd bijgebouw, tenzij het qua vormgeving een uitbreiding van een bestaande aanbouw of aangebouwd bijgebouw is. Plaatsing: aanbouw of aangebouwd bijgebouw aan de voorgevel alleen in de vorm van een erker afstand van de aanbouw of aangebouwd bijgebouw aan zijgevel tot zij-erfgrens minimaal 1.00 m en minimaal 1 meter achter de voorgevel In het welstandsgebied zichtzone vaarroutes is afstand van de aanbouw of aangebouwd bijgebouw tot de insteek van het watertalud minimaal 1m Hoofdvorm: goothoogte / hoogte plat dak, niet hoger dan vloer eerste bouwlaag + 30 cm en maximaal gelijk aan goot/dakrand hoofdgebouw indien hieraan grenzend; aan voorgevel erker alleen als ondergeschikt element in de gevel, met een maximale diepte van 1,5 m (= maat bestemmingsplan) vormgegeven in één bouwlaag plat afgedekt, of flauw hellend dak (transparant serredak) of met een kap waarvan de dakhelling en kapvorm afgeleid zijn van die van het hoofdgebouw Aanzichten: geen volledig gesloten gevels in de naar het openbaar gebied-en vaarwater gerichte gevels (minimaal 10% open door bijvoorbeeld een raamkozijn) erkers aan voorzijde plat afgedekt met bescheiden dakranddetaillering Opmaak: materiaal en kleur gevels, kozijnen afgestemd op het hoofdgebouw of in (onopvallende) gedekte materialen en kleuren geen betonplaten, damwandprofielen stalen/aluminium sandwichpanelen of inferieur materiaalgebruik. 4.Losstaande bijgebouwen en overkappingen bij woonfuncties Van toepassing bij: welstandsniveau 1 en 2; Beleidsintentie Een losstaand bijgebouw of overkapping is een grondgebonden gebouw van één bouwlaag. Een bijgebouw staat los op het erf van het hoofdgebouw en is meestal bedoeld als schuur, tuinhuis, of garage. De overkapping staat los op het erf of tegen het hoofdgebouw aan en is meestal bedoeld als carport of luifel boven een deur of raampartij. Als het bijgebouw of de overkapping zichtbaar is vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld mede bepalend. Het heeft de voorkeur om in gebieden naar samenhang te streven middels gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat en de gebouwen. Bijgebouwen moeten passen bij en qua uitstraling en volume ondergeschikt zijn aan het oorspronkelijke hoofdgebouw. Ondergeschiktheid kan verkregen worden met een bescheiden uiterlijk, bijvoorbeeld doordat materialen, (gedekte) kleuren en ( een eenvoudige) kapvorm zijn afgestemd op die van het hoofdgebouw. Een belangrijk kenmerk hierbij voor een overkapping is de transparantie, waarbij de wanden niet zijn dichtgezet. Uitgangspunt is dat een losstaand bijgebouw of overkapping wordt vormgegeven of als ondergeschikte terughoudende toevoeging of als een architectonische hoogwaardige verrijking, of op natuurlijke wijze geïntegreerd met het bestaande gebouw alsof het altijd zo geweest is. In het welstandsgebied zichtzone vaarroutes zijn onderstaande welstandscriteria alleen van toepassing op de losstaande bijgebouwen en overkappingen in de zichtzone van de vaarroute. Voor bijgebouwen op de oever bij woonboten in dit welstandsgebied zie hoofdstuk 5.7a Welstandscriteria losstaande bijgebouwen en overkappingen bij woonfuncties Algemeen: het bijgebouw of de overkapping is in maat, schaal en verschijningsvorm ondergeschikt aan het hoofdgebouw; geen overkapping aan een reeds bestaande aanbouw of losstaand bijgebouw, tenzij het qua vormgeving een uitbreiding van een bestaande aan-, uit- of bijgebouw is. Plaatsing: geen bijgebouw of overkapping op het voorerf; bij hoeksituaties die naar de openbare ruimte zijn gericht: geen bijgebouw of overkapping op het zij–erf In het welstandsgebied zichtzone vaarroutes is de afstand van het losstaande bijgebouw of overkapping tot de insteek van het watertalud minimaal 1 m Hoofdvorm: (goot)hoogte maximaal 3 m., nokhoogte max. 5 m. gemeten vanaf het aansluitend terrein vormgegeven in één bouwlaag plat afgedekt of hele flauwe helling of met een kap waarvan de dakhelling en kapvorm afgeleid zijn van die van het hoofdgebouw Aanzichten: geen volledig gesloten gevels in de naar het openbaar gebied- en vaarwater gerichte gevels (minimaal 10% open door bijvoorbeeld een raamkozijn) overkapping vrijstaand of met maximaal twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal aan twee zijden open Opmaak (alleen niveau 1): materiaal en kleur gevels, kozijnen afgestemd op het hoofdgebouw of in gedekte materialen en kleuren geen betonplaten, damwandprofielen, stalen/aluminium sandwichpanelen of inferieur materiaalgebruik dakpanprofiel-plaat, golfplaten e.d. toegelaten op bijgebouwen indien toegepast in gedekte kleuren zoals antraciet of donkergrijs (traditioneel rood/oranje alleen na bemonstering) bij integratie met gebouwde erf-afscheiding materiaal en/of kleurgebruik afstemmen (bijvoorbeeld metselwerk in combinatie met gemetselde erf-afscheiding of houten bijgebouw met houten erf-afscheiding) 5.Kozijn- en gevelwijzigingen Van toepassing bij naar straat/openbaargebied gerichte zijde en achterzijde van hoekwoningen: welstandsniveau 1 welstandsniveau 2 alleen Algemeen / Hoofdvorm Beleidsintentie Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Omdat de opbouw en indeling van de gevel een belangrijk onderdeel is van de architectonische vormgeving van het gebouw en/of de straatwand moeten ook de kozijn- of gevelwijzigingen zorgvuldig worden ingepast. In principe mag de samenhang en de ritmiek in straatwanden niet worden verstoord door incidentele kozijn- of gevelwijzigingen. Een kozijn- of gevelwijziging in de voorgevel of zijgevel als deze gekeerd is naar de weg, het openbaar groen of het openbaar vaarwater vraagt om een zorgvuldige vormgeving. Een kozijn- of gevelwijziging moet passen bij het karakter van het hoofdgebouw en de karakteristiek van de omgeving. De gevel van de begane grond en verdieping(
- en)moet een samenhangend geheel vormen. Een naoorlogse woning vraagt bijvoorbeeld om andere vormgeving dan een historisch pand uit de jaren ’30 of de 19de eeuw. Het uitgangspunt is dat de oorspronkelijke of originele vormgeving in elk geval niet strijdig is met redelijke eisen van welstand. Belangrijke te handhaven kenmerken daarbij zijn de maatvoering van, de positie in de wand (negge) en profilering van het kozijn en het raamhout. De materialisering en (mate aan) detaillering is voornamelijk afhankelijk van het gebiedsgerichte beoordelingskader. In het welstandsgebied zichtzone vaarroutes zijn onderstaande welstandscriteria alleen van toepassing op de kozijn-en gevelwijzigingen in de zichtzone van de vaarroute. Welstandscriteria kozijn- en gevelwijzigingen Algemeen: samenhang straatwand behouden samenhang langs waterzijde behouden Hoofdvorm: oorspronkelijke verhouding qua indeling, detaillering van de kozijnen en ramen blijven behouden; diepte van negge gelijk aan bestaande situatie Aanzichten (alleen niveau 1): de gevel van begane grond en verdieping(
- en)blijft samenhangend; toegevoegde of vervangende draaiende of schuivende delen is mogelijk gevelopeningen voor minstens 80% vullen met glas afstemmen op bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en/of rollagen Opmaak (alleen niveau 1): materiaal- en kleurgebruik overeenkomstig of gelijkend op de reeds aanwezige of oorspronkelijke materialen en kleuren van het hoofdgebouw. eventuele ventilatieroosters op ondergeschikte wijze inpassen. 6.Dakkapellen Van toepassing bij: welstandsniveau 1 welstandsniveau 2: alleen Algemeen / Plaatsing / Hoofdvorm Beleidsintentie Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonop¬pervlak te ver¬groten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld mede bepa¬lend. De sneltoetscriteria zijn er op gericht dat de karakteristieke kapvorm en het silhouet van het dak van het gebouw en de samenhang in het straatbeeld niet te veel wordt aangetast. Uitgangspunt is dat een dakkapel wordt vormgegeven of als ondergeschikte terughoudende toevoeging of als een architectonische hoogwaardige verrijking, of op natuurlijke wijze geïntegreerd met het bestaande gebouw alsof het altijd zo geweest is. Bij meerdere dakkapellen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur/bouwstijl) kan rust en samenhang brengen. Over het algemeen zijn de criteria gericht op behoud van dakvlak rondom de dakkapel. Dakkapellen kunnen de gootlijn raken als dit bijdraagt aan de architectuur van de gevel als onderdeel van de gevel- of straatwand. Ook is voorstelbaar dat 2 naburige dakkapellen gekoppeld zijn mits ze in samenhang zijn ontworpen (bijvoorbeeld spiegelsymmetrisch ten opzichte van de woningscheidende wand). In het welstandsgebied zichtzone vaarroutes zijn onderstaande welstandscriteria alleen van toepassing op de dakkappelen geplaatst in de zichtzone van de vaarroute. Welstandscriteria dakkapellen Algemeen: de dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste en vergunde dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok (trendsetter), bijvoorbeeld bij seriematige woningbouw de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw geen 2 dakkapellen boven elkaar Plaatsing: bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regel¬matige rangschikking op horizontale lijn (niet boven elkaar gerangschikt) minstens 1.0 m (of 3 dakpannen) dakvlak naast en 1.0 m (of 1 dakpan en nokvorst) boven de dakkapel, minstens 0.50 m en hoogstens 1,5 m dakvlak onder de dakkapel (bovenzijde dakkapel gemeten vanaf de bovenste aansluiting van het dak van de dakkapel met het dak van het hoofdgebouw) daarbij in acht nemen: onderzijde dakkapel 0,85 tot 1 m boven vloerpeil verdiepingsvloer afstand tussen twee dakkapellen minstens 1.0 m, bij twee-onder-een-kap tegen elkaar mogelijk bij een mansardekap aansluiten op de knik en de gootlijn Hoofdvorm: hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.50 m. aan de naar de openbaar gebied-of vaarwater gekeerde zijde en 1.75 m aan de overige zijden gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord, goot of daktrim van de dakkapel. (vergelijkbaar met vergunningsvrije regels) in de naar het openbaar gebied- en vaarwater gekeerde zijden een breedte van in totaal maximaal 40% (niveau 1) of 60 % (niveau 2) van de breedte van het dakvlak aan de voorkant gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels (gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) plat afgedekt of indien gewenst bij een dakhelling van minstens 45 graden aan de achterkant aankappen met een minimale dakhelling van 25 graden geen overmaat aan detailleringen (dus bescheiden overstek, boeiboord e.d.), tenzij dit passend is bij karakteristiek van het hoofdgebouw (bv jaren ’30) Aanzichten (alleen niveau 1) gevelgeleding in overeenstemming met de gevelgeleding van hoofdgebouw; indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw geen borstwering Opmaak (alleen niveau 1) materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen ondergeschikte uitstraling of aansluiten bij de gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw; toepassing van dichte panelen alleen in ondergeschikte mate tussen de glasvlakken max. 20%; geen gebruik van inferieure materialen (zie begrippenlijst en excessenregeling). 7.Dak -opbouwen Van toepassing bij: welstandsniveau 1 welstandsniveau 2 bij naar straat/openbaargebied gerichte zijde en achterzijde van hoekwoningen (zijn ook: 2-onder-1-kap en vrijstaande woningen) Beleidsintentie Een dakopbouw is een verdieping op een gebouw waarbij een nieuwe ruimte ontstaat of een bestaande ruimte wordt vergroot. Het doel van een dakopbouw is het bruikbaar woonoppervlak te vergroten en de lichttoetreding te verbeteren. Dak-opbouwen zichtbaar vanuit de openbare ruimte is voor het straatbeeld mede bepalend. Met het plaatsen van een dakopbouw op of in de kap verandert het profiel van de woning: de nok- of gootlijn wordt (plaatselijk) verschoven. Bij woningen met een zadeldak is een enkelzijdige nokverhoging aan de achterzijde het uitgangspunt. Op platte daken ligt de dakopbouw bij voorkeur terug ten opzichte van de voorgevellijn of loopt hier schuin van weg. Uitgangspunt is dat een negatieve invloed op het gebouw, bouwblok en straat- en waterbeeld beperkt is. Een goed gesitueerde en vormgegeven dakopbouw kan in een bepaalde context zelfs een positieve invloed hebben op gebouw, bouwblok en straatbeeld. Een dakopbouw kan vormgegeven worden of als ondergeschikte terughoudende toevoeging of als een architectonische hoogwaardige verrijking, of op natuurlijke wijze geïntegreerd met het bestaande gebouw alsof het altijd zo geweest is. Bij meerdere dakopbouwen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar samenhang door een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling brengt bij seriematige woningbouw rust en samenhang in een rij. Door nokverhogingen over de gehele woningbreedte toe te passen, kunnen deze aan elkaar gekoppeld worden zodat uiteindelijk over een hele rij een nieuwe aaneengesloten nok kan ontstaan. In het welstandsgebied zichtzone vaarroutes zijn onderstaande welstandscriteria alleen van toepassing op de dakopbouwen geplaatst in de zichtzone van de vaarroute. Voor opbouwen op woonboten in dit welstandsgebied zie hiervoor hoofdstuk 5.7a. Welstandscriteria dak -opbouwen Algemeen: de dakopbouw is bij seriematige woningbouw gelijkvormig aan eerder geplaatste en vergunde dakopbouwen op het betreffende dakvlak van het bouwblok Plaatsing: hoogstens één dakopbouw per hoofd- of (aangebouwd)bijgebouw van een woning op samenhangende rijwoningen (en 2-onder-1 kap en vrijstaand) met een zadeldak aan de achterzijde, niet zijnde de openbare waterzijde, van de woning Hoofdvorm: op een zadeldak: alleen enkelzijdige nokverhogingen toepassen over de gehele breedte van de woning met een hellingshoek gelijk aan het bestaande dak de nok met hoogstens 0,80 m verhogen op een plat dak: dakopbouwen terugliggend (minimaal 1 m t.o.v. de dakrand) op bebouwing toepassen met behoud van de collectieve gootlijn totale hoogte van een plat afgedekte dakopbouw is maximaal 3,5 m Aanzichten: nokverhogingen in stijl en afwerking gelijk aan het hoofdgebouw schuine daken dekken met pannen en topgevels afstemmen op architectuur onderbouw overige dakopbouwen in stijl en afwerking terughoudend uitvoeren en afstemmen op het hoofdgebouw ‘zijgevels’ van dakopbouw verticaal of dakhelling maximaal 80 graden Opmaak: nokverhogingen in materiaal en kleur gelijk aan het hoofdgebouw overige dakopbouwen in materiaal en kleur afstemmen op het hoofdgebouw of gedekte kleuren geen inferieur materiaal gebruik (zie begrippenlijst en excessenregeling). 8.Dakramen Van toepassing bij naar de openbare ruimte gerichte gevels in: welstandsniveau 1 Beleidsintentie Een dakraam is een raam aangebracht in het dakvlak, waarbij de hoofdvorm van het dakvlak behouden blijft en dakbedekking rondom aanwezig is. Dakramen zijn niet erg dominant in het straatbeeld, maar kunnen door verschil in grootte en plaatsing binnen één dakvlak toch storend zijn. Dakramen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakraam mag dus niet ten koste gaan van de eenheid van het dakvlak. Bij meerdere dakramen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Daarbij moet de ruimte tussen het dakraam en goot of nok voldoende zijn. Ook de onderlinge afstand tussen verschillende dakramen moet voldoende zijn om het dakvlak als eenheid te respecteren. In het welstandsgebied zichtzone vaarroutes zijn onderstaande welstandscriteria alleen van toepassing op de dakramen geplaatst in de zichtzone van de vaarroute. Welstandscriteria dakramen Plaatsing: bij meerdere dakramen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus in beginsel niet boven elkaar gerangschikt bij individuele woning/pand aan de voorzijde gecentreerd in het dakvlak of gelijkend aan geleding voorgevel minimaal 0.50 m. dakvlak boven, onder en ter weerszijden van het dakraam, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van het dakraam (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/voet van het dakraam). 9.Erf -afscheidingen Van toepassing bij: welstandsniveau 1 en 2 Beleidsintentie Een erf -afscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buur-erf of van de openbare weg. Erf-afscheidingen aan de openbare weg kunnen van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit zijn. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid in vorm en materiaalgebruik aan erf -afscheidingen te voorkomen. Erf-afscheidingen moeten passen bij het karakter van de omgeving. Het buitengebied vraagt bijvoorbeeld om andere erf -afscheidingen dan de woongebieden. Een lange, gesloten, slecht onderhouden schutting kan het gevoel oproepen van verloedering en sociale onveiligheid. Begroeide hekwerken en beplantingen hebben een open en vriendelijke uitstraling. In het welstandsgebied zichtzone vaarroutes zijn onderstaande welstandscriteria alleen van toepassing op erf -afscheidingen geplaatst in de zichtzone van de vaarroute. Voor woonboten en de oeverbebouwing bij woonboten in dit welstandsgebied zie hoofdstuk 5.7a Welstandscriteria erf -afscheidingen Algemeen Hoofdvorm: hoogte maximaal 1.00 m. als erf -afscheiding wordt geplaatst voor de voorgevellijn (i.o. vergunningvrij) hoogte maximaal 2.00 m. als erf -afscheiding wordt geplaatst achter de voorgevellijn hoogte maximaal 1.00 m. als erf -afscheiding wordt geplaatst binnen 1m vanaf de insteek talud van het openbaar vaarwater (i.o. vergunningvrij) Specifiek voor erf-afscheidingen in het zij-erf dat wat naar openbaar toegankelijk gebied is gericht: Hoofdvorm: hoogte maximaal 1.00 m. als erf -afscheiding wordt geplaatst voor de voorgevellijn (i.o. vergunningvrij) hoogte maximaal 2.00 m. als erf -afscheiding wordt geplaatst achter de voorgevellijn in het zij-erf wat naar openbaar toegankelijk gebied is gericht Opmaak: Plaatsing op de erfgrens mogelijk indien maximaal onderste 1 meter in dicht materiaal passend bij de woning, daarboven over de gehele lengte voor min. 75% open constructie (gaas of latwerk) Of: Over de gehele lengte voor min. 75% open constructie (gaas of latwerk) Niet-doorzichtige delen zijn niet breder dan 0,3 m per onderdeel geen toepassing van beton, kunststof, golfplaat, damwand¬profielen of inferieure materialen geen felle contrasterende kleuren Suggestie: haagplanten zoals liguster, buxus of haagbeuken, gazen hekwerken volledig laten begroeien, of ander natuurlijk materiaal. Indicatie en referentie erf -afscheidingen gericht op openbaar gebied (zij -erf) 10.Zonnepanelen en – collectoren Van toepassing bij naar de openbare ruimte gerichte gevels in: welstandsniveau 1 welstandsniveau 2 alleen bij de cultuurhistorisch waardevolle en planmatig opgezette woongebieden tot de jaren ’60, welstandsgebied 6 Beleidsintentie Een zonnepaneel dient voor energieopwekking en een zonnecollector voor warmteopwekking. Deze voorzieningen worden in toenemende mate ontwikkeld en toegepast. Inmiddels is er zodanig ervaring mee opgedaan dat een zorgvuldige vormgeving en plaatsing mogelijk zijn. Zonnecollectoren of panelen die niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied hebben weinig ontsierende invloed. De situering van zonnepanelen of -collectoren wordt echter bepaald door de optimale stand ten opzichte van de zon. Voorkeur van de gemeente voor situering aan de achterzijde kan daarom niet van doorslaggevende aard zijn bij de beoordeling van dergelijke bouwplannen. Alleen in beschermde stads- en dorpsgezichten, op monumenten is een alternatieve situering aan minder belangrijke zijden of op tuinbergingen een voor de hand liggend alternatief. Zonnecollectoren of -panelen kunnen in het ontwerp van een gebouw worden geïntegreerd. Als losse toevoeging kunnen ze echter storend werken. Bij meerdere collectoren/panelen op één doorgaand dakvlak streven naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Welstandscriteria zonnepanelen en – collectoren Plaatsing: paneel/collector alleen op daken (niet aan gevels en wanden) bij meerdere panelen/collectoren regelmatige rangschikking op horizontale of verticale lijn in een bepaalde ordening op schuine daken: geheel binnen het dakvlak en de hellingshoek gelijk aan de hellingshoek van het dakvlak. In of direct op het dakvlak op platte daken: geheel is gelegen binnen een hoek van 45 graden vanaf de dakrand Aanzichten: paneel/collector integraal opgenomen in het ontwerp van het bouwwerk; paneel/collector vormt een geheel met de installatie voor het opslaan van water of voor de opwekking van elektriciteit, zo niet dan is de installatie in het bouwwerk geplaatst. 11.Spriet, staaf- en schotelantennes Van toepassing bij naar de openbare ruimte gerichte gevels in: welstandsniveau 1 Beleidsintentie Het gaat hier om antennes die van wezenlijk belang zijn voor het kunnen zenden en/of ontvangen van radio, televisie en andere communicatiesignalen. Onder spriet- of staafantennemast worden niet begrepen calamiteitensirenes en antenne-installaties ten behoeve van mobiele telefonie. Antennes kenmerken zich door een zeer eigen technische vormgeving die vooral aan de voorzijde het straatbeeld beïnvloeden. Plaatsing van antennes achter het hoofdgebouw niet zichtbaar vanaf de weg of openbaar groen heeft de voorkeur. Antennes kunnen vrijstaand worden geplaatst of op/aan een bouwwerk worden aangebracht. Een antenne dient een ondergeschikt element te zijn ten opzichte van de omringende bebouwing. Als losse toevoeging kunnen ze storend werken op het uiterlijk van een gebouw. Met name de hoogte, de bouwkundige uitwerking en detaillering van antennes mogen geen te zwaar stempel op de omgeving drukken. Een zorgvuldige plaatsbepaling kan een goed middel zijn om deze voorzieningen in te passen in de omgeving. Het heeft de voorkeur een antenne achter het hoofdgebouw en in ieder geval achter de voorgevellijn te plaatsen. Daarnaast is de maatvoering en een zorgvuldige kleurkeuze van belang. Welstandscriteria spriet, staaf- en schotelantennes Plaatsing: antennes zijn achter de voorgevellijn geplaatst bij gestapelde woningbouw op het platte dak bij gestapelde woningbouw op of aan het balkon geplaatst binnen het verticale en horizontale vlak van het balkon en niet aan de gevel of een kozijn maximaal één spriet, staaf- of schotelantenne aan, op of bij een woning/pand Hoofdvorm: hoogte spriet- of staafantenne bij plaatsing op erf maximaal 5.00 m hoogte spriet- of staafantenne bij plaatsing aan gevel maximaal 5.00 m. vanaf het snijpunt met het aangrenzende dakvlak hoogte schotelantenne maximaal 3.00 m. gemeten vanaf de voet van de antenne(drager) doorsnede schotel maximaal 2.00 m. 12.Rolhekken luiken en rolluiken Van toepassing bij naar de openbare ruimte gerichte gevels in: welstandsniveau 1 Beleidsintentie Rolhekken, luiken en rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen tegen inbraak en vandalisme te beschermen. Deze voorzieningen kunnen de omgeving een rommelig aanzien geven. Oplossingen zoals geweldbestendig glas of elektronische beveiligingssystemen vormen welstandstechnisch een goed alternatief. Voor woningen is het toepassen van rolhekken, luiken en rolluiken vergunningvrij gesteld. Voor overige gebouwen geldt voor wat betreft de voorgevel en de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel de voorwaarde van plaatsing achter de uitwendige scheidingsconstructie en voor minimaal 75% open. Juist in winkelgebieden zijn de problemen met deze anti-inbraak en –vandalisme voorzieningen het grootst. Luiken en rolluiken moeten qua uitstalling een ondergeschikte toevoeging zijn aan een gebouw en het straatbeeld. Welstandscriteria rolhekken luiken en rolluiken Hoofdvorm: aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie (pui), mits voor minimaal 70% bestaand uit doorkijkopeningen, ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met interieur/gevel aan de buitengevel, mits: plaatsing aan de binnenzijde niet mogelijk is, voor minimaal 90% bestaand uit doorkijkopeningen, rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel worden ingepast en ingetogen kleurgebruik of kleuren afstemmen met gevel. 13.Airco installaties Van toepassing bij: welstandsniveau 1 Beleidsintentie Airco installaties zijn bedoeld voor regulering van het binnenklimaat. Voorkomen moet worden dat de installaties op een te prominente plaats aan de buitenzijde, bijvoorbeeld de voorgevel, het beeld gaan bepalen. Airco installaties moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een gebouw en het straatbeeld. Met name de plaatsing is bepalend voor de invloed op de ruimtelijke kwaliteit. Welstandscriteria airco installaties Plaatsing: plaatsing niet aan de voorgevel en niet aan de naar de weg gekeerde gevel. bij plaatsing aan de zijgevel minimaal 1 meter achter de voorgevel / naar de weg gekeerde gevel. 14.Luifels Van toepassing bij naar de openbare ruimte gerichte gevels in: welstandsniveau 1 Beleidsintentie Luifels worden soms gewenst boven etalages in het winkelgebied. De klant kan onder de luifel droog de etalage bekijken. Daarnaast dient een luifel ook wel als zonnewering of expressie die mede bepalend is voor het gezicht van de winkel (met of zonder reclame). Luifels moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een gebouw en het straatbeeld. Voorkomen moet worden dat een vertikaal gelede gevel door een te overheersende luifel wordt doorbroken. Met een terughoudend kleur en materiaalgebruik in combinatie met een beperkte maatvoering, kan een luifel een positieve bijdrage geven aan de ruimtelijke kwaliteit. Welstandscriteria luifels Hoofdvorm: dieptemaat maximaal 0,5 meter buitengrens gezamenlijke gevelopeningen op begane grond is maximale breedte van de luifel detaillering en kleurgebruik terughoudend (rustig) waarbij de ondergeschiktheid van het totaalbeeld niet wordt ondermijnd. 15.Zonwering Van toepassing bij naar de openbare ruimte gerichte gevels in: welstandsniveau 1 Beleidsintentie Onder zonwering wordt verstaan een voorziening die wordt aangebracht ter wering van het zonlicht, zoals een markies, een valscherm, een knikscherm of een schuivende zonwering in het vlak van het kozijn. Zonweringen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een gebouw en het straatbeeld. In individuele gevallen kan van onderstaande regels afwijken door het functionele gebruiksaspect bij het betreffende geval mee te laten wegen. (bijvoorbeeld bij horeca gelegenheden). Welstandscriteria zonwering Hoofdvorm: geen doorgaand scherm over de gehele gevelbreedte aanbrengen maximaal 15 cm buiten de gevelopeningen of in de negge. inklap- of inrolbaar onderzijde van de zonwering minstens op 2,20 m (in uitstaande positie) per gevel van een pand of architectonische eenheid een gelijke oplossing in een kleur afgestemd op pand of omgeving. 16.Reclame 16.1 Reclame algemeen voor alle gebieden Van toepassing bij: welstandsniveau 1 en 2 Beleidsintentie Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclames op borden, lichtreclames, reclame-ledschermen en spandoeken of vlaggen vormen een belangrijk en beeldbepalend element van de openbare ruimte. In gebieden met commerciële functies zijn reclames op zijn plaats en kunnen ze de visuele aantrekkingskracht verhogen. De gemeente stelt daarom ten aanzien van winkelgebieden andere criteria dan bijvoorbeeld woonbuurten of bedrijventerreinen. Als belangrijkste criterium wordt de ondergeschiktheid van de reclame ten opzichte van de architectuur en haar omgeving gehanteerd. Tevens is het toestaan van reclame, inclusief hoeveelheid en omvang, afhankelijk van het gebied waar de reclame voorgesteld wordt. Bij bestaande gebouwen met grote stedenbouwkundige architectonische en/of cultuurhistorische kwaliteiten dient terughoudend reclame te worden toegepast. De welstandsbeoordeling van reclame richt zich op de reclame op zichzelf, de reclame in relatie tot het pand en de reclame in relatie tot zijn omgeving. In geval van (ingrijpende) verbouw- en nieuwbouwplannen geniet het de voorkeur om de plaats van de reclame mee te nemen in het ontwerp. De welstandscriteria zijn opgesteld ten behoeve van de toetsing van aanvragen voor handelsreclame; niet voor ideële reclame. Handelsreclame is te onderscheiden in tijdelijke en permanente reclame. Ideële reclame valt buiten het kader van deze regeling. Welstandscriteria voor reclame in alle gebieden Algemeen: reclame is niet overheersend voor de architectuur en daarom niet uitgevoerd in te dominerende afmeting, detaillering, kleur, vorm of materiaal bewegende en roterende reclameobjecten aan gevels zijn in principe niet toegestaan. In incidentele gevallen zou hiervan gemotiveerd kunnen worden afgeweken het toepassen van losse letters en het aanlichten van reclameteksten in plaats van lichtbakken wordt gestimuleerd door meer maximale afmetingruimte te bieden bij het toepassen van losse letters de reclame heeft een ondergeschikte constructie. 16.2 Reclame op kantoren Van toepassing bij naar de openbare ruimte gerichte gevels in: welstandsniveau 1 Beleidsintentie Een eenduidige ordening van de reclame is nodig om te voorkomen dat men elkaar wat attentiewaarde betreft tracht te overstemmen. Reclame kan daardoor de architectonische en stedenbouwkundige betekenis van gebouwen in de openbare ruimte overheersen. Daarom dient de maat gerelateerd te worden aan de architectonische en ruimtelijke verhoudingen van de gevel en van de omgeving. Door reclame te limiteren tot een verticale zone in het gevelvlak, zal het de architectuur niet overheersen en ontstaat een zekere eenheid in uitstraling van kantoorgebouwen. De breedtemaat van de ‘reclame zone’ moet in verhouding zijn met de breedte maat van de gevel. Bij een wat langer gebouw kan gekozen worden voor meerdere verticale zones of een brede, mits de totale maat van de verticale zones in verhouding is met de breedtemaat van de gevel en de architectonische en ruimtelijke verhoudingen van de gevel niet gaat overheersen. Welstandscriteria voor reclame op kantoren Plaatsing: Sportstad, 3 tenoren: per gebouw is 1 verticale reclamezone per verdieping toegestaan, waar reclame-uitingen van maximaal 1 m hoog en 10 m lang geplaatst kunnen worden. Alleen hoofdgebruiker mag daarnaast ook op 2 andere zijden van het gebouw reclame uiting hebben binnen zelfde maximale maatvoering overige kantoren: per naar de openbare weg gekeerde gevels is 1 verticale reclamezone per verdieping toegestaan, waar reclame-uitingen van maximaal 1 m hoog en 10 m lang geplaatst kunnen worden bij een gevel langer dan 35 m, kunnen 2 reclame zones worden aangeduid mits de totale lengte van de 2 zones samen niet meer bedraagt dan 40% van de gevellengte reclame uitingen komt niet boven de dakrand uit (dus ook niet op het dak) Hoofdvorm: reclame-uitingen bestaan uit losse letters of in de vorm van bedrijfslogo, eventueel verlicht (geen lichtbak of aanlichting van ‘platte’ letters) een separaat logo naast tekst, valt binnen een reclamezone. Logo’s mogen eventueel hoger zijn dan de 1 m, mits passend in het gevelbeeld en in verhouding met de tekst 16.3 Reclame op bedrijventerreinen Van toepassing bij: welstandsniveau 1 en 2 Beleidsintentie Bedrijfsbebouwing heeft in de regel een niet zo sterk gedetailleerde vormgeving en een vrij fors volume. Reclamevormen van groot formaat zijn daarom niet per definitie uitgesloten. Vooral met logo’s en dergelijke in de vorm van open constructies zijn wat vormgeving en herkenbaarheid betreft goede resultaten te bereiken. Een veelheid aan verschillende vormen kan afbreuk doen aan het totaal beeld. Het is de bedoeling dat reclame de architectuur van de bebouwing en de kwaliteit van de omgeving niet gaat overheersen. Reclame is een geïntegreerd en ondergeschikt element in de gevel(
- s)en de omgeving. De vormgeving is in harmonie met de architectonische uitstraling van het gebouw. Welstandscriteria voor reclame op bedrijventerreinen Plaatsing: per naar de openbare weg gekeerde gevel mag gevelreclame worden toegepast een verticale naamzuil bij de entree van het terrein is maximaal 2,5 meter hoog, 1 meter breed en staat minimaal 1 meter uit de erfgrens een verticale reclamezuil is maximaal 7 meter hoog, maximaal 2 meter breed en staat minimaal 12 meter vanaf de erfgrens grenzend aan openbare weg en 3 meter uit overige grenzen Hoofdvorm (Gevelreclame): maximale afmeting 10 % van de geveloppervlakte. maximale lengte: 80 % van de gevelbreedte maximale hoogte 3 m (= ca. 1 verdieping) Aanzichten: geen haakse gevelreclames 16.4 Reclame in gebieden met niet commerciële functie, zoals woongebieden en parken Van toepassing bij: welstandsniveau 1 Beleidsintentie Voor functies/bestemmingen niet zijnde wonen waarvoor reclame een vanzelfsprekend middel van aankondigen is zoals bij buurtwinkels, horeca en bedrijven wordt verwezen naar de criteria voor winkel- en horecagebieden. Bij woonfuncties zijn naamsaanduidingen alleen denkbaar bij aan huis verbonden beroepen en bij kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten: Aan–huis–verbonden beroep: Een in het vigerende bestemmingsplan genoemd beroep, dan wel een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen beroep, dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend door de bewoner en één aan de beroepsuitoefening aan huis gebonden medewerker en dat is gericht op het verlenen van diensten. kleinschalige bedrijfsmatige activiteit: de in bijlage 1 van het vigerende bestemmingsplan genoemde bedrijvigheid, dan wel een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend door de bewoner en één aan de bedrijvigheid bij woningen gebonden medewerker; Voor woon- en overige functies moeten de naamplaten op de gevel of vrijstaande reclame op het perceel, in omvang en uitvoering ondergeschikt zijn aan de structuur en de architectuur van het hoofdgebouw. Niet toelaatbaar zijn beeld-dominerende naamplaten zoals in de vorm van lichtbakken/led schermen, verlichte losse letters of bewegende elementen bevatten. (zie excessenregeling). Naast de algemene reclamecriteria gelden de volgende aanvullende welstandscriteria: Welstandscriteria voor reclame in gebieden met niet commerciële functie Plaatsing: reclame is aan de gevel bevestigd of vrijstaand op eigen perceel Hoofdvorm: vrijstaand reclamebord is maximaal 1,50 meter breed en 0,40 meter hoog en steekt niet meer dan 1,20 meter boven maaiveld uit, of staat op de grond en is maximaal 1,20 meter hoog en 0,70 meter breed gevelreclame maximaal 1,50 meter breed en 0,40 meter hoog Aanzichten: de vrijstaande en gevelreclame is in omvang en uitvoering ondergeschikt aan de structuur en architectuur van het hoofdgebouw vormgeving en kleurgebruik zijn terughoudend (zie excessenregeling) geen lichtcouranten of led schermen. Hoofdstuk5– Gebiedsbeschrijving en criteria Gebiedsindeling en welstandsniveaus (zie ook hoofdstuk 2) Niveau 1: Station, centrum, Vlinderbuurt, Sportstad, middenzone Skoatterwâld De beschermde stads- en dorpsgezichten Stedenbouwkundige hoofdlijnen, Oude kernen en linten Stedenbouwkundige hoofdlijnen, Hoofdentrees Zichtzones, zichtzone vaarroutes Groenstructuren - deels Niveau 2: Stedenbouwkundige hoofdlijnen, Lange Lijnen en hoofdwegen Planmatige woningbouw tot de jaren ‘60 Zichtzones, zichtzone infrastructuur en bedrijventerreinen Groenstructuren - deels Buitengebied Niveau 3: Overig gebied – witte gebieden ondermeer: De Heide, De Greiden, De Akkers, Oudeschoot, Skoatterwâld eerste fase, Oranjewoud Noord, Jousterweg, Heidemeer, Buitendorpen (muv de oude lintstructuur), Recreatie bungalow parken en bedrijventerreinen (niet de randen). Gebiedsbeschrijving en criteria De karakteristiek van elk gebied is beschreven. Daarbij wordt aangegeven wat de algemene waarden zijn vanuit de ruimtelijke kwaliteit. Aan de hand hiervan wordt in de beleidsintentie beschreven welke doel de welstandssturing in dit gebied na streeft. Het middel om dit te bereiken zijn de gebiedseigen welstandscriteria waaraan, naast aan de algemene principes, omgevingsaanvragen worden getoetst. Als het bouwplan voldoet aan deze criteria, is het in principe niet strijdig met redelijke eisen van welstand en krijgt het een positief welstandsadvies. Het kan ook zijn dat het bouwplan niet voldoet aan de gebiedseigen welstandscriteria, maar wel aan de algemene principes en aansluit bij de beleidsintentie voor dit gebied. Indien dit goed gemotiveerd kan worden kan alsnog een positief welstandsadvies gegeven worden. De gebiedseigen welstandscriteria zijn opgesteld in relatie tot het welstandsniveau wat aan het gebied is toegekend. Daarbinnen geldt ook een welstandsluwe zone, wat over het algemeen het achtererf beslaat. Veel voorkomende kleine bouwwerken die in de welstandsluwe zone vallen worden bij een omgevingsaanvraag niet aan welstandscriteria getoetst. (zie hoofdstuk 3 en 4) Voor uitgebreide gebiedsbeschrijvingen wordt verwezen naar de Nota cultuurhistorisch erfgoed gemeente Heerenveen. 1.Station, centrum, Vlinderbuurt, Sportstad, middenzone Skoatterwâld Waarden vanuit: samenwerkingsagenda (de kern!), cultuurhistorie (centrum!), stedenbouwkundige structuur, dynamiek, identiteit (!). Ontwikkelingsgebieden (deels). Welstandsniveau: 1 Karakteristiek Bebouwing is hier in belangrijke mate bepalend omdat dit de over het algemeen gebieden met een stedelijk karakter betreft. Deze bebouwing is deels karakteristiek vanuit de historie en het relatief kleinschalige karakter, en deels vanuit de dynamische ontwikkeling in een grote schaal van de laatste decennia. Het gebied vormt het hart van de plaats Heerenveen. Hierbinnen valt niet alleen de belangrijke historische structuur en bebouwing, maar ook de meest dynamische ontwikkelingen die zich momenteel afspelen. Daarom niveau 1. Dit gebied is onderverdeeld in 5 deelgebieden op basis van de onderscheiden karakteristiek en dynamiek. 1a. Stationsomgeving Karakteristiek De oostkant van het stationsgebied is modern van karakter met grootschalige bebouwing en forse open ruimte, waarbij de recent gebouwde woontoren het accent vormt. Het gebied kent een mix van kantoor- en woonfuncties. Aan de rand van de westkant, rondom het stationsparkeerterrein, staat nog enkele kleinschalige woonbebouwing. In de openbare ruimte van het gehele gebied, is de verkeersfunctie overheersend. Beleidsintentie Met het oog op de publieke ligging van de stationsomgeving, dient de bebouwing een representatief karakter te hebben. Streven is de kwalitatieve beleving van het gebied te versterken, waarbij de samenhang tussen de gebouwen van wezenlijk belang is. Dit impliceert sterke hoofdlijnen en een afgewogen detaillering, die de grote lijnen van het ontwerp ondersteunt. Welstandscriteria stationsomgeving Algemeen: De bebouwing vormt een sterk samenhangend geheel en heeft een representatieve uitstraling De architectuur toont zich eigentijds / modern en helder in de bestaande omgeving Plaatsing: De (vaak grotere schaal) bebouwing is op zorgvuldige wijze in de bestaande stedenbouwkundige structuur gesitueerd, waarbij kwaliteiten en structuur van de directe omgeving worden gerespecteerd Hoofdvorm: De bebouwing presenteert zich als een duidelijk zelfstandig volume (of als een bebouwingscluster) Er is sprake van een evenwichtige en heldere massaopbouw Eventuele aanbouwen en vrijstaande bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume Aanzichten: De aansluiting op het maaiveld is helder en zorgvuldig vormgegeven De bebouwing heeft een open karakter, zonder gesloten zijden in zicht vanaf het openbare gebied Opmaak: Gebruikte materialen zijn kwalitatief hoogwaardig Gevelkleur is sprekend, waarbij een hele felle of overwegend gedekte /donkere uitstraling wordt vermeden (middentoon) Het geheel is helder en zorgvuldig gedetailleerd 1b. Centrum Karakteristiek In het centrum ligt de historisch kern van Heerenveen. In het straatbeeld aan Achter de Kerk is de grens tussen de voormalige grietenijen zichtbaar gemaakt. In het Amelius van Oenemapark is de fundering van de voormalige kruiskerk, het hart van de historische bebouwingskern, zichtbaar gemaakt in het park. Van hieruit heeft Heerenveen zich in de loop der eeuwen ontwikkeld. De historische ontwikkeling is nog steeds goed afleesbaar door de verschillende structuren en kenmerkende karakteristieken. De opbouw van het centrum bestaat uit verschillende ruimtelijke structuren en elementen van verschillende schaal. Enerzijds zijn er de historische lange lijnen van bijvoorbeeld De Dracht en de Lindegracht. Hier overheerst de kleine schaal van afzonderlijke panden met een beperkte korrelmaat in één tot twee lagen met kap. De bebouwing heeft voornamelijk centrumfuncties, het wonen is hier inmiddels ondergeschikt. Anderzijds zijn er de nieuwere elementen zoals de meer grootschalige bouwblokken uit het einde van de twintigste eeuw langs o.a. de Sieversstraat, aan het Burg. Kuperusplein. Tot slot een aantal cultuurhistorisch waardevolle solitaire bouwvolumes zoals de R.K. Kerk, Oenemastate en Crackstate (gemeentehuis). Beleidsintentie Het centrum van Heerenveen is het meest publieke en representatieve gebied van de gemeente. Het beleid is gericht op behoud en versterken van de bestaande ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorische waarde binnen de verschillende karakteristieken die in het centrum te vinden zijn. Van belang is het versterken van de representativiteit van het centrum. 1b-1. Centrum kernwinkelgebied en historische dragers Fok, Crakstraat, Achter de kerk, Paul Krugerkade, Oude Koemarkt, Vleesmarkt, Lindegracht, Breedpad, Van Harenspad, Gemeenteplein, Gedempte Molenwijk/De Fortuin, Dracht, Sieversstraat, Minckelersstraat, Pleinweg Karakteristiek De karakteristiek van de bebouwing is van oorsprong geparcelleerd en kent een verticale ritmiek waarbij onder en bovenbouw in samenhang zijn. Daarnaast is in dit historisch gebied de bebouwing sterk geconcentreerd in bouwblokken, waardoor de bebouwingskenmerken karakteristieke straatwanden opleveren. De historische straatwanden bestaan voornamelijk uit pandsgewijze en aaneengesloten bebouwing van bescheiden korrelgrootte. De rooilijn direct aan de openbare weg, vaak met de nok hier loodrecht op. Voornaamste bouwperiode van de historische bebouwing is de negentiende en eerste helft twintigste eeuw. De bebouwing bestaat over het algemeen uit één of twee lagen met kap en is opgetrokken uit traditionele bouwmaterialen (baksteen, houten kozijnen, keramische dakpannen). Ook de gevelindeling en compositie van de gebouwen is overwegend traditioneel, met verticale gevelopeningen. Vanwege de centrumfuncties is in de loop der jaren, met name de onderste bouwlaag, veel gewijzigd aan de oorspronkelijke gevelindeling. Grote puien en entrees op de begane grond, sieren met name in het winkel- en uitgaansgebied, het straatbeeld. Aan het eind van de twintigste eeuw is aan de oostzijde van, een parallel aan de Dracht, een nieuwe winkelstraat ontwikkeld. De bebouwing aan deze straat, de Sieversstraat en de tussenstraten, de Minckelerstraat en de Pleinweg, kenmerkt zich door een veel grotere korrelmaat, veelal hoger qua bouwvolume (4 lagen) en meestal plat afgedekt. De architectuur is minder sprekend dan de historische bebouwing, en door arcades en dichte gevelvlakken laat, met name in dit deel van het kernwinkelgebied, de interactie tussen winkelfunctie en de openbare ruimte, te wensen over. De grote historische waardevolle bebouwing, Crackstate, de R.K. Kerk en Oenemastate, staan als solitaire bouwvolumes aan pleinachtige ruimten. Ze grenzen vaak alzijdig aan het openbare gebied en zijn markant en beeldbepalend voor het centrum in zijn geheel. Beleidsintentie Het beleid is gericht op het behoud van de cultuurhistorische waardevolle karakteristiek van de bouwvolumes, gevels, gevel(wanden)en pleinruimten, en het versterken van de interactie van de functie op begane grond met het openbaar gebied. Met name op de hoek Gemeenteplein/Sieversstraat, Van Harenspad, Sieversstraat, hoek Minckelersstraat/Sieversstraat en de Pleinweg (noordzijde), wordt gestreefd naar een duidelijke versterking van de representativiteit en interactie op de begane grond met het openbaar gebied. Gezien het beeldbepalende karakter van de grote solitaire bebouwing moeten ze bij wijzigingen, naast aan de cultuurhistorische waarde, altijd beoordeeld worden in samenhang met de (pleinachtige) openbare ruimte waar het aan is gesitueerd. 1b-2. Centrumstegen Kerkstraat (oostelijk deel), Rodenburgsteeg, Schoolsteeg, Vermaningsteeg, Munnikstraat, Koekoekstraat, Molenstraat, Servetsteeg, Romkesteeg, Van Riesenstraat Karakteristiek De stegen versterken het fijnmazige openbare ruimte netwerk van het centrum. Door de eigen, ingetogen karakteristiek en het smalle profiel vormen ze een toegevoegde waarde als variatie in de openbare ruimte van het centrum. Het zijn korte verbindingsroutes door de bouwblokken, tussen doorgaande straten. Met uitzondering van de Vermaningsteeg en de Kerkstraat (oostelijk deel), zijn het voornamelijk zijgevels van de bebouwing die de gevelwanden van de stegen vormen. Beleidsintentie Behoud van de karakteristiek van de kleinschalige stegen ten opzichte van de doorlopende straten is wenselijk. Bij de stegen staat het versterken van representativiteit en interactie met de openbare ruimte voorop. Aantrekkelijkheid van de uitstraling in deze stegen zal de functie van verbindingsroute versterken. Slechts een aantal stegen zijn zo smal en/of afgesloten dat ze geen functie hebben als verbindingsroute. 1b-3. Centrumranden en entree -pleinen K.R. Poststraat, Geerts Wiligenplein, Nieuwstraat, Ernst van Harenplein, Van Kleffenslaan, Gashoudersplein, Burg. Kuperusplein. Koornbeursweg Karakteristiek Over het algemeen hebben de randen en entree -pleinen een grotere schaal bebouwing uit het einde van de twintigste eeuw. Dit sluit vaak aan bij de maat van de openbare ruimte waar het aan gelegen is. Uitzondering hierop is de bebouwing aan de noordzijde van de Van Kleffenslaan en zuidzijde van de Nieuwstraat, waar de centrumrand het historisch lint van de Lindegracht kruist. Kenmerkend is dat de begane grondgevels aan de entree – pleinen vaak een niet erg representatieve uitstraling hebben naar het openbaar gebied. Soms zijn het zelfs volledig gesloten gevels, of liggen ze verscholen achter arcades. Het komt ook voor dat er minder op het winkelend publiek gerichte functies in zitten. Uitzondering hierop is de historische bebouwing van Museum Willem van Haren aan het Ernst van Harenplein. Beleidsintentie Met het oog op de publieke ligging van deze entrees van het centrum, dient de bebouwing een representatief karakter te hebben. Streven is de stedelijke beleving van de entrees te versterken, waarbij de samenhang tussen de gebouwen en de openbare ruimte en een kwalitatieve uitstraling op de begane grond, van wezenlijk belang is. Dit impliceert sterke hoofdlijnen en een afgewogen detaillering, die de grote lijnen van het ontwerp ondersteunt. Met name aan de zuidzijde van het Geerts Willigenplein, in aansluiting op de Schoolsteeg, is versterking van de uitstraling van de begane grond in relatie met de openbare ruimte, ook overhoeks, gewenst. Welstandscriteria centrum Algemeen: nieuw- en verbouw in het centrum moet een positieve bijdrage leveren aan de kwaliteit en beleving van het centrum Plaatsing: bebouwing staat in de rooilijn van de straatwand bebouwing is op de openbare ruimte georiënteerd (aan alle zijde waar het grenst aan de openbare ruimte) Hoofdvorm: korrelmaat van de bebouwing is passend bij de directe omgeving waar het is gesitueerd (wisselend per straat) hoogte is afgestemd op de hoogte van de directe omgeving waar het is gesitueerd (wisselend per straat) in de historische straten bestaan gebouwen uit één of twee bouwlagen en bescheiden korrelgrootte (beukmaat) met kap (schilddak, zadeldak, mansardedak, afgeknotte ringkap) de individuele bebouwing heeft een enkelvoudige massaopbouw. aan- en vrijstaande bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume Opmaak: gebouwen in de historische straten zijn opgetrokken in baksteen kappen van de hoofdgebouwen zijn gedekt met dakpannen in de historische straten wordt gebruik gemaakt van gedekte kleuren (aardkleuren: rood en bruinachtige tinten) voor de steen en zwart of oranje-rood voor de dakpan in de historische straten is als uitzondering ook gevelpleisterwerk en een zinken dak mogelijk, mits het algemene karakter van de straat niet wordt aangetast. (bemonstering noodzakelijk) de begane grond verdieping kan ten behoeve van de centrumfunctie ook met andere kwalitatief hoogwaardige materialen worden ingevuld. (bijvoorbeeld aluminium pui met hardstenen omkadering) in overige straten is ook lichtere kleurstelling en ander materiaal mogelijk, mits met een representatieve uitstraling in kleur-/materiaalgebruik en een verfijning passend bij de omgeving, waarbij een hele felle of overwegend gedekte /donkere uitstraling wordt vermeden Aanzichten: de geleding en compositie van de panden is wisselend, waarbij de individuele expressie per pand voorop staat de bebouwing heeft een open karakter, zonder gesloten zijden grenzend aan het openbare gebied de gevelindeling en compositie is overwegend traditioneel, met verticale gevelopeningen de begane grond kan ten behoeve van de centrumfuncties een afwijkende compositie hebben; mits het totale gevelvlak voldoende verticaal gericht is, zodanig dat de gevel in compositie ‘op de grond’ staat. (bijvoorbeeld door voldoende maat, en doorlopende penanten aan de zijkanten) de aansluiting op het maaiveld rondom is helder en zorgvuldig vormgegeven; middels verfijnde detaillering heeft de gevel een zekere beleefbare plastiek (geen volledig vlakke gevels) passend in de omgeving de bebouwing heeft een zorgvuldig /kwalitatief detailniveau passend bij de directe omgeving. 1c. Vlinderbuurt Karakteristiek De Vlinderbuurt ligt ingeklemd tussen het historische kleinschalige (winkel) centrum en het dynamische Sportstad, met een voor Heerenveen grote schaal. De woonwijk dateert uit eind jaren vijftig, met bijpassende architectuur. Het bestaat voornamelijk uit een reeks van gelijksoortige flats, vrij gesitueerd in de groene openbare ruimte. De bouwhoogte van de flats is 2 tot 4 lagen. Aan de noordkant van de Vlinderbuurt, aan de Thorbeckestraat bevinden zich als overgang naar het historische lint, ook kleinschalige enkele en dubbele woonhuizen van één a twee lagen met kap. In de laatste decennia is in dit gebied een aantal nieuwe (autonome) bebouwingselementen verschenen, zoals het 5 a 6 lagen hoge woongebouw en het politiegebouw. Naar verwachting zal in de toekomst dit ‘tussengebied’ (tussen centrum en sportstad) een transformatie ondergaan waarbij het, fysiek en functioneel, meer een verbindende rol gaat vormend tussen het centrum en Sportstad. Het gebied moet hierbij een eigen karakter krijgen waarbij het bestaande groene karakter wordt versterkt en meer publieke verblijfskwaliteit krijgt. Beleidsintentie Met het oog op de publieke ligging tussen het centrum en Sportstad, dient de bebouwing een representatief karakter te hebben. Streven is de stedelijk beleving van dit verbindende gebied te versterken. Hierbij krijgt het gebied eigen karakter met een groene campusachtige ruimte, waarbij aantrekkelijke gebouwen met een stevige maat in of aan het groen staan. Dit impliceert sterke hoofdlijnen en een afgewogen detaillering, die de grote lijnen van het ontwerp ondersteunt. Welstandscriteria vlinderbuurt Algemeen: het uiterlijke en uitstraling van het bouwwerk moet een positieve bijdrage leveren aan de gewenste transitie van het gebied als verbindingsschakel Plaatsing: oriëntatie naar alle zijden grenzend aan de openbare ruimte Hoofdvorm: er is sprake van een evenwichtige en heldere massaopbouw Opmaak: nieuwbouw heeft een hoogwaardige uitstraling in kleur-/materiaalgebruik en detailniveau gebruikte materialen zijn kwalitatief hoogwaardig gevelkleur is sprekend, waarbij een hele felle of overwegend gedekte /donkere uitstraling wordt vermeden (middentoon) het geheel is helder en zorgvuldig gedetailleerd Aanzichten: de aansluiting op het maaiveld rondom is helder en zorgvuldig vormgegeven de bebouwing heeft een open karakter, zonder gesloten zijden in zicht vanaf het openbare gebied 1d. Sportstad Karakteristiek Dit dynamisch gebied is pas in de 21ste eeuw ontwikkeld. Het Sportstadgebied vormt met zijn bovenregionale functies en grootschalige bebouwing een contrast met het centrum. Het ligt in de zichtzone van de snelweg A32 en is momenteel nog steeds in ontwikkeling. De centraal gelegen Abe Lenstra Boulevard vormt de ruimtelijke drager van het gebied. Aan westkant bevindt zich een bebouwingswand van 4 a 5 lagen met voornamelijk kantoorfuncties. Kenmerkend voor deze bebouwing is de horizontale geleding en de samenhang van de gebouwen onderling. In het hart van het gebied, grenzend aan de A32 zijn in de afgelopen jaren drie hoge bebouwingselementen verrezen, de ‘drie tenoren’. Ze hebben alle drie duidelijk een eigen karakter, maar vormen, zeker door de verbinding op de onderste lagen, samen een bebouwingscluster. Het Abe Lenstra voetbalstadion vormt samen met de aangebouwde sport accommodaties en de school, een ander grootschalig bebouwingscluster. De meeste gebouwen van recente datum zijn opgebouwd uit kwalitatief hoogwaardige materialen, zoals baksteen, zink, aluminium puien en plat afgedekt. In het noordelijk deel van het gebied, tussen De Opslach en de Stadionweg, liggen nog een aantal oudere bedrijfsgebouwen. Mogelijk zal ook dit deel in de komende jaren een transitie ondergaan om daarmee onderdeel te worden van het gehele kwalitatief hoogwaardige sportstadgebied. Beleidsintentie Met het oog op de publieke ligging van het stadion omgeving, dient de bebouwing een representatief karakter te hebben. Streven is de kwalitatieve beleving van dit dynamische gebied in de zichtzone van de A32 te versterken, waarbij de samenhang tussen de gebouwen van wezenlijk belang is. Dit impliceert sterke hoofdlijnen en een afgewogen detaillering, die de grote lijnen van het ontwerp ondersteunt. De aansluiting op het maaiveld wordt op een heldere en zorgvuldige wijze vormgegeven. Welstandscriteria sportstad Algemeen: Nieuwe grote ontwikkelingen in het sportstadgebied worden via de methodiek van de ‘ontwikkelingsgebieden’ (hoofdstuk 7) gestuurd op beeldkwaliteit De drie hoge kantoorvolumes gesitueerd in de kruising van de Atalantastraat en de A32, en het stadion samen met de overige sport accommodaties en de schoolbebouwing worden als eigenstandige grootschalige bebouwingsclusters gezien. Wijzigingen aan bouwdelen binnen deze bebouwingsclusters worden altijd beschouwd in de context van het gehele bebouwingscluster. Hierbij wordt aan de hand van de algemene welstandscriteria in relatie met de beleidsintentie van dit gebied op beeldkwaliteit gestuurd Wijzigingen aan overige bebouwing in het gebied worden ook aan de hand van de algemene welstandscriteria samen met de oorspronkelijke opzet, in relatie tot de beleidsintentie van dit gebied beoordeeld Welstandscriteria bebouwing aan de westzijde van/grenzend aan de Abe Lenstra Boulevard Plaatsing en hoofdvorm: Gebouwen of gebouwdelen zijn minimaal 10 meter, maximaal 35 meter lang, op de hoeken minimaal 25 meter, maximaal 45 meter De gebouwdelen hebben een plint van 4,40 meter hoogte en een (kolomloze) overstek van 1 meter over deze plint richting Sportboulevard. Ook ter plaatse van de Atalantastraat en de Jan Mankeslaan hebben de koppen van de gebouwdelen een overstek van 1 meter over de plint. Hiermee wordt het continue den dominante karakter van de wand van de Abe Lenstra Boulevard t.o.v. andere wanden duidelijk De koppen van de gebouwdelen hebben een maximum diepte van 20 meter. De hoogte van de gebouwdelen zijn minimaal 11,5 meter en maximaal 18,5 meter. De gebouwdelen grenzend aan de Atalantastraat zijn 18 tot 22 meter hoog Installaties zijn altijd onderdeel van het hoofdvolume dat altijd aan de Abe Lenstra Boulevard grenst; terugspringende volumes zijn niet toegestaan. Gebouwde of niet gebouwde tussenzone tussen gebouwdelen is bij voorkeur 10 meter breed en minimaal 7 meter. Een gebouwde tussenzone ligt net als de plint 1 meter terug t.o.v. het hoofdvolume en is ondergeschikt aan het hoofdvolume Dezelfde regels gelden voor de ‘achterkant’(westzijde) van de gebouwen. Echter en overste over de plint van 1 meter is hier niet verplicht. Wel ligt ook hier een gebouwde tussenzone 1 meter terug t.o.v. het hoofdvolume en is ondergeschikt aan het hoofdvolume Opmaak en aanzichten: De hoofdentree is aan de zijde van de Abe Lenstra Boulevard De plint van de gebouwdelen aan de boulevard is 4,40 meter hoog en is 90% van glas. Dit glas is zoveel als mogelijk transparant. Niet transparant glas is ‘melkglas’ of gematteerd, in elk geval kleurloos De glazen pui van de plint aan de zijde van de boulevard is glad: kozijnen worden vermeden De eventuele gebouwde tussenzone is net als de plint van glas en glad van karakter De ‘kleur’ van het materiaal zijn wit- of grijstinten. Alleen incidenteel mag terughoudend kleurgebruik toegepast worden ( natuurlijke gedekte tinten, geen felle kleuren). De hoofdtoon dient wit- en grijstinten te zijn. Voorbeelden van materialen met een natuurlijke (grijs/wit) tint zijn vergrijzend houd, wit matglas, metalen gevelbekleding, keramische tegel. Het gebruik van trespa, masonite of soortgelijke onnatuurlijke materialen die lelijk verweren wordt niet toegestaan Welstandscriteria bebouwing tussen de bebouwingswand aan de boulevard en het bestaande stedelijk weefsel Plaatsing, hoofdvorm, opmaak en aanzichten: de hoogte is 11-13 meter met een eventueel 1-laagse toevoeging die aan de singelzijde 2 meter terugligt. Dit betekent dat voor woningbouw 4 lagen met opbouw mogelijk is en voor kantoorbouw 3 lagen met opbouw ter plaatse van de Atalantastraat en de Tusken de fjilden zij de gebouwen hoger: 14,50 tot 16 meter hoog. De gebouwen in deze zone zijn voornamelijk uitgevoerd in een donkerbruine baksteen de donkerbruine baksteen loopt door tot het maaiveld. De begane grond is transparanter (minimaal 50% glas) dan de overige verdiepingen De eventuele opbouw is duidelijk onderdeel van het gebouw. Installaties worden in het ontwerp meegenomen aandacht is vereist voor de eventuele overgang met de bebouwingswand aan de boulevard indien deze aan elkaar worden gekoppeld bij de hoeken Aanbeveling terreininrichting t.a.v. parkeren: parkeren half verdiep aanbrengen en overkappen met een groen landschap of houden dek parkeren uit het beeld halen door een begroeide wal aan de zijde van de singel te maken die een voortzetting is van het landschap van de singel 1e. Middenzone Skoatterwâld Karakteristiek De middenzone van Skoatterwâld vormt het hart van deze woonwijk in ontwikkeling, aan de oostkant van de A32. De ontwikkeling van deze wijk is rond de eeuwwisseling begonnen. Voor een groot deel is de middenzone nog een ontwikkelingsgebied. Samen met het reeds gerealiseerde voorzieningeneiland (met o.a. MFA), vormt de hele middenzone van Skoatterwâld de verbindende schakel tussen het dynamisch en publieke deel van de plaats Heerenveen (centrum en sportstad), en de bijzondere kwaliteiten van het historische waardevolle Het Oranjewoud en het museum Belvédère. De bestaande bebouwing op het voorzieningeneiland heeft een grotere schaal met een sterke samenhang tussen de gebouwen. De architectuur is eigentijds, waarbij de gebouwen met kwalitatief hoogwaardige materialen en detaillering zijn uitgewerkt. Beleidsintentie Met het oog op de publieke ligging tussen Sportstad en Het Oranjewoud, dient de bebouwing een representatief karakter te hebben. Streven is de stedelijk beleving van dit verbindende gebied te versterken. Dit impliceert sterke hoofdlijnen en een afgewogen detaillering, die de grote lijnen van het ontwerp ondersteunt. Welstandscriteria middenzone Skoatterwâld Algemeen: het uiterlijke en uitstraling van het bouwwerk moet een positieve bijdrage leveren aan de gewenste kwaliteit van het gebied als verbindingsschakel de bebouwing vormt een sterk samenhangend geheel en heeft een heldere eenduidige uitstraling de architectuur toont zich eigentijds / modern en helder in de bestaande omgeving nieuwbouw heeft een hoogwaardige uitstraling in kleur-/materiaalgebruik en detailniveau dan de bestaande omgeving Plaatsing de bebouwing is op zorgvuldige wijze in het bestaande stedenbouwkundig netwerk gesitueerd, waarbij kwaliteiten en structuur van de directe omgeving worden gerespecteerd Hoofdvorm de bebouwing presenteert zich als een duidelijk zelfstandig volume (of als een bebouwingscluster) er is sprake van een evenwichtige en heldere massaopbouw aanbouwen en vrijstaande bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume Aanzichten: de aansluiting op het maaiveld rondom is zorgvuldig vormgegeven de bebouwing heeft een open karakter, zonder gesloten zijden in zicht vanaf het openbare gebied Opmaak: nieuwbouw heeft een representatieve uitstraling in kleur-/materiaalgebruik gebruikte materialen zijn kwalitatief hoogwaardig kleur- en materiaalgebruik sluit in principe aan op de reeds gerealiseerde bebouwing op het voorzieningeneiland (omgeving MFA); een groot deel van de hoofdmassa (gevels) bestaat uit een vergelijkbare baksteen het geheel is helder en zorgvuldig gedetailleerd. 2.De beschermde stads-en dorpsgezichten 2a. Beschermd dorpsgezicht Aldeboarn Waarden vanuit: Cultuurhistorie. Identiteit. Waterrecreatie en turfroute. Welstandsniveau: 1 Karakteristiek De historische kern van Aldeboarn is door het rijk aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Daarom niveau 1. Het is een beschermd dorpsgezicht omdat de huidige ruimtelijke structuur en de schaal en detaillering van bebouwing en openbare ruimte in sterke mate refereert aan de ontstaansgeschiedenis van het dorp. Aldeboarn is als agrarische nederzetting ontstaan op een terp ten zuiden van de Boarne. Het dorp ontwikkelt zich als overslagpunt aan de Boarne en groeit rond 1200 uit tot een handels-en bestuurscentrum. De bebouwing gaat zich op de rivier richten en naast de terpbebouwing ontstaat op de zuidelijke en de noordelijke rivieroever een waterfront. Nadien heeft de ruimtelijke structuur zich gedeeltelijk verder ontwikkeld, maar hier zijn geen wezenlijke veranderingen meer in opgetreden. De kenmerkende ruimtelijke opbouw van de riviernederzetting in samenhang met de oudere terpbebouwing geeft een herkenbaar beeld van de historisch-ruimtelijke ontwikkeling van Aldeboarn. Het merendeel van de bebouwing is bepalend voor de structuur, terwijl een groot deel bovendien architectonisch bepalend is. De in de loop van de tijd gegroeide structuur wordt gekenmerkt door: de historisch intacte waterloop van de Boarne (onderdeel van de Turfroute), de gesloten bebouwingswanden van Tsjerkebuorren, Andringastrjitte en de pleinvormige ruimte van het Doelhof met als bijzondere bebouwingselementen de kerk en Andringastate met bijbehorend kerkhof en tuin de op het water georiënteerde gesloten bebouwingswanden van Westein, Weaze en Eastein in hun traditionele bochtige verloop de eveneens op het water georiënteerde bebouwing ten zuiden van de Boarn in een overwegend gesloten, maar plaatselijk onderbroken en verspringende bebouwingswand een loodrecht op de ontsluiting staande verkaveling bij Westein, Weaze, Eastein, Achterom, Brittenburg, Andringastrjitte en Tsjerkebuorren de stegen tussen de Boarn en de Andringastrjitte/- Tsjerkebuorren met een smal, veelal door bebouwing begeleid profiel; en de drie bruggen over de Boarn in hun historische situering de belangrijke ondersteuning van de structuur van water, wegen, paden en bebouwing door beplanting langs de Boarne, rond het kerkhof, langs de Skoallereed en het Lycklama’s Leantsje Een aantal panden binnen het beschermde dorpsgezicht heeft de status van rijksmonument. Bebouwingsbeeld Het bebouwingsbeeld bestaat in hoofdlijnen uit bebouwing in 1 of 2 bouwlagen met steile kap. Aan beide zijden van de Boarne wordt de bebouwing naar de westelijke en oostelijke richting kleinschaliger. De bebouwing in het gebied tussen de twee voetgangersbruggen is qua maat en schaal groter. De bebouwing aan de noordoever van de Boarne bestaat hoofdzakelijk uit 1 bouwlaag met kap, brede gootlijsten en kleine verschillen in goothoogte. Plaatselijk komen ook gebouwen voor in 2 bouwlagen met kap en/of topgevels. De bebouwing aan de Andringastrjitte en Tsjerkebourren is overwegend kleinschalig en bestaat uit 1 bouwlaag met topgevels onder zadeldak of lijstgevels onder een schildkap. Op diverse plaatsen komen daarbij traditionele houten dakkapellen voor. Aan de zuidzijde van de Tsjerkebuorren staan de kerk en Andringa State als bijzondere, grootschaliger elementen op grote terreinen. Traditioneel zijn de gevels verticaal geleed. Op sommige plaatsen, veelal bij bijzondere functies, is hiervan afgeweken. De gevels zijn opgetrokken in baksteen en de daken met pannen gedekt, terwijl de gootlijsten, deuren, kozijnen en dergelijke in hout zijn uitgevoerd. Een uitgebreide beschrijving van het beschermd dorpsgezicht Aldeboarn staat in de toelichting bij het aanwijzingsbesluit, te bereiken via Bijlage 4 Beschermd dorpsgezicht Aldeboarn. Beleidsintentie Het ruimtelijk beleid voor het beschermd dorpsgezicht is geregeld in het bestemmingsplan Aldeboarn 2010. In dit bestemmingsplan is het beleid binnen het beschermde dorpsgezicht gericht op: handhaving en versterking van de historische bebouwingsstructuur handhaving van de structurele en architectonische waarden van de afzonderlijke bebouwingselementen en waar nodig streven naar harmonie van bouwvorm en detaillering met het historische bebouwingsbeeld nastreven van een ondergeschikte rol van bijgebouwen in het bebouwingsbeeld en voor zover zij in het zicht zijn gelegen van een passende bouwvorm en detaillering Welstandscriteria beschermd dorpsgezicht Aldeboarn In het bestemmingsplan Aldeboarn 2010 zijn de te beschermen waarden geregeld. Dit betreft met name de regeling ten aanzien van de plaats, hoofdvorm, aanzichten, materiaaltoepassing en kleurgebruik, zaken die derhalve niet meer in deze welstandsnota behoeven te worden herhaald. Een aantal zaken is in het bestemmingsplannen niet volledig geregeld. Het gaat hier met name om de kleur van de gevels, de gevelindeling, erfafscheidingen etc. Voor deze onderwerpen gelden de volgende aanvullende welstandscriteria. Algemeen: Er is sprake van een cultuurhistorisch gezien waardevolle dorpskern waarvan de stedenbouwkundige structuur is vastgelegd in het bestemmingsplan. Op dit punt zijn geen aanvullende welstandscriteria geformuleerd. Plaatsing: De plaatsing van gebouwen is historisch bepaald en is exact vastgelegd in het bestemmingsplan. Op dit punt zijn geen aanvullende welstandscriteria geformuleerd. Hoofdvorm: er is een afwisseling van nokrichtingen haaks op en evenwijdig aan de straat, overeenkomstig de historisch gegroeide situatie. bijgebouwen zijn ondergeschikt in het bebouwingsbeeld en als ze in het zicht zijn gelegen hebben ze een bouwvorm die past in het historische bebouwingsbeeld Aanzichten: de bebouwing is gericht op de straat en het water de gevelindeling zorgt voor een verticale gerichtheid van de gevel. bij lijstgevels is er een herkenbaar onderscheid tussen onderbouw (gevel) en dakschild; bij topgevels een herkenbaar onderscheid tussen het onderste deel en de “top”. Opmaak: de gevels zijn overwegend van steenachtig gebakken materiaal te weten geelachtige of roodachtige baksteen, de daken gedekt met gebakken pannen, en kozijnen en ramen zijn meestal van hout; kunststofmaterialen zoals trespa-platen en dakpanplaten komen zeer nadrukkelijk niet voor; kozijnen en ramen zijn overwegend geschilderd in traditionele kleuren wit en standgroen; de oude gevels (metselwerk) zijn als regel niet geschilderd. details en ornamenten zijn veelal bepalend voor het ruimtelijk beeld. er is veel aandacht besteed aan de vormgeving van: dak- en gootlijsten dakkapellen toegangspartijen bijgebouwen die in het zicht zijn gelegen hebben een detaillering, die past in het historische bebouwingsbeeld Walbeschoeiingen en kades: leveren met elkaar een samenhangend beeld zijn opgebouwd uit duurzame materialen zijn afgestemd op de historische structuur Erfafscheidingen: Zie hoofdstuk 4.9. In aanvulling hierop wordt benadrukt dat de erfafscheidingen tussen zij- en achtererven en openbaar gebied in het algemeen zijn uitgevoerd als groene en zachte (=niet harde) elementen. 2b. Beschermd gezicht Het Oranjewoud Waarden vanuit: Samenwerkingsagenda. Cultuurhistorie. Dynamiek. De identiteit van Heerenveen. Groenstructuur. Welstandsniveau: 1 Karakteristiek Op 29 juni 2012 is dit gebied van rijkswege aangewezen als Beschermd dorpsgezicht. Daarom niveau 1. Het gebied Het Oranjewoud heeft een herkenbare landschappelijke structuur. De kern van het gebied wordt gevormd door de landgoederen Oranjewoud en Oranjestein en de bijbehorende tuinen. Ten westen en ten oosten van dit kerngebied is er sprake van afwisseling tussen open (weide) en gesloten (bos) gebieden, die het karakter in belangrijke mate bepaalt. De bebouwing in het gebied is verdeeld in verschillende typen. In de eerste plaats zijn er de buitenhuizen Oranjewoud, Oranjestein en Klein Jagtlust. Deze huizen zijn zeer bepalend voor het karakter van het gebied. Dit geldt ook voor het gebouw van de Julia Jan Woutersstichting en het Prinsenhof. Al deze grote huizen, uitgezonderd het Prinsenhof, bestaan uit twee verdiepingen met een kap en nemen wat betreft schaal en architectuur een aparte plaats in. Bij de buitenhuizen hoort meestal ook een aantal dienstwoningen en bijgebouwen, die in stijl en kleur zijn aangepast aan het hoofdgebouw. Het tweede type bebouwing wordt gevormd door de boerderijen. Deze, deels ingrijpend verbouwde, boerderijen zijn van belang voor de structuur van het gebied. De boerderijen Stirumhoeve, Donglust en Oranjehoeve liggen op prominente, solitaire, plaatsen in het gebied. In de bebouwingsconcentraties langs de Prins Bernhardweg en de Marijkemuoiwei is ook een aantal boerderijen opgenomen. De meeste boerderijen zijn stelpen. De volgende categorie zijn de woonhuizen. Concentraties van woonhuizen zijn er op twee plaatsen, langs de Prins Bernardweg en de Krukmanslaan en langs de Marijkemuoiwei. Voor beide plaatsen geldt dat de doorzichten naar achter de bebouwing gelegen open gebieden van groot belang zijn. Een deel van de woonhuizen is gebouwd als dienstwoning. Deze woningen staan voor een deel op het terrein van de buitenplaats waar ze bij horen, maar ook in de concentraties langs de lanen zijn dienstwoningen te vinden. Ze bestaan over het algemeen uit één verdieping met zadeldak. De overige woonbebouwing bestaat uit een verzameling van verschillende stijlen, uit de periode vanaf ongeveer 1900 tot ongeveer 1940, met ook een aantal woningen van recenter datum. De overige bebouwing vormt een aparte categorie: de tuinhuisjes en uitkijktoren Belvédère. Het huidige hotel Tjaarda speelt een belangrijke rol in de structuur van het gebied, door zijn ligging op het knooppunt van vijf wegen. Van belang is dat de noordelijke bebouwing grenst aan een bufferzone ten opzichte van de nieuwbouwwijk Skoatterwâld en dat de overgang naar het gebied ten noorden van de zandrug herkenbaar blijft. Over het algemeen is het contrast tussen visueel open en gesloten gebied van groot belang in Het Oranjewoud. Op de waarderingskaart zijn globaal een aantal zichtlijnen, de bijzondere bebouwing, de bosgebieden en de parkaanleg, de open ruimten en weilanden aangegeven. De onderlinge samenhang van dit soort elementen is bepalend voor het ruimtelijk karakter van het beschermde dorpsgezicht. Bebouwingsbeeld Kenmerkend zijn de onregelmatige bebouwde linten met bebouwingsclusters van woonhuizen en boerderijen langs de Prins Bernhardwerg, Marijkemuoi-weg en de Krukmanslaan. De bebouwing concentreert zich bij de eerste twee aan de noordzijde van het lint, bij de laatste aan de westzijde. De linten worden onderbroken door omvangrijke kavels met de landhuizen. De woonhuizen en boerderijen hebben een rooilijn kort en evenwijdig aan de weg, staan met de bebouwing op de kop van de kavel en overwegend met de noklijn dwars op de straat. De bebouwingstypologie van het buitenhuis is opgebouwd uit overwegend twee verdiepingen met een kap. De korrelgrootte is fors. Daarnaast heeft het gebied een sterk agrarische karakter. Boerderijen liggen zowel op prominente plekken in het gebied als ook langs de bebouwingslinten (Prins Bernhardweg en Marijkemuoi-weg) Woonhuizen staan op het terrein van de buitenplaats waar ze bij horen en in de linten. Ze bestaan in het algemeen uit één verdieping met kap (schilddak) en zijn opgetrokken met traditionele bouwmaterialen (baksteen, houten kozijnen, keramische dakpannen). Ook de gevelindeling en compositie van de gebouwen is overwegend traditioneel, met verticale gevelopeningen. De wegen in het gebied zijn eenvoudig van profiel (veelal onverhard) en worden begrensd door groene bermen met een dicht laan -beplanting. De openbare ruimte is eenvoudig ingericht. Beleidsintentie Het Oranjewoud is één van de visitekaartjes van Heerenveen, waarin aandacht tot en met de details nodig is. Het behoud van cultuurhistorische waarde van dit landschappelijk gebied staat voorop. Hierbij zijn de kwaliteiten doorzichten naar het open landschap van wezenlijk belang. De bebouwing die van invloed is op de beleving van het gebied, mag geen onevenredige afbreuk doen aan de cultuurhistorische waarde van het beschermde gezicht. Welstandscriteria beschermd gezicht Het Oranjewoud Algemeen: het uiterlijk en de uitstraling van het bouwwerk mag geen afbreuk doen aan de context en de daarmee samenhangende cultuurhistorische waarde wijzigingen dienen te worden beoordeeld in nauwe samenhang met de oorspronkelijke opzet Plaatsing: vrijstaande bebouwing in voornamelijk open bebouwingsbeeld de richting van de gebouwen is wisselend (gerelateerd aan de weg of in de oorspronkelijke kavelrichting) Hoofdvorm: gebouwen bestaan uit 1 of 2 bouwlagen met kap; zadeldak of (afgeknot) schilddak villa’s en landhuizen hebben een samengestelde massa-opbouw woningen hebben een enkelvoudige massa-opbouw aanbouwen en vrijstaande bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume Aanzichten: bebouwing is gericht op de weg en of op het omringende parklandschap de geleding en compositie van de panden is wisselend, waarbij de individuele expressie per pand voorop staat aansluiten bij /behoud van de bestaande gevelplastiek en detaillering is het uitgangspunt Opmaak: gebruikte materialen zijn kwalitatief hoogwaardig gebouwen zijn in baksteen opgetrokken of voorzien van wit pleisterwerk daken van gebouwen zijn gedekt met dakpannen (evt. mat geglazuurd, niet glimmend) daken zijn incidenteel rietgedekt, passend bij bijzondere typologie en/of bijzondere plaatsing toegepaste kleuren zijn aardkleuren voor de steen en zwart of rood voor de pannen 3.Stedenbouwkundige hoofdlijnen; oude kernen en linten Waarden vanuit: Cultuurhistorie. Stedenbouwkundige hoofdstructuur. Dynamiek. De identiteit van Heerenveen. Welstandsniveau: 1 Karakteristiek oude kernen en linten algemeen Bebouwingstypologie en structuur in belangrijke mate bepalend. Van belang vanuit nota Cultuurhistorisch erfgoed, belangrijke identiteit van Heerenveen, vaak samenhangend met stedenbouwkundige / ontsluitingsstructuur van de hele gemeente. Kenmerk is individualiteit van de afzonderlijke panden en een bepaalde mate van openheid in de structuur, die in de dorpskernen verdicht. Veelal karakteristieke bebouwing, waarvan de architectonische details sterk mede bepalend zijn. Daarom niveau 1. 3a. Oude kern en linten Akkrum, Nes en Aldeboarn Karakteristiek De dorpskernen en lintbebouwing van Akkrum, Nes en Aldeboarn zijn de oudste bebouwingsstructuren in de gemeente. Oorspronkelijk ontstaan als agrarische terpnederzettingen in een gebied met veel overstromingen hebben de dorpen zich ontwikkeld als handelsnederzettingen langs de Boarne. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door de Boarne met het bochtige waterloop en de verwevenheid met de bebouwing. De van oudsher gemengde functies in de dorpskernen en de gestage ontwikkeling in de tijd komt tot uitdrukking in het bebouwingsbeeld. Er is een grote variatie aan veel individuele panden. Voor de beschrijving van het beschermde dorpsgezicht Aldeboarn zie welstandsgebied 5.2a. Het oudste gedeelte van Akkrum is de verhoogd gelegen Terptsjerke.Bijzonder zijn de groene oases in de bebouwing, Coopersburg en Welgelegen. Ook het landje achter Welgelegen draagt bij aan het bijzondere karakter van het dorp. Nes was vroeger een afzonderlijke kern. De oude kern bestaat uit een streekje individuele historische panden aan de Boarne. In de loop van de tijd zijn Akkrum en Nes aaneengegroeid. De bebouwing in de dorpskern van Akkrum en Aldeboarn is veelal verdicht tot gesloten en halfgesloten wanden en staat direct aan de stoep. Naar de randen en in de aansluitende oude linten neemt de onderlinge afstand en de afstand tot de weg toe. Percelen die zowel aan de weg als de Boarne zijn gesitueerd hebben veelal een formeel, representatieve zijde aan de weg en een informele zijde aan het water. De afzonderlijke gebouwen kennen overwegend een hoofdvorm van één bouwlaag, in de dorpskern incidenteel ook twee bouwlagen, met kap en een enkelvoudige massaopbouw, en een relatieve omvang van klein tot middelgroot. Bijzondere gebouwen zoals een kerk, een kroeg, een pastorie en een winkel hebben ook een bijzondere vorm. Kenmerkend voor de dorpskernen is het ambachtelijk karakter van de bebouwing met vaak rijke details van gootlijsten en schoorstenen. De bebouwing is voornamelijk opgetrokken uit traditionele bouwmaterialen (baksteen, houten kozijnen, keramische dakpannen). Ook de gevelindeling en compositie is overwegend traditioneel, met verticale gevelopeningen. 3b. Oude linten in de plaats Heerenveen Schans, Leeuwarderstraatweg (zuid van A7), Fok/Parallelweg eo, Breedpad, Heideburen, Nieuwburen, Compagnonstraat, Van Dekemalaan, Sieger van der Laanstraat, Burgemeester Falkenaweg, Tolhuisweg, Marktweg, Wolvegaasterweg, Rottumerweg, Koningin Julianaweg, Koningin Wilhelminaweg. Karakteristiek De oude linten van de plaats Heerenveen vormen de historische structuur van waaruit Heerenveen zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld. Het is een noord-zuid structuur, die loopt vanaf de Leeuwarderstraatweg in het noorden tot de Wolvergaasterweg in het zuiden. De zijtakken, zoals De Schans en Heideburen, zijn de aansluitingen op de linten in het buitengebied. Uitzondering hierop zijn de Kon. Julianaweg, Kon. Wilhelminaweg en de Prins Bernhardweg. Dit zijn de historische verbindingen met Het Oranjewoud. In de jaren zestig is in dit gebied een villawijk aangelegd. Kenmerkend voor de linten in de plaats Heerenveen is bebouwing aan beide zijden van het lint. Uitzondering hierop is het gebied tussen de kernen van Heerenveen en Oudeschoot, ter plaatse van de oost-west liggende groenstructuur van welstandsgebied 8. De hoofdzakelijk pandsgewijze en vrijstaande woonbebouwing staat op ruime kavels. De maat en het onbebouwde deel van de kavels neemt af naarmate de afstand tot de kern van Heerenveen kleiner wordt. De voortuinen hebben ongeveer gelijke diepte. In de kern van Heerenveen, bijvoorbeeld aan de Herenwal en Nieuwburen is de pandsgewijze bebouwing aaneengesloten en ligt de rooilijn direct aan de openbare weg. De bebouwing is georiënteerd op de weg waarbij de nok meestal loodrecht op de rooilijn staat. Uitzonderingen hierop zijn de planmatige ontwikkelde woningbouw in de Compagnonstraat, Van Dekemalaan en Sieger van der Laanstraat. Hier zijn de eerste sociale woningbouwplannen van Heerenveen gebouwd. De bebouwing heeft voornamelijk een woonfunctie, maar wordt (zeker dicht bij de kernen) afgewisseld met werkfuncties. De schaal van de bebouwing, in korrel en hoogte, is relatief klein. Op enkele plekken wordt dit afgewisseld door een grotere korrel, vaak uit de naoorlogse bouwperiode. Ook de historische villa’s en bedrijfsgebouwen hebben vaak een grotere schaal. De bebouwing is voornamelijk opgetrokken uit traditionele bouwmaterialen (baksteen, houten kozijnen, keramische dakpannen). Ook de gevelindeling en compositie is overwegend traditioneel, met verticale gevelopeningen. 3c. Oude linten in het buitengebied Karakteristiek In het buitengebied van Heerenveen zijn drie structurerende historische linten. In het noorden ligt een lint in de Veenpolder. Daarnaast zijn er twee lange oost-west linten, de ene langs de (voormalige) vaart uit de veenkoloniale ontwikkeling en de andere zuidelijke uit het woudontginnings gebied. Het bebouwingsbeeld van de linten kent veel overeenkomsten. Daarnaast hebben ze, vooral door de ligging, ook een eigen karakteristiek. De bebouwingsstructuur is voornamelijk halfopen tot open, met verdichting in de dorpskernen een ter plaatse van kruisingen met wegen. De bebouwingstypologie van afwisselend woonhuizen en boerderijen kent een bescheiden korrelgrootte van de bebouwing. De rooilijn ligt in principe kort en evenwijdig aan de weg. Uitzondering hierop zijn de boerderijen, die meer naar achter op de kavel staan. De meeste bebouwing staat zo op de kop van de kavel. Meestal betreft het een enkelvoudige massaopbouw met een relatieve omvang van klein tot middelgroot voor de woningen en groot voor de boerderijen. De voornamelijk pandsgewijze bebouwing heeft een rechthoekige hoofdvorm en overwegend één bouwlaag met kap (schilddak, zadeldak, mansardedak) en overwegend de noklijn loodrecht op de straat. De bebouwing is opgetrokken uit traditionele bouwmaterialen (baksteen, houten kozijnen, keramische dakpannen). Ook de gevelindeling en compositie is overwegend traditioneel, met verticale gevelopeningen. Oude lint in de Veenpolder -Aengwirderweg Het bebouwingslint langs de Aengwirderweg kenmerkt zich door een hogere ligging dan het omringende land, waardoor vanaf het lint zichten de polder in mogelijk zijn. De weg wordt begeleid door een dubbele bomenrij, die overigens op vele plekken onderbroken is. Op veel plekken is een forse erfbeplanting aanwezig, met name op de achtergrens van de kavel. De bebouwing ligt aan beide zijden van de Aengwirderweg en heeft een dichte tot halfopen bebouwingsstructuur. Oude lint uit de Veenkoloniale ontwikkeling - Het Meer, Zestienroeden, Woudsterweg, Veensluis, Tramweg, Meyerweg, Ds. Veenweg, Eerste/Tweede Compagnonstraat, H. de Vosweg, J. Alberdaweeg, S. Brinksmaweg, J. va. Damweg, Bij de Leijweg Het bebouwingslint van Heerenveen tot Bontebok kenmerkt zich door bebouwing aan beide zijden van de (voormalige) vaart, met een dichte tot halfopen bebouwingsstructuur. De twee zijwegen Zestienroeden en Woudsterweg wijken op een paar punten af van de ruimtelijke opbouw van het lint. Hier is de bebouwing slechts aan de westzijde. Aan de Zestienroeden staat voornamelijk agrarische bebouwing van rond 1900. Terwijl de Woudsterweg zich kenmerkt door vrijstaande woningen uit de jaren dertig van de twintigste eeuw. Het bebouwingslint van Bontebok tot de Gorredijksterweg kenmerkt zich door deels een dubbel bebouwingslint (een weg met bebouwing aan beide zijden van het water) en deels een enkel bebouwingslint (aan één zijde van de vaart). Het is een ijle bebouwingsstructuur, met een groot aantal open kavels tussen de bebouwing. Het lint heeft in dit stuk een groen karakter door de forse erfbeplanting (waardoor de boerderijen als eilanden in het landschap liggen), de aaneengesloten wegbeplanting langs het overgrote deel van het lint, de invulling van een aantal kavels met bos en het gebruik van groene singels als kavelscheiding. Nog markante bebouwing met autonoom karakter zijn het Eerste en Tweede Stichtingspad. Deze cultuurhistorisch waardevolle paden zijn gebouwd als boerderijencomplex ‘Helpt Elkander’, op initiatief van de P.W. Janssens Friese Stichting tot verzelfstandiging van arme veenarbeiders. Het is een voorbeeld van de noord-zuid georiënteerde voormalige wijken met daaraan kleinschalige, agrarische bebouwing. Het bebouwingslint van de Gorredijksterweg tot de oostelijke gemeentegrens kenmerkt zich door deels een dubbel bebouwingslint (bebouwing aan beide zijden van het water, bij Jubbega) en deels een enkel bebouwingslint (aan één zijde van de vaart). Het heeft veelal een ijle bebouwingsstructuur, met een groot aantal open kavels tussen de bebouwing. Het lint heeft in dit stuk een groen karakter door de forse erfbeplanting (waardoor de boerderijen als eilanden in het landschap liggen), de aaneengesloten wegbeplanting langs het overgrote deel van het lint en het gebruik van groene singels als kavelscheiding. Oude lint uit de Woudontginning -Schoterlandseweg Het bebouwingslint heeft bebouwing aan beide zijden van het lint. Het straatprofiel is vrij breed, met over het algemeen een rijweg met aan weerszijden een berm en fietspad. De bebouwing is vrijstaand met verspringende rooilijn. De bebouwing staat evenwijdig aan de kavelgrenzen. Uitzondering hierop is het oostelijk deel van de Schoterlandseweg ( na de kruising met de Nijeberkoperweg) waar de bebouwing zich op de weg oriënteert. De bebouwingstypologie is afwisselend boerderijen en woonhuizen, waarbij meer naar het oosten de agrarische bebouwing overheerst. Beleidsintentie oude kernen en linten* Het onregelmatige karakter van de bebouwingsstructuur in relatie met het openlandschap vormt een specifieke waarde. Het beleid van de linten is in het algemeen gericht op het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit. De aanwezige bebouwingskenmerken karakteristieke elementen, de overwegend traditionele vormgeving en materialisering moet worden gerespecteerd. * voor de oude kern van Aldeboarn zie welstandsgebied 2a, beschermd dorspgezicht Aldeboarn Welstandscriteria oude kernen en linten* Plaatsing: plaatsing op korte afstand tot de weg, vergelijkbaar met karakteristiek directe lintomgeving. (Agrarische, bedrijf- , maatschappelijke gebouwen en historische villa’s staan meestal op enige afstand tot de weg) richting van de gebouwen aansluitend aan karakteristiek directe lintomgeving (voornamelijk haaks of evenwijdig aan de weg, soms in de oorspronkelijke kavelrichting) in de dorpskern van Akkrum handhaven van gesloten bebouwingswand in de dorpskern van Akkrum handhaven van oorspronkelijke rooilijnen Hoofdvorm: gebouwen bestaan in de linten van het buitengebied uit één bouwlaag met kap (schilddak, zadeldak, mansardedak, afgeknot schilddak (ringkap) gebouwen bestaan in de linten van plaats Heerenveen en de dorpskernen, uit één of twee bouwlagen met kap (schilddak, zadeldak, mansardedak, afgeknotte ringkap) de individuele bebouwing heeft een enkelvoudige massaopbouw de korrelgrootte is vergelijkbaar met korrelgrootte van bebouwing met zelfde functie directe lintomgeving de relatieve omvang van woonbebouwing is klein of middelgroot, tot groot bij de agrarische, bedrijfs-, maatschappelijke gebouwen en historische villa’s in het lint van de plaats Heerenveen, dicht bij het centrum zijn uitzonderingen in korrelmaat en hoogte tot 4 bouwlagen mogelijk, mits het algemene karakter van het lint niet wordt aangetast. (zie ook bestemmingsplan) in het lint van de plaats Heerenveen kunnen als uitzondering grotere bedrijfsgebouwen of grote wooncomplexen zijn afgedekt met een plat dak, mits het algemene karakter van het lint niet wordt aangetast aanbouwen en vrijstaande bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume Aanzichten: de bebouwing is gericht op de openbare weg. bebouwing op percelen die zijn gesitueerd aan de zichtzone vaarroutes hebben een secundaire, informele oriëntatie op het water bij een grotere afstand tot de naastgelegen woning is de bebouwing ook overhoeks georiënteerd. de geleding en compositie van de panden is wisselend, waarbij de individuele expressie per pand voorop staat de gevelindeling en compositie is overwegend traditioneel, met verticale gevelopeningen in de dorpskern en de linten van Akkrum-Nes en Aldeboarn is er bij lijstgevels een herkenbaar onderscheid tussen onderbouw (gevel) en dakschild; bij topgevels een herkenbaar onderscheid tussen het onderste deel en de “top” middels verfijnde detaillering heeft de gevel een zekere beleefbare plastiek (geen volledig vlakke gevels) passend in de omgeving Opmaak: gebruikte materialen zijn kwalitatief hoogwaardig gebouwen zijn opgetrokken in baksteen daken van de hoofdgebouwen zijn gedekt met dakpannen (mat, niet glimmend) er wordt gebruik gemaakt van gedekte kleuren (aardkleuren: rood en bruinachtige tinten) voor de steen en antraciet-zwart of oranje-rood voor de dakpan in het lint van de plaats Heerenveen of in de dorpskern van Akkrum is als uitzondering ook gevelpleisterwerk en een zinken of rieten dak mogelijk, mits het algemene karakter van het lint niet wordt aangetast. * voor de oude kern van Aldeboarn zie welstandsgebied 2a, beschermd dorspgezicht Aldeboarn 4.Stedenbouwkundige hoofdlijnen, Hoofdentrees K.R. Poststraat, Atalantastraat/Koornbeursweg/Oude Veenscheiding (tot Ds. Kingweg) Waarden vanuit: Stedenbouwkundige hoofdstructuur. Dynamiek. De identiteit van Heerenveen (deels). Ontwikkelingsgebieden (deels). Welstandsniveau: 1 K.R Poststraat en Atalantastraat/Koornbeursweg vanwege functie als belangrijke entrees naar het centrum. Karakteristiek Deels is hier een sterke karakteristiek van redelijk stedelijke bebouwing aanwezig met een mix aan functies. De bebouwing is voornamelijk pas vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw ontwikkeld. De meeste bebouwing heeft een relatief grotere schaal in korrel en hoogte. Deze bebouwing is vaak plat afgedekt. Uitzondering hierop vormt de grondgebonden woonbebouwing aan de noordzijde van de K.R. Poststraat en de zuidzijde van de Koornbeursweg. Deze sluit qua karakteristiek meer aan bij de bebouwing van het aansluitende gebied Heerenveen Noord en Midden (welstandsgebied 4). De stedenbouwkundige hoofdlijnen vormen de belangrijke entrees en verkeerstructuren van het centrum van Heerenveen. De structuur en samenhang van de bebouwing langs deze lijnen is bepalend voor de beleving van de identiteit van Heerenveen. Daarom niveau 1. Beleidsintentie Met het oog op de publieke ligging van deze entrees van het centrum, dient de bebouwing een representatief karakter te hebben. Streven is de stedelijke beleving van de entrees te versterken, waarbij de samenhang tussen de gebouwen van wezenlijk belang is. Dit impliceert sterke hoofdlijnen en een afgewogen detaillering, die de grote lijnen van het ontwerp ondersteunt. Welstandscriteria hoofdentrees Algemeen de bebouwing vormt een sterk samenhangend geheel, toont zich eigentijds / modern en heeft een representatieve uitstraling de bebouwing (vaak in