/akn/nl/act/provincie/2025/CVDR744052 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv25/2024/projectbesluit-windpark-echteld-lienden /join/id/stop/work_019 2025-09-11 2025-09-11 /akn/nl/act/provincie/2025/CVDR744052/nld@2025-10-09 /join/id/proces/pv25/2025/doel_253_63ffaad35feb466abcd078c784ed156c 2025-10-09 2025-10-09 /akn/nl/act/pv25/2024/projectbesluit-windpark-echteld-lienden/nld@2025-09-11;1 /akn/nl/act/pv25/2024/projectbesluit-windpark-echteld-lienden /akn/nl/act/pv25/2024/projectbesluit-windpark-echteld-lienden/nld@2025-09-11;1 /join/id/stop/work_019 1 Projectbesluit Windpark Echteld - Lienden Leeswijzer Voor u ligt het projectbesluit Windpark Echteld-Lienden. Het projectbesluit is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 is de aanleiding en het doel van het project opgenomen. In hoofdstuk 2 zijn de permanente maatregelen beschreven die zien op de gebruiksfase van het windpark. Hoofdstuk 3 bevat de tijdelijke maatregelen die getroffen worden tijdens de aanlegfase van het windpark. In hoofdstuk 4 zijn de maatregelen ter voorkoming, beperking of compensatie van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving beschreven. Hier worden maatregelen weergegeven die worden getroffen vanuit archeologie, natuur, (water)bodem en water. In hoofdstuk 5 is opgenomen als welke omgevingsvergunningen voorliggend projectbesluit geldt en op welke manier de omgevingsplannen van gemeente Neder-Betuwe en Buren met dit projectbesluit worden gewijzigd. Hoofdstuk 6 bevat de termijn waarbinnen het gemeentelijke omgevingsplan geen regels mag stellen die het uitvoeren van voorliggend project belemmeren. In hoofdstuk 7 zijn procedurele aspecten opgenomen. De motivering met bijhorende bijlagen die zijn opgesteld ten behoeve van voorliggend besluit zijn te raadplegen via het provincieblad en de projectwebsite Energiepark Echteld - Lienden (gelderland.nl). Hoofdstuk 1 Projectbeschrijving 1.1 Aanleiding en doel van het project Windpark Echteld Lienden B.V. is voornemens om het windpark Echteld-Lienden te ontwikkelen in samenspraak met Energiecoöperatie Echteld-Lienden. Op basis van de Elektriciteitswet 1998 (Artikel 9c Elektriciteitswet 1998) voert provincie Gelderland de ruimtelijke procedure om het windpark juridisch-planologisch mogelijk te maken binnen haar provincie. Op 27 oktober 2022 is door gedeputeerde staten van Gelderland besloten een Provinciaal Inpassingsplan (PIP) op te stellen voor de realisatie van het windpark Echteld-Lienden (in Statenbrief van 1 november 2022). Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet (hierna: Ow) van kracht. Daardoor is het provinciaal inpassingsplan komen te vervallen en vervangen door het projectbesluit. Voor onderhavig project is daarom voorliggend Projectbesluit opgesteld. 1.2 Projectgebied Het 'projectgebied' is het volledige regelingsgebied van dit projectbesluit. Hier worden naast de permanente maatregelen (zie Hoofdstuk 2: permanente maatregelen) ook tijdelijke maatregelen (zie Hoofdstuk 3: tijdelijke maatregelen) getroffen om het project uit te voeren. Afbeelding 1: Globale weergave projectgebied Hoofdstuk 2 Permanente maatregelen 2.1 Beschrijving permanente maatregelen 2.1.1 Windturbines Algemene weergave windpark Ter plaatse van 'permanent ruimtebeslag - windpark' wordt een windpark gerealiseerd (zie ook Afbeelding 2). Elke windturbine krijgt: ● een opstelplaats, op de kaart aangewezen als 'windturbine - opstelplaats'; ● een vrijwaringszone, op de kaart weergegeven als 'windturbine - vrijwaringszone'; ● een veiligheidszone, op de kaart weergegeven als 'windturbine - veiligheidszone'; ● bijhorende windparkinfrastructuur zoals: ○ toegangswegen ter plaatse van 'overige parkinfrastructuur - toegangswegen'; ○ kabelverbindingen ter plaatse van 'overige parkinfrastructuur - kabelstroken'; ○ een onderstation ter plaatsen van 'overige parkinfrastructuur - onderstation'. De overige voorzieningen worden in de volgende paragrafen besproken. Het ontwerp van de windturbines is gecertificeerd conform de internationale ontwerpnorm voor windturbines: NEN-EN-IEC 61400-
(2023)bestaat de verlichting aan de windturbines uit: ● verlichting in de dag-, schemer- en nachtperiode; ● de lichtintensiteit wordt aangepast op basis van zichtafstanden (gedimd); ● mastverlichting op 1/3e en 2/3e van de mast. Verder wordt er transpondertechniek toegepast als Inspectie Leefomgeving en Transport haar instemming daarvoor heeft afgeven. Dit is een techniek waarbij de verlichting aan gaat wanneer een vliegtuig of helikopter binnen bepaalde afstand nadert. 2.1.2 Saneren windturbines windpark Echteld De realisatie van het windpark dat wordt mogelijk gemaakt met voorliggend projectbesluit, vangt pas aan nadat de windturbines van windpark Echteld, aangewezen op kaart als 'te saneren windturbines', in de gemeente Neder-Betuwe zijn gesaneerd en onderliggende vergunningen zijn ingetrokken. De funderingen mogen blijven zitten tot 2 meter onder maaiveld. Met dien verstande dat met de aanleg van de funderingen van de nieuwe windturbines mag worden aangevangen zodra de vergunningen van de te saneren turbines zijn ingetrokken. Afbeelding 8 Te saneren windturbines Windpark Echteld 2.1.3 Onderstation Onderdeel van het projectbesluit betreft het onderstation ten behoeve van de aansluiting van het windpark Echteld-Lienden en andere (toekomstige) alternatieve aansluitingen (zoals het zonnepark, bedrijventerrein, Energieopslagsysteem). Dit is op de kaart aangewezen als 'overige parkinfrastructuur - onderstation'. Het onderstation is reeds ingepast middels het bestemmingsplan Panderweg-Oost ten behoeve van het zonnepark. Dit onderstation dient als aansluitpunt op het elektriciteitsnetwerk en wordt ook gebruikt ten behoeve van het windpark Echteld-Lienden. Afbeelding 9 Locatie onderstation (rode markering) 2.2 Beschrijving overige maatregelen en voorzieningen 2.2.1 Verhardingen en ondergrondse kabels Ten behoeve van de windturbines worden permanente verhardingen (opstelplaatsen) (zie 2.2.2 voor de afmetingen hiervan), permanente toegangswegen en kabelverbindingen aangebracht (zie Afbeelding 11 tot en met Afbeelding 17). De aanvoerroute voor materialen is circa 5 meter breed, uitgezonderd bochten en kruisingen met andere wegen. De windturbines worden met een ondergrondse kabels onderling verbonden en verbonden met het onderstation (zie Afbeelding 10). Afbeelding 10 Ligging kabels Afbeelding 11 Inrichting windturbine 1 Afbeelding 12 Inrichting windturbine 2 Afbeelding 13 Inrichting windturbine 3 Afbeelding 14 inrichting windturbine 4 Afbeelding 15 Inrichting windturbine 5 Afbeelding 16 Inrichting windturbine 6 Afbeelding 17 Inrichting windturbine 7 2.2.2 Afmetingen permanente verhardingen Ten behoeve van de windturbines worden permanente verhardingen aangebracht binnen het permanent ruimtebeslag. Tabel 1 geeft de oppervlakten van deze verhardingen weer. Tabel 1: Permanente verhardingen Ten behoeve van Permanente verharding (m2) 'windturbine 1' 1.575,0 'windturbine 2' 1.575,0 'windturbine 3' 1.575,0 'windturbine 4' 1.743,0 'windturbine 5' 1.575,0 'windturbine 6' 1.575,0 'windturbine 7' 1.575,0 Totaal 11.193 2.2.3 Molenaarswoning De functie van de woning aan Saneringsweg 3 te IJzendoorn wordt gewijzigd van ‘woning’ naar `overige zone - woning met functionele binding tot het windpark'. De woning wordt aangemerkt als woning met een functionele binding tot het windpark omdat de woning mede wordt bewoond met het oog op het toezicht en beheer van het windpark. Voor de woning geldt dat niet aan de normen voor geluid en slagschaduw wordt getoetst (artikelen 5.61 en 5.89d Besluit kwaliteit leefomgeving). 2.3 Milieunormen Aangezien de nationale windturbinevoorschriften met betrekking tot geluid niet langer van toepassing zijn, kan het bevoegde gezag lokale normen vaststellen en motiveren. Om de gezondheid van omwonenden van het windpark te beschermen en onevenredige overlast te voorkomen stelt de provincie passende normen voor geluid. De milieunormen zijn hieronder opgenomen: ● de geluidsnorm van de windturbines ter plaatse van gevoelige objecten bedraagt maximaal 47 dB Lden en 41 dB Lnight; ● er geldt een LAeq norm van 46 dB(A) op 255 meter; ● In het bereik van 20 Hz tot en met 150 Hz mogen geen tonen voorkomen die meer dan 15 dB boven de ruisvloer uitkomen. Dit wordt vastgesteld met behulp van een immissiemeting conform methode II.1 uit de Handreiking meten en rekenen industrielawaai (HMRI), zij het dat deze meting ongewogen plaatsvindt. Indien tonaliteit is aangetoond, geldt er een toeslag van 5 dB op het jaargemiddelde geluidniveau Lden en dienen de windturbines te worden teruggeregeld totdat de tonaliteit is weggenomen; ● de slagschaduwnorm is 0 uur per slagschaduwgevoelig object per jaar, niet zijnde woningen met een functionele binding tot het windpark. De slagschaduw die optreedt gedurende de tijd die nodig is voor het tot stilstand komen van de rotor, maximaal 20 minuten per jaar, wordt niet meegerekend bij toetsing aan de norm; ● op de betreffende onderdelen van de windturbines moeten niet reflecterende materialen of coatinglagen worden toegepast. Het meten van reflectiewaarden vindt plaats overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode. 2.4 Flexibiliteit De praktijk leert dat er soms onverwachte elementen in de ondergrond worden aangetroffen waardoor er toch problemen zijn met de locatie voor de windturbines (bijvoorbeeld grote stenen diep in de bodem). Rondom de windturbinelocaties, zoals omschreven in 2.1.1, zijn schuifruimtes toegevoegd (zie Afbeelding 19). Het middelpunt van de turbinemast kan schuiven binnen de locatie 'windturbine - schuifruimte middelpunt mast'. De uitgangspunten voor schuifruimte zijn: ● een maximale verschuiving van 10 m vanaf de positie van de windturbines; ● de windturbines komen niet binnen de adviesafstanden en afstandseisen voor veiligheid; ● de permanente verharding rondom de windturbines komen niet binnen (beschermingszones van
- de)watergangen. De verplaatsing binnen de schuifruimtes leidt niet tot een relevante verandering van de effecten van natuur, (water)bodem, waterbelangen, cultureel erfgoed, landschap, geluid, slagschaduw, externe veiligheid en klimaatadaptatie. Afbeelding 19: Schuifruimte per windturbine Hoofdstuk 3 Tijdelijke maatregelen 3.1 Tijdelijke maatregelen Binnen het 'tijdelijk ruimtebeslag - windpark' vinden tijdelijke maatregelen in verband met de uitvoering van dit projectbesluit plaats. Onder tijdelijke maatregelen wordt onder andere begrepen: a. ter plaatse van 'tijdelijke bouwwegen': tijdelijke toegangswegen; b. ter plaatse van 'tijdelijke verharding': i. Opslag van materieel en materiaal, werkplaatsen, installaties, bouwkraan, bouwketen en parkeerplaatsen voor personeel en bezoekers; ii. Laad- en losplaatsen en gronddepots; iii. Aanleg van verhardingen (opstelplaatsen) (zie Tabel 2), en andere infrastructurele werken, energievoorzieningen en afrasteringen. Tabel 2: Tijdelijke verhardingen Ten behoeve van turbine Tijdelijke verharding (m2) windturbine 1 2.190,4 windturbine 2 2.190,4 windturbine 3 2.190,4 windturbine 4 2.190,4 windturbine 5 2.190,4 windturbine 6 2.190,4 windturbine 7 2.190,4 Totaal 15.333 3.2 Instandhouding tijdelijke maatregelen Tijdelijke maatregelen mogen niet langer in stand gehouden worden dan zes maanden na realisatie van het project, zijnde nadat alle windturbines stroom leveren aan het net. Hoofdstuk 4 Maatregelen ter voorkoming, beperking of compensatie van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving 4.1 Maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen 4.1.1 Maatregelen ten behoeve van archeologie Om nadelige gevolgen op archeologische (verwachtings)waarden te voorkomen of beperken worden maatregelen getroffen. Voorafgaand aan de uitvoeringsfase wordt verkennend onderzoek uitgevoerd op locaties waar ontgrondingen plaatsvinden, zoals weergegeven op Afbeelding 19. Voor de locaties met een rode contour geldt dat vervolgonderzoek nodig is bij verstoringen dieper dan 30 cm beneden het maaiveld. Voor de locaties met een groene contour is vervolgonderzoek nodig bij verstoringen dieper dan 3 m beneden het maaiveld. Afbeelding 20 geeft aan voor welke ingrepen op welke locatie vervolgonderzoek plaatsvindt voorafgaand aan de bouw van windpark Echteld-Lienden. Afbeelding 19 Locaties verkennend onderzoek Afbeelding 20 Locaties waar archeologisch vervolgonderzoek plaats moet vinden 4.1.2 Maatregelen ten behoeve van natuur Om negatieve effecten op de natuur te mitigeren worden maatregelen getroffen. Dit betreffen maatregelen ten aanzien van beschermde soorten (zie Tabel 3). Voor de maatregelen wordt eveneens verwezen naar paragraaf 5.1.4 waarin de vergunning Flora- en fauna-activiteit is opgenomen. Tabel 3 Maatregelen ten aanzien van beschermde soorten Soortgroep Soort Onderdeel Maatregel(
- en)Vogels (broedvogels) Grutto Doden van individuen - Alle windturbines ten noorden van de rijksweg A15 worden uitgerust met een stilstandvoorziening (SVZ); - De stilstandvoorziening is gedurende de daglichtperiode (tussen zonsopkomst en zonsondergang) in werking; - De stilstandvoorziening is gedurende de periode in het jaar (half maart tot en met eind mei) dat veel baltsvluchten en andere risicovolle vluchten van de grutto op rotorhoogte plaatsvinden in werking; - Op basis van nadere ontwikkelingen ten aanzien van camera- of radardetectie van de grutto en toepassing daarvan op windturbines, kan de aard en omvang van de SVZ worden herzien of verder gespecificeerd in die zin dat in plaats van de SVZ camera- of radardetectie mogelijk te maken. Dit is alleen toegestaan mits er geen negatief effect is op de populatie en na goedkeuring van de provincie Gelderland om in plaats van de SVZ camera- of radardetectie mogelijk te maken. Vogels (broedvogel) Zeearend Doden van individuen - Alle windturbines worden uitgerust met een stilstandvoorziening; - De stilstandsvoorziening is het gehele jaar actief; - Vóór het moment van ingebruikname van het windpark dient een protocol voor de aansturing van de SVZ via ca-mera- of radardetectie door de provincie te zijn goedge-keurd. Tenzij de SVZ wordt ingevuld op basis van vaste parameters (tijd van het jaar, tijd van de dag etc.) Vleermuizen Doden van individuen - De turbines worden voorzien van een stilstandvoorziening gedurende de gehele gebruiksfase overeenkomstig de voorschriften zoals opgenomen in paragraaf 5.1.4 voorschriften vergunning Flora- en fauna-activiteit. - De stilstandvoorziening houdt in dat de draaisnelheid van de rotoren van de windturbines verlaagd wordt tot 1 rpm of minder onder de volgende specifieke omstandigheden (die tegelijkertijd aan de orde moeten zijn): a. in de periode tussen half maart tot 1 november én b. Tussen zonsondergang en zonsopkomst én; c. Bij temperaturen hoger dan 10 graden én; d. Bij windsnelheden lager dan of gelijk aan 5 m/s op ashoogte én; e. Bij droog weer of lichte regen (<3 mm/hr). - Gedurende de eerste drie jaar na de ingebruikname van de turbines wordt de activiteit en migratie van vleermuizen gemonitord middels akoestische monitoringsmiddelen (zoals een batdetector met opnamefunctie) op gondelhoogte. Ook wordt conform het landelijke monitoringsprotocol voor windparken gemonitord op aanvaringsslachtoffers en wordt de activiteit en gebruik van het leefgebied in de omgeving van het projectgebied gemeten. - De nadere uitwerking van de monitoring wordt beschreven in een monitoringsprotocol, dat minimaal 1 maand voorafgaand aan de start van de exploitatie van het windpark aan de provincie Gelderland ter goedkeuring wordt overlegd. De resultaten van de monitoring worden na afloop van de monitoringsperiode, jaarlijks voor een periode van in totaal 3 jaar, gedeeld met het bevoegd gezag. Waar nodig kan er bijgestuurd worden op de gestelde voorschriften en maatregelen. Overige soorten Grote modderkruiper Verstoring - Aanleg van dammen in de voor deze soorten geschikte wateren worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode (augustus, september en andere maanden waarin de sloten droogstaan). Overige soorten Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel Verstoring - Bij de aanlegfase worden tijdens de kwetsbare periode (maart-augustus) voortplantings- of rustplaatsen ontzien; - Om voldoende aanbod van verblijf en rustplaatsen te waarborgen worden in het leefgebied van deze soorten schuilmogelijkheden aangebracht vóór de aanleg van het windpark plaatsvindt. Het betreft een oppervlakte aan leefgebied van 50.000 m2. 4.1.3 Maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen op de (water)bodem Volgende maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen op de (water)bodem worden getroffen: a. om negatieve effecten op landbodem te voorkomen, wordt verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707 uitgevoerd ter plaatse van windturbines 1, 2, 4 en 6 en de locaties waar kabels en wegen komen voor deze turbines; b. om negatieve effecten op waterbodem te voorkomen wordt verkennend waterbodemonderzoek conform de NEN5720 uitgevoerd ter plaatse van de watergangen tussen de wegen en agrarische percelen. 4.1.4 Maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen op water Om negatieve effecten door bemaling in de uitvoeringsfase op grondwateronttrekking te voorkomen wordt voorafgaand aan de realisatie van het windpark een bemalingsadvies opgesteld binnen de kaders van de Waterschapsverordening van het waterschap Rivierenland. 4.2 Maatregelen ter compensatie van nadelige gevolgen 4.2.1 Maatregelen ter compensatie van nadelige gevolgen op natuur Om negatieve effecten op de natuur te compenseren worden maatregelen genomen. Dit betreffen maatregelen ten aanzien van het leefgebied van beschermde soorten. Tabel 4 Compensatie maatregelen ten behoeve van het leefgebied van beschermde soorten Aspect Totaal te compenseren Voorwaarden voor compensatie Aantasting leefgebied grutto 11 ha de compensatieopgave wordt gerealiseerd vóór de aanleg van het windpark Echteld-Lienden van start gaat, volgens de uitgangspunten zoals hieronder geformuleerd. Uitgangspunten voor het compensatiegebied die gehanteerd moeten worden zijn: ● Het gebied is in potentie geschikt of geschikt te maken voor grutto’s; ● In de ruime omgeving van de compensatielocatie (binnen maximaal 4
- km)is een populatie weidevogels aanwezig; ● De compensatie dient binnen of aansluitend aan de provinciaal aangewezen weidevogelgebieden binnen de provincie Gelderland gerealiseerd te worden; ● De compensatie dient in een aangesloten gebied te worden gerealiseerd; ● Het compensatiegebied voldoet in zijn totaliteit aan de randvoorwaarden van Tabel 5; ● Er worden ‘zware’ beheerpakketten ingesteld met rustperiode vanaf 1 april tot wanneer de vogels uitgebroed zijn en geen kuikens aanwezig zijn, indien nodig gecombineerd met kuikenvelden. In de notitie Compensatie leefgebied grutto, door aanleg Energiepark Echteld-Lienden is dit nader geduid (zie bijlage VII); ● Indien plasdras reeds aanwezig is binnen een straal van 2 km vanaf de compensatielocatie, dan is het niet nodig om dit te realiseren; ● Voorafgaand aan de start van de bouw is de compensatie op de gekozen locatie ingericht; ● Bij tussentijdse wijziging van de locatie dan wel van de inrichting of beheer van het compensatiegebied gedurende de looptijd (30 jaar) dient een nieuw compensatieplan opgesteld te worden die voldoet aan de voorwaarden die in deze notitie zijn opgenomen. Tabel 5: Levensfasen en benodigdheden van de grutto in de broedperiode (gebaseerd op o.a. Oosterveld & Altenburg 2005) Fase Functie gebied in fase Benodigd habitat Aankomstfase (februari-maart) Foerageren volwassen ouder-dieren Vochtig grasland en plasdras Vestigings- en nestfase (maart-april) Nestelen; zoeken van geschikt broedgebied Graslanden met hoge grondwaterstanden (bij voorkeur 20-40 cm beneden maaiveld in april); openheid (>200 m van bomen, >100 m lokale wegen, >250 m bebouwing) Broedfase (april-mei) Broeden Grasland zonder maaibeheer en beweiding, tot vogels zijn uitgebroed; grasland zoveel mogelijk vrij van predatoren Kuikenfase (mei-juni) Foerageren kuikens Kruidenrijk grasland met voldoende voedsel (insecten) en geen verstoring, geen maaibeheer. Voorbereiding trekfase (juni-augustus) Foerageren volwassen ouder-dieren en kuikens Vochtig grasland en plasdras 4.2.2 Overige maatregelen ter compensatie van nadelige gevolgen op water Volgende overige maatregelen ter compensatie van nadelige gevolgen op water worden getroffen: a. ten behoeve van het windpark Echteld-Lienden worden permanente en tijdelijke verhardingen aangelegd. Deze dienen gecompenseerd te worden conform Tabel 6; b. ten behoeve van de aanleg van duikers worden watergangen gedempt. De demping van deze watergangen wordt gecompenseerd conform Tabel 7. Tabel 6 Compensatie toename verhard oppervlakte Peilgebied Compensatie permanente verhardingen in m3 Compensatie tijdelijke verhardingen in m3 NDB117 423 344 NDB115 228 124 NDB079 271 248 NDB080 90 143 NDB120 214 0 LGN010 0 7 Totaal 1.226 866 Tabel 7 Compensatie te dempen watergangen compensatie permanent gedempte watergangen oppervlakte in m2 compensatie tijdelijk gedempte watergangen oppervlakte in m2 Totaal 62.8 180 Hoofdstuk 5 Integraal besluit 5.1 Projectbesluit geldt als omgevingsvergunning Lid 1: Omgevingsvergunning activiteiten windpark Dit projectbesluit geldt voor het windpark met zeven windturbines, binnen de bandbreedte van 5,5 tot 7,2 MW per turbine, een ashoogte van 130 tot 175 meter, een rotordiameter van 160 tot 175 meter en een tiphoogte van 210 tot 255 meter, voor een tijdelijke termijn van 30 jaren na commerciële ingebruikname [1] Commerciële ingebruikname start op het moment van aanmelding van de eerste productie van windenergie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). , op grond van het bepaalde in artikel 5.52, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet als omgevingsvergunning: a. bouwactiviteit conform artikel 5.1 lid 2 onder a Omgevingswet, waarbij de voorschriften van 5.1.1 gelden; b. omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken conform artikel 5.1 lid 1 onder a Omgevingswet, waarbij de voorschriften van 5.1.2 gelden; c. milieubelastende activiteit conform artikel 5.1 lid 2 onder b Omgevingswet, waarbij de voorschriften van 5.1.3 gelden; d. flora- en fauna activiteit conform artikel 5.1 lid 2 onder g Omgevingswet, voor het overtreden van de verbodsbepalingen genoemd in tabel 8, waarbij de voorschriften van 5.1.4 gelden. Tabel 8: Activiteiten waarvoor het projectbesluit geldt als omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit Soort Verbod Betreft Belang 1) Belangen: A. (VR): In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid. B. (HR): In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. C. (andere soorten): In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Vogels Aalscholver Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Bergeend Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Blauwe reiger Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Boerenzwaluw Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Boompieper Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Boomvalk Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Bosrietzanger Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Brandgans Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Buizerd Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Fitis Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Gaai Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Gele kwikstaart Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Gierzwaluw Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Goudhaan Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Grasmus Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Graspieper Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Grauwe gans Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Grauwe vliegenvanger Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Groenling Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Grote gele kwikstaart Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Grote zilverreiger Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Heggenmus Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Holenduif Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Houtduif Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Houtsnip Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Huiszwaluw Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Kauw Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Kievit Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Kleine karekiet Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Kleine mantelmeeuw Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Kneu Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Kokmeeuw Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Kolgans Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Koolmees Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Koperwiek Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Krakeend Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Kramsvogel Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Kuifeend Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Meerkoet Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Merel Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Oeverloper Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Oeverzwaluw Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Ooievaar Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Pimpelmees Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Putter Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Rietgors Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Rietzanger Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Roodborst Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Sijs Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Smient Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Sperwer Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Spreeuw Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Stormmeeuw Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Tafeleend Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Tapuit Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Tjiftjaf Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Toendrarietgans Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Torenvalk Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Tuinfluiter Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Tureluur Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Veldleeuwerik Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Vink Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Visdief Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Waterhoen Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Watersnip Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Wilde eend Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Winterkoning Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Wintertaling Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Witgat Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Witte kwikstaart Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Wulp Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Zanglijster Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Zwarte mees Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Zwartkop Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen A Grutto Artikel 11.37 lid 1 aanhef en onder a Bal en artikel 11.37 lid 1 onder b en d Bal a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen; en b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van die vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; en; d. het opzettelijk storen van die vogels A Vleermuizen Gewone dwergvleermuis Artikel 11.46 lid 1 aanhef en onder a en d Bal a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, Habitatrichtlijn; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren. B Laatvlieger Artikel 11.46 lid 1 aanhef en onder a en d Bal a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, Habitatrichtlijn; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren. B Ruige dwergvleermuis Artikel 11.46 lid 1 aanhef en onder a en d Bal a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, Habitatrichtlijn; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren. B Rosse vleermuis Artikel 11.46 lid 1 aanhef en onder a en d Bal a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, Habitatrichtlijn; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren. B Zoogdieren Steenmarter Artikel 11.54 lid 1 aanhef en onder a en b Bal a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren. C Bunzing Artikel 11.54 lid 1 aanhef en onder a en b Bal a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren; C Hermelijn Artikel 11.54 lid 1 aanhef en onder a en b Bal b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren. C Wezel Artikel 11.54 lid 1 aanhef en onder a en b Bal a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren; C Lid 2: Omgevingsvergunning activiteiten onderstation Dit projectbesluit geldt voor het onderstation voor een tijdelijke termijn van 35 jaar na commerciële ingebruikname op grond van artikel 5.52, tweede lid, onder a van de Omgevingswet als vergunning: a. bouwactiviteit conform artikel 5.1 lid 2 onder a Omgevingswet, waarbij de voorschriften van 5.1.5 gelden; b. omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken conform artikel 5.1 lid 1 onder a Omgevingswet, waarbij de voorschriften van 5.1.6 gelden. 5.1.1 Voorschriften omgevingsvergunning bouwactiviteit windpark De onderbouwing en bijhorende stukken voor het laten gelden van het projectbesluit als omgevingsvergunning bouwactiviteit voor het windpark is opgenomen in bijlage II. Voor de uitvoering van de in 5.1, eerste lid, sub a genoemde activiteit gelden de volgende voorschriften: 1 Gegevens en bescheiden - 1 Op basis van de voorschriften hieronder dienen nog gegevens en bescheiden verstrekt te worden. Hiervoor geldt dat deze uiterlijk 12 weken voor aanvang van de werkzaamheden ingediend worden ter goedkeuring bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen. Er mag pas met de bouwwerkzaamheden worden gestart nadat goedkeuring door de Omgevingsdienst Regio Nijmegen is afgegeven. 2 In aanvulling op 1 moet minimaal 3 maanden voor de start van de bouw -na selectie van de turbineleverancier- het TNO radaronderzoek zijn geactualiseerd en ter goedkeuring zijn aangeboden aan Defensie. Er mag pas met de bouwwerkzaamheden worden gestart na goedkeuring van Defensie. Een afschrift van de brief aan Defensie met het verzoek dient te worden gestuurd aan de Omgevingsdienst Regio Nijmegen. 2 Constructie - 1 Ten behoeve van de constructie moeten de volgende gegevens en bescheiden worden ingediend: a. Geotechnisch rapport met een beschouwing van de volgende onderdelen:· ○ resultaten van het grondonderzoek, bestaande uit voldoende sonderingen; ○ funderingsadvies; ○ berekening van de grondmechanische draagkracht van de ondergrond voor een fundering op palen (trek en/of druk); ○ berekening van horizontale gronddrukken op palen en/of funderingsconstructies; b. Gewichtsberekening, waarin opgenomen: ○ overzicht van toegepaste belastingen, belastingfactoren en belastingcombinaties; ○ belastingen op alle onderdelen van de bouwconstructie; ○ belastingen op de fundering; c. Stabiliteitsberekening; d. Palenplan, waarop aangegeven:· ○ rapportnummer geotechnisch rapport; ○ plaats van de sondeerpunten; ○ gemaatvoerde paallocaties; ○ de rekenwaarden van de paalbelastingen; ○ paalpuntniveaus en het bouwpeil in m+ NAP; ○ type en afmetingen van funderingspalen; ○ paalkopdetail met aansluiting op de fundering e. Overzichtstekening van de fundering; f. Wapeningsberekeningen en-tekeningen van in het werk gestorte of prefab funderingsbalken, -stroken, –poeren en -palen; g. Wapeningsberekeningen en – tekeningen van in het werk gestorte en geprefabriceerde betonconstructies; h. Detailberekeningen en – tekeningen van staal-, hout-, steen- en glasconstructies; i. Detailberekeningen en –tekeningen van verbindingen en verankeringen van beton-, staal-, hout- en glasconstructies; j. Berekening van de brandwerendheid van beton-, staal-, steen-, hout- en glasconstructies; k. Berekeningen en tekeningen van de fundering van de bouwkraan. 2 Er dient tijdens de uitvoering dagelijks constructief deskundig toezicht op het werk aanwezig te zijn, dat namens de vergunninghouder gemachtigd is handelend op te treden; 3 Brandveiligheid - 1 Verstrekken van gegevens waaruit de bluswatervoorziening blijkt, de bereikbaarheid voor hulpdiensten en een opstelplaats voor brandweervoertuigen; 2 Volgens het artikel 4.17 van het Bbl hebben de eisen aan de sterkte van de bouwconstructie bij brand betrekking op het brandcompartiment waar het niet brandt. Nu is de aanname dat de windturbines niet in meerdere brandcompartimenten worden opgedeeld. Initiatiefnemer dient informatie op tekening te plaatsen waaruit blijkt dat deze aanname juist is. In dat geval is er ook geen eis aan de sterkte van de bouwconstructie van de windturbine bij brand. 3 De trap, de bordessen van de trap en de trapleuning moeten voldoen aan artikelen 4.26 t/m 4.28 van het Bbl. Er zijn nog geen tekeningen met de trap, trapbordessen en trapleuning ingediend ter beoordeling. Deze dienen alsnog te worden ingediend. De afmetingen van de trap moeten voldoen aan tabel 4.46 van het Bbl. De trap sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,8 m x 0,8 m (trapbordes). De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m. 4 Initiatiefnemer dient op tekening aan te geven aan welke brand- en rookklassen moet worden voldaan. Constructiematerialen moeten voldoen aan e vereiste brand- en rookklassen volgens de artikelen 4.43, 4.44 en 4.45 Bbl; 5 Afhankelijk van de grootte van het gebruiksoppervlakte dient voldaan te worden aan de eisen van brandscheiding(
- en)uit het Bbl; 6 In overeenstemming met artikel 4.215 van het Bbl moet een vluchtrouteaanduiding in de verkeersroute van de gondel via de trap naar buiten aanwezig zijn. Dit zal duidelijk worden aangegeven op de in te dienen tekeningen. 7 Er worden geen brandgevaarlijke stoffen opgeslagen in de windturbines. Er mogen enkel gebruikshoeveelheden aanwezig zijn. Roken en open vuur is in en in de directe nabijheid van de winturbines verboden; 4 Bouwveiligheidsplan - 1 In afwijking van de termijn gesteld onder Voorschrift 1 Gegevens en bescheiden moet een bouwveiligheidsplan tenminste drie weken vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden ingediend zijn bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen. Dit bouwveiligheidsplan moet de volgende onderdelen bevatten: a. ten minste een tekening waaruit de bouwinrichting blijkt met: ○ de toegang tot de bouw- of sloopplaats inclusief begrenzing, afscheiding en afsluiting van de bouw- of sloopplaats; ○ de ligging van het perceel waarop gebouwd wordt en de omliggende wegen en bouwwerken; ○ de situering van het te bouwen bouwwerk; ○ de aan- en afvoerwegen; ○ de laad-, los- en hijszones; ○ de plaats van bouwketen; ○ de in of op de bodem van het perceel aanwezige leidingen; ○ de plaats van machines, werktuigen en ander hulpmaterieel en opslag van materialen; ○ de bereikbaarheid van bluswater- en andere veiligheidsvoorzieningen; ·gegevens en bescheiden over de toe te passen bouwmethodiek en de toe te passen materialen, materieel, hulp- en beveiligings-middelen bij b. gegevens en bescheiden over de toe te passen bouwmethodiek en de toe te passen materialen, materieel, hulp- en beveiligingsmiddelen bij de bouw- of sloopwerkzaamheden; c. een rapport van een akoestisch onderzoek, indien aannemelijk is dat de dagwaarde vanwege het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden meer bedraagt of de maximale blootstellingsduur in dagen langer duurt dan de waarden zoals gesteld in het Bbl; d. een rapport van een trillingenonderzoek, indien aannemelijk is dat het uitvoeren van de·bouw- of sloopwerkzaamheden een grotere trillingssterkte veroorzaakt dan de trillingssterkte zoals gesteld in het Bbl; 5 Melding na inbedrijfname - 1 Minimaal 1 maand voor inbedrijfname wordt een melding na inbedrijfname gedaan aan de Omgevingsdienst regio Nijmegen en Provincie Gelderland. Onder inbedrijfname wordt verstaan het moment van aanmelding van de eerste productie van windenergie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (=RVO). 6 Einde gebruiksduur - 1 Binnen zes maanden na afloop van de gebruiksduur van het windpark dienen de (bouw)werken van het windpark te zijn verwijderd. De windmolens moeten worden verwijderd. De funderingen moeten vanaf twee meter onder het maaiveld en hoger zijn verwijderd. 5.1.2 Voorschriften omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken windpark De onderbouwing voor het laten gelden van het projectbesluit als omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken voor het windpark is opgenomen in bijlage II. Voor de uitvoering van de in 5.1, eerste lid, sub b genoemde activiteit gelden geen voorschriften. 5.1.3 Voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit windpark De onderbouwing voor het laten gelden van het projectbesluit als omgevingsvergunning milieubelastende activiteit voor het windpark en bijhorende definities zijn opgenomen in bijlage III Voor de uitvoering van de in 5.1, eerste lid, sub c genoemde activiteit gelden de volgende voorschriften: 1 Afvalstoffen - 1 Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: 1. de verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen, onderling en van andere afvalstoffen; 2. papier en karton; 3. elektrische en elektronische apparatuur; 4. kunststoffolie. 2 De overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de begrenzing van de milieubelastende activiteit kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de begrenzing van de milieubelastende activiteit plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen. Daarnaast dient op grond van hoofdstuk 19 van de Omgevingswet direct melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag via het provinciale meldloket www.milieuklachtgelderland.nl, of via het telefoonnummer 026-377 1800. Deze verplichte melding geldt niet enkel voor afval wat zich buiten de begrenzing van de milieubelastende activiteit heeft verspreid, maar ook voor ieder ander ongewoon voorval waarbij er gevolgen zijn voor de omgeving. 2 (Externe) Veiligheid - 1 Een windturbine wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar beoordeeld op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties door een deskundige op het gebied van windturbines. 2 Indien wordt geconstateerd of indien het redelijk vermoeden bestaat dat een onderdeel of onderdelen van de windturbine een gebrek bezitten, waardoor de veiligheid voor de omgeving in het geding is, wordt de windturbine onmiddellijk buiten bedrijf gesteld en het bevoegd gezag geïnformeerd. De windturbine wordt eerst weer in bedrijf genomen nadat alle gebreken zijn hersteld. 3 Indien een windturbine als gevolg van het in werking treden van een beveiliging buiten bedrijf is gesteld, wordt deze pas weer in werking gesteld nadat de oorzaak van het buiten werking stellen is opgeheven. 4 Een windturbine moet voldoen aan de veiligheidseisen opgenomen in NEN-EN-IEC 61400-1. 5 Aan het voorgaande voorschrift wordt voldaan indien voor de windturbine een certificaat is afgegeven door een certificerende instantie waaruit blijkt dat de windturbine voldoet aan deze regels. De certificerende instantie is geaccrediteerd voor het afgeven van certificaten, overeenkomstig de norm bedoeld in het voorgaande voorschrift bij de Raad voor Accreditatie of bij een accrediterende instantie die erkend is door een andere staat, aangesloten bij de Multilateral Agreement on European Accreditation of Certification. 3 Geluid Lden en Lnight: 1 Het meten en berekenen van de geluidniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Meet- en rekenmethode geluid windturbines. 2 De geluidbelasting van alle windturbines van Windpark Echteld-Lienden samen moet voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van geluidsgevoelige objecten. 3 Uiterlijk 3 maanden voor de start van de bouw van de windturbines moet aan het bevoegd gezag meegedeeld worden welk type windturbine gerealiseerd wordt. Hierbij dient een akoestisch rapport te worden overgelegd waarin de geluidbelasting op de gevel van geluidsgevoelige objecten wordt weergegeven. Bij de berekening wordt stilstand als gevolg van mitigatie voor slagschaduw en de flora- en fauna activiteit niet betrokken. Uit het rapport moet blijken dat aan voorschrift 3 Geluid onder 2 wordt voldaan. 4 Uiterlijk 6 maanden na de commerciële ingebruikname van het windpark moet door vergunninghouder door middel van een bronsterktemeting worden beoordeeld of het bronvermogen overeenkomt met de door de fabrikant verstrekte gegevens. Voor uitvoering van de bronsterktemeting wordt de standaard meetmethode als bedoeld in hoofdstuk 1 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines of de IEC 61400-11 methode toegepast. Rapportage hierover aan het bevoegd gezag moet plaatsvinden uiterlijk 2 maanden na uitvoering van de meting. 5 Jaarlijks voor 1 maart moet door vergunninghouder door middel van berekening van de jaargemiddelde bronsterkte over het voorgaande kalenderjaar worden aangetoond dat aan de geluidnormen, bedoeld in voorschrift 3 Geluid onder 2, is voldaan. 6 Het akoestisch onderzoek, bedoeld in voorschriften 3 Geluid onder 3 en 4, bevat de volgende gegevens: ● de naam van de opdrachtgever van het onderzoek; ● de naam van de instantie die het onderzoek heeft uitgevoerd; ● de datum van het onderzoek; ● de aanleiding en het doel van het onderzoek; ● de gegevens waarmee wordt aangetoond dat de betreffende situatie valt binnen het toepassingsbereik van de gebruikte methode; ● indien een andere methode dan die is opgenomen in deze regeling wordt gebruikt, wordt de noodzaak daarvan aangegeven en wordt de toegepaste methode beschreven en verantwoord; ● indien een rekenmethode wordt toegepast, alle ingevoerde gegevens en tevens de geraadpleegde windfrequentiegegevens; ● één of meer kaarten of tekeningen op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt gegeven van bestaande of voorgenomen windturbines en van geluidsgevoelige objecten waarop het akoestisch onderzoek betrekking heeft; ● de waarneempunten; ● de situering, akoestisch relevante dimensies en de aard van de doorgerekende geluidsbeperkende of afschermende maatregelen, zowel op oorspronkelijk kaartmateriaal als in de vorm van de geschematiseerde computerinvoer; ● de situering, akoestisch relevante dimensies en de aard van de overige geluidsreflecterende en -afschermende objecten of constructies; ● de scheidingslijn of scheidingslijnen tussen akoestisch harde en zachte bodemvlakken, met een aanduiding van de aard van de bodem; ● in akoestisch gecompliceerde situaties, een grafische weergave van de bij de berekeningen gehanteerde geometrische invoergegevens; ● de bestaande en toekomstige geluidsbelastingen vanwege een windturbine of een combinatie van windturbines van de gevel van een geluidsgevoelig object voor de situatie waarin geen maatregelen zijn genomen ter vermindering van de geluidsemissie of ter beperking van de geluidsoverdracht. 7 Ten behoeve van de berekening en het akoestisch onderzoek, bedoeld in voorschriften 3 geluid onder 5 en 6, wordt bij de bepaling van de geluidsbelasting van de combinatie van windturbines rekening gehouden met: ● de over een kalenderjaar energetisch gemiddelde bronsterkte volgens de methode, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines, en met gebruikmaking van het door het KNMI aangeleverde langjarig gemiddelde windprofiel op ashoogte, tenzij wordt aangetoond dat gegevens beschikbaar zijn die een beter beeld geven van de geluidsemissie van de combinatie van windturbines; ● de invloed van de omgeving en de meteorologische omstandigheden op de geluidsoverdracht van de combinatie van windturbines naar het immissiepunt. 8 Indien de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege de combinatie van windturbines plaatsvindt op de gevel van een geluidsgevoelig object, bevindt het immissiepunt zich op het punt van de gevel, waar de geluidsbelasting het hoogst is. 9 Van de methode, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines, kan geheel of gedeeltelijk worden afgeweken indien aannemelijk wordt gemaakt dat de toe te passen afwijking: ● een belangrijke tijdbesparing of kostenbesparing oplevert en in de betreffende situatie nagenoeg even nauwkeurig is; ● in de betreffende situatie belangrijk nauwkeuriger is, of ● voldoende nauwkeurig is en de methode, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines, in de betreffende situatie niet leidt tot een voldoende representatieve geluidsbelasting. 10 Indien de gegevens over het, van de windsnelheid afhankelijke, bronvermogen van de combinatie van windturbines niet of niet volledig beschikbaar zijn, wordt dit bepaald volgens de methode, bedoeld in hoofdstuk 1 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines 11 Indien in het kader van handhaving wordt beoordeeld of het bronvermogen overeenkomt met de in het akoestisch onderzoek gebruikte waarden, wordt de methode, bedoeld in paragraaf 1.6 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines. 12 Vergunninghouder registreert de volgende gegevens: ● de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 2.4.1 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar, en ● de voor de duur van een handhavingsmeting, als bedoeld in paragraaf 1.6 van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines, benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte. Maximaal optredend equivalent geluidniveau LAeq: 13 Het 1-minuutgemiddelde geluidsniveau (LAeq,1min), gemeten op een afstand gelijk aan de grootste toegestane tiphoogte van de windturbine, zijnde 255 m, bedraagt niet meer dan 46 dB(A). Dit betreft het totale A-gewogen geluidniveau, inclusief correctie voor drukverdubbeling als gevolg van meting op reflecterende plaat. 14 Geluidmetingen voor vaststelling van het LAeq, 1min geluidniveau worden uitgevoerd conform de standaard meetmethode uit de Meet- en rekenmethode geluid windturbines, met de volgende aanpassingen: ● In afwijking van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines volstaat een zesvoudige meting van ten minste 1 minuut. ● Indien aannemelijk is dat geen sprake is van relevant stoorgeluid, hoeft de correctie voor stoorgeluid niet te worden toegepast. ● Indien de gerealiseerde windturbines een kleinere tiphoogte hebben dan maximaal toegestaan wordt in zoverre van de Meet- en rekenmethode geluid windturbines afgeweken dat de horizontale afstand van het meetpunt tot de verticale hartlijn van de windturbine groter is dan de tiphoogte. 15 Gemeten overschrijdingen tot 2 dB krijgen geen vervolg omdat de meetonzekerheid van de meetapparatuur en omstandigheden zodanig kunnen zijn dat bij de gemeten overschrijdingen niet met zekerheid gesteld kan worden dat daadwerkelijk sprake is van een overschrijding van de gestelde geluidsnorm. Tonaal laagfrequent geluid 16 In het bereik van 20 Hz tot en met 150 Hz mogen geen tonen voorkomen die meer dan 15 dB boven de ruisvloer uitkomen. Dit wordt vastgesteld met behulp van een immissiemeting conform methode II.1 uit de Handreiking meten en rekenen industrielawaai (HMRI), zij het dat deze meting ongewogen plaatsvindt. De meting wordt uitgevoerd op een immissiepunt bij nabijgelegen gevoelig(
- e)object(
- en)gevolgd door een spectrale analyse (FFT) van die meting met een bingrootte kleiner of gelijk aan 0,2 Hz. De meting moet binnen 6 maanden na de commerciële ingebruikname van het windpark worden uitgevoerd. Rapportage hierover aan het bevoegd gezag moet plaatsvinden uiterlijk 2 maanden na uitvoering van de meting. 17 Indien tonaliteit is aangetoond, geldt er een toeslag van 5 dB op het jaargemiddelde geluidniveau Lden en dienen de windturbines te worden teruggeregeld totdat de tonaliteit is weggenomen. 18 Het bevoegd gezag moet vooraf worden geïnformeerd over de opzet van het onderzoek, bedoeld in voorschrift 3 Geluid onder 16, en over de datum en het tijdstip waarop de geluidmetingen voor het onderzoek gaan plaatsvinden. Uitsluitend na toestemming van het bevoegd gezag kan worden overgegaan tot het uitvoeren van het onderzoek. Aan de opzet van het onderzoek kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen in verband met mogelijke specifieke omstandigheden. 4 Slagschaduw - 1 Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig object. Dit voorzover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van slagschaduwgevoelige objecten ramen bevinden. De slagschaduw die wordt veroorzaakt gedurende de tijd die noodzakelijk is voor het afschakelen van de windturbine, wordt niet meegerekend. De windturbine dient uitgerust te zijn met een voorziening die bijhoudt waar en wanneer slagschaduw optreedt alsmede de tijd dat slagschaduw heeft plaatsgevonden. Deze informatie dient ten minste vijf jaar te worden bewaard. Op verzoek overlegt de vergunninghouder een overzicht daarvan aan het bevoegd gezag. 5 Lichtschittering - 1 Op de betreffende onderdelen van de windturbines moeten niet reflecterende materialen of coatinglagen worden toegepast. Het meten van reflectiewaarden vindt plaats overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode. Begrippenlijst Voor de toepassing van de voorschriften in 5.1.3 worden onderstaande begrippen gehanteerd. Voor begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij aan de definities zoals opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals Bal, Bkl, Ob, et cetera). Begrippenlijst Begrip Definitie Afvalwater Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen. BBT Best Beschikbare Techniek genoemd in een BBT document. Commerciële ingebruikname De gebruiksduur start op het moment van aanmelding van de eerste productie van windenergie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Hemelwater Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel Lden De geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder f, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai. Lnight De geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder i, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai. MER Milieueffectrapportage. Meet- en rekenmethode geluid windturbines De meet- en rekenmethode geluid windturbines beschrijft de methode om de geluidsbelasting in de omgeving ten gevolge van windturbines en windturbineparken te bepalen. Het betreft de versie die als bijlage IVi is opgenomen bij de Omgevingsregeling. Slagschaduw Er is sprake van slagschaduw als de ingestraalde energie van de zon die bij het bewegen van de rotor van een windturbine slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw veroorzaakt, op een vlak loodrecht op de invalsrichting van de zon hoger is dan 120 W/m2. Slagschaduwgevoelig object Ieder object bedoeld voor bewoning of anderszins voor permanent verblijf van personen (woningen, woonboten of woonwagens en zorginstellingen), voor zover de gevel of het dakvlak voorzien is van één of meerdere lichtdoorlatende vlakken in de richting van de windturbine(s). Verkeersbeweging Het aan- of afrijden met een persoon-, bestel- of vrachtwagen. 5.1.4 Voorschriften omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit windpark De onderbouwing en bijhorende stukken voor het laten gelden van het projectbesluit als omgevingsvergunning flora- en faunactiviteit is opgenomen in bijlage IV. Voor de uitvoering van de in 5.1, eerste lid, sub d genoemde activiteit gelden de volgende voorschriften: 1 Algemene voorschriften - 1 De omgevingsvergunning geldt voor het 'projectgebied'. 2 De omgevingsvergunning geldt voor de aanlegfase (voor de periode januari 2025 tot en met december 2029) en de gebruiksfase van het windpark, die is voorzien voor een periode van 30 jaar (maximaal tot 1 september 2060). 3 De omgevingsvergunning geldt uitsluitend voor de soorten, verboden en belangen, zoals genoemd in 5.1 sub d tabel 7. 4 De vergunninghouder neemt direct contact op met de provincie Gelderland indien er verbodsbepalingen worden overtreden waarvoor geen omgevingsvergunning is verleend. Dit kan het geval zijn als er negatieve effecten optreden op soorten waarvoor geen omgevingsvergunning is verleend of als er onverwachte negatieve effecten van de activiteiten optreden. Dit kan via e-mailadres post@gelderland.nl, onder vermelding van het zaaknummer 2024-005313. 5 Deze omgevingsvergunning kan uitsluitend gebruikt worden door (medewerkers van) de vergunninghouder (Windpark Echteld Lienden B.V.) of in opdracht van de vergunninghouder handelende (rechts)personen. De vergunninghouder blijft verantwoordelijk en aansprakelijk voor de juiste naleving van deze omgevingsvergunning. 6 De in voorschrift 1 Algemene voorschriften onder 5 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de activiteiten van de omgevingsvergunning worden uitgevoerd over een (digitale) kopie van deze omgevingsvergunning, en tonen deze op verzoek aan de daartoe bevoegde toezichthouders en opsporingsambtenaren. 7 De in voorschrift 1 Algemene voorschriften onder 5 genoemde (rechts)personen zijn op de hoogte van de inhoud en het doel van deze omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften, zodanig dat zij daar ook invulling en uitvoering aan kunnen geven. 8 Indien de vergunninghouder de omgevingsvergunning in zijn geheel wil overdragen dan dient voor deze naamswijziging toestemming te worden gevraagd bij de provincie Gelderland, via e-mailadres post@gelderland.nl, onder vermelding van het zaaknummer 2024-005313. 9 Minimaal twee weken voor aanvang van de werkzaamheden waardoor verbodsbepalingen worden overtreden moet melding worden gedaan bij de provincie Gelderland, via e-mailadres post@gelderland.nl, onder vermelding van het zaaknummer 2024-005313. 10 De voorgenomen werkzaamheden tijdens de aanlegfase worden uitgevoerd met in achtneming van de maatregelen, zoals opgenomen in het Ecologisch werkprotocol en op aanwijzing van de ecologisch deskundige [2] De provincie Gelderland verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie, habitats en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en ((soort)specifieke) ecologische kennis heeft. De ervaring en kennis dient te zijn opgedaan doordat de deskundige: ● op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of ● als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus. Met betrekking tot soorten of specifieke soorten kan als deskundige ook iemand worden aangemerkt die: ● op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt ecologie, natuurbeheer of vergelijkbaar; en/of ● zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied) en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming. op het gebied van vogels, vleermuizen en (kleine) marterachtigen. 11 Minimaal twee weken voor aanvang van de werkzaamheden waardoor verbodsbepalingen worden overtreden wordt door de vergunninghouder een ondertekende opdrachtbevestiging van de ecologische begeleiding verstrekt aan de provincie Gelderland, via e-mailadres post@gelderland.nl, onder vermelding van het zaaknummer 2024-005313. In de opdrachtbevestiging wordt een omschrijving van de ecologische begeleiding, de naam en het telefoonnummer van de ecologisch deskundige vermeld. 12 Vanaf het moment dat verstorende werkzaamheden tijdens de aanlegfase plaatsvinden is de vergunninghouder ervoor verantwoordelijk dat de ecologisch deskundige tijdens de ecologische begeleiding alle bevindingen bijhoudt in een logboek. In het logboek wordt vermeld op welke data de deskundige aanwezig was, welke werkzaamheden zijn uitgevoerd en begeleid, en hoeveel exemplaren en verblijfplaatsen van welke beschermde soorten op welke locatie zijn waargenomen. Tevens worden er duidelijke foto’s van de werkzaamheden en de geplaatste voorzieningen opgenomen in het logboek. Het logboek moet altijd aanwezig zijn op de projectlocatie en wordt door de vergunninghouder op verzoek van een toezichthouder direct overhandigd. 13 Het logboek wordt door de vergunninghouder uiterlijk twee weken na afronding van de werkzaamheden waarbij ecologische begeleiding nodig was aan de provincie Gelderland verstrekt via post@gelderland.nl, onder vermelding van zaaknummer 2024-005313. 2 Soortspecifieke voorschriften - 14 Alle maatregelen zoals genoemd in 4.1.2, tabel 3 moeten worden uitgevoerd. 15 Teneinde het jaarlijks aantal slachtoffers onder vleermuizen, met name de rosse vleermuis, te minimaliseren, dienen de turbines voorzien te worden van een stilstandvoorziening (SVZ) tijdens de gehele gebruiksfase. De SVZ houdt in dat de draaisnelheid van de rotoren van de windturbines verlaagd wordt tot 1 rpm of minder onder de volgende specifieke omstandigheden (die tegelijkertijd aan de orde moeten zijn): a. In de periode tussen half maart tot 1 november én; b. Tussen zonsondergang en zonsopkomst én; c. Bij temperaturen hoger dan 10 graden én; d. Bij windsnelheden lager dan of gelijk aan 5 m/s op ashoogte én; e. Bij droog weer of lichte regen (< 3 mm/hr). 16 Indien ’s nachts werken bij aanleg- en mogelijke onderhoudswerkzaamheden onontkoombaar is, dan dient er – in de actieve periode van vleermuizen tussen half maart en 1 november – gebruik gemaakt te worden van vleermuisvriendelijk licht om verstoring bij vleermuizen (passerend en foeragerend) – zoveel mogelijk – te voorkomen. 17 Gedurende de eerste drie jaar na ingebruikname van de turbines moet de activiteit en migratie van vleermuizen gemonitord worden middels akoestische monitoringsmiddelen (zoals een batdetector) op gondelhoogte. Ook wordt conform het landelijke monitoringsprotocol voor windparken gemonitord op aanvaringsslachtoffers en wordt de activiteit en gebruik van het leefgebied in de omgeving van het projectgebied gemeten. De resultaten worden jaarlijks met de provincie Gelderland gedeeld. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze gecombineerde monitoring kan de aard en omvang van de SVZ worden herzien of verder gespecificeerd, echter uitsluitend in afstemming met de provincie Gelderland. 18 De nadere uitwerking van de monitoring voor vleermuizen wordt beschreven in een monitoringsprotocol, dat minimaal 1 maand voorafgaand aan de start van de gebruiksfase van het windpark aan de provincie Gelderland ter goedkeuring wordt overlegd. De resultaten van de monitoring worden na afloop van de monitoringsperiode, jaarlijks voor een periode van in totaal 3 jaar, gedeeld met het bevoegd gezag. 19 Om de sterfte van grutto in de gebruiksfase te reduceren en daarmee een negatief effect op de populatie te voorkomen is een SVZ voorzien. Deze SVZ voldoet aan de volgende voorwaarden om te verzekeren dat deze effectief is: a. Alle drie de windturbines ten noorden van de rijksweg A15 dienen te worden uitgerust met een SVZ; b. De periode waarin de SVZ actief dient te zijn, is van half maart tot en met eind mei, gedurende de daglichtperiode (tussen zonsopkomst en zonsondergang); c. Op basis van nader ecologisch onderzoek naar wijzigingen in het voorkomen van de grutto in en rond het projectgebied kan de aard en omvang van de SVZ worden herzien of verder gespecificeerd, mits er geen negatief effect is op de populatie en na goedkeuring van de provincie Gelderland; d. Op basis van nadere ontwikkelingen ten aanzien van camera- of radardetectie van de grutto en toepassing daarvan op windturbines, kan de aard en omvang van de SVZ worden herzien of verder gespecificeerd in die zin dat in plaats van de SVZ camera- of radardetectie mogelijk te maken. Dit is alleen toegestaan mits er geen negatief effect is op de populatie en na goedkeuring van de provincie Gelderland om in plaats van de SVZ camera- of radardetectie mogelijk te maken. 20 Om de kans op sterfte van de zeearend weg te nemen is een SVZ voorzien. Deze SVZ voldoet aan de volgende voorwaarden: a. Omdat vliegbewegingen van de zeearend in potentie in het gehele projectgebied kunnen plaatsvinden, worden alle windturbines uitgerust met een SVZ, die het gehele jaar in werking moet kunnen zijn; b. Vóór het moment van ingebruikname van het windpark dient een protocol voor de aansturing van de SVZ via camera- of radardetectie door de provincie te zijn goedgekeurd; c. In afwijking van sub b mag het windpark in gebruik worden genomen bij afwezigheid van een door de provincie goedgekeurd protocol voor camera- of radardetectie door de SVZ in te vullen op basis van vaste parameters (tijd van het jaar, tijd van de dag etc.). 21 Aangezien door het geplande windpark 11 ha leefgebied van de grutto negatief wordt aangetast, dient een vergelijkbaar oppervlak (11
- ha)ingericht en beheerd te worden als een volwaardig leefgebied van de grutto (zie compenserende maatregelen in 4.2.1). Het aan te leggen compensatiegebied dient te voldoen aan de volgende voorwaarden: a. Het vervangende leefgebied wordt voorafgaande aan de aanleg van het windpark aangelegd; b. Voorafgaande aan de ingebruikname van het compensatiegebied dient een compensatieplan ingediend te zijn bij de provincie Gelderland, met daarin een beschrijving van de inrichtings- en beheermaatregelen, overzicht van contracten met grondgebruikers, overzicht van toezicht en handhavingsinspanningen en beschrijving van de monitoringsinspanningen; c. Vóór eind december van elk kalenderjaar moet een monitoringsrapport, waarin de ontwikkelingen in het compensatiegebied beschreven worden, gestuurd worden naar de provincie Gelderland onder vermelding van het zaaknummer van dit besluit; d. De inrichting dient plaats te vinden onder leiding van een ecologisch deskundige op het gebied van weidevogels; e. Het compensatiegebied is in potentie geschikt of geschikt te maken voor grutto’s; f. In de ruime omgeving van het compensatiegebied (binnen maximaal 4
- km)is ten tijde van de aanleg van het compensatiegebied een populatie weidevogels aanwezig; g. Op het moment van aanleg van het compensatiegebied moet dit binnen of aansluitend aan de provinciaal aangewezen weidevogelgebieden binnen de provincie Gelderland gerealiseerd worden; h. Indien de compensatie plaatsvindt binnen een bestaand weidevogelgebied, dienen de af te sluiten contracten betrekking te hebben op percelen waarvoor op dit moment geen beheerovereenkomsten zijn afgesloten; i. De compensatie dient in een aangesloten gebied te worden gerealiseerd; j. Het compensatiegebied voldoet in zijn totaliteit aan de randvoorwaarden van tabel 1 uit de notitie “Compensatie leefgebied grutto, door aanleg Energiepark Echteld-Lienden van Waardenburg Ecology, 2025” (zoals opgenomen in bijlage VII); k. Er worden ‘zware’ beheerpakketten ingesteld met rustperiode vanaf 1 april tot het moment dat de vogels uitgebroed zijn en geen kuikens meer aanwezig zijn, indien nodig gecombineerd met de realisatie van kuikenvelden; l. Indien een gebied met plasdras reeds aanwezig is binnen een straal van 2 km vanaf het compensatiegebied, dan is het niet nodig om dit te realiseren; m. Bij tussentijdse wijziging van de compensatielocatie danwel van de inrichting of beheer daarvan gedurende de looptijd (30 jaar) dient een nieuw compensatieplan opgesteld te worden dat voldoet aan de voorwaarden die in de notitie “Compensatie leefgebied grutto, door aanleg Energiepark Echteld-Lienden van Waardenburg Ecology, 2025 (zoals opgenomen in bijlage VII). 22 De heiwerkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (1 maart tot 1 september) uitgevoerd worden. Heiwerkzaamheden mogen alleen overdag (tussen zonsopgang en zonsondergang) uitgevoerd worden. 23 De aanleg van het windpark (uitgezonderd de heiwerkzaamheden), dient bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels (1 maart tot 1 september) plaats te vinden. Als er toch in het broedseizoen gewerkt moet worden (uitgezonderd de heiwerkzaamheden), dan moet er eerst een veldcheck uitgevoerd worden en zal, voorafgaand aan het broedseizoen het gebied ongeschikt worden gemaakt (kort maaien van de aanwezige vegetatie tot max. 10 cm boven maaiveld) om te voorkomen dat er alsnog vogels tot broeden komen. Tijdens de aanlegfase zal er volgens een ecologisch werkprotocol gewerkt worden 24 Om effecten op de aanwezige jaarrond beschermde nesten in (de omgeving van) het projectgebied in de aanlegfase te voorkomen, moeten alle werkzaamheden (inclusief aanvoer- en transportactiviteiten) plaatsvinden op een minimale afstand van 75 meter van deze nesten. Voorafgaand aan de werkzaamheden moet een veldcheck plaatsvinden en kunnen afwijkingen van de genoemde 75 plaatsvinden op aanwijzing van de begeleidend ecoloog. 25 Om schadelijke handelingen tijdens de aanlegfase te voorkomen worden voortplantings- of rustplaatsen van steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel in de kwetsbare periode maart- augustus ontzien. Dit op aanwijzing van de ecologisch deskundige. 26 Om voldoende aanbod aan verblijfplaatsen én foerageergebied te waarborgen wordt in het leefgebied van de steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel vooraf (aansluitend op bestaande structuren, op logische plekken, zoals langs de greppels en in bermen) takkenrillen, houtstapels, ruig grasland of andere plekken met schuilmogelijkheden aangebracht. 50.000m2 dient voorafgaand aan de aanleg van het windpark functioneel gemaakt te worden voor deze soorten. 27 De deskundige zoals genoemd in 1 Algemene voorschriften onder 10 begeleidt in elk geval het plaatsen of aanbrengen van mitigerende maatregelen. 28 Versnippering van leefgebied van (mogelijk) aanwezige soorten wordt voorkomen door geen hekken langs de werkwegen te plaatsen. 29 De werkzaamheden tijdens de aanlegfase mogen niet eerder starten nadat door een ecologisch deskundige vooraf in het veld een controle is uitgevoerd, waaruit blijkt dat er geen nesten in gebruik zijn of andere beschermde diersoorten in het projectgebied gedood en/of verstoord kunnen worden bij uitvoering van de werkzaamheden (red: natuurvrijverklaring). 30 Voor de grote modderkruiper dient de aanleg van dammen in de voor deze soort geschikte wateren buiten de kwetsbare periode plaats te vinden. De minst kwetsbare periode betreft augustus en september én in andere maanden indien deze sloten droog staan. 5.1.5 Voorschriften omgevingsvergunning bouwactiviteit onderstation De onderbouwing en bijhorende stukken voor het laten gelden van het projectbesluit als omgevingsvergunning bouwactiviteit voor het onderstation is opgenomen in bijlage V. Voor de uitvoering van de in 5.1, tweede lid, sub a genoemde activiteit gelden de volgende voorschriften: - - 1 Gegevens en bescheiden Op basis van de voorschriften hieronder dienen nog gegevens en bescheiden verstrekt te worden. Gegevens en stukken moeten uiterlijk zes weken voor aanvang van de werkzaamheden zijn ingediend ter goedkeuring bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen, tenzij hieronder anders aangegeven. Er mag pas met de bouwwerkzaamheden worden gestart nadat goedkeuring door de Omgevingsdienst Regio Nijmegen is afgegeven; 2 Constructie Ten behoeve van de constructie moeten de volgende gegevens en bescheiden worden ingediend: 1. Geotechnisch rapport met een beschouwing van de volgende onderdelen: a. resultaten van het grondonderzoek, bestaande uit voldoende sonderingen; b. funderingsadvies; 2. Gewichtsberekening, waarin opgenomen: a. overzicht van toegepaste belastingen, belastingfactoren en belastingcombinaties; b. belastingen op de fundering. 3. Stabiliteitsberekening; 4. Overzichtstekening van de fundering; 5. Wapeningsberekeningen en-tekeningen van in het werk gestorte of prefab funderingsbalken, -stroken, –poeren en -palen; 6. Wapeningsberekeningen en – tekeningen van in het werk gestorte en geprefabriceerde betonconstructies; 3 Bouwveiligheidsplan Tenminste 3 weken vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden moet een bouwveiligheidsplan ingediend worden bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen. Het plan moet de volgende onderdelen bevatten: 1. ten minste een tekening waaruit de bouwplaatsinrichting blijkt met: a. de toegang tot de bouwplaats inclusief begrenzing, afscheiding en afsluiting van de bouwplaats; b. de ligging van het perceel waarop gebouwd wordt en de omliggende wegen en bouwwerken; c. de situering van het te bouwen bouwwerk; d. de aan- en afvoerwegen; 4 Melding Minimaal 1 maand voor commerciële inbedrijfname dient initiatiefnemer dit te melden aan ODRN en Provincie Gelderland. Onder commerciële inbedrijfname wordt verstaan het moment van aanmelding van de eerste productie van windenergie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. 5.1.6 Voorschriften omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken onderstation De onderbouwing voor het laten gelden van het projectbesluit als omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken voor het onderstation is opgenomen in bijlage V. Voor de uitvoering van de in 5.1, tweede lid, sub b genoemde activiteit geldt het volgende voorschrift: 1 De start van de bouw van het onderstation, mag slechts worden aangevangen indien de hoofdelementen van de landschappelijke inpassing ( (verbreding van) watergangen en aanleggen natuurvriendelijke oevers) zoals aangeduid op de kaart in bijlage VIII voor minimaal 80% van de aangeduide oppervlakte zijn gerealiseerd. 2 Ten minste 3 weken vóór aanvang van de aanlegwerkzaamheden als bedoeld in 1. moet een uitgewerkt landschappelijk inpassingsplan ingediend worden bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen, dat ten minste bestaat uit een gemaatvoerde tekening van de bestaande situatie en een gemaatvoerde tekening van de uitgewerkte nieuwe situatie. De genoemde maatvoering betreft de afmetingen van de watergangen en de afmetingen van de aan te leggen natuurvriendelijke oevers. 5.2 Wijziging omgevingsplan Dit projectbesluit wijzigt de omgevingsplannen van de gemeenten Neder-Betuwe en Buren. Deze wijzigingen zien op: ● het verbod om nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in de veiligheidszones van windturbines mogelijk te maken; ● het verbod om graafwerkzaamheden uit te voeren in kabelstroken ten behoeve van het windpark; ● het wijzigen van de functie van de woning aan de Saneringsweg 3 in IJzendoorn van ‘woning’ naar functie ‘woning met functionele binding tot het windpark’; ● een vrijstelling voor uitvoeren van werken en werkzaamheden in het kader van windpark Echteld-Lienden; ● de functieaanduidingen van de te saneren windturbines van windpark Echteld komen te vervallen. De wijzigingen zijn onderdeel van de betreffende omgevingsplannen zelf en zijn opgenomen in Bijlage B en Bijlage C van het Besluit op overheid.nl. Hoofdstuk 6 Termijn niet vaststellen belemmerende regels in het omgevingsplan 6.1 Termijn niet vaststellen belemmerende regels in het omgevingsplan Vanaf het moment waarop het projectbesluit is vastgesteld tot vijf jaar na vaststelling van het projectbesluit, of, wanneer het project waarvoor het projectbesluit is vastgesteld eerder is gerealiseerd, worden in het omgevingsplan van de gemeenten Neder-Betuwe en Buren geen regels opgenomen die het uitvoeren van het project belemmeren. Hoofdstuk 7 Rechtsmiddelen 7.1 Rechtsmiddelen 7.1.1 Het projectbesluit is op grond van artikel 5.46 Omgevingswet opgesteld en vastgesteld door het Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland. Dit besluit is tot stand gekomen met toepassing van de regels over de openbare voorbereidingsprocedure in afdeling 3.4 in de Algemene wet bestuursrecht. Het definitieve projectbesluit wordt, na de proceduretijd conform afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht, vastgesteld door de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland. 7.1.2 Het projectbesluit en bijlagen zijn tevens digitaal te vinden op de projectwebsite: Energiepark Echteld - Lienden (gelderland.nl). Bijlage I Overzicht informatieobjecten Lijst met informatieobjecten Bijlage II: Aanvraag bouwactiviteit windturbines /join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_II_aanvraag_bouwactiviteit_windturbines_vst/nld@2025-09-11;2 Bijlage III: Aanvraag milieubelastende activiteit /join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_III_aanvraag_milieubelastende_activiteit_vst/nld@2025-09-11;2 Bijlage IV: Aanvraag florafauna activiteit /join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_IV_aanvraag_florafaunaactiviteit_vst/nld@2025-09-11;2 Bijlage V: Aanvraag bouwactiviteit onderstation /join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_V_aanvraag_bouwactiviteit_onderstation_vst/nld@2025-09-11;2 Bijlage VI_a: Gecombineerd plan- en projectMER (incl bijlagen) /join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_VI_a_gecombineerd_plan_en_projectmer_incl_bijlagen/nld@2025-09-11;2 Bijlage VI_b: Samenvatting MER.pdf /join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_VIb_MER_Samenvatting_totaal/nld@2025-09-11;2 Bijlage VI_c: Advies reikwijdte en detailniveau MER /join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_VI_c_a3735rd_advies_reikwijdte_detailniveau_MER_13juli2023_vst/nld@2025-09-11;2 Bijlage VI_d: Voorlopig toetsingsadvies MER /join/id/regdata/pv25/2024/Bijlage_VI_d_a3735vts_voorlopig_toetsingsadvies_over_het_milieueffectrapport_5september2023/nld@2025-09-11;2 Bijlage VI_e: Toetsingsadvies MER.pdf /join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_VI_e_a3735tsea_toetsingsadvies_milieueffectrapport_en_aanvulling_27november2024_vst/nld@2025-09-11;2 Bijlage VII: Compensatie leefgebied grutto.pdf /join/id/regdata/pv25/2025/Bijlage_VII_compensatie_leefgebied_grutto_EnergieparkEchteldLienden_vst/nld@2025-09-11;2 overige parkinfrastructuur - kabelstroken /join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_9b112bc688d645a8993b38a121a16479/nld@2025-09-10;1 overige parkinfrastructuur - onderstation /join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_9570405fe00d47589eb0a47c61015ecd/nld@2025-09-10;1 overige parkinfrastructuur - toegangswegen /join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_73ae245aa8da49739950cc5bd7ced8fd/nld@2025-09-10;1 overige zone - woning met functionele binding tot het windpark /join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_9169ddfa874a49d89507cd29a6302378/nld@2025-09-10;1 permanent ruimtebeslag - windpark /join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_a37302ea17f04fcba1d96331c4699f5e/nld@2025-09-10;1 projectgebied /join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_f7be01974e3847129f49932e71c2c7ac/nld@2025-09-10;1 te saneren windturbines /join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_014dc92b28aa4e25a1301e95068feb06/nld@2025-09-10;1 tijdelijk ruimtebeslag - windpark /join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_85fe80cf358a46a1bb6c468128a6969f/nld@2025-09-10;1 tijdelijke bouwwegen /join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_0af82fd038034c67a14fe2e8caf1fa86/nld@2025-09-10;1 tijdelijke verharding /join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_1b91acb5196047fe9bcc7850a56513f6/nld@2025-09-10;1 windturbine - middelpunt mast /join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_1f5f46f432c449f1b78fa69c08baf49b/nld@2025-09-10;1 windturbine - opstelplaats /join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_16baf8ffd00b4c21a0bc342676a5e767/nld@2025-09-10;1 windturbine - schuifruimte middelpunt mast /join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_9a996d1e07344ee7978dd2c58d298c16/nld@2025-09-10;1 windturbine - veiligheidszone /join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_3282067dc4234177853d618181d7ae60/nld@2025-09-10;1 windturbine - vrijwaringszone /join/id/regdata/pv25/2025/gebiedsaanwijzing_2459f1fc97b146479788c55da4dd144b/nld@2025-09-10;1 windturbine 1 /join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_05bebfa988de4988aaa012c8c0dd4d1c/nld@2025-09-10;1 windturbine 2 /join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_472a6be7e57446f9b14cbc701aa64bbd/nld@2025-09-10;1 windturbine 3 /join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_21ce0646768c45f087dab0bbca615c4e/nld@2025-09-10;1 windturbine 4 /join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_4019f7fc9fc04c4aa5d93db2f577eeaa/nld@2025-09-10;1 windturbine 5 /join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_dd6a49176bc9445192b84653b6291ba3/nld@2025-09-10;1 windturbine 6 /join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_63008ade61fb4844b5cf51de3d6f3875/nld@2025-09-10;1 windturbine 7 /join/id/regdata/pv25/2025/locatiegroep_cbd80390c2934716a197343b693c583b/nld@2025-09-10;1 Bijlage II Onderbouwing vergunning omgevingsplanactiviteit bouwen en technische bouwactiviteit windpark 1 HOE HEBBEN WIJ DE BESLISSING GENOMEN? Hierna leest u per activiteit hoe wij de beslissing hebben genomen en wat de conclusie is. Het gaat om de volgende activiteiten: ● Bouwactiviteit voor het bouwen of verbouwen van een bouwwerk (technisch bouwen), art. 5.1 lid 2 onder a Omgevingswet; ● Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen of verbouwen van een bouwwerk (ruimtelijk bouwen), art. 5.1 lid 1 onder a Omgevingswet. De beslissing is genomen op basis van diverse stukken (zie DOCUMENTEN AANVRAAG BOUWEN WINDPARK en bijlage VI Gecombineerd plan- en projectMER). De aanvraag omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (omgevingsplan en technisch) betreft de zeven windturbines voor een duur van 30 jaar. De zeven windturbines en een onderstation maken onderdeel uit van het te realiseren Windpark Echteld-Lienden en zijn gelegen bij de A15 in het gebied ten noordoosten van de kern Echteld en ten zuiden van de kern Lienden in de gemeenten Neder-Betuwe en Buren. Het type windturbine wordt in een later stadium gekozen. De gebruiksduur start op het moment van aanmelding van de eerste productie van windenergie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). 2 BOUWACTIVITEIT VOOR HET BOUWEN OF VERBOUWEN VAN EEN BOUWWERK (TECHNISCH BOUWEN) 2.1 Wat staat er in de wet? In de Omgevingswet staat dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval (art. 5.1 lid 2 onder a Omgevingswet). Een omgevingsvergunning voor een “bouwactiviteit” (de technische bouwvergunning), voor zover die ziet op het ziet op het verbouwen of het verplaatsen van een bestaand bouwwerk, wordt alleen verleend als aannemelijk is dat er wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 8.3b lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving). 2.2 Toetsing aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (en eventuele maatwerkregels in het omgevingsplan) Op basis van de informatie bij het projectbesluit, is het aannemelijk dat het bouwplan, onder voorschriften, voldoet aan de regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (en, voor zover van toepassing, aan maatwerkregels in het omgevingsplan). De aan deze vergunning gekoppelde voorschriften zijn opgenomen in 5.1.1 van de Regeling Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden. 2.3 Conclusie Gelet op wat we hiervoor schrijven, verlenen wij de omgevingsvergunning voor de “bouwactiviteit” (de technische bouwvergunning). 3 OMGEVINGSPLANACTIVITEIT VOOR HET BOUWEN OF VERBOUWEN VAN EEN BOUWWERK (RUIMTELIJK BOUWEN) 3.1 Wat staat er in de wet? In de Omgevingswet staat dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval (art. 5.1 lid 1 onder a Omgevingswet).Een omgevingsplanactiviteit is, kort gezegd, een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om deze zonder omgevingsvergunning te verrichten maar ook elke activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. In de “Bruidsschat” staat dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken (art. 22.26 Bruidsschat). De regels van de Bruidsschat zijn te vinden in afdeling 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet en maken onderdeel uit van het (tijdelijke) omgevingsplan. In artikel 22.29 van de Bruidsschat staat wanneer wij een aanvraag omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit “bouwen” verlenen. De vergunning wordt alleen verleend als: a. de activiteit voldoet aan de daaraan gestelde regels in het omgevingsplan. Als daar niet aan wordt voldaan dan wordt de vergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgeving); b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachte ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, en; c. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, de bodemkwaliteit zich niet tegen de bouw en gebruik van het bouwwerk verzet. Hieronder bespreken wij alle toetsingscriteria. 3.2 Toetsing aan de bouwregels in het omgevingsplan Op basis van de ingediende stukken hebben wij de aangevraagde activiteit getoetst aan het omgevingsplan dat, kort gezegd, bestaat uit de regels uit de Bruidsschat en de regels uit de (voormalige) bestemmingsplannen op de locatie: Windturbines boven de A15: Bestemmingsplan Bestemming Conclusie Bestemmingsplan Buitengebied Buren Art. 4 --> agrarisch. Windmolens zijn niet toegestaan. Windturbine 5, 6 en 7 voldoen niet aan Bestemmingsplan Buitengebied Buren Paraplubestemmingsplan archeologie Gemeente Buren 2023 art 10 --> Waarde - Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 5 Windturbine 5 en 6: als het totaal oppervlakte van de grondwerkzaamheden inclusief de bouw minder is dan 5000 m2, dan geen verbod of aanleg. Totaal oppervlakte is minder, geen aanleg of bouwverbod. Windturbines 5 en 6 voldoen aan het bestemmingsplan archeologie. Paraplubestemmingsplan archeologie Gemeente Buren 2023 art 8 --> Waarde - Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 3 Windturbine 7: als het totaal oppervlakte van de grondwerkzaamheden inclusief de bouw minder is dan 2000 m2, dan geen verbod of aanleg. Totaal oppervlakte is minder, geen aanleg of bouwverbod. Windturbine 7 voldoet aan het bestemmingsplan archeologie. Windturbines onder de A15: Bestemmingsplan Bestemming Conclusie Parapluplan 2023 geen relevante aanduidingen --> bevat oa regels parkeren. andere regels geen invloed. Windturbines 1, 2, 3, 4 voldoen aan het parapluplan Parapluregeling Archeologie art 4 Waarde-Archeologie 2 Windturbine 1: als het totaal oppervlakte van de grondwerkzaamheden inclusief de bouw minder is dan 1000 m2, dan geen verbod of aanleg. Totaal oppervlakte is minder, geen aanleg of bouwverbod. Windturbines 2, 3, 4: geen relevante aanduiding/dubbelbestemming De windturbines voldoen aan het Parapluregeling Archeologie Parapluregeling Parkeren geen relevante aanduidingen Er is voldoende parkeergelegenheid. Windturbines 1, 2, 3, 4 voldoen aan Parapluregeling Parkeren Buitengebied Dodewaard en Echteld art 6 --> Agrarisch met waarden - 2 Ter plaatse van de aanduiding 'windmolen' zijn windmolens toegestaan. Bij de nieuwe windturbines 1, 2, 3 is geen aanduiding, dus strijdig. Windturbine 1, 2 en 3 voldoen niet aan bestemmingsplan Buitengebied Dodewaard en Echteld. Buitengebied Dodewaard en Echteld art 3 --> Agrarisch --> windmolens zijn niet toegestaan Windturbine 4 voldoet niet aan bestemmingsplan Buitengebied Dodewaard en Echteld. Projectbesluit windpark Echteld Lienden Voor zover het projectbesluit in strijd is met het omgevingsplan (zie hierboven), geldt het projectbesluit in de overgangsfase van rechtswege als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 22.16, lid 1, tweede zin, Omgevingswet). In het projectbesluit is in de gemotiveerd dat het project geen evenwichtige toedeling van functies aan locaties belemmerd. Daarmee is de planologische borging van de (bouw van
- de)windturbines geregeld en kan de vergunning worden verleend. 3.3 Toetsing redelijke eisen welstand Gezien het feit dat het plan een tijdelijk bouwwerk, dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, betreft, is er geen advies van Welstand noodzakelijk. Het plan is dan ook niet getoetst aan de redelijke eisen van welstand. Hierdoor hebben wij (op dit punt) geen reden om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor deze activiteit te weigeren. 3.4 Toetsing kwaliteit van de bodem Het bouwplan heeft geen betrekking op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De vergunning kan vanuit het oogpunt van bodemkwaliteit worden verleend. 3.5 Conclusie Gelet op wat we hiervoor schrijven, verlenen wij de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen of verbouwen van een bouwwerk (ruimtelijk bouwen) DOCUMENTEN AANVRAAG BOUWEN WINDPARK Hieronder zijn de documenten uit de aanvraag voor het bouwen van het windpark toegevoegd. De stukken zijn te raadplegen via onderstaande link (zie kader, onder URL). Titel document Kenmerk / versiedatum URL Aanvraag bijlagen bouwactiviteit windturbines.pdf 3 juli 2024 Bijlage II: Aanvraag bouwactiviteit windturbines Het MER is afzonderlijk toegevoegd in bijlage VI. Bijlage III Onderbouwing vergunning milieubelastende activiteit windpark 1 HOE HEBBEN WIJ DE BESLISSING GENOMEN? Hierna leest u per activiteit hoe wij de beslissing hebben genomen en wat de conclusie is. Het gaat om de volgende activiteit: ● Milieubelastende activiteit, art. 5.1, tweede lid onder b Omgevingswet. De beslissing is genomen op basis van diverse stukken (zie DOCUMENTEN AANVRAAG MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT en bijlage VI Gecombineerd plan- en projectMER). De omgevingsvergunning ziet op de milieubelastende activiteit (hierna: mba) het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 meter. De omgevingsvergunning is verleend met een tijdelijke termijn en geldt voor een periode van 30 jaren. Daarna moet de toestand zijn hersteld zoals die was vóór de verlening van deze omgevingsvergunning of dient de toestand te voldoen aan de dan geldende wettelijk voorgeschreven regels. Als daarvoor een omgevingsvergunning is vereist moet die zijn verleend vóór het verstrijken van de hierboven genoemde termijn. 2 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT WAT STAAT ER IN DE WET? In de Omgevingswet staat dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een mba te verrichten, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval (art. 5.1, tweede lid onder b Omgevingswet). 2.1 Advies ander bestuursorgaan of instantie In de Ow en het Omgevingsbesluit (Ob) worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 16.15, eerste lid van de Ow en afdeling 4.2 van het Ob, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden: ● college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neder-Betuwe; ● college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren; ● Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ). Beide colleges hebben vervolgens geen aanleiding gezien om advies uit te brengen. De VRGZ heeft op 27 mei 2024 een advies uitgebracht en daarin ten aanzien van de mba aangegeven dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de realisatie van het windpark. 3 TOETSING VAN DE AANVRAAG Op basis van de ingediende stukken hebben wij het aangevraagde plan getoetst aan de regels uit het Bal. 3.1 Inleiding De aanvraag heeft betrekking op een mba als bedoeld in artikel 3.11 van het Bal. Het gaat hier om de volgende mba: het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 meter. 3.2 Toetsing aanvraag Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 8.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beoordeeld of: ● milieuverontreiniging door de activiteit geïntegreerd wordt voorkomen of, wanneer dit niet mogelijk is, beperkt; ● emissies in de lucht, het water en de bodem en het ontstaan van afval door die activiteit worden voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, beperkt om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken; ● alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; ● de voor de activiteit in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast; ● geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt; ● energie doelmatig wordt gebruikt; ● maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken; ● bij de definitieve beëindiging van activiteiten maatregelen worden getroffen om elk risico van milieuverontreiniging door de activiteit voor het terrein waarop de activiteit werd verricht, te voorkomen of te beperken, als dat nodig om dat terrein weer geschikt te maken voor toekomstig hergebruik; ● het ontstaan van afvalstoffen en afvalwater zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt en de ontstane afvalstoffen doelmatig worden beheerd. Zo nodig zijn voorschriften die daartoe strekken opgenomen in 5.1.3 van de regeling van het Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. Bij een aantal milieuthema’s is uitgegaan van windturbines met de afmetingen, binnen de bandbreedtes, die het meest bepalend zijn voor het betreffende thema. De afmetingen kunnen dus per thema verschillen, maar steeds is een realistische worst case inschatting gemaakt voor de effectbeoordeling. 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving 3.3.1 Algemeen De mba waarvoor vergunning is aangevraagd, past binnen de reikwijdte van de aanwijzing van de vergunningplicht. Daarnaast vinden binnen de locatie geen mba’s plaats, die buiten de aanwijzing van de vergunningplicht vallen. Op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening is paragraaf 22.3.8.2 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de bruidsschat) van toepassing. 3.3.2 Specifieke zorgplicht Voor mba’s zoals omschreven in het Bal geldt naast algemene regels of een eventuele vergunningplicht een specifieke zorgplicht. Deze specifieke zorgplicht staat in artikel 2.11 van het Bal. Hij geldt voor de mba’s die in hoofdstuk 3 van het Bal zijn aangewezen. Dat betekent dat de specifieke zorgplicht ook geldt voor activiteiten, waarvoor in paragraaf 5.1.3 van de regeling van het Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden voorschriften zijn opgenomen. Artikel 2.11 van het Bal bestaat uit twee delen. Het eerste deel verplicht degene die de activiteit verricht om zorg te dragen voor bepaalde milieubelangen. Hoewel de zorgplicht een open norm is en moet blijven, wordt in het tweede deel van het artikel nader geconcretiseerd waaruit die zorgplicht in ieder geval bestaat. Dit geeft een handvat aan degene die de activiteit verricht om de vereiste zorg in te vullen. Het betreft geen uitputtende concretisering. In het algemeen zal de specifieke zorgplicht niet overtreden worden indien de activiteit op de gebruikelijke manier wordt uitgevoerd. De specifieke zorgplicht verbiedt handelingen waarvan duidelijk is dat deze niet toegestaan kunnen worden en iedereen zou moeten weten dat ze niet door de beugel kunnen. Aan deze vergunning zullen geen voorschriften worden verbonden voor activiteiten of aspecten, die reeds voldoende worden gedekt door de specifieke zorgplicht. Daar waar deze volgens ons in een specifiek geval onvoldoende duidelijkheid biedt, is de specifieke zorgplicht nader ingevuld met vergunningvoorschriften. Vergunningvoorschriften zijn ook gesteld als dat verplicht is op grond van paragraaf 8.5.2 van het Bkl. Dit is in de volgende hoofdstukken per milieuaspect uitgewerkt. 3.3.3 Uitspraak Raad van State d.d. 30 juni 2021 Op 30 juni 2021 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: Afdeling) geoordeeld dat de bepalingen voor windturbines in paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit en paragraaf 3.2.3 van de Activiteitenregeling (hierna: windturbinebepalingen) niet meer mogen worden gebruikt als onderbouwing voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van windparken, omdat voor de windturbinebepalingen in strijd met Europees recht geen milieubeoordeling is gemaakt. Voor nieuwe windparken gelden de rijksregels voor windturbines in het Bal en Bkl (nog) niet. Dit is juridisch vastgelegd in de overbruggingsregeling. Tot de nieuwe regels voor windturbineparken in werking treden, kan het bevoegd gezag voor nieuwe windparken voorschriften opnemen in de omgevingsvergunning milieu. Bij besluitvorming over het al dan niet toestaan van een windpark is nu een zelfstandige milieubeoordeling benodigd ten aanzien van de aspecten waar de windturbinebepalingen op zagen. Op grond van de gemaakte milieubeoordeling kunnen vervolgens milieunormen worden bepaald en voorschriften voor geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor de mba. De voorschriften moeten worden voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de lokale situatie toegesneden motivering. 4 BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN 4.1 Toetsingskader In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de mba voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat bij het verrichten van de milieubelastende activiteit ten minste de in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. 4.2 Concrete bepaling BBT De aanvraag heeft geen betrekking op één of meer IPPC-installaties. Op grond van artikel 8.10 van het Bkl moet voor het bepalen van BBT een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de informatiedocumenten over BBT, zoals opgenomen in bijlage XVIII, onder A, van het Bkl. Ook zijn de aspecten betrokken als genoemd in artikel 8.10, tweede lid, van het Bkl. 4.3 Conclusies BBT De milieubelastende activiteit voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften in paragraaf 5.1.3 van de regeling van het Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf. 5 AFVALSTOFFEN 5.1 Preventie Preventie van afval is één van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijksbrede programma Circulaire Economie. 5.2 Beoordeling De hoeveelheid afval die bij de mba vrijkomt is niet vermeld in de aanvraag. Alleen bij onderhouds- en reparatiewerkzaamheden komt jaarlijks een minimale hoeveelheid afval vrij. De monteur zal deze afvalstoffen weer meenemen, waardoor van opslag bij de mba geen sprake is. Gelet hierop concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen. 5.3 Conclusie De totale hoeveelheid gevaarlijk en/of niet gevaarlijk afval is minimaal. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen. Wel is een aantal algemene voorschriften voor afvalstoffen aan de vergunning verbonden. 6 AFVALWATER Binnen het windturbinepark komt alleen niet-verontreinigd hemelwater vrij. Door het plaatsen van de windturbines wordt nieuw verhard oppervlak gecreëerd. Het hemelwater stroomt over het maaiveld en infiltreert in de bodem. In paragraaf 22.3.8.2 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn hiervoor regels opgenomen. Deze hebben een rechtstreekse werking. 7 BODEM, ENERGIE, GEUR EN LUCHT Het opwekken van elektriciteit met windturbines geeft geen milieubelasting naar de bodem en lucht. Ook ontstaat er geen geuremissie en wordt er geen energie verbruikt maar opgewekt. 8 EXTERNE VEILIGHEID 8.1 Algemeen De aanwezigheid van windturbines kan effecten veroorzaken naar de omgeving. Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen, maar ook om de risico’s die veroorzaakt worden door een windturbine of een combinatie van windturbines. Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer: ● het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd; ● de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico). Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het PR is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met een (combinatie van) windturbine(s), indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. De gehanteerde norm voor het PR in Nederland is in beginsel 10-6 per jaar (d.w.z. een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in paragraaf 5.1.2.2 van het Bkl als grenswaarde voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en als standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties. Bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 meter moet een grenswaarde voor het PR in acht genomen van ten hoogste 10-5 per jaar. De betreffende paragraaf van het Bkl is echter (tijdelijk) niet van toepassing op het toelaten van dit windpark. Het groepsrisico voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in een keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen of met een windturbine. Met de grootheid groepsrisico is getracht een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. 8.2 Normstelling In hoofdstuk 5.10 van de ‘Motivering van het besluit’ en in hoofdstuk 6 van de notitie ‘Motivering milieunormen, Windpark Echteld-Lienden’ van Bosch & van Rijn (Bijlage XXII bij het MER - zie bijlage VI) is een uitgebreide onderbouwing gegeven voor de voor deze locatie te hanteren normen: ● het PR voor een kwetsbaar gebouw of locatie, veroorzaakt door een of meer windturbines van WP Echteld-Lienden, is niet hoger dan 10-6 per jaar; ● het PR voor een beperkt kwetsbaar gebouw of locatie, veroorzaakt door een of meer windturbines van WP Echteld-Lienden, is niet hoger dan 10-5 per jaar. 8.3 Beoordeling plaatsgebonden risico In het MER (bijlage I bij de Motivering) is onderzocht of het plaatsen van windturbines effecten heeft op verschillende veiligheidsaspecten. Om de veiligheid van het windturbinepark te beoordelen is gebruik gemaakt van de Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020) d.d. 20 mei 2020. Mogelijke risico's rond een windturbine zijn mastbreuk, het afbreken van de gondel of van een (deel van een) blad. De handreiking biedt een overzicht met de veiligheidsrisico’s van een windturbine of windturbinepark en hoe deze zich verhouden tot wet- en regelgeving en uitgangspunten omtrent het veiligheidsbeleid. Deze veiligheidsrisico’s kunnen worden berekend met de rekenmethode uit de Handleiding Risicoberekeningen Windturbines, meer specifiek Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid (Module IV – Windturbines, versie oktober 2020). In de HRW2020 wordt ook de normstelling van de 10-6 per jaar contour voor kwetsbare objecten (thans kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties) en van de 10-5 per jaar contour voor beperkt kwetsbare objecten (thans beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties) gehanteerd. Die regels geven aan hoe de kans moet worden berekend dat er een (stuk van een) blad van de windturbine afvalt of -breekt, een gondel valt of een mast breekt, en tot op welke afstand dit invloed kan hebben op de veiligheid. Om risico’s te beperken gelden er minimale afstanden voor het plaatsen van windturbines in de nabijheid van gebouwen en objecten, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Voor de PR 10-6 per jaar contour is maximaal 179 meter en voor de PR 10-5 per jaar contour is maximaal 69 meter berekend. Hieruit blijkt dat er geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de risicocontouren zijn gelegen. 8.4 Beoordeling groepsrisico In de HRW2020 wordt voor het groepsrisico geen beoordelingskader gehanteerd. In de praktijk blijkt namelijk dat een (combinatie van) windturbine(
- s)zelden of nooit tot een groepsrisico leidt. Hierdoor hoeft de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers niet nader beoordeeld te worden. 8.5 Relatie met het omgevingsplan Bij het vaststellen van het projectbesluit is voor de locatiekeuze van de windturbines rekening gehouden met de directe veiligheidsrisico’s voor (infrastructurele) werken. Het betreft risicovolle installaties (propaantanks), buisleidingen, hoogspanningsinfrastructuur en infrastructuur (openbare wegen). Uit het MER (bij de aanvraag gevoegd) blijkt dat door de plaatsing van de windturbines geen significante veiligheidsrisico’s, -effecten of hinder worden veroorzaakt. In de regels van het projectbesluit is geborgd dat binnen de PR 10-6 contour geen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen komen en binnen de PR 10-5 contour geen beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties mogen komen. Daarmee is afdoende geborgd dat externe veiligheid geen onaanvaardbare effecten voor het milieu opleveren. Nadere normering in deze omgevingsvergunning is dan ook niet nodig. 8.6 Conclusie Ten aanzien van de risico’s als gevolg van een ongeval met een windturbine menen wij dat wanneer binnen het windturbinepark conform de aan deze vergunning verbonden voorschriften in paragraaf 5.1.3 van de regeling van het Projectbesluit Windpark Echteld-Lienden en andere wettelijke regels gewerkt wordt, er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s voor de omgeving ten gevolge van een ongeval met (één van) de windturbines. 8.7 Ongewone voorvallen In de voorschriften zijn eisen opgenomen ten aanzien van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen. Voor de te plaatsen windturbines zal door een daartoe geaccrediteerde certificerende instantie een certificaat afgegeven moeten worden waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de veiligheidseisen. 9 GELUID 9.1 Algemeen Windturbines produceren geluid als de rotorbladen draaien. Dit geluid is voornamelijk afkomstig van de rotorbladen en is continu van aard. Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidemissie die de windturbines onder normale omstandigheden veroorzaken). Kortstondige relevante verhogingen van het geluidniveau (piekgeluiden LAmax) komen niet voor. 9.2 Normstelling In hoofdstuk 5.8 van de ‘Motivering van het besluit’ en in hoofdstuk 4 van de notitie ‘Motivering milieunormen, Windpark Echteld-Lienden’ van Bosch & van Rijn (Bijlage XXII bij het MER - zie bijlage VI) is een uitgebreide onderbouwing gegeven voor de voor deze locatie te hanteren norm voor Lden. In de notitie is onderbouwd dat de normen van maximaal 47 dB Lden en 41 dB Lnight ter plaatse van gevoelige objecten gehanteerd moeten worden. Na de start van de exploitatie van het windpark dient er een controlemeting te worden uitgevoerd. Het vaststellen van een norm voor het maximale momentane geluidsniveau, in de vorm van LAeq norm, is mogelijk. Een LAeq,1min norm is een aanvullende geluidnorm die wordt gesteld vanuit het oogpunt van handhaving. Het betreft een norm waar te allen tijde aan moet worden voldaan, ongeacht windsnelheid of weersomstandigheden. Een LAeq,1min norm biedt geen (extra) milieubescherming, mits deze norm is gebaseerd op geluidwaarden die op grond van de kenmerken van de windturbine en het windaanbod op locatie worden verwacht. Ten aanzien van tonaal laagfrequent geluid is het uitvoeren van een immissiemeting voorgeschreven. Geluidsnorm Voor het windpark Echteld Lienden geldt een geluidsnorm van 47 dB Lden en 41 Lnight. In de “motivering geluidnormen windpark Echteld Lienden” is aangetoond dat het park aan deze norm kan voldoen. Het gaat daarbij om het geluid dat alleen door het windpark Echteld Lienden wordt geproduceerd. Er geldt geen wettelijke norm voor de cumulatie van geluid (van bijvoorbeeld weg, spoor en windlawaai). Cumulatie van geluid Het is wel wettelijk verplicht om af te wegen of de cumulatie van geluid leidt tot een onacceptabel woon- en leefklimaat. Daarvoor geldt echter geen norm. In de notitie “motivering geluidnormen windpark Echteld Lienden” is gekeken naar de cumulatie van geluid van windpark Echteld Lienden en het bestaande windpark Buren én naar de cumulatie met alle geluidsbronnen uit de omgeving. Cumulatie met bestaande windpark Slechts bij één woning (Zilverlandseweg 1) gelegen vlak bij windpark Buren komt de cumulatie van windgeluid van beide windparken boven 47 dB Lden. Dit object ondervindt een marginale geluidsbelasting door Echteld Lienden van 41 dB Lden. De geluidsbelasting van (alleen) het windpark Buren op dezelfde woning bedraagt momenteel 47 dB Lden. In de notitie “motivering geluidnormen windpark Echteld Lienden” is berekend dat de cumulatieve geluidsbelasting van Zilverlandseweg 1 door het windpark Echteld Lienden met 1 dB stijgt van 47 naar 48 dB Lden. Deze marginale 1 dB is acceptabel. Dit is een vrijwel niet waarneembaar verschil. Daarmee verandert het woon- en leefklimaat niet. Wij beoordelen deze marginale 1 dB als acceptabel voor het leefklimaat. Cumulatie met alle geluidsbronnen In de omgeving zijn naast het bestaande windpark meer geluidsbronnen, zoals wegen en spoorwegen aanwezig. De woningen in het projectgebied met de hoogste geluidsbelasting (meer dan 60 dB) ondervinden die geluidsbelasting door de snelweg en/of het spoor. De windturbines dragen daar volgens het rapport Motivering Geluidsnormen niet aan bij. Voor die bewoners verandert de geluidssituatie niet. Voor de omgeving van het windpark is aangegeven dat er een stijging van alle gecumuleerde (weg, spoor en wind) geluid zal optreden. In tabel 12 van het rapport Motivering Geluidsnormen is dit weergegeven. De daar berekende waarden vinden wij aanvaardbaar. 9.3 Beoordeling De akoestische gevolgen van het in werking zijn van de windturbines zijn onderzocht en vastgelegd in de notitie ‘Akoestisch onderzoek Windpark Echteld-Lienden’ van Witteveen+Bos d.d. 29 mei 2024. De geluidrapportage betreft de plaatsing van de aangevraagde zeven windturbines op het grondgebied van de gemeenten Neder-Betuwe en Buren, nabij de snelweg A15. In de rapportage zijn twee verschillende types windturbines doorgerekend, zowel voor de ondergrens van de aangevraagde bandbreedtes als voor de bovengrens. De berekeningen zijn uitgevoerd met de maximale bronsterktes. De maximale bronsterkte is de geluidproductie die de turbine maximaal produceert, over het algemeen wanneer de turbine op maximaal (elektrisch) vermogen draait. De geluidrapportage bevat alle elementen en gegevens die doorgaans van een dergelijke rapportage verwacht mogen worden. De berekeningen zijn uitgevoerd conform de Meet- en rekenmethode geluid windturbines (MRGW), zoals opgenomen in bijlage IVi van de Omgevingsregeling. 9.4 Resultaten en maatregelen Lden en Lnight In het rapport zijn de berekeningsresultaten van het geluid van de twee windturbinetypes weergegeven ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen. Beschreven is op welke woningen er overschrijdingen van de grenswaarde optreden en hoeveel er moet worden ‘teruggeregeld’ om aan de betreffende normen te kunnen voldoen. Met ‘terugregelen’ wordt bedoeld dat windturbines een gedeelte van de tijd in een zogeheten ‘geluidreducerende modus’ kunnen draaien. Dit zorgt voor een lagere geluidproductie, maar ook voor een lagere energieopbrengst. Voor een representatief windturbinetype is een serie berekeningen uitgevoerd waarmee duidelijk wordt welke mitigatie er nodig is om de geluidbelasting op alle omliggende woningen te reduceren tot de normgrenzen. De geluidniveaus Lden en Lnight zijn bepaald ter plaatse van nabijgelegen woningen. Uit het geluidrapport blijkt dat de geluidnormen w