← Nederland

Verordening Leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze 2012 (Aa en Hunze)

Kort samengevat

Deze verordening regelt de bekostiging van leerlingenvervoer voor leerlingen die in de gemeente Aa en Hunze wonen en naar school gaan, met als doel de toegankelijkheid van onderwijs te waarborgen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening Leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze 2012De raad van de gemeente Aa en Hunze, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze d.d. 13 maart 2012, nummer 11/10; gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs besluit vast te stellen de volgende: Verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze. TITEL 1: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1: Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder school: een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs (Stb. 1998, 495); een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra (Stb. 1998, 496); een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1998, 512); ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de leerling; leerling: een leerling van een school als bedoeld onder a; woning: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft; afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling per trein, metro, tram, bus, veerdienst of auto; aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, treintaxi of bustaxi; eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of fiets; reistijd: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten indien en voorzover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids, een eventuele wachttijd, en de aankomst bij de woning; toegankelijke school: voor wat betreft basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs: de basisschool van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school of de speciale school voor basisonderwijs waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; voor wat betreft scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs: de school van de soort waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school van de soort waarop de leerling is aangewezen; inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Stb. 2000, 215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen van de ouders in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd. opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer; commissie voor de begeleiding: de commissie die is ingesteld door het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde een instelling, of de bevoegde gezagsorganen van twee of meer scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde instellingen, die hetzelfde expertisecentrum instandhouden.; vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider, of bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider, of aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. permanente commissie leerlingenzorg: de commissie als bedoeld in artikel 23 van de Wet op het primair onderwijs; samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18 van de Wet op het primair onderwijs; regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in artikel 10 g van de Wet op het voortgezet onderwijs; opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in artikel 10 h, derde lid, Wet op het voortgezet onderwijs; ambulante begeleiding: de begeleiding door een personeelslid van een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra van leerlingen die zijn geplaatst op een basisschool of leerlingen die zijn geplaatst op een school voor voortgezet onderwijs en die naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder die begeleiding zouden zijn aangewezen op het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs; commissie voor de indicatiestelling: de commissie als bedoeld in artikel 28 c van de Wet op de expertisecentra. college: het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze. Artikel 2: Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling. Artikel 3: Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen. De afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school wordt bepaald aan de hand van de versie van de ANWB Routeplanner via de kortste route zoals die op internet wordt aangeboden. Het college kan in nadere regels een andere routeplanner aanwijzen per ingang van een nieuw schooljaar. Artikel 4: Vaststelling vervoersvoorziening en uitbetaling van de bekostiging Het college bepaalt bij het vaststellen van een vervoersvoorziening de datum van ingang van de voorziening alsmede de tijdsduur van de vervoersvoorziening, met dien verstande dat de tijdsduur, indien dit mogelijk is, voor meerdere jaren of de hele schoolperiode wordt vastgesteld. Indien de vervoersvoorziening bestaat uit de gehele of gedeeltelijke bekostiging van de kosten van vervoer wordt in het collegebesluit de wijze en het tijdstip van de uitbetaling opgenomen. Artikel 5: Aanvraagprocedure Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens. De aanvraag wordt, indien het een aanvraag voor het eerstvolgende schooljaar betreft, vóór 1 juni voorafgaand aan dat schooljaar ingediend. Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens. Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze getroffen: met ingang van het nieuwe schooljaar indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend; met ingang van de door de ouders verzochte datum als het een aanvraag gedurende het schooljaar betreft, met dien verstande dat de datum waarop bekostiging wordt verstrekt niet ligt voor de datum van ontvangst van de aanvraag door het college. Artikel 6: Doorgeven van wijzigingen De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de vastgestelde vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen aan het college. Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de vastgestelde vervoersvoorziening, vervalt deze en stelt het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening vast. Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is getroffen, vervalt deze terstond en verstrekt het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening. Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan de ouders. Ten onrechte genoten bekostiging of de kosten van het onterecht genoten vervoer kan van de ouders worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe vervoersvoorziening. Artikel 7: Peildatum leeftijd leerling Voor het verstrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de bekostiging betrekking heeft. Artikel 8: Andere vergoedingen De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een toelage, voorzover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten. TITEL 2: BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE (NIET-GEHANDICAPTE) LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS Artikel 9: Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt bekostiging verstrekt van de kosten van het vervoer over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en: de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, of een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a. bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a.. Artikel 10: Permanente commissie leerlingenzorg Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling op een school voor primair onderwijs niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking de beslissing te betrekken van de permanente commissie leerlingenzorg over de toelating van de leerling op een speciale school voor basisonderwijs. Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie leerlingenzorg die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn. Artikel 11: Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes km bedraagt. In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Artikel 12: Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een begeleider Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11, bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve van 1 begeleider, indien de leerling jonger dan negen jaar is, en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken. Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. Artikel 13: Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan het afstandscriterium van artikel 11, en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of: openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Artikel 14: Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland. TITEL 3: BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS (WEC). Artikel 15: Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt. In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets. Artikel 15a: Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school cluster 4 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 geldt voor de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs uit cluster 4 bezoekt als dichtstbijzijnde toegankelijke school, de school die door de commissie voor de indicatiestelling is geadviseerd. Dit is van toepassing zolang de leerling zijn woonplaats heeft in het gebied van het regionale expertisecentrum waaraan voornoemde commissie is verbonden. Artikel 16: Commissie voor de begeleiding Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken. Artikel 17: Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 15, bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve van een begeleider, indien door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of leeftijd, niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken. Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor bekostiging in aanmerking. Artikel 18: Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan het afstandscriterium van artikel 15, en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of: openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets. In afwijking van het eerste lid kan het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel bromfiets verstrekken, indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets. Artikel 19: Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland. Artikel 20: Bekostiging vervoerskosten van gehandicapte leerlingen voor scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs Het college verstrekt eveneens bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien het college van oordeel is dat de lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap van de leerling dat vereist. Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken. Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten zoals bedoeld in het eerste lid, is artikel 19 van toepassing. TITEL 4: BEPALINGEN OMTRENT WEEKEINDE- EN VAKANTIEVERVOER Artikel 21: Bekostiging van de kosten van het weekeinde en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders Het college bekostigt desgewenst de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze Titel. Artikel 22: Bekostiging kosten weekeinde en vakantievervoer Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van de kosten van het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 18, eerste lid onder b, artikel 18, tweede lid, en artikel

  1. TITEL 5: EIGEN BIJDRAGE EN BEKOSTIGING NAAR FINANCIËLE DRAAGKRACHT Artikel 23: Drempelbedrag Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 23.850,-, wordt slechts bekostiging verstrekt voorzover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde afstand te boven gaan. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 23.850,-. De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van de zone-indeling in de regeling die is gebaseerd op artikel 30 , eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000, voor de afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Het bedrag van € 23.850,-, genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 460,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 23.850,-. Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt. Artikel 24: Financiële draagkracht Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het gecorrigeerde verzamelinkomen van de ouders in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting
  2. Zij bedragen: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s 0 – 32.000 Nihil 32.000 – 38.500 125 38.500 – 44.500 525 44.500 – 50.000 970 50.000 – 57.000 1.420 57.000 – 63.000 1.875 63.000 en verder Voor elke extra € 5.000: € 460 erbij De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2010 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt. TITEL 6: BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN GEHANDICAPTE LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS EN VOORTGEZET ONDERWIJS Artikel 25: Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 verstrekt het college bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding aan de ouders van de leerling die een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs bezoekt en die vanwege een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Ten aanzien van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht. Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dienen zij bij de beschikking het advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken. Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor bekostiging in aanmerking. In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets. Artikel 26: Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs bezoekt, indien de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te maken. Ten aanzien van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht. Of: aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of: aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets. Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken. Artikel 27: Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer met begeleiding, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland. TITEL 7: SLOTBEPALINGEN Artikel 28: Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 29: Afwijken van bepalingen Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie van begeleiding, de regionale verwijzingscommissie of andere deskundigen. Artikel 30: Intrekking oude regeling De verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze, nummer 2006/71 wordt ingetrokken. Artikel 31: Overgangsregeling Voor beschikkingen betreffende het leerlingenvervoer afgegeven voor 1 januari 2012 en daarop betrekking hebbende geschillen geldt dat de bepalingen van de verordening leerlingenvervoer zoals die ten tijde van de afgifte van de beschikking van kracht waren van toepassing blijven. Artikel 32: Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de datum van de bekendmaking. Artikel 33: Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Aa en Hunze, gehouden op 11 april 2012.De raadsgriffler, De voorzitter,T. Santes drs. H.F. van OosterhoutArtikelsgewijs de toelichting op de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze Artikel 1 Begripsomschrijving In artikel 1 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zijn een aantal begrippen nader gedefinieerd, die regelmatig gebruikt worden in de verordening. Ad a De Wet op het primair onderwijs (WPO), die op 1 augustus 1998 in werking treedt, voorziet in de samenvoeging van het basisonderwijs en het onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk lerende kinderen (mlk) en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) in één wet. De scholen voor lom, mlk en iobk gaan onder de WPO ‘speciale scholen voor basisonderwijs’ heten. Het oude vso-lom en vso-mlk zijn onder deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), artikelen 124 en volgende , gebracht. Inhoudelijk komen de bepalingen in dit deel overeen met de bepalingen die op grond van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO) golden. In de Wet regeling leerwegen mavo en vbo alsmede invoering leerwegondersteunend en praktijkonderwijs is bepaald dat beide schooltypen met ingang van 1 augustus 1998 moeten worden aangeduid als ‘scholen voor speciaal voortgezet onderwijs’. Scholen voor speciaal voortgezet onderwijs zijn in de periode van 1 augustus 1999 tot 1 augustus 2002 omgezet in leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs. Deze schoolsoorten maken deel uit van het reguliere voortgezet onderwijs. Onder meer naar aanleiding van de Wet wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met het vervoer van leerlingen (TK 27 884, Staatsblad 2002, 59) is het leerlingenvervoer op deze schoolsoorten in beginsel niet meer van toepassing. Slechts leerlingen van het regulier voortgezet onderwijs die vanwege hun lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, kunnen aanspraak maken op bekostiging van de kosten van leerlingenvervoer. Voor leerlingen die in het schooljaar 2001-2002 leerlingenvervoer kregen, bestaat een overgangsregeling. Zie de toelichting op artikel
  3. Omdat in deze overgangsregeling nog verwezen wordt naar het speciaal voortgezet onderwijs (svo) en praktijkonderwijs, is er voor gekozen om deze schoolsoorten te schrappen uit de verordening, behalve uit de begripsomschrijving (artikel 1). Onder een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wvo , vallen het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (havo en mavo) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), waar praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs deel van uit maken. De Wet op de expertisecentra (WEC) omvat al het overig speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, de zogeheten 2/3-scholen. Het gaat om onderwijs voor doven, slechthorenden, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapten, lichamelijk gehandicapten, kinderen opgenomen in het ziekenhuis, langdurig zieken, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapten en onderwijs op pedologische instituten. Deze scholen blijven scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs heten. Het Besluit trekkende bevolking van de WBO (Stb. 465, 1985) bevat voorschriften voor scholen voor kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden. Vijf categorieën zijn hierin te onderscheiden: rijdende scholen voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers; ligplaatsscholen voor varende kinderen; scholen voor kinderen van woonwagenbewoners; afdelingen voor zeer jeugdige kinderen van woonwagenbewoners; scholen voor kinderen van schippers, kermisexploitanten en circusmedewerkers. Tot 1 augustus 1985 waren de bepalingen ten aanzien van deze categorieën opgenomen in de LO-wet, het Besluit buitengewoon onderwijs en wat betreft de varende kinderen, gebaseerd op de Experimentenwet (Stb.1970, 370). Met de inwerkingtreding van de WBO zijn de voorzieningen ten behoeve van deze groepen opgenomen in deze wet. Deze scholen zijn vanaf 1 augustus 1985 aangemerkt als basisscholen. Belangrijkste overweging hiervoor was, dat de desbetreffende kinderen in principe aangewezen zijn op het reguliere basisonderwijs. Van overwegende orthopedagogische of orthodidactische benadering was geen sprake. Dit betekent dat de bekostiging van vervoerskosten aan ouders van eerdergenoemde leerlingen ook geënt dienen te zijn op de bepalingen over het vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs (Titel 2 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze). Met andere woorden: de volumebeperkende maatregelen zoals die zijn vastgelegd in Titel 2 en Titel 5 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zijn ook van toepassing op het vervoer van deze leerlingen. Uitzondering hierop vormen: leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B Besluit trekkende bevolking); leerlingen die ligplaatsscholen bezoeken voor varende kinderen. Ouders van leerlingen die voornoemde scholen bezoeken, komen niet voor bekostiging van de vervoerkosten in aanmerking. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek, vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen. Doorgaans bestaan basisscholen uit acht groepen. De vrije scholen kennen daarentegen soms een ‘negende klas’. Door de uitspraak van de afdeling rechtspraak van de Raad van State (van 27 juni 1988, Weekoverzicht RvS 1.61/88) is duidelijk geworden dat de ‘negende klas’ bij vrije scholen onderdeel kan uitmaken van dit type basisscholen. Ouders van leerlingen uit deze klassen komen dus, indien voldaan is aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening, in aanmerking voor een vervoerskostenbekostiging. Vrije scholen kunnen nog tot 1 augustus 2001 afwijken van het beginsel dat leerlingen binnen een tijdvak van acht aaneengesloten jaren het onderwijs kunnen doorlopen. Vanaf deze datum komt de mogelijkheid van een negende klas echter ook hier te vervallen. Artikel 2 van de WEC verdeelt het speciaal en het voortgezet speciaal onderwijs in onderwijs aan: dove kinderen; slechthorende kinderen; kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de hiervoor bedoelde kinderen; visueel gehandicapte kinderen; lichamelijk gehandicapte kinderen; kinderen die opgenomen zijn in ziekenhuizen; langdurig zieke kinderen; zeer moeilijk lerende kinderen; zeer moeilijk opvoedbare kinderen; kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten; meervoudig gehandicapte kinderen. werd tot 1 augustus 1998 onderscheid gemaakt naar: moeilijk lerende kinderen; kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden; en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters. Deze categorieën worden vanaf 1 augustus 1998 aangemerkt als speciale scholen voor basisonderwijs vallend onder de WPO. Wanneer voor een hoogbegaafde leerling het reguliere onderwijsaanbod niet adequaat is en de leerling dientengevolge een school voor gewoon voortgezet onderwijs bezoekt, dan behoeft de gemeente volgens de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer toe te kennen. De reden hiervoor is dat een school voor gewoon voortgezet onderwijs geen school is in de zin van de WEC en WVO II en de Verordening leerlingenvervoer (uitspraak van 9 november 1995, nr. H 01.95.0165; in een uitspraak van 23 april 1998, nr. H01.98.0221 bevestigt). Ad b In de omschrijving van het begrip ‘ouders’ is het onderscheid dat in de WPO en de WEC ten aanzien van ouders is aangebracht niet overgenomen. De WPO verstaat onder ouders: ouders en voogden van kinderen. De WEC verstaat ook de verzorgers daaronder. In de praktijk van het leerlingenvervoer is gebleken dat aanvragen voor leerlingenvervoer naar het primair onderwijs ook - zij het incidenteel - gedaan worden door verzorgers. Een redelijke uitleg van de verordening brengt met zich mee dat deze aanvragen in behandeling worden genomen. Uiteraard dient ook de verzorger van een kind dat de basisschool of speciale school voor basisonderwijs bezoekt de financiële verplichtingen na te komen die uit een eventuele honorering van de aanvraag voortvloeien. Vervolgens dient voor de bepaling of een drempelbedrag verplicht is, een inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting aanwezig te zijn. Uitgangspunt is dat daarbij het belastbaar inkomen van de aanvragende ouders, voogden of verzorgers genomen wordt. Het volgende onderscheid kan daarbij gemaakt worden: de kinderen vallen onder de zorg van natuurlijke personen; de kinderen vallen onder de zorg van een instelling. Indien de ouder een natuurlijk persoon is, hoeft de bepaling van dit inkomen doorgaans geen problemen op te leveren. Op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld wat het inkomen van de betrokken ouders is. De belastingwetgeving houdt rekening met de verschillende samenlevingsvormen. Als in een concreet geval onduidelijk is hoe het belastbaar inkomen bepaald moet worden, dan is het raadzaam de belastingaanslagen dan wel jaaropgaven bij de ouders op te vragen. Als de aanvrager een rechtspersoon is, dan valt deze formeel niet onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting. In de bekostiging van sommige instellingen is echter rekening gehouden met bekostiging van de kosten van het dagelijks vervoer naar school en het weekeinde- en vakantievervoer. In voorkomende gevallen kan met de betrokken instelling contact worden opgenomen. Analoog aan de jurisprudentie van artikel 13 van de LO-wet vallen ook verenigingen die minderjarigen onder voogdij hebben (KB 1 december 1954, nr. 22; MO 1955, blz. 7) onder de begripsomschrijving ‘ouders’. Ad c Voor de begripsomschrijving ‘leerling’ geldt, evenals voor de begripsomschrijving van ‘school’, dat die leerlingen zijn uitgesloten die een rijdende school voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers dan wel een ligplaatsschool voor varende kinderen bezoeken. Ook de niet-leerplichtige leerlingen vallen onder de begripsomschrijving ‘leerling’. Met andere woorden: ook ouders van niet-leerplichtige leerlingen kunnen aanspraak maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij wordt aangesloten bij de jurisprudentie (KB 14-11-1986, nr. 30), en het gestelde tijdens de parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer, dat de niet-leerplichtige leerlingen onder het regime van de wet vallen. In artikel 39, derde lid, van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (school gewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen worden echter pas als zij de leeftijd van vier jaar hebben bereikt leerling in de zin van de WPO (artikel 39, eerste lid, WPO ). De ouders kunnen dan ook pas vanaf het moment dat hun kind vier jaar is geworden eventueel aanspraak maken op bekostiging van de vervoerkosten naar de basisschool of speciale school voor basisonderwijs. De toelatingsleeftijd voor kinderen in het speciaal onderwijs is geregeld in artikel 39 van de WEC . Artikel 39 WEC luidt als volgt: De leeftijd waarop het kind tot het speciaal onderwijs mag worden toegelaten is voor: zeer moeilijk opvoedbare kinderen: 6 jaar; zeer moeilijk lerende kinderen: 4,5 jaar; andere kinderen: 3 jaar. In het belang van het kind kan de inspecteur toestaan dat een kind eerder wordt toegelaten dan in het eerste lid is bepaald. De leeftijd waarop de leerling het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs moet verlaten, is 20 jaar. De inspecteur kan voor een leerling in het voortgezet speciaal onderwijs ontheffing verlenen van het bepaalde in het derde lid, indien het voortgezet verblijf op de school wenselijk is ter voltooiing van zijn opleiding of van een op verhoging van zijn arbeidsgeschiktheid gerichte behandeling. Hij kan zich ten behoeve van zijn beslissing een rapport over de leerling, opgesteld door de in artikel 41, tweede lid, bedoelde commissie, doen voorleggen. De commissie kan daartoe de betrokken leerling aan een onderzoek onderwerpen. De ontheffing wordt telkens voor de tijd van 1 jaar verleend.’ Voor leerlingen die op grond van deze artikelen toegelaten zijn op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige leeftijd hebben bereikt, of al voorbij zijn kunnen de ouders, indien zij voldoen aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening leerlingenvervoer, aanspraak maken op bekostiging van de vervoer kosten. Ad d Onder ‘woning’ wordt in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze verstaan: de plaats waar de leerling feitelijk zijn verblijf heeft. Met andere woorden, de plaats van waaruit het kind de school bezoekt. In dezen is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Niet ter zake doet of de ouders, voogden of verzorgers in de gemeente hun officiële verblijf hebben in de zin van de artikelen 10 en verder van Boek I van het Burgerlijk wetboek . Bij deze definitiebepaling is aangesloten bij de oude regelgeving en de jurisprudentie onder artikel 13 van de LO-wet (KB van 17 augustus 1951, nr. 10; MO nrs. 7 en 8, blz. 543). Dit betekent dat indien een leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft in deze ‘andere’ gemeente in het algemeen bekostiging van de vervoerkosten van deze leerling aangevraagd moet worden. Vooral bij zeer kort tijdelijk verblijf van de leerling in een andere gemeente is het de vraag of het redelijk is dat deze gemeente de vervoerkosten moet dragen. Door het incidentele karakter van dit vervoer laat het zich doorgaans moeilijk organiseren binnen de bestaande gemeentelijke kaders, zodat dit vervoer zeer veel extra kosten met zich mee kan brengen. Ook voor ouders is dit omslachtig: bij gemeente A moeten zij deelname aan het vervoer opzeggen, bij gemeente B vervoer aanvragen en een aantal weken later dienen zij het omgekeerde te doen. Bovendien bevat de definitie van het begrip woning een structureel element. In een voorkomend geval kan als volgt worden gehandeld. Als vooraf vaststaat dat een leerling gedurende een korte periode (niet meer dan bijvoorbeeld zes weken) in een andere gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft bezoeken, dan wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente (A). Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven verzorgen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het kind naar zijn ‘eigen’ school blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling naar school kleiner dan de kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal uiteraard (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van vervoerkosten bestaan. In alle andere situaties waarin een leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, verdient het aanbeveling de hoofdregel toe te passen, namelijk dat in de gemeente waarin de leerling feitelijk verblijft het leerlingenvervoer wordt aangevraagd. Deze gemeente beoordeelt dan dit verzoek op basis van de eigen verordening leerlingenvervoer. Deze verordening kan uiteraard andere criteria bevatten dan de verordening leerlingenvervoer van de oorspronkelijke gemeente. In het geval een leerling vanuit een ouderlijke woning een school bezoekt en vanuit die school, omwille van een medische of sociale indicatie, naar een dagcentrum reist, kan ervan uitgegaan worden dat het kind twee woningen in de zin van de verordening heeft, te weten de ouderlijke woning en het dagcentrum. In hoofdstuk B, pagina 26 van de bijlage bij de Wet op de jeugdhulpverlening is het begrip dagcentra als volgt gedefinieerd: ‘Voorzieningen die buiten schooltijd begeleiding bieden aan schoolgaande kinderen wier functioneren door psychosociale problemen wordt belemmerd, alsmede aan hun (stief)ouders.’ Bekende dagcentra zijn de Boddaertcentra, terwijl medische kinderdagverblijven, die kinderen in de leeftijd van nul tot vier jaar begeleiden, ook als zodanig kunnen worden aangemerkt. Om te bepalen of andere voorzieningen als een dagcentrum kunnen worden aangemerkt, kan verder bij de provincie worden geïnformeerd of gedeputeerde staten de voorziening als een dagcentrum subsidiëren. Het is redelijk in dit soort gevallen een tegemoetkoming te verlenen in de kosten van het vervoer van: de ouderlijke woning naar de school; de school naar het dagcentrum (uiteraard dient wel aan de afstandscriteria voldaan te worden). Het vervoer van dagcentrum naar huis komt niet voor rekening van de gemeente. Een kind van gescheiden ouders kan twee woningen hebben in de zin van de verordening. Indien leerlingenvervoer is gewenst, moeten beide ouders afzonderlijk, voor de dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is. Ad e Met betrekking tot het begrip ‘afstand’ heeft de afdeling Rechtspraak van de Raad van State bepaald dat de veiligheid van de weg op zich zelf beoordeeld voldoende dient te zijn (uitspraak van 31 maart 1989, R03.87.2599). Het college mag niet volstaan met verwijzing naar een minder veilige alternatieve route. Indien de afstand van de woning naar school niet voldoet aan het afstandscriterium, dan dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor begeleiding zorg te dragen indien de af te leggen route onveilig is, aldus de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). De afdeling bestuursrechtspraak is voorts van mening dat de route niet in alle gevallen volledig toegankelijk moet zijn voor gemotoriseerd verkeer (uitspraak van 12 juni 1995, nr. R03.93.5639). Ad f Indien de gemeente opstapplaatsen hanteert, dient dit in de verordening te worden opgenomen. Voorts is ter verduidelijking opgenomen dat het vervoer alleen plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in het schoolplan. Hiermee wordt voorkomen dat ouders op basis van bijvoorbeeld sociale of tijdelijke medische overwegingen aanvragen indienen voor het vervoer tijdens de schooltijd (bijvoorbeeld omdat de leerling te jong is om het hele onderwijsprogramma te volgen). Uitsluitend indien de structurele handicap van een leerplichtige leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een deel van het onderwijsprogramma, dient in voorkomend geval wel tijdens de schooltijd vervoerd te worden. Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer (wet van 12 maart 1987, Stb. 175). In deze Wet wordt onder ‘openbaar vervoer’ verstaan: voor een ieder openstaand personenvervoer per trein, metro, tram, bus, of auto volgens een dienstregeling. De Wet personenvervoer definieert ‘dienstregeling’ als voor een ieder kenbaar schema van reismogelijkheden. In de verordening is de begripsomschrijving ‘openbaar vervoer’ uitgebreid met ‘veerdienst’. Ad j Onder ‘reistijd’ wordt in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze verstaan: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens het schoolplan, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens het schoolplan minus maximaal tien minuten indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan het schoolplan aangeeft en de aankomst bij de woning. Hiermee wordt aangegeven de tijdspanne die ligt tussen het verlaten van het huis en de aanvang van de schooldag, dan wel de tijdspanne die ligt tussen het einde van de schooldag en de aankomst bij het huis. Voorts leert de praktijk dat leerlingen, ongeacht of zij gebruikmaken van het leerlingenvervoer, zich vaak zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein bevinden. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. Het is dus niet de bedoeling het begrip reistijd in alle gevallen uit te breiden, slechts indien en voor zover de leerling voor de aanvang van de lessen zich in de school dan wel op het schoolplein bevindt. Ad k De WPO, die op 1 augustus in werking treedt, introduceert een nieuw orgaan, namelijk de permanente commissie leerlingenzorg (pcl, artikel 23 WPO ). Deze commissie beslist op aanvraag van de ouders of een leerling op het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is aangewezen. Alleen als dit besluit positief is, kan een leerling op een speciale school voor basisonderwijs worden opgenomen. Het college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Dit besluit is overigens een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van de operatie Weer samen naar school is afgesproken dat, indien vaststaat dat een leerling is aangewezen op een hulpklas bij een basisschool, deze basisschool moet worden aangemerkt als de toegankelijke school, ook wanneer dit niet de dichtstbijzijnde basisschool is, en dat daarom vervoer naar deze basisschool met hulpklas dient te worden bekostigd. Vanaf 1 augustus 1999 bepaalt de rvc de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs. Dit is geregeld in artikel 10g van de WVO. Ad l Om te bepalen of op grond van artikel 23 een drempelbedrag kan worden geheven, is het inkomen van ouders in het peiljaar nodig. Voor het schooljaar 2003-2004 is het peiljaar 2001, dit betekent dat niet meer de Wet op de inkomstenbelasting 1964, maar de Wet op de inkomstenbelasting 2001 van toepassing is. Ouders kunnen een IB 60-formulier opvragen bij de Belastingdienst, waarop dit gecorrigeerde verzamelinkomen staat vermeld. Ad m Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats. In de uitspraak van 26 februari 1992 (nr. R03.89.0419/83-107) heeft de afdeling Rechtspraak van de Raad van State inzake centrale opstapplaatsen het volgende gesteld. In het onderhavige geval bedroeg de loopafstand tussen huis en de opstapplaats niet meer dan dertig minuten (1.200 meter). Naar het oordeel van de afdeling is deze reistijd, die overigens nog bekort kan worden wanneer de afstand van de ouderlijke woning naar de bushalte met de fiets wordt afgelegd, alleszins redelijk te noemen. Gelet op de leeftijd van de leerling (vijf jaar) mag worden verwacht dat de ouders hun kind vergezellen naar de bushalte. Dat ouders zelf voor deze begeleiding moeten zorg dragen, acht de afdeling een reëel uitgangspunt. De afstand tot aan de bushalte wijkt immers niet af van die welke vele van de in X woonachtige leerlingen moeten afleggen, aan wie al in verband met het feit dat zij op minder dan vier kilometer afstand van de school wonen geen vervoerkostenbekostiging, noch een vervoervoorziening wordt toegekend, aldus de afdeling Rechtspraak. De afdeling acht het kennelijk redelijk dat de gemeente opstapplaatsen opstelt vanaf waar de leerling van het vervoer gebruik kan maken. De afdeling vindt de reistijd, die in dit geval niet meer dan dertig minuten bedraagt, alleszins redelijk. Hiermee is echter nog niet aangegeven wanneer de afdeling de reistijd niet meer redelijk acht. Wanneer gekozen wordt voor het aanwijzen van opstapplaatsen, dan is het van belang dat de gemeente daarbij let op de af te leggen afstand van huis naar de opstapplaats. Hierbij kan in ieder geval gedacht worden aan bestaande halteplaatsen binnen een loopafstand van dertig minuten, waar een beschutte halteplaats aanwezig is (mede in verband met de weersomstandigheden). Het feit alleen dat de halte aan een drukke verkeersweg ligt en dus niet veilig genoeg zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om af te zien van het aanwijzen van opstapplaatsen. Van ouders mag in dergelijke gevallen verwacht worden dat zij hun kinderen begeleiden tot ten minste het moment dat hun kinderen in het voertuig zijn gestapt. De afdeling Rechtspraak van de Raad van State stelt in haar uitspraak van 24 augustus 1992 (nr. R03.90.1504/83-105) dat, indien de route onveilig zou zijn, van de ouders verwacht mag worden dat zij hun kind vergezellen naar de bushalte. Dat de ouders zelf voor deze beperkte begeleiding moeten zorg dragen kan in alle redelijkheid van hen worden gevergd, gelet op het feit dat ook ouders van wie de kinderen een school bezoeken die op een kortere afstand van hun woning is gelegen dan de in de verordening genoemde zes kilometer, zo nodig voor begeleiding zullen moeten zorg dragen, aldus de afdeling Rechtspraak. In de uitspraak van de afdeling Rechtspraak van 11 augustus 1989 is gesteld: ‘Niet aannemelijk is dat het ontbreken van de mogelijkheid om bekostiging te krijgen voor reiskosten bij een reisafstand tot zes kilometer, de ouders wezenlijk belemmert in de vrijheid om voor hun kinderen een school van de door hen gewenste richting te kiezen’. Deze uitspraak in aanmerking genomen en gezien het feit dat de gemeente volgens de afdeling Rechtspraak opstapplaatsen mag aanwijzen zou het wellicht mogelijk zijn ook voor de opstapplaatsen een afstandsgrens van zes kilometer te hanteren, indien de gemeente in artikel 10 een afstandsgrens van zes kilometer hanteert. Ouders van wie de woning op bijvoorbeeld vijf kilometer van de school gelegen is, krijgen immers over die vijf kilometer ook geen bekostiging. Zij dienen er zelf voor te zorgen dat hun kinderen de school bezoeken. De positie van die ouders is in feite niet anders dan die van de ouders van wie de woning op zes kilometer of meer van de school is gelegen. Het lijkt ons daarom redelijk van beide ouders over ten minste dezelfde afstand hetzelfde te mogen vragen zowel wat betreft de begeleiding als de kosten van het vervoer. Met nadruk wordt erop gewezen dat de afdeling Rechtspraak van de Raad van State nog geen uitspraak heeft gedaan over een afstandsgrens tussen huis en de opstapplaats. Wanneer een verzoek om een tegemoetkoming van de vervoerkosten wordt ingediend, blijft de afstand tussen de woning en de school relevant; het instellen van opstapplaatsen verandert daar niets aan. Dit betekent dat ouders die op bijvoorbeeld negen kilometer van de school wonen terwijl de gemeente op zes kilometer afstand een opstapplaats heeft ingesteld, recht hebben op bekostiging van het vervoer (en eventueel begeleiding) over de resterende drie kilometer. Ook blijft het berekenen van de reistijd zoals dat nu geldt onverkort intact; met andere woorden de tijdsduur die gemoeid is met het bereiken van de opstapplaats telt mee als reistijd als bedoeld in artikel 13, onder a, en artikel 18, eerste lid onder b, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze. Ad n De commissie voor de begeleiding komt in de plaats voor de commissie van onderzoek. De indicerende taken van de CvO gaan over naar de regionale commissies van indicatiestelling (Cvi). De taken omtrent toewijzing van (ambulante) begeleiding blijven bij de commissie voor de begeleiding, verbonden aan een school. Ad o De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt. Ad p De WPO introduceert een nieuw orgaan, namelijk de permanente commissie leerlingenzorg (pcl). Besluiten van de pcl over de toelating van een leerling tot een speciale school voor basisonderwijs dienen door het college bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer betrokken te worden. Ad q Op basis van de WPO gaan basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs een zodanige zorgstructuur inrichten, dat voor elke leerling die zorg geboden kan worden die op een bepaald moment wenselijk is. Artikel 18 van de WPO geeft een regeling voor de samenwerkingsverbanden. Ad r De regionale verwijzingscommissie heeft op grond van artikel 10g Wet op het voortgezet onderwijs tot taak te beoordelen of een leerling tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is. Ad s Opdc: orthopedagogisch en didactisch centrum. Bovenschoolse voorziening bedoeld om leerlingen extra aandacht te geven. Op een opdc kan ook onderwijs gegeven worden, maar de leerlingen blijven ingeschreven op een school voor voortgezet onderwijs. Leerlingen die volledig onderwijs volgen aan een opdc kunnen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar het opdc. Leerlingen die gedeeltelijk onderwijs volgen aan een opdc en gedeeltelijk aan een school voor voortgezet onderwijs, kunnen alleen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar de school voor voortgezet onderwijs. Ad t Een ambulante begeleider is verbonden aan een school voor speciaal onderwijs en geeft ondersteuning aan gehandicapte leerlingen in het reguliere primair en voortgezet onderwijs. De gemeente kan aan de ambulante begeleider van gehandicapte leerlingen in het reguliere onderwijs, voor wie een aanvraag leerlingenvervoer wordt ingediend, advies vragen over de vervoersbehoefte van die leerlingen. Ad u Elk kind dat wordt aangemeld voor het speciaal onderwijs moet worden geïndiceerd. De commissie voor de indicatiestelling beoordeelt aan de hand van onafhankelijke landelijke criteria of een leerling in aanmerking komt voor leerling gebonden financiering en in welk cluster de leerling wordt geplaatst. Artikel 2 Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze worden de aanspraken van de ouders op gehele of gedeeltelijke bekostiging voor het dagelijks vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs vastgelegd. Tevens zijn in de regeling aanspraken op bekostiging van de kosten die zijn verbonden aan het weekeinde- en vakantievervoer vastgelegd van ouders van leerlingen, die met het oog op het volgen van voor hen passend onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijven. De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft echter ingevolge de Leerplichtwet ten principale in alle gevallen bij de ouders liggen. In artikel 2, derde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders. Indien het college het vervoer zelf laat verzorgen, kan het van ouders, die voor bekostiging van de vervoerskosten in aanmerking komen, verlangen dat hun kinderen van dit vervoer gebruik maken (dit kan dus zijn bekostiging van het openbaar vervoer, al dan niet onder begeleiding, of aangepast vervoer). Tevens verlangen zij dan dat ouders, aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, een eigen bijdrage betalen aan het vervoer van hun leerlingen (artikel 2, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze). De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs (het voormalige LOM, MLK en IOBK-onderwijs) bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de afstand tussen de woning en de te bezoeken school. Indien de ouders weigeren of nalatig zijn met betrekking tot de ingevolge de verordening te betalen bijdrage, leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het vervoer. Het behoeft geen betoog dat juist bij het aangepast vervoer afspraken kunnen worden gemaakt met regiogemeenten om een zo efficiënt en goedkoop mogelijke wijze van aangepast vervoer te organiseren. Tevens komt in artikel 2, tweede lid, tot uitdrukking dat het eventuele drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer. In het vierde lid staat dat een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan doen in plaats van de ouders/verzorgers. De vaste Kamercommissie voor onderwijs, cultuur en wetenschappen heeft daarom verzocht in het verslag bij de behandeling van het wetsvoorstel ‘wijziging van de Wpo, Wec en Wvo in verband met het vervoer van leerlingen’ (TK 2001-2002, 27 884). Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school Een van de uitgangspunten van de artikelen 4 van de WPO, WVO en de wet op de expertisecentra EC is dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening en het college bij de uitvoering daarvan de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze voor een school dient te eerbiedigen. Tevens is in genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. In de verordening is deze bepaling in artikel 3 verankerd. Bekostiging van de vervoerskosten wordt verstrekt over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school. Als toegankelijke school is aan te merken wat betreft het primair onderwijs: de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Wat betreft (voortgezet) speciaal onderwijs wordt hier nog een tweede criterium aan toegevoegd: de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De hier bedoelde soorten zijn schooltypen zoals vermeld in artikel 2 van de WEC en artikel 5 van de WVO. Dit impliceert dat bekostiging van de vervoerskosten van de leerling in principe plaatsvindt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school (openbaar of bijzonder) van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt, de school die naar afstand het dichtst bij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg. Het spreekt voor zichzelf dat op een toegankelijke school wel plaatsruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten tot de desbetreffende school. Van belang hierbij is dat wanneer het college een aanvraag om bekostiging afwijst in verband met de aanwezigheid van een dichter bijgelegen school van (de aangewezen soort en van) dezelfde richting, het dient aan te tonen dat de leerling daadwerkelijk kan worden toegelaten tot die school. Hierbij kan nog worden aangetekend dat bijvoorbeeld een nieuwe school met slechts één leerkracht, namelijk voor de groepen 1 en 2, voor leerlingen uit groep 3 en verder niet toegankelijk is. De leerling zal, indien hij niet toegelaten wordt op de desbetreffende dichtstbijzijnde school, moeten uitzien naar een andere school. Deze school is dan aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school. In een dergelijk geval dient bekostiging van vervoerskosten te worden verstrekt, naar deze andere (dichtstbijzijnde) school. Met de introductie van de WPO per 1 augustus 1998 dient voor de speciale scholen voor basisonderwijs het vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het samenwerkingsverband te worden bekostigd. Zie daarvoor artikel 9 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze. In de parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer is uitgebreid aandacht besteed aan de richting van het onderwijs. Een belangrijke wijziging van de wet kan in dit verband niet onvermeld blijven. Om alle twijfels weg te nemen dat de afstand die voor bekostiging in aanmerking komt maximaal betrekking heeft op de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting is, door middel van een Vierde nota van wijziging (Kamerstuk 18841, nr. 21) in de relevante artikelen expliciet opgenomen dat vervoer plaatsvindt naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij het vervoer met betrekking tot een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen, en de ouders met het vervoer naar die school instemmen. Bovengenoemd uitgangspunt houdt in dat indien een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, de aanspraak in principe beperkt blijft tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtstbijzijnde bij de woning gelegen school. Dit is echter geen verplichting. Het college kan besluiten om in het geheel geen bekostiging te verstrekken indien vervoer aanwezig is waarvan de kosten gelijk blijven ongeacht het aantal leerlingen dat van dat vervoer gebruik maakt. Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich meebrengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde. Ouders hebben in beginsel veel ruimte om hun bezwaren inhoud te geven. Zo heeft de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de wet en de verordening leerlingenvervoer zich er niet tegen verzetten dat ouders tijdelijk kiezen voor een school met een van hun principiële voorkeur afwijkende richting (Uitspraak 30 juli 1993, R03.901947 en R03.90.7314). De uitvoering van artikel 13 van de LO-wet heeft in het verleden geleid tot veel jurisprudentie. Vooral het zogenoemde ‘richtingenvraagstuk’ stond daarbij centraal. Aanvankelijk beperkte de jurisprudentie zich bij de vraag over het al dan niet doen toekennen van een vervoerskostenbekostiging tot het zogenoemde ‘klassieke richtingenbestand’. Kenmerkend hierbij is dat het gaat om stromingen van levensbeschouwelijke en godsdienstige aard. Ook bijzonder onderwijs op algemene grondslag is hierbij als richting aan te merken. In het algemeen kan gesteld worden dat naast scholen voor openbaar onderwijs, tot het klassieke richtingenbestand binnen het bijzonder onderwijs gerekend worden: scholen voor (rooms)katholiek onderwijs, scholen voor protestants-christelijk onderwijs, scholen voor gereformeerd (vrijgemaakt) onderwijs (KB 28 december 1960, nr. 95), scholen voor reformatorisch onderwijs, scholen voor algemeen bijzonder onderwijs (KB 15 december 1948, nr. 37). Daarnaast zijn ook de Joodse scholen als afzonderlijke richting aan te merken. Relatief nieuw is de jurisprudentie over de zogenoemde ‘vrije scholen’. Deze scholen, die hun onderwijs stoelen op de antroposofische wijsbegeerte en met name de filosofie van Rudolf Steiner, kunnen geacht worden een bepaalde richting in het onderwijs te vertegenwoordigen, aangezien het onderwijs wordt gegeven vanuit een eigen mens- en wereldbeschouwing (KB 18 juni 1980, nr. 32). De vrije school kent in Nederland vele tientallen scholen, die onder de volgende benamingen voorkomen: Vrije school ... Rudolf Steinerschool Parcivalschool Geert Grooteschool Tobiasschool Adriaan Roland Holstschool Michaelschool Michaelshoeveschool Johannesschool De Zonneschool De verscheidenheid in richtingen is regelmatig onderwerp van geschillen. Met het oog hierop is het volgende te melden. De Platoschool in Amsterdam In Nederland is één Platoschool, gevestigd in Amsterdam. Hoewel deze school in het Plan van Scholen van Amsterdam is opgenomen als uitgaande van een eigen richting en de Onderwijsraad in 1985 als zijn opvatting heeft gegeven dat deze school van een eigen richting uitgaat, wordt de Platoschool niet geacht een eigen richting te vertegenwoordigen. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft namelijk in haar uitspraak van 17 november 1995 (nr. R03.93.3057) beslist dat de Platoschool geen aparte richting vertegenwoordigt. In het christelijk onderwijs kunnen wat betreft het leerlingenvervoer de volgende richtingen worden onderscheiden: protestants-christelijk, reformatorisch, gereformeerd, gereformeerd (vrijgemaakt), gereformeerde schoolvereniging, scholen met den bijbel, christelijk-nationaal, hervormd. In recente jurisprudentie worden ook de zogenoemde evangelische scholen als een afzonderlijke richting aangemerkt (RvS 11-2-97, AB 1998, 28). Kees Boekeschool Werkplaats kindergemeenschap In Bilthoven is gevestigd de Werkplaats kindergemeenschap, opgericht door Kees Boeke. Deze school behoort tot de algemeen bijzondere richting. Jan van Rijckenborgschool (Rozenkruisschool). Nederland telt op dit moment drie scholen met deze naam, gevestigd in Hilversum, Heiloo en Duiven. Deze gaan uit van het kerkgenootschap ‘Lectorium Rosicrucianum’ en worden in stand gehouden door de Stichting scholen van het Rozenkruis. Volgens adviezen van de Onderwijsraad uit 1984 en 1985 is het kerkgenootschap Lectorium Rosicrucianum blijkens zijn afzonderlijke kerkformatie een van de richtingen die zich in het Nederlandse volk op geestelijk terrein openbaren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt in haar uitspraak van 20 november 1995 (nrs. R03.92.4810 en R03.93.5156) dat de van het Lectorium Rosicrucianum uitgaande Jan van Rijckenborgscholen een eigen richting vertegenwoordigen. Janus Korczakschool Gezien het advies van de Onderwijsraad en het hiermee overeenkomende oordeel van de Kroon (KB 26 november 1986, nr. 42) gaat deze school uit van de algemeen-bijzondere richting. Islamitische scholen Gezien de antwoorden die staatssecretaris Wallage op 29 januari 1992 heeft gegeven op de vragen van het Kamerlid Franssen, waren er op dat op moment 18 bevoegde gezagsorganen die in totaal 20 basisscholen op Islamitische grondslag besturen. Gezien de statuten van Islamitische scholen wordt er van uitgegaan dat zij een eigen richting vertegenwoordigen. Hindoeïstische scholen Gezien de antwoorden die staatssecretaris Wallage 29 januari 1992 heeft gegeven aan het Kamerlid Franssen was er op die datum één schoolbestuur dat 3 scholen op Hindoeïstische grondslag bestuurt. Gezien de statuten van de Hindoeïstische scholen wordt er van uitgegaan dat zij een eigen richting vertegenwoordigen. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze dienen ouders, indien een leerling een school voor basisonderwijs bezoekt op grotere afstand dan bepaald in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze, terwijl zich dichterbij andere (openbare en bijzondere) basisscholen bevinden, schriftelijk te verklaren, dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van de dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. Uiteraard geldt voor het (voortgezet) speciaal onderwijs dat het bovenstaande slechts van toepassing is op dichterbij gesitueerde scholen van de ‘soort’ waarop de leerling is aangewezen (bijvoorbeeld ZMOK-school of school voor lichamelijk gehandicapte kinderen). In dit kader is van belang dat de afdeling Rechtspraak heeft bevestigd dat voor het antwoord op de vraag op welke soort speciaal onderwijs een leerling is aangewezen slechts een keuze kan worden gemaakt uit de in artikel 2 van de ISOVSO (inmiddels: artikel 2 van de WEC ) onderscheiden soorten (afdeling Rechtspraak van de Raad van State, 2 januari 1992, R03.88.4075 en R03.89.160/62-129). ‘Binnen die soorten is geen nadere onderverdeling aangebracht op basis waarvan onderscheid tussen (...) scholen (...) kan worden gemaakt’. Slechts indien door de ouders wordt aangetoond - met name via deskundigenrapporten - dat niet de dichtst bijgelegen school van de gewenste richting en de aangewezen soort geschikt is maar een verder gelegen school, neemt de Afdeling aan dat de leerling op deze verder gelegen school feitelijk is aangewezen, en is er voor het college aanleiding te bezien of met toepassing van de hardheidsclausule het vervoer naar de verder gelegen school dient te worden bekostigd. Voorbeeld 1 School A is een rooms-katholieke basisschool en ligt op zes kilometer afstand van de woning van de leerling. School B is een protestants-christelijke basisschool en ligt op drie kilometer afstand van de woning van de leerling. Indien de ouders nu schriftelijk verklaren overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van de school die dichterbij gelegen is (i.c. school B), verstrekt het college bekostiging voor het vervoer van de leerling naar school A. Voorbeeld 2 Een leerling bezoekt een school voor algemeen-bijzonder basisonderwijs op drie kilometer afstand van de woning. De ouders besluiten dat de leerling naar een andere basisschool van dezelfde richting gaat, gelegen op zes kilometer afstand van de woning. In dit geval verstrekt het college geen bekostiging voor het vervoer naar deze basisschool op zes kilometer afstand (immers, het is niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school). Of bekostiging plaatsvindt naar de basisschool op drie kilometer afstand, is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens. Voorbeeld 3 Een leerling bezoekt een gereformeerde (vrijgemaakt) school op zeven kilometer afstand van de woning. Op drie kilometer afstand wordt een nieuwe gereformeerde (vrijgemaakt) basisschool gesticht. In principe vervalt de bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand. Het is immers niet meer de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Hierbij is echter een redelijke overgangsregeling gewenst. Aansluitend bij de gangbare opvattingen hierover lijkt een overgangsperiode van circa twee jaren reëel indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend. Na een dergelijke overgangsperiode vervalt dan de bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand van de woning. Indien de ouders beslissen om de leerling eerder naar de dichterbij gelegen school te sturen, vervalt de bekostiging op het moment dat de leerling de nieuwe school bezoekt. Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de nieuwe basisschool, is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens. Voorbeeld 4 Een leerling bezoekt een openbare school op drie kilometer afstand van de woning. Halverwege het jaar verhuist het gezin naar een andere wijk in dezelfde gemeente, waardoor de bezochte school niet meer de dichtstbijzijnde school voor openbaar onderwijs is. De bezochte school ligt nu op een afstand van acht kilometer. In principe bestaat geen aanspraak meer op bekostiging naar deze school. Echter, indien de ouders voornemens zijn de leerling toch op de verder weg gelegen school te laten, lijkt een redelijke overgangsperiode voor de hand te liggen. Het college kan dan overwegen - indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend - bekostiging te verlenen voor het resterende schooljaar. Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de dichterbij gelegen school is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens. Voorbeeld 5 Een leerling bezoekt een protestants-christelijke speciale school voor basisonderwijs op zes kilometer afstand van de woning terwijl een rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs en een protestants-christelijke ZMOK-school dichterbij zijn gesitueerd (respectievelijk op twee kilometer en drie kilometer). De ouders komen voor bekostiging van de vervoerskosten in aanmerking indien zij schriftelijk verklaren overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van de dichterbij gelegen toegankelijke school (i.c. de rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs). De protestants-christelijke ZMOK-school is geen school van de soort waarop de leerling is aangewezen en is dus niet aan te merken als een dichterbij gelegen toegankelijke school. Voorbeeld 6 Een leerling bezoekt een openbare basisschool op negen kilometer afstand van de woning. Op zes kilometer afstand is ook een openbare basisschool gehuisvest, terwijl er dichterbij gelegen scholen voor bijzonder basisonderwijs aanwezig zijn. Het college verstrekt bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zes kilometer afstand van de woning, indien de ouders schriftelijk hebben verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van deze dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. Deze school op zes kilometer afstand is immers aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Voorbeeld 7 Op drie kilometer afstand van de woning van de leerling is een reformatorische basisschool gelegen. De leerling bezoekt een reformatorische basisschool op acht kilometer afstand van de woning omdat op deze school godsdienstonderwijs wordt gegeven volgens een bepaalde modaliteit, die niet tot uitdrukking komt in de dichterbij gelegen reformatorische school. In dit geval bekostigt het college niet de kosten van het vervoer naar de school, gelegen op een afstand van acht kilometer. Of bekostiging plaatsvindt naar de reformatorische basisschool op drie kilometer afstand is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens. Voorbeeld 8 Een leerling bezoekt een vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs op twaalf kilometer afstand van de woning van de leerling, omdat de onderwijskundige methode van die school geschikter blijkt voor de leerling dan de onderwijskundige methode die gehanteerd wordt op de vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs, gelegen op een afstand van vijf kilometer van de woning van de leerling. Het college verstrekt een eventuele bekostiging voor het vervoer van en naar de school gelegen op vijf kilometer afstand. Voorbeeld 9 Een leerling bezoekt een openbare speciale school voor basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, terwijl er buiten het samenwerkingsverband een dichterbij de woning van de leerling gelegen toegankelijke openbare speciale school voor basisonderwijs is. Het college verstrekt bekostiging naar de school binnen het samenwerkingsverband (zie artikel 9 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze). Voor alle hiervoor weergegeven voorbeelden geldt dat het college de ouders met toepassing van de hardheidsclausule toch een - volledige - bekostiging kan verstrekken indien daartoe naar de mening van het college aanleiding is. Niet tot het begrip ‘richting’ wordt gerekend een bepaalde onderwijskundige methode van een school. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen en Freinetscholen. Deze scholen baseren hun identiteit op de onderwijskundige inrichting van de school en niet op de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. Montessorischolen c.a. kunnen onder meer van katholieke, protestante signatuur zijn. Dit betekent dat er in dezen geen verschil bestaat tussen een ‘reguliere’ katholieke basisschool en een katholieke Montessorischool, etc. Een verklaring van bezwaar (artikel 3, tweede lid) dient zich te richten tegen de richting van het bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs en niet tegen de onderwijskundige methode die op de school gehanteerd wordt. Dat de Kroon een onderwijsmethode als zodanig niet als aparte richting erkent, blijkt uit het KB 25 november 1980, nr. 15 (Baarn), waarin wordt geoordeeld dat de bezwaren van een ouder, die koos voor de pedagogie van Rudolf Steiner, zich richten tegen het feit dat naburige scholen niet de gewenste onderwijskundige methode hanteren en dat daarom met het woord ‘richting’ een ander begrip wordt aangeduid dan in artikel 13 van de LO-wet is bedoeld. Ouders dienen in de verklaring dus aan te geven overwegende bezwaren te hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij zijn gelegen. Sinds de totstandkoming van artikel 13 van de LO-wet is het oordeel over de bezwaren, die aan de richting van het onderwijs verbonden zijn, aan de overheid onttrokken. Met andere woorden: het college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde richting inhoudelijk te verifiëren. Ook onder de huidige regeling wordt deze gedragslijn in de jurisprudentie gevolgd. Slechts in een enkel uitzonderlijk geval neemt de Afdeling rechtspraak van de Raad van State aan dat niet de richting van het onderwijs maar de kwaliteit daarvan de keuze van de ouders heeft bepaald, in weerwil van de door de ouders afgelegde verklaring inzake hun bezwaar tegen de overige richtingen en het openbaar onderwijs (Afdeling rechtspraak Raad van State, 10 april 1989, R03.87.2455/98-
  4. Afdeling rechtspraak Raad van State, 2 januari 1992, R03.89.0685/72-107). Op het college rust in deze gevallen een zware bewijslast. Aangetoond dient te worden dat de bezwaren van de ouders in weerwil van de letter van hun verklaring kennelijk niet de richting van het onderwijs betreffen. Zelfs indien ouders hun kinderen aanvankelijk naar een openbare basisschool sturen, vervolgens naar een katholieke basisschool en uiteindelijk wederom naar een openbare basisschool, geeft de Voorzitter van de Afdeling rechtspraak de ouders het voordeel van de twijfel (Voorzitter Afdeling rechtspraak Raad van State, 24 maart 1988, R03.88.0917/S526098.00). Ook indien ouders hun kind pas op twaalfjarige leeftijd naar de school met de door hen gewenste richting sturen, dient het college de verklaring van de ouders, dat zij tegen de overige richtingen en tegen het openbaar onderwijs bezwaar hebben te respecteren, zeker nu de ouders aangaven dat zij hun kind aanvankelijk te jong achtten om de afstand naar de gewenste school te overbruggen (Voorzitter Afdeling rechtspraak Raad van State, 17 februari 1989, R03.89.0286/S5137-58). Ook het feit dat kinderen uit hetzelfde gezin scholen van diverse richtingen bezoeken levert onvoldoende grond op voor het oordeel dat de ouders hun keuze kennelijk niet met het oog op de richting van het onderwijs hebben bepaald (Afdeling rechtspraak Raad van State, 9 december 1989, R03.87.2975/72-86). Op 1 augustus 2003 treedt de Wet leerling-gebonden financiering in werking. Vanaf dat moment kunnen leerlingen die geïndiceerd zijn voor (voortgezet) speciaal onderwijs tevens kiezen voor het regulier onderwijs. Leerlingen die naar het (voortgezet) speciaal onderwijs gaan, titel 3 van de modelverordening, maken onverminderd aanspraak op leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4 scholen – zeer moeilijk opvoedbare kinderen, leerlingen van scholen verbonden aan pedologische instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische problematiek) – geldt dat zij recht hebben op vervoer naar de cluster 4-school waarvoor de commissie voor de indicatiestelling (cvi) een advies heeft afgegeven. Vanaf 1 augustus aanstaande wordt namelijk op basis van de nieuwe wet (artikel 4, vijfde lid Wet op de expertisecentra) de cluster 4-school waarvoor de cvi een advies heeft afgegeven, aangemerkt als de dichtstbijzijnde, toegankelijke school. Dit geldt zolang de leerling woont in het gebied van het regionaal expertisecentrum waar voornoemde commissie aan is verbonden. Artikel 4 Uitbetaling van de bekostiging De bekostiging zal als regel voor de tijdsduur van één schooljaar verstrekt worden. Dit zal zeker het geval zijn als de ouders voorafgaande aan een schooljaar een aanvraag doen ten behoeve van een geheel schooljaar. In enkele gevallen echter, bijvoorbeeld als de aanvraag gedurende het schooljaar plaatsvindt, of bij onveranderde situatie, kan het college beslissen dat de bekostiging geldt voor dat lopende schooljaar en indien noodzakelijk ook voor het daaropvolgende schooljaar. Het creëren van deze beleidsruimte is de reden dat in artikel 4 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is bepaald, dat het college bij de verstrekking van de bekostiging tevens de termijn van de bekostiging bepaalt. In de beschikking dient deze termijn wel aangegeven te worden. Stelt de gemeenteraad zich echter op het standpunt dat de bekostiging te allen tijde tot het einde van het aangevraagde schooljaar dient te lopen, verdient het aanbeveling om de verordening in die zin aan te passen. De gekozen formulering van artikel 4 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze laat de ruimte om per geval de termijn van de bekostiging te bepalen. Tevens dient het college bij verstrekking van bekostiging de wijze en het tijdstip van uitbetaling te bepalen. Bepaald zal onder andere dienen te worden of: de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt; de bekostiging in de vorm van een voorfinanciering of op declaratiebasis, dan wel via een vast termijnbedrag achteraf geschiedt; de bekostiging, in het geval er sprake is van aangepast vervoer, rechtstreeks aan de vervoersonderneming geschiedt. Aangezien de praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en het tijdstip van betalen veel verschillende varianten laat zien, is in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze geen expliciete keuze gemaakt. Artikel 5 Aanvraagprocedure De artikelen 5 en 6 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze regelen de aanvraagprocedure voor bekostiging van de vervoerskosten. Tevens zijn bepalingen opgenomen over de handelwijze bij veranderingen van omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de bekostiging. Indien ouders menen voor bekostiging in aanmerking te komen, dienen zij hiertoe een aanvraag in bij het college. Van gemeentezijde wordt hiervoor een aanvraagformulier beschikbaar gesteld. Artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft in het algemeen de gemeente de bevoegdheid om het gebruik van aanvraagformulieren voor te schrijven. In artikel 5 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zijn nadere bepalingen opgenomen over de aanvraag van bekostiging van de vervoerskosten. De aanvraag kan in principe op twee tijdstippen plaatsvinden: indien het betreft een aanvraag voor het nieuwe schooljaar, dient de aanvraag voor 1 juni voorafgaand aan dat nieuwe schooljaar ingediend te worden; indien het betreft een aanvraag gedurende het schooljaar, kan de aanvraag gedurende het schooljaar worden ingediend. Ad 1 Aanvraag voor 1 juni; beschikking geven voor het nieuwe schooljaar Veelal zal ruimschoots voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bekend zijn dat een leerling in het nieuwe schooljaar een bepaalde school gaat bezoeken. Ook continuering van het schoolbezoek is in veel gevallen ruim voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bij de ouders bekend. In dergelijke gevallen bepaalt artikel 5, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze dat de ouders, die in aanmerking wensen te komen voor bekostiging van de vervoerskosten, voor 1 juni voorafgaande aan het nieuwe schooljaar een aanvraag bij de gemeente moeten indienen. Deze datum is gekozen omdat het van belang is om de afwikkeling van de aanvraagprocedures zoveel mogelijk voor de werkelijke aanvang van het schooljaar gerealiseerd te hebben respectievelijk voor de zomervakantie in verband met de - in voorkomend geval - vereiste werkzaamheden van de commissie van onderzoek. Indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend bij de gemeente, heeft het college op grond van artikel 5, vierde lid, tot uiterlijk het begin van het nieuwe schooljaar de tijd een besluit te nemen en aan de aanvragers af te geven. De aanvraag dient dan wel juist en volledig te zijn ingevuld en voorzien te zijn van de noodzakelijke bijlagen. Indien het aanvraagformulier niet juist en/of onvolledig is ingevuld, zullen ouders het aanvraagformulier moeten aanpassen dan wel aanvullen en opnieuw moeten inzenden. In artikel 4:15 van de Awb is bepaald dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Artikel 5, vierde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is vervolgens van toepassing (zie ad 2). Voor de termijn van 1 juni plus acht weken is gekozen om de eventueel te verwachten ‘stormloop’ van aanvragen in de zomervakantie te kunnen verwerken. Ondanks de gestelde termijnen in artikel 5 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze kan het voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijnen niet haalbaar zijn voor de gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van een vakantiepiek, indien het gevraagde oordeel van de commissie van onderzoek of andere deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen (artikel 5, vijfde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze). De Awb bepaalt dat dit uitstel schriftelijk kenbaar gemaakt moet worden aan de betrokken ouders door het college, voor afloop van de eerste termijn. Dit in verband met de bepalingen omtrent het overschrijden van de termijnen en de daaruit voortvloeiende toewijzing van de aanvragen. Uiterlijk een dag voor het verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verdagingstermijn onvoldoende soelaas biedt, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van de commissie van onderzoek, is het van belang dat er toch een beschikking wordt afgegeven. In een dergelijk geval ligt het voor de hand een beschikking te geven, zonder bijvoorbeeld het advies van de commissie van onderzoek af te wachten. Dit is dan ook geregeld in artikel 16, derde lid. Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel 3:44 van de Awb ). De termijnen die in artikel 5 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven in ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven. Indien bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van vier weken) overschreden worden, dan kunnen de aanvragers op basis van artikel 6:2 van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep instellen. In het onderhavige geval is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb ). Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel 6:12, derde lid). Bij de berekening van de termijnen (acht weken voor de beslissing, vier weken uitstel), gelden de bepalingen zoals deze zijn opgenomen in de Algemene termijnenwet (Stb. 1969, 314). De Algemene termijnenwet bepaalt dat, indien de gestelde termijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, de termijn verlengd wordt tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. (Als algemeen erkende feestdagen zijn aan te merken nieuwjaarsdag, tweede paasdag, beide kerstdagen, hemelvaartsdag en Koninginnedag.) Ad 2 Aanvragen gedurende het schooljaar; beschikking binnen acht weken In gevallen waarin de ouders een aanvraag ten behoeve van het nieuwe schooljaar om welke reden dan ook niet tijdig voor 1 juni indienen, is het in de meeste gevallen niet haalbaar de beschikking voor het begin van het nieuwe schooljaar af te geven. Hetzelfde geldt in het geval de aanvraag - weliswaar ingediend voor 1 juni - onvolledig is of onjuist is ingevuld (tenzij de gecorrigeerde aanvraag ook voor 1 juni bij de gemeente binnen is). Immers, in een dergelijk geval zullen de ouders de aanvraag moeten aanvullen of corrigeren. Is er sprake van een bovengenoemde situatie dan is artikel 5, vierde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze van toepassing. Hierin wordt bepaald dat het college binnen acht weken na ontvangst van het formulier een beslissing neemt, nadat ouders in voorkomend geval in de gelegenheid zijn gesteld de aanvraag met ontbrekende gegevens aan te vullen. Deze termijn is ook van toepassing indien gedurende het schooljaar een aanvraag plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien in de loop van het schooljaar een leerling ‘van schoolsoort wisselt’ (bijvoorbeeld van basisonderwijs naar speciaal onderwijs), of wel dat het kind in de loop van het jaar verhuist en daardoor een andere gelijksoortige school gaat bezoeken. In de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 6 maart 1992 (R03.88.7294/83-129) staan de gevolgen van een verhuizing centraal. Ervan uitgaande dat de voormalige woongemeente de ouders wijst op de noodzaak een aanvraag bij de nieuwe woongemeente in te dienen mag van de ouders worden verwacht dat zij onverwijld - maar uiterlijk binnen een week na de berichtgeving van de voormalige woongemeente - een aanvraag bij de nieuwe woongemeente indienen. Bij latere indiening is de nieuwe woongemeente niet gehouden om de kosten van vervoer in de periode vanaf een week na de mededeling van de oude woongemeente tot aan de uiteindelijke indiening van de aanvraag bij de nieuwe woongemeente te bekostigen. Ook ten aanzien van de aanvraagprocedures gelden echter dat de afwikkelingstermijnen niet haalbaar kunnen zijn voor de gemeente. Hiervoor geldt dan ook de verdaging van de termijn met vier weken. Dezelfde criteria en sancties gelden als onder ad 1 zijn gesteld. Indien op een aanvraag positief is beslist of indien via bezwaar of beroep een positieve beschikking is afgedwongen, luidt de vraag met ingang van welke datum de bekostiging wordt verleend. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het college de ingangsdatum van de bekostiging bepaald. In het geval een aanvraag voor het nieuwe schooljaar wordt gedaan, zal de ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de eerste schooldag van het nieuwe schooljaar (artikel 5, zesde lid, onder a). Hieronder dient dan de werkelijke start van het schooljaar verstaan te worden en niet de wettelijke aanvangsdatum. De bekostiging gaat uiteraard pas in op de dag dat het vervoer daadwerkelijk plaatsvindt. Indien de aanvraag gedurende het schooljaar aan het college wordt gericht zal de ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier verzochte datum van ingang, echter niet voor de datum waarop de aanvraag wordt gedaan (artikel 5, zesde lid, onder b) (de datum van ontvangst). Hiermee is aangesloten bij jurisprudentie die bestaat omtrent artikel 13 van de LO-wet. Uit de bewoordingen van artikel 13 van de LO-wet volgde dat bekostiging als in dat artikel bedoeld slechts kan worden verleend voor kosten van schoolbezoek na de tot het gemeentebestuur gerichte aanvraag. Zoals al eerder is opgemerkt geeft artikel 4:4 van de Awb de gemeente in het algemeen de bevoegdheid om het gebruik van aanvraagformulieren voor te schrijven. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Onder gegevens dient ook te worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken). Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der belasting, verklaring van overwegende bezwaren en eventuele andere bewijsstukken. Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Awb verplicht deze gegevens te overleggen, indien deze gegevens van belang zijn voor een juiste beoordeling van de aanvraag. Of gegevens daadwerkelijk van belang zijn voor een juiste beoordeling wordt door het college bepaald. Uiteraard dient het begrip ‘juist’ redelijk geïnterpreteerd te worden. Criterium is: gegevens die van invloed zijn op de aanvraag dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. Indien het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb ). Op grond van artikel 4:5, vierde lid van de Awb , dient in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Uit een beschikking van de voorzitter van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State (9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535) wordt duidelijk dat gemeenten bij een afwijzende beschikking zich niet louter kunnen beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is. De voorzitter overweegt het volgende: ‘Wij Verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze (versie: 11-01-2007) 28 / 58 stellen voorop dat, hoewel is gebleken dat het aanvraagformulier voor de in geding zijnde reiskostenbekostiging onjuist dan wel onvolledig is ingevuld, de kennelijke bedoeling van verzoeker, gezien de aanvragen van de voorafgaande jaren, duidelijk is. Daarom beschouwen wij de aanvraag als zijnde correct gedaan.’ Bij het in behandeling nemen van aanvragen zal de gemeente dus moeten letten op de kennelijke bedoeling van de aanvrager zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken is. Het vijfde lid van artikel 5 geeft het college de mogelijkheid om de beslissing op de aanvraag met vier weken te verdagen. Een beslissing van een bestuursorgaan om een beslissing te verdagen is een beschikking in de zin van de Awb. Dit betekent onder andere dat het bestuursorgaan een dergelijke beslissing dient te motiveren (artikel 4:16 van de Awb) en dat de beslissing aan de belanghebbende bekend gemaakt dient te worden (artikel 3:41 van de Awb ). Artikel 6 Doorgeven van wijzigingen Lid 1 Artikel 6, eerste lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze regelt dat ouders verplicht zijn wijzigingen door te geven aan het college, die van directe invloed zijn op de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten. Gegevens die van invloed kunnen zijn op de bekostiging zijn onder andere: wijziging van de reistijd, in verband met verandering in bijvoorbeeld het openbaar vervoer; wijziging in het woonadres van de leerling, door bijvoorbeeld verhuizing; wijziging van de gezinssamenstelling; wijziging in de gezinssituatie, die invloed heeft op het al dan niet begeleiden van leerlingen; wijziging van het adres van de school; wijziging van de schooltijden van de school; wijziging van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs); toekenning van bekostiging op grond van de Wet Rea etc. Lid 2 Ouders dienen dergelijke wijzigingen onverwijld mede te delen aan het college. Indien de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de verstrekte bekostiging in en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de vervoerskosten (artikel 6, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze). Indien de wijziging geen invloed op de bekostiging heeft gebeurd dit uiteraard niet. Wijziging in het inkomen van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of speciale school voor basisonderwijs volgen heeft in principe geen invloed op de bekostiging van de vervoerskosten voor het desbetreffende jaar. Indien echter sprake is van een structurele wijziging in het inkomen van de ouders die voor hen ernstig nadelig is, kan het college vooruitlopend op het volgende schooljaar de bekostiging aanpassen. Indien het college, zonder hiervan door de ouders onverwijld op de hoogte te zijn gesteld, zelf wijzigingen vaststelt die van invloed kunnen zijn op de bekostiging, kan het zijn dat ouders ten onrechte bekostiging (hebben) ontvangen. Lid 4 Artikel 6, vierde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde bekostigingen terug te vorderen of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostigingen. Ook in onderhavige gevallen geldt immers dat nadat de wijziging is vastgesteld de bekostiging kan vervallen en eventueel opnieuw wordt verstrekt. De beslissing dient aan de aanvrager bekend te worden gemaakt. Artikel 3:41 van de Awb bepaalt dat een beslissing, die tot een of meer belanghebbenden is gericht, bekend wordt gemaakt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Artikel 7 Peildatum leeftijd leerling Verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze (versie: 11-01-2007) 29 / 58 Aangezien in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze het leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een van de volumebeperkende middelen is opgenomen (artikel 12) om al dan niet in aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding, verdient het aanbeveling een peildatum van de leeftijd van de leerling te kiezen. Indien de leerling in aanmerking komt voor openbaar vervoer onder begeleiding en in de verordening is geen peildatum gekozen, zal in dat schooljaar waarin de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, tweemaal een beschikking dienen te worden afgegeven, namelijk voor de periode dat de leerling nog acht jaar is en voor de periode dat de leerling de leeftijd van negen jaar heeft bereikt. Een dergelijke handelwijze houdt nogal wat extra administratieve werkzaamheden in. In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze (artikel 7) is dan ook gekozen voor één peildatum die geldt voor het gehele schooljaar. Gekozen is voor de peildatum van 1 augustus van het betreffende schooljaar, omdat deze datum samenvalt met de wettelijke start van het schooljaar. Deze bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze het gehele schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt (ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar negen jaar). Er hoeft dan ook maar één beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven. Ten behoeve van het (voortgezet) speciaal onderwijs is een dergelijke leeftijdsgrens niet opgenomen. Artikel 8 Andere vergoedingen Indien kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de verordening leerlingenvervoer. Dat geldt echter niet voor vergoedingen die worden verstrekt door de IB-groep op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, die ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs kunnen aanvragen. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, boekengeld enzovoort en is niet puur bestemd voor reiskosten. Deze vergoeding mag daarom niet worden afgetrokken van de bekostiging leerlingenvervoer. Artikel 9 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband Dit artikel is een aanvulling op artikel 3 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze. Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 3, eerste lid. Artikel 4 van de WPO bepaalt voor speciale scholen voor basisonderwijs echter dat het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband dient te worden bekostigd. Dat zal veelal wel, maar hoeft niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school van zijn soort te zijn omdat buiten het samenwerkingsverband een dichterbij gelegen speciale school kan zijn. Deze regeling is door de wetgever getroffen om zo veel mogelijk opvang binnen het eigen samenwerkingsverband te realiseren. Evenals bij de regeling voor basisscholen wordt bij het toekennen van een voorziening voor leerlingenvervoer rekening gehouden met de toegankelijkheid voor de leerling en de op godsdienst of levensbeschouwing berustende keuze van de ouders. In artikel 9 wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond van artikel 3 van de verordening de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. Is dit het geval, dan is artikel 9 van toepassing. Daarnaast geldt als gevolg van de verwijzing naar artikel 3 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze bij toepassing van onderdeel b ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders. Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorg In de WPO wordt aan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl) de taak opgedragen om een besluit te nemen over de toelating van een leerling tot een speciale school voor basisonderwijs. Het college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Daarnaast kunnen door het samenwerkingsverband aan de permanente commissie leerlingenzorg adviestaken worden opgedragen. Wanneer dat is gebeurd dient het college het advies van de commissie bij de beoordeling te betrekken. Omdat het een advies betreft, is het college daaraan echter niet gebonden. Artikel 11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets In artikel 11 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd om ouders aanspraak te kunnen laten maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij geldt als uitgangspunt: ‘bekostiging van de kosten van openbaar vervoer dan wel de kosten van het vervoer per fiets’. Op 6 februari 1990 heeft de Raad van State in een uitspraak (nrs. R03.88.1134/VE24 en R03.88.1135/VE25) bepaald dat een gemeentelijke bepaling waarin een grens van veertien kilometer was opgenomen in strijd is met artikel 4, derde lid, van de Wet op het basisonderwijs. Aan die bepaling van de gemeentelijke verordening werd de verbindende kracht ontzegd. Een zelfde uitspraak heeft de Raad van State gedaan over een afstandsgrens van acht kilometer (uitspraak van 15 mei 1990, R03.88.0790). Echter heeft de Afdeling rechtspraak van de Raad van State op 11 augustus 1989 (R03.88.3592) uitgesproken dat een afstandsgrens van zes kilometer voor het basisonderwijs mogelijk is. De Afdeling overweegt ‘dat niet aannemelijk is dat het ontbreken van de mogelijkheid om bekostiging te krijgen bij een reisafstand tot zes kilometer, de ouders wezenlijk belemmert in de vrijheid om voor hun kinderen een school van de door hen gewenste richting te kiezen’. Als afstandscriterium wordt in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zes kilometer gehanteerd. In de lijn van de jurisprudentie is deze kilometergrens inmiddels in artikel 4, zevende lid, van de WPO als bovengrens vastgelegd. In de uitspraak van 27 december 1989 (R03.88.7309) heeft de afdeling Rechtspraak van de Raad van State duidelijkheid verschaft over de wijze waarop de afstand tussen school en woning bepaald moet worden. Als er een klein verschil (minder dan enkele honderden meters) bestaat tussen de meting van de afstand door de ouders en de gemeente, dan kan niet volstaan worden met het meten van de afstand door een auto-dagteller. In dit geval dient een methode gebruikt te worden waardoor de exacte afstand kan worden bepaald, bijvoorbeeld door middel van het gebruik van een geijkte teller. Van belang is tevens dat de afdeling Rechtspraak van de Raad van State in dezelfde uitspraak heeft bepaald dat bij het meten van de afstand niet mag worden uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg (’s morgens) en de terugweg (’s middags). Indien de reisafstand op de heenweg onder de in de verordening gestelde grens ligt doch de reisafstand op de terugweg daarboven - of omgekeerd - dan ligt het naar het oordeel van de afdeling veeleer in de rede dat een gedeeltelijke bekostiging - voor alleen de heen- dan wel de terugreis - wordt verstrekt. Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van de wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en artikel 4, zevende en achtste lid, van de WEC. Artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO luidt: De regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand tussen de voor de leerling toegankelijke school en de woning van de leerling, gemeten langs de kortste, voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg. De regeling kan bepalen dat voor een leerling die ouder is dan een bepaalde leeftijd, de aanspraak op bekostiging wordt beperkt tot de kosten van openbaar vervoer, dan wel, indien zulks in redelijkheid kan worden verlangd, een goedkopere wijze van vervoer (...). Met andere woorden: een voor de hand liggend onderscheid in afstand voor jongere en oudere kinderen is niet mogelijk. Overigens is het de vraag of de wetgever een dergelijk onderscheid bewust niet wenste op te nemen. De parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer geeft geen duidelijk antwoord op deze vraag. De oorspronkelijke tekst van het wetsontwerp gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer bepaalde dat de gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de leeftijd van de leerling en de afstand. De huidige tekst van het negende lid van artikel 4 van de WPO en het achtste lid van artikel 4 van de WEC heeft zijn vorm gekregen door middel van een tweede nota van wijziging (Kamerstuk 18 841, nr. 11, 31 oktober 1985). Deze wijziging is opgenomen naar aanleiding van een vraag van de leden van de CDA-fractie in het eindverslag (Kamerstuk 18 841, nr. 9, blz. 5, 26 september 1985) of het de gemeenten vrijstaat vierjarigen die het basisonderwijs volgen, van bekostiging uit te sluiten. Naar aanleiding van deze vraag antwoordt de staatssecretaris in de nota naar aanleiding van het eindverslag (Kamerstuk 18 841, nr.
  5. blz. 3, 30 oktober 1985) dat het niet de bedoeling is de gemeenten de mogelijkheid te geven vierjarigen geheel van de aanspraak op vervoer uit te sluiten. Om deze onduidelijkheid weg te halen is de wet aangepast in vorenstaande zin. Het effect van de wijziging is dat leerlingen op grond van de leeftijd niet uitgesloten kunnen worden van een aanspraak op bekostiging. De artikelen 4 van de WPO en de WEC bepalen dat de gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand. In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is deze afstand nader ingevuld door het stellen van een kilometergrens. Het drempelbedrag en het draagkrachtbeginsel Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs heeft de gemeente naast de vaststelling van een afstandsgrens en leeftijdsgrens nog twee andere volumebeperkende maatregelen ter beschikking ter regulering van de vervoerskosten, namelijk een drempelbedrag en het toepassen van het draagkrachtbeginsel. In het kader van het vervoer van leerlingen naar speciale scholen voor basisonderwijs kan eveneens een drempelbedrag geheven worden, maar is het toepassen van het draagkrachtbeginsel niet mogelijk. Drempelbedrag Het drempelbedrag houdt in dat: aan ouders wier inkomen meer bedraagt dan € 17.700,- per jaar (geïndexeerd), slechts bekostiging wordt verleend voor zover de kosten van vervoer van de leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 dan wel artikel 15 bepaalde afstand te boven gaan; indien het college het vervoer zelf organiseren dienen ouders een financiële bijdrage voor één te vervoeren leerling per gezin te betalen die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 dan wel artikel 15 bepaalde afstand als het inkomen meer bedraagt dan € 17.700,- per jaar (geïndexeerd) (zie artikel 23 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze). Draagkrachtprincipe Naast het heffen van een drempelbedrag kan de gemeente in een aantal gevallen bepalen dat de hoogte van de bekostiging afhankelijk is van de financiële draagkracht van de ouders, of dat het vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen geschiedt tegen een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijke bijdrage (artikel 4, elfde lid, van de WPO ). Dit draagkrachtbeginsel kan worden toegepast indien het leerlingen betreft die een school voor basisonderwijs of een school voor speciaal voortgezet onderwijs bezoeken en voor wie de afstand van de woning naar de school meer dan twintig kilometer bedraagt. De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 17 februari 1992 (R03.88.6457) bepaald dat het niet is toegestaan naast de bijdrage naar draagkracht, zoals berekend via de oude, op de zogeheten IPO-norm gebaseerde formule tevens de verplichte eigen bijdrage te heffen. Inmiddels is de berekening van de bijdrage naar draagkracht aangepast. Er wordt nu gewerkt met inkomenscategorieën, met een bijbehorende draagkrachtafhankelijke bijdrage. Bij de vaststelling van de hoogte van de draagkrachtafhankelijke bijdrage is rekening gehouden met het gelijktijdig in rekening brengen van de verplichte eigen bijdrage. Dit betekent dat in deze systematiek zowel de verplichte eigen bijdrage als de draagkrachtafhankelijke bijdrage in rekening dienen te worden gebracht. Als uitgangspunt van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze geldt bekostiging op basis van het openbaar vervoer: ‘Openbaar vervoer eventueel onder begeleiding is regel en aangepast vervoer is uitzondering’. Artikel 11 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze bepaalt dat de ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken, in aanmerking kunnen komen voor bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer dan wel vervoer per fiets, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt. Het tweede lid van artikel 11 voorziet er in dat een fietsvergoeding wordt verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij dienen in overweging te worden genomen de leeftijd van de leerling, de eventuele handicap van de leerling, de veiligheid van de af te wijken route en de afstand. Ook is het mogelijk een fietsbekostiging voor bijvoorbeeld de maanden maart tot november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander passend vervoer. In overeenstemming met artikel 1, onder e, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze dient onder ‘afstand’ verstaan te worden: de afstand tussen de woning van de leerling en de te bezoeken school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg. Leerlingenvervoer naar dislocaties/nevenvestigingen Artikel 11 e.v. en artikel 15 e.v. van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze bepal

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.