← Nederland

Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2002 (OCSW, hoofdstuk 2) (Groningen (Gr))

In het kort

Deze wet regelt de algemene subsidieverordening voor de gemeente Groningen in 2002, specifiek voor het hoofdstuk over Onderwijs, Cultuur, Sport en Welzijn. Het beschrijft de voorwaarden en procedures voor het aanvragen en ontvangen van subsidies voor diverse maatschappelijke activiteiten.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING GEMEENTE GRONINGEN 2002DE RAAD VAN DE GEMEENTE GRONINGEN; (bijlage raadsverslag nr. 160); gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 november 2005; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; HEEFT BESLOTEN: de Algemene Subsidieverordening gemeente Groningen 2002 (hoofdstuk 2, dienst Onderwijs Cultuur Sport Welzijn) vast te stellen. INHOUDSOPGAVE Afd. Par. Omschrijving Blz. 0 Algemeen 1 1 Godsdienst- en vormingsonderwijs 2 2 Sport 4 1 Algemeen 4 2 Investeringen in clubgebouwen en sportmaterialen 5 3 Subsidies gebruik sportaccommodaties 6 4 Verbetering verenigingsstructuur 7 5 Stimulering sportdeelname 7 6 7 Sportevenementen Gebruik Martiniplaza voor sportwedstrijden 8 3 Emancipatie en vrouwenzaken 11 1 Algemeen 11 2 Vrouwencentra en emancipatieactiviteiten 11 4 Internationale betrekkingen 13 1 Algemeen 13 2 Stedenbanden 13 3 Mondiale bewustwording 14 5 Migranten 15 1 Algemeen 15 2 Basisbudget zelforganisaties 15 3 Activiteitenbudget voor migrantenorganisaties 16 4 Budget specifieke zelforganisaties 17 5 Stimuleringsfonds integratieactiviteiten 18 6 Algemeen Sociaal-cultureel werk 19 1 Algemeen 19 2 Algemeen sociaal-cultureel werk 21 3 Sociaal-culturele accommodaties 22 4 Beheer sociaal-culturele accommodaties 26 5 Vakantiekampen 27 6 Wijkorganisaties 28 7 Maatschappelijke activering 30 8 Oppasvergoeding kinderopvang voor vrijwilligers 30 9 Vrijwilligerswerk 31 7 Kinderopvang en peuterspeelzaalwerk 33 1 Algemeen 33 2 Peuterspeelzaalwerk 34 3 Kinderopvangvoorzieningen 35 8 Maatschappelijke dienstverlening 37 1 Algemeen 37 2 Maatschappelijke en juridische dienstverlening 37 3 Rechtswinkels 38 4 Slachtofferhulp 39 9 Jongerenwerk en jeugdhulpverlening 40 1 Algemeen 40 2 Jongerenwerk 41 3 Jeugdhulpverlening 42 4 Stedelijke jongerencentra 43 10 Ouderenbeleid 44 1 Algemeen 44 2 Ouderenbonden 44 11 Maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, verslavingszorg en overlastbestrijding 45 1 Algemeen 45 2 Maatschappelijke en vrouwenopvang, verslavingszorg, overlastbestrijding 46 3 Zelfhulpgroepen, vertegenwoordigers van belangengroepen in de verslavingszorg, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang 47 12 Opstap, opstapje, instapje 49 13 Incidentele activiteiten cultuur 52 14 Subsidies amateurkunst 56 15 Stimuleringssubsidies amateurkunst 60 16 Presentatiesubsidies amateurkunst (Ingetrokken) 62 17 Cultuureducatie 63 18 Materiële en financiële gelijkstelling onderwijs Paragraaf 1Definities, voorschriften en grondslagen 63 Paragraaf 2Procedures 64 Bijlage 2 Bijlage voorzieningen als bedoeld in artikel 3 van afdeling 18 van hoofdstuk 2 ((eenmalige) Regeling voorzieningen praktijkgericht onderwijs (V)SO) 65 65 66 68 19 Projecten Groningse Nieuwe 70 20 Duurzaamheideducatie 72 21 Stimuleringsregeling cultuurparticipatie in de wijk 75 22 Overgangsbepaling 79 Algemeen 80 Toelichting bij hoofdstuk 2 80 Toelichting bij afdeling 6, par. 3 - Sociaal-culturele accommodaties en par. 4 Beheer van accommodaties 82 Bekendmakingtekst 89 Afdeling0Algemeen Artikel1Gebruik formulier

  1. De subsidieontvanger dient bij zijn subsidieaanvraag, de tussentijdse rapportage en de aanvraag tot subsidievaststelling gebruik te maken van een door het college specifiek daartoe vastgesteld formulier. 2.Een digitaal format wordt voor de toepassing van dit artikel gelijk gesteld aan het in lid 1 bedoelde formulier. 3.Het college kan in bijzondere gevallen om extra informatie verzoeken in aanvulling op de informatie die de subsidieontvanger bij de in de vorige leden bedoelde formulieren of formats al heeft ingediend. Artikel2Samenwerking De subsidieontvanger werkt met andere organisaties samen als het college aangeeft dat dit voor de uitvoering van de activiteiten noodzakelijk is. Artikel3Kleine subsidiebedragen Subsidies kleiner dan € 2.500: Een subsidieaanvraag van minder dan € 2.500, moet vóór het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend. Een subsidieaanvraag van minder dan € 2.500 wordt beschouwd als een aanvraag om subsidievaststelling. Bij subsidies van minder dan € 2.500 blijft de verlening achterwege. Bij honorering van het subsidieverzoek wordt de subsidie direct geacht te zijn vastgesteld. Het college kan een subsidieverzoek van minder dan € 2.500 weigeren, indien gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: de activiteiten niet of niet geheel plaats zullen vinden; de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op een aanvraag zou hebben geleid; de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; naar het oordeel van het college de aanvrager onvoldoende rekening heeft gehouden met het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5 en 6 van hoofdstuk 1 van deze verordening. Het college kan een subsidieverzoek van minder dan € 2.500 weigeren indien de activiteiten niet gericht zijn op door de gemeente erkende belangen naar het oordeel van het college al op andere toereikende wijze in de activiteiten is voorzien. Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van het bepaalde in de leden 2 en 3 van dit artikel. Subsidies tussen € 2.500- en € 10.000: Voor de toepassing van hoofdstuk 2 van deze verordening wordt elke subsidie van € 2.500 of hoger maar minder dan € 10.000 beschouwd als een waarderingssubsidie zoals bedoeld in artikel 36 van hoofdstuk 1 van deze verordening. Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van het bepaalde in het vorige lid van dit artikel. Afdeling1Godsdienst- en vormingsonderwijs Artikel1Begripsbepaling Voor de toepassing van deze afdeling moet worden verstaan onder:
  2. Instelling :
  3. Kerkelijke gemeente, plaatselijke kerk of rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich volgens zijn of haar statuten het geven van godsdienstonderwijs ten doel stelt.
  4. Een volledige rechtsbevoegdheid bezittende organisatie op geestelijke grondslag;
  5. Godsdienstonderwijs : Het onderricht in godsdienstgeschiedenis en cultuurgeschiedenis van het christendom en/of andere wereldgodsdiensten;
  6. Vormingsonderwijs : Het onderricht in waarden en normen van levensbeschouwing die het humanisme als uitgangspunt neemt;
  7. Schooljaar : Het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend;
  8. School : a. een openbare school als bedoeld in de Wet op het Basisonderwijs; b. een openbare school voor speciaal onderwijs als bedoeld in de Interim-wet op het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs; c. voor zover het college toepassing heeft gegeven aan artikel 2 lid 2, een openbare school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoelt in de Interimwet op het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Artikel2Te subsidiëren activiteit
  9. Het college kan aan een instelling voor elk schooljaar subsidie verlenen in de kosten van het verzorgen van godsdienst- dan wel vormingsonderwijs aan: leerlingen van de groepen 7 en 8 van een school voor basisonderwijs en/of leerlingen van de hoogste twee groepen van een school voor speciaal onderwijs. 2.Het college kan in bijzondere gevallen aan instellingen ook subsidie verlenen in de kosten van het verzorgen van godsdienst-, dan wel vormingsonderwijs aan leerlingen van een school voor voortgezet speciaal onderwijs. Artikel3Grondslag van de subsidie
  10. Een subsidie voor het verzorgen van godsdienst-, dan wel vormingsonderwijs bestaat uit een bedrag per leerling vermenigvuldigd met het aantal leerlingen op 1 oktober van een schooljaar, waaraan door een instelling godsdienst- dan wel vormingsonderwijs wordt verzorgd. 2.Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel wordt aan een leerling van een school voor basisonderwijs een factor één toegekend en aan leerlingen van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs een factor anderhalf. Voor zover een instelling godsdienst- dan wel vormingsonderwijs verzorgt aan leerlingen van meerdere scholen geldt het bepaalde in dit lid voor elke school afzonderlijk. 3.Subsidie wordt slechts verleend indien een instelling godsdienst- dan wel vormingsonderwijs verzorgt aan ten minste vijf leerlingen uit de totale populatie van de groepen 7 en 8 van een school voor basisonderwijs of van de twee hoogste leerjaren van een school voor speciaal onderwijs. 4.Het bedrag per leerling wordt verkregen door het bedrag als bedoeld in artikel 4 van deze afdeling te delen door het, na toepassing van het bepaalde in het tweede lid van artikel, berekende aantal leerlingen waarvoor op grond van dit hoofdstuk aan één of meerdere instellingen een bedrag wordt toegekend, maar bedraagt nooit meer dan één promille van het in artikel 4 bedoelde subsidieplafond. Artikel4Subsidieplafond 1.Voor elk schooljaar is voor godsdienst- en vormingsonderwijs een bedrag beschikbaar van maximaal € 38.572,
  11. 2.Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt met ingang van 1 augustus van een kalenderjaar door het college aangepast aan de door de raad voor dat jaar vastgestelde begrotingsrichtlijnen. Artikel5Subsidieaanvraag
  12. Aanvragen moeten worden ingediend voor 1 november van het schooljaar waarin de activiteit wordt verricht. 2.Bij de aanvraag wordt door de instelling overgelegd een overzicht per school waarin is opgenomen het aantal leerlingen waaraan godsdienst- dan wel vormingsonderwijs wordt verzorgd en waarbij per leerling is aangegeven (voor zover het betreft een school voor basisonderwijs) uit welke groep de leerling afkomstig is en (voor zover het betreft een school voor speciaal onderwijs) uit welk leerjaar de leerling afkomstig is. 3.Het in het tweede lid genoemde overzicht dient te zijn voorzien van de akkoordverklaring van de directeur van de betreffende school. 4.Op de aanvraag is het bepaalde in artikel 11 eerste lid van hoofdstuk 1 niet van toepassing. 5.Het college kan modellen vaststellen voor de in het tweede lid van dit artikel genoemde overzicht. Artikel6Nadere voorwaarden
  13. Het godsdienst- dan wel vormingsonderwijs wordt gegeven in schoolgebouwen. 2.Godsdienst- dan wel vormingsonderwijs wordt slechts gegeven aan kinderen, wier ouders, voogden of verzorgers bij de aanvraag van het schooljaar schriftelijk hebben verklaard, dat hun kinderen aan het godsdienstonderwijs dan wel aan het vormingsonderwijs zullen deelnemen. Artikel7Beslissing Het college beslist op een subsidieaanvraag die op tijd is ingediend uiterlijk op 1 december van een schooljaar. Artikel8Ambtshalve vaststelling van de subsidie 1.Het college stelt de subsidie voor 1 maart van een schooljaar ambtshalve vast op het bedrag van de subsidieverlening, tenzij toepassing wordt gegeven aan de artikelen 26, 27, 29, en 30 van hoofdstuk
  14. 2.Het bepaalde in artikel 25 van hoofdstuk 1 is niet van toepassing. Artikel9Bevoorschotting Het college verleent voor 1 december van een schooljaar een voorschot van vijftig procent van de verleende subsidie. Afdeling2Sport Paragraaf1Algemeen Artikel1Begripsbepaling Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
  15. Sportvereniging : Een vereniging die is aangesloten bij een landelijke, door het NOC*NSF erkende of bij een andere landelijke of internationale sportbond en die statutair gevestigd is in de gemeente Groningen.
  16. Talentopleiding : Een vereniging of stichting die activiteiten uitvoert op het gebied van ontwikkeling en begeleiding van jeugdsporters met als doel training voor of deelname aan competities.
  17. Burgervereniging : Een sportvereniging waarvan het lidmaatschap openstaat voor alle burgers.
  18. Studentenvereniging : Een sportvereniging waarvan het lidmaatschap uitsluitend openstaat voor studenten of oud-studenten voor het kalenderjaar volgend op het jaar waarin zij hun studie hebben beëindigd.
  19. Landelijke sportbond : Een statutair in Nederland gevestigde en op nationale schaal werkzame sportbond.
  20. Clubgebouw : Een gebouw of deel daarvan dat grotendeels gebruikt wordt door de leden van de subsidieontvanger, anders dan voor de beoefening van sport.
  21. Duurzame sportmaterialen : Materialen bestemd voor het beoefenen van een binnensport, die niet behoren tot de basisuitrusting van een gemeentelijke binnensportaccommodatie en die onder normale omstandigheden een levensduur hebben van tenminste drie jaren.
  22. Groot onderhoud : Onderhoud dat niet behoort tot het dagelijks onderhoud en dat niet het gevolg is van kennelijke verwaarlozing;
  23. Jeugdlid : Een lid van een sportvereniging dat door de sportbond waarbij die vereniging is aangesloten wordt beschouwd als een jeugdlid.
  24. Topsportevenement : Een sportevenement met ten minste een landelijke uitstraling waaraan wordt deelgenomen door sporters van nationaal en/of internationaal aanzien.
  25. Basissubsidie : Subsidie voor het gebruik van gemeentelijke sportaccommodaties voor de beoefening van sport.
  26. Jeugdsubsidie : Subsidie voor het gebruik van sportaccommodaties door jeugdleden voor de beoefening van sport.
  27. Sportseizoen : Het tijdvak lopend van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend. Als de landelijke sportkoepel waarbij de subsidieaanvrager is aangesloten een ander tijdvak hanteert, geldt dat laatstgenoemde tijdvak.
  28. Seizoensaanvraag : Een aanvraag om huur van een sportaccommodatie voor de duur van een sportseizoen mits ingediend uiterlijk acht weken voor aanvang van het sportseizoen.
  29. Gemeentelijke sportaccommodatie : Een sportaccommodatie die het eigendom is van de gemeente Groningen met uitzondering van de 400-meter baan van Sportcentrum Kardinge en atletiekcentrum Stadspark. Paragraaf2Investeringen in clubgebouwen en sportmaterialen Artikel2Te subsidiëren activiteiten 1.Het college kan aan sportverenigingen subsidie verlenen in de kosten van: investeringen in nieuwbouw en verbouw van clubgebouwen en kleedaccommodaties; aanschaf van duurzame sportmaterialen; groot onderhoud van clubgebouwen en kleedaccommodaties; 2.Het college kan aan sportverenigingen subsidie verlenen in de rentekosten van een door de gemeente verstrekte geldlening met een hoofdsom: van maximaal € 27.227 voor investeringen in nieuwbouw en verbouw van clubgebouwen en kleedaccommodaties; tussen € 4.538 en € 11.346 voor groot onderhoud van clubgebouwen en kleedaccommodaties. Artikel3Grondslag van de subsidie 1.De subsidie voor investeringen in nieuwbouw en verbouw van clubgebouwen en kleedaccommodaties bedraagt maximaal 20% van de noodzakelijke kosten met een maximum van € 18.152 per subsidieaanvraag per jaar. 2.De subsidie voor de aanschaf van duurzame sportmaterialen bedraagt maximaal 50% van de noodzakelijke kosten met een maximum van € 4.538 per subsidieaanvraag per jaar. 3.De subsidie voor groot onderhoud van clubgebouwen en kleedaccommodaties bedraagt maximaal 50% van de noodzakelijke kosten met een maximum van € 4.538 per subsidieaanvraag per jaar. 4.De subsidie voor de in artikel 3 bedoelde rentekosten bedraagt maximaal 50% van die kosten. 5.In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de subsidieontvanger afwijken van het in lid 1 van dit artikel genoemde maximum. Artikel4Subsidieplafonds A.Investeringen en groot onderhoud en rentekosten van geldleningen daarvoor 1.Het college wijst per kalenderjaar een deel van het in de begroting opgenomen bedrag voor de “Investeringsregeling sport” aan als subsidieplafond. Reeds lopende, meerjarige verplichtingen komen daarop in mindering. 2.Als het totaal van de aanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan wordt dat plafond als volgt verdeeld: Op tijd ingediende subsidieaanvragen afkomstig van subsidieontvangers die in de afgelopen drie jaar nog niet eerder voor investeringen, groot onderhoud en/of rentekosten subsidie hebben ontvangen hebben voorrang boven andere aanvragen; Op tijd ingediende subsidieaanvragen afkomstig van burgerverenigingen hebben voorrang boven die van studentenverenigingen; Op tijd ingediende aanvragen die om bouwtechnische redenen noodzakelijk zijn hebben voorrang boven andere aanvragen; Op tijd ingediende aanvragen die voortvloeien uit een noodgedwongen verhuizing buiten de schuld van de subsidieontvanger hebben voorrang boven andere aanvragen; Op tijd ingediende aanvragen die het gevolg zijn van fusie of die daarop gericht zijn, hebben voorrang boven andere aanvragen; Eerder in dit lid genoemde criteria wegen in de afweging van het college zwaarder dan later genoemde. 3.Resteert er na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidieplafond dan wordt dat over de nadien ontvangen aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen B.Aanschaf duurzame sportmaterialen 1.Het college wijst per kalenderjaar een deel van het in de begroting opgenomen bedrag voor de “Investeringsregeling sport” aan als subsidieplafond. Reeds lopende, meerjarige verplichtingen komen daarop in mindering. 2.Als het totaal van de aanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan wordt dat plafond als volgt verdeeld: Op tijd ingediende aanvragen afkomstig van subsidieontvangers die nog niet eerder voor investeringen en/of groot onderhoud subsidie hebben ontvangen hebben voorrang boven andere aanvragen; Voorzover het bovenstaande zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond wordt het beschikbare bedrag naar evenredigheid over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld. 3.Resteert na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidieplafond dan wordt dat over de nadien ontvangen aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen Artikel5De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is: 1 december van het voorafgaande jaar en 8 weken voor het begin van de activiteiten voor subsidieaanvragen die na 1 december worden ingediend. Artikel6Aanvullende weigeringsgronden Het college wijst een subsidieaanvraag voor de in de leden 1a en 2 van artikel 3 genoemde activiteiten, af als het bouwplan niet voldoet aan de eisen die het bouwbesluit stelt. Paragraaf3Subsidies gebruik sportaccommodaties Artikel7Te subsidiëren activiteiten
  30. Het college kan aan sportverenigingen, landelijke sportbonden of aan talentopleidingen een basissubsidie verlenen voor het gebruik van gemeentelijke sportaccommodaties. 2.Het college kan aan sportverenigingen, landelijke sportbonden of aan talentopleidingen een jeugdsubsidie verlenen voor het gebruik van gemeentelijke sportaccommodaties door jeugdleden. 3.Het college kan aan sportverenigingen, landelijke sportbonden of aan talentopleidingen een jeugdsubsidie verlenen voor het gebruik van niet-gemeentelijke sportaccommodaties door jeugdleden. Artikel8Grondslag voor de subsidie
  31. De basissubsidie is gelijk aan éénderde deel van het geldende huurtarief van de betreffende gemeentelijke accommodatie maal het aantal uren waarop de aanvrager de accommodatie gedurende een sportseizoen heeft gehuurd. 2.De jeugdsubsidie voor een gemeentelijke accommodatie is gelijk aan éénderde deel van het geldende huurtarief van de betreffende accommodatie maal het aantal uren waarop de aanvrager de accommodatie gedurende een sportseizoen heeft gehuurd. 3.Als een aanvrager niet in gemeentelijke accommodatie terecht kan, maar wel in een andere accommodatie, dan bedraagt de jeugdsubsidie éénderde deel van het geldende tarief van de niet-gemeentelijke accommodatie maal het aantal uren waarop de aanvrager de accommodatie gedurende een sportseizoen heeft gehuurd. Deze jeugdsubsidie kan nooit hoger zijn dan éénderde deel van de huur van een vergelijkbare gemeentelijke accommodatie. 4.Als er geen vergelijkbare gemeentelijke accommodatie bestaat, bedraagt de jeugdsubsidie € 7,00 per jeugdlid per sportseizoen maal het aantal jeugdleden van de aanvrager. De bij de sportorganisatie gangbare teldatum geldt als peildatum voor het bepalen van het aantal jeugdleden. 5.In afwijking van lid 4 bedraagt de jeugdsubsidie voor de 400-meter baan van sportcentrum Kardinge € 14,00 per jeugdlid in plaats van € 7,
  32. Artikel9De subsidieaanvraag 1.In afwijking van artikel 11 van hoofdstuk 1 van deze verordening beschouwt het college een seizoensaanvraag om huur van een gemeentelijke sportaccommodatie ook als een aanvraag om subsidieverlening. 2.Het college beschouwt een seizoensaanvraag en alle tijdens dat sportseizoen optredende wijzigingen in de huur van een gemeentelijke sportaccommodatie gezamenlijk ook als een aanvraag om subsidievaststelling. 3.Een verzoek om annulering van een deel van de seizoensaanvraag voor gemeentelijke accommodaties moet in bezit zijn van het college uiterlijk vier weken vóór de dag waarop de annulering ingaat. 4.Een verzoek om extra huur van een gemeentelijke accommodaties boven de seizoensaanvraag moet voordat de extra huur ingaat in bezit zijn van het college. 5.Een subsidieaanvraag om huur van een niet-gemeentelijke sportaccommodatie moet uiterlijk acht weken vóór het begin van de huur in bezit zijn van het college. Artikel10Het subsidiebesluit 1.Van artikel 3 van afdeling 0 zijn de leden 1, 2, 3, 4.1 en 6 van het onderdeel “subsidies kleiner dan € 2.500” op deze paragraaf niet van toepassing. 2.Van artikel 3 van afdeling 0 zijn de leden 1 en 2 van het onderdeel “subsidies tussen € 2.500 en € 10.000” op deze paragraaf niet van toepassing. 3.Het college besluit over een aanvraag om subsidieverlening voor een gemeentelijke accommodatie binnen 13 weken na ontvangst daarvan. 4.Het college besluit over een aanvraag die geen seizoensaanvraag is uiterlijk binnen 13 weken na afloop van het sportseizoen. 5.Het college besluit op een subsidieaanvraag om huur van een niet-gemeentelijke sportaccommodatie uiterlijk binnen acht weken na ontvangst daarvan. Artikel11Aanvullende weigeringgronden 1.Het college weigert subsidieaanvragen van minder dan €
  33. 2.Het college kan een aanvraag om jeugdsubsidie voor een niet-gemeentelijke accommodatie weigeren als de subsidieaanvrager van een gemeentelijke accommodatie gebruik kan maken. 3.Het college weigert een aanvraag om jeugdsubsidie als de huur van de niet-gemeentelijke sportaccommodatie lager is dan de huur van een vergelijkbare gemeentelijke accommodatie na aftrek van basis- en jeugdsubsidie. Paragraaf4Verbetering verenigingsstructuur Artikel12Te subsidiëren activiteit
  34. Het college kan aan sportverenigingen subsidie verlenen voor de kosten van: fusie, reorganisatie of samenwerking met als doel schaalvergroting en/of structuurverbetering; deskundigheidsbevordering van bestuurlijk en begeleidingskader en - in bijzondere gevallen - van sporttechnisch kader; knelpunten die ontstaan door de overdracht van het beheer van gemeentelijke sportaccommodaties aan sportverenigingen; 2.Het college verleent de in het vorige lid bedoeld subsidie voor een tijdvak van ten hoogste twee jaren. 3.In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan het college de subsidie met ten hoogste één jaar verlengen als het college dit wenselijk acht. Artikel13Grondslag van de subsidie De subsidie voor de in artikel 12 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel14Subsidieplafond 1.Het subsidieplafond voor de in artikel 12 genoemde activiteiten bedraagt het daarmee in de begroting corresponderende bedrag. 2.Ten laste van het subsidieplafond worden subsidieaanvragen toegekend op basis van de volgorde waarop deze bij het college zijn binnengekomen. Artikel15De subsidieaanvraag Een subsidieaanvraag voor de in artikel 12 genoemde activiteiten dient uiterlijk 8 weken voor het begin daarvan in bezit te zijn van het college. Paragraaf5Stimulering sportdeelname Artikel16Te subsidiëren activiteit 1.Het college kan aan sportverenigingen subsidie verlenen voor activiteiten met als doel om groepen burgers en buurten met een lage sportparticipatie te stimuleren tot sportdeelname. Activiteiten waarvoor subsidie kan worden verleend dienen te zijn gericht op: minderheden, met name nieuwkomers; gehandicapten; ouderen (personen van 55 jaar of ouder); mid-lifers (personen van 35 tot 55 jaar); jeugd van 5 tot 20 jaar, met name meisjes van 12 tot 18 jaar en jongens van 15 tot 20 jaar; scholen, welzijns- en zorginstellingen. overige burgers in buurten of wijken met een lage sportparticipatie. 2.Het college kan in bijzondere omstandigheden aan andere instellingen subsidie verlenen voor projectmatig opgezette activiteiten met als doel om groepen burgers en buurten met een lage sportparticipatie te stimuleren tot sportdeelname mits de activiteiten na afloop van de projectperiode door een sportvereniging kunnen worden uitgevoerd. 3.Het college verleent de in beide vorige leden bedoelde subsidies voor een tijdvak van ten hoogste twee jaren. 4.In afwijking van lid 3 kan het college de subsidie met ten hoogste één jaar verlengen als het college dit wenselijk acht. Artikel17Grondslag van de subsidie De subsidie voor stimulering sportdeelname bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel18Subsidieplafond
  35. Het subsidieplafond voor de in artikel 16 genoemde activiteiten bedraagt het daarmee in de begroting corresponderende bedrag. 2.Ten laste van het subsidieplafond worden subsidieaanvragen toegekend op basis van de volgorde waarop deze bij het college zijn binnengekomen. Artikel19De subsidieaanvraag Een subsidieaanvraag voor stimulering sportdeelname dient uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten in bezit te zijn van het college Artikel20Nadere verplichtingen De sportvereniging dient bereid te zijn de activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie is verleend na beëindiging van de subsidie binnen de eigen organisatie voort te zetten. Paragraaf6Sportevenementen Artikel21Te subsidiëren activiteit Het college kan subsidie verlenen voor de organisatie van topsportevenementen; overige sportevenementen. Artikel22Grondslag van de subsidie De subsidie voor de in artikel 21 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel23Subsidieplafond 1.De subsidieplafonds voor de in artikel 21 genoemde activiteiten zijn gelijk aan de daarvoor in de begroting opgenomen bedragen. 2.Het college kan een deel van het subsidieplafond voor topsportevenementen reserveren voor specifieke door het college aan te wijzen topsportevenementen. 3.Ten laste van het in lid 1 bedoelde subsidieplafonds worden subsidieaanvragen toegekend op basis van de volgorde waarin ze bij het college zijn binnengekomen. Deze verdeelwijze laat het bepaalde in lid 2 onverlet. Artikel24De subsidieaanvraag Een subsidieaanvraag voor een in artikel 21 genoemde activiteit moet uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten in bezit zijn van het college. Artikel25Nadere verplichtingen Het college kan in het geval dat sprake is van een naar het oordeel van het college groot evenement nadere regels stellen aan de aard en de inhoud van de promotie-uitingen van de subsidieontvanger voor het evenement waarvoor subsidie wordt gevraagd. Artikel26Aanvullende weigeringsgronden Het college weigert een subsidieaanvraag voor reguliere competitiewedstrijden. Paragraaf7Gebruik Martiniplaza voor sportwedstrijden Paragraaf7Gebruik Martiniplaza voor sportwedstrijden Artikel27Te subsidiëren activiteit Het college kan aan sportorganisaties subsidie verlenen voor het gebruik van Martiniplaza ten behoeve van sportwedstrijden. Artikel28Grondslag van de subsidie
  36. De subsidie bedraagt een nader door het college te bepalen deel van de accommodatiehuur die Martiniplaza aan de subsidieaanvrager in rekening brengt voor de activiteiten, genoemd in artikel
  37. 2.De subsidie bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. 3.In afwijking van het tweede lid kan de subsidie niet hoger kan zijn dan nodig is om de nadelige financiële gevolgen voor de aanvrager als gevolg van de systeemwijziging weg te nemen. Artikel29Subsidieplafond 1.Het subsidieplafond voor de activiteiten, genoemd in artikel 27, bedraagt het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag onder aftrek van de reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Het college kan een (groot) deel van het subsidieplafond reserveren voor specifiek door hem aangewezen sportorganisaties. 3.Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt, is de verdeling van het subsidieplafond over de aanvragen als volgt: Als eerste komen in aanmerking de subsidieaanvragen van aanvragers die in drie aaneengesloten en direct voorafgaande jaren een korting op de huur ontvangen hebben uit de bijdrage sportaccommodatie Martiniplaza en/of een subsidie op grond van de in deze paragraaf bedoelde regeling; Als op grond van bovenstaande verdeelwijze het totaalbedrag van de subsidieaanvragen het beschikbare subsidieplafond overtreft, wordt dat naar evenredigheid over de onder a bedoelde aanvragers verdeeld; Als na toepassing van de onder a genoemde verdeelwijze nog een deel van het subsidieplafond resteert, wordt dat over de nadien ontvangen subsidieaanvragen toegewezen op basis van de volgorde van binnenkomst. Artikel30De subsidieaanvraag 1.Aanvragen voor een per boekjaar te verstrekken subsidie dienen uiterlijk 13 weken voor het begin van de activiteiten in bezit te zijn van het college. 2.Aanvragen voor eenmalige activiteiten dienen uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten in bezit te zijn van het college. Artikel31Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college weigert een subsidieaanvraag als de aanvrager voor zijn activiteiten terecht kan in een andere geschikte sportaccommodatie in de gemeente Groningen. 2.Het college kan een subsidieaanvraag weigeren: voor zover de gevraagde subsidie betrekking heeft op verhoging van de huur voor het gebruik van Martiniplaza en de daarvan deel uitmakende voorzieningen en diensten ten behoeve van sportwedstrijden; als de aanvrager geen stichtings- of verenigingsvorm heeft of geen samenwerkingsverband daarvan met rechtspersoonlijkheid is. Artikel32Overige bepalingen Overige bepalingen Deze paragraaf kan worden aangehaald als de “subsidieregeling huur Martiniplaza voor sportgebruik”. Afdeling3Emancipatie en vrouwenzaken Paragraaf1Algemeen Artikel1Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
  38. Vervolgaanvraag : Een subsidieaanvraag voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten als waarvoor het college in de beide direct voorafgaande kalenderjaren subsidie heeft verleend.
  39. Vrouwencentrum : Een door de gemeente gesubsidieerde accommodatie bedoeld voor de uitvoering van vrouwenemancipatieactiviteiten.
  40. Vrouwenemancipatie : Activiteiten die tot doel hebben de gelijkwaardige positie en de maatschappelijke participatie van vrouwen te bevorderen. Paragraaf2Vrouwencentra en emancipatieactiviteiten Artikel2Te subsidiëren activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor: a. de instandhouding van een vrouwencentrum; b. activiteiten gericht op vrouwenemancipatie; c. vernieuwde initiatieven op het gebied van vrouwenemancipatie en de integratie van homoseksualiteit in de samenleving. De uitvoering van activiteiten gericht op de integratie van homoseksualiteit in de samenleving. Artikel3Grondslag van de subsidie De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel4Subsidieplafond 1.Het subsidieplafond voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten is gelijk aan de hiervoor in de begroting opgenomen respectievelijke bedragen onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen.
  41. Als het totaal van de aanvragen de respectievelijke subsidieplafonds overschrijdt dan is de verdeling daarvan als volgt: Voor de instandhouding van een vrouwencentrum: Op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen. Resteert er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidieplafond dan wordt dat over de overige subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Voor activiteiten gericht op vrouwenemancipatie: Op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; Vervolgaanvragen voor activiteiten gericht op vrouwen - met een lage opleiding, - van allochtone afkomst, - van oudere leeftijd, - met een laag inkomen, hebben voorrang boven andere aanvragen. Binnen deze groepen hebben vervolgaanvragen voor activiteiten gericht op alleenstaande vrouwen met kinderen voorrang boven andere. Eerder genoemde criteria wegen in de afweging van het college zwaarder dan later genoemde. Resteert er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidieplafond dan wordt dat over de daarna binnenkomende subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Voor vernieuwende initiatieven: Subsidieaanvragen voor vernieuwende initiatieven op het gebied van vrouwenemancipatie en de integratie van homoseksualiteit in de samenleving worden toegekend op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Voor activiteiten gericht op de integratie van homoseksualiteit in de samenleving: Op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; Resteert er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidieplafond dan wordt dat over de overige subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel5De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is: 1 oktober van het voorafgaande jaar voor een vervolgaanvraag en 8 weken voor het begin van de activiteiten voor overige subsidieaanvragen. Artikel6Nadere verplichtingen Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: Een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; Gegevens over de verwachte deelname aan de activiteiten; Gegevens over de verwachte eigen bijdragen van deelnemers aan de activiteiten. Afdeling4Internationale betrekkingen Paragraaf1Algemeen Artikel1Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
  42. Mondiale bewustwording : Het verschaffen van inzicht aan de burgers en het stimuleren van activiteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, democratisering, mensenrechten en duurzame ontwikkeling. De werkzaamheden vinden plaats op basis van wederkerigheid in internationale - en ontwikkelingssamenwerking.
  43. Stedenband : Meerjarige overeenkomst tussen de gemeente Groningen en een door de Raad aangewezen buitenlandse gemeente met het doel onderling duurzame betrekkingen aan te gaan op sociaal-cultureel, economisch en wetenschappelijk gebied.
  44. Stedenband gemeente : Een door het college aangewezen buitenlandse gemeente waarmee een stedenband wordt aangegaan.
  45. Vervolg aanvraag : Een subsidieaanvraag voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten als waarvoor het college in de beide direct voorafgaande kalenderjaren subsidie heeft verleend. Paragraaf2Stedenbanden Artikel2Te subsidiëren activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter invulling van een stedenband, te weten: het bevorderen van persoonlijke contacten, ontmoetingen en samenwerking tussen inwoners van Groningen en een stedenbandgemeente; het informeren van de Groningse bevolking over een stedenbandgemeente; stage-uitwisseling van ambtenaren van de gemeente Groningen en van een steden­bandgemeente; het onderhouden van contacten met zusterorganisaties; het ondersteunen, zowel financieel als anderszins, van initiatieven van organisaties of personen die strekken tot verwezenlijking van de doelstelling van een stedenband; kennis- en informatie-uitwisseling tussen Groningen en een stedenbandgemeente. Artikel3Grondslag van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel4Subsidieplafond 1.Het subsidieplafond voor activiteiten ter invulling van een stedenband is gelijk aan de hiervoor in de begroting opgenomen bedragen onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan is de verdeling daarvan als volgt: Op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen. Leidt bovenstaande verdeelwijze tot overschrijding van het subsidieplafond dan wordt dat naar evenredigheid over de op tijd ingediende vervolgaanvragen verdeeld. 3.Resteert er na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidieplafond dan wordt dat over de overige aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel5De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is: 1 oktober van het voorafgaande jaar voor een vervolgaanvraag en 8 weken voor het begin van de activiteiten voor overige subsidieaanvragen. Paragraaf3Mondiale bewustwording Artikel6Te subsidiëren activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor: het geven van informatie aan de bevolking van de gemeente Groningen over de problematiek in een land door middel van voorlichting en bewustwordingsactiviteiten; steun aan de opbouw van de democratie van een land; het stimuleren van burgers en overheden om actief mee te werken aan het oplossen van sociaal-economische en maatschappelijke vraagstukken in een land; de uitwisseling van ambtenaren en stages van ambtenaren van de gemeente Groningen en van een land; het werven van fondsen voorzover die zullen worden ingezet in concrete ontwikkelingsprojecten in een land. Artikel7Grondslag van de subsidie De subsidie voor activiteiten op het gebied van mondiale bewustwording bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel8Subsidieplafond 1.Het subsidieplafond voor activiteiten op het gebied van mondiale bewustwording is gelijk aan het hiervoor in de begroting opgenomen bedrag onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan is de verdeling daarvan als volgt: Op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven alle andere aanvragen. Leidt bovenstaande verdeelwijze tot overschrijding van het subsidieplafond dan wordt dat naar evenredigheid over de op tijd ingediende vervolgaanvragen verdeeld. 3.Resteert er na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidieplafond dan wordt dat over de nadien binnengekomen aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel9Nadere verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht om de Groningse bevolking te informeren over de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en in zijn werkplan informatie op te nemen over de wijze waarop hij deze verplichting invult. Afdeling5Migranten Paragraaf1Algemeen Artikel1Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
  46. Integratie : het proces dat leidt tot zelfredzaamheid van etnisch culturele groepen in de samenleving in economisch, educatief, sociaal en cultureel opzicht
  47. Emancipatie : het streven naar gelijke kansen en eerlijke maatschappelijke verhoudingen voor vrouwen en mannen
  48. Dialoog : een gesprek tussen meerdere personen of groepen gericht op het vergroten van het wederzijds begrip over thema’s op het gebied van integratie of emancipatie.
  49. Zelforganisatie : een rechtspersoon die opgericht en bestuurd wordt door de in Groningen aanwezige niet-westerse etnisch culturele gemeenschappen en die functioneert op basis van de inzet van vrijwilligers.
  50. Niet-westerse etnisch culturele gemeenschap : een niet-westerse etnisch culturele gemeenschap bestaat uit personen met als land van herkomst van de persoon zelf of van minimaal één van zijn ouders Turkije of een land buiten Europa met uitzondering van Indonesië (exclusief de Molukken), Japan, Australië, Nieuw Zeeland, Canada en de Verenigde Staten.
  51. Koepelorganisatie : overkoepelend orgaan van en voor Groninger zelforganisaties, dat zich richt op belangenbehartiging, bevordering van samenwerking en afstemming en een bijdrage levert aan de bewustwording, participatie en integratie 7.Platform voor religie en levensbeschouwing : een samenwerkingsverband van in Groningen aanwezige religies en levensbeschouwingen dat tot doel heeft de onderlinge samenwerking, respect en solidariteit tussen verschillende religieuze en levensbeschouwelijke groeperingen, maar ook tussen burgers algemeen te bevorderen.
  52. Vrouwen-emancipatie : activiteiten die tot doel hebben de gelijkwaardige positie en de maatschappelijke participatie van vrouwen te bevorderen. 9.Vervolgaanvraag : Een subsidieaanvraag afkomstig van een aanvrager aan wie in het direct voorafgaande jaar voor in hoofdzaak dezelfde activiteiten subsidie was verleend. Paragraaf2Basissubsidies Artikel2Te subsidiëren activiteiten Het college kan aan zelforganisaties een basissubsidie verlenen in de kosten van het optreden als netwerkpartner voor de gemeente Groningen. Artikel3Grondslag van de subsidie 1.De subsidie voor de in artikel 2 genoemde activiteiten bedraagt per zelforganisatie: a. bij een omvang van de etnische groep van 50 tot 500 inwoners € 1.250 per jaar; b. bij een omvang van de etnische groep van 501 tot 1.000 inwoners € 2.500 per jaar; c. bij een omvang van de etnische groep van meer dan 1.000 inwoners € 5.000 per jaar.
  53. Bepalend voor de omvang van de in lid 1 bedoelde etnische groep is de tabel Bevolking per herkomst per 1 januari van de Gemeentelijke Basisadministratie in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt gevraagd. 3.Per etnische groepering komen niet meer dan twee zelforganisaties voor basissubsidie in aanmerking. De subsidie per zelforganisatie bedraagt dan de helft van de in lid 1 genoemde bedragen met een minimum van € 1.
  54. 4.Als de omvang van de in lid 1 bedoelde etnische groep niet kan worden vastgesteld, bedraagt de basissubsidie maximaal € 1.250 per zelforganisatie. Artikel4Subsidieplafond 1.Het subsidieplafond voor basissubsidies is gelijk aan het in de begroting daarvoor opgenomen bedrag.
  55. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het beschikbare subsidiebudget, wordt dat budget als volgt verdeeld: a. Als eerste komen in aanmerking op tijd ingediende vervolgaanvragen; b. Als tweede komen in aanmerking op tijd ingediende andere aanvragen; c. Als het beschikbare budget ontoereikend is voor de in a. en b. bedoelde verdeelwijze, wordt het beschikbare budget naar evenredigheid over de in aanmerking komende aanvragen verdeeld. Artikel5Subsidieaanvraag 1.De aanvraag voor een basissubsidie moet zijn voorzien van een activiteitenplan waarin een beschrijving moet zijn opgenomen van: a. de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd, b. de verwachte deelname aan de activiteiten en c. de eigen bijdrage die van de deelnemers aan de activiteiten wordt geheven. 2.Aanvragen voor basissubsidie moeten in bezit zijn van het college uiterlijk op 1 oktober voor het jaar waarvoor subsidie wordt gevraagd. Artikel6Overige bepalingen Een zelforganisatie aan wie een basissubsidie is verleend, is verplicht als gesprekspartner voor het college te fungeren over: a. algemene zaken die betrekking hebben op onderwerpen op het gebied van integratie; b. specifieke zaken die betrekking hebben op de achterban van de subsidieontvangende zelforganisatie. Paragraaf3Activiteitensubsidies Artikel7Te subsidiëren activiteiten Het college kan een activiteitensubsidie verlenen aan een zelforganisatie of een maatschappelijke organisatie als de activiteit gericht is op één of meer van de volgende doelen: integratie, emancipatie en dialoog. Artikel8Grondslag van de subsidie De subsidie voor de in artikel 2 genoemde activiteiten bedraagt per zelforganisatie 100% van de noodzakelijke kosten onder aftrek van de hierop betrekking hebbende baten. Artikel9Subsidieplafond
  56. Het subsidieplafond voor activiteitensubsidies is gelijk aan het in de begroting daarvoor opgenomen bedrag. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het beschikbare subsidiebudget, wordt dat budget over de in aanmerking komende, op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel10De subsidieaanvraag De aanvraag voor activiteitensubsidie moet uiterlijk acht weken voor het begin van de activiteiten in bezit zijn van het college. Artikel11Nadere verplichtingen 1.De activiteit komt aantoonbaar tot stand in samenwerking met één of meer Groninger zelforganisaties en/of één of meer etnisch-culturele gemeenschappen uit de stad Groningen. 2.De activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd is aanvullend op het activiteitenaanbod op het bestaande activiteitenaanbod van lokale maatschappelijke voorzieningen. Artikel12Aanvullende weigeringsgronden
  57. Een aanvrager komt voor dezelfde activiteit ten hoogste drie jaren achtereen voor activiteitensubsidie in aanmerking.
  58. Het college weigert subsidieaanvragen voor activiteiten op het gebied van ontspanning, ontmoeting in eigen kring, politiek, religie of levensbeschouwing. Paragraaf4Specifieke subsidies Artikel13Te subsidiëren activiteiten
  59. Het college kan aan de koepelorganisatie voor Groninger zelforganisaties subsidie verlenen voor activiteiten die zijn gericht op minstens drie van de volgende doelstellingen: het signaleren, aankaarten en bewaken van zaken en gebeurtenissen die migranten en migrantenorganisaties aangaan; het bevorderen van het inburgeringproces, met inachtneming van de eigen identiteit en daarbij behorende culturele behoeften, middels de aangesloten zelforganisaties; het bevorderen van de onderlinge samenwerking van haar leden; het stimuleren van samenwerken met andere sociaal-maatschappelijke organisaties en instellingen; een bijdrage leveren aan de bewustwording, participatie en integratie van de migrantengroepen in de samenleving en functioneren als spreekbuis c.q. belangenbehartiger voor deze zelforganisaties. 2.Het college kan aan een platform voor religie en levensbeschouwing subsidie verlenen voor: activiteiten die zijn gericht op de rol van gespreks- en netwerkpartner van de gemeente en van maatschappelijke organisaties in de gemeente Groningen; het gezamenlijk naar buiten treden met activiteiten ter bevordering van de dialoog tussen de deelnemende religies en levensbeschouwingen en de inwoners van de gemeente Groningen. Artikel14Grondslag van de subsidie 1.De subsidie voor de in artikel 13 genoemde activiteiten bedraagt € 2.500 per jaar. 2.Per jaar komt ten hoogste één koepelorganisatie en één platform voor subsidie in aanmerking. Artikel15Subsidieplafond 1.De subsidieplafonds voor de in artikel 13 lid 1 respectievelijk lid 2 genoemde activiteiten is gelijk aan het in de begroting daarvoor opgenomen bedrag.
  60. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het beschikbare subsidiebudget, wordt het beschikbare budget als volgt verdeeld: Als eerste komen voor subsidie in aanmerking vervolgaanvragen die bij het college zijn ingediend op 1 oktober voor het jaar waarvoor subsidie wordt gevraagd; Als na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidiebudget resteert hebben subsidieaanvragen afkomstig van de koepel respectievelijk het platform met de meeste aangesloten zelforganisaties respectievelijk religies en levensbeschouwingen voorrang boven andere aanvragen. Artikel16De subsidieaanvraag De vervolgaanvraag voor een specifieke subsidie moet in bezit zijn van het college op 1 oktober voor het jaar waarvoor subsidie wordt gevraagd. Artikel17Nadere verplichtingen 1.De koepelorganisatie is verplicht elke Groninger zelforganisatie als lid toe te laten.
  61. Het platform is verplicht om deelname toe te staan van vertegenwoordigingen van elke religie of levensbeschouwing die actief in de gemeente Groningen beleden wordt. Toelichting Toelichting bij afd.5 Migranten Afdeling6Sociaal-cultureel werk Paragraaf1Algemeen Artikel1Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
  62. De nota : De accommodatienota Welzijn Gemeente Groningen, getiteld Änders en beter", zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 21 december
  63. De bijlagen maken integraal onderdeel uit van deze nota.
  64. Accommodatie : Een buurtcentrum, speeltuingebouw of een jongerencentrum zoals omschreven in paragraaf 1.6 van de nota die voor subsidie in aanmerking komt met ingang van 1 januari 2007 overeenkomstig hoofdstuk 4 van de nota dan wel een daartoe strekkend collegebesluit.
  65. Accommodatiebestuur : Het bestuur van een stichting of vereniging die verantwoordelijk is voor beheer en exploitatie van een accommodatie.
  66. Calamiteit : Een niet te voorziene gebeurtenis waaruit groot onderhoudswerkzaamheden voortvloeien an een accommodatie, waarvan de onmiddellijke uitvoering noodzakelijk is om vervolgschade te voorkomen of te beperken.
  67. B.v.a. (bruto vloer oppervlak) :
  68. De oppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten behorend tot een accommodatie, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen en waarbij geldt dat: - indien een binnenruimte aan een andere binnenruimte grenst, wordt gemeten tot het hart van de desbetreffende scheidingsconstructie; - indien een gebouwgebonden buitenruimte aan een binnenruimte grenst, het grondvlak van de scheidingsconstructie volledig wordt toegerekend aan de bruto-vloeroppervlakte van de binnenruimte; - indien een binnenruimte grenst aan een schuin dak de bruto-oppervlakte wordt bepaald op 1,5 m hoogte, gemeten tot en met de dakconstructie (dakpan).
  69. In afwijking van het gestelde onder
  70. geldt voor de in de nota genoemde accommodaties de daarbij vermelde bruto vloeroppervlakten tenzij het college anders beslist.
  71. Indien noodzakkelijke kosten : Kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteit onder aftrek van de op die activiteiten rechtsreeks betrekking hebbende baten.
  72. Groot onderhoud : Voor rekening van de verhuurder komend onderhoud zoals omschreven in artikel 6 onder 1 van de Algemene Voorwaarden behorende bij huurovereenkomsten van de dienst OCSW van de gemeente Groningen.
  73. Exploitatielasten : Kosten van energie, klein onderhoud, lasten en heffingen (gebruikersdeel), beveiliging, inventaris en overige lasten voor zover niet vallend onder de leden 8 en 10 van dit artikel of onder artikel 1 lid 1, nummers a tot en met e c.q. artikel 1 lid 2, nummer a tot en met e.
  74. Personeelskosten beheer : Totale bruto werkgeverslasten vermeerderd met de kosten van begeleiding, scholing, loopbaanontwikkeling en bevordering van doorgroeimogelijkheden terzake van beheerpersoneel dat in dienst is bij een door het college aangewezen centrale heheerpool. Eventuele specifieke (loonkosten-)subsidies komen op deze kosten in mindering.
  75. Subsidietijdvak : Een tijdvak lopend van 1 januari tot en met 31 december waarop de subsidieverlening door het college betrekking heeft.
  76. Zakelijke huisvestingslasten : Onroerende zaakbelasting, gemeentelijke en provinciale heffingen en rechten en verzekeringspremies voor zover het eigenaarslasten betreft en voor zover samenhangend met de accommodatie.
  77. Marktconform tarief : Het tarief dat accommodatiebesturen voor de commerciële verhuur van accommodatieruimten in rekening brengen.
  78. Gereduceerd tarief : Maximaal 50% van het marktconforme tarief , waarbij het college aan de berekening van dit tarief nadere regels kan stellen.
  79. Speeltuinvereniging : Een subsidieontvanger die als voornaamste doelstelling heeft werkzaamheden te zijn in het belang van het speeltuinwerk en op het gebied van sociaal-cultureel werk in de gemeente Groningen en die is aangesloten bij het plaatselijke samenwerkingsorgaan voor speeltuinverenigingen.
  80. Speeltuin : Een tot een speeltuinvereniging behorende buitenspeelvoorziening voor kinderen in de leeftijd van 4-16 jaar bestemd voor het uitvoeren van activiteiten voor deze jeugd en die voldoet aan de bepalingen van het "Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen"van de Voedsel en Waren Autoriteit van 26 maart
  81. Geprioriteerde activiteiten : Activiteiten die worden georganiseerd ten behoeve van door het college aangewezen of aan te wijzen doelgroepen.
  82. Seizoen : Tijdvak voor de uitvoering van activiteiten dat loopt van 1 september tot en met uiterlijk 31 augustus daaropvolgend.
  83. Signalering : Het bevorderen van inzicht in persoonlijke en maatschappelijke tekorten en de mogelijkheden om in deze tekorten te voorzien.
  84. Sociaal-cultureel werk : Activiteiten die gericht zijn op: a. de versterking van de sociale structuur in een wijk of buurt b. het voorkomen van vereenzaming, sociaal isolement en onmaatschappelijk gedrag en c. de bevordering van samenwerking tussen (zelf)organisaties en/of groepen.
  85. Speeltuin : Vervallen
  86. Speeltuinvereniging : Vervallen
  87. Vakantiekamp : Een meerdaagse groepsactiviteit met overnachting(en) die bedoeld is voor kinderen en/of jongeren afkomstig uit economisch zwakkere gezinnen woonachtig in de gemeente Groningen en die georganiseerd wordt tijdens een schoolvakantie. 23.Vervolgaanvraag : Een subsidieaanvraag voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten als waarvoor het college in de beide direct voorafgaande kalenderjaren subsidie heeft verleend.
  88. Vorming/educatie : Het bevorderen van kennis, inzicht en vaardigheden van individuen en/of groepen ter wille van een verbetering van het persoonlijk en algemeen maatschappelijk functioneren.
  89. Vrijwillige thuishulp : Door vrijwilligers gegeven basisondersteuning in de thuissituatie.
  90. Vrijwilligerswerk : Werk dat in enig georganiseerd verband onverplicht en onbetaald wordt verricht ten behoeve van andere mensen of de samenleving zonder dat degene die het verricht daat voor zijn of haar levensonderhoud van afhankelijk is.
  91. WiJk of buurt : Een door het college aangewezen gedeelte van de gemeente dat geografisch valt te onderscheiden van de overige delen van de gemeente, zoals vastgelegd in de gemeentelijke basisadministratie.
  92. Wijk- of buurtbewoners : Zij die volgens de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie binnen de grenzen van een wijk of buurt woonachtig zijn met inbegrip van neringdoenden die in die wijk of buurt een vestiging hebben.
  93. Wijk- of buurtcentrum : Een laagdrempelige algemeen toegankelijke accommodatie bedoeld voor organisatie en uitvoering van sociaal-cultureel werk ten behoeve van buurt- of wijkbewoners.
  94. Wijkjongerencentrum : Een laagdrempelige algemeen toegankelijke accommodatie bedoeld voor organisatie en uitvoering van sociaal-cultureel werk ten behoeve van jongeren in een wijk of buurt.
  95. Woonconsument : Zij die als de gebruiker van een woning woonachtig zijn in de gemeente Groningen evenals zij die als woningzoekenden staan ingeschreven bij een woningcorporatie in de gemeente Goningen.
  96. Woonconsumenten-organisatie : Een stichting of vereninging die tot doel heeft belangen te behartigen en informatie te verschaffen ten behoeve van woonconsumenten op het terrein van de volkshuisvesting dan wel die tot doel heeft de ondersteuning van bewonersorganisaties bij de uitvoering van hun taken.
  97. Wooneenheid : Een eenheid zoal bedoeld in de jaarlijkse publicatie "Van de gemeente Groningen, bevolking, woonruimtes en vestigingen per buurt en buurtcombinatie in de gemeente Groningen. Paragraaf2Algemeen sociaal-cultureel werk Artikel2Te subsidiëren activiteiten Het college kan aan instellingen voor sociaal-cultureel werk subsidie verlenen voor: 1.Wijk- en/of stedelijke activiteiten ter uitvoering van onderstaande functie a. Ontmoeting/recreatie; b. Vorming/educatie; c. Cultuur/creativiteit; d. Dienstverlening/voorlichting; e. Belangenbehartiging/activering; f. Opvang; g. Afstemming/coördinatie; h. Signalering; i. Sport. 2.Wijkactiviteiten passend binnen de in het vorige lid genoemde functies ter uitvoering van De beheerderfunctie voor de wijk-, buurt- en wijkjongerencentra; Het accommodatiemanagement voor de wijk-, buurt- en wijkjongerencentra; Exploitatie en instandhouding van wijk- en andere centra. 3.Knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk. Artikel3Grondslag van de subsidie De subsidie voor de in artikel 2 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel4Subsidieplafond 1.De subsidieplafonds voor de in artikel 2 genoemde activiteiten zijn gelijk aan de daarmee corresponderende bedragen in de begroting onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen; 2.Als het totaal van de aanvragen voor activiteiten als bedoeld in de eerste twee leden van artikel 2 hoger is dan de respectievelijke subsidieplafonds dan is de verdeelwijze als volgt: a. op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; b. voorzover bovenstaande verdeelwijze zou leiden tot overschrijding van de subsidieplafonds worden deze naar evenredigheid over de op tijd ingediende vervolgaanvragen verdeeld; c. voorzover na de in de leden 2a en 2b bedoelde verdeelwijze nog middelen resteren worden deze over de op tijd ingediende overige aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen; als het totaal van de aanvragen voor knelpunten in het sociaal-cultureel werk hoger is dan het subsidieplafond dan wordt dat over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel5De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is: 1 oktober van het voorafgaande jaar voor een vervolgaanvraag en 8 weken voor het begin van de activiteiten voor overige subsidieaanvragen. Artikel6Nadere verplichtingen 1.Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de deelname aan de activiteiten; gegevens over de eigen bijdrage van de deelnemers aan de activiteiten; gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd. 2.Het college verleent slechts subsidie voor het oplossen van knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk voorzover de subsidieontvanger aannemelijk kan maken dat: bekostiging uit andere aan subsidieontvanger verstrekte subsidies niet mogelijk is; het knelpunt na aanwending van de gevraagde subsidie zal zijn opgelost. 3.De subsidieontvanger voert een preventief beleid dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. In het activiteitenplan moet de subsidieontvanger aangeven hoe dat beleid zal worden vormgegeven en uitgevoerd. Artikel7Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan een subsidieaanvraag voor de oplossing van knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk weigeren als hiervoor al eerder aan de subsidieontvanger subsidie was verleend. 2.Het college kan een subsidieaanvraag voor de in artikel 2 genoemde activiteiten weigeren als die activiteiten zijn gericht op jongeren in de leeftijd van 0 tot en met 23 jaar. Paragraaf3Sociaal-culturele accommodaties Artikel8Te subsidiëren activiteiten 1.Het college kan aan een accommodatiebestuur subsidie verlenen voor: hypotheeklasten als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft; kale huur; verbouwkosten en/of kleine uitbreidingen als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft; groot onderhoud, daaronder mede begrepen calamiteiten, als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft; zakelijke huisvestingslasten; exploitatielasten; organisatiekosten. 2.Het college kan aan het door hem aan te wijzen samenwerkingsorgaan voor speeltuinverenigingen ten behoeve van de aangesloten leden subsidie verlenen voor: hypotheeklasten als de betreffende accommodatie in eigendom is bij een aangesloten lid; kale huur; verbouwkosten en/of kleine uitbreidingen als de betreffende accommodatie in eigendom is bij een aangesloten lid; groot onderhoud, daaronder mede begrepen calamiteiten, als de betreffende accommodatie in eigendom is bij een aangesloten lid; zakelijke huisvestingslasten; exploitatielasten; organisatiekosten inrichting en onderhoud van speeltuinen en speeltoestellen; exploitatiekosten van het samenwerkingsorgaan zelf. Artikel9Grondslag van de subsidie 1.De subsidie bedraagt voor de in artikel 8 lid 1 onder a tot en met e alsmede de in lid 2 onder a tot en met e genoemde kosten 100% daarvan, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn en door het college zijn erkend; 2.De subsidie bedraagt voor de in artikel 8 lid 1 onder f evenals de in lid 2 onder f genoemde kosten voor exploitatielasten € 39 per m2 b.v.o. 3.De subsidie bedraagt voor de in artikel 8 lid 1 onder g en de in lid 2 onder g genoemde kosten voor organisatiekosten een vast bedrag van € 2.500 per accommodatie c.q. per aangesloten accommodatie; 4.De subsidie bedraagt voor de in artikel 8 lid 2 onder h genoemde kosten voor inrichting en onderhoud van speeltuinen en speeltoestellen € 14 per m2 b.v.o. ; 5.De subsidie bedraagt voor de in artikel 8 lid 2 onder i genoemde activiteiten maximaal 100% van de noodzakelijke kosten; 6.In afwijking van het bepaalde in lid 2 van dit artikel kan het college in specifieke door hem aan te wijzen gevallen de subsidie op andere wijze berekenen. 7.De in lid 2 tot en met 4 van dit artikel genoemde bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil
  98. Het college kan deze bedragen aanpassen aan de voor het subsidietijdvak geldende begrotingsrichtlijnen. Artikel10Subsidieplafond 1.Het subsidieplafond voor de in artikel 8 lid 1 onder c en de in lid 2 onder c genoemde kosten is gelijk aan het hiervoor in de begroting opgenomen bedrag onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen 2.Het subsidieplafond voor de in artikel 8 lid 1 onder d en de in lid 2 onder d genoemde kosten is gelijk aan het hiervoor in de begroting opgenomen bedrag onder aftrek van: reeds lopende meerjarige verplichtingen, en een nader door het college te bepalen bedrag voor calamiteiten. 3.Als het totaal van de kosten van de door het college erkende werkzaamheden voor verbouw en/of kleine uitbreidingen hoger is dan het daarvoor geldende subsidieplafond dan komen op tijd ingediende aanvragen eerder voor subsidie in aanmerking naarmate ze beter voldoen aan onderstaande criteria: de werkzaamheden hebben als doel de accommodatie laten voldoen aan wettelijk eisen; de werkzaamheden hebben als doel de accommodatie aan te passen aan veranderende activiteiten; de werkzaamheden hebben als doel de accommodatie aan te passen aan eigentijdse eisen. In de afweging van het college wegen eerder genoemde criteria zwaarder dan later genoemde. Bij de bepaling van de hier bedoelde urgentie worden werkzaamheden aan accommodaties die eigendom zijn van de gemeente mede in beschouwing genomen. 4.Als het totaal van de subsidieaanvragen voor groot onderhoud hoger is dan het daarvoor geldende subsidieplafond dan komen op tijd ingediende aanvragen eerder voor subsidie in aanmerking naarmate de urgentie op basis van een bouwkundig of technisch onderzoek groter is. Een dergelijk onderzoek wordt verricht door deskundigen werkzaam bij de gemeente dan wel een externe door het college aan te wijzen deskundige. Bij de bepaling van de hier bedoelde urgentie worden werkzaamheden voor groot onderhoud aan accommodaties die eigendom zijn van de gemeente mede in beschouwing genomen. 5.Het subsidieplafond voor calamiteiten zoals bedoeld in het tweede lid onder b wordt over de subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen, een en ander voor zover het college de kosten heeft erkend. Artikel11De subsidieaanvraag 1.Subsidieaanvragen moeten uiterlijk op 1 oktober van het voorafgaande jaar in bezit zijn van het college. 2.In afwijking van het vorige lid moeten subsidieaanvragen voor kosten van verbouw, kleine uitbreidingen en groot onderhoud uiterlijk op 1 februari van het voorafgaande kalenderjaar in bezit zijn van het college. 3.In afwijking van artikel 12 van hoofdstuk 1 van deze verordening beslist het college op aanvragen voor verbouwingen en/of kleine uitbreidingen en op subsidieaanvragen voor groot onderhoud vóór 1 januari volgend op het jaar van indiening. 4.Calamiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd moeten binnen een week bij het college zijn gemeld. Het college bepaalt in overleg met de subsidieontvanger een nadere termijn waarbinnen een beschrijving moet zijn ingediend van de werkzaamheden evenals een begroting van de kosten en de baten die daarop betrekking hebben. Artikel12Nadere verplichtingen 1.Als aan de subsidieontvanger subsidie wordt verleend op grond van artikel 8 vermeldt hij: in zijn activiteitenplan op welke wijze invulling wordt gegeven aan alle verplichtingen die krachtens deze verordening aan de subsidieverlening worden verbonden; in zijn activiteitenverslag hoe de invulling van de verplichtingen uiteindelijk vorm heeft gekregen en verklaart de afwijkingen tussen de voorgenomen invulling (activiteitenplan) en de realisatie daarvan; in zijn financiële en inhoudelijke verslag gegevens met betrekking tot groeperingen aan wie accommodatieruimte wordt verhuurd en de tarieven die daarbij in rekening worden gebracht. 2.De subsidieontvanger is verplicht om bij zijn subsidieaanvraag voor de in artikel 8 lid 1 onder c en de in lid 2 onder c genoemde activiteiten een (ver-)bouwplan te overleggen voorzien van een kostenraming evenals een beschrijving van de noodzaak van de in die leden bedoelde werkzaamheden. 3.Subsidieaanvragen voor groot onderhoud moeten zijn voorzien van een beschrijving van de werkzaamheden, de noodzaak daarvan en tevens van een kostenraming. 4.De subsidieontvanger aan wie subsidie wordt verleend op grond van artikel 8 lid 1 of lid 2 is gehouden om de in de beide vorige leden bedoelde gegevens aan te vullen binnen zes weken nadat het college daarom heeft verzocht. 5.De subsidieontvanger geeft in zijn activiteitenplan aan in hoeverre het activiteitenaanbod aansluit op de behoeften van de wijk of buurt en geeft een verklaring voor eventuele afwijkingen daartussen. 6.Het college kan bepalen dat de subsidieontvanger, aan wie op grond van artikel 8 lid 1 of lid 2 subsidie wordt verleend, initiatieven neemt om in overleg met andere aanbieders van activiteiten tot een gezamenlijke activiteitenprogrammering te komen in de wijk waarin de subsidieontvanger gebruik maakt van de accommodatie. 7.De subsidieontvanger is verantwoordelijk voor een goede balans tussen de geprioriteerde sociaal-culturele activiteiten enerzijds en overige (eigen) activiteiten anderzijds. De subsidieontvanger is gehouden om in zijn activiteitenplan en activiteitenverslag aan te geven op welke wijze aan deze verantwoordelijkheid invulling wordt c.q. is gegeven. 8.Het college kan terzake van het accommodatiegebruik aan openingstijden, ingebruikgeving, prioritering en de programmering van activiteiten nadere regels stellen. 9.De subsidieontvanger dient accommodatieruimte inclusief beheer: Gratis ter beschikking te stellen aan doelgroepen en activiteiten die vallen onder de functies van het algemeen sociaal-cultureel werk zoals bedoeld in artikel 2 van paragraaf 2 van deze afdeling. Tegen gereduceerd tarief ter beschikking te stellen aan doelgroepen en activiteiten die niet vallen onder de functies van het algemeen sociaal-cultureel werk mits deze passen binnen het gemeentelijk beleid. De beide voorgaande onderdelen van dit lid zijn niet van toepassing als en voor zover voor de huisvestingskosten terzake van de in dit lid bedoelde activiteiten subsidie wordt verleend. 10.Het college kan bepalen dat bij de toewijzing van gratis accommodatieruimte door accommodatie-besturen activiteiten die gericht zijn op de eigen wijk voorrang hebben boven andere activiteiten. 11Het college kan bepalen dat exclusief beslag op een accommodatieruimte of een deel daarvan slechts geschiedt tegen een marktconform tarief. 12De subsidieontvanger aan wie subsidie wordt verleend op grond van artikel 8 lid 2 is verplicht om de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde nadere verplichtingen op te leggen aan de bij het samenwerkingsverband aangesloten speeltuinverenigingen. 13Het college legt de verplichtingen als bedoeld in de leden 8 tot en met 10 van dit artikel slechts op voor zover daardoor de exploitatie c.q. de bedrijfsvoering van de accommodatie niet in gevaar komt. 14Het college kan bepalen dat de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidieverlening en/of de aanvraag tot subsidievaststelling gebruik maakt van een daartoe vastgesteld formulier. Artikel13Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan een subsidieaanvraag geheel of gedeeltelijk weigeren als de accommodatie niet voldoet aan het toetsingskader zoals beschreven in de hoofdstukken 3 en 4 en in bijlage 3 bij de nota. 2.Het college weigert een subsidieaanvraag: voor de in artikel 8 lid 1, onderdelen a, c en d of de in lid 2, onderdelen a, c en d genoemde kosten als de subsidieontvanger de accommodatie waarvoor de subsidie wordt gevraagd niet in eigendom heeft; voor de in artikel 8 lid 1 onder b of in lid 2 onder b genoemde kosten als de subsidieontvanger de accommodatie waarvoor de subsidie wordt gevraagd in eigendom heeft. 3.Het college kan een subsidie voor de in artikel 8 lid 1 onder a tot en met c of in lid 2 onder a tot en met c genoemde kosten weigeren: als die kosten niet in een redelijke verhouding staan tot de waarde van de accommodatie zoals wordt bedoeld in hoofdstuk 3 van de nota; voor zover de kosten samenhangen met accommodatieruimte waarvoor het college geen subsidie verleent of heeft verleend op grond van artikel 8 lid 1 onder f respectievelijk op grond van artikel 1 lid 2 onder f; voor zover de subsidieaanvraag betrekking heeft op kosten die voortvloeien uit nieuwbouw, verbouw of kleine uitbreidingen waarvan het (ver-)bouwplan inclusief de daarbij horende kostenraming niet door het college is goedgekeurd; voor zover die voortvloeien uit verplichtingen die de subsidieontvanger zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van het college is aangegaan na 31 december 2005; voor zover die voortvloeien uit bouwkundige aanpassingen aan accommodaties die niet in eigendom zijn van de gemeente of van het accommodatiebestuur zonder dat het college daaraan schriftelijke goedkeuring heeft gehecht. 4.Het college kan van de subsidieontvanger vergen dat deze een nader door het college te bepalen gedeelte van zijn voorziening voor groot onderhoud besteedt aan de uitvoering van de groot-onderhoudswerkzaamheden als en voor zover die voorziening ten laste van de subsidie tot stand is gekomen. Bij de berekening van de subsidie zoals bedoeld in artikel 8 eerste lid onder c van deze afdeling houdt het college rekening met het hier bepaalde. Artikel14Citeerartikel en inwerkingtreding 1.Deze paragraaf kan worden aangehaald als de subsidieregeling Sociaal-culturele accommodaties. 2.Deze paragraaf treedt in werking op 1 oktober
  99. Paragraaf4Beheer sociaal-culturele accommodaties Artikel15Te subsidiëren activiteiten 1.Het college kan aan een door het college aan te wijzen centrale beheerpool subsidie verlenen voor de salariëring, scholing en loopbaanontwikkeling van beheerpersoneel evenals voor de inzet van dat personeel ten behoeve van het beheer van accommodaties. 2.Het college kan in afwijking van het vorige lid van dit artikel de subsidie ook verlenen aan andere subsidieontvangers als naar het oordeel van het college sprake is van bijzondere omstandigheden. 3.Het college kan in specifieke door hem aan te wijzen gevallen subsidie verlenen voor andere kosten van accommodatiebeheer dan zoals beschreven in het vorige lid van dit artikel, een en ander in overeenstemming met wat hierover is bepaald in bijlage 1 bij de nota. Artikel16Grondslag van de subsidie 1.De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten maar niet meer dan zoals beschreven in paragraaf 5.3 van de nota. 2.In afwijking van de vorige leden van dit artikel kan het college in specifieke door hem aan te wijzen gevallen de subsidie voor kosten van beheer op andere wijze berekenen. Artikel17Subsidieplafond 1.Het subsidieplafond voor de in artikel 8 genoemde activiteiten is gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond wordt dat als volgt verdeeld: Vervolgaanvragen hebben voorrang boven nieuwe aanvragen; Als na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidieplafond resteert, dan wordt dat over nadien binnengekomen subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop deze bij het college zijn binnengekomen. Artikel18De subsidieaanvraag 1.Vervolgaanvragen voor de in artikel 15 genoemde activiteiten moeten bij het college zijn ingediend uiterlijk op 1 oktober van het voorafgaande jaar; 2.Nieuwe subsidieaanvragen voor de in artikel 15 genoemde activiteiten moeten bij het college zijn ingediend uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten. Artikel19Nadere verplichtingen 1.De subsidieontvanger aan wie op grond van lid 1 van artikel 15 subsidie wordt verleend, is verplicht: het beheerpersoneel waarvoor het college subsidie verleent voor beheerstaken om niet aan accommodatiebesturen ter beschikking te stellen: in relatie tot de openingstijden van de accommodatie en de vraag van de accommodatiebesturen zoals opgenomen in een door laatstgenoemden op te stellen beheersvoorstel; in overeenstemming met paragraaf 5.3 van de nota als het hiervoor onder nr. 1 bedoelde beheersplan niet beschikbaar is om voor het inroosteren van beheerspersoneel bij de accommodaties op overeenstemming gericht overleg te voeren met de accommodatiebesturen over het aantal in te zetten uren, de openingstijden van de accommodatie en de te leveren functieniveaus. Dit overleg moet hebben plaatsgehad vóórdat de subsidieontvanger een besluit heeft genomen over de bij accommodaties in te zetten beheersuren; bij de taakomschrijving van het bij de accommodaties in te zetten beheerpersoneel aan te sluiten bij bijlage 2 van de nota (Functieprofiel en takenpakket van de diverse beheersfuncties); in het activiteitenplan en het activiteitenverslag aan te geven hoe invulling is gegeven aan de hierboven beschreven verplichtingen. 2.Het in lid 1 onder nummer a.1 en a.2 bepaalde is niet van toepassing als de subsidie aan een accommodatiebestuur wordt verleend in plaats van aan een door het college aangewezen centrale beheerpool. Artikel20Aanvullende weigeringsgronden Het college kan een subsidieaanvraag voor personeelskosten beheer weigeren voor zover voor de kosten daarvan al door derden subsidie wordt verleend. Artikel21Overgangsbepalingen 1.In afwijking van artikel 11 lid 3 van deze afdeling beslist het college voor het kalenderjaar 2007 op subsidieaanvragen voor de in artikel 8 lid 1 onder c en d evenals de in lid 2 onder c en d genoemde activiteiten uiterlijk op 1 juni van dat jaar. 2.In afwijking van artikel 38 van hoofdstuk 1 van deze verordening, blijven de bepalingen in afdeling 6 paragrafen 3 en 4, zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd bij raadsbesluit van 21 december 2005, nr. 6p van toepassing voor subsidies, die zijn verleend en/of vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze paragrafen. Artikel22Citeerartikel en inwerkingtreding 1.Deze paragraaf kan worden aangehaald als de subsidieregeling Beheer sociaal-culturele accommodaties. 2.Deze paragraaf treedt in werking op 1 oktober
  100. Paragraaf5Vakantiekampen Artikel23Te subsidiëren activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor de organisatie en uitvoering van vakantiekampen. Artikel24Grondslag van de subsidie De subsidie voor de organisatie en uitvoering van vakantiekampen bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten tot een maximum van € 2.269 per subsidieontvanger per jaar. Artikel25Subsidieplafond 1.Het subsidieplafond bedraagt voor de organisatie en uitvoering van vakantiekampen het hiervoor in de begroting opgenomen bedrag onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan wordt dit over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop de subsidieaanvragen bij het college zijn binnengekomen. Artikel26De subsidieaanvraag De subsidieaanvraag moet uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten in bezit zijn van het college. Artikel27Nadere verplichtingen Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over deelname aan de activiteiten; gegevens over de eigen bijdragen van deelnemers aan de activiteiten. Paragraaf6Wijkorganisaties Artikel28Begripsbepaling Voor de toepas­sing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
  101. Wijkorganisatie : Een stichting of vereniging met als doel de bevordering van bewonersparticipatie op het niveau van haar werkgebied.
  102. Werkgebied : Een door de wijkorganisatie gekozen en door het college erkend geografisch gedeelte van de stad Groningen waarop de activiteiten van de wijkorganisatie primair zijn gericht en die een omvang heeft van ten minste één subbuurt.
  103. Wijk, buurt of subbuurt : Een door het college bepaald geografisch gedeelte van de stad Groningen.
  104. Subsidietijdvak : Een periode waarvoor subsidie wordt verleend, die overeenkomt met een kalenderjaar.
  105. Communicatie : Tweezijdige informatie-uitwisseling tussen een wijkorganisatie en de inwoners van het werkgebied.
  106. Informatieverstrekking : Eenzijdige informatieverstrekking over aangelegenheden die voor de inwoners van het werkgebied van belang zijn door een wijkorganisatie aan de inwoners van het werkgebied.
  107. Activering : Het organiseren van eigen initiatief en betrokkenheid van inwoners in het werkgebied.
  108. Inwoners : Inwoners van het werkgebied van een wijkorganisatie zoals geregistreerd het Gebiedsinformatiesysteem van de gemeente Groningen. Artikel29Te subsidiëren activiteit 1.Het college kan aan een wijkorganisatie een basissubsidie verlenen als bijdrage in de kosten voor zover die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van een wijkorganisatie. 2.Het college kan aan een wijkorganisatie subsidie verlenen als bijdrage in de kosten van: Communicatie en informatieverstrekking; Activering. 3.Het college kan aan een wijkorganisatie in aanvulling op de subsidies als bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel een subsidie verlenen voor eenmalige activiteiten. Artikel30Grondslag van de subsidie 1.Voor de in artikel 29 lid 1 genoemde activiteiten bedraagt de basissubsidie voor wijkorganisaties met een werkgebied van: 0-1000 inwoners: € 750,-- 1001-4.500 inwoners: € 1.250,-- 4.501 en meer inwoners: € 1.500,--. Het college kan de basissubsidie indexeren aan de hand van de voor het subsidietijdvak geldende begrotingsrichtlijnen. 2.Voor de in artikel 29 lid 2 genoemde activiteiten bedraagt de subsidie maximaal de noodzakelijke kosten tot een door het college te bepalen maximum per inwoner vermenigvuldigd met het aantal inwoners van het werkgebied. Het college maakt voor de bepaling van het aantal inwoners gebruik van de meest recente gegevens die beschikbaar zijn op het moment dat het college op de subsidieaanvraag beslist. 3.Het college kan in afwijking van het vorige lid boven het maximum aanvullend subsidie verlenen als de subsidieaanvraag van de wijkorganisatie daarvoor voldoende aanleiding geeft en het college daartoe voldoende middelen ter beschikking staan. 4.Voor de in artikel 29 lid 3 genoemde activiteiten bedraagt de subsidie maximaal de noodzakelijke kosten. Artikel31Subsidieplafond 1.Voor elk kalenderjaar zijn voor het subsidiëren van de activiteiten als bedoeld in artikel 29 lid 1 en 2 van deze paragraaf de bedragen beschikbaar zoals de Raad die in de begroting voor het betreffende kalenderjaar heeft vastgesteld. 2.Het college kan een deel van het in lid 1 bedoelde subsidieplafond reserveren voor nader door hem aan te wijzen belangenorganisaties voor bewoners. 3.Het college kan een deel van het in lid 1 bedoelde subsidiebudget reserveren voor de in artikel 29 lid 3 bedoelde activiteiten. 4.Wanneer de totalen van de aanvragen voor de artikel 29 genoemde activiteiten de hiervoor ingestelde, respectievelijke subsidieplafonds over­schrijden, worden deze naar evenredig­heid over de in aanmerking komende aanvragen verdeeld. Artikel32De subsidieaanvraag 1.Een subsidieaanvraag voor de in artikel 29 leden 1 en 2 genoemde activiteiten die een geheel kalender­jaar beslaan dient uiterlijk op 1 oktober voor het begin van dat kalenderjaar in bezit te zijn van het college. 2.Een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 29 lid 3 dient uiterlijk 8 weken vóór het begin van de activiteiten in bezit te zijn van het college. Artikel33Nadere verplichtingen 1.De wijkorganisatie dient de activiteiten uit het activiteitenplan in beginsel te richten op alle inwoners van haar werkgebied. 2.Als de wijkorganisatie de activiteiten of een deel daarvan niet richt op alle inwoners van het werkgebied dient de wijkorganisatie aan te geven op welke subbuurten van het werkgebied de activiteiten gericht zijn en op welke doelgroepen. 3.Als het vorige lid van toepassing is, kan het college bepalen dat de wijkorganisatie in zijn activiteitenplan moet aangeven hoe over de voornoemde beperking in de activiteitenuitvoering naar de inwoners is gecommuniceerd en welke bezwaren hiertegen zijn ingebracht. 4.De wijkorganisatie rubriceert de activiteiten uit het activiteitenplan naar de in artikel 29 lid 2 genoemde categorieën. 5.De wijkorganisatie begroot de kosten en de baten van elke activiteit afzonderlijk. 6.Het college kan bepalen dat de wijkorganisatie voor haar subsidieaanvraag gebruikt maakt van een daartoe door het college beschikbaar gesteld formulier of digitaal format. 7.De wijkorganisatie is beschikbaar voor het college als aanspreekpunt voor ambtelijk of bestuurlijk overleg over aangelegenheden die van belang zijn voor de inwoners van het werkgebied. 8.De wijkorganisatie draagt zorg voor een goede balans in de uitvoering van de activiteiten en de inzet van de verleende subsidiegelden, zulks ter beoordeling van het college. Het activiteitenplan bevat alle informatie die voor deze beoordeling noodzakelijk is. 9.De wijkorganisatie communiceert ten minste 1x per jaar over het activiteitenplan en het activiteitenverslag met de inwoners van het werkgebied. 10.De wijkorganisatie stemt de activiteiten uit het activiteitenplan af met professionele instellingen, die zelf werkzaam zijn op één of meer van die activiteiten, vóórdat met de uitvoering ervan wordt begonnen. Artikel34Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan een aanvraag voor een basissubsidie weigeren als in de twee direct voorafgaande subsidietijdvakken geen subsidie is verleend voor de in artikel 29 lid 2 genoemde activiteiten. 2.Het college kan een aanvraag om subsidie weigeren als en voor zover deze bedoeld is voor de permanente huur van accommodatieruimte. 3.Het college kan een subsidieaanvraag voor de in artikel 29 genoemde activiteiten binnen een werkgebied weigeren als door toewijzing van de aanvraag aan meer dan één wijkorganisatie binnen dat werkgebied subsidie zou worden verleend. Paragraaf7Maatschappelijke activering Artikel35Te subsidiëren activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten die gericht zijn op de maatschappelijke activering van burgers. Artikel36Grondslag van de subsidie De subsidie voor activiteiten die gericht zijn op de maatschappelijke activering van burgers bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel37Subsidieplafond 1.Voor activiteiten gericht op de maatschappelijke activering van burgers is het subsidieplafond gelijk aan het in de begroting corresponderende bedrag onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van het subsidieplafond dan wordt dat naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld; resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel38De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is: 1 oktober van het voorafgaande jaar voor een vervolgaanvraag en 8 weken voor het begin van de activiteiten voor overige subsidieaanvragen. Artikel39Nadere verplichtingen 1.Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de deelname aan de activiteiten; gegevens over de eigen bijdragen van deelnemers aan de activiteiten 2.De subsidieontvanger moet samenwerking zoeken met instellingen die soortgelijk of complementair werk verrichten als het college dat noodzakelijk acht. In het activiteitenverslag moet de subsidieontvanger aangeven hoe deze verplichting is ingevuld. Paragraaf8Oppasvergoeding kinderopvang voor vrijwilligers Artikel40Te subsidiëren activiteiten Het college kan aan instellingen waarbij vrijwilligers werkzaam zijn subsidie verlenen voor onkostenvergoedingen voor kinderopvang voorzover vrijwilligers die kosten voor de uitvoering van hun activiteiten noodzake­lijkerwijs moeten maken. Artikel41Grondslag van de subsidie 1.De subsidie voor de in het vorige lid genoemde activiteiten bedraagt gedurende het subsidie­tijdvak lopend van 1 september tot en met 31 mei daaropvol­gend € 2,30 per uur tot een maximum van 200 uur per vrijwilliger; 2.Het college stelt jaarlijks het aantal vrijwilligers vast waarvoor subsidie in het kader van deze regeling mogelijk is. Artikel42Studieplafond 1.Het subsidieplafond bedraagt voor de in artikel 40 genoemde activiteiten het hiervoor in de begroting opgenomen bedrag onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de aanvragen de respectievelijke subsidieplafonds overschrijdt, dan is de verdeelwijze als volgt: de op tijd ingediende subsidieaanvraag afkomstig van een organisatie die geheel of vrijwel geheel draait op vrijwilligers heeft voorrang boven andere aanvragen; de op tijd ingediende subsidieaanvraag afkomstig van een organisatie die aannemelijk maakt zelf niet of slechts met grote moeite in staat te zijn de oppaskosten te vergoeden heeft voorrang boven andere aanvragen; de op tijd ingediende subsidieaanvraag afkomstig van een organisatie die aannemelijk maakt dat de vrijwilliger zonder de subsidie voor oppaskosten niet in staat of bereid is om voor de subsidieontvanger vrijwilligerswerk uit te voeren; in de afweging van het college wegen eerder genoemde criteria zwaarder dan later genoemde. 3.Voorzover na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren worden deze verdeeld over nadien binnengekomen subsidieaanvragen op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel43De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is 15 september voorafgaand aan het in artikel 41, eerste lid genoemde subsidietijdvak. Artikel44Nadere verplichtingen 1.Het activiteitenplan moet gegevens bevatten over: het aantal beroepskrachten dat bij de subsidieontvanger werkzaam is; het aantal vrijwilligers dat bij de subsidieontvanger werkzaam is; het aantal vrijwilligers waarvoor subsidie in de oppaskosten wordt ge­vraagd; het aantal uren waarvoor subsidie wordt gevraagd; de activiteiten c.q. de taken waarmee de vrijwilliger is belast dan wel de functie die de vrijwilliger bij de instelling uitoefent; een specificatie van het gevraagde onder de letters d en e per vrijwilliger; gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de volgorde als bedoeld in artikel 42 lid
  109. 2.Op verzoek kan het college aan de subsidieontvanger een voorschot op de verleende subsidie uitkeren mits de aanvraag tot subsidievaststelling voor oppasvergoedingen van het vorige subsidietijd­vak in bezit is van het college. 3.Het vorige lid is niet van toepassing indien aan de subsidieontvanger voor het voorafgaande tijdvak geen subsidie was verleend voor oppasvergoedingen kinderopvang voor vrijwilligers. Artikel45Aanvullende weigeringsgronden Het college kan een subsidieaanvraag weigeren als: als de oppaskosten geen betrekking hebben op kinderen van personen die als vrijwilliger werkzaam zijn bij de subsidieontvanger; als de kinderen op wie de subsidie betrekking heeft 14 jaar of ouder zijn; als aan de subsidieontvanger geen subsidie is verleend op grond van ten minste een van de afdelingen 1 tot en met
  110. Paragraaf9Vrijwilligerswerk Artikel46Te subsidiëren activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies: Bemiddeling, informatievoorziening, ondersteuning, advisering en scholing van (groepen) vrijwilligers zowel op het terrein van de vrijwillige thuishulp als daarbuiten. De ondersteuning van mantelzorgers. Deskundigheidsbevordering, ondersteuning en informatievoorziening van vrijwilligers-organisaties op het terrein van: vrijwilligersmanagement (vinden en binden van vrijwilligers); het bieden van maatschappelijke stages aan jongeren; het afstemmen van de vraag van vrijwilligersorganisaties op het aanbod van het bedrijfsleven op het gebied van maatschappelijk ondernemen. Bevorderen van maatschappelijk ondernemen en het bemiddelen tussen vrijwilligersorganisaties en bedrijfsleven. Artikel47Grondslag van de subsidie De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel48Subsidieplafond 1.Voor de in artikel 46 genoemde activiteiten zijn de subsidieplafonds gelijk aan de in de begroting corresponderende bedragen onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de aanvragen de respectievelijke subsidieplafonds overschrijdt dan is de verdeling van deze subsidieplafonds als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van de respectievelijke subsidieplafonds dan worden deze naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld. 3.Resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel49De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is: 1 oktober van het voorafgaande jaar voor een vervolgaanvraag en 8 weken voor het begin van de activiteiten voor overige subsidieaanvragen. Artikel50Nadere verplichtingen 1.De in artikel 46 bedoelde activiteiten moeten zijn gericht op de bevordering van de maatschappelijke participatie en betrokkenheid van burgers bij wat er in de samenleving in het algemeen en de eigen woon- en leefomgeving in het bijzonder gebeurt, een en ander binnen de door de gemeente gecreëerde randvoorwaar­den. 2.Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de wijze waarop aan het vorige lid invulling wordt gegeven; een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over het aantal vrijwilligers per activiteit; gegevens over de frequentie waarmee vrijwilligers worden ingeschakeld evenals een omschrij­ving van de aard en de zwaarte van de hen opgedragen taken. Afdeling7Kinderopvang en peuterspeelzaalwerk Paragraaf1Algemeen Artikel1Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
  111. Ambitieniveau : Het kwaliteitsniveau van de uitvoering zoals bedoeld in de Verordening Kwaliteitsregels Peuterspeelzaalwerk, zijnde:- Ambitieniveau 0: Spelen en ontmoeten;- Ambitieniveau 1: Als ambitieniveau 0, plus ontwikkelen en signaleren;- Ambitieniveau 2: Als ambitieniveau 1, plus ondersteunen.
  112. Bezettingsgraad : Het over een kalenderjaar bereken­de gemid­deld aantal bezet­te kindplaatsen dan wel peuter­plaatsen uitgedrukt in een percen­ta­ge van de capaciteit.
  113. Capaciteit : Het maximum aantal kindplaatsen dan wel peuterplaatsen waar­voor de subsidieontvanger opvang kan bieden en waarvoor het college subsi­die verleent.
  114. Dagdeel peuterspeel-zaalwerk : Een periode peuterspeelzaalwerk in een peuterspeelzaal van maximaal 3,5 uur.
  115. Hele dagopvang : Opvang in een kindercentrum van kinderen van 0 tot 4 jaar gedu­rende ten minste 9 en ten hoogste 12 aaneenge­sloten uren per etmaal.
  116. Kindercentrum : Een ruimtelijke voorziening voor kinderopvang zoals bedoeld in de Wet Kinderopvang.
  117. Kinderopvang : Het bedrijfsmatig of op andere wijze dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.
  118. Kindplaats : Een rekeneenheid waarbij een kind geduren­de alle werk- of studie­dagen van de week wordt opgevan­gen.
  119. Landelijke ouderbijdragentabel : De jaarlijks door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangepaste landelijk geldende ouderbijdragentabel zoals bedoeld in de Wet Kinderopvang.
  120. Peuterspeelzaal : Een voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt.
  121. Peuterspeelzaalwerk : Het bieden van speelgelegenheid aan kinde­ren van twee tot vier jaar gedurende een of meer dagdelen per week van maximaal 3,5 uur met als doel de ontwikkeling van kinderen te bevorderen en hen samen te laten spelen.
  122. Plusfunctie : Doelgerichte, bewuste, systematische en proces­matige activi­tei­ten gericht op vroegtij­dige onder­kenning, signalering en bestrij­ding van ontwikke­lingsach­terstanden.
  123. Risicofactoren : Omgevingsfactoren waardoor kinderen ten opzichte van hun leeftijdsgenoten een groter risico lopen op ontwikkelingsachterstand, zijnde:
  124. Risicogroepen : Kinderen die te maken hebben met risicofactoren.
  125. Verordening Kwaliteitsregels Peuterspeelzaalwerk : De gemeentelijke verordening waarin de kwaliteit van de uitvoering van het peuterspeelzaalwerk wordt geregeld.
  126. Vervolgaanvraag : Een subsidieaanvraag voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten als waarvoor het college in de beide direct voorafgaande kalenderjaren subsidie heeft verleend.
  127. Wet Kinderopvang : De landelijke wetgeving die de kwaliteit en de financiering regelt van de kinderopvang met ingang van 1 januari
  128. Paragraaf2Peuterspeelzaalwerk en VVE-programma,s Artikel 1 Begripsbepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen Artikel2Te subsidiëren activiteiten
  129. Het college kan aan instellingen voor peuterspeelzaalwerk of kinderopvang subsidie verlenen voor de uitvoering van basisontwikkelingsprogramma’s.
  130. Het college kan aan instellingen voor peuterspeelzaalwerk of kinderopvang subsidie verlenen voor de uitvoering van VVE-programma’s. 3.Het college kan aan de koepelorganisatie voor peuterspeelzaalwerk een subsidie verlenen voor de ombouw van het in de jaren tot en met 2010 uitgevoerde peuterspeelzaalwerk tot activiteiten zoals genoemd in de leden 1 en 2 van dit artikel (frictiekosten). Artikel3Grondslag van de subsidie 1.De subsidie voor basisontwikkelingsprogramma’s bedraagt op jaarbasis ten hoogste € 6,36 per uur per kind tot een maximum van 758 kinderen. 2.De subsidie voor VVE-programma’s bedraagt op jaarbasis ten hoogste € 7,44 per uur per kind tot een maximum van 532 kinderen als de ouders niet in aanmerking komen voor kinderopvang-toeslag. 3.De subsidie voor VVE-programma’s bedraagt op jaarbasis ten hoogste € 1,08 per doelgroepkind als de ouders wel in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. 4.De subsidie voor de in artikel 2 lid 3 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de naar het oordeel van het college noodzakelijke frictiekosten minus de daarop betrekking hebbende baten. Artikel4Subsidieplafond 1.Voor basisontwikkelingsprogramma’s: Voor de in artikel 2 lid 1 genoemde activiteiten bedraagt voor het kalenderjaar 2011 het subsidieplafond € 880.000 voor vervolgaanvragen en € 140.000 voor overige aanvragen. Als het totaal van de overige aanvragen hoger is dan € 140.000 wordt dit bedrag naar evenredigheid over de in aanmerking komende aanvragen verdeeld. 2.Voor VVE-programma’s: Het subsidieplafond voor de in artikel 2 lid 2 genoemde activiteiten bedraagt voor het kalenderjaar 2011 € 1.116.000 voor vervolgaanvragen en € 728.000 voor vervolgaanvragen. Als het totaal van de overige aanvragen hoger is dan € 728.000 wordt dit bedrag naar evenredigheid over de in aanmerking komende aanvragen verdeeld. 3.Het subsidieplafond voor de in artikel 2 lid 3 bedoelde frictiekosten bedraagt voor het kalenderjaar 2011 € 200.
  131. Dit budget is uitsluitend bedoeld voor de instelling aan wie in de jaren tot en met 2010 subsidie was verleend voor peuterspeelzaalwerk. Artikel5De subsidieaanvraag 1.De uiterste datum waarop een aanvraag om subsidieverlening bij het college moet zijn ingediend is 31 december vóór het jaar waarvoor subsidie wordt gevraagd. 2.De aanvraag om subsidieverlening moet zijn voorzien van: een opgave van het aantal kinderen c.q. doelgroepkinderen voor wie de activiteiten worden uitgevoerd, gerubriceerd naar wijk. een beschrijving van het uit te voeren VVE-programma zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 tot en met
  132. Artikel6Nadere verplichtingen 1.Het activiteitenplan moet zijn voorzien van informatie over: de spreiding van de activiteiten over de wijken van de stad Groningen; het bereik van de activiteiten uitgedrukt in aantallen kinderen c.q. doelgroepkinderen en uitgedrukt in een percentage van het totale aantal kinderen c.q. doelgroepkinderen; het te volgen VVE-programma als de aanvraag de uitvoering van VVE-programma’s betreft. 2.De subsidieontvanger moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals vastgelegd in de geldende Verordening Kwaliteitseisen Peuterspeelzaalwerk. 3.De subsidieontvanger heft een ouderbijdrage: voor basisontwikkelingsprogramma’s conform de in het Uitvoeringsplan opgenomen ouderbijdragentabel; voor VVE-programma’s conform de bepalingen van de wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie. 4.De subsidieontvanger is verplicht de in lid 3 bedoelde ouderbijdragen af te dragen aan het college. 5.Er zitten niet meer dan 16 kinderen in één groep. 6.Per groep zijn ten minste twee volledig gecertificeerde (PW3) leidsters inclusief kennis van VVE werkzaam. 7.De subsidieontvanger stemt zijn activiteiten af met andere voorschoolse voorzieningen voor zover het college dat bij beschikking heeft bepaald. 8.Een basisontwikkelingsprogramma wordt uitgevoerd gedurende: drie uur per dagdeel; twee dagdelen per week; 40 weken per jaar. 9.Een VVE-programma wordt uitgevoerd gedurende: 12 uur per week; maximaal drie uur per dagdeel; 40 weken per jaar. Artikel7Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college weigert een subsidieaanvraag voor basisontwikkelingsprogramma’s: als die niet afkomstig is van een instelling voor peuterspeelzaalwerk of kinderopvang; voor zover die aanvraag betrekking heeft op: meer dan het in artikel 3 lid 1 genoemde aantal kinderen; kinderen van ouders die in aanmerking komen voor een kinderopvangtoeslag volgens de Wet Kinderopvang. 2.Het college weigert een subsidieaanvraag voor VVE-programma’s: als die niet afkomstig is van een instelling voor peuterspeelzaalwerk of kinderopvang; voor zover die betrekking heeft op: andere dan doelgroepkinderen; meer dan het in artikel 3 lid 2 genoemde aantal kinderen. Artikel8Overige bepalingen Deze paragraaf kan worden aangehaald als de regeling Peuterspeelzaalwerk en VVE-programma’s. Afdeling8Maatschappelijke dienstverlening Paragraaf1Algemeen Artikel1Begripsbepaling Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
  133. Hulpverlening : Hulp bij problemen van immateriële en ma­terië­le aard.
  134. Migranten : Niet-westerse allochtonen met als herkomstland, van de persoon zelf of één van zijn ouders, Turkije of een land buiten Europa met uitzondering van Indonesië, Japan, Australië, Nieuw-Zeeland, Canada en de Verenigde Staten van Noord-Amerika.
  135. Vrijwilliger : Iemand die werk verricht in georganiseerd ver­band, onver­plicht en onbetaald, ten be­hoeve van anderen in de samen­le­ving.
  136. Cliëntgerichte hulpverlening : Het begeleiden en ondersteunen van een cliënt gericht op behoud dan wel herstel van sociale vaardigheden.
  137. Dienstverlening : Het verrichten van concrete diensten ten behoeve van een cliënt.
  138. Informatie en advies : Het geven van (juridische) informatie en advies aan een cliënt of groepen cliënten.
  139. Voorlichting : Het geven van (juridische) voorlichting aan burgers en specifieke groepen.
  140. Consultatie : Het beschikbaar zijn voor vrijwilligers en beroepskrachten van andere organisaties voor advies ten behoeve van de hulpverlening.
  141. Signalering : Het op basis van cliëntgerichte hulpverlening signaleren van ontwik­kelingen in hulpvragen en bij (groepen) cliënten ten behoeve van interne en externe beleidsont­wikkeling.
  142. Preventie : Het uitvoeren van activiteiten gericht op het voorkomen van het ontstaan van hulpvragen.
  143. Vervolgaanvraag : Een subsidieaanvraag voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten als waarvoor het college in de beide direct voorafgaande kalenderjaren subsidie heeft verleend. Paragraaf2Maatschappelijke en juridische dienstverlening Artikel2Te subsidiëren activiteiten 1.Het college kan subsidie verlenen ter uitvoering van onderstaande functies: Cliëntgerichte hulpverlening Dienstverlening Informatie en advies Voorlichting Consultatie Signalering Preventie. 2.Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten en projecten op door de raad benoemde aandachtsgebieden.
  144. Het staat de subsidieontvanger vrij om binnen een nader door het college aan te geven bandbreedte gedurende het subsidietijdvak andere activiteiten uit te voeren dan in de beschikking tot subsidieverlening is bepaald mits deze activiteiten passen binnen de in lid 1 genoemde functies en mits de subsidieontvanger in staat is deze activiteiten voor de verleende subsidie uit te voeren. Artikel3Grondslag van de subsidie De subsidie voor de in artikel 2 genoemde activiteiten bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel4Subsidieplafond 1.Voor de in artikel 2 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan het in de begroting corresponderend bedrag onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van het subsidieplafond dan wordt dit naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld; resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel5De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is: 1 oktober van het voorafgaande jaar voor een vervolgaanvraag en 8 weken voor het begin van de activiteiten voor overige subsidieaanvragen. Artikel6Nadere verplichtingen 1.Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de spreiding van de activiteiten. 2.De activiteiten moeten voor een nader door het college te bepalen gedeelte worden uitgevoerd ten behoeve van migranten. 3.Ingetrokken. Paragraaf3Rechtswinkels Artikel7Te subsidiëren activiteiten Het college kan subsidie verlenen ter uitvoering van onderstaande functies: Voorlichting Informatie en advies. Artikel8Grondslag van de subsidie De subsidie voor de in artikel 7 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel9Subsidieplafond
  145. Voor de in artikel 7 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan het in de begroting corresponderende bedrag onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van het subsidieplafond dan wordt dit naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld; resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel10De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is: 1 oktober van het voorafgaande jaar voor een vervolgaanvraag en 8 weken voor het begin van de activiteiten voor overige subsidieaanvragen. Artikel11Nadere verplichtingen 1.Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de eigen bijdragen van cliënten waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd. Paragraaf4Slachtofferhulp Artikel12Te subsidiëren activiteiten Het college kan subsidie verlenen ter uitvoering van onderstaande functies. Dienstverlening Voorlichting Preventie Informatie en advies Signalering. Artikel13Grondslag van de subsidie De subsidie voor de in artikel 12 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel14Subsidieplafond 1.Voor de in artikel 12 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan het in de begroting corresponderende bedrag onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van het subsidieplafond dan wordt dat naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld; resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel15De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is: 1 oktober van het voorafgaande jaar voor een vervolgaanvraag en 8 weken voor het begin van de activiteiten voor overige subsidieaanvragen. Artikel16Nadere verplichtingen 1.Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de eigen bijdragen van cliënten waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd. 2.De activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend moeten door vrijwilligers worden uitgevoerd. Afdeling9Jongerenwerk en jeugdhulpverlening Paragraaf1Algemeen Artikel1Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Afstemming/coördinatie : Het bevorderen van intersecto­raal beleid door het reali­seren van samen­werking tussen over­heden, (zelf)orga­ni­saties en spe­cifieke categorieën en/of groe­pen. b. Begeleiding : Het begeleiden en ondersteunen van cliënten gericht op behoud dan wel herstel van sociale vaardigheden. c. Belangenbehartiging/ activering : Het bevorderen van actieve li­chamelij­ke en geestelijke partici­pa­tie al dan niet in collec­tief verband bij ontwik­ke­lingen in en vorm­ge­ving van de sa­menleving in het alge­meen en de ei­gen leef-, woon- en werksi­tua­tie in het bijzon­der. d. Cultuur/creativiteit : Het bevorderen van deelne­ming van indivi­duen en/of groe­pen aan cultuuruitin­gen, gericht op creatieve ont­plooiing, niet-pro­fes­sio­ne­le kunst­beoe­fening en/of kunst­beleving. e. Dienstverlening/voorlichting : Het bevorderen van zelfred­zaamheid door het geven van infor­matie of ad­vies, het verlenen van concrete dien­sten en/of het doorverwij­zen bij vragen of problemen van per­soonlijke of maat­schap­pelijke aard. f. Huiskamerproject : Geïndiceerde naschoolse activiteiten en sociaal-culturele activiteiten gericht op kinderen uit groep 7 en 8 van het basisonderwijs en het eerste jaar van het voortgezet onderwijs. g. Jongerencentrum : Een laagdrempelige algemeen toegankelij­ke accommodatie bedoeld voor de uitvoe­ring van sociaal-cultureel werk ten be­hoeve van jeugdi­gen in de leeftijd tot en met 23 jaar woonachtig in de gemeente Groningen. h. Kinderactiviteiten : Activiteiten ter uitvoering van de in artikel 2 lid 1 genoemde functies, die gericht zijn op kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 12 jaar; i. Ontmoeting/recreatie : Het bevorderen van contacten tussen individuen en/of groepen gericht op ontspanning, gezellig­heid en/of ken­nis­making met door anderen gehanteerde normen en waar­den. j. Opvang : Het besteden van aandacht aan indivi­duen en/of groepen beho­rend tot bij­zondere categorieën gericht op aanvul­lingen van gesignaleer­de (maat­schap­pelijke) tekorten niet zijnde voorschoolse opvang, tussen de middag opvang, peuterspeelzaalwerk of opvang zoals bedoelt in de Wet Kinderopvang. k. Preventie : Activiteiten gericht op het voorkomen van hulpvragen. l. Signalering : Het op basis van cliëntgerichte hulpverlening signaleren van ontwik­kelingen in hulpvragen en bij (groepen) cliënten ten behoeve van interne en externe beleidsont­wikkeling. m. Sociaal-culturele activiteiten : Activiteiten die gericht zijn op: n. Tieneropvangprojecten : Naschoolse activiteiten en sociaal-culturele activiteiten gericht op kinderen van het eerste en het tweede jaar van het voortgezet onderwijs o. Vervolgaanvraag : Een aanvraag voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten waarvoor het college ook in de twee direct voorafgaande kalenderjaren subsidie heeft verleend. p. Vorming/educatie : Het bevorderen van kennis, inzicht en vaar­digheden van individuen en/of groepen ter wille van een verbetering van het per­soonlijk en algemeen maat­schappelijk functio­neren. Paragraaf2Jongerenwerk Artikel2Te subsidiëren activiteiten
  146. Het college kan subsidie verlenen voor sociaal-culturele activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies: ontmoeting/recreatie; vorming/educatie; cultuur/creativiteit; dienstverlening/voorlichting; belangenbehartiging/activering; opvang; afstemming/coördinatie; signalering; sport; begeleiding; preventie, mits deze activiteiten zijn gericht op jeugdigen in de leeftijd van 12 tot en met 23 jaar. 2.Het college kan subsidie verlenen voor huiskamerprojecten en tieneropvangprojecten. 3.Het college kan subsidie verlenen voor kinderactiviteiten. Artikel3Grondslag van de subsidie De subsidie voor de in artikel 2 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel4Subsidieplafond 1.Voor de in artikel 2 genoemde activiteiten zijn de subsidieplafonds gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan de subsidieplafonds dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over nadien ontvangen subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel5De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is: 1 oktober van het voorafgaande kalenderjaar voor vervolgaanvragen en 8 weken voor het begin van de activiteiten voor overige subsidieaanvragen. Artikel6Nadere verplichtingen 1.Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de deelname aan de activiteiten; gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd. 2.De subsidieontvanger voert een preventief beleid dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. 3.In het activiteitenverslag moet de subsidieontvanger aangeven hoe de in beide vorige leden beschreven verplichtingen worden ingevuld. Paragraaf3Jeugdhulpverlening Artikel7Te subsidiëren activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies: afstemming/coördinatie; informatie en advisering; dienstverlening; consultatie; crisisinterventie; begeleiding; hulpverlening; preventie; signalering. Artikel8Grondslag van de subsidie De subsidie voor de in artikel 7 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel9Subsidieplafond 1.Voor de in artikel 7 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan het in de begroting corresponderende bedrag onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over nadien ontvangen subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel10De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is: 1 oktober van het voorafgaande kalenderjaar voor vervolgaanvragen en 8 weken voor het begin van de activiteiten voor overige subsidieaanvragen. Artikel11Nadere verplichtingen 1.Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: gegevens over spreiding, frequentie en duur van de activiteiten; een beschrijving van de activiteiten per doelgroep afzonderlijk. 2.De subsidieontvanger voert een preventief beleid dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. 3.In het activiteitenverslag moet de subsidieontvanger aangeven hoe de in beide vorige leden beschreven verplichtingen worden ingevuld Paragraaf4Stedelijke jongerencentra Artikel12Te subsidiëren activiteiten Het college kan aan besturen van jongerencentra subsidie verlenen voor activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies: ontmoeting/recreatie; vorming/educatie; cultuur/creativiteit - in afwijking op artikel 1 van deze afdeling wordt hieronder verstaan het bieden van ondersteuning aan jongeren in de leeftijd tot 20 jaar die interesse hebben in doelgerichte activiteiten op technisch en creatief gebied met het doel hun ontwikkeling naar zelfstandigheid te bevorderen; dienstverlening/voorlichting; belangenbehartiging/activering; mits deze activiteiten zijn gericht op jeugdigen in de leeftijd tot en met 23 jaar. Artikel13Grondslag van de subsidie De subsidie voor de in artikel 12 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel14Het subsidieplafond 1.Voor de in artikel 12 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan het in de begroting corresponderende bedrag onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over nadien ontvangen subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel15De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is: 1 oktober van het voorafgaande kalenderjaar voor vervolgaanvragen en 8 weken voor het begin van de activiteiten voor overige subsidieaanvragen. Artikel16Nadere verplichtingen 1.Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: gegevens over frequentie en duur van de activiteiten; gegevens over de verwachte in- en uitstroom van deelnemers aan de activiteiten. 2.De subsidieontvanger voert een preventief beleid dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. In het activiteitenverslag moet de subsidieontvanger aangeven hoe deze verplichting wordt ingevuld. Afdeling10Ouderenbeleid Paragraaf1Algemeen Artikel1Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
  147. Lid : Iemand die op 31 december voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt gevraagd gedurende twee jaren als lid staat ingeschreven in het ledenbestand van een ouderenbond.
  148. Ouderenbond : Vereniging voor de behartiging van de algemene belangen van ouderen.
  149. SOOG : Het Stedelijk Overleg Ouderenbonden Groningen.
  150. Vervolgaanvraag : Een subsidieaanvraag voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten als waarvoor het college in de twee direct voorafgaande kalenderjaren subsidie heeft verleend. Paragraaf2Ouderenbonden Artikel2Te subsidiëren activiteiten 1.Het college kan aan ouderenbonden subsidie verlenen voor activiteiten gericht op de behartiging van gezamenlijke belangen van hun leden. 2.Het college kan aan het S.O.O.G. subsidie verlenen voor activiteiten ter bevordering van de samenwerking tussen de bij het samenwerkingsverband aangesloten ouderenbonden. Artikel3Grondslag van de subsidie 1.Per kalenderjaar is de subsidie voor de in artikel 2 lid 1 genoemde activiteiten gelijk aan het subsidieplafond voor deze activiteiten gedeeld door het totale aantal leden van de ouderenbonden in de gemeente Groningen 2.De subsidie voor de in artikel 2 lid 2 genoemde activiteiten bedraagt: maximaal 100% van de noodzakelijke huisvestingskosten; maximaal 100% van de noodzakelijke salariskosten van een steunfunctionaris voor ten hoogste een nader door het college te bepalen aantal uren. Artikel4Subsidieplafond 1.Voor de in artikel 2 genoemde activiteiten zijn de subsidieplafonds gelijk aan de hiervoor in de begroting opgenomen bedragen onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de aanvragen de subsidieplafonds overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Artikel5De subsidieaanvraag De uiterste datum waarop een subsidieaanvraag bij het college moet zijn ingediend is: 1 oktober van het voorafgaande jaar voor een vervolgaanvraag en 8 weken voor het begin van de activiteiten voor overige subsidiea

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.