Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht; overwegende dat: deze beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026 een nadere uitwerking vormen van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026 en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en zijn hiermee onlosmakelijk verbonden; gelet op Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026; besluit vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026. Inleiding Deze beleidsregels zijn een verdere uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026 en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Ze horen bij deze wet- en regelgeving en kunnen niet los daarvan worden gezien. In de Wmo 2015 staat dat de gemeente verantwoordelijk is voor maatschappelijke ondersteuning. Ook moet de gemeente zorgen voor goede kwaliteit en het blijven bestaan van de voorzieningen. Als een inwoner met een beperking niet voldoende zelfredzaam of niet goed mee kan doen in de samenleving, moet de gemeente ondersteuning bieden. Eerst wordt gekeken of de inwoner het probleem zelf kan oplossen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden of algemene voorzieningen. Als dat niet genoeg is, kan de gemeente een maatwerkvoorziening bieden. Om goed te bepalen wat de inwoner nodig heeft, wordt een zorgvuldige procedure gevolgd. In deze procedure wordt gekeken wat de inwoner zelf kan doen, eventueel met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp uit het sociaal netwerk. Daarna wordt bekeken of er een algemene of andere voorliggende voorziening is die kan helpen. Pas als al deze mogelijkheden niet voldoende zijn, kan een maatwerkvoorziening worden ingezet. Hoofdstuk1.Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Wmo-verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026; Wmo-nadere regels: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Barendrecht 2026; Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Gemeente: Barendrecht. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht, de Wmo-verordening en de Wmo-nadere regels. Hoofdstuk2.Overgang binnen sociaal domein 2.1Overgang jeugdwet naar Wmo of participatiewet Om een goede overgang te regelen van jeugdzorg naar ondersteuning via de Wmo of de Participatiewet, wordt van jeugdzorgaanbieders verwacht dat zij op tijd contact opnemen met de gemeente. Dit geldt wanneer een jongere 16,5 jaar oud is en de verwachting is dat hij of zij ook na het 18e levensjaar ondersteuning nodig heeft. Daarbij gelden de volgende regels uit de Jeugdwet (artikel 1.1, definitie van “jeugdige”): Pleegzorg en verblijf in een gezinshuis kan doorlopen tot de jongere 21 jaar is. De jeugdzorg kan in bepaalde gevallen doorlopen na het 18de jaar tot maximaal 23 jaar als aan de volgende voorwaarden is voldaan: het gaat om jeugdzorg zoals beschreven in de 1e categorie van de definitie van jeugdhulp in art. 1.1. van de Jeugdwet; en indien er na het 18e levensjaar aantoonbaar geen andere vorm van financiering beschikbaar is vanuit bijvoorbeeld de Wet langdurige Zorg, de Wmo, de Zorgverzekeringswet of vanuit justitie; en voldaan wordt aan een van de volgende voorwaarden: de jeugdige kreeg al voor het18e levensjaar zorg en de gemeente vindt dat deze zorg moet doorgaan; vóór het 18e levensjaar is vastgesteld dat jeugdzorg nodig is; na beëindiging van de jeugdzorg (die was begonnen voor het 18de levensjaar) stelt de gemeente binnen een termijn van half jaar vast dat hervatting van de jeugdzorg noodzakelijk is. Als de jeugdige jeugdzorg ontvangt in het kader van straffen en maatregelen of van reclasseringstoezicht is voortzetting tot het 23ste levensjaar verplicht, als justitie dat aangeeft. In alle andere gevallen wordt verwacht dat de klantmanager Wmo zonder melding betrokken wordt bij het jeugdonderzoek. Dit voor een warme overdracht en de inzet van de juiste aanbieder. Hoofdstuk3Aanbod van voorliggende-, algemene- en maatwerkvoorzieningen 3.1Voorliggende voorzieningen Voorliggende voorzieningen zijn regelingen of hulp die vallen onder een andere wet of die geregeld zijn in een privaatrechtelijke overeenkomst, zoals een aanvullende (zorg)verzekering. Als met de voorliggende voorziening de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie kan worden opgelost, is het niet nodig een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo toe te kennen. Het kan ook voorkomen dat de kosten van een voorziening op basis van een andere wet niet als noodzakelijk worden gezien. Dan vindt er een onderzoek plaats naar aanspraak vanuit andere wetgeving. Als deze er is, hoeft de gemeente ook geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Een voorbeeld hiervan is een rollator die op grond van de Zorgverzekeringswet niet als noodzakelijk is aangemerkt. Bij voorliggende voorzieningen kan onder andere gedacht worden aan: Zittend ziekenvervoer via de Zorgverzekeringswet; Hulpmiddelen vanuit de Zorgverzekeringswet; ZZP-indicatie via de Wet Langdurige Zorg; Hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen via het UWV of de werkgever, voor werk of school; Persoonlijke verzorging via de Zorgverzekeringswet; Tijdelijke Respijtzorg via de Zorgverzekeringswet; Beschut werk of aangepast werk met of zonder jobcoach via de Participatiewet Hulp voor jeugdigen via de Jeugdwet; Leerlingenvervoer via de Regeling leerlingenvervoer. De gemeente moet per persoon bekijken of een voorliggende voorziening passend en voldoende is. Als dat niet zo is, of maar gedeeltelijk, wordt gezocht naar een andere oplossing. Als iemand er zelf voor kiest geen gebruik te maken van een voorliggende voorziening, is dat geen reden voor de gemeente om toch een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo toe te kennen. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt of hij of zij de voorliggende voorziening wil gebruiken. Aanspraak op een Wlz-verblijfsindicatie De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als een cliënt een Wlz-indicatie heeft. Er zijn uitzonderingen. De volgende cliënten kunnen wél in aanmerking komen voor bepaalde voorzieningen: Wlz-cliënten die thuis wonen, óók als zij wonen in een geclusterd wooninitiatief of instelling en zorg krijgen via een MPT (modulair pakket thuis) of VPT (volledig pakket thuis). Zij kunnen een aanvraag doen voor: woningaanpassingen; hulpmiddelen; woonvoorzieningen; vervoersmiddel; een rolstoel; of collectief vervoer. Wlz-cliënten die in een instelling wonen, kunnen een aanvraag doen voor: collectief vervoer; het bezoekbaar maken van de woning Als een cliënt op 1 januari 2021 al in een zorginstelling woonde en via de Wmo een rolstoel of vervoermiddel had, blijft de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud en aanpassingen van dat hulpmiddel. Zodra het hulpmiddel vervangen moet worden, valt dit onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (het zorgkantoor). Afwijzen van een aanvraag moet gebaseerd zijn op een onderzoek en met een goede motivatie. In het onderzoek moet worden vastgesteld dat de hulp of voorziening die via een andere wet (zoals Wlz of Zvw) wordt geboden voldoende is. Als dat niet zo is, kan de gemeente besluiten om toch aanvullende ondersteuning te bieden of gemotiveerd af te wijzen. Als tijdens het onderzoek (bijvoorbeeld een huisbezoek) blijkt dat er mogelijk sprake is van 24-uurszorg dichtbij of permanent toezicht, kan de cliënt een aanvraag doen voor een Wlz-indicatie. Als de cliënt niet meewerkt aan het krijgen van een Wlz-indicatie, kan de gemeente op basis van artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 weigeren om een voorziening of ondersteuning te geven. Deze weigering moet gebaseerd zijn op een goed onderzoek en duidelijk worden uitgelegd. Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is vaststellen of de cliënt voldoet aan de Wlz-criteria, namelijk de behoefte aan 24-uurszorg of permanent toezicht. Als de cliënt niet meewerkt aan de doorstroom naar de Wlz, bijvoorbeeld door geen aanvraag te doen, kan de Wmo voorziening worden beëindigd of ingetrokken. Indien nodig, na het opvragen van medisch advies. Aanspraak op zorg vanuit de Zvw Als persoonlijke zorg nodig is vanwege medische redenen of een verhoogd risico daarop, valt deze zorg onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). Een voorbeeld is persoonlijke verzorging die aan het lichaam gegeven wordt, zoals hulp bij wassen, aankleden, protheses aanbrengen, haren en nagels verzorgen, en persoonlijke hygiëne. De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als de cliënt: Al recht heeft op zorg via de Zvw; Of als de cliënt waarschijnlijk recht heeft op deze zorg, maar niet meewerkt om die te krijgen. Als het gaat over persoonlijke verzorging zonder medische component zoals instructie en begeleiding bij de persoonlijke verzorging voor specifieke doelgroepen met een verstandelijke en/of zintuiglijke beperking of bij psychiatrische problematiek dan kan deze hulp onder de Wmo vallen. 3.2Algemene voorzieningen Algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn diensten of activiteiten die iedereen kan gebruiken. Hiervoor is geen onderzoek nodig naar de behoefte of mogelijkheden van de gebruiker. Deze voorzieningen zijn bedoeld voor mensen met én zonder beperkingen. Voorbeelden (niet limitatief) van algemene voorzieningen zijn beschikbaar op het gebied van: Vrijwilligersdiensten via de welzijnsorganisatie; Welzijnswerk in de vorm van welzijn op recept of anderszins; Budget- en administratie ondersteuning; Laagdrempelige inloop- en ontmoetingsplaatsen. Activiteiten in een inloopvoorziening op wijkniveau; Jeugd- en jongerencentra, jeugdwerk, consultatiebureau; Sociale alarmering; Onafhankelijke cliëntondersteuning; Mantelzorgondersteuning; Maatschappelijk werk; Openbaar vervoer, Buurtbus; Boodschappenservice; Maaltijdservice; Kinderopvang, gastouder voor- vroeg- en buitenschoolse voorzieningen; Welzijnsorganisatie Kijk op Welzijn (KoW) biedt ondersteuning bij en organiseert veel initiatieven op het gebied van welzijn, sport, maatschappelijk werk en mantelzorgondersteuning. Wonen Welzijn Zorg (WWZ) Verspreid over Barendrecht zijn er ontmoetingsruimten en activiteiten die georganiseerd worden voor alle inwoners die daar behoefte aan hebben. In het Sociaal Hart zijn dagelijks activiteiten en ook kunt u op bepaalde dagen daar een warme maaltijd krijgen. In de Waterpoort worden verschillende activiteiten georganiseerd, meestal wel tegen betaling. Buurtkamer Vrijenburg kent een aantal inloopactiviteiten op doordeweekse dagen. De activiteiten en tijdstippen zijn op te vragen via de welzijnsorganisatie Kijk op Welzijn. Ook diverse kerken organiseren koffie- of eetontmoetingen, ook voor niet kerkelijk aangesloten inwoners. Als u zich eenzaam voelt of moeite heeft om de dag prettig te vullen en bovenstaande activiteiten bieden geen passende oplossing, kunt u via de huisarts een welzijn op recept krijgen. Een persoonlijke coach helpt u dan om bijvoorbeeld een nieuwe activiteit te vinden of nieuwe mensen te ontmoeten. Deze coach wordt betaald door de gemeente. 3.3Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen die: Niet specifiek bedoeld zijn voor mensen met een beperking; Daadwerkelijk beschikbaar zijn; Een passende bijdragen leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau op grond van algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen. Er zijn steeds meer producten in de winkel, via tweedehands aanbod of online verkrijgbaar die voor veel mensen geschikt zijn. Bijvoorbeeld een uitgebreid assortiment aan kinderwagens, fietsen voor het vervoer van jonge kinderen en huishoudelijke apparaten. Dit zal de komende jaren zo blijven. De klantmanager beoordeelt altijd of een product in de situatie van de cliënt voldoet aan de hierboven genoemde eisen. Algemene gebruikelijke voorzieningen zijn beschikbaar op het gebied van (dit is geen limitatieve lijst): Auto/ fiets/ elektrische fiets /bromfiets, tandem en andere gangbare vervoermiddelen; Airconditioning in de auto; automatische versnellingsbak, stuurbekrachtiging, lage instap; Fiets met verlaagde instap, met trapondersteuning, tandem; Fietskar, fietszitje voor vervoeren kinderen; Bakfiets voor vervoeren van kinderen; aanhaakfiets; Keramische kookplaat, elektrische kookplaat, of inductieplaat; Alle soorten kranen (éénhendel- mengkranen, thermostaatkranen; Doucheglijstang set; standaard douchekruk of-stoel; Verhoogde toiletpot, hangend toilet, tweede toilet en wandbeugels; Verkrijgbare drempelhulp tot 15 cm voor binnenshuis en buitenhuis, met uitzondering van oprijplaten voor een rolstoel, een vlonder of hellingbaan; Centrale verwarming, zonwering; airconditioning Wasdroger, vaatwasser en magnetron. Een woningaanpassing of renovatie die niet speciaal voor mensen met een beperking is, is algemeen gebruikelijk als het een oplossing biedt en betaalbaar is met een minimuminkomen. Wanneer een ruimte in de woning langer dan 30 jaar niet gerenoveerd is, is renovatie en vervanging algemeen gebruikelijk, ook bij woningen van de woningcorporatie. Soms bestaat een maatwerkvoorziening deels uit een algemeen gebruikelijke voorziening. Bijvoorbeeld als bij een badkamer- of keukenaanpassing ook een gewone reguliere renovatie gebeurt. Die kosten voor de reguliere renovatie zijn voor de eigenaar zelf. Kleine onderdelen zoals kranen, douchebak, douchecabine, spiegel, toiletrolhouder of zeepbakje bij een badkameraanpassing vallen onder algemeen gebruikelijke voorzieningen en worden niet vanuit de Wmo betaald. Ook onderdelen van de keuken, zoals kraan, koelkast, oven en kookplaat en meer dan noodzakelijke kastruimte bij een aanpassing van de keuken, horen hierbij. De extra kosten zijn dan voor de eigenaar. Bij een volledige nieuwe aanbouw, badkamer of woonunit zijn basiszaken zoals toilet, douchecabine en kranen wel inbegrepen bij de maatwerkvoorziening. Daarbij geldt altijd dat de goedkoopst adequate oplossing wordt gekozen. 3.4Maatwerkvoorzieningen algemeen 1.Afwegingskader Om te bepalen wie in aanmerking komt voor welke ondersteuning zijn afwegingskaders belangrijk. Deze kaders helpen tijdens het gesprek tussen de inwoner en de klantmanager (en eventuele begeleider/cliëntondersteuner) om een oplossing op maat te vinden. Hieronder vatten wij het algemene afwegingskader samen: Eigen verantwoordelijkheid en eigen kracht De inwoner is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven, zelfredzaamheid en participatie, met betrokkenheid van familie en het sociale netwerk. De inwoner wordt gestimuleerd om zelf de regie te houden en eigen mogelijkheden te gebruiken, ongeacht eventuele beperkingen, en gebruik te maken van mogelijkheden in de eigen omgeving. Toegankelijkheid Er moet een goede balans zijn tussen eigen kracht, sociaal netwerk en Wmo-ondersteuning zodat iemand zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. Eerst wordt gekeken naar eigen mogelijkheden, hulp vanuit het sociale netwerk, gebruikelijke hulp en algemene dan wel voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen. Pas daarna komt maatwerk van de gemeente in beeld. Inspanning van de inwoner De gemeente verwacht dat de inwoner zich maximaal inzet en bereid is om stappen te zetten, ook als dit niet de eerste keuze is. De inwoner wordt aangemoedigd om mee te werken aan voorgestelde oplossingen en deze te proberen. Afwijken kan, maar moet goed worden uitgelegd en gemotiveerd. Elke situatie vraagt om een persoonlijke afweging van de beste oplossing. Zonder goede reden niet meewerken kan leiden tot afwijzing van de Wmo-aanvraag. 2.Doel van de ondersteuning De ondersteuning helpt om zelfredzaamheid en deelname aan de maatschappij te behouden of te verbeteren op de volgende gebieden: gezondheid en zelfzorg; huisvesting en huishouden; zorg voor kinderen; beheer van administratie en financiën; dagbesteding; sociaal netwerk; maatschappelijke participatie en vervoer. 3.Verstrekkingsmogelijkheden Maatwerkondersteuning kan op drie manieren worden verstrekt: Als zorg in natura. Zorg in ‘natura’ wordt door de gemeente ingekocht bij een gecontracteerde aanbieder. De cliënt krijgt de afgesproken zorg en betaalt daarvoor een eigen bijdrage. De gemeente betaalt de zorgaanbieder. Bij maatwerkvoorzieningen zoals huishoudelijke hulp, begeleiding of dagbesteding kan de cliënt kiezen welke van de gecontracteerde aanbieders de ondersteuning zal bieden. Voor hulpmiddelen en trapliften werkt de gemeente met vaste leveranciers op basis van offertes. Door middel van een persoonsgebonden budget (Pgb). De cliënt koopt zelf de ondersteuning/voorziening in met een geldbedrag van de gemeente. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de ingekochte zorg zoals beschreven in het kwaliteitskader Pgb. Ook hier geldt een eigen bijdrage. Er zijn de volgende mogelijkheden van een pgb: Dienstverlening zoals huishoudelijke ondersteuning en begeleiding; Hulpmiddelen en woningaanpassingen; Vervoer, zoals een auto aanpassing. De eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) volgens landelijk beleid. Een financiële bijdrage kan gegeven worden voor: Verhuiskosten Hoofdstuk4Melding, onderzoek, aanvraag en besluit 4.1Melding algemeen Een verzoek om maatschappelijke ondersteuning begint met een melding. Deze melding kan door de cliënt zelf worden gedaan, of namens de cliënt. De melding kan digitaal, schriftelijk of telefonisch worden ingediend. Na de melding ontvangt de cliënt een bevestiging. Hierin staat dat de cliënt binnen zeven dagen na de melding een persoonlijk (ondersteunings)plan kan indienen (zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 wet). In dit plan legt de cliënt uit welke ondersteuning hij nodig vindt. Na de melding kan de cliënt verzocht worden mee te werken aan een vraagverheldering om informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de behandeling van de melding. Als blijkt dat de cliënt met de gegeven informatie en advies het probleem zelf kan oplossen, wordt de melding afgerond. Na de melding hoort de cliënt hoe het onderzoek verloopt. Dit kan telefonisch, via dossieronderzoek en/of een huisbezoek. Afhankelijk van de ondersteuningsvraag kan het onderzoek verschillen per voorziening. Bij een nieuwe cliënt vindt in principe een huisbezoek plaats, tenzij er bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn waardoor dat niet kan. Bij een melding voor hulp bij het huishouden of een woningaanpassing vindt in principe een huisbezoek plaats, tenzij er door persoonlijke omstandigheden reden is om dit niet te doen. De gemeente wijst de cliënt en de mantelzorger of belangenbehartiger voor het onderzoek op de mogelijkheid om gratis onafhankelijke cliëntondersteuning te krijgen. Cliënten die zich willen melden voor beschermd wonen (intra- en semimuraal) en/of maatschappelijke opvang worden doorverwezen naar de centrumgemeente Rotterdam. De uitgangspunten hiervan zijn beschreven in hoofdstuk 12 en 13 van deze beleidsregels. Spoedprocedure Als de situatie zo urgent is dat niet gewacht kan worden op het normale onderzoek, kan de zorgaanbieder gebruik maken van de spoedprocedure. Voor de maatwerkvoorzieningen kortdurend verblijf, Hulp bij het huishouden in de vorm van kindzorg of maaltijdverzorging en dagbesteding zijn spoedprocedures beschikbaar. Spoedprocedure wordt altijd door de zorgaanbieder of een verwijzend (huis)arts in gang gezet. De gemeente heeft afgesproken met zorgaanbieders dat bij spoed direct (zonder indicatie) twee weken ondersteuning kan worden gestart. Binnen die twee weken onderzoekt de Wmo-klantmanager samen met cliënt (en evt mantelzorger) wat naar de persoonlijke omstandigheden, de geleverde mantelzorg en de ondersteuningsvraag nog door de mantelzorger gedaan kan worden en waar extra hulp nodig is. Bij direct opvang wordt dit gemeld bij de centrumgemeente Rotterdam. Bij huiselijk geweld wordt Veilig Thuis direct ingeschakeld. Voorzieningen Spoedzorg is altijd maatwerk en wordt in natura gegeven (via een aanbieder). Bij hulp in het huishouden gaat het alleen om niet uitstelbare taken, zoals zorgen voor eten, drinken en jonge kinderen. Eerst wordt gekeken of gebruikelijke hulp, het eigen netwerk, aanpalende wetgeving of voorliggende voorzieningen een oplossing kunnen bieden. Voor spoedopnames zijn crisisbedden beschikbaar. Als de cliënt blijvend 24-uurszorg of permanent toezicht nodig heeft, valt opname onder de Wlz. Het CIZ moet binnen twee weken een Wlz-indicatie afgeven. Tijdens de aanvraagperiode voor de Wlz indicatie zorgt familie of het sociale netwerk voor toezicht, o.a. in de avonduren en de nacht (in een later stadium wordt dan bekeken bij welke partij de kosten hiervoor worden neergelegd). Zorgaanbieders die zorg geven aan cliënten die niet aan de criteria voldoen, doen dit op eigen kosten. Bij alle spoedzorg moet een melding gedaan worden en moet schriftelijke toestemming gegeven zijn. 4.2Cliëntondersteuning In de brief waarmee de gemeente de ontvangst van het meldingsformulier bevestigt, staat dat de cliënt gebruik kan maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. Ook staat erbij bij wie deze ondersteuning gevraagd kan worden. Cliëntondersteuning is bedoeld om mensen die kwetsbaar zijn te helpen zelfredzaam te blijven of te worden. Het is er niet alleen voor de cliënt zelf, maar ook voor de mensen om hem heen, zoals familie of mantelzorgers. Het helpt voorkomen dat er onnodig gebruik wordt gemaakt van voorzieningen. De cliëntondersteuner helpt de cliënt zijn eigen kracht en netwerk te versterken. Dat doet hij bijvoorbeeld door: het ondersteunen van mantelzorgers, het inzetten van vrijwilligers, het zoeken naar oplossingen samen met het sociale netwerk (zoals familie of bekenden). Een cliëntondersteuner moet onafhankelijk zijn van organisaties die de indicatie stellen of zorg leveren. De ondersteuner weet goed welke hulp of zorg er in de buurt beschikbaar is. Hij of zij kan ook meegaan naar het gesprek met de persoon die bepaalt welke zorg nodig is. Organisaties die cliëntondersteuning kunnen bieden zijn bijvoorbeeld: MEE Rotterdam Rijnmond, maatschappelijk werk, of een vrijwilligersorganisatie. 4.3Onderzoek Medewerking cliënt en stappen in het onderzoek De cliënt moet meewerken aan het onderzoek en de gemeente alle informatie geven die nodig is. Het gaat dan om gegevens en documenten die de cliënt redelijkerwijs kan aanleveren. Een zorgvuldig onderzoek door de gemeente verloopt in de volgende stappen (zoals bevestigd door de Centrale Raad van Beroep op 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819): De gemeente kijkt eerst wat precies de hulpvraag van de cliënt is. Daarna wordt onderzocht met welke problemen de cliënt te maken heeft bij het zelfstandig functioneren (zelfredzaamheid) of meedoen in de samenleving (participatie). Vervolgens wordt bepaald welke ondersteuning nodig is (en in welke vorm en hoeveelheid) om de cliënt goed te helpen. Dan onderzoekt de gemeente welke hulp de cliënt kan krijgen van: zichzelf (eigen kracht), huisgenoten (gebruikelijke hulp), mantelzorgers, het sociaal netwerk, en algemene of voorliggende voorzieningen (zoals beschreven in hoofdstuk 3). Alleen als deze hulp niet genoeg is, kan een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo worden toegekend. Als er speciale kennis nodig is voor het onderzoek, moet de gemeente een deskundige inschakelen. De cliënt krijgt informatie over: een eventuele eigen bijdrage die hij moet betalen, zijn rechten en plichten, het verdere verloop van de aanvraagprocedure, en de mogelijkheid om schriftelijk een aanvulling te geven op het onderzoeksrapport. Informatie bij andere instanties De gemeente kan, met toestemming van de cliënt en binnen de kaders van de privacywet (AVG), informatie opvragen bij bijvoorbeeld de huisarts of andere betrokken hulpverleners. De gemeente mag met hen in gesprek gaan over de situatie van de cliënt en de meest geschikte ondersteuning. Resultaat van het onderzoek Het onderzoek leidt tot een uitkomst. Die uitkomst kan bestaan uit één of meer van de volgende onderdelen: inzet van eigen mogelijkheden van de cliënt, hulp van het sociaal netwerk, gebruik van algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruik van algemene voorzieningen, voorzieningen uit andere wetten of regelingen, en/of een maatwerkvoorziening via de Wmo. Keuze voor soort maatwerkvoorziening Als de cliënt recht heeft op een maatwerkvoorziening, krijgt hij uitleg over de keuze tussen: zorg in natura (via een aanbieder), of een persoonsgebonden budget (pgb). De cliënt wordt hierbij ook geïnformeerd over: de voorwaarden voor het krijgen van een pgb, en de rechten en plichten die daarbij horen. 4.4Eigen mogelijkheden en eigen kracht In de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) staat het versterken van de eigen kracht van mensen centraal. De wet gaat ervan uit dat mensen eerst zelf proberen om hun problemen op te lossen, eventueel met hulp van mantelzorgers, huisgenoten en personen uit het sociale netwerk op te lossen. Pas als dat niet lukt, kan de gemeente ondersteuning bieden via voorzieningen. Wat betekent "eigen kracht"? Eigen kracht betekent dat mensen eerst kijken wat ze zelf kunnen doen of wat hun omgeving kan doen. Dat noemen we zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid. Het gaat bijvoorbeeld om: zelf beslissingen nemen over het dagelijks leven, zelf oplossingen zoeken voor problemen, meedoen aan de samenleving, ook als je beperkingen hebt. Eigen kracht is niet alles zelf kunnen: Het is niet de bedoeling dat mensen alles alleen doen, maar wel dat ze eerst kijken welke mogelijkheden ze zelf hebben of welke hulp ze uit hun eigen netwerk kunnen krijgen, zoals familie, vrienden of buren De cliënt wordt geacht waar mogelijk zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Het is immers de verwachting dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Het gebruik van een eigen auto of een auto van een persoon uit het sociale netwerk is bijvoorbeeld een oplossing vanuit eigen kracht. De gemeente kijkt ook naar het sociaal netwerk van de cliënt. Dit zijn de mensen en contacten om je heen die kunnen helpen. We maken daarbij onderscheid tussen twee soorten netwerken: Sociaal netwerk Dit zijn de persoonlijke contacten en relaties die je hebt (Harting & Assema, 2007), zoals: familie, vrienden, buren, kennissen of collega’s. Van cliënten wordt verwacht dat zij in overleg met deze mensen kijken of er (gedeeltelijke) oplossingen mogelijk zijn. Vrienden, kennissen en familie zijn tenslotte vaak bereid om te helpen. Informeel netwerk Dit zijn mensen of instellingen in de buurt of wijk die die vrijblijvend en zonder vaste structuur zorgen voor sociale samenhang en die in nauw contact staan met elkaar. Denk aan: kerken of moskeeën, scholen, buurtverenigingen. Deze netwerken zijn minder persoonlijk, maar kunnen soms toch helpen of ondersteunen. Het verschil: Een sociaal netwerk bestaat uit mensen met wie je een emotionele band hebt. Het sociale netwerk richt zich op het welzijn van de personen in dat netwerk. Een informeel netwerk gaat meer over sociale samenhang in de leefomgeving (stad, dorp, wijk of buurt) waarin je woont en hoe mensen daar met elkaar omgaan. De Wmo-klantmanager bespreekt tijdens het onderzoek met de cliënt of en hoe deze netwerken kunnen helpen. Dat kan leiden tot een passende oplossing zonder dat een maatwerkvoorziening nodig is. Bijdrage vanuit eigen kracht Van een cliënt mag ook worden verwacht dat hij of zij de woning aanpast of opnieuw inricht, als dat helpt om beperkingen te compenseren. Denk bijvoorbeeld aan het verplaatsen van meubels of het aanpassen van de indeling van het huis. Of het aanpassen van een dag- of weekplanning, passend bij de beperkingen en energiebalans. 4.5Advisering Als tijdens het onderzoek blijkt dat er specialistische kennis nodig is, kan de gemeente een deskundig advies aanvragen. Dit gebeurt alleen met toestemming van de cliënt, en volgens de regels van de privacywet (AVG). Als de cliënt geen toestemming geeft, beoordeelt de gemeente of het onderzoek en/of de aanvraag toch kan worden afgehandeld met de beschikbare informatie. Als er een extern onderzoek is gedaan, bekijkt de gemeente of dit zorgvuldig is uitgevoerd. 4.6Onderzoeksrapport Na het onderzoek maakt de gemeente een schriftelijk verslag van de bevindingen. Dit heet het onderzoeksrapport. De cliënt ontvangt dit rapport per post of digitaal. De cliënt (of diens vertegenwoordiger) krijgt 10 werkdagen de tijd om te reageren op het rapport. Als er feiten niet kloppen, worden deze als aanvulling toegevoegd bij het onderzoeksrapport. Opmerkingen of meningen van de cliënt kunnen als aanvulling worden toegevoegd, maar vervangen de tekst van het rapport niet. De Wmo-klantmanager beoordeelt deze aanvullingen. 4.7Aanvraag De cliënt kan pas een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doen nadat het onderzoek is afgerond. De aanvraag wordt gedaan via: het ondertekende onderzoeksrapport, of; een speciaal aanvraagformulier. Als het onderzoek niet binnen 6 weken na de melding is afgerond, mag de cliënt direct een aanvraag indienen. De gemeente moet binnen 2 weken na ontvangst van de aanvraag een besluit nemen. Lukt dit niet, dan ontvangt de cliënt een opschortingsbrief. In deze brief staat waarom het langer duurt, en wanneer de beslissing alsnog wordt verwacht (volgens artikel 4:14 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht, Awb). 4.8Opschorting beslistermijn Als de cliënt voor de afhandeling van zijn aanvraag nog gegevens moet overleggen, dan wordt hem dat schriftelijk gevraagd, met vermelding van de termijn waarbinnen hij die gegevens moet overleggen. De afhandelingstermijn wordt opgeschort zolang de cliënt de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Als de gegevens niet binnen de termijn zijn verstrekt, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld als deze gegevens wezenlijk zijn voor de afhandeling van de aanvraag; De beslis-/afhandelingstermijn kan eveneens worden opgeschort als: Er informatie uit het buitenland moet komen die onmisbaar is om te kunnen beslissen. Als de cliënt schriftelijk instemt met uitstel (telefonische afspraken over uitstel zijn schriftelijk te bevestigen); Als de vertraging aan de cliënt kan worden toegerekend; Als het door overmacht onmogelijk is te beslissen. 4.9Geen melding gedaan Als een cliënt een aanvraag indient terwijl er geen sprake is geweest van een melding en er is ook geen sprake is van een spoedeisende situatie dan wordt de aanvraag aangemerkt als een melding. De cliënt wordt ervan op de hoogte gesteld dat de aanvraag te vroeg is ingediend en aangemerkt is als melding. Dit betekent dat er eerst een onderzoek wordt gestart. Als de cliënt geen onderzoek wil dan neemt de gemeente de aanvraag in behandeling en wel door een besluit te nemen op basis van de beschikbare informatie. In dat geval is de kans groot dat de gemeente de aanvraag afwijst, omdat er te weinig informatie is om een goed besluit te nemen. 4.10Aanvraag maatwerkvoorziening in de vorm van een Pgb Bij de aanvraag voor een Pgb gelden extra regels. De cliënt moet bij de aanvraag een Pgb-plan aanleveren. Hiervoor is een standaardformat beschikbaar. In dit plan legt de cliënt uit waarom de ondersteuning geregeld moet worden met een Pgb. De gemeente controleert of de cliënt of degene die het Pgb beheert, goed kan omgaan met het Pgb. De cliënt moet laten zien dat de hulp die ingekocht wordt, veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. De precieze voorwaarden staan beschreven in bijlage 1 en 2 van de verordening. 4.11De beschikking Na het onderzoek en de aanvraag ontvangt de cliënt een beschikking. Hierin staat: Welke maatwerkvoorziening is toegekend of afgewezen; Hoeveel uren of in welke omvang de ondersteuning geldt; Of de ondersteuning wordt geleverd via zorg in natura of een Pgb; De start- en einddatum van de indicatie; (Eventueel) het tarief van de ondersteuning, zodat de cliënt weet wat het kost; Of de cliënt een eigen bijdrage betaalt voor de maatwerkvoorziening. De beschikking bevat ook een persoonlijke toelichting op dit besluit. 4.12Heronderzoek en evaluatie De gemeente werkt met doelen bij het geven van de ondersteuning. Dit betekent dat bij het toekennen van een maatwerkvoorziening doelen worden gesteld. Om te zorgen dat de hulp goed blijft passen, plant de gemeente samen met de aanbieder en de cliënt een evaluatiegesprek in. Tijdens deze evaluatie wordt besproken hoe de hulp verloopt en of deze moet of kan worden bijgesteld, rekening houdend met aangepaste wetgeving of beleid. Ook kan het (juiste) gebruik van toegekende hulpmiddelen en vervoersmiddelen worden bekeken. Hoofdstuk5Maatwerkvoorzieningen 5.1Voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor aan maatwerkvoorziening Hoofdverblijf Wanneer een cliënt aantoonbaar en langdurig het hoofdverblijf in de gemeente heeft komt deze in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. Dit blijkt meestal uit de inschrijving in de BRP van de gemeente, maar is niet noodzakelijk. De feitelijke situatie op het moment van het besluit is leidend. Een vakantiewoning telt niet als hoofdverblijf. Bij twijfel of een woning voor permanente bewoning bestemd is, kijkt de gemeente naar het bestemmingsplan. Beperkingen en langdurige noodzaak Om in aanmerking te kunnen komen voor een maatwerkvoorziening moet er sprake zijn van beperkingen op gebied van zelfredzaamheid of participatie. De beperkingen kunnen lichamelijk, verstandelijk, psychisch, geriatrisch of psychosociaal zijn. De cliënt kan een melding doen wanneer er hierdoor sprake is van belemmeringen in de zelfredzaamheid of het kunnen meedoen in de maatschappij. Soms is medisch advies nodig om de ernst of oorzaak van de beperkingen duidelijk te maken. En om vast te stellen of een maatwerkvoorziening medisch noodzakelijk is of dat deze juist anti-revaliderend werkt. Daarnaast kan de (medisch) adviseur uitsluitsel geven over de vraag of er sprake is van een langdurige noodzaak. ‘Langdurig noodzakelijk’ betekent in principe langer dan 6 maanden of een blijvende situatie. Onder een ‘blijvende situatie’ wordt ook de terminale levensfase verstaan. Voor sommige maatwerkvoorzieningen, bijvoorbeeld hulp bij het huishouden, kan het ook om een kortere periode gaan. Als de verwachting is dat cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren. Bijvoorbeeld wanneer behandeling of revalidatie nog mogelijk is, dan mag van kortdurende medische noodzaak worden uitgegaan. Bij ziektebeelden met afwisseling tussen goede en slechte periodes kan toch sprake zijn van een langdurige noodzaak. Voorzienbaarheid Voorzienbaarheid (vermijdbaarheid) is de mogelijkheid van de cliënt om zelf of samen met het eigen netwerk actie te ondernemen wanneer een situatie achteruit gaat en de problemen en belemmeringen toe zullen nemen. Tijdens het onderzoek wordt nagegaan hoelang de cliënt zich al bewust is van aangegeven problematiek en het verloop daarvan en wat de cliënt gedaan heeft om de problematiek op te lossen. Op basis daarvan wordt voorzienbaarheid bepaald. Indien vastgesteld kan worden dat de cliënt zich bewust was van de problemen die zouden ontstaan en dat cliënt niets of onvoldoende heeft gedaan om zelf op te lossen, kan dit reden zijn om een voorziening of ondersteuning te weigeren. Belangrijk daarbij is rekening te houden met het feit of cliënt naast bewust ook in staat geweest is om een oplossing te bedenken en door te voeren. Aan een afwijzing op basis van voorzienbaarheid moet altijd goed onderzoek en motivatie ten grondslag liggen. Leeftijd of een progressieve ziekte op zich is geen directe reden om op basis van voorzienbaarheid af te wijzen. Hoofdstuk6Hulp bij het huishouden 6.1Uitgangspunten voor hulp bij het huishouden Hulp bij het Huishouden is een maatwerkvoorziening binnen de Wmo 2015. Het doel is om mensen te ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken, zodat zij zelfstandig kunnen blijven wonen en leven in een schone en leefbare omgeving. De Wmo 2015 definieert zelfredzaamheid als: ‘in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemeen dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden’. De inzet van de maatwerkvoorziening Hulp bij Huishouden draagt bij aan de zelfredzaamheid door ondersteuning te bieden op het gebied van huishoudelijke taken en eventueel ook lichte begeleiding bij het realiseren van een gestructureerd huishouden. De gemeente gebruikt de meest recente versie van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning (van bureau HHM) als richtlijn om te bepalen: Welke hulp nodig is; Hoeveel tijd daarvoor nodig is (in minuten per week); Wat wel en niet onder huishoudelijke hulp valt. Waarom een normenkader? Om objectieve, eerlijke en vergelijkbare besluiten te nemen; Om de rechtspositie van cliënten te versterken (duidelijkheid over tijdsbesteding); Om toch ruimte te houden voor maatwerk op basis van iemands persoonlijke situatie. Het doel van het gebruik van het Normenkader is om uniformiteit in de toekenning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, waarbij deze is gebaseerd op volledige overname van het huishouden. Iedere individuele situatie wordt onderzocht en er wordt met behulp van deze richtlijn ondersteuning op maat toegekend. De gemeente kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Hierbij wordt gemotiveerd aangegeven waarom een toekenning wordt aangepast (verhogen of verlagen). In het Normenkader 1 https://www.hhm.nl/wp-content/uploads/MW250050-Normenkader-Huishoudelijke-Ondersteuning-2025-bureau-HHM.pdf wordt uitgegaan van de volgende basisuitgangspunten: Definitie van het resultaat: een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basis hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De afbakening van de ruimtes waarop de voorziening betrekking heeft: de cliënt moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer/toilet en gang/trap/overloop. De afbakening van activiteiten die onder de voorziening vallen en welke niet: Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van de ondersteuning bij het huishouden. De normering van de voorziening: Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp, maken we gebruik van het meest recente Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning (bureau HHM). Maatwerk, ondersteuning op maat: Het normenkader ziet op maatwerk voor de individuele cliënt. In het normenkader is aangegeven hoeveel tijd nodig is als sprake is van volledige overname van het huishouden bij de omschreven ‘gemiddelde cliëntsituatie’ (ofwel ‘ijkcliënt’) en op grond waarvan minder als mogelijk of meer als nodig ondersteuning wordt geboden. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger schoonmaakniveau, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding. Voor minder ondersteuning wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van eigen kracht, gebruikelijke hulp en het netwerk. Als sprake is van voorliggende voorzieningen/oplossingen, dan wordt hiervoor geen Wmo-maatwerkvoorziening inzet. 6.2Gebruikelijke hulp in relatie tot hulp bij het huishouden De gemeente hoeft geen maatwerkvoorziening te geven als de hulp kan komen van gebruikelijke hulp (artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo). De Wmo (artikel 1.1.1 Wmo) bepaalt wat gebruikelijke hulp is: hulp die je redelijk mag verwachten van: je echtgenoot of partner, je ouders, inwonende kinderen, andere huisgenoten. Iedereen in hetzelfde huishouden is samen én individueel verantwoordelijk voor het schoonmaken en organiseren van het huis. Als de huisgenoten die in de leefeenheid verblijven, geen beperking hebben, geldt: Onder huisgenoot wordt verstaan 'een persoon die- ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze- één huishouden vormt/samen een gemeenschappelijke woning bewoont met de persoon die beperkingen ondervindt, volgens artikel 1, bepaling d hoeft een huisgenoot niet te staan ingeschreven op het adres van de hulpvrager, die persoon moet de huishoudelijke taken uitvoeren, dit wordt gebruikelijke hulp genoemd (geen mantelzorg), gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Een uitzondering hierop is de inwonende mantelzorger die door de overname van zorgtaken zijn huishoudelijke taken (gedeeltelijk) niet kan uitvoeren (het voorkomen van de uitval van de mantelzorger); Op het moment dat één of meer personen van de leefeenheid om wat voor reden ook niet meer in staat is/zijn de afgesproken taken te vervullen, dan worden de overige leden van de leefeenheid geacht deze taken over te nemen. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: Iedere volwassene van 21 jaar of ouder wordt geacht naast een volledige baan of opleiding een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het hebben van een voltijd baan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp dus niet in de weg; Het bieden van gebruikelijke hulp gaat ook voor op de andere activiteiten zoals sport, hobby’s of vrijwilligerswerk; Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van geslacht, geloof, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. Ieder volwassen mens wordt geacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met zijn huishoudelijke taken. Een uitzondering kan gelden voor personen die vanwege arbeid langdurig van huis zijn (meer dan 7 etmalen aaneengesloten en met een regelmatig terugkerend patroon), waardoor zij de uitstelbare taken te lang niet kunnen verrichten; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Gezondheidsproblemen van of overbelasting bij de inwonende huisgeno(o)te(
- n)kunnen ertoe leiden dat huishoudelijke taken niet of niet allemaal overgenomen kunnen worden. De gemeente onderzoekt daarom altijd of een leefeenheid door de langdurige uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en of overbelasting dreigt. Wanneer overbelasting dreigt, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd. Bij (dreigende) overbelasting kan de toekenning van hulp van korte duur zijn (minimaal 6 en maximaal 12 weken) om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner of ouder ten gevolge van het plotselinge overlijden van de andere ouder of partner overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' (“nog nooit gedaan of nooit geleerd”) leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. In voorkomende gevallen kan er een indicatie worden gesteld voor een periode van zes weken voor het aanleren van de huishoudelijke taken en/of het leren organiseren van het huishouden. Dit is altijd een individuele beoordeling. Kinderen worden op de volgende wijze geacht huishoudelijke taken op zich te nemen: kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding; kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien; kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen; ‘kinderen’ van 18-21 jaar (net als andere huisgenoten) worden verondersteld de taken van een één-persoonshuishouden te kunnen uitvoeren. De huishoudelijke taken voor een één-persoonshuishouden zijn: schoonhouden van een sanitaire ruimte; keuken en een kamer schoonhouden; de eigen was doen; boodschappen doen; maaltijd verzorgen; afwassen en opruimen. Het sociale en informele netwerk (buiten het huishouden) mag helpen, maar is niet verplicht. Deze hulp is aanvullend. Als het netwerk wegvalt, kan de gemeente tijdelijk ondersteuning bieden. 6.3Normering schoon en leefbaar huis en eigen verantwoordelijkheid Eigen verantwoordelijkheid Een maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden wordt alleen toegekend als er geen andere oplossing is. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren van taken waar toe deze zelf in staat is. Concreet: als de cliënt in staat is op middenniveau lichte werkzaamheden te doen (bijvoorbeeld afstoffen) wordt verwacht dat deze taken ook uitvoert. In de dagelijkse praktijk kan dit betekenen dat een deel van het huishouden door de cliënt wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. Hierbij bestaat nadrukkelijk de mogelijkheid om huishoudelijke ondersteuning te leveren per 2 weken of elke andere frequentie dan wekelijks. Ook mag worden verwacht dat met de woninginrichting rekening wordt gehouden voor het makkelijker uitvoeren van schoonmaakwerkzaamheden. Is de cliënt al gewend om voor eigen rekening een schoonmaakzorg in te huren, dan is alleen het feit dat zich beperkingen voordoen geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van de beperkingen mogelijkheden wegvallen, of dat de zelf ingekochte ondersteuning niet meer voldoende is. Tijdens het gesprek met de cliënt worden alle mogelijkheden besproken. Onderzocht wordt of cliënt op eigen kracht of met zorg van zijn netwerk het gewenste resultaat kan bereiken. Er wordt ook gekeken of er algemene- of voorliggende voorzieningen aanwezig zijn die tot het gewenste resultaat kunnen leiden. Pas wanneer gebruikelijke hulp, de eigen mogelijkheden en algemene voorzieningen niet of onvoldoende van toepassing zijn, bekijkt de gemeente of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Als er bijvoorbeeld een wasservice beschikbaar is waarmee de cliënt het gewenste resultaat kan behalen hoeft de gemeente niet te ondersteunen. Datzelfde geldt voor een maaltijdvoorziening of een boodschappenservice. Ook als de cliënt voldoende mensen om zich heen heeft die huishoudelijke taken kunnen overnemen, hoeft er minder of niet ondersteund te worden. Normering Het doel is een schoon en leefbaar huis, niet dat alles wekelijks brandschoon is. De ruimtes worden periodiek schoongemaakt zodat het huis veilig en hygiënisch is en niet kan vervuilen. Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit één of meer onderdelen: Schoonmaken van de woning Wasverzorging Maaltijdvoorziening (brood en/of warm eten) Zorg voor kinderen Advies, instructie en voorlichting Schoonmaken van de woning De hulp is gericht op het periodiek schoonmaken van de woning. Samen met de gemeente stemt de cliënt af welke huishoudelijke taken door de cliënt zelf kunnen worden opgepakt (of door het netwerk etc.) en welke taken de zorgaanbieder overneemt. Het type woning en de grootte van de woning is hierbij niet van invloed. In een groot huis met diverse niet in gebruik zijnde kamers wordt niet extra schoongemaakt. Het hebben van huisdieren is een keuze van de cliënt. In deze situaties wordt verwacht dat de cliënt zelf voor deze huisdieren kan zorgen. Huisdieren zijn dan ook niet van invloed op de frequentie van de uit te voeren taken. Huishoudelijke ondersteuning kan ook kortdurend worden ingezet om toe te werken naar een zelfstandige uitvoering van de huishoudelijke taken. Hierbij voert de cliënt in toenemende mate zelf taken uit. Taken die niet onder het resultaat van een schoon en leefbaar huis vallen zijn onder meer: Tuinonderhoud; Opruimen van schuur en zolder; Ramen wassen en zemen aan de buitenkant; Verzorging van huisdieren; Vervuiling door huisdieren, tenzij het een erkende hulphond betreft; Opruimen van het huishouden, terwijl cliënt hier wel toe in staat is. De wasverzorging Wasverzorging gaat om het wassen, drogen, vouwen en opbergen (of onderdelen hiervan) van kleding en linnengoed. Verwacht mag worden dat de cliënt beschikt over een wasmachine. Als die er niet is behoort het tot de verantwoordelijkheid van de cliënt dat er een wasmachine geregeld wordt. Ook wordt van de cliënt verwacht dat de ondersteuning waar mogelijk tot een minimum wordt beperkt bijvoorbeeld door een wasdroger te kunnen gebruiken of kleding aan te schaffen die niet gestreken hoeft te worden. Van de cliënt wordt verwacht dat deze zelf zoveel mogelijk bijdraagt aan de (voorbereiding van) de wasverzorging. Wasservice als voorliggende voorziening Wanneer er sprake is van een gebruikelijke hoeveelheid was, zoals de dagelijks kleding, beddengoed en keukenlinnen, kan de cliënt gebruik maken van de wasservice. De was wordt opgehaald, elders gewassen en gedroogd en weer bij de cliënt thuis terug gebracht. Dit is een voorliggende voorziening en gaat voor op een indicatie voor de wasverzorging als een cliënt geen netwerk heeft die kan ondersteunen bij de wasverzorging. De kosten voor de wasservice zijn algemeen gebruikelijke kosten, die een cliënt ook thuis zou betalen aan bijvoorbeeld wasmiddelen, water en stroom verbruik. Deze kosten dient de cliënt dan ook zelf te betalen aan de wasservice. Wanneer er sprake is van overmatige hoeveelheid was op medische gronden, bijvoorbeeld door incontinentie, en een cliënt zich meerdere keren per dag moet verschonen, valt deze wasverzorging onder de indicatie voor hulp bij het huishouden. Maaltijdvoorziening/boodschappen De cliënt kan gebruik maken van verschillende (commerciële) boodschappendiensten als algemeen gebruikelijke voorziening. Aan een boodschappendienst kunnen kosten verbonden zijn. Wanneer het verzorgen van de boodschappen wel wordt toegekend, heeft dit betrekking op boodschappen die nodig zijn voor de dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Er wordt geen rekening gehouden met eigen voorkeuren van de inwoner (bijvoorbeeld voor speciaal voedsel dat beperkt verkrijgbaar is zodat extra gereisd moet worden). Er wordt alleen rekening gehouden met extra inspanningen die geleverd moeten worden vanwege aantoonbare medische redenen. Onder maaltijdverzorging wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd en het opwarmen van de warme maaltijd. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig 1 keer per dag de broodmaaltijden worden bereid en klaargezet en 1 keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en klaargezet. Kindzorg Ouders zijn verantwoordelijk voor de persoonlijke zorg van kinderen jonger dan 6 jaar, ook als ze een beperking hebben. Elke ouder is zelf verantwoordelijk voor de opvang en het organiseren van de verzorging van de kinderen. Uitgangspunt hierbij is dat bij uitval van één van de ouders, de ene ouder, de taken van de andere ouder overneemt. De gemeente ondersteunt alleen als ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor kinderen tot en met vijf jaar. Eerst moet beoordeeld worden of er sprake is van andere oplossingen, bijvoorbeeld door zorg voor het kind/de kinderen door de familie, het sociale netwerk en alle andere vormen van opvang. In het geval van éénoudergezinnen wordt een beroep gedaan op de andere ouder(s)/verzorger(s)/opvoeder(s). Voor kinderen is een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal een algemeen gebruikelijke voorziening. Het zal daarbij nooit gaan om volledige overname van de kindzorg. In die voorkomende situaties zullen andere oplossingen gezocht moeten worden. Voor-, tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of andere opvangmogelijkheden, maken het verstrekken van een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden vaak onnodig. Zo is kinderopvang op basis van een sociaal medische indicatie voorliggend op de Wmo evenals hulp aan gezinnen door daartoe opgeleide vrijwilligers. Wanneer ouders geschieden zijn, wordt ook gekeken naar de rol van de (ex-)partner. Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp van een van de ouders in het huishouden. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt echter niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder. De ondersteuning is van korte duur om zo ouders de mogelijkheid te bieden taken anders in te delen en een oplossing te vinden. Hierbij wordt altijd uitgegaan van het zo mogelijk combineren van activiteiten. Dit betekent dat als een activiteit plaatsvindt voor meerdere personen en dit te combineren valt (bijvoorbeeld door maaltijdbereiding, kinderen naar bed of naar school brengen), het aantal toe te kennen minuten eenmaal telt en niet per persoon. Een maatwerkvoorziening voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo. Concrete ondersteuning kan bestaan uit bijvoorbeeld wassen, aankleden, eten geven en luiers verschonen. Regie en organisatie Dit is bedoeld voor cliënten die slecht overzicht hebben bij het huishouden en geen netwerk hebben om te helpen. Er kan dan organisatie van het huishouden ingezet worden. Hierbij gaat het om het plannen en beheren van middelen (zorgen dat schoonmaakmiddelen op voorraad zijn) en het compenseren van tijdrovend gedrag door de cliënt, bijvoorbeeld als gevolg van psychiatrische klachten. De hulp bij het huishouden wordt geleverd op grond van een ondersteuningsplan, waarbij duidelijk is welke activiteiten door de zorgaanbieder uitgevoerd dienen te worden. Het niet kunnen aansturen alleen is geen reden om deze component te indiceren. Er moet daadwerkelijk meer werk zijn om dit ½ uur extra per week in te gaan zetten. Als adviseren en instrueren op structurele basis nodig is, ligt dit op het snijvlak van begeleiding Dit betreft cliënten die beperkter leerbaar zijn, bijvoorbeeld vanwege psychiatrisch of cognitieve problemen als dementie, niet-aangeboren hersenletsel of een licht verstandelijke beperking. 6.4Bij de inzet van maatwerkvoorziening Hulp bij het huishouden, onderscheiden we de navolgende diensten/producten: Hulp bij huishouden (licht) Hulp bij huishouden (zwaar) Persoonlijke Dienstverlening (alleen mogelijk in combinatie met Hulp bij het huishouden (zwaar), als extra arrangement) 6.4.1Hulp bij het huishouden (licht) Omschrijving Als de cliënt vanwege beperkingen niet meer zelfredzaam is en er geen mogelijkheid is ondersteuning te krijgen op eigen kracht, kan hulp bij het huishouden (licht) toegekend worden. Resultaatgebieden (limitatief) Schoon en leefbaar huis Wasverzorging 6.4.2Hulp bij het huishouden (zwaar) Omschrijving Hulp bij het huishouden (zwaar) wordt ingezet voor een schoon en leefbaar huis bij inwoners die dit niet op eigen kracht of met behulp van iemand in het sociale netwerk kunnen realiseren, en die geen gebruik kunnen maken van Hulp bij het huishouden (licht) om dit te bereiken. Resultaatgebieden (limitatief) Schoon en leefbaar huis Wasverzorging Boodschappen Maaltijden 6.4.3Persoonlijke Dienstverlening Omschrijving Persoonlijke dienstverlening is geen losse vorm van hulp en kan alleen als arrangement in combinatie met Hulp bij het huishouden (zwaar) worden ingezet. Persoonlijke dienstverlening heeft als doel het behouden van regie over het huishouden, het aanleren van activiteiten en het samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis, wasverzorging, het doen van boodschappen en maaltijdenverzorging. Daarnaast kan de voorziening worden ingezet voor de verzorging van minderjarige kinderen die onderdeel uitmaken van het huishouden. Persoonlijke dienstverlening bestaat uit planbare zorg. Resultaatgebieden (limitatief) Regie/organisatie, advies, instructie en voorlichting Kindzorg 6.5Het ondersteuningsplan Als iemand hulp bij het huishouden nodig heeft, bespreekt de cliënt samen met de klantmanager welke hulp nodig is. Dit gebeurt aan de hand van vaste resultaatgebieden. Ook wordt vastgelegd hoeveel uren hulp gemiddeld nodig zijn. De klantmanager bepaalt op basis hiervan hoeveel uren hulp worden gegeven. Dit wordt opgeschreven in een ondersteuningsplan, dat onderdeel is van de officiële beschikking. In het ondersteuningsplan staat ook welke taken de cliënt zelf doet, welke taken huisgenoten of mensen uit het sociale netwerk uitvoeren, en welke taken de zorgaanbieder overneemt. Voor elke taak geldt een standaard norm. Soms kan, als dat goed wordt uitgelegd, hiervan worden afgeweken. Hoeveel hulp iemand krijgt, wordt bepaald met behulp van het Normenkader. 6.6Duur indicatie huishoudelijke hulp Als het niet duidelijk is hoe ernstig en langdurig de aandoening en beperkingen precies aanwezig zijn, kijkt de Wmo-klantmanager eerst of er nog behandelingen mogelijk zijn. Ook moet worden onderzocht of hulp bij het huishouden het herstel niet kan tegenwerken. Voor het beoordelen of er sprake is van een anti-revaliderend effect, is een medisch advies nodig, want de klantmanager mag geen medische gegevens opvragen of beoordelen. De medisch adviseur vraagt informatie aan de behandelaar en kijkt of hulp bij het huishouden het herstel kan belemmeren. Als het advies is dat hulp bij het huishouden nodig is om aan het behandeltraject mee te doen, kan er een tijdelijke indicatie worden gegeven. Deze geldt dan zolang als het revalidatietraject duurt. Voor de duur van de indicatie geldt dat als er verbetering of veranderingen worden verwacht, de indicatie voor die periode wordt afgegeven. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de leeftijd van de kinderen in het huishouden en de taken die daarbij horen. 6.7Hulp bij het huishouden in bijzondere situaties Tijdelijke opname in een ziekenhuis of instelling Als een cliënt tijdelijk wordt opgenomen, stopt de zorg tijdelijk. Als er iemand anders in het huis woont die ook zorg nodig heeft, gaat die zorg maximaal zes weken door. Binnen die zes weken kan een melding gedaan worden en wordt bekeken of de zorg langer nodig is, bijvoorbeeld als de opname langer duurt. Ook als de cliënt tijdelijk ergens anders buiten de gemeente verblijft, stopt de zorg tijdelijk. De indicatie blijft wel geldig. Hulp bij het huishouden bij astma/COPD De woning moet eerst ‘gesaneerd’ zijn. Dit is verplicht om extra hulp te krijgen. Als de woning binnen zes maanden niet is gesaneerd, wordt de hulp tijdelijk gegeven tot de sanering klaar is. Daarna wordt opnieuw gekeken wat nodig is. Hulp bij het huishouden bij een korte levensverwachting (palliatief) Als de cliënt een zeer korte levensverwachting heeft, kan afgeweken worden van de normering gebruikelijke hulp om de directe omgeving te ontlasten. Maatwerk vraagt in deze situatie speciale aandacht. Een eventuele indicatie wordt dan afgegeven voor de duur van de te verwachten levensverwachting. Hulp bij het huishouden na overlijden van cliënt met achterblijvende partner Als een cliënt overlijdt, loopt de hulp nog maximaal zes weken door voor de achterblijvende partner. Het gaat dan om een achterblijvende partner die voorheen niet in staat was tot gebruikelijke hulp. In die zes weken tijd kan de melding van de achterblijvende partner in behandeling genomen worden om te kijken of en welke hulp de partner nodig heeft en of er gronden zijn om een indicatie op naam van de partner af te geven. Gedurende deze zes weken blijft de achterblijvende partner de eerder afgegeven indicatie houden totdat de beoordeling voor een eventuele nieuwe indicatie heeft plaatsgevonden. Hulp bij het huishouden en een Wlz indicatie Als iemand een indicatie heeft voor de Wet langdurige zorg (Wlz), wordt de hulp vanuit die wet betaald. Soms is er naast de Wlz-geïndiceerde thuiswonende nog een partner met beperkingen waardoor er een grotere ondersteuningsbehoefte is dan waar vanuit de Wlz in wordt voorzien. In die specifieke gevallen is voor de partner van de Wlz geïndiceerde een aanvullende Wmo-indicatie mogelijk. Huishoudelijke Ondersteuning in een GGZ instelling Voor cliënten die behandeld worden in een erkende GGZ-instelling, wordt hulp bij het huishouden betaald vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). Hoofdstuk7Begeleiding Begeleiding betekent in de Wmo 2015 ‘activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven’. Cliënten met begeleiding krijgen hulp bij het bevorderen of behouden van zelfredzaamheid of het groeien naar zelfstandigheid en participatie in de samenleving. Begeleiding is bedoeld voor volwassenen en kan ingezet worden gericht op herstel (activerend, ontwikkelgericht), of gericht op structurele ondersteuning (stabiliserend). Er zijn 2 vormen van begeleiding: Individuele Begeleiding of Groepsbegeleiding. In principe gaat Groepsbegeleiding voor op Individuele Begeleiding. Cliënten die begeleiding krijgen, hebben vaak één of meer van de volgende problemen (dit is een voorbeeld, geen volledige lijst): psychische of psychosociale klachten; niet aangeboren hersenletsel (NAH); psychiatrische aandoeningen of beperkingen; psychogeriatrische aandoeningen of beperkingen; verstandelijke beperkingen; lichamelijke of zintuiglijke beperkingen, of een combinatie van bovenstaande. Door de aard, omvang en intensiteit van de beperkingen is de cliënt niet in staat om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of ondersteuning van het sociale netwerk voldoende zelfredzaam te zijn of te participeren in de samenleving. Hoe lang en hoe intensief de begeleiding is, hangt af van de problemen van de cliënt en de doelen die met de begeleiding worden bereikt. 7.1Gebruikelijke hulp Bij begeleiding worden de volgende taken als gebruikelijke hulp aangemerkt binnen een leefeenheid: Begeleiding op het terrein van de maatschappelijke en/of sociale participatie zoals bijvoorbeeld het bieden van begeleiding bij activiteiten buitenshuis, zoals winkelen, museum, theater, strand, bos, etc; Begeleiding bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort; Het bieden van zorg bij of het overnemen van taken die bij een huishouden horen, zoals het doen van de administratie, regie voeren over het huishouden. Of er van anderen in het huishouden gebruikelijke hulp verwacht kan worden, hangt af van: De omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt; De relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt; De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevraagd. Soms is de hulp die nodig is zo groot zijn dat (deels) niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel kan als boven-gebruikelijk worden aangemerkt, tenzij het uitstelbare ondersteuning betreft of bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van andere oplossingen. Zo kan de cliënt bijvoorbeeld permanent toezicht nodig hebben, wat zware eisen kan stellen aan de persoon die de gebruikelijke hulp biedt. Dan kan een onderzoek naar een mogelijke Wlz-indicatie aan de orde zijn. De zorg wordt niet snel als boven-gebruikelijke hulp aangemerkt, als deze beperkt is maar wel structureel van karakter. Denk bijvoorbeeld aan hulp bij zelfzorg of participatie. De omvang van de zorg kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, etc. Huisgenoten moeten elkaar onderling gebruikelijke hulp geven. Ze wonen samen en delen het huishouden, dus hebben ze samen de verantwoordelijkheid. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kunnen bieden en wat van kinderen ten opzichte van hun ouders verwacht kan worden. Dit geldt ook voor huisgenoten die geen familierelatie hebben met de cliënt. Per situatie wordt bekeken wat volgens de algemeen geldende opvattingen als gebruikelijk kan worden aangemerkt. Als een huisgenoot gezondheidsproblemen heeft of overbelast raakt, kan het zijn dat diegene niet alle begeleiding kan geven in het kader van gebruikelijke zorg. De gemeente kijkt daarom altijd of het huishouden niet te zwaar belast wordt en of er overbelasting dreigt. Hierbij houdt de gemeente rekening met de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke hulp. Als er sprake is van overbelasting, moet de betrokken persoon (medische) bewijs leveren. Als de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van een sport en deelnemen aan vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan. Bij (dreigende) overbelasting kan de toekenning van hulp van korte duur zijn (minimaal 6 en maximaal 12 weken) om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Voor echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar geldt dat er van hen meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Echtgenoten/partners hebben immers een zorgplicht voor elkaar. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort of ondersteunt bij overname van de zelfzorg. Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor elkaar binnen de leefeenheid kan anders liggen als het gaat om kinderen ten opzichte van hun ouders. Met name de leeftijd van het kind is hier van belang. Voorkomen moet worden dat een kind hierdoor overbelast raakt. Verder is het in het algemeen niet gebruikelijk dat minderjarige kinderen hun ouder(
- s)bijvoorbeeld aansporen tot zelfzorg. Dit is echter weer anders als de kinderen zelf al volwassen zijn. Hier geldt altijd een individuele afweging en beoordeling. Het kan voorkomen dat tijdelijk geen gebruikelijke hulp kan worden geboden. Een reden daarvoor kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals niet aangeboren hersenletsel of beginnende dementie. Er kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening worden ingezet om de gebruikelijke hulp aan te leren. De ondersteuning is dan ook gericht op het in staat te stellen om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen van de cliënt. De leerbaarheid van de cliënt en de huisgenoot kan hierbij ook een belangrijke rol spelen. Die kan bijvoorbeeld betrekking hebben op het (leren) accepteren van gebruikelijke hulp. 7.2Mate van beperking We onderscheiden de mate van zelfredzaamheid per cliënt op basis van een onderzoek dat voldoende specifiek moet zijn om eerst de problemen van de cliënt concreet in kaart te brengen en daarna te bepalen welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de mate van zelfredzaamheid of de mate van participatie van de cliënt (ECLI:NL:CRVB:2018:819). De mate van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie onderzoeken we met behulp van: de Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) om de vorm van ondersteuning te bepalen; en de FAQT-V gebruikershandleiding voor het bepalen van het aantal in te zetten minuten ondersteuning. We verstaan onder lichte, matige en zware beperkingen: Lichte beperkingen houden in dat de cliënt lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is de cliënt in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen vanuit gezin, het sociale netwerk en/of school. De persoon met beperkingen kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken. Om die reden zijn algemene voorzieningen, zoals welzijnswerk, MEE, cliëntondersteuning, maatschappelijk werk, mantelzorgondersteuning, buurtwerk, inloophuizen in de wijk etc. meestal voldoende om deze personen een steuntje in de rug te geven waardoor zij zichzelf kunnen redden in de samenleving. Als er geen geschikte algemene voorziening is, kan dit reden zijn tot het toekennen van een maatwerkvoorziening. Matige beperkingen houden in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor de cliënt niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de cliënt afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de cliënt soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf (soms) niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van Begeleiding kan leiden tot verwaarlozing/opname. Er is sprake van matige beperkingen door gedragsproblemen als een professional soms moet helpen of taken deels moet overnemen. Zonder die hulp kan de situatie erger worden. Er is sprake van matige beperkingen in het psychisch functioneren als de cliënt vaak hulp nodig heeft door problemen met concentreren en het verwerken van informatie. Er is sprake van matige beperkingen in oriëntatie en geheugen als de cliënt moeite heeft met het herkennen van mensen of de omgeving. De cliënt heeft vaak hulp nodig is bij het uitvoeren van taken, het volgen van een dagritme en situatie verslechtert zonder begeleiding. Zware beperkingen houden in dat complexe taken voor de cliënt moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De cliënt kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dag-structuur en het voeren van de regie is de cliënt afhankelijk van de hulp van anderen. Er is sprake van zware beperkingen door gedragsproblemen als de cliënt ernstige problemen heeft waardoor zijn eigen veiligheid of die van anderen in gevaar is. Er is dan voortdurend hulp nodig van een professional. Er is sprake van zware beperkingen in het psychisch functioneren als de cliënt ernstige problemen heeft met concentratie, denken, geheugen of waarneming van de omgeving. Een professional moet alle taken overnemen. Er is sprake van zware beperkingen in oriëntatie en geheugen als de cliënt ernstige moeite heeft met het herkennen van mensen en de omgeving, als de cliënt gedesoriënteerd is, taken moeten worden overgenomen en hulp nodig is om structuur in de dag te houden. 7.3Resultaatgebieden Het functioneren van de cliënt wordt in kaart gebracht middels de 11 resultaatgebieden van de gebruikershandleiding FAQT-V. Per resultaatgebied worden er doelen geformuleerd. Deze doelen worden opgenomen in het ondersteuningsplan van de cliënt. Bijlage 2.1. ‘Doelstellingen voor ondersteuning met maatwerkvoorziening begeleiding’ geeft een overzicht van mogelijke doelen per resultaatgebied. Op basis van het onderzoek kunnen andere aanvullende doelen opgesteld worden. 7.4Cliënten met ernstige zintuiglijke beperkingen Voor cliënten met ernstige zintuiglijke beperkingen heeft de gemeente de Overeenkomst Landelijke Inkoopafspraken Specialistische Ondersteuning Wmo ZG aangenomen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft namens alle gemeenten afspraken gemaakt met een aantal zorgaanbieders. Deze afspraken staan in raamovereenkomsten. In deze overeenkomsten staat wat voor zorg wordt geleverd en wat daarvoor wordt betaald. Een belangrijk onderdeel van deze overeenkomst is het Programma van Eisen. Hierin staat per zorgaanbieder precies beschreven wat voor begeleiding zij bieden. Omdat deze begeleiding vraagt om gespecialiseerde kennis en alleen geleverd wordt door landelijke zorgaanbieders die een contract hebben, kan deze zorg alleen in natura worden gegeven. 7.5Vormen van begeleiding Of de cliënt is aangewezen op Begeleiding wordt onder andere bepaald door de mate waarin de cliënt beperkingen ervaart. Om dat in beeld te krijgen wordt de Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM ) gebruikt. Ook wordt gekeken in hoeverre gebruikelijke zorg een bijdrage kan leveren aan de ondersteuningsvraag van de cliënt. Om te bepalen of de cliënt is aangewezen op Individuele Begeleiding of Groepsbegeleiding of beide, zijn een aantal elementen van belang: de doelen die bereikt moeten worden; de persoonskenmerken en wensen van de cliënt; welke vorm het meest doelmatig is; de mogelijkheden voor de cliënt in de toekomst; de mate van beperkingen van de cliënt. Ook worden bij de beoordeling de navolgende aspecten meegewogen: het ziekte-inzicht van de cliënt zelf; het wel of niet aanwezig zijn van een sociaal netwerk; de aanwezigheid van een mantelzorger die regie kan voeren. 1. Cliënten die een beschikking hebben voor individuele begeleiding, krijgen ondersteuning om zo zelfstandig mogelijk te leven. De begeleiding helpt bij het behouden of verbeteren van de zelfredzaamheid, het ontwikkelen van zelfstandigheid en het meedoen in de samenleving. De begeleiding kan op twee manieren worden ingezet: Herstelgericht (activerend of ontwikkelgericht): de cliënt werkt aan verbetering van zijn of haar situatie. Structureel (stabiliserend): de cliënt heeft langdurige ondersteuning nodig om stabiel te blijven. Er zijn verschillende vormen van individuele begeleiding: Ambulante individuele begeleiding Intensieve ambulante begeleiding Ontwikkelarrangement begeleiding Begeleiding vinger-aan-de-pols Bereikbaarheidsdienst 2. Groepsbegeleiding Belangrijk onderdeel van zelfstandig meedoen aan de maatschappij is een zinvolle daginvulling. Sommige cliënten kunnen dit niet alleen of met hulp van hun sociale netwerk. Zij kunnen gebruik maken van groepsbegeleiding. Groepsbegeleiding helpt cliënten om op een gestructureerde manier deel te nemen aan activiteiten die passen bij hun situatie. Het is bedoeld voor mensen die vanwege een aandoening of beperking moeite hebben met sociale contacten of meedoen in de maatschappij. Groepsbegeleiding kan de volgende doelen hebben: Het geven van een zinvolle invulling van de dag (zingeving). Het bieden van kansen om zich te ontwikkelen. Het ondersteunen van herstel. Het ontlasten van de mantelzorger. Het oefenen van vaardigheden die helpen bij zelfstandig functioneren in de samenleving. Het versterken van iemands gevoel van identiteit en eigenwaarde. Bij Groepsbegeleiding onderscheiden we de volgende soorten voorzieningen: Dagbesteding groep Intensieve dagbesteding Kortdurend verblijf. 7.6Uitgangspunten individuele begeleiding Zelfredzaamheid en structuur Bij begeleiding aan huis helpt de ondersteuner de cliënt om zelfstandig te blijven of zelfstandigheid terug te krijgen. Zelfredzaamheid betekent dat iemand lichamelijk, verstandelijk en psychisch in staat is om zichzelf te redden in het dagelijks leven. Soms lukt dat niet goed, bijvoorbeeld doordat iemand moeite heeft met het plannen van de dag, het regelen van zaken of het nemen van beslissingen. In dat geval kan begeleiding helpen om meer grip op het eigen leven te krijgen. De ondersteuning kan ook bestaan uit praktische hulp of het samen oefenen van handelingen en vaardigheden, zodat de cliënt zelfstandiger wordt. De begeleiding kan ook bedoeld zijn om de mantelzorger te ondersteunen of tijdelijk te ontlasten. Persoonlijke verzorging Soms hoort bij de begeleiding ook persoonlijke verzorging. Dit is lichte hulp bij dagelijkse handelingen, met de handen op de rug en geen lijf gebonden zorg. Dus zonder dat het om medische zorg gaat of om lichamelijke verzorging die overgenomen moet worden. Deze hulp is bedoeld om een tekort aan zelfredzaamheid op te heffen, bijvoorbeeld bij mensen die moeite hebben met persoonlijke verzorging, maar dit (met begeleiding) nog wel zelf kunnen doen. Dit komt vooral voor bij mensen met een verstandelijke beperking, zintuiglijke beperking of psychische problemen. Het gaat dan om ondersteuning bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zoals wassen, aankleden of eten, niet om het overnemen van die handelingen. Dienstverleningsmomenten De begeleiding kan één of meerdere keren per week bij de cliënt thuis plaatsvinden. Dit gebeurt op afgesproken momenten. Heeft de cliënt onverwacht hulp nodig buiten deze momenten? Dan kan de cliënt contact opnemen met de zorgverlener. Als het mogelijk is, kan dit contact ook digitaal zijn. Soms wordt individuele begeleiding in een groep gegeven, zoals bij een spreekuur voor hulp bij de administratie of een training. Langdurige ondersteuning We spreken van langdurige ondersteuning als de hulp regelmatig en voor langere tijd nodig is. Dit geldt als de ondersteuning minstens 26 weken achter elkaar nodig is. 1.1 Ambulante Individuele Begeleiding Omschrijving Deze begeleiding is bedoeld voor cliënten met problemen op één of meer gebieden in hun leven. Deze problemen passen nog wel binnen de woon- en leefomgeving van de cliënt. De cliënt kan op korte termijn niet helemaal zelfstandig functioneren. Ambulante individuele begeleiding helpt bij het leren of behouden van vaardigheden, het leren kennen van jezelf, het maken van keuzes, het regelen van het dagelijks leven en het plannen van activiteiten. Criteria de cliënt heeft hulp nodig op één of op meerdere levensgebieden; de cliënt heeft redelijk tot matig inzicht in de eigen problemen; onverwachte hulpvragen kunnen worden uitgesteld tot het volgende contact of tot telefonisch contact tijdens kantooruren; de cliënt scoort in principe minimaal 11 keer een score van 3 of hoger op de ZRM; de duur van de begeleiding past bij de doelen die zijn afgesproken. 1.2 Intensieve Ambulante Begeleiding Omschrijving Intensieve Ambulante Begeleiding is voor cliënten die tijdelijk of langdurig moeilijk zelf de regie kunnen houden over hun leven. Deze cliënten hebben vaak ernstige problemen op sociaal-emotioneel gebied en moeite met meedoen in de maatschappij. De problemen zijn vaak ingewikkeld en meervoudig. Omdat deze begeleiding specialistisch is, is het doel eerst om de situatie stabiel te maken en daarna de hulp langzaam af te bouwen. Er is geen verwachting dat de cliënt snel helemaal zelfstandig wordt, anders dan bij het Ontwikkelarrangement Begeleiding. Deze begeleiding voorkomt dat de cliënt terugvalt en opgenomen moet worden in een instelling. Als het niet anders kan, wordt er geholpen om de hulp op te schalen, bijvoorbeeld naar een crisisdienst, tijdelijke opname of gedwongen behandeling thuis. Doelgroep Cliënten met een ernstige psychiatrische aandoening en problemen met: sociale redzaamheid; psychisch functioneren/psychiatrie; verslaving; probleemgedrag. Criteria De hulpvraag heeft vaak deze kenmerken: problemen door een combinatie van aandoeningen; de intensiteit van de hulpvraag kan wisselen; het is geen crisissituatie; de cliënt heeft hulp nodig op meerdere levensgebieden; de cliënt scoort minimaal 3 keer een score van een 2 of lager op de ZRM; de duur van de begeleiding past bij de afgesproken doelen; er is extra probleemgedrag, zoals huiselijk geweld, crimineel gedrag, verslaving of ernstige verwaarlozing; onverwachte hulpvragen zijn soms moeilijk of niet uit te stellen tot het volgende contact. Babythuiszorg: In bijzondere gevallen kan de gemeente Babythuiszorg inzetten voor gezinnen met zeer zware problemen. Dit is als andere hulp niet genoeg is voor het gezin. Babythuiszorg helpt gezinnen met een baby tot ongeveer één jaar. Het kan doorgaan na de kraamperiode, totdat het gezin het zelf kan. Het kan ook los van de kraamperiode worden ingezet. Als de hulp vooral gericht is op de ouders, wordt het betaald vanuit de Wmo. De hulp is vooral voor het begeleiden van de ouders, niet alleen om taken over te nemen. 1.3 Ontwikkelarrangement Begeleiding Omschrijving Het Ontwikkelarrangement Begeleiding is voor cliënten die zich willen en kunnen ontwikkelen. Ze kunnen nieuwe vaardigheden leren, zodat ze zelfstandig kunnen werken en leven (zelfredzaam zijn en meedoen in de samenleving). Het doel is herstel en zelfredzaamheid. Cliënten kunnen dit niet helemaal zelf. Advies van een onafhankelijke deskundige kan duidelijk maken waar de beoordeling van het ‘ontwikkelpotentieel’ op is gestoeld. Het Ontwikkelarrangement Begeleiding helpt de cliënt om dit doel te bereiken. In het onderzoeksrapport staat welk doel(
- en)de cliënt wil bereiken. Dit past bij de talenten, mogelijkheden en interesses van de cliënt. Er wordt verwacht dat de cliënt na dit arrangement geen extra Wmo-begeleiding meer nodig heeft. Criteria De hulpvraag heeft de volgende kenmerken: de problemen komen door één of meerdere aandoeningen; de cliënt heeft redelijk tot matig inzicht in de eigen beperkingen; de cliënt heeft hulp nodig op één of op meerdere levensgebieden; uit medische informatie blijkt dat de cliënt voldoende ontwikkelpotentieel heeft om binnen 1 jaar volledig zelfredzaam te worden; de duur van de indicatie past bij de doelen; de indicatie loopt maximaal 6 maanden; daarna wordt bekeken of verlenging nodig is. Het is tijdelijke hulp. na 1 jaar kan de indicatie maximaal 2x met 6 maanden verlengd worden, als duidelijk is dat de cliënt nog ontwikkelpotentieel heeft; na de inzet van het ontwikkelarrangement kan de cliënt zelfstandig meedoen aan de samenleving met hulp van zijn omgeving en algemene voorzieningen. 1.4 Begeleiding vinger-aan-de-pols Omschrijving Begeleiding ‘vinger-aan-de-pols’ is een laagdrempelige vorm van hulp. Het doel is om kwetsbare cliënten goed in de gaten te houden. Zo blijft de cliënt stabiel en wordt achteruitgang voorkomen. De hulp kan snel op- of afgeschaald worden afhankelijk van de situatie. De cliënt kan ook zelf aangeven als er iets verandert. De hulpverlener is beperkt aanwezig. De hulpverlener houdt contact op afstand als het nodig is. Zo blijft duidelijk wat de hulpvraag is en wie in het sociaal netwerk de cliënt kan helpen. Begeleiding ‘vinger-aan-de-pols’ wordt vaak ingezet na een intensiever traject. Zo kan zwaardere hulp eerder worden afgebouwd. Criteria De hulpvraag heeft de volgende kenmerken: de problematiek komen door één of meerdere aandoeningen; de cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen beperkingen; de acute hulpvraag van de cliënt is stabiel en onder controle; de cliënt kan meestal zelf omgaan met de aard van de beperking (bijvoorbeeld door eerdere begeleiding of behandeling); onverwachte hulpvragen kunnen worden uitgesteld tot het volgende contact of telefonisch contact; de indicatie is maximaal 2 uur per kalendermaand; de duur van de indicatie past bij de doelen. Doelstellingen op tijd signaleren van (risico
- op)escalatie/toenemende hulpbehoefte; op tijd signaleren van groei in zelfredzaamheid; betrekken van mantelzorgers en sociaal netwerk als de hulp groter wordt; het stimuleren dat de cliënt gebruik maakt van algemene voorzieningen; activeren van inzet van aanvullende voorzieningen als de situatie verandert. 1.4 Bereikbaarheidsdienst Omschrijving De bereikbaarheidsdienst is er voor cliënten die ‘s avonds, ‘s nachts of in het weekend hulp nodig hebben. Dit gaat om hulpvragen door psychische problemen, verstandelijke beperkingen en/of verslavingen die niet kunnen wachten tot de volgende werkdag. Andere voorliggende diensten zoals de Huisartsenpost, de Luisterlijn, 113 Zelfmoordpreventie zijn dan niet passend. Of de cliënt kan deze diensten niet zelf bellen. De hulpvraag kan op afstand worden beantwoord, bijvoorbeeld via de telefoon. Deze dienst is extra ondersteuning naast de begeleiding die er overdag is. Zo voelen cliënten zich ook buiten kantoortijden veilig en gesteund, ook in relatie tot anderen in hun omgeving. Er is altijd iemand die snel kan helpen of signaleren als dat nodig is. De bereikbaarheidsdienst helpt ook bij het uitstromen uit intramuraal wonen en zorgt ervoor dat cliënten langer thuis kunnen blijven wonen. Deze dienst kan alleen worden ingezet samen met een indicatie voor Ambulante individuele begeleiding, Intensieve ambulante begeleiding, Ontwikkelarrangement begeleiding of Begeleiding ‘vinger-aan-de-pols’. De bereikbaarheidsdienst wordt uitgevoerd door dezelfde aanbieder die overdag de begeleiding doet. Tijden van bereikbaarheid (buiten kantoortijden): Avond: van 18.00 uur tot 00.00 uur Nacht: van 00.00 uur tot 8.00 uur Weekend: van zaterdag 00.00 uur tot en met zondag 23.59 uur Criteria De hulpvraag heeft o.a. de volgende kenmerken: De cliënt heeft hulp nodig op één of op meerdere levensgebieden; Onverwachte hulpvragen kunnen niet altijd worden gepland en kunnen niet wachten tot het volgende contactmomenten tijdens kantooruren. De hulpvraag kan op afstand worden beantwoord. Doelstellingen (niet limitatief) De doelen van de begeleiding waarbij de bereikbaarheidsdienst hoort, zoals Ambulante individuele begeleiding, Intensieve ambulante begeleiding, Ontwikkelarrangement begeleiding en Begeleiding ‘vinger-aan-de-pols’ (afhankelijk van het gecombineerde product); De cliënt en het netwerk voelen zich ‘s avonds, ‘s nachts en in het weekend veilig en gesteund omdat er hulp is als dat nodig is; De cliënt kan buiten kantooruren op afstand worden geholpen om stabiel te blijven. 7.7Uitgangspunten Groepsbegeleiding in de vorm van dagbesteding Begeleiding dagbesteding wordt in een groep geboden. Het doel is dat de cliënt een zinvolle invulling van de dag heeft en actief meedoet in de samenleving (participatie). Criteria voor de toegang tot begeleiding dagbesteding zijn met name: De cliënt niet kan werken of studeren vanwege lichamelijke, psychische of verstandelijke beperkingen; De cliënt geen zinvolle invulling aan de dag kan geven en daardoor in een sociaal isolement dreigt te raken; Overbelaste mantelzorger(s); Andere vormen van dagbesteding (voorliggend aanbod) niet (meer) passend zijn; In het onderzoeksrapport staan doelen die vooral gericht zijn op voorkomen van, of begeleiding bij verdere verslechtering en/of achteruitgang. Doel kan ook zijn: realiseren van, of borgen van een veilige thuissituatie voor cliënt en omgeving of het stabiel houden van de huidige situatie. Als de cliënt een Wlz-indicatie heeft en begeleiding via de Wmo vraagt, moet de gemeente eerst een onderzoek doen (volgens artikel 2.3.2 Wmo). Als blijkt dat er noodzakelijke begeleiding nodig is die niet onder de Wlz valt, beslist de gemeente of die begeleiding via de Wmo wordt aangeboden. 2.1 Dagbesteding groep Omschrijving Dagbesteding is een structurele tijdsbesteding met een goed omschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken. De dagbesteding zorgt voor structuur, betekenisvolle activiteiten en kan ook mantelzorgers ontlasten. Het ontlasten van de mantelzorger is de meest toegepaste doel van deze ondersteuning. De hulp sluit aan op de behoeften van de cliënt. Het doel is dat de cliënt zo lang mogelijk zelfstandig kan blijven leven en zich verder kan ontwikkelen. Dagbesteding is ook bedoeld voor cliënten die ondersteuning nodig hebben bij het omgaan met hun beperking, bijvoorbeeld bij het plannen van hun dag of uitvoeren van dagelijkse taken. Daarbij is vaak herhaling en begeleiding nodig door inzet van een methodische interventie. Dagbesteding kan ook worden ingezet in plaats van school of werk, als dit voor de cliënt (tijdelijk of blijvend) niet mogelijk is. Als iemand niet mee kan doen aan werk of participatie op basis van de Participatiewet, dan kan dagbesteding vanuit de Wmo worden aangeboden. Het aantal dagdelen hangt af van de behoeften van de cliënt en de ondersteuning die zijn of haar netwerk kan bieden. De maximale inzet is 9 dagdelen per week (1 dagdeel per week kan gebruikt worden voor hulp bij het huishouden). Als iemand op basis van de Participatiewet wel kan deelnemen aan werk, vrijwilligerswerk of participatietrajecten, gaat dat voor op dagbesteding via de Wmo (dit heet een voorliggende voorziening). Voor ouderen wordt dagbesteding vaak aangevraagd vanwege eenzaamheid, het ontlasten van de mantelzorger, beginnende dementie of moeite met mobiliteit. Eerst wordt altijd gekeken naar de mogelijkheden in de buurt, zoals activiteiten in het wijkcentrum of buurthuis. Alleen als dit niet voldoende is, wordt geïndiceerde dagbesteding toegekend. Let op: de locatie van de dagbesteding mag géén woonbestemming hebben. Criteria De hulpvraag heeft de volgende kenmerken: de problemen zijn vaak het gevolg van één of meerdere aandoeningen; de cliënt heeft hulp nodig op één of op meerdere levensgebieden; dagbesteding vindt overdag plaats, buiten de thuissituatie en in groepsverband; de dagbesteding helpt de cliënt om langer zelfstandig thuis te wonen en opname in een instelling te voorkomen. Doelstellingen de cliënt heeft een zinvolle en gestructureerde daginvulling buiten de deur; zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden blijven behouden of worden verstrekt; voorkomen van een opname of verwaarlozing; cliënt blijft betrokken bij de samenleving; verminderen van eenzaamheid en versterken van sociale contacten; De cliënt kan zich ontwikkelen op basis van eigen talenten en interesses. aanleren van werknemersvaardigheden; de mantelzorger en het sociale netwerk rondom de cliënt worden ontlast. 2.2 Intensieve Dagbesteding Deze vorm van dagbesteding is bedoeld voor cliënten die extra toezicht en structuur nodig hebben, waarvoor specialistische kennis nodig is. Ook hierbij is het zorgdoel leidend voor de begeleiding en de omvang van de gespecialiseerde begeleiding die op de dagbesteding wordt geboden. Deze vorm van begeleiding wordt ingezet als de cliënt op in ieder geval drie leefgebieden van de ZRM een 2 of minder scoort en dus belemmeringen ervaart. 2.3 Kortdurend verblijf Kortdurend verblijf is tijdelijke opvang buiten de thuissituatie. Kortdurend verblijf wordt ingezet om mantelzorgers te ontlasten als respijtzorg. Kortdurend verblijf in de vorm van respijtzorg wordt alleen in natura verstrekt. In tegenstelling tot de andere voorzieningen wordt kortdurend verblijf geïndiceerd in etmalen. Om in aanmerking te komen voor kortdurend verblijf moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden: de cliënt heeft een somatische -, psychogeriatrische -, psychische -, verstandelijke -, lichamelijke - en/of zintuiglijke aandoening of handicap; de cliënt heeft geen Wlz- of Zvw-indicatie, of komt daar niet voor in aanmerking; ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk. 7.8Uitgangspunten Beschermd Wonen Voor beschermd wonen werkt de gemeente samen met centrumgemeente Rotterdam. De regels en voorwaarden die daarvoor gelden, staan beschreven in het beleidskader van de centrumgemeente. Deze worden ook door de andere gemeenten gevolgd. Deze staan apart beschreven in hoofdstuk 12 en 13 en zijn letterlijk overgenomen uit de beleidsregels van Centrumgemeente Rotterdam. Hoofdstuk8Woonvoorzieningen 8.1Uitgangspunten voor woonvoorzieningen en woningaanpassingen Wet langdurige zorg Als iemand een Wlz-indicatie heeft met verblijf, hoeft de gemeente geen Wmo-voorziening te geven (artikel 2.3.5 lid 6 Wmo). Maar de gemeente is wel bevoegd dit te doen als dat nodig is. Als iemand met een Wlz-indicatie in een instelling woont, betaalt de Wlz ook voor de woonkosten en woonvoorzieningen in die instelling. Verhuizing De gemeente geeft geen woonvoorziening of woningaanpassing als de cliënt verhuisd is naar een woning die niet passend is bij zijn beperking, tenzij de gemeente schriftelijk toestemming heeft gegeven voor die verhuizing. Ook wordt geen woonvoorziening of woningaanpassing toegekend als de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening of aanpassing het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen belangrijke reden aanwezig was. Voorbeelden van belangrijke redenen zijn: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk elders. Maar ook als één van deze situaties zich voordoet, zal een weging van alle feiten en omstandigheden de doorslag geven of sprake is van een belangrijke reden, zo volgt uit de jurisprudentie. De opsomming is verder niet uitputtend, wat betekent dat ook andere omstandigheden een belangrijke reden kunnen vormen. Als de cliënt zonder toestemming verhuist en daarna een woningaanpassing of woonvoorziening vraagt, moet de cliënt met controleerbare informatie aantonen dat er geen betere woning beschikbaar was. Overig Voor hulpmiddelen of voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn (zoals bijvoorbeeld een douchestoel of toiletverhoger), wijst de gemeente de cliënt op een thuiszorgwinkel of de particuliere markt. Het pgb voor woningaanpassingen of woonvoorzieningen wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door de gemeente geaccepteerde offerte. 8.2Primaat verhuizen De gemeente kiest liever voor een verhuizing met vergoeding dan voor het aanpassen van een woning, als dat: goedkoper is, én voldoende helpt bij de beperking van de cliënt. Deze aanpak heet het primaat van verhuizen. De gedachte hierachter is dat de gemeente zo zuinig en efficiënt mogelijk omgaat met geld en de woningvoorraad. Belangrijk bij het begrip “goedkoopst compenserend” in dit soort situaties is dat eerst gekeken moet worden naar wat adequaat is en dan pas naar de kosten ervan. Dus in het kader van het primaat verhuizen is de eerste vraag: welke oplossingen zijn adequaat? Als verhuizen een van deze oplossingen is, kan het primaat toegepast worden. Belangenafweging De gemeente moet goed onderzoeken of verhuizen voor deze cliënt ook écht een goede oplossing is. Daarbij kijkt de gemeente naar de persoonlijke situatie. Als verhuizen niet passend is, moet de gemeente toch een woningaanpassing bieden. Bij die belangenafweging tussen verhuizen of het aanpassen van de huidige woning, wordt naar de volgende punten gekeken: De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen. De aanpasbaarheid van de woning (rekening houdend met bouwtechnische eisen vanuit het bouwbesluit en andere regelgeving.) Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen. De volkshuisvestelijke factor. Woning moet binnen medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn. Sociale omstandigheden. Afstemming met andere voorzieningen. Werksituatie. Verandering in woonlasten. Wooncomfort. Is de cliënt huurder of eigenaar van de woning? De wil van de cliënt om te verhuizen. Uitwerking belangenafweging De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen Indien er aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen aanwezig zijn waarin geen persoon met een beperking of probleem woont, zijn er twee situaties denkbaar: de woning staat leeg Als de woning leeg staat, dan kan cliënt snel verhuizen zonder extra kosten of de woning wordt nog bewoond (bijvoorbeeld door achterblijvende gezinsleden) Als de woning door personen zonder een beperking of probleem wordt bewoond (bijvoorbeeld achterblijvende gezinsleden), dan kan een verhuiskostenvergoeding voor die bewoners nodig zijn. De aanpasbaarheid van de woning De klantmanager bekijkt of de huidige woning bouwtechnisch aan te passen is volgens de regels van het Bouwbesluit. Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen De kostenvergelijking tussen het aanpassen van de te verlaten woning en het verhuizen naar een nieuwe woning speelt een rol bij het bepalen van wat de goedkoopst compenserende oplossing is. Hierbij hanteren we een grensbedrag van € 7.500. Bij het maken van een kostenvergelijking moeten wel alle kosten worden betrokken. Dat houdt in dat de gemeente de aanpassingskosten van de huidige woning moet afzetten tegen: de voorziening voor verhuizing en inrichting voor de cliënt; het eventueel aanpassen van de nieuwe woning; en het eventueel vrijmaken van de woning. Een eenmaal aangepaste woning moet bij voorkeur ook in de toekomst aan andere personen met een beperking toegewezen worden. Wanneer achterblijvende gezinsleden van een persoon met beperkingen, deze woning als huurwoning vrijmaken voor een andere persoon met beperkingen, kan een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten worden verstrekt. Als een 'nieuwe' aangepaste woning leeg staat, moet de gemeente om een totale kostenvergelijking te kunnen maken ook rekening houden met een eventuele “voorziening voor huurderving”. Dit is alleen van belang als zowel het aanpassen van de woning als het verhuizen naar een andere woning adequate oplossingen zijn. Volkshuisvestelijke factor kan een rol spelen Niet alleen de kosten spelen een rol bij de uiteindelijke keuze van een voorziening. Ook het woningaanbod speelt een rol. Bijvoorbeeld: het is zonde om een nieuwe woning aan te passen als er al een geschikte woning beschikbaar is. Een ander voorbeeld: moet in alle gevallen meegewerkt worden aan het aanpassen van een eengezinswoning waar gelijkvloers wonen een oplossing kan bieden voor de problemen. Gezien de huidige krapte op de woningmarkt is het voorstelbaar dat het aanpassen van een eengezinswoning niet de voorkeur heeft als het een alleenstaande betreft. Woning moet binnen medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn Een belangrijk aspect bij het wel of niet toepassen van het verhuisprimaat is de termijn waarbinnen de verhuizing kan plaatsvinden en de vraag wat de termijn is voor urgentie op medische gronden is. Een woning moet binnen de medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn. Zo niet, dan is verhuizen geen passende oplossing. Sociale omstandigheden Sociale omstandigheden van de cliënt spelen een rol bij de afweging tussen wel of niet verhuizen. De sociale omstandigheden worden door de klantmanager in kaart gebracht en door de cliënt aantoonbaar gemaakt. Daarbij valt te denken aan: heeft de cliënt een sterk sociaal netwerk in de buurt; krijgt de cliënt mantelzorg die verloren zou gaan bij een verhuizing?; de gezondheidssituatie van de partner die beïnvloed wordt door verhuizen; de aanwezigheid en afstand tot verschillende voorzieningen (winkels, ziekenhuis, et cetera) als de cliënt daar gebruik van maakt en verhuizen daar een nadelig effect op heeft. Afstemming met andere voorzieningen Voor het maken van de keuze is afstemming met overige voorzieningen van belang. Vooral afstemming met eventuele vervoersvoorzieningen kan van groot belang zijn. Criteria die hierbij een rol spelen zijn de afstand tot openbaar vervoerhaltes en de aanwezigheid van voorzieningen als winkelcentra, ziekenhuizen, etcetera. Als een woning dicht bij dit soort voorzieningen ligt en geen woningen beschikbaar zijn, kan de gemeente tot de conclusie komen dat het passender is om de huidige woning aan te passen dan de cliënt te laten verhuizen. Werksituatie Ook de werksituatie van de cliënt kan van invloed zijn op de beslissing om al dan niet te verhuizen. Als de cliënt door de verhuizing dichter bij zijn werk kan komen te wonen én dat medisch helpt, kan dit meetellen. Dat houdt echter niet in dat verhuizen om dichterbij het werk te wonen een reden is om een verhuiskostenvergoeding te verstrekken. Verandering in woonlasten De gemeente zal bij de afweging tussen het aanpassen van de huidige woning en verhuizen naar een andere woning rekening houden met de woonlastenconsequenties van deze opties. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt tussen de woonlasten bij het blijven wonen in de huidige woning en het verhuizen naar een andere woning. Van belang is dat de financiële gevolgen van een verhuizing binnen redelijke en aanvaardbare grenzen vallen. Wooncomfort Bij de afweging of het primaat van verhuizing kan worden toegepast, wordt door de gemeente ook rekening gehouden met het wooncomfort. Een verhuizing betekent vaak inleveren op comfort (bijvoorbeeld van een eengezinswoning naar een seniorenflat). Dat is soms acceptabel, zeker als dit ook normaal is bij mensen zonder beperking. Is de cliënt huurder of eigenaar van de woning? Verhuizen uit een koopwoning heeft andere gevolgen dan uit een huurwoning. Dit telt mee in de overwegingen, vooral financieel. De wil van de cliënt om te verhuizen Mensen vinden verhuizen vaak moeilijk, zeker als hun gezondheid verandert. De gemeente houdt hier rekening mee, maar als verhuizen wel de beste oplossing is, dan vergoedt de gemeente géén woningaanpassing. De gemeente kan op grond van de belangenafweging tot de conclusie komen dat verhuizen de meest compenserende oplossing is en om deze reden het aanpassen van de huidige woning niet vergoeden. 8.3Voorziening voor verhuizing Als de gemeente besluit dat verhuizen de beste oplossing is (het primaat van verhuizen), dan krijgt de cliënt een verhuiskostenvergoeding. De hoogte van deze vergoeding staat in de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning. Het recht op deze voorziening vervalt na 24 maanden. 8.4Woningaanpassing Een woningaanpassing wordt alleen gedaan in de woning waar de cliënt echt woont (het hoofdverblijf). Uitzondering hierop vormt de aanpassing in verband met het bezoekbaar maken van een woning. Als de cliënt woont in een woning die niet bedoeld is voor permanent verblijf (bijvoorbeeld een vakantiewoning), wordt in principe geen aanpassing gedaan. Bij twijfel kijkt de gemeente naar het bestemmingsplan van de woning. Een woningaanpassing heeft als doel dat de cliënt de woning normaal kan gebruiken. Onder normaal gebruik vallen de volgende dingen: kunnen slapen lichaamsreiniging naar het toilet kunnen gaan eten kunnen klaarmaken en opeten kunnen bewegen in de belangrijkste ruimtes van het huis (keuken, badkamer, woonkamer, toiletruimte, slapkamer) Voor kinderen geldt daarnaast: veilig kunnen spelen in huis. Ruimtes zoals een hobbykamer of studeerkamer worden niet aangepast, want die horen niet bij de basisfuncties van een woning. Cliënt heeft bij woonvoorzieningen de keuze tussen een voorziening in natura (de gemeente regelt de aanpassing) en een Pgb (de cliënt regelt de aanpassing zelf). De aanpassing moet worden uitgevoerd volgens de eisen uit het Bouwbesluit. Kiest cliënt voor een persoonsgebonden budget, dan is de budgetbeheerder verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van de woonvoorziening. Om een Pgb te ontvangen voor een woningaanpassing moet de budgetbeheerder tenminste 2 offertes aanleveren. Ook de klantmanager vraagt een offerte op bij een aannemer of leverancier om te vergelijken. Er wordt gekeken naar wat nodig is en niet naar wat de cliënt graag zou willen. Als de cliënt een duurdere aanpassing wil dan nodig is, dan moet betaalt de cliënt de meerkosten zelf. Na levering van de voorziening of gereed-melding van de woningaanpassing moet de budgetbeheerder de factuur overleggen en wordt controle uitgevoerd op de uitgevoerde werkzaamheden. Indien binnen een half jaar na dagtekening van de toekenningsbeschikking de woningaanpassing niet is voltooid, vervalt het recht op de toekenning. Bij ingrijpende en tijdrovende aanpassingen kan van deze termijn worden afgeweken. 8.5Woonsanering in verband met COPD en andere longklachten Iemand met beperkingen door COPD of een allergie kan een vergoeding krijgen voor het vervangen van vloer- of raamstoffering in huis. Dit kan als een longarts of een gespecialiseerde longverpleegkundige aangeeft dat dit nodig is. Bij de Wmo gaat het vooral om het vervangen van tapijt en gordijnen in de slaapkamer. Voor kinderen tot vier jaar geldt een uitzondering: dan kan ook de woonkamer worden aangepakt, omdat jonge kinderen overdag in de woonkamer zijn en nog niet naar school gaan. Meestal is de nieuwe stoffering die nodig is bij een allergie iets wat veel mensen gebruiken en wordt dan ook gezien als algemeen gebruikelijk. Alleen als de stoffering al eerder moest worden vervangen omdat de allergie toen pas bekend werd, kan niet meer gesproken worden van een algemeen gebruikelijke voorziening. We berekenen het Pgb (Persoonsgebonden Budget) voor deze maatwerkvoorziening met een afschrijvingstermijn. Dat betekent dat de vloerbedekking niet voor altijd mee gaat. Daarom moet iemand zelf geld sparen om de stoffering later weer te vervangen. Na ongeveer acht jaar is de stoffering ‘afgeschreven’ en krijg je geen nieuwe vergoeding voor hetzelfde doel. Voorwerpen zoals kussens of matrashoezen die vrij zijn van allergenen horen niet bij de Wmo en worden dus niet vergoed. Het Pgb dekt de werkelijke kosten, maar het moet wel zo goedkoop mogelijk en passend zijn. Materialen die je bij een bouwmarkt of woonwinkel koopt, gaan vóór op duurdere materialen uit een speciaalzaak. Er is wel een afschrijvingspercentage voor de stoffering: Nieuwer dan 2 jaar: 100% Pgb Tussen 2 en 4 jaar: 75% Tussen 4 en 6 jaar: 50% Tussen 6 en 8 jaar: 25% Ouder dan 8 jaar: geen Pgb Bij de aanschaf van nieuwe materialen moet de client zich houden aan het programma van eisen, zoals gladde vloerbedekking (zeil of goedkoop laminaat) en gladde raambedekking (rolgordijn, kunststof lamelgordijn). Eventuele meerkosten zijn op rekening van cliënt. Soms is het medisch nodig om de hele woning stofvrij te maken maar vaak is alleen de slaapkamer dringend noodzakelijk. Alleen de dringend noodzakelijke spullen (onafhankelijk medisch advies kan worden opgevraagd) komen in aanmerking voor vergoeding. De rest kan de cliënt in de loop van tijd zelf vervangen. 8.6Rolstoeltapijt Als iemand plotseling in een rolstoel komt, bijvoorbeeld door een ongeluk, kan hij of zij een vergoeding krijgen voor rolstoeltapijt. Bij een geleidelijke achteruitgang waardoor de cliënt rolstoelafhankelijk is geworden is er geen vergoeding omdat dit voorzienbaar is en je zelf tijd had om geld te sparen. Bij het vaststellen van de hoogte van het PGB wordt dezelfde afschrijvingstermijn en percentage toegepast als bij de woningsanering. 8.7Uitraaskamer Een cliënt kan een aparte kamer in huis krijgen (uitraaskamer) als diegene ernstige gedragsproblemen heeft door een gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag als gevolg van een ziekte of beperking. Het moet duidelijk zijn dat het gedrag niet door opvoeding of medische behandeling beïnvloed kan worden. Een uitraaskamer is bedoeld voor behoud van de veiligheid van de cliënt en de omgeving als dat in ‘normale’ gebruiksruimten van de woning niet kan. 8.8Aanpassingen gemeenschappelijke ruimten Het college kan aanpassingen doen in een gemeenschappelijke ruimte als deze zonder die aanpassingen niet toegankelijk is voor een cliënt met beperkingen. Eerst wordt gekeken of deze aanpassingen ook voor andere bewoners gelden en of er bijvoorbeeld een VVE is die deze kosten voor zijn rekening neemt. Ook wordt bekeken of het gebouw een speciaal label heeft, zoals seniorenwoningen. Dan is de woningcorporatie vaak verantwoordelijk voor de aanpassingen. Als de aanpassing via de Wmo wordt gegeven, staat deze op naam van de persoon die het aanvraagt. Deze persoon hoeft geen eigen bijdrage te betalen. Omdat ook andere bewoners binnen het wooncomplex profijt hebben van de aanpassingen, wordt 50% van de kosten van de aanpassing neergelegd bij de VVE. Een maatwerkvoorziening in een gemeenschappelijke ruimte wordt alleen gegeven als er een individuele persoon is die deze echt nodig heeft. De eigenaar van het gebouw blijft verantwoordelijk voor het onderhoud van deze aanpassing. Deze maatwerkvoorziening kan slechts worden verstrekt voor: het verbreden van toegangsdeuren; het aanbrengen van elektrische deuropeners; aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel; Oprijplaten, vlonders en hellingbanen; het aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning; 8.9Bezoekbaar maken van de woning Bezoekbaar maken betekent dat iemand de woning, de woonkamer en één toilet kan bereiken. Voor het toilet is een losse toiletstoel vaak voldoende, die ook in een andere kamer mag staan, bijvoorbeeld achter een kamerscherm. Cliënten die in een Wlz-instelling wonen, kunnen een woning bezoekbaar laten maken in de gemeente die zij minstens twaalf keer per jaar bezoeken. Dit geldt voor de woning van één familielid in de eerste graad of de partner. Als het gaat om een minderjarig kind waarvan de ouders gescheiden zijn, kan ook de woning van de ouder waar het kind niet woont bezoekbaar worden gemaakt. Bij co-ouderschap of officiële omgangsregelingen kan dat ook betekenen dat de slaapkamer en badkamer worden aangepast. 8.10Onderhoud en reparatie van in natura verstrekte woningaanpassingen Onderhoud en reparatie gelden alleen voor aanpassingen die via de Wmo zijn gegeven. De cliënt moet tijdens onderhoud of reparatie de woning als hoofdverblijf gebruiken. De meeste aanpassingen zoals verbrede deuren, drempels en vlonders hebben geen onderhoud nodig. Voor aanpassingen die wel onderhoud nodig hebben, zoals trapliften, sluit de gemeente een onderhoudscontract af mits deze niet in eigendom verstrekt zijn aan de cliënt. Bij in eigendom verstrekte voorzieningen, zorgt de cliënt zelf voor onderhoud en zijn de kosten voor rekening van de cliënt. Ook wanneer de in eigendom verstrekte voorziening verwijderd moet worden, is dit de verantwoordelijkheid van de cliënt en komen de kosten ook voor rekening van de cliënt. 8.11Onderhoud en reparatie van in Pgb verstrekte woningaanpassingen Als iemand een PGB heeft voor een woningaanpassing, zorgt de budgetbeheerder dat er een aannemer is die onderhoud en reparatie doet. Dit staat ook in de offerte. Dit bedrag is een maal per kalenderjaar declarabel. Het contract wordt bij aanschaf van de voorziening afgesloten voor de minimale geldigheidsduur van het toegekende Pgb. Het onderhoudscontract voor een voorziening omvat de volgende voorzienbare kosten (niet limitatief): Voorrijkosten en arbeidsloon. 24-uurservice. Gelijkwaardige leenvoorziening indien de voorziening niet binnen een redelijke termijn gerepareerd kan worden. Jaarlijks onderhoud met indien wettelijk vereist een 4 jaarlijkse keuring (alleen bij plateau-, plafond- en buitenliften). De voorziening heeft een technische afschrijving. Bij gelijkblijvende beperkingen verstrekt de gemeente binnen deze termijn niet opnieuw een overeenkomstige voorziening. Specifieke kosten bij Woonliften/ Plateauliften/ Plafondliften: Bij plateau-, plafond- en buitenliften mogen keuringskosten eens in de vier jaar worden gedeclareerd. Hiervoor geldt een maximumtarief voor onderhoud. Deze kosten mogen op geen enkele andere voorziening in rekening worden gebracht. Verder geldt dat er voor deze liften een onderhoudscontract moet worden afgesloten, waarbij maximumtarieven gelden voor het jaarlijkse service- en onderhoud van deze soort liften, zie hiervoor de bedragen vastgesteld in de nadere regels. Kosten boven dat bedrag betaalt de cliënt zelf. Noodzakelijke reparaties tot €500 kunnen altijd vergoed worden. Bij hogere kosten moet eerst toestemming gevraagd worden aan de gemeente. Dan kijkt de gemeente of reparatie of vervanging beter is. Specifiek bij Trapliften: Trapliften worden door de gemeente voor een all-in bedrag aangeschaft. Als iemand een duurder model wil via een PGB, betaalt hij/zij de extra kosten zelf. Als de cliënt dat een te groot risico vindt, wordt een traplift via zorg in natura aangeboden. Voorrij-, onderhouds- en reparatiekosten worden maximaal 10 jaar vergoed vanuit het toegekende Pgb.. Specifiek bij Spoel/föhn-installatie voor toilet: Hier is geen onderhoud nodig. Bij storingen kunnen afspraken gemaakt worden over reparatiekosten. Kosten boven €500 moeten eerst goedgekeurd worden door de gemeente. Deze kan de afweging maken of reparatie ofwel vervanging noodzakelijk is. 8.12Beëindiging woonvoorzieningen Voorzieningen die in bruikleen zijn gegeven en niet meer nodig zijn, worden verwijderd en zo mogelijk hergebruikt. Voorzieningen die eigendom zijn van de cliënt worden verwijderd voor rekening van de eigenaar. Hoofdstuk9Vervoersvoorziening De gemeente geeft hulp aan mensen die moeilijk kunnen lopen of zich slecht kunnen verplaatsen. Deze hulp zorgt ervoor dat de cliënt zich in en rond het huis kan verplaatsen en ook buiten de deur. Zo kan de cliënt meedoen in de samenleving. Wmo-vervoersvoorzieningen zijn bedoeld voor reizen in de directe woon- en leefomgeving en de regio. Een cliënt kan in aanmerking komen voor zo’n voorziening als de cliënt door de beperking niet met het openbaar vervoer kan reizen. Ook moet de cliënt niet in staat zijn om gewone vervoermiddelen zoals auto, bromfiets, scooter of fiets te gebruiken om zich in de buurt of regio te verplaatsen. Er is sprake van een mobiliteitsbeperking wanneer de cliënt niet zelfstandig 800 meter kan lopen binnen een redelijke tijd en/of als de cliënt niet langer dan 10 minuten kan staan. Vervoersvoorzieningen worden ingezet om de volgende resultaten te bereiken: Het zelfstandig lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Mensen kunt ontmoeten en sociale contacten kunt onderhouden De gemeente kijkt eerst of de cliënt alle andere mogelijkheden heeft geprobeerd, zoals openbaar vervoer, regiotaxi of andere vervoermiddelen die voor iedereen beschikbaar zijn. Ook wordt gekeken naar de echte vervoersbehoefte: wat is de afstand, hoe vaak, en op welke tijden? Als een cliënt een duurdere vervoersvoorziening wil dan de goedkoopste die adequaat is, betaal de cliënt de extra kosten zelf. 9.1Uitgangspunten voor vervoer naar dagbesteding Het uitgangspunt is dat de cliënt vervoer krijgt naar de dichtstbijzijnde geschikte dagbestedingslocatie. De gemeente beoordeelt in bijzondere gevallen een gemotiveerd verzoek om van dit uitgangspunt af te wijken. De gemeente kijkt of de cliënt het vervoer zelf kan regelen. Wanneer dit niet mogelijk is, kan de zorgaanbieder het vervoer organiseren op grond van een aparte indicatie voor vervoer naar de dagbesteding. Een cliënt die een duurdere voorziening wenst dan de voorziening die het goedkoopst adequaat is, betaalt de meerkosten zelf. 9.2Beoordeling van de noodzaak en soort vervoersvoorziening Als het openbaar vervoer onvoldoende bereikbaar en niet te gebruiken is voor mensen met een beperking en zij ook geen gewone vervoersmiddelen kunnen gebruiken zoals auto, bromfiets, scooter en fiets, kan de gemeente alternatieven aanbieden. Eerst wordt gekeken naar een collectieve voorziening, zoals de regiotaxi. Als dat niet werkt, kan de gemeente een maatwerkvoorziening geven in natura (directe hulp) of via een Pgb. Er wordt dan gelet op: Gaat het om meedoen aan het gewone leven? De Wmo helpt om mee te doen aan het dagelijkse leven. Vervoer voor werk of school valt niet onder de Wmo. Wat is de vervoersbehoefte? Welke reizen zijn belangrijk om mee te kunnen doen in de samenleving en hoe ver zijn die? Wat is de reden van het vervoer? Het gaat om het dagelijkse leven en sociale contacten. Niet om wat iemand gewoon gewend is, maar wat de beperking mogelijk maakt. Hoe vaak moet iemand reizen om mee te kunnen doen en sociale contacten te onderhouden? Welke vervoersvoorzieningen zijn er al en hoe goed werken die? Heeft iemand bijvoorbeeld een auto die niet meer geschikt is? Is er al een collectieve voorziening maar werkt die niet goed genoeg? Ook het gebruik van de Gehandicaptenparkeerkaart (GPK) wordt meegenomen. 9.3Primaat van het collectief vervoer Collectief vervoer is bedoeld voor vervoer in de regio, maximaal 25 kilometer. Soms kan ook een combinatie van verschillende vervoersvoorzieningen worden gebruikt. De gemeente zorgt dan voor een vervoersvoorziening op maat. Als een cliënt langer dan 6 maanden achter elkaar geen gebruik maakt van de voorziening, kan de gemeente deze intrekken. Dit gebeurt alleen na een goede uitleg en eventueel als nodig, na het opvragen van medisch advies. De gemeente hanteert het primaat van het collectief vervoer vanuit het uitgangspunt ‘collectief als het kan, individueel als het moet’. Alleen via een indicatie van een Wmo-klantmanager, kan een inwoner gebruik maken van collectief vervoer. Het is dus maatwerk, maar wel zo goedkoop mogelijk. Hierbij is het volgende van toepassing: Collectief vervoer wordt alleen verstrekt in natura in de vorm van een taxipas. Een PGB is hiervoor niet mogelijk. Met de taxipas kan de cliënt maximaal 2000 km per jaar met de regiotaxi reizen voor regulier vervoer of rolstoeltaxivervoer. Als naast de taxipas voor collectief vervoer ook een individuele voorziening die vanuit de Wmo in natura of PGB is verstrekt of wanneer de cliënt zelf een geschikt vervoermiddel heeft, wordt een maximum van 1000 km. verstrekt. Als de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers onvoldoende is, kan de klantmanager dit onderzoeken. Als het gaat om veel ritten die aantoonbaar gemaakt moeten worden kan een groter aantal kilometers worden verstrekt. Voorwaarde hierbij is wel dat de cliënt geen gebruik kan maken van de extra vergoeding voor medische ritten uit de aanvullende polis van de zorgverzekeraar en dat de extra ritten noodzakelijk zijn om te maken. De pashouder betaalt een eigen bijdrage, die vergelijkbaar is met de kosten van het openbaar vervoer. Dit bestaat uit een starttarief en een prijs per kilometer. Het begin- of eindpunt van de rit moet binnen de gemeentegrenzen van Barendrecht liggen. Kinderen tot vier jaar mogen gratis mee reizen (maximaal 2 kinderen tot vier jaar per reis); Als er een indicatie is voor een medische begeleider (de cliënt heeft tijdens het vervoer medische handelingen of begeleiding nodig), reist deze begeleider gratis mee; De gemeente gaat er vanuit dat reizen binnen een straal van 25 km of aansluitend op het bovenregionale Valysvervoer, voldoende zijn voor lokale verplaatsingen. 9.4Begeleiding tijdens vervoer Als de cliënt met het openbaar vervoer reist en begeleiding nodig heeft, moet de cliënt zelf een begeleider regelen. Wil de cliënt een officiële aantekening voor ‘medische begeleiding’ op de vervoerspas van de gemeente? Dan is een indicatie van de Wmo-klantmanager of een externe adviseur nodig. Met deze indicatie mag de cliënt niet meer zonder begeleider reizen. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan een begeleiderindicatie voor een vervoersvoorziening worden toegekend als: de cliënt agressief gedrag vertoont; de cliënt dwaalgedrag vertoont; de cliënt afhankelijk is van medische handelingen tijdens de rit. 9.5Maatwerkvoorziening vervoer in Pgb Als de cliënt niet met de regiotaxi kan reizen, onderzoekt de klantmanager waarom dat zo is. Alleen als de cliënt om medische redenen niet met de regiotaxi kan reizen, kan een vergoeding verstrekt worden voor gebruik van eigen auto of taxi. 9.6Auto aanpassingen Aanpassingen aan auto’s zijn vaak duur en meestal niet de goedkoopste oplossing. Uitgangspunt hierbij is dat cliënt op medische of sociale gronden geen gebruik kan maken van het collectief vervoer of van een Pgb als tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto of (rolstoel)taxi. Als een autoaanpassing overwogen wordt, moet de auto technisch in goede staat zijn, automatisch geschakeld zijn en beschikken over goede verwarming en andere voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn in een personenauto. ‘Technisch in goede staat’ betekent dat de auto niet ouder is dan 5 jaar. Binnen de afschrijvingstermijn van 7 jaar, wordt geen vergoeding gegeven voor een zelfde aanpassing. 9.7Gesloten buitenwagen In zeer uitzonderlijke gevallen kan via de Wmo een gesloten buitenwagen verstrekt worden. Dit kan alleen als er een medische reden is waarom een open vervoermiddel niet mogelijk is. Hiervoor is het opvragen van een medisch advies noodzakelijk. Hoofdstuk10Hulpmiddelen