Beleidsregels van het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg houdende regels voor vergunningverleningBELEIDSREGELS VERGUNNINGVERLENING WATERSCHAP ROER EN OVERMAAS 1.Inleiding 1.1 Taken en verantwoordelijkheden Het waterschap is verantwoordelijk voor de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze zorg niet uitdrukkelijk aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen (artikel 4, lid 1 van het Reglement voor Waterschap Roer en Overmaas 2008). Dit omvat de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater. Tot de zorg voor het watersysteem behoort onder andere de zorg voor de waterkering, de waterhuishouding waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Een instrument om deze taken te kunnen uitvoeren is vergunningverlening. Het waterschap is het bevoegd gezag voor het verlenen van vergunningen op grond van de Waterwet en de Keur van Waterschap Roer en Overmaas (keur). Deze beleidsregels zijn gericht op de verbodsbepalingen die zijn opgenomen in de Keur van Waterschap Roer en Overmaas. De verbodsbepalingen hebben betrekking op de waterstaatswerken zoals de primaire en secundaire wateren, de waterkeringen en het grondwater. De verbodsbepalingen in de keur zijn relatieve verboden. Dat wil zeggen dat een bepaalde handeling of activiteit niet zonder meer verboden is, maar dat afhankelijk van de aard of plaats van de activiteit er ontheffing verleend kan worden in de vorm van een vergunning. Aan de vergunningen worden voorschriften verbonden waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Door het weigeren van een vergunning of door middel van het onder voorschriften verlenen van een vergunning wordt voorkomen dat vastgestelde doelen met betrekking tot het water- en waterkeringbeheer worden gefrustreerd. Vanuit het beginsel van zorgvuldigheid, zoals dat is neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is het wenselijk dat het antwoord op de vraag of een vergunning al dan niet verleend kan worden, is af te leiden uit een vastgestelde beleidsregel. Bovendien is de kans dat een beschikking, als gevolg van een rechterlijke toetsing wegens inconsistentie (materieel motiveringsgebrek) vernietigd wordt, dan minimaal. In deze notitie zijn de beleidsregels voor de afhandeling van aanvragen voor een vergunning op grond van de keur en de Waterwet opgenomen. Het beleid betreffende grondwateronttrekkingen is in overeenstemming met de instructiebepalingen uit de Provinciale Omgevingsverordening Limburg. Een deel van de grondwateronttrekkingen blijft vergunningplichtig, een deel valt onder algemene regels. Landbouwkundige onttrekkingen vallen volledig onder de algemene regels. Op grond van artikel 4.7 van de keur kan het dagelijks bestuur verdere invulling geven aan de bepalingen van de keur door middel van algemene verboden, algemene regels en vrijstellingen. Daar waar de aanvraag niet aan de voorwaarden in de algemene regels voldoet, moet deze aan de hand van deze beleidsregels worden beoordeeld. De ge- en verbodspalingen die in de keur zijn opgenomen zijn van toepassing op de in de legger opgenomen waterstaatswerken en zoneringen zoals beschermingszone, inundatiegebied, profiel van vrije ruimte en meanderzone. De bepalingen met betrekking tot grondwater zijn van toepassing op het hele beheersgebied. 1.2 Beleidsuitgangspunten Door het waterschap is op 24 november 2009 het Waterkeringenbeheersplan 2009-2013 vastgesteld en op 29 september 2009 is het Waterbeheersplan 2010-2015 vastgesteld. Beide plannen zijn door het College van Gedeputeerde Staten van Limburg goedgekeurd. In deze plannen is geformuleerd op welke manier de waterkwantiteits-, kwaliteitszorg en de waterkeringszorg wordt vormgegeven. Het beleid dat is geformuleerd in deze plannen is mede een uitwerking van provinciaal beleid zoals dat is opgenomen in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL). In 2015 wordt het Waterbeheersplan 2016-2021 vastgesteld. Dit document is van toepassing op de oppervlaktewateren en waterkeringen. Bij het verlenen van vergunningen op grond van de Waterwet en de keur wordt primair als uitgangspunt aangehouden dat het waterstaatkundig functioneren van het watersysteem en van de waterkeringen gewaarborgd blijft. Bij iedere vergunningaanvraag wordt beoordeeld in hoeverre het gevraagde van invloed is op bijvoorbeeld het waterkerend vermogen van de waterkering, de waterafvoer of grondwaterstanden. Verder mag de kwaliteit van het water of de aan de wateren toegekende ecologische functie niet negatief worden beïnvloed. In het algemeen geldt dat nadelige effecten van het aangevraagde werk of activiteit worden vermeden dan wel niet worden toegestaan. Zijn negatieve effecten onvermijdelijk dan zullen deze gevolgen binnen het werk verzacht moeten worden. Is dit ter plaatse van het werk niet mogelijk dan worden de effecten elders gecompenseerd. De in de werken toe te passen materialen moeten voldoen aan het Besluit bodemkwaliteit. 1.3 Omgaan met beleidsregels Vergunningaanvragen moeten aan de in deze notitie opgenomen beleidsregels worden getoetst. Bij het samenstellen van de beleidsregels zijn belangen van derden in het algemeen meegewogen. Toch is het noodzakelijk om bij iedere vergunningaanvraag alle belangen individueel te beoordelen. Er kunnen hierdoor argumenten aanwezig zijn om vergunningaanvragen, ondanks dat deze voldoen aan de beleidsregels toch te weigeren. In normale gevallen behoort niet van een beleidsregel te worden afgeweken. Immers een afwijking van de beleidsregel betekent materieel een wijziging van de beleidsregel. Een dergelijke wijziging behoort uit het oogpunt van rechtszekerheid niet via een afwijking maar via een wijziging van de beleidsregel te geschieden. Een incidentele afwijking in een standaard situatie is al snel in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In bijzondere gevallen kan een afwijking van een beleidsregel noodzakelijk zijn. Indien het handelen overeenkomstig de beleidsregel in een bijzonder geval zou leiden tot nadelige of voordelige gevolgen voor een of meer belanghebbenden die onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met beleidsregel te dienen doelen, is afwijken geoorloofd en geboden. Deze afwijking moet gemotiveerd worden. Tot de bijzondere gevallen behoren onder andere werken die zijn aangebracht voordat het werk op basis van de Keur van Waterschap Roer en Overmaas vergunningplichtig werd. In deze gevallen is er sprake van een fictieve vergunning. Bij het aanpassen of formaliseren van een fictieve vergunning kan afgeweken worden van de beleidsregels. Deze afwijking moet gemotiveerd worden. 1.4 Procedures voor het verlenen van een vergunning De procedures die gevolgd kunnen worden zijn: - de eenvoudige procedure; en - de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. De eenvoudige procedure houdt in dat binnen 8 weken na het indienen van een aanvraag een besluit wordt genomen. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) houdt in dat, voordat een definitief besluit wordt genomen, gedurende 6 weken eerst een ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd. Het definitieve besluit wordt binnen 6 maanden na het indienen van de aanvraag genomen. Alle (ontwerp)besluiten worden bekend gemaakt in het Waterschapsblad op www.overheid.nl. In de volgende gevallen moet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure worden gevolgd: - het brengen van verandering in de richting, vorm, afmeting of constructie van een primair en secundair water; - het maken of wijzigen van een waterstuwend werk in primaire wateren of in het inundatiegebied; - het maken of wijzigen van een waterkering dan wel een werk in een waterkering aan te brengen of te wijzigen; - het lozen van water in een primair of secundair water, met uitzondering van lozingen van ≤ 20 m³ die vallen onder algemene regel ‘Lozen van water (inclusief het aan- en afvoeren van water) en het plaatsen, behouden, wijzigen en verwijderen van lozingsvoorzieningen’; - het onttrekken van water uit een primair water, met uitzondering van onttrekkingen met behulp van een tankwagen; - en alle activiteiten die hiervoor niet genoemd zijn, indien de aard en de omvang van de activiteit dit wenselijk maakt. In uitzonderingsgevallen (in geval van spoedeisendheid of tijdelijke activiteiten voor de hiervoor genoemde aanvragen) kan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure buiten toepassing worden gelaten. Lex silencio positivo Sinds 2009 staat in de Algemene wet bestuursrecht de lex silencio positivo (LSP). De LSP is de regel die erop neerkomt dat bij overschrijding van de beslistermijn een besluit geacht wordt te zijn genomen van rechtswege. De LSP geldt niet voor keurvergunningen. De LSP is van toepassing
(1)als dat in een regel bepaald is, of
(2)als het gaat om zogenaamde dienstenactiviteiten als bedoeld in de Dienstenwet. Er is geen regel waarin staat dat de LSP geldt voor keurvergunningen. Verder is al in 2008 geconstateerd dat de keurbepalingen niet zien op dienstenactiviteiten, maar vooral gaan over de ontwikkeling of het gebruik van land en water 2Wateren 2.1 Algemeen 2.1.1 Primaire en secundaire wateren Vanuit het waterkwantiteitsbeheer wordt er in de Keur van Waterschap Roer en Overmaas een onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en overige wateren. De primaire wateren voldoen aan de Notitie 'Taakopvatting watersysteembeheer Waterschap Roer en Overmaas' en zijn als zodanig opgenomen in de legger. De secundaire wateren voldoen niet aan de normering maar zijn wel van belang voor het functioneren van het watersysteem. Deze secundaire wateren zijn ook in de legger opgenomen. Onder overige wateren worden alle andere oppervlaktewateren bedoeld. Normen voor de indeling in primaire en secundaire wateren zijn aangegeven in de Notitie 'Taakopvatting watersysteembeheer Waterschap Roer en Overmaas'. Voor primaire wateren geldt een aantal ge- en verbodsbepalingen. Voor alle overige wateren (waaronder secundaire wateren) zijn in de keur slechts enkele verbodsbepalingen opgenomen. Deze hebben alleen betrekking op het dempen, verleggen of veranderen van deze wateren en het lozen op en onttrekken uit deze wateren. 2.1.2 Toegekende functies Naast de opsplitsing in primaire, secundaire en overige wateren is ook de aan de watergang toegekende functie van belang. De toekenning van hoofd- en nevenfuncties heeft plaatsgevonden in het Waterbeheersplan en in andere besluiten van het dagelijks bestuur. Met de toegekende functies is bij het opstellen van de beleidsregels daar waar nodig rekening gehouden. Aan een primair water is de algemeen ecologische functie of de specifiek ecologische functie toegekend. Voorbeelden van andere hoofdfuncties zijn agrarisch water en de zwemwaterfunctie. Naast de hoofdfunctie kunnen aan een water ook nog diverse nevenfuncties worden toegekend. Eén van deze nevenfuncties is de functie water in bebouwing. Hiermee vindt een splitsing plaats tussen wateren die liggen in het landelijk gebied en wateren in het stedelijk gebied. De doelstelling van het waterschap bij de inrichting en beheer van wateren met een specifiek ecologische functie is gericht op het behoud, herstel en ontwikkeling van het oorspronkelijke karakter en de ecologische en landschappelijke waarden. Wanneer ook de agrarische functie of andere nevenfuncties zijn toegekend, dan wordt inrichting en beheer primair afgestemd op de specifiek ecologische functie. De doelstelling van het waterschap bij inrichting en beheer van wateren met een algemeen ecologische functie is gericht op het behoud en veiligstellen van ecologische en landschappelijke waarden op een lager niveau dan bij de specifiek ecologische functie. Inrichting en beheer van wateren met een algemeen ecologische functie wordt mede afgestemd op de andere functies, voor zover deze de ecologische functie niet aantasten. De doelstellingen en het na te streven ecologisch niveau zijn aangegeven in het handboek 'Streefbeelden voor Natuur en Water in Limburg'. Deze streefbeelden zijn een nadere uitwerking van het project verkenning regionale watersystemen. 2.1.3 Onderhoud Omdat het waterschap het onderhoud van primaire wateren verzorgt, toetst het waterschap bij het verlenen van een vergunning de invloed van het te vergunnen werk op het onderhoud. Indien de aanwezigheid van het te vergunnen werk het onderhoud en inspecties teveel belemmert of zelfs onmogelijk maakt, dan wordt de gevraagde vergunning niet verleend. Hierbij wordt met name gedacht aan obstakels in, boven en meteen naast de watergang, Het onderhoud van een vergund werk is voor rekening en verantwoordelijkheid van de vergunninghouder. Deze is ook verantwoordelijk voor het verwijderen van drijfvuil en/of slib dat ter plaatse van het werk achter blijft. 2.1.4 Ecologie Bij de afweging of een vergunning al dan niet verleend kan worden, vindt een ecologische toetsing plaats. Belangrijk voor deze toetsing zijn de aan de watergang toegekende hoofd- en nevenfuncties. Afhankelijk van de toegekende functies worden de inrichting, beheer en onderhoud van het water afgestemd op de ecologische potenties. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid om te werken aan de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De Europese lidstaten hebben de verplichting om in 2015 (uiterlijk 2027) alle wateren in een goede ecologische en chemische toestand te hebben gebracht. Een belangrijk uitgangspunt van de KRW is ook dat de ecologische en chemische toestand niet mag verslechteren, het principe van 'geen achteruitgang'. Onder de ecologische toestand wordt nadrukkelijk ook de hydromorfologie verstaan. Om de gevolgen van werken op de hydromorfologie en de inrichting van watergangen te kunnen beoordelen, wordt daar waar mogelijk gebruik gemaakt van het Handboek Hydromorfologie en de Monitoring en afleiding hydromorfologische parameters Kaderrichtlijn Water (RWS WD Rapport 2007.006). Vismigratiebelemmeringen en andere factoren die migratie, kolonisatie en handhaving van watergebonden organismen onmogelijk maken, dan wel in sterke mate beperken (als bijvoorbeeld schaduwwerking waardoor waterplanten, welke noodzakelijk zijn voor een goed aquatisch systeem, worden beperkt in hun groei) worden niet toegestaan. Uitzondering hierop geldt indien compenserende maatregelen getroffen worden zoals vistrappen, looprichels onder bruggen en duikers en uitstapplaatsen voor dieren bij steile oevers. 2.1.5 Hydrologie Voorts worden voorgenomen ingrepen in watergangen getoetst aan hydrologische criteria. Het basisuitgangspunt is dat de hydrodynamische eigenschappen van de watergang niet verslechteren. Bouwwerken en objecten op de bodem of oevers van de watergang evenals drijvende objecten kunnen zorgen voor een wijziging in stroomsnelheid, stroomrichting, waterdiepte en afvoercapaciteit en/of de bergingscapaciteit. Een obstakel in een watergang kan leiden tot een verhoging van de stroomsnelheid. Dit kan leiden tot erosie van het onderwaterprofiel en verslechtering van de functioneel vereiste toestand. Erosie heeft instabiliteit van het talud, de oevers en eventueel de waterkering tot gevolg. Ook heeft dit invloed op de levensomstandigheden van waterorganismen (zie 2.1.4) en op het beschermingsniveau tegen wateroverlast van aangrenzende terreinen. Om het bestaande beschermingsniveau te garanderen is elke verkleining van de afvoercapaciteit en/of bergingscapaciteit van de watergang ongewenst. Ook indien het huidige beschermingsniveau hoger is dan volgens de ‘Normering regionale wateroverlast’ vereist is, zijn ingrepen die de afvoer- of bergingscapaciteit verkleinen in principe niet toegestaan. Het waterschap stelt zich namelijk tot taak deze overcapaciteit van watergangen duurzaam veilig te stellen met het oog op toekomstige ontwikkelingen. Dit kan zijn meer neerslag door klimaatverandering, grotere aanvoer van regenwater door uitbreiding of afkoppelen van stedelijk gebied of bijvoorbeeld door natuurlijke profielverkleining als gevolg van sedimentatie of begroeiing. Gevraagde vergunningen als gevolg waarvan hydrodynamische eigenschappen van de watergang verslechteren, worden in principe niet verleend. 2.1.6 Veiligheid De klimaatverandering heeft verstrekkende gevolgen voor ons land met name op het gebied van water. Bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast, droogteschade en een goede waterkwaliteit zijn zaken die inspanningen eisen. Om te kunnen voldoen aan de eisen die het waterbeheer aan ons land stelt, is op 22 december 2009 de Waterwet in werking getreden. In artikel 2.1 van de Waterwet zijn de doelstellingen geformuleerd. Deze doelstellingen zijn in onderlinge samenhang richtinggevend bij de toepassing van alle bevoegdheden en de verdere uitvoering van de Waterwet. Dit is de kern van integraal waterbeheer. Hieronder wordt niet alleen de milieukwaliteit verstaan, maar ook het kwantiteitsbeheer en de veiligheid van het gebruik van de watersystemen door de gebruikers ervan (zie memorie van toelichting van de Waterwet, artikel 2.1). Ook het waterschap is zich bewust van de klimaatverandering. Om hier goed op te kunnen anticiperen heeft het waterschap hiervoor beleid opgesteld. Dit beleid is in 2012 verwoord in de Visie waterbeheer Limburg in 2020: 'De klimaatverandering leidt tot nattere winters, drogere zomers en hevigere regenbuien. Aanhoudende depressies met veel regen leiden tot frequenter en extremer hoogwater in de Maas en de beken, waardoor het risico op wateroverlast toe neemt. De klimaatverandering vereist ingrijpende aanpassingen. Het waterschap heeft zich tot doel gesteld het beschermen van de bewoners en gebruikers van het Maasdal en het goed verdelen van het water in ruimte en tijd om overlast en schade te voorkomen.' Al enige tijd is een klimaatverandering merkbaar. Dit uit zich door langere perioden van aanhoudende droogte, grotere neerslagsommen in natte perioden en een toename van hevige neerslaggebeurtenissen en extremere neerslagintensiteiten. In Nederland is de jaarlijkse neerslag vanaf 1906 toegenomen met 18 procent. Dit komt vooral voor rekening van de winter en de herfst met in beide seizoenen 26 procent meer neerslag (KNMI, 2011). Uit neerslagmetingen in Herwijnen blijkt bij vergelijking van de periode 1970-1999 met 2000-2011 dat de herhalingstijd van buien van gelijke intensiteit met een factor 10 is afgenomen. Buien met een intensiteit van 60 mm/uur komen gemiddeld 10 keer zo vaak voor als voorheen. Bovendien worden de buien met eenzelfde herhalingstijd intenser. De grotere neerslagsommen en -pieken leiden tot een grotere belasting van het afwateringsstelsel en de beeksystemen. De kans dat de normafvoeren waarop de beken zijn gedimensioneerd om wateroverlast te voorkomen worden overschreden, neemt toe. Het beschermingsniveau neemt daarmee af. Dit maakt het extra belangrijk om de eventuele overcapaciteit van beken te reserveren voor klimaateffecten. Naast het watersysteem is het de taak van het waterschap te zorgen voor de veiligheid van de burgers; dus ook van woonbooteigenaren. Gezien de beschreven ontwikkelingen kan het waterschap de veiligheid van woonbooteigenaren niet voldoende garanderen. Om vorenstaande redenen zullen voor activiteiten en werken (inclusief woonboten) op, in en boven de beken die de afvoer belemmeren en welke niet direct voor het functioneren van het watersysteem benodigd zijn, geen toestemmingen meer worden verleend. Sterker nog zal een sanering van bestaande situaties moeten plaatsvinden. Specificering hydrologische criteria Roer en Hambeek De gemiddelde afvoer van de Roer bedraagt ca. 23 m³/s. De maatgevende afvoer (herhalingstijd 1:100, tevens wettelijk beschermingsniveau stedelijk gebied) bedraagt ca. 170 m³/s. Op basis van de voorziene klimaatverandering zullen op termijn de maatgevende afvoeren hoger worden. Voor het AMICE1 project zijn scenario’s opgesteld voor hoogwatersituaties bij de natte klimaatscenario’s (Drogue, et al., 2010). Voor de periode 2021-2050 is de verwachting dat de maatgevende afvoer van 1x per 100 jaar toeneemt naar ca. 173 m³/s. In de periode daarna is toename tot 187 m3/s te verwachten. Uit berekeningen blijkt dat de huidige afvoercapaciteit van de Hambeek 180 m³/s bedraagt. De actuele overcapaciteit is nog maar zeer beperkt. Het waterschap streeft ernaar om maximaal gebruik te kunnen maken van de afvoercapaciteit van de beken. Met name voor de Hambeek is dit van groot belang omdat in maatgevende situaties nagenoeg de volledige afvoer van de Roer via de Hambeek moet kunnen worden afgevoerd. Bij 'falen' van de Hambeek kan grote wateroverlast optreden in Roermond. Dit betekent dat er geen ruimte is voor obstakels die de afvoer beperken c.q. de maatgevende waterstanden verhogen. Als obstakels kunnen onder andere worden gezien de woonboten in de Hambeek. Niet alleen zijn de woonboten zelf zijn een obstakel, maar door het invangen van meedrijvende voorwerpen (waaronder boomstammen en takken) zal de impact van het obstakel alleen maar groter worden. Bij lage en gemiddelde afvoeren is de stroomsnelheid in de Hambeek laag (0,05-0,20 m/s). Bij hoge afvoeren kan dit echter sterk oplopen tot waarden van 1-1,5 m³/s. Deze treden vooral op bij een hoge Roerafvoer en relatief lage Maaswaterstanden. Bij zeer extreme omstandigheden (bijvoorbeeld 290 m³/
- s)kan de stroomsnelheid oplopen tot boven de 1,5 m/s. Hierbij bestaat het risico dat grotere en zwaardere obstakels worden los gesleurd en meegevoerd. Tevens bestaat het risico, zeker bij hoogwatersituaties, dat meedrijvende obstakels de woonboten zodanig beschadigen dat deze zinken. Hiermee komt niet alleen de veiligheid van burgers (op woonboten) in het gedrang, maar ontstaat een nog groter obstakel welke de kans op het falen van het watersysteem alleen nog maar groter maakt. Dit levert een te groot risico voor het functioneren van het watersysteem. Om vorenstaande redenen zullen voor activiteiten en werken op en in de beken waarvoor geldt dat de activiteit en het werk niet direct noodzakelijk zijn voor het functioneren van het watersysteem, geen toestemmingen meer worden verleend. Verleende vergunningen zullen worden met een overbruggingstermijn (van 2 tot 5 jaar) worden ingetrokken. 1 AMICE staat voor Adaption of the Meuse to the Impacts of Climate Evolutions. AMICE is een interreg-project waarin de invloed van klimaatveranderingen op het Maasbassin zijn onderzocht. 2.1.7 Verboden Voor een aantal verboden dat in de keur wordt genoemd, verleent het waterschap in principe geen vergunning, tenzij deze zaken onderdeel uit maken van een ander werk (bijvoorbeeld leggen van kabels of bouwactiviteiten). Het betreft de volgende verboden: - werken te verrichten waaronder ploegen, spitten of graven in een primair water of waterkering (artikel 4.1, lid 1, onder a van de keur); - maaien of op andere wijze verwijderen van vegetatie in of bij een primaire water of op of bij een waterkering (artikel 4.1, lid 1, onder a en b van de keur); - verwijderen van taludverdedigende beplantingen en/of materialen bij een primair water of waterkering (artikel 4.1, lid 1, onder a en b van de keur); en - maken van ophogingen binnen het profiel van een primair water (artikel 4.1, lid 1, onder c van de keur). 2.2 Oeververdediging Algemeen Met oeververdediging worden materialen bedoeld tot verdediging van oever, talud of waterbodem. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (bouw)werken, drijvende werken of opgaande houtbeplanting te plaatsen, te behouden dan wel te verwijderen (artikel 4.1, lid 1, onder b). Werken is een breed begrip waaronder ook een oeververdediging valt. Toepassingsgebied Het verbod geldt voor alle primaire wateren die zijn opgenomen in de legger van Waterschap Roer en Overmaas. Overige wet- en regelgeving en beleid Besluit bodemkwaliteit (het toepassen van niet-uitloogbare materialen). Afweging Een oeververdediging moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Bij watergangen met een specifiek ecologische functie is een oeververdediging niet wenselijk in verband met het ecologisch functioneren van deze watergang. Bij vrij meanderende watergangen is een oeververdediging niet gewenst omdat hierdoor de oevers worden vastgelegd. Alleen als er sprake is van (dreigende) aantasting van hoogwaardige infrastructuur kan een oeververdediging worden toegestaan. Verder wil het waterschap met deze beleidsregel voorkomen dat er een wildgroei aan oeververdedigingen ontstaat. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen In onderstaand schema is aangegeven wanneer het waterschap een vergunning kan verlenen. Oeververdediging Constructie-eisen Is oeververdediging noodzakelijk dan zal de lichtst mogelijke constructie toegepast moeten worden. Oeververdediging waarbij men stampbeton toepast, moet zoveel mogelijk worden voorkomen. De volgende materialen kunnen worden toegepast: - betuining (vlechtwerk van wilgentakken); - stapelzoden; - beplanting van het talud; - stapelstenen (Ardennergres) - stortsteen/Maaskeien; - stortsteen/Maaskeien op filterdoek; en - stortsteen/Maaskeien gezet in stampbeton. Het type steen dat gebruikt moet worden, is afhankelijk van de omgeving. In het algemeen wordt stapelwerk van Ardennergres voorgeschreven. In het Maasdal kunnen ook Maaskeien worden toegepast. Uitzondering op de te gebruiken materialen is mogelijk als toepassing van de hierboven genoemde constructies in verband met plaatselijke omstandigheden niet mogelijk is. Hierbij moet worden gedacht aan grote lozingen waarbij de bovengenoemde constructies onvoldoende zijn om de oever te beschermen. Normeisen n.v.t. Onderhoudseisen Het onderhoud van de oeververdediging is voor rekening en verantwoordelijkheid van de vergunninghouder. Algemene criteria Een aantal primaire wateren (waaronder de Geul te Valkenburg en de Jeker te Maastricht) is voorzien van gemetselde of betonnen kademuren. Uitbreiding van deze keermuren wordt in principe niet toegestaan. Wanneer bij het realiseren van een tijdelijk werk (bijvoorbeeld kabel- of leidingsleuf door middel van open ontgraving) een tijdelijke oeververdediging nodig is dan mogen hiervoor tijdelijk stapelzoden of stortsteen / Maaskeien worden gebruikt. Dit geldt ook voor meanderende oppervlaktewaterlichamen. Toelichting De beoordeling van oeververdediging bij bijvoorbeeld duikers lozingswerken, bruggen e.d. wordt meegenomen bij de beoordeling van het werk. Voor de keuze van de toe te passen materialen wordt verwezen naar deze beleidsregel. 2.3 Kabels en leidingen Algemeen Begripsbepaling Met deze beleidsregel worden alle kabels en leidingen ongeacht diameter of functie bedoeld. Deze beleidsregel wordt in samenhang met de algemene regels kabels en beschouwd. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (bouw)werken, drijvende werken of opgaande houtbeplanting te plaatsen, te behouden dan wel te verwijderen (artikel 4.1, lid 1, onder b). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in de beschermingszones graafwerkzaamheden te verrichten (artikel 4.1, lid 2, onder a). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in de meanderzones leidingen of kabels te leggen, te hebben, te herstellen, te wijzigen, te vernieuwen of op te ruimen (artikel 4.1, lid 3, onder b). Werken is een breed begrip waaronder ook kabels en leidingen vallen. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle primaire wateren inclusief beschermingszone en meanderzone zoals deze zijn opgenomen op de legger van Waterschap Roer en Overmaas. Overige wet- en regelgeving en beleid Bij besluit van 14 december 2009 (Algemene regels realiseren kabels- en leidingenkruisingen) geldt deze verbodsbepaling niet zolang wordt voldaan aan de algemene voorschriften die bij het voornoemde besluit horen. Afweging De leidingkruisingen waarop de algemene regel niet van toepassing is, betreffen de kruisingen met een grote diameter, kruisingen met grotere watergangen als deze doormiddel van een open ontgraving worden gerealiseerd, of waar de watergang ligt in een meanderzone. Bij de grotere watergangen is niet zozeer de kabel of leiding maar de uitvoeringsmethode voor het leggen van de kabel of leiding bepalend. Veelal leidt dit tot het stellen van aanvullende voorwaarden. Ook is een aantal van de grotere watergangen voorzien van kademuren. In die gevallen kan het belangrijk zijn om, afhankelijk van de constructie van de kademuur, nadere eisen aan de ligging van de leiding te stellen. Bij meanderende watergangen zal de ligging van de watergang in de tijd veranderen. Om te zorgen dat de leiding niet wordt bloot gespoeld door het meanderen van de watergangen, stelt het waterschap nadere eisen aan de (diepte) ligging van de leiding. Hierbij kan een afweging worden gemaakt tussen economische levensduur en de snelheid van meanderen van de betreffende watergang. De leidingbeheerder en het waterschap beoordelen samen het risico van blootspoelen dat gelopen mag worden. Het waterschap schrijft uiteindelijk voor welke afstand wordt gehanteerd. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen Om de gevolgen voor onderhoud en het gebruik van een watergang zoveel mogelijk te beperken, wordt de leidingkruising bij voorkeur in de nabijheid van een duiker of een brug gerealiseerd. Langsliggingen van kabels en/of leidingen kunnen zowel gelegd worden in de onderhoudsstrook als in de beschermingszone. Langsliggingen in de onderhoudsstrook worden in principe niet toegestaan. Er mogen alleen kabels en/of leidingen in de onderhoudsstrook worden gelegd als men kan aantonen dat een ander tracé technisch en/of financieel niet mogelijk is. Ook blijft de andere zijde van de watergang volledig vrij van obstakels en mag een eventuele herinrichting niet worden gefrustreerd. Daar waar de watergang parallel aan een weg of kabel/leidingenstrook ligt, kan hiervan worden afgeweken. Uitgangspunt is dat de kabel/leiding op een zo groot mogelijke afstand van de watergang of in de leidingenstrook wordt gelegd. Constructie-eisen Niet de kabel of leiding maar veelal de uitvoeringsmethode voor het leggen van de leiding leidt tot aanvullende voorwaarden. Open ontgraving Indien tijdens de uitvoering van de werken (in de niet vrijgestelde watergangen) een tijdelijke hulpconstructie bestaande uit een stalen damwandkuip, voorzien van de nodige stel- en/of afstutramen wordt aangebracht, reikt de onderkant van de damwand minimaal tot 3,00 meter onder de bodem van de zinker. De damwandelementen worden door middel van heien of trillen aangebracht. De damwandkuip moet aan weerszijden minimaal 1,50 meter langer zijn dan de zinkereinden. De damwanden mogen maximaal 0,20 meter boven de (opgeschoonde) bodem en maximaal 0,50 meter boven de taluds worden aangebracht. Nadat de zinker is gelegd, moet de sleuf in lagen van 0,30 meter worden gevuld en elke laag wordt afzonderlijk verdicht. De bodem en taluds wordt ter breedte van de sleuf hersteld met stortsteen (10 tot 40 kg). Daarna moeten de taluds worden afgedekt met teelaarde en ingezaaid worden met een grasbermmengsel. Over de breedte van de sleuf worden de taluds met stapelzoden hersteld. Persing De afstand van de insteek van de watergang tot aan de tijdelijke bouwput, voor de boring, bedraagt minimaal 2 meter. Gestuurde boring De afstand van de insteek van de watergang tot aan het intrede en uittredepunt van de boring bedraagt minimaal 2 meter. De spoeldruk is zodanig dat er geen bentonietspoeling ter plaatse van de bodem, taluds en onderhoudspad van de watergang uittreedt. Normeisen De afstanden vanaf de bovenkant van de kabel of leiding tot aan de bodem en taluds bedragen minimaal 1,50 meter respectievelijk 2,50 meter. Bij watergangen met een meanderzone wordt voor de afstandsbepaling van de leiding tot aan het talud een afweging gemaakt tussen meandersnelheid en economische levensduur van de leiding. Onderhoudseisen Het onderhoud van de kabel of leiding is voor rekening en verantwoordelijkheid van de vergunninghouder. Algemene criteria Bij meanderende watergangen geldt dat voor de bescherming van kabels en/of leidingen de oever en of de bodem niet mag worden vastgelegd. Dit heeft als consequentie dat als het meanderingsproces zover gevorderd is dat de ligging van de kabel en/of leiding niet meer aan de genoemde afstand voldoet, deze door en op kosten van de leidingbeheerder verlegd moet worden. Dit laatste wordt als voorschrift in de vergunning opgenomen. Toelichting n.v.t. 2.4 Duikers en bruggen Algemeen Begripsbepaling Met duikers of bruggen worden voorzieningen bedoeld om een watergang te kunnen kruisen. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (bouw)werken, drijvende werken of opgaande houtbeplanting te plaatsen, te behouden dan wel te verwijderen (artikel 4.1, lid 1, onder b). Werken is een breed begrip waaronder ook een duiker of brug valt. Toepassingsgebied Het verbod geldt voor alle wateren die zijn opgenomen op de legger van Waterschap Roer en Overmaas. Overige wet- en regelgeving en beleid Besluit bodemkwaliteit (het toepassen van niet-uitloogbare materialen). Afweging Bij het beoordelen van een aanvraag om een vergunning voor een duiker of een brug spelen de volgende afwegingen een rol: - noodzaak tot het aanleggen van een duiker of een brug; en - afmetingen van de duiker of een brug. Een duiker of een brug vormt een belemmering bij het onderhoud van een primair water. Bij het verstopt raken van een duiker kan deze opstuwing veroorzaken waardoor bovenstrooms wateroverlast kan op treden. Bij een brug kan opstuwing optreden door het verzamelen van drijfvuil tegen een pijler van een brug. Bij een toename van het aantal duikers of bruggen neemt de kans op opstuwing toe. Ook zullen de onderhoudskosten voor het waterschap hoger zijn naarmate er meer duikers en/of bruggen in een watergang aanwezig zullen zijn. Daarom blijft het aantal duikers en bruggen beperkt. Voor het ecologisch functioneren van een primair water kan het noodzakelijk zijn dat een duiker of een brug ecologisch passeerbaar is en er daarvoor aanvullende voorzieningen nodig zijn. De noodzaak van deze voorzieningen worden van geval tot geval beoordeeld. Deze voorzieningen worden in ieder geval voorgeschreven als er sprake is van ecologische verbindingszones zoals die zijn aangegeven in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen Bij de vergunningverlening van een duiker of brug wordt de ecologische passeerbaarheid gewaarborgd. Afhankelijk van de watergang en de situatie worden hiertoe maatregelen voorgeschreven. Deze maatregelen kunnen variëren van een aparte ecopassage tot het verdiept aanleggen van de duiker (hierbij zal zich een sliblaag op de bodem van de duiker afzetten). Wanneer de duiker of de brug wordt gelegd in een primair water waarvoor ook een meanderzone geldt dan moet de duiker worden verplaatst indien dit noodzakelijk wordt door de meandering. Dit is echter niet van toepassing als de duiker of de brug onderdeel uit maakt van een weg die wordt beschouwd als hoogwaardige infrastructuur. Constructie-eisen De landhoofden van de brug liggen buiten de insteek van de watergang tenzij: - het profiel van de watergang ten opzichte van de maatgevende afvoer overgedimensioneerd is; en - in de toekomst geen toename van de afvoer wordt verwacht. In principe worden er geen pijlers in het stroomvoerend profiel van de watergang toegestaan. Normeisen Per perceel wordt maximaal 1 duiker of brug toegestaan. Bij percelen die over een afstand van meer dan 250 meter grenzen aan een primair water kunnen 2 of meer duikers en/of bruggen worden toegestaan. De minimale afstand tussen de duikers en/of bruggen moet dan minimaal 250 meter bedragen. De diameter van een duiker is afhankelijk van de maatgevende afvoer van de watergang. Met behulp van de maatgevende afvoer kan de minimale diameter berekend worden. Om de kans op verstopping door drijfvuil te voorkomen, bezit de duiker een minimale diameter van 0,50 meter. Bij bronbeken met een geringe afvoer kan worden volstaan met een duiker met een diameter van minimaal 300 millimeter. De lengte van een duiker mag niet langer zijn dan strikt noodzakelijk voor het doel. De duiker wordt waterpas of evenwijdig aan het bodemverhang gelegd. De duiker wordt met een overdiepte van 0,10 meter gelegd. De binnenonderkant (vloeivlak) van de duiker komt dan lager te liggen dan de normale vaste bodem van de watergang. Hiervan kan worden afgeweken als het bovenstroomse gedeelte van de watergang moet/kan functioneren als buffer. Daarnaast kan bij een dubbele duiker de tweede duiker hoger worden gelegd. De normale afvoer kan dan worden afgevoerd door de duiker die op bodemhoogte ligt. Bij piekafvoeren wordt de tweede duiker ook gebruikt voor de waterafvoer. De hoogte van een brug ten opzichte van de bodem is afhankelijk van de maatgevende afvoer van de watergang. Met behulp van de maatgevende afvoer en het profiel van de watergang kan de minimale afmeting berekend worden. Daarnaast ligt de onderkant van de brugconstructie minimaal 0,50 meter boven de hoogwaterlijn zodat er tijdens hoogwater zich geen drijfvuil kan verzamelen bij de brug. Onderhoudseisen Het onderhoud van de duiker of brug is voor rekening en verantwoordelijkheid van de vergunninghouder. Algemene criteria Zodra er bij een duiker of brug een talud een bodemverdediging noodzakelijk is, wordt deze getoetst aan de beleidsregels oeververdediging. Er wordt geen aparte vergunning voor de oeververdediging verleend. Eventuele voorschriften worden meegenomen in de vergunning voor de duiker of de brug. Toelichting Naast een berekening kan de diameter van de duiker ook worden bepaald aan de hand van de diameter van de boven- en benedenstrooms gelegen duikers. Een bijzondere vorm van een duiker is een overkluizing. Overkluizingen zijn onder meer duikers die worden gebruikt om ruimte te winnen voor andere gebruiksfuncties (zoals bebouwing of parkeerterrein) of duikers die liggen in de lengterichting van een weg. In het Waterbeheersplan is over overkluizingen opgenomen dat waar mogelijk de overkluizing van een watergang opgeheven moet worden. Nieuwe overkluizingen worden niet toegestaan. 2.5 Ophogingen Algemeen Begripsbepaling Met ophogingen worden grondaanvullingen bedoeld. Dit kan zijn in de vorm van een aarde wal of bijvoorbeeld het ophogen van het maaiveld. Maar ook kan een ophoging binnen de watergang plaatsvinden (het geheel of gedeeltelijk dempen van een primair of secundair water). Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (bouw)werken, drijvende werken of opgaande houtbeplanting te plaatsen, te behouden dan wel te verwijderen (artikel 4.1, lid 1, onder b). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur secundaire wateren van richting, vorm, afmeting of constructie te veranderen respectievelijk wateren met elkaar in verbinding te brengen of wateren geheel of gedeeltelijk te dempen (artikel 4.1, lid 7). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in inundatiegebieden daarin ophogingen te maken of te verwijderen (artikel 4.1, lid 5, onder a). Toepassingsgebied Het verbod geldt voor alle primaire en secundaire wateren en de bijbehorende en inundatiezones die zijn opgenomen op de legger van Waterschap van Roer en Overmaas. Overige wet- en regelgeving en beleid Besluit bodemkwaliteit (het toepassen van niet-uitloogbare materialen). Afweging Een ophoging kan geheel of gedeeltelijk liggen op een of meer van de volgende plaatsen: - in een primair water (inclusief eventuele onderhoudsstrook); - in een secundair water; en - in het inundatiegebied. Primair water Een ophoging binnen het watervoerend profiel van een primair water wordt niet toegestaan. Uitzondering hierop zijn profielverkleiningen die onderdeel uit maken van een reconstructie van een primair water. Voor het al dan niet toestaan van een reconstructie wordt verwezen naar het beleid omschreven onder de § verleggen (§ 2.9). Voor ophogingen van een onderhoudsstrook kan afhankelijk van de situatie een vergunning worden verleend. Ophoging wordt alleen toegestaan als het onderhoud niet bemoeilijkt wordt en/of er ter plekke geen waardevolle vegetatie aanwezig is. Secundair water In het algemeen geldt dat de watergang aan zijn functie moet kunnen blijven voldoen. Een ophoging binnen het watervoerend profiel van een secundair water wordt niet toegestaan. Uitzondering hierop zijn profielverkleiningen die onderdeel uit maken van een reconstructie van een secundair water. Voor het al dan niet toestaan van een reconstructie wordt verwezen naar het beleid omschreven onder de § verleggen (§ 2.9). Inundatiegebied Ophogingen binnen een inundatiegebied zijn niet toegestaan, met uitzondering van waterkeringen. Alleen ophogingen die redelijkerwijs niet buiten het inundatiegebied gerealiseerd kunnen worden en er tevens sprake is van een zwaarwegend belang, kunnen onder voorwaarden worden toegestaan. Voorwaarde hierbij is wel dat de situering en uitvoering zodanig is dat de waterstandverhoging zo gering mogelijk is en de waterstandverhogende effecten en de afname van waterberging duurzaam worden gecompenseerd. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen n.v.t. Constructie-eisen n.v.t. Normeisen n.v.t. Onderhoudseisen n.v.t. Algemene criteria n.v.t. Toelichting n.v.t. 2.6 Lozingen Algemeen Begripsbepaling Met lozingen wordt het lozen van water (in de kwantitatieve zin) in een oppervlaktewater bedoeld. Een lozing bestaat uit een lozingswerk en de lozing zelf. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur water te lozen in een primair of secundaire water (artikel 4.5, lid 1 onder a). Met betrekking tot de lozingsvoorziening geldt het volgende: Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (bouw)werken, drijvende werken of opgaande houtbeplanting te plaatsen, te behouden dan wel te verwijderen (artikel 4.1, lid 1, onder
- b)Toepassingsgebied Het lozen van water in alle primaire en secundaire wateren is verboden zonder vergunning van het bestuur met uitzondering van lozingen van maximaal 20 m³ per uur in primaire en secundaire wateren die niet zijn gemarkeerd op de bij deze beleidsregels behorende kaart (O03-1102). Het maken van lozingsvoorzieningen is verboden in alle primaire wateren die zijn opgenomen op de legger van Waterschap Roer en Overmaas. Overige wet- en regelgeving en beleid - Waterwet (waterkwaliteit); - Wet milieubeheer (waterkwaliteit); - Wabo (waterkwaliteit); - Activiteitenbesluit (waterkwaliteit binnen inrichtingen); - Besluit lozen buiten inrichtingen (waterkwaliteit buiten inrichtingen); - Besluit lozing huishoudelijk afvalwater (waterkwaliteit door huishoudens); - Besluit bodemkwaliteit (het toepassen van niet-uitloogbare materialen bij lozingsvoorzieningen); - Algemene regels lozen van water (inclusief het aan- en afvoeren van water) en het plaatsen, behouden, wijzigen en verwijderen van lozingsvoorzieningen. Afweging Een lozing op primaire en secundaire wateren is vergunningplichtig op grond van de keur. Er zijn twee soorten lozingen: - statische lozingen; en - dynamische lozingen. Een statische lozing heeft een vast debiet bij een eventuele vastgestelde lozingsperiode, bijvoorbeeld lozingen van bronneringswater Onder dynamische lozingen worden niet constante lozingen verstaan, bijvoorbeeld het afkoppelen van hemelwater of de leegloop van regenwaterbuffers. Bij deze lozingen is de piekbelasting bepalend. De piekbelasting wordt bepaald door de bui-intensiteit. In het kader van de WB21 (Waterbeheer 21e eeuw) wordt bij hemelwaterlozingen de trits bergen-vasthouden-afvoeren gehanteerd. Dit betekent dat het water zoveel mogelijk op het eigen terrein moet worden verwerkt. Dit kan door middel van infiltratie en/of het bergen van water. Overstortwater wordt vanuit milieukundig oogpunt niet geïnfiltreerd. De berging kan een gedoseerde leegloop naar een oppervlaktewater hebben. Daar waar bij bestaande verhardingen niet voldoende ruimte voor berging kan worden gecreëerd of waar infiltratie niet mogelijk is, geldt dat de afvoercapaciteit van de beek bepaalt hoeveel water er geloosd kan en mag worden. Bij nieuwe projecten geldt altijd dat er voldoende berging (al dan niet met infiltratie) wordt gerealiseerd. Het maken van een lozingswerk is ook vergunningplichtig op grond van de keur. Aan het lozingswerk worden constructie-eisen gesteld ter bescherming van het oppervlaktewatersysteem. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen Op de meeste oppervlaktewateren mag worden geloosd. Dit geldt niet voor bronnen en bronlopen die zijn aangegeven de bij deze beleidsregel behorende kaart. Voor zowel de dynamische als de statische lozingen geldt dat de piekbelasting zo minimaal mogelijk moet zijn om verstoring van het waterecosysteem tegen te gaan en om wateroverlast te voorkomen. Mocht de lozing niet wenselijk zijn, kan de vergunning niet worden verleend en zal samen met de aanvrager worden gezocht naar een alternatieve oplossing, bijvoorbeeld het reduceren van de lozingshoeveelheden. Constructie-eisen De constructie van een lozingswerk wordt getoetst aan de beleidsregels oeververdediging. Wanneer het lozingswerk ligt in een watergang met een meanderzone dan mag alleen een tijdelijke oeverbescherming worden toegepast. Als door meandering van een watergang de lozingsbuis bloot komt te liggen dan wordt deze door de vergunninghouder ingekort of wordt de oever hersteld. Bij de leegloop van bergingsvoorzieningen is de afvoer relatief laag. Een goede manier om deze afvoer te regelen is door het gebruik van een wervelventiel aan de uitstroomzijde. Andere voorzieningen waarbij het debiet nauwkeurig te regelen is, kunnen ook worden toegestaan. Ook bij relatief lage lozingshoeveelheden bij gedoseerde lozingen zal er zorgvuldig naar het lozingswerk moeten worden gekeken. Normeisen Voor de dynamische buien wordt uitgegaan van een regenbui met een herhalingskans van 1 x per 25 jaar, 35 mm in 45 minuten (zie Notitie 'Hydrologische uitgangspunten ten behoeve van het ontwerpen en dimensioneren van waterschapswerken'). De infiltratievoorziening, berging of een combinatie van beide, moet voldoende capaciteit hebben om deze bui te bergen of te verwerken. Het streven is om de berging of de infiltratievoorziening binnen 24 uur weer volledig beschikbaar te hebben voor het bergen van een nieuwe bui. Een eventuele noodoverloop van een berging, voor situaties extremer dan T = 25, wordt als calamiteiten overlaat (incidentele lozing) beschouwd. Het is niet mogelijk hier lozingshoeveelheden voor te bepalen, een vergunning op grond van de Waterwet of de keur is hiervoor niet nodig. Wel moeten de gevolgen van een bui met een herhalingskans van 1 x per 100 jaar in beeld worden gebracht (45 mm in 30 minuten). In het onderstaand stroomschema is aangegeven welke stappen er gevolgd moeten worden. Lozing van een riooloverstortwater is een dynamische lozing. De te lozen hoeveelheden worden met een bui 8 (Leidraad Rioleringen) berekend. Van belang hierbij is de piekbelasting en de totale overstort in hoeveelheid en tijd. Afhankelijk van de plaatselijke situatie kunnen aanvullende gegevens worden gevraagd (neerslagafvoerberekeningen) om inzicht te krijgen in de afvoerhoeveelheden van het verhard / bebouwd gebied. Dit geldt ook voor rioleringsberekeningen bij riooloverstorten. Onderhoudseisen De vergunninghouder van het lozingswerk is verantwoordelijk voor het onderhoud van het werk. Mocht er als gevolg van de lozing onderhoudswerkzaamheden aan de watergang of regenwaterbuffer nodig zijn, is de vergunninghouder van de lozing hiervoor verantwoordelijk. Hetzelfde geldt voor aanvullend onderhoud aan deze objecten. Algemene criteria In de vergunningaanvraag moet minimaal worden opgenomen waar de lozing plaatsvindt (situatieschets), waar het water eventueel geborgen of geïnfiltreerd wordt, hoe groot het afwaterend oppervlakte is en hoe groot de lozingshoeveelheid (leegloop) van de berging is. Als er maatgevende drempelhoogtes worden toegepast, worden deze hoogtes ook in de vergunning vermeld, evenals het gebruik van een terugslagklep. Toelichting De voorkeur gaat uit naar het infiltreren van het water. Omdat infiltratie niet overal volledig mogelijk is, is het aan de vergunningaanvrager om een pakket van maatregelen samen te stellen om een bui met een herhalingskans van 1 X 25 jaar te verwerken. Deze maatregelen kunnen bijvoorbeeld zijn het gedeeltelijk infiltreren en gedeeltelijk bergen van water. Kwaliteitsaspect Het kwaliteitsaspect van het te lozen hemelwater wordt niet beoordeeld met deze beleidsregel. Dit is opgenomen in de Waterwet, de Wabo, de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit (lozen vanuit een inrichting) en het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi) en het Besluit lozing afwater huishoudens. 2.7 Onttrekkingen Algemeen Begripsbepaling Met onttrekkingen wordt het onttrekken van water aan een oppervlaktewater bedoeld. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur water te onttrekken aan een primair water (artikel 4.5, lid 1 onder b). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur water te onttrekken aan een secundair water voor zover bedoelde onttrekking middellijk dan wel onmiddellijk van invloed is op de hoedanigheid van een primair water (artikel 4.5, lid 1 onder c). Met betrekking tot de onttrekkingsvoorziening geldt het volgende: het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (bouw)werken, drijvende werken of opgaande houtbeplanting te plaatsen, te behouden dan wel te verwijderen (artikel 4.1, lid 1, onder b). Toepassingsgebied Het verbod geldt voor alle primaire wateren en voor alle secundaire wateren voor zover de onttrekking invloed heeft op een primair water. Overige wet- en regelgeving en beleid Op het gebied van onttrekkingen bestaan de volgende notities: - Notitie onttrekkingen (vastgesteld door het dagelijks bestuur (DB) op 1 juni 1992); - Evaluatie beleid onttrekkingen uit oppervlaktewater (vastgesteld door DB op 30 januari 1995); - Notitie onttrekkingen 1996 (vastgesteld door DB op 6 mei 1996); - Notitie industriële onttrekkingen (vastgesteld door DB op 17 juni 2002). - Algemene regels onttrekken van water met behulp van een tankwagen (vastgesteld door het DB op 20 mei 2014). Afweging In het Provinciale Omgevingsplan Limburg (POL) wordt aangegeven dat met het oog op bescherming en herstel van het watersysteem grondwater primair voor hoogwaardige doeleinden gereserveerd moet worden. Voor laagwaardige toepassingen wordt ingezet op alternatieven die passen binnen een veerkrachtig watersysteem. Een alternatief voor het gebruik van grondwater is het gebruik van oppervlaktewater. Aanvragen hiervoor worden in principe positief benaderd. Hierbij worden ook de belangen die samenhangen met het oppervlaktewater en de daaraan toegekende functies zorgvuldig meegenomen bij een afweging. Bij onttrekkingen wordt gekeken naar de te onttrekken hoeveelheden water in combinatie met de beschikbaarheid, wateraanvoer in de betreffende oppervlaktewaterlichaam. In het algemeen heeft er een toetsing plaatsgevonden en is per watergang of stroomgebied aangegeven waar en met welk doel er onttrokken kan worden Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen In onderstaande tabel is aangegeven in welke situaties c.q. voor welke oppervlaktewateren een vergunning verleend kan worden. In die gevallen dat er vermeld wordt dat 'eventueel' een vergunning verleend kan worden, houdt dit in dat het al dan niet verlenen van een vergunning van geval tot geval beoordeeld moet worden. Stroomgebied Watergang Grasland/ Sport-velden Akker-bouw Tuinbouw Groente-teelt Nachtvorst beregening Maasnielderbeek alle watergangen nee nee Nee eventueel Roer Roer ja ja Ja ja Schuttecampsgraaf nee ja Ja ja Broekbeek nee ja ja ja Overige watergangen nee nee nee eventueel Vlootbeek alle watergangen nee nee ja ja Middelsgraaf Middelsgraaf nee nee nee eventueel overige watergangen nee nee nee nee Rode Beek Rode Beek nee nee nee eventueel overige watergangen nee nee nee nee Geleenbeek Geleenbeek bovenloop nee nee nee ja Geleenbeek benedenloop eventueel eventueel eventueel ja Vloedgraaf eventueel eventueel eventueel ja overige watergangen nee nee nee eventueel Kingbeek alle watergangen nee nee nee nee Ur alle watergangen nee nee nee nee Hemelbeek alle watergangen nee nee nee nee Geul Geul eventueel eventueel eventueel ja overige watergangen nee nee nee eventueel Eyserbeek Eyserbeek nee nee nee eventueel overige watergangen nee nee nee nee Selzerbeek Selzerbeek nee nee nee eventueel overige watergangen nee nee nee nee Gulp Gulp nee nee nee ja overige watergangen nee nee nee eventueel Sibbersloot alle watergangen nee nee nee nee Voer alle watergangen nee nee ja ja Jeker Jeker ja ja ja ja overige watergangen nee nee nee nee Zouw alle watergangen nee nee nee nee Worm Worm ja ja ja ja overige watergangen nee eventueel eventueel eventueel Tankwagens Onttrekking van water met behulp van tankwagens gebeurt voor diverse doeleinden, waaronder: - beregening van sportvelden; - watergift aan plantsoenen; - veedrenking; en - doorspoelen van rioleringen. Het is uit oogpunt van handhaving en doelmatig beheer wenselijk om het onttrekken van water met een tankwagen zoveel mogelijk te concentreren. Er is dan ook gekozen voor een aantal vaste locaties waar met behulp van een tankwagen water onttrokken mag worden (zie kaart behorende bij deze beleidsregel). Uitzondering hierop kan gemaakt worden bij onttrekken voor het drenken van vee indien het onttrekkingspunt direct grenst aan een landbouwkundig perceel. Industriële onttrekkingen Voor industriële onttrekkingen uit oppervlaktewater wordt verwezen naar de Notitie onttrekkingen (vastgesteld door algemeen bestuur op 17 juni 2002). Constructie-eisen n.v.t. Normeisen n.v.t. Onderhoudseisen n.v.t. Algemene criteria Onttrekking door middel van een veedrenkingpomp zijn niet vergunningplichtig. Doorpompen van water Tijdens uitvoering van werken in en rondom een oppervlaktewater kan het noodzakelijk zijn dat de watergang (gedeeltelijk) drooggelegd moet worden. Om toch de waterafvoer te garanderen, kan gebruik worden gemaakt van een mobiele pomp. In deze gevallen is er sprake van het onttrekken en direct weer lozen van water. Een vergunning hiervoor kan te allen tijde worden verleend. Toelichting n.v.t. 2.8 Verleggen Algemeen Begripsbepaling Met verleggen wordt het fysiek verplaatsen van een primair water bedoeld. Hiermee wordt ook het wijzigen van de richting, vorm, afmeting en constructie van een secundair water bedoeld. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten (artikel 4.1, lid 1, onder a). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur secundaire wateren van richting, vorm, afmeting of constructie te veranderen respectievelijk wateren met elkaar in verbinding te brengen of wateren geheel of gedeeltelijk te dempen (artikel 4.1, lid 7). Toepassingsgebied Het verbod geldt voor alle primaire en secundaire wateren in het beheersgebied van Waterschap Roer en Overmaas. Overige wet- en regelgeving en beleid Besluit bodemkwaliteit Afweging Een verlegging van een oppervlaktewater is alleen mogelijk als dit geen nadelige gevolgen heeft voor de afvoercapaciteit en ontwatering van een watergang. Het nieuwe gedeelte van de watergang heeft minimaal dezelfde ecologische potenties als het oude gedeelte. Indien de watergang verlegd moet worden, streeft het waterschap ernaar dat deze na verlegging voldoet aan de hieraan toegekende ecologische functie. Alleen als de gronden niet beschikbaar zijn of kunnen zijn, is een optimale inrichting op dat moment niet mogelijk. Het waterschap streeft er naar om bij alle watergangen de gronden in eigendom te hebben. Voorwaarde voor het verlenen van een vergunning voor het verleggen van een watergang is dan ook dat de gronden waar de aangepaste watergang komt te liggen, aan het waterschap worden overgedragen dan wel worden verkocht. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen n.v.t. Constructie-eisen n.v.t. Normeisen Na verlegging van de watergang moet de watergang minimaal voldoen aan de toekomstige normafvoer en ecologische inrichting. Onderhoudseisen Het constructief onderhoud van een verlegging van een watergang blijft voor een periode van twee jaar na uitvoering voor verantwoordelijkheid van de vergunningaanvrager. Het dagelijkse onderhoud van de watergang is na oplevering van het werk voor verantwoordelijkheid van het waterschap. Algemene criteria Het waterschap verleent de vergunning voor het uitvoeren van de werkzaamheden en deze heeft een looptijd van maximaal 2 jaar. Dit betekent dat de verlegging binnen 2 jaar moet zijn uitgevoerd. Toelichting Naast het feit dat het verleggen van een oppervlaktewater vergunningplichtig is, is de ligging van een primair water ook vastgelegd op de legger van het waterschap. Dit traject tot wijziging van de legger loopt parallel met het verlenen van de vergunning. Zo krijgt het verlegde oppervlaktewater na realisatie ervan direct publieke rechtelijke bescherming op grond van de keur. 2.9 Bouwwerken Algemeen Begripsbepaling Met bouwwerken worden alle werken van enige omvang die met de bodem zijn verankerd bedoeld. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten (artikel 4.1, lid 1, onder a). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in de beschermingszone bouwwerken op te richten, te hebben, te herstellen, te wijzigen, te vernieuwen of op te ruimen (artikel 4.1, lid 2, onder d). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte hoogwaardige infrastructuur, bouwwerken of kabels en leidingen te plaatsen, te wijzigen of te behouden (artikel 4.1, lid 3). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in de meanderzone bouwwerken te plaatsen, te hebben of te wijzigen (artikel 4.1, lid 4, onder a). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in de inundatiegebieden werken en beplanting aan te brengen die waterstuwing of stroomgeleiding te weeg brengen (artikel 4.1, lid 5, onder b). Toepassingsgebied Het verbod geldt voor alle primaire wateren en de bijbehorende beschermings-, meander- en inundatiezones die zijn opgenomen op de legger van Waterschap Roer en Overmaas. Voor die watergangen waaraan deels de functie water in bebouwing is toegekend , wordt de bebouwde kom van de gemeente als grens gehanteerd. Overige wet- en regelgeving en beleid Besluit bodemkwaliteit en het Waterbeheersplan (functie toekenning water in bebouwing) Afweging Een bouwwerk kan geheel of gedeeltelijk gelegen zijn op een of meer van de volgende plaatsen: - in een primair water (inclusief eventuele onderhoudsstrook) - in de beschermingszone; - profiel van vrije ruimte; - in de meanderzone; en - in het inundatiegebied. Bouwwerken zijn niet wenselijk omdat deze een negatief effect (kunnen) hebben op de bereikbaarheid, het onderhoud en de afvoercapaciteit van een primair water. Een bouwwerk kan meandering frustreren en bij een inundatiegebied kan een bouwwerk leiden tot bergingsverlies of stroomgeleiding. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen n.v.t. Constructie-eisen n.v.t. Normeisen Primair water Met uitzondering van bruggen en duikers worden bouwwerken in, op of boven primaire wateren (inclusief onderhoudsstroken) niet toegestaan. Voor het beleid ten aanzien van bruggen en duikers wordt verwezen naar § 2.4. Beschermingszone Nieuw aan te leggen bouwwerken worden zodanig gefundeerd dat deze geen invloed uitoefenen op het te beschermen werk. Afhankelijk van het te beschermen werk kunnen aanvullende maatregelen worden voorgeschreven. Wanneer het te beschermen werk betrekking heeft op het keren van water wordt verwezen naar de beleidsregel bouwwerken onder het hoofdstuk waterkeringen. Profiel van vrije ruimte In het profiel van vrije ruimte worden geen bouwwerken of hoogwaardige infrastructuur toegestaan. Meanderzone Als een bouwwerk ligt in een meanderzone dan wordt het alleen toegestaan als het aan de rand van de meanderzone of op grote afstand van de watergang ligt en verwacht mag worden dat meandering ook in de toekomst (binnen de technische levensduur van het bouwwerk) niet gehinderd wordt. In de vergunning kan worden voorgeschreven dat het bouwwerk niet tegen meandering beschermd mag worden. Inundatiegebied Bouwwerken binnen een inundatiegebied zijn niet toegestaan. Alleen bouwwerken die redelijkerwijs niet buiten het inundatiegebied gerealiseerd kunnen worden en er tevens sprake is van een zwaarwegend belang, kunnen onder voorwaarden worden toegestaan. Voorwaarde hierbij is dat de situering en uitvoering zodanig is dat de verhoging van de waterstand verwaarloosbaar is en de waterstandverhogende effecten duurzaam gecompenseerd worden. Tevens mag het bouwwerk geen stroomgeleiding teweegbrengen. Onderhoudseisen De vergunninghouder van het bouwwerk is verantwoordelijk voor het onderhoud van het werk. Algemene criteria Toelichting Het begrip ‘bouwwerk’ maakt onderdeel uit van het begrip ‘werken’. 2.10 Woonboten Algemeen Begripsbepalingen In deze beleidsregel worden met woonboten ook woonarken bedoeld of andere drijvende werken om al dan niet permanent te verblijven. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken, drijvende werken of opgaande (hout)beplanting te plaatsen, te behouden dan wel te verwijderen (artikel 4.1, lid 1, onder b). Een woonboot wordt gezien als een werk in de zin van de Keur. Toepassingsgebied In tegenstelling tot sommige gebieden in Nederland zijn de beken en rivieren die Waterschap Roer en Overmaas beheert niet geschikt voor het plaatsen van woonboten. Dit komt doordat vrijwel alle beken een te geringe omvang of waterdiepte hebben. Alleen de Roer en Hambeek zijn worden ook als zodanig beperkt gebruikt. Overige wetgeving en beleid - Waterwet - Besluit lozing afvalwater huishoudens - Besluit lozen buiten inrichtingen - Bestemmingsplan - Bouwbesluit - Algemene plaatselijke verordening Afweging Algemeen Oppervlaktewateren op de legger van Waterschap Roer en Overmaas zijn niet geschikt voor het plaatsen van woonboten. Hiervoor wordt geen vergunning gegeven. Roer en Hambeek Op 1 januari 1983 is Waterschap Roer en Overmaas beheerder geworden van de Hambeek en de Roer. In 1990 zijn voor de toenmalige woonboten vergunningen verleend. Door Rijkswaterstaat zijn in 2010 vergunningen verleend. Ook zijn de plaatsen voor de woonboten vastgelegd in het gemeentelijk bestemmingsplan en de Algemene plaatselijke verordening. De bestaande situaties zijn langere tijd gerespecteerd, mits het effect op het functioneren van het watersysteem hetzelfde bleef. Daarom zijn vervanging en vergroting van deze woonboten zonder vergunning niet toegestaan. Omgekeerd leiden veranderingen in het watersysteem (bijvoorbeeld als gevolg van klimaatverandering) tot een heroverweging van de situatie rond bestaande woonboten. Nieuwe plaatsen voor woonboten worden door het waterschap niet toegestaan. In de paragrafen 2.1.3 t/m 2.1.6 zijn aspecten beschreven welke qua onderhoud, ecologie, hydrologie en veiligheid aanleiding geven geen nieuwe vergunning te verlenen voor veranderingen aan (zeker daar waar het vergroting betreft), nieuwe (additie) of bestaande (vervanging van) woonboten. Sterker nog blijkt de noodzaak tot het intrekken van bestaande vergunningen. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen Algemeen n.v.t. Roer en Hambeek In het beheersgebied van Waterschap Roer en Overmaas komen alleen in de Roer en de Hambeek woonboten voor. Om deze reden is in de beleidsregel ingezoomd op de specifieke situatie ter plaatse. Constructie-eisen Algemeen n.v.t. Roer en Hambeek Het waterschap stelt geen aanvullende eisen aan de constructie. Dit wordt geregeld in onder andere het Bouwbesluit. Normeisen Algemeen n.v.t. Roer en Hambeek Om redenen van onderhoud, ecologie, hydrologie en veiligheid (als gevolg van klimaatverandering) zullen voor activiteiten en werken op en in de beken, waarvoor geldt dat de activiteit en het werk niet direct noodzakelijk zijn voor het functioneren van het watersysteem, geen toestemmingen meer worden verleend. Daarom worden geen nieuwe vergunningen meer verleend voor veranderingen aan (zeker daar waar het vergroting betreft), nieuwe (additie) of bestaande (vervanging van) woonboten. Verleende vergunningen voor bestaande woonboten zullen met een overbruggingstermijn (van 2 tot 5 jaar) worden ingetrokken. Onderhoudseisen Algemeen n.v.t. Roer en Hambeek Het onderhoud van de woonboot (inclusief toebehoren als bijvoorbeeld nutsvoorzieningen en loopbruggen) is voor rekening en verantwoordelijkheid van de vergunninghouder. De taluds/aanlegwallen/oevers zijn grotendeels in eigendom van het waterschap. Een klein gedeelte is in eigendom van de gemeente. De taluds/aanlegwallen/oevers worden door het waterschap en de gemeente onderhouden. Gezien de afvoerverwachtingen zal met enige regelmaat de volledige waterberging worden benodigd. Daartoe houden woonbooteigenaren deze taluds/aanlegwallen/oevers volledig vrij. Algemene criteria Algemeen n.v.t. Roer en Hambeek Het is verboden om zonder vergunning gebruik te maken van primaire wateren als Roer en Hambeek. Toelichting Roer en Hambeek De gemeente Roermond is het bevoegde gezag met betrekking tot het bestemmingsplan, het bouwbesluit en de Algemene plaatselijke verordening. 2.11 Overige werken Algemeen Begripsbepaling Met overige werken worden alle werken bedoeld die niet de voorgaande beleidsregels worden behandeld. Deze beleidsregel is een standaardbelangenafweging bij vergunningverlening en heeft een vangnetfunctie. Betrokken keurartikelen Het maken, behouden en verwijderen van (bouw)werken of drijvende werken in op onder of boven een primair water zonder vergunning is op grond van de keur verboden (artikel 4.1, lid 1 onder b). Het maken, behouden en verwijderen van bouwwerken in een beschermingszone, profiel van vrije ruimte of meanderzone is eveneens verboden (respectievelijk artikel 4.1, lid 2 onder d, artikel 4.1, lid 3 en artikel 4.1, lid 4 onder a). Daarnaast is het maken van een werk dat waterstuwing, waterkering of stroomgeleiding teweeg brengt, verboden in inundatiegebieden (artikel 4.1, lid 5 onder b). Toepassingsgebied Het verbod geldt voor alle primaire wateren en de bijbehorende beschermings-, meander- en inundatiezones die zijn opgenomen op de legger van Waterschap Roer en Overmaas. Overige wet- en regelgeving en beleid Bouwstoffenbesluit Afweging n.v.t Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen n.v.t. Constructie-eisen n.v.t. Normeisen Overige werken kunnen alleen worden toegestaan als zij het onderhoud, het ecologisch functioneren, toekomstige herinrichting, het hydraulisch functioneren of meandering niet belemmeren. Hierbij worden ook de veiligheidsaspecten betrokken (zie § 2.1.6). Werken binnen een inundatiegebied kunnen worden toegestaan als het werk redelijkerwijs niet buiten het inundatiegebied gerealiseerd kan worden en er tevens sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang. Voorwaarde hierbij is dat de situering en uitvoering zodanig is dat de waterstandverhoging zo gering mogelijk is en de waterstandverhogende effecten duurzaam gecompenseerd worden. Onderhoudseisen n.v.t. Algemene criteria n.v.t. Toelichting Onder overige werken vallen ook drijvende werken die niet zijn uitgezonderd in § 2.10 (woonboten). 2.12 Recreatie Algemeen Begripsbepaling Hiermee worden alle recreatieve activiteiten bedoeld. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder activiteiten te houden op anderen dan daarvoor aangewezen plaatsen (artikel 4.1, lid 1, onder d). Toepassingsgebied Het verbod geldt voor alle primaire wateren die zijn opgenomen op de legger van Waterschap Roer en Overmaas. Voor kanovaart op de Roer is een algemene regel van toepassing op het traject van de Roer gelegen tussen de brug te Vlodrop en de brug van de Andersonweg te Roermond. Voor het varen met (gemotoriseerde) boten op gedeelten van de Roer en Hambeek is een beleidsregel opgesteld. Overige wet- en regelgeving en beleid Voor overige recreatieve activiteiten wordt verwezen naar de op 30 juni 2008 door het algemeen bestuur vastgestelde notitie 'Recreatief medegebruik' (zie bijlage 1). Afweging Kanovaart op de Roer De uitgangspunten die bij de vergunningverlening worden gehanteerd, leiden in het algemeen niet tot het maken van een individuele belangenafweging. Het is dan ook niet nodig om voor iedere kanotocht op de Roer een aparte vergunning aan te laten vragen. Toestemming kan worden gegeven indien de activiteit aan de standaardvoorschriften voldoet. Afwijking van de standaardvoorschriften die bij dit vrijstellingsbesluit horen worden niet toegestaan. Varen op de Roer en Hambeek te Roermond In de beleidsregel is opgenomen onder welke voorwaarden een vergunning kan worden verleend voor het varen en aanmeren op specifieke gedeelten van de Roer en Hambeek te Roermond. Deze beleidsregel is alleen van toepassing op direct aanwonenden van de aangewezen gedeelten van de Roer en Hambeek te Roermond. Jachtrecht Deze vorm van medegebruik wordt niet door middel van een vergunning maar door middel van een overeenkomst geregeld. Visrecht Deze vorm van medegebruik wordt niet door middel van een vergunning maar door middel van een overeenkomst geregeld. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen n.v.t. Constructie-eisen n.v.t. Normeisen Recreatie kan alleen worden toegestaan als zij het onderhoud, het ecologisch functioneren, toekomstige herinrichting, het hydraulisch functioneren of meandering niet belemmeren. Hierbij worden ook de veiligheidsaspecten betrokken. Onderhoudseisen n.v.t. Algemene criteria n.v.t. Toelichting n.v.t. 2.13 Varen op de Roer en Hambeek te Roermond Algemeen Begripsbepaling In deze beleidsregel worden met het begrip ‘boot’ een (gemotoriseerd) vervoermiddel bedoeld om mee te varen, gericht op de plezier- en recreatievaart. Met boten worden in geen geval vlotten, autobanden, e.d. bedoeld. Ook jetski’s, waterscooters, e.d. zijn verboden. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken, drijvende werken of opgaande (hout)beplanting te plaatsen, te behouden dan wel te verwijderen (artikel 4.1, lid 1, onder b). Een boot wordt gezien als een drijvend werk in de zin van de Keur. Toepassingsgebied In tegenstelling tot sommige gebieden in Nederland zijn de beken en rivieren die Waterschap Roer en Overmaas beheert, niet geschikt voor het varen met en aanmeren van boten voor de plezier- en recreatievaart. Dit komt doordat vrijwel alle beken een te geringe omvang of waterdiepte hebben. Daarnaast kunnen ecologische aspecten een rol spelen of een water geschikt is om te varen. Alleen de Roer en Hambeek kunnen voor dit doel beperkt worden gebruikt. Overige wetgeving en beleid - Waterwet; - Algemene regel kanovaart Roer; en - Nota recreatief medegebruik (bijlage 1) Afweging Algemeen De oppervlaktewateren op de legger van Waterschap Roer en Overmaas niet geschikt om te varen en aan te meren. Alleen gebruikers van percelen die rechtstreeks grenzen aan aangegeven trajecten, zoals aangegeven op tekening O03-1129, kunnen voor het varen en aanmeren een vergunning aanvragen. Roer en Hambeek Op de benedenloop van de Roer en op de Hambeek te Roermond heeft een aantal aanliggende eigenaren een boot waarmee ze op een kort traject kunnen varen, met name om de Maas te bereiken. Het overgrote deel van deze boten ligt aan een steiger. Dit varen op de Roer (ten zuiden van de Stenen Brug) en Hambeek is niet toegestaan zonder vergunning op grond van de keur. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen Algemeen n.v.t. Roer en Hambeek De Roer (ten zuiden van de Stenen Brug te Roermond) en de Hambeek zijn geen openbare vaarwegen. Enkel traject I is een openbare vaarweg. Het gedeelte van traject VI dat geen overlap heeft met traject V is alleen toegankelijk voor kano’s die vallen onder de algemene regel ‘Kanovaart Roer’ (zie kaart O03-1129). Alleen de gebruikers van percelen die rechtstreeks grenzen aan trajecten van de Roer en Hambeek te Roermond zoals aangegeven op kaart O03-1129 kunnen vergunning krijgen voor varen en aanmeren (traject II, III, IV en V). Er mag alleen worden gevaren en aangemeerd op het traject waaraan het eigen perceel rechtstreeks grenst met uitzondering van traject I. Aanmeren en afmeren is alleen toegestaan ter plaatse van het eigen perceel, met uitzondering van traject I (zie kaart O03-1129). Per perceel mag 1 boot worden aangemeerd. Constructie-eisen Algemeen n.v.t. Roer en Hambeek De maximale afmetingen van de boot bedragen (zie kaart O03-1129): i. traject II: 9 meter lang, 3 meter breed, 1 meter diepgang en 1,75 meter hoog. ii traject III: 9 meter lang, 3 meter breed, 1 meter diepgang en 3,5 meter hoog. iii traject IV en V: 6 meter lang, 2 meter breed, 0,5 meter diepgang, 1,75 meter hoog. Deze afmetingen zijn bepaald aan de hand van de breedte en diepte van de watergang. De maximale snelheid van de boot bedraagt 5 kilometer per uur. Hiermee wordt geen gemiddelde snelheid bedoeld maar de maximaal toegestane vaarsnelheid. Een gemotoriseerde boot mag wel een groter vermogen hebben. Normeisen Algemeen n.v.t. Roer en Hambeek De boten moeten veilig worden aangemeerd. Hierbij mag alleen gebruik worden gemaakt van steigers, bolders of andere oevervoorzieningen. De boot moet zodanig worden aangemeerd dat er geen belemmering is voor overige vergunde boten op de Roer en Hambeek. Dit is een zorgplicht. De houder van de boot kan verantwoordelijk worden gehouden voor de gevolgen van het onveilig vastleggen van de boot bij het aanmeren. Of de voorzieningen voor het af- of aanmeren van boten in de vorm van steigers, bolders of andere oevervoorzieningen vergunbaar zijn, wordt bepaald door de invloed hiervan op de hydrologische, ecologische, onderhouds- en veiligheidsaspecten. In de Beleidsregels vergunningverlening behorende bij de keur is aangegeven hoe hiermee wordt omgegaan. Uit veiligheidsoverwegingen mogen geen boten worden gestald op de oevers, taluds of aanlegwallen. Gezien de klimaatverandering zal namelijk met enige regelmaat de volledige waterberging van de Roer maar met name de Hambeek nodig zijn. Onderhoudseisen Algemeen n.v.t. Roer en Hambeek Uit onderhoudsoverwegingen mogen boten niet worden gestald op de oevers, taluds of aanlegwallen. Algemene criteria Algemeen n.v.t. Roer en Hambeek In verband met de veiligheid van de betrokkenen is het niet toegestaan te varen tijdens het hoogwaterseizoen van 15 oktober tot 15 april. Daarnaast mogen er zich geen boten in het water bevinden gedurende het hoogwaterseizoen van 15 oktober tot 15 april. In het laagwaterseizoen mag alleen worden gevaren van zonsopgang tot zonsondergang. De houder van de boot zorgt ervoor dat er geen waterstuwend effect kan ontstaan bij het aanmeren van de boot of tijdens het varen. Dit is een zorgplicht. De houder van de boot kan verantwoordelijk worden gehouden voor de gevolgen van waterstuwing bij het aanmeren. Boten mogen niet dubbel worden aangemeerd. Overgangsrecht Gebruikers van percelen die grenzen aan de trajecten II, III, IV of V en van wie de boot op het moment van de inwerkingtreding van de beleidsregel niet voldoet aan de voorwaarden, kunnen eenmalig vergunning aanvragen voor een boot met afwijkende maten. Het moet hierbij gaan om een bestaande situatie op basis van diverse inventarisaties door het waterschap in 2014 en 2015 en de aangegeven maten in de ontvangen zienswijze van een elftal bewoners langs de Hambeek (ons kenmerk 201511645). Deze vergunning is op naam, gekoppeld aan de boot en is niet overdraagbaar. Bij vervanging van de boot of verkoop of verhuur van het perceel kan alleen nog vergunning worden aangevraagd voor een boot die voldoet aan de aanmetingen, zoals opgenomen in deze beleidsregel. De reden hiervoor is dat het waterschap de situatie op orde wil brengen vanwege de doelstellingen en belangen die het waterschap dient te beschermen op grond van de Waterwet. Hierbij let het waterschap op de aspecten hydrologie, veiligheid, onderhoud en ecologie. Toelichting n.v.t. 3Waterkeringen 3.1 Algemeen Onder waterkeringen worden kades, aarden wallen en kademuren, inclusief eventuele bijbehorende voorzieningen zoals funderingen, kleischermen en/of kwelvoorzieningen verstaan. De waterkeringen hebben als functie het keren van het water bij hoge afvoeren van de Maas, de Roer en Hambeek. In het beheersgebied van Waterschap Roer en Overmaas komen drie verschillende categorieën waterkeringen voor: Waterkering Juridische basis Primaire waterkering Waterwet Provinciale Omgevingsverordening Limburg Waterschapswet (art. 78: legger) Regionale waterkering Provinciale Omgevingsverordening Limburg Waterschapswet (art. 78: legger) Overige waterkeringen Waterschapswet (art. 78: legger) Het beheer van de primaire waterkeringen is op basis van de Waterwet aan het waterschap toegewezen. Aanvullend is door de provincie Limburg de Provinciale Omgevingsverordening Limburg opgesteld. In deze verordening is de beheersopdracht van het waterkeringbeheer uitgewerkt en verbreed tot zowel de primaire als de regionale waterkeringen. Als beheerder van de waterkeringen heeft het waterschap tot taak de primaire en regionale waterkeringen zodanig te beheren dat zij voldoen aan de veiligheidsnormen en randvoorwaarden die zijn opgenomen in de Waterwet en de Provinciale Omgevingsverordening Limburg op de waterkeringen en de Verordening waterkering Limburg. De normering en randvoorwaarden van de overige waterkeringen wordt vastgesteld door het waterschap. De wijze hoe het waterschap hieraan invulling geeft, is opgenomen in het Beheersplan waterkeringen (in de toekomst Waterbeheersplan 2016-2021). Op grond van artikel 5.1 van de Waterwet geldt er en leggerplicht voor waterwerken. Hieronder vallen ook waterkeringen. De legger bestaat uit een overzichtskaart, legger en technisch beheerregister van de waterkeringen. Op basis van de Waterschapswet (art. 78) maakt een register met onderhoudsplichtige onderdeel uit van de legger. De beschermingszone begint op 1,5 meter vanaf de teen van de waterkering. Bij de aanwezigheid van voorzieningen die tot de waterkering / kade behoren, zoals funderingen, filterconstructies, kleischermen en/of kwelvoorzieningen, begint de beschermingszone één meter gemeten vanuit deze voorziening. De breedte van de beschermingszone is variabel en is aangegeven op de legger van Waterschap Roer en Overmaas. Voor het afpompen van kwelwater bij hoogwater in de Maas is door het waterschap een groot aantal pomplocaties ingericht waar mobiele pompen kunnen worden ingezet. Deze pompen en pomplocaties vormen geen onderdeel van de waterkeringen, maar worden in het beheerplan waterkeringen opgenomen vanwege het feit dat ze onderdeel zijn van de hoogwaterkeringszorg. De Keur van Waterschap Roer en Overmaas is van toepassing op die waterkeringen inclusief beschermingszone en het profiel van vrije ruimte (keurgebied), die op de legger zijn aangegeven. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de diverse soorten waterkeringen. Of een waterkering een primaire, regionale of overige waterkering is, heeft wel invloed op de onderbouwing van de aanvraag (o.a. berekeningsfactoren over de gevolgen van een ingreep in de waterkering). Werken die door wijzigingen en uitbreidingen van de toepassing van de keur vergunningplichtig zijn geworden en al aanwezig waren, worden op grond van de overgangsbepalingen in de keur beschouwd met een vergunning aanwezig te zijn (de zogenaamde fictieve vergunning). 3.1.1 Algemene uitgangspunten Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag en het eventueel verlenen van een vergunning is het belangrijkste uitgangspunt dat de waterkerende functie te allen tijde gewaarborgd blijft. Dit betekent dat bij de belangenafweging onder andere rekening wordt gehouden met het veiligheidsniveau maar ook met de gevolgen die een bepaald werk heeft op waterkerendheid, onderhoud, beheer, etc. van een waterkering. Voor aan te leggen werken in en grenzend aan waterkeringen bestaat landelijk een aantal normen en leidraden. Bij het toetsen van vergunningaanvragen houdt het waterschap, voor zover mogelijk, hiermee rekening Het betreft de leidraden van het Expertise Netwerk Waterkeren (ENW). Deze leidraden gelden als van overheidswege erkende genormaliseerde toetsings- en berekeningsmethoden. Voor beheerders en ontwerpers van waterkeringen zijn deze een hulpmiddel bij het vinden van waterstaatkundig en maatschappelijk optimale waterkeringsoplossingen. Het waterschap hanteert de meest recent uitgebrachte leidraden en normen. Mochten er tijdens de geldigheidsduur van deze beleidsregels nieuwe of andere van toepassing zijnde normvereisten of leidraden worden uitgegeven, zijn deze van toepassing voor de betreffende onderdelen. In het algemeen geldt dat aangevraagde werken/uit te voeren activiteiten geen nadelige invloed mogen hebben op de stabiliteit van de waterkering. Het tegengaan van erosie door beschadiging van de grasmat en het efficiënt kunnen uitvoeren van onderhoud zijn belangrijke beoordelingscriteria bij de behandeling van de vergunningaanvraag. Ook moet het waterschap een afweging van belangen maken. Bij alle te realiseren werken gaat het waterschap uit van het principe 'Robuust ontwerpen', zoals bedoeld in de Leidraad Rivieren. Dit houdt in dat in het ontwerp rekening moet worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen en onzekerheden. Hierdoor blijft de maatregel tijdens de geplande levensduur functioneren zonder dat ingrijpende en kostbare aanpassingen noodzakelijk zijn. Uitgangspunt is dat het ontwerp tegemoet komt aan eisen voor veiligheid en ruimtelijke kwaliteit. Belangrijke invullingen van robuust ontwerpen zijn: - zwaarder of ruimer dimensioneren dan volgens de geldende wettelijke veiligheidsnormen nodig is; - het ontwerp voorzien van uitbreidingsmogelijkheden; en - rekening houden met andere functies, nu en in de toekomst. Langs en op de waterkering moet voldoende ruimte vrij worden gehouden voor het blijvend kunnen realiseren van de waterkerende functie van een kering, ook in de toekomst. Dit wordt ook wel het 'profiel van vrije ruimte' genoemd (zie Handreiking waterkeringen en gebruiksfuncties). Bij een waterkering die is over gedimensioneerd, worden na uitvoering van eventuele werken het profiel volledig hersteld, tenzij bijkomende omstandigheden aanleiding geven tot het aanpassen van het profiel. Coupures en demontabele waterkeringen hebben een hogere faalkans dan de groene keringen. Daarom geldt dat voor de waterkeringen die in een herinrichtingsgebied liggen dat deze zo ontworpen worden dat eventueel aanwezige coupures en demontabele waterkeringen verdwijnen. Daar waar doorgaande wegen de watergang kruisen gelden in dergelijke gevallen de bepalingen van § 3.2. Vanwege een verhoogde kans op wateroverlast geldt als algemeen voorschrift dat in de periode van 15 oktober tot 15 april geen werken in de waterkering mogen worden uitgevoerd. 3.1.2 Onderhoud Het onderhoud van de waterkeringen wordt, tenzij het in de legger anders is aangegeven, verzorgd door het waterschap. Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag en het eventueel verlenen van deze vergunning wordt dan ook gekeken naar de invloed van het te vergunnen werk op het onderhoud. Indien de aanwezigheid van het te vergunnen werk het onderhoud teveel belemmert of zelf onmogelijk maakt dan kan de gevraagde vergunning niet verleend worden. 3.1.3 Verboden Voor een aantal verboden in de keur genoemd, wordt in principe geen vergunning verleend, tenzij deze zaken onderdeel uit maken van een ander werk zoals bijvoorbeeld het leggen van kabels, bouwactiviteiten e.d.. Het betreft de volgende verboden: - ploegen, spitten of graven in de waterkering (artikel 4, lid 1, onder a van de keur); - afsteken van zoden (artikel 4, lid 1 onder a van de keur); - maaien van vegetatie anders dan onderhoudsplichtige (artikel 4, lid 1, onder a van de keur); en - het verwijderen van taludverdedigende beplantingen en/of materialen (artikel 4, lid 1, onder b van de keur). 3.2 Wegen en coupures Algemeen Begripsbepaling Onder deze beleidsregel worden alle constructieve werken aan wegen en of coupures bedoeld. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (bouw)werken, drijvende werken of opgaande houtbeplanting te plaatsen, te behouden dan wel te verwijderen (artikel 4.1, lid 1, onder b). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in de beschermingszone graafwerkzaamheden en seismisch onderzoek te verrichten (artikel 4.1, lid 2 onder a). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte hoog waardige infrastructuur, bouwwerken of kabels en leidingen te plaatsen, te wijzigen of te behouden (artikel 4.1, lid 3). Toepassingsgebied Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle waterkeringen en de daarbij behorende beschermingszones en profielen van vrije ruimte, die zijn aangegeven op de legger van het waterschap. Toe te passen normen, leidraden etc. - Handreiking (regionale) waterkeringen en hun gebruiksfuncties. Stowa. - Vergunningaanvragen worden beoordeeld aan de hand van de geldende leidraden van de ENW (Expertise Netwerk Waterkeren). - RONA. Afweging - Een waterkering heeft als primair doel het keren van water tijdens periodes van hoog water. Een goed functioneren van de waterkering is hierbij essentieel. De aanleg van een weg over of parallel aan een waterkering kan het waterkerend vermogen negatief beïnvloeden. - Indien de weg of coupure binnen het gebied van de primaire waterkering ligt, bestaat de mogelijkheid dat (hemel)water langs bermen en/of fundering van de weg in de bodem dringt. Dit kan als gevolg hebben dat de waterkering verzadigd raakt en aan stabiliteit verliest. Dit moet altijd worden voorkomen. - Het werk moet robuust zijn ontworpen. Dit houdt in dat in het ontwerp rekening moet worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen en onzekerheden, zodat de maatregel tijdens de geplande levensduur goed blijft functioneren zonder dat ingrijpende en kostbare aanpassingen noodzakelijk zijn. Uitgangspunt is dat het ontwerp tegemoet komt aan eisen voor veiligheid en ruimtelijke kwaliteit. - Kruist een weg de waterkering dan gaat de voorkeur uit naar een haakse kruising over de waterkering, zodat de kruislengte minimaal is. - Nieuwe coupures moeten het algemeen belang dienen. Daarom worden alleen coupures voor openbare wegen toegestaan. Hierbij moet worden aangetoond dat het door ruimtegebrek of anderszins niet mogelijk is om de weg over de waterkering aan te leggen. - Een vergunning voor een weg parallel aan de waterkering en in de beschermingszone van een waterkering kan alleen worden vergund als de weg (inclusief fundering) de kwellengte niet negatief beïnvloed. - De uitbreiding moet worden getoetst aan het profiel van vrije ruimte. Deze ruimte moet volledig beschikbaar blijven voor eventuele toekomstige uitbreidingen. - Ondoorlatende lagen die worden verstoord door uitvoer van de werkzaamheden worden zo hersteld dat de kwellengte minimaal intact blijft. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen Aanleg van of uitbreiding van wegen over of op de waterkering of in beschermingszones of binnen het profiel van vrije ruimte kan alleen worden toegestaan als wordt aangetoond dat er geen alternatief tracé mogelijk is. Is het betreffende tracé van de waterkering ecologisch waardevol, dan zullen mitigerende maatregelen moeten worden genomen Constructie-eisen - Voor wegen geldt dat de onderkant van de fundering buiten het leggerprofiel van de waterkering moet worden aangelegd. - De weg mag niet bestaan uit halfverhardingen van bijvoorbeeld puin tenzij gebruikt wordt gemaakt van een geotextiel onder de halfverharding. - Voor wegen in- of over de waterkering of in de beschermingszone geldt dat deze gedimensioneerd moeten zijn op een verkeersklasse 60 belasting (volgens de VBB 1995 voor een Verkeersklasse 60 (3 aslasten à 200 kN) of 40 kN/m²). - Voor wegen over of op een waterkering wordt uitgegaan van een wegbreedte zoals opgenomen in de RONA, met daarbij een berm met een breedte van 1 meter aan weerszijde van de weg. De berm moet bestaan uit klei. Normeisen - Wegen moeten worden ontworpen met een verkeersklasse 60 belasting. - Aanvragen voor coupures worden beoordeeld aan de hand van de Leidraad Kunstwerken (Technische adviescommissie waterkeringen). De belangrijkste eisen die deze leidraad aan coupures stelt, zijn de kerende hoogte en de onder- en achterloopheid van de coupure. Bij het ontwerp van een coupure moet rekening worden gehouden met de standaardschotbalken die het waterschap gebruikt bij het afsluiten van coupures. - Het weglichaam mag volgens de richtlijn 'Handreiking (regionale) waterkeringen en hun gebruiksfuncties' alleen de waterkering onderbreken als deze is voorzien van brede wegbermen van goede klei, die aansluiten op de kleilagen op het binnen- en buitentalud, en de wegconstructie alsmede het wegdek zodanig zijn dat er geen water via de weg de dijk in kan lopen. Onderhoudseisen - De vergunninghouder is verantwoordelijk voor een goed onderhoud van het werk zodat het werk de functie van de waterkering niet negatief beïnvloedt. - Werken moeten door de eigenaar zodanig worden onderhouden dat waterstaatswerken hiervan geen hinder ondervinden. - Op wegen parallel aan en gelegen over een waterkering mag geen zout worden gestrooid. Deze voorwaarde moet in overeenstemming met de wegbeheerder worden vastgelegd. - De grasbermen evenwijdig aan een weg mogen niet worden bespoten met bestrijdingsmiddelen. Deze voorwaarde moet in overeenstemming met de wegbeheerder worden vastgelegd. Algemene criteria - Aanleg van of uitbreiding van wegen over of op de waterkering kan alleen worden toegestaan als wordt aangetoond dat er geen alternatief tracé mogelijk is. - Het afsluiten van de coupure in hoogwatersituaties is een taak van het waterschap. - Aanleg en kosten van nieuwe of bij wegrenovatie te veranderen coupures is een verantwoordelijkheid van de vergunninghouder c.q. -aanvrager. Na aanleg wordt het onderhoud dat betrekking heeft op het waterkerend gedeelte overgedragen aan het waterschap. Toelichting n.v.t. 3.3 Vrij lozende leidingen Algemeen Begripsbepaling Onder een vrij lozende leiding wordt verstaan een riooloverstortleiding of een andere afvoerleiding in de waterkering, die uitmondt in de Maas of een ander water dat beïnvloed wordt door hoge waterstanden van de Maas, de Roer en Hambeek. Vrij lozende leidingen komen voor als duiker voor de afvoer van oppervlaktewater en als riooloverstortleiding. Aanleg en onderhoud van vrij lozende leidingen in de vorm van duikers in waterkeringen voor primaire wateren is een verantwoordelijkheid van het waterschap. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (bouw)werken, drijvende werken of opgaande houtbeplanting te plaatsen, te behouden dan wel te verwijderen (artikel 4.1, lid 1, onder b). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in de beschermingszone graafwerkzaamheden en seismisch onderzoek te verrichten (artikel 4.1, lid 2 onder a). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte hoog waardige infrastructuur, bouwwerken of kabels en leidingen te plaatsen, te wijzigen of te behouden (artikel 4.1, lid 3). Toepassingsgebied Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle waterkeringen en de daarbij behorende beschermingszones, en profielen van vrije ruimte, die zijn aangegeven op de legger van het waterschap. Toe te passen normen, leidraden etc. - De sterkte van de leiding wordt getoetst aan de NEN 3650 en NEN 3651; - Vergunningaanvragen worden beoordeeld aan de hand van de geldende leidraden van de ENW (Expertise Netwerk Waterkeren). Afweging Leidingen hebben een negatieve invloed op het waterkerend vermogen van een waterkering. De leiding vormt een tunnel in of onder de waterkering waardoor de kans ontstaat dat tijdens hoogwater, water via de leiding binnendijks stroomt. Ook wordt bij de aanleg van de leiding de ondergrond verstoord. Bij wateroverslag ontstaat op die plek een hogere kans op erosie. Bovendien vormt het beheer van de leiding (herstel van breuk) tijdens hoogwaterperiode een extra risico. Leidingen in of onder een waterkering worden daarom zoveel mogelijk vermeden. Het kan echter voorkomen dat er geen andere technisch oplossing is dan de leiding in of door de waterkering te leggen. De volgende uitgangspunten zijn dan op vrij lozende leidingen van toepassing: - De leiding vormt een geheel met de omliggende klei van de waterkering. Bij het boren (of spoelboring) van een leiding is het boorgat altijd groter dan de leiding waardoor er een holle ruimte overblijft. Het leggen van leidingen door middel van boren of (of spoelboring) wordt hierom niet toegestaan. - Een leiding is te allen tijde voorzien van een kwelscherm (dit kwelscherm moet binnen de beschermingszone aan de buitendijkse zijden van de waterkering worden aangebracht) - Ter voorkoming van watertransport naar binnendijksgebied kan de leidingen worden afgesloten door middel van een afsluiter of spindelschuif. Een terugslagklep is niet voldoende. - Indien een leiding de waterkering kruist dan gaat de voorkeur uit naar een haakse kruising in of door de waterkering, zodat de kruislengte minimaal is. - Bij de aanvraag zal een sterkteberekening van de leiding in relatie tot de waterkering moeten worden bijgevoegd (conform de NEN-normen). - Bij doorvoeringen door de kademuren of damwanden moet de opening tussen de leiding en de muur/damwand waterdicht hersteld worden. - Ondoorlatende lagen die worden verstoord door uitvoer van de werkzaamheden wordt zo hersteld dat de kwellengte minimaal intact blijft. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen In geval een aanvraag wordt ingediend voor kabels/leidingen en ingeval verbeterwerkzaamheden van de keringen verlegging noodzakelijk maken worden de toetsingscriteria als volgt: - De leidingbeheerder toont aan dat er geen alternatief tracé voor handen is. Hiervan is alleen sprake indien er feitelijk (geografisch) gezien geen ruimte is voor inpassing. - Ingeval van het leggen van kabels en leidingen parallel aan een waterkering geldt dat indien dit buiten alle waterkeringszones niet mogelijk is, deze aangelegd moeten worden in het profiel van vrije ruimte dan wel de beschermingszone. Alleen in die gevallen dat ook dat niet mogelijk is, kan de kabel of leiding toch in de kernzone van de waterkering gelegd worden. - Verbeterwerkzaamheden (waterstaatkundige noodzaak) mogen niet gefrustreerd worden door de aanwezigheid van kabels en leidingen. Indien dit het geval is, wordt de kabels en/of leidingen op kosten van de eigenaar daarvan verwijderd. - Indien zich ingeval van verlegging van bestaande kabels en leidingen redelijkerwijs de gelegenheid voordoet om deze naar een alternatief tracé te verleggen wordt geen vergunning voor ligging in de waterkering verleend. - Kabels en leidingen die niet langer in gebruik zijn, worden verwijderd. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het noodzakelijk is dat een waterkering in zijn geheel wordt verwijderd, kan volstaan worden met alternatieve maatregelen zoals het afdoppen of volstorten. Constructie-eisen - De leiding wordt als open ontgraving aangelegd. - De leiding moet gelegd worden in een kleikist waarvan de afmetingen tenminste gelijk zijn aan het ontgravingsprofiel. De minimale afmetingen van een kleikist bedragen 1x1x1 meter te bedragen (zie tekening K6-124). - De te gebruiken klei en/of zware zavel heeft de volgende samenstelling: lutumfractie 20-35% en zandfractie maximaal 40%. - De leiding heeft tenminste een dekking van 100 centimeter in de kruin en 80 centimeter in het binnentalud. - Het kwelscherm moet tenminste 50 centimeter buiten de leiding uitsteken. - Boven de leiding, in de kruin van de waterkering moet een inspectieput voorzien van een keermiddel aanwezig zijn. - Het keermiddel moet vanuit de inspectieput te bedienen zijn. Afhankelijk van de situatie en de leiding is de inspectieput voorzien van een schotbalksponning. - De uitvoering van de inspectieput (hoogte, materiaal, afmetingen) wordt in overleg met het waterschap gekozen. - Leidingen met een diameter groter dan 250 mm is buitendijks voorzien van een terugslagklep. - Leidingen met een diameter kleiner dan 250 mm moeten binnendijks zijn voorzien van een keermiddel. - De leidingsleuf wordt verdicht tot een proctor dichtheid van 97%. - De leidingsleuf wordt na verdichting ingezaaid met een dijkgrasmengsel (D1-mengsel, inzaaidichtheid circa 40 kg per hectare). Normeisen - Leidraad Kunstwerken (heeft betrekking op afsluiters, leidingen, piping e.d.) - Vergunningaanvragen voor pijpleidingen worden getoetst aan de normen NEN 3650 en NEN 3651 en de Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 3659. Onderhoudseisen De vergunninghouder is verantwoordelijk voor een goed onderhoud van de leiding zodat het werk de functie van de waterkering niet negatief beïnvloedt. Algemene criteria - Het waterschap geeft het peil aan waarop het keermiddel wordt gesloten; - Het sluiten van een keermiddel tijdens hoogwater van de Maas moet gemeld worden aan het waterwachtcoördinatiecentrum van het waterschap. Toelichting Voor het aanvragen van een vergunning op grond van de Waterwet wordt gebruik gemaakt van het officiële aanvraagformulier voor een watervergunning. In dit formulier is aangegeven welke de gegevens vermeld moeten worden bij een aanvraag voor het aanleggen van kabels en leidingen. Hierbij wordt verzocht om een (tracé)tekening, berekeningen, een omschrijving van de aanlegmethode, een boorplan en een werkplan (als aanvulling op de constructietekening) aan te leveren. Waterschap Roer en Overmaas zal aanvullend hierop inzicht vragen in de financiële onderbouwing van tracés en mitigerende maatregelen. 3.4 Pijpleidingen (drukleidingen) Algemeen Begripsbepaling Met pijpleidingen worden alle leidingen in onder of door de waterkering bedoeld die niet in open verbinding staan met de Maas of een ander oppervlaktewater dat beïnvloed wordt door hoge waterstanden van de Maas. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (bouw)werken, drijvende werken of opgaande houtbeplanting te plaatsen, te behouden dan wel te verwijderen (artikel 4.1, lid 1, onder b). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in de beschermingszone graafwerkzaamheden en seismisch onderzoek te verrichten, en/of werken met een overdruk te plaatsen en te hebben (artikel 4.1, lid 2 onder a). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte hoog waardige infrastructuur, bouwwerken of kabels en leidingen te plaatsen, te wijzigen of te behouden (artikel 4.1, lid 3). Toepassingsgebied Deze beleidsregels is van toepassing op alle waterkeringen en de daarbij behorende beschermingszones en profielen van vrije ruimte die zijn aangegeven op de legger van het waterschap. Doorgaande pijpleidingen met een diameter van maximaal 40 mm die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel. Het beleid voor kabels is vermeld in § 3.5. Toe te passen normen, leidraden etc. n.v.t. Afweging Leidingen hebben een negatieve invloed op het waterkerend vermogen van een waterkering. De leiding vormt een tunnel in of onder de waterkering, waardoor de kans ontstaat dat tijdens hoogwater, water via de leiding binnendijks stroomt. Ook wordt bij de aanleg van de leiding de ondergrond verstoord. Bij wateroverslag ontstaat ter plaatse een hogere kans op erosie. Bovendien vormt het beheer van de leiding (herstel van breuk) tijdens hoogwaterperiode een extra risico. Leidingen in of onder een waterkering worden hierom zoveel mogelijk worden vermeden. Het kan echter voorkomen dat er geen andere technisch oplossing is dan de leiding in of door de waterkering te leggen. De volgende uitgangspunten zijn dan op pijpleidingen van toepassing: - De leiding vormt een geheel met de omliggende klei van de waterkering. Bij het boren (of spoelboring) van een leiding is het boorgat altijd groter dan de leiding waardoor er een holle ruimte overblijft. Het leggen van leidingen door middel van boren (of spoelboring) wordt hierom niet toegestaan. - Een leiding is altijd buitendijks voorzien van een kwelscherm. - Kruist een leiding de waterkering dan gaat de voorkeur uit naar een haakse kruising in of door de waterkering, zodat de kruislengte minimaal is. - Bij de aanvraag zal een sterkteberekening van de leiding in relatie tot de waterkering moeten worden gevoegd. - Een doorgaande pijpleiding mag niet in de lengterichting in de waterkering worden gelegd. Een uitzondering wordt gemaakt voor de aanleg en behoud van leidingen voor huisaansluitingen. - Mantelbuizen mogen niet worden toegepast omdat er een holle ruimte aanwezig is tussen de mediumvoerende buis en de mantelbuis. Een aan te brengen afdichting tussen de mediumvoerende buis en de mantelbuis vormen een extra en onnodig risico. - Bij doorvoeringen door kademuren of damwanden moet de opening tussen de leiding en de muur/damwand waterdicht hersteld worden. - Bij een kruisende leiding wordt afhankelijk van de druk en de diameter een vervangende waterkering in de vorm van een stalen damwand aangebracht (NEN 3651). Deze damwand is in ieder geval nodig indien de inwendige druk van de leiding 10 bar of meer bedraagt. Voor vloeistofleidingen moet dan een damwand van 25 meter (exclusief leidingdiameter) worden aangebracht. Voor gasleidingen bedraagt deze damwandlengte 20 meter. Voor gasleidingen met een druk van minder dan 10 bar hoeft geen damwand te worden aangebracht. Voor vloeistofleidingen met een druk van minder dan 10 bar wordt verwezen naar NEN 3651 . - Ondoorlatende lagen die worden verstoord door uitvoer van de werkzaamheden worden zo hersteld dat de kwellengte minimaal intact blijft. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen In geval een aanvraag wordt ingediend voor kabels/leidingen en ingeval verbeterwerkzaamheden van de keringen verlegging noodzakelijk maken worden de toetsingscriteria als volgt: - De leidingbeheerder toont aan dat er geen alternatief tracé voor handen is. Hiervan is alleen sprake indien er feitelijk (geografisch) gezien geen ruimte is voor inpassing. - Ingeval van het leggen van kabels en leidingen parallel aan een waterkering geldt dat indien dit buiten alle waterkeringszones niet mogelijk is, deze aangelegd moeten worden in het profiel van vrije ruimte dan wel de beschermingszone. Alleen in die gevallen dat ook dat niet mogelijk is, kan de kabel of leiding toch in de kernzone van de waterkering gelegd worden. - Verbeterwerkzaamheden (waterstaatkundige noodzaak) mogen niet gefrustreerd worden door de aanwezigheid van kabels en leidingen. Indien dit het geval is, worden de kabels en/of leidingen op kosten van de eigenaar daarvan verwijderd. - Indien zich ingeval van verlegging van bestaande kabels en leidingen redelijkerwijs de gelegenheid voordoet om deze naar een alternatief tracé te verleggen wordt geen vergunning voor ligging in de waterkering verleend. - Kabels en leidingen die niet langer in gebruik zijn, worden verwijderd. Wanneer dit redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het noodzakelijk is dat een waterkering in zijn geheel wordt verwijderd, kan volstaan worden met alternatieve maatregelen zoals het afdoppen of volstorten. Constructie-eisen - In principe volgt de leiding het profiel van de waterkering (b.v. een rioolpersleiding in de berm van een weg). - De leiding wordt als open ontgraving aangelegd. - De leiding wordt gelegd in een kleikist waarvan de afmetingen tenminste gelijk zijn aan het ontgravingsprofiel. De minimale afmetingen van een kleikist bedragen 1x1x1 meter (zie tekening K6-124). - De te gebruiken klei en/of zware zavel heeft de volgende samenstelling: lutumfractie 20-35% en zandfractie maximaal 40%. - De leiding heeft tenminste een dekking van 100 centimeter in de kruin en 80 centimeter in het binnentalud. - Het kwelscherm steekt tenminste 0,5 meter buiten de leiding uit. - De leidingsleuf wordt verdicht tot een proctor dichtheid van 97%. - De leidingsleuf wordt na verdichting ingezaaid met een dijkgrasmengsel (D1-mengsel, inzaaidichtheid circa 40 kg per hectare). Normeisen - De Leidraad Kunstwerken is tevens van toepassing. - Vergunningaanvragen voor pijpleidingen worden getoetst aan de normen NEN 3650, NEN 3651 en de Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 3659. Onderhoudseisen De vergunninghouder is verantwoordelijk voor een goed onderhoud van de leiding zodanig dat het werk de functie van de waterkering niet negatief beïnvloedt. Algemene criteria n.v.t. Toelichting Voor het aanvragen van een vergunning op grond van de Waterwet wordt gebruik gemaakt van het officiële aanvraagformulier voor een watervergunning. In dit formulier is aangegeven welke de gegevens vermeld moeten worden bij een aanvraag voor het aanleggen van kabels en leidingen. Hierbij wordt verzocht om een (tracé)tekening, berekeningen, een omschrijving van de aanlegmethode, een boorplan en een werkplan (als aanvulling op de constructietekening) aan te leveren. Waterschap Roer en Overmaas kan aanvullend hierop inzicht vragen in de financiële onderbouwing van tracés en mitigerende maatregelen. 3.5 Kabels en leidingen Algemeen Begripsbepaling Kabels zijn transportmedia (veelal voor elektriciteit of communicatie) zonder holle ruimte. Doorgaande leidingen met een diameter van maximaal 40 mm die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (bouw)werken, drijvende werken of opgaande houtbeplanting te plaatsen, te behouden dan wel te verwijderen (artikel 4.1, lid 1, onder b). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in de beschermingszone graafwerkzaamheden en seismisch onderzoek te verrichten (artikel 4.1, lid 2 onder a). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte hoog waardige infrastructuur, bouwwerken of kabels en leidingen te plaatsen, te wijzigen of te behouden (artikel 4.1, lid 3). Toepassingsgebied Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle waterkeringen en de daarbij behorende beschermingszones en profiel van vrije ruimte, die zijn aangegeven op de legger van het waterschap. Toe te passen normen, leidraden etc. Vergunningaanvragen worden beoordeeld aan de hand van de geldende leidraden van de ENW. Afweging Kabels en leidingen hebben een negatieve invloed op het waterkerend vermogen van een waterkering. De kabel/leiding is niet zozeer het probleem maar veelal de verstoring van de ondergrond. Bij wateroverslag ontstaat ter plaatse een hogere kans op erosie. Kabels/leidingen in, onder of door een waterkering worden hierom zoveel mogelijk vermeden. Het kan echter voorkomen dat er geen andere technisch oplossing is dan de kabel in of door de waterkering te leggen. De volgende uitgangspunten zijn dan op de kabel van toepassing: - De kabel/leiding vormt een geheel met de omliggende klei van de waterkering. Bij het boren (of spoelboring) van een kabel is het boorgat altijd groter dan de kabel waardoor er een holle ruimte overblijft. Het leggen van kabelen door middel van boren (of spoelboring) wordt daarom niet toegestaan. - Kruist een kabel/leiding de waterkering dan gaat de voorkeur uit naar een haakse kruising in- onder of door de waterkering zodat de kruislengte minimaal is. - Een doorgaande kabel/leiding mag niet in de lengterichting in de waterkering worden gelegd, uitzondering wordt gemaakt voor de aanleg en behoud van kabels voor huisaansluitingen. - Mantelbuizen mogen niet worden toegepast omdat er een holle ruimte aanwezig is tussen de kabel en de mantelbuis. Een aan te brengen afdichting tussen de mediumvoerende buis en de mantelbuis vormen een extra en onnodig risico. - Bij doorvoeringen door kademuren of damwanden moet de opening tussen de kabel/leiding en de muur/damwand waterdicht hersteld worden. - Ondoorlatende lagen die worden verstoord door uitvoer van de werkzaamheden worden zo hersteld dat de kwellengte minimaal intact blijft. Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen In geval een aanvraag wordt ingediend voor kabels/leidingen en ingeval verbeterwerkzaamheden van de keringen verlegging noodzakelijk maken worden de toetsingscriteria als volgt: - De leidingbeheerder toont aan dat er geen alternatief tracé voor handen is. Hiervan is alleen sprake indien er feitelijk (geografisch) gezien geen ruimte is voor inpassing. - Ingeval van het leggen van kabels en leidingen parallel aan een waterkering geldt dat indien dit buiten alle waterkeringszones niet mogelijk is, deze aangelegd moeten worden in het profiel van vrije ruimte dan wel de beschermingszone. Alleen in die gevallen dat ook dat niet mogelijk is, kan de kabel of leiding toch in de kernzone van de waterkering gelegd worden. - Verbeterwerkzaamheden (waterstaatkundige noodzaak) mogen niet gefrustreerd worden door de aanwezigheid van kabels en leidingen. Indien dit het geval is, worden de kabels en/of leidingen op kosten van de eigenaar daarvan verwijderd. - Indien zich ingeval van verlegging van bestaande kabels en leidingen redelijkerwijs de gelegenheid voordoet om deze naar een alternatief tracé te verleggen, wordt geen vergunning voor ligging in de waterkering verleend. - Kabels en leidingen die niet langer in gebruik zijn, worden verwijderd. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het noodzakelijk is dat een waterkering in zijn geheel wordt verwijderd, kan volstaan worden met alternatieve maatregelen zoals het afdoppen of volstorten. Constructie-eisen - De kabel/leiding volgt het profiel van de waterkering te volgen. Dit geldt niet bij een harde kering. - De kabel/leiding wordt als open ontgraving aangelegd. - De kabel/leiding wordt gelegd in een kleikist waarvan de afmetingen tenminste gelijk zijn aan het ontgravingsprofiel. De minimale afmetingen van een kleikist bedragen 1x1x1 meter (zie tekening K6-124). - De te gebruiken klei en/of zware zavel heeft de volgende samenstelling: lutumfractie 20-35% en zandfractie maximaal 40%. - De kabel/leiding heeft tenminste een dekking van 100 centimeter in de kruin en 80 centimeter in het binnentalud. - Het kwelscherm steekt tenminste in diameter een halve meter buiten de leiding uit. - De leidingsleuf wordt verdicht tot een proctor dichtheid van 97%. - De leidingsleuf wordt na verdichting ingezaaid met een dijkgrasmengsel (D1-mengsel, inzaaidichtheid circa 40 kg per hectare). Normeisen n.v.t. Onderhoudseisen De vergunninghouder is verantwoordelijk voor een goed onderhoud van de kabel/leiding zodanig dat het werk de functie van de waterkering niet negatief beïnvloed. Algemene criteria n.v.t. Toelichting Voor het aanvragen van een vergunning op grond van de Waterwet wordt gebruik gemaakt van het officiële aanvraagformulier voor een watervergunning In dit formulier is aangegeven welke de gegevens vermeld moeten worden bij een aanvraag voor het aanleggen van kabels en leidingen. Hierbij wordt verzocht om een (tracé)tekening, berekeningen, een omschrijving van de aanlegmethode, een boorplan en een werkplan (als aanvulling op de constructietekening) aan te leveren. Waterschap Roer en Overmaas kan aanvullend hierop inzicht vragen in de financiële onderbouwing van tracés en mitigerende maatregelen. 3.6 Bomen en overige beplanting Algemeen Begripsbepaling Met bomen en beplanting worden alle opgaande houtbeplantingen en struikgewassen bedoeld. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (bouw)werken, drijvende werken of opgaande houtbeplanting te plaatsen, te behouden dan wel te verwijderen (artikel 4.1, lid 1, onder b). Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in de beschermingszone van een waterkering, binnen een afstand van 2 meter uit de grens van de waterkering opgaande houtbeplanting aan te brengen te hebben of te rooien (artikel 4.1, lid 2 onder e). Toepassingsgebied Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle waterkeringen en de daarbij behorende beschermingszones die zijn aangegeven op de legger van het waterschap. Toe te passen normen, leidraden, etc. - Vergunningaanvragen worden beoordeeld aan de hand van de geldende leidraden van de ENW; - Blauwdruk beheersplan waterkeringen Stowa. Afweging Beplanting kan een negatieve invloed hebben op de waterkering. Ondermeer doordat door de aanwezigheid van beplanting de grasmat minder goed tot ontwikkeling komt als gevolg van schaduwwerking en bladval. Bladval zal leiden tot vermossing van de grasmat. Hierdoor zal de doorworteling van de grasmat verminderen en minder bestand zijn tegen erosie. Bovendien zal het onderhoud van de grasmat door de aanwezigheid van beplanting bemoeilijkt worden. Beplanting buitendijks (beschermingszone en het buitentalud) wordt daarom niet toegestaan. Voor de overige aanvragen gelden de onderstaande uitgangspunten: - Bij het omvallen van een boom ontstaat een ontwortelingskuil. De grootte van de ontwortelingskuil is afhankelijk van de afmetingen van de wortelkluit. Bomen waarvan de ontwortelingskuil buiten het beoordelingsprofiel van de waterkering ligt, kunnen worden toegestaan. - Bij de beoordeling van de aanvraag wordt uitgegaan van een volledig uitgegroeide boom. - De plaats in het dijkprofiel waar de verschillende beplantingen mogen voorkomen, hangt af van de nadelige gevolgen voor erosie, stabiliteit, piping en onderhoud. Hierbij is met name de diepte en de breedte van de beworteling van belang. - Bomen en beplanting worden alleen daar toegestaan waar deze geen nadelige invloed kunnen hebben op de stabiliteit van de waterkering. De beplanting moet passen binnen de ecologische functie en de structuur van de waterkering. - Bomen en beplanting hebben veelal bladval tot gevolg. Dit leidt tot een slechte ontwikkeling van de grasmat mede als gevolg van vermossing. Op plaatsen waar de grasmat slecht ontwikkeld is, zal dit het erosieproces versnellen. - Bij kademuren en demontabele waterkeringen kan alleen een vergunning worden verleend indien de toegankelijkheid van de muur en/of de demontabele waterkering gegarandeerd blijft. - Het verwijderen van beplanting kan worden toegestaan. Bij eventuele herplant is het bovenstaande van toepassing. De stobbe mag niet worden gefreesd maar moet geheel worden uitgegraven. - Beplanting op de waterkering bemoeilijkt de visuele inspectie van de waterkering (holen van ratten, konijnen e.d. moeilijk zichtbaar). Toetsingscriteria/voorschriften Locatie-eisen De locatie-eisen worden individueel (soort en locatie van de beplanting, overdimensionering waterkering e.d.) beoordeeld. Constructie-eisen - Bij bomen waarvan de ontwortelingkuil ligt binnen het normontwerp van de waterkering worden aanvullende maatregelen getroffen (zoals damwanden of andere versteviging van de waterkering); - Beplanting met sleedoornachtige soorten wordt vanwege de wortelgroei het de grote kans op overwoekering niet toegestaan. Andere constructieve uitgangspunten en eisen zijn: - Bij een volgroeide boom wordt uitgegaan van een boom met een wortelkluit met een dikte van 1 meter en een maximale diameter van 4 meter, en een even grote ontwortelingskuil; - Bij het verwijderen van beplanting wordt de stobbe geheel uitgegraven. Het ontstane gat wordt aangevuld met klei en/of zware zavel en heeft de volgende samenstelling: lutumfractie 20-35% en zandfractie maximaal 40%; - De aangevulde grond wordt in lagen van 30 centimeter verdicht tot 97% van de maximum; - Het gat wordt na aanvulling en verdichting ingezaaid met een dijkgrasmengsel (D1 mengsel, inzaaidichtheid circa 40 kg per hectare); - De minimale afstand van beplanting (stam van de boom) tot aan een (op zichzelf staande) kademuur of demontabele kade bedraagt 2 meter. Hierbij geldt wel dat de ontwortelingskuil buiten het beoordelingsprofiel van de waterkering ligt. Normeisen - Handleiding voor beplanting op en nabij primaire waterkeringen (veiligheidstoetsscore). - STOWA handleidingen. Onderhoudseisen De vergunninghouder is verantwoordelijk voor een goed onderhoud van de boom en of beplanting zodanig dat deze de functie van de waterkering niet negatief beïnvloedt. Algemene criteria n.v.t. Toelichting n.v.t. 3.7 Bouwwerken Algemeen Begripsbepaling Met (bouw)werken worden alle werken bedoeld die niet specifiek in een andere beleidsregel zijn benoemd. Betrokken keurartikelen Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van primaire wateren en waterkeringen (inclusief de bijbehorende ondersteunende kunstwerken) door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (bouw)w