← Nederland

Verordening van Provinciale staten van de provincie Fryslân houdende regels omtrent de provinciale milieuverordening (Provinciale milieuverordening Fr

Kort samengevat

Deze verordening van de provincie Fryslân stelt regels vast voor de bescherming van het milieu, met specifieke aandacht voor geluidhinder en de kwaliteit van grondwater voor waterwinning. Het doel is om de natuurlijke rust en de grondwaterkwaliteit in aangewezen gebieden te behouden.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening van Provinciale staten van de provincie Fryslân houdende regels omtrent de provinciale milieuverordening (Provinciale milieuverordening Fryslân)Provinciale milieuverordening Fryslân. Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1.1 begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet milieubeheer; gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Fryslân; milieubeschermingsgebied: een gebied als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, of artikel 5.2, eerste lid, van deze verordening; de grondwateronttrekker: de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 15.34, tweede lid, van de wet; gesloten stortplaats: een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de wet; nazorgvoorziening: de voorziening ter bescherming van het milieu, als bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de wet; werk: een werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; geluidsapparaat, toestel, motorvoertuig en bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, van de Wet geluidhinder; openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip “wegen”, met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers of fietsers; waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied: zones van milieubeschermingsgebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 2 en die zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten; drinkwaterbedrijf: bedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet; schadelijke stof: stof, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze, op of in de bodem gebracht of gerakend, de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen; bodem: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bodembescherming; dierlijke- of andere meststof: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Meststoffenwet; bestrijdingsmiddel: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; reconstrueren: het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor zover dit, al dan niet tijdelijk, voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico’s voor de grondwaterkwaliteit, met uitzondering van het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden; lozing in de bodem: het definitief in de bodem brengen van vloeistoffen; IBC bouwstof, grond, baggerspecie, achtergrondwaarde en kwaliteitsklasse wonen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit; gesloten bodemenergiesysteem: bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Waterbesluit; open bodemenergiesysteem: bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Waterbesluit; saneringsplan: een plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; evaluatieverslag: een verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming; nazorgplan: een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d, van de Wet bodembescherming. Hoofdstuk 2 Inspraak bij besluiten van algemene strekking Artikel 2.1 procedure voorbereiding milieubeleidsplan 1 Op de voorbereiding van een provinciaal milieubeleidsplan of de wijziging daarvan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 2 De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en adviezen als bedoeld in afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt twaalf weken. Artikel 2.2 procedure wijziging milieuverordening 1 Bestuursorganen die het aangaat en belanghebbenden kunnen schriftelijk zienswijzen naar voren brengen op een voorstel tot wijziging van de provinciale milieuverordening. 2 De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen bedraagt zes weken. 3 De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd. 4 Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing wanneer het voorstel tot wijziging van de provinciale milieuverordening geen wijziging van beleidsinhoudelijke aard betreft . Hoofdstuk 3 Algemeen provinciaal milieubeleid Artikel 3.1 gebruik van gesloten stortplaatsen 1 Het is verboden in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 van de wet bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd: werken te maken of te behouden; stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen of deze te laten staan of liggen; andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten indien die handelingen de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de wet, kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op: het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de wet; handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan. Artikel 3.2 ontheffingsmogelijkheid 1 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen voor het in artikel 3.1, eerste lid, gestelde verbod, indien het belang dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet. 2 Aan een ontheffing kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden die tot doel hebben: de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd. 3 Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing bedoeld in het eerste lid, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 3.3 vereisten voor ontheffingsaanvraag 1 De aanvraag voor de ontheffing als bedoeld in artikel 3.2 wordt bij gedeputeerde staten ingediend. 2 In de aanvraag worden de volgende gegevens vermeld: naam en adres van de aanvrager; het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen; het adres, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart, die uiterlijk drie maanden voor de aanvraag van de ontheffing door het kadaster is afgegeven, waarop het grondgebied van het voorgenomen gebruik bedoeld onder b is aangegeven; de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied genoemd onder c; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren; de maatregelen die worden getroffen om: de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; de wijze van evalueren van en rapporteren over de uitvoering van de onder f bedoelde maatregelen. Artikel 3.4 verbod seismisch onderzoek en proefboringen Het is verboden op of in de bodem mechanische ingrepen dieper dan 2 meter beneden het maaiveld te verrichten voor zover deze bestaan uit het doen van seismisch onderzoek onderscheidenlijk het verrichten van (proef)boringen met als doel de berging van radioactieve of gevaarlijke afvalstoffen in de diepe ondergrond. Hoofdstuk 4 Voorkomen of beperken van geluidhinder Artikel 4.1 aanwijzing stiltegebieden 1 Gebieden waarvoor regels gelden ter voorkoming of beperking van geluidhinder, zijn die gebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 1 en die zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten. 2 Gedeputeerde staten zijn bevoegd de op de kaarten aangewezen grenzen uit te werken. Artikel 4.2 verbod 1 Het is verboden in een milieubeschermingsgebied waar voorkoming of beperking van geluidhinder wordt nagestreefd zonder noodzaak geluid voort te brengen, te doen of te laten voortbrengen in zodanige mate dat de heersende natuurlijke rust in het gebied wordt verstoord. 2 Het is verboden in een stiltegebied de in artikel 4.3 aangewezen toestellen te gebruiken. 3 Gedeputeerde staten zijn bevoegd toestellen als bedoeld in het tweede lid, aan te wijzen. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts gedurende een bepaalde periode, voor een bepaald gebied of voor een bepaald gebruik van een toestel van kracht is. Artikel 4.3 toestellenlijst Als toestellen bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, worden aangewezen: draagvleugelboten; airgun- en andere knalapparatuur en motorisch aangedreven werktuigen met de bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken in het kader van seismisch onderzoek en opsporingsboringen naar in de bodem aanwezige delfstoffen; motorisch aangedreven werktuigen met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken in het kader van aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem; brommers, scooters en motorrijtuigen, tenzij ze worden gebruikt op de openbare weg of voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden; geluidproducerend vuurwerk, tenzij het gebruik: noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar; noodzakelijk is ter voorkoming van schade aan landbouwgewassen; plaatsvindt tijdens de jaarwisseling gedurende de periode die is toegestaan bij Algemene Plaatselijke Verordening; f. schietwapens, tenzij: in gebruik door personen met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van hun functie; het noodseinmiddelen betreft in een geval van nood; in gebruik met inachtneming van het bepaalde in de Flora- en faunawet. modelvliegtuigen met ingeschakelde verbrandingsmotor; modelauto’s en -boten met ingeschakelde verbrandingsmotor; muziekinstrumenten en geluidsapparatuur; omroepinstallaties, sirenes, hoorns en dergelijke apparatuur, in gebruik anders dan ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar of anderszins noodzakelijk uit een oogpunt van algemene veiligheid; jetski’s; speedboten, tenzij gebruikt in de vaargeul van de veerdiensten. Artikel 4.4 uitzonderingsbepaling 1 De in het eerste en tweede lid van artikel 4.2 vervatte verboden zijn niet van toepassing op het gebruiken van toestellen voor normale werkzaamheden, welke uit agrarisch, visserijtechnisch, bosbouwkundig of beheerstechnisch oogpunt worden verricht. 2 De in het eerste en tweede lid van artikel 4.2 vervatte verboden zijn niet van toepassing op recreatieve en culturele activiteiten die plaatsvinden op het strandgedeelte van een eilandgemeente met een eigen vastgesteld strandbeleid. Artikel 4.5 ontheffing 1 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in het eerste en tweede lid, van artikel 4.2 vervatte verboden. 2 Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing als bedoeld in het eerste lid, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 4.6 overgangsbepaling 1 De in het eerste en tweede lid van artikel 4.2 vervatte verboden gelden niet gedurende zes maanden na inwerkingtreding of wijziging van die artikeldelen of van de in het tweede lid, van artikel 4.3 bedoelde toestellenlijst, indien het toestelgebruik of de gedragingen voor het tijdstip van inwerkingtreding waren toegestaan. Is binnen die zes maanden een ontheffing overeenkomstig artikel 4.5 aangevraagd, dan gelden de verboden niet tot zes weken na bekendmaking van het besluit op de aanvraag, dan wel tot een beslissing door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om een voorlopige voorziening. Hoofdstuk 5 Grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning Titel 1 Algemene bepalingen Artikel 5.1 schadelijke stof 1 Onder schadelijke stof worden in dit hoofdstuk in ieder geval verstaan de stof, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten die als zodanig zijn aangewezen in bijlage

  1. 2 Gedeputeerde staten kunnen bijlage 3 wijzigen. Artikel 5.2 aanwijzing gebieden 1 Gebieden waarvoor regels gelden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, zijn die gebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 2 en die zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten. 2 Gedeputeerde staten zijn bevoegd de op de kaarten aangewezen grenzen uit te werken op het niveau van perceelsgrenzen. 3 Het drinkwaterbedrijf draagt er zorg voor dat het gebied als bedoeld in het eerste lid als zodanig goed zichtbaar is aangeduid door middel van borden waarvan het model wordt vastgesteld door gedeputeerde staten. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied. Artikel 5.3 rechtstreeks werkende regels voor gedragingen 1 Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een milieubeschermingsgebied het bijzondere belang met oog waarop het gebied als beschermingsgebied is aangewezen, kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten. Dit geldt niet voor zover dat ingevolgde deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan. Indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moeten alle maatregelen worden genomen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd teneinde de schade te voorkomen, dan wel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. 2 Het eerste lid is niet van toepassing: op handelingen verricht in inrichtingen waarvoor het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde verbod geldt; op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de wet; voor zover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1, van de wet of artikel 13, van de Wet bodembescherming van toepassing is. Titel 2 Waterwingebieden § 2.1 Inrichtingen Artikel 5.4 verbod 1 Het is verboden in een waterwingebied een inrichting bedoeld in onderdeel c van bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht op te richten. 2 Het is verboden in een waterwingebied een inrichting als bedoeld in het eerste lid, of de werking van een inrichting bedoeld in het eerste lid, te veranderen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering wat betreft aard of omvang nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Artikel 5.5 uitzonderingsbepaling De verboden in artikel 5.4, eerste en tweede lid, gelden niet met betrekking tot inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover een in het eerste lid, bedoelde inrichting of een in het tweede lid, bedoelde verandering verband houdt met de werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie. Artikel 5.6 toepassen grond en baggerspecie 1 Het is verboden in een waterwingebied binnen inrichtingen grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt. 2 Het verbod uit het eerste lid, geldt niet voor het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzende perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit. § 2.2 gedragingen buiten inrichtingen Artikel 5.7 verbod 1 Het is verboden in een waterwingebied buiten inrichtingen: schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen; dierlijke of andere meststoffen, anders dan door beweiding, op of in de bodem te brengen; constructies van welke aard dan ook, leidingen en installaties daaronder begrepen, tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken; begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging op te richten, te hebben of te gebruiken; boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben; de grond dieper te roeren dan twee meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren, te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht-doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Onder deze werken worden in ieder geval verstaan bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen; wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze, al dan niet tijdelijk, voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren; kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren; een lozing in de bodem uit te voeren; IBC bouwstoffen op of in de bodem te gebruiken; grond toe te passen of baggerspecie te verspreiden; een gesloten of een open bodemenergiesysteem te installeren, in exploitatie te nemen of te hebben. enigerlei handeling te verrichten of te doen verrichten waarvan men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning nadelig kan beïnvloeden; 2 Waar in het eerste lid sprake is van oprichten, tot stand brengen of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden. Artikel 5.8 uitzonderingen op verbod 1 Het in artikel 5.7, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet voor: het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover deze stoffen redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de normale werking van de inrichting, gericht op openbare drinkwaterproductie; geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen; het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat. 2 De in artikel 5.7, eerste lid, onder e en f, gestelde verboden gelden niet voor: het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen met het oog op de openbare drinkwaterproductie; het oprichten van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning is vereist of algemene voorschriften gelden krachtens de Wet bodembescherming of artikel 6.4, van de Waterwet; het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven. 3 Het in artikel 5.7, eerste lid, onder i, gestelde verbod geldt niet voor lozingen die op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, dan wel op het tijdstip van de aanwijzing van een gebied als waterwingebied bestaan. 4 Het in artikel 5.7, eerste lid, onder k, gestelde verbod geldt niet voor: het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzende perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit; het toepassen van grond waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde niet overschrijdt. Artikel 5.9 ontheffingsmogelijkheid 1 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van: de in artikel 5.7, eerste lid, onder a, c, e, f en g, gestelde verboden; de in artikel 5.7, eerste lid, onder d en h, gestelde verboden, voor begraafplaatsen of terreinen voor uitstrooiing van as respectievelijk voor kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen die op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, dan wel op het tijdstip van de aanwijzing van een gebied als waterwingebied, bestaan of in aanleg zijn. 2 In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten geen ontheffing verlenen ten behoeve van: de ondergrondse opslag van schadelijke stoffen; het gebruik van bestrijdingsmiddelen. 3 Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing bedoeld in het eerste lid, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Titel 3 Grondwaterbeschermingsgebieden § 3.1 Inrichtingen Artikel 5.10 verboden inrichtingen Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in de in bijlage 4 van deze verordening opgenomen lijst. Artikel 5.11 uitzonderingen verboden inrichtingen 1 Het verbod in artikel 5.10 geldt niet met betrekking tot inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover een dergelijke inrichting verband houdt met de werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie. 2 Het verbod in artikel 5.10 geldt evenmin met betrekking tot inrichtingen, voor zover er sprake is van een verplaatsing van een inrichting van de ene locatie binnen een grondwaterbeschermingsgebied naar een andere locatie binnen een grondwaterbeschermingsgebied, mits redelijkerwijs kan worden aangenomen dat door die verplaatsing de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning wat betreft aard of omvang afnemen. Artikel 5.12 verbod wijziging inrichting met ondergrondse opslag ontvlambare vloeistoffen Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied de werking van: een inrichting als bedoeld in categorie 5, van onderdeel c van bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht, waarin de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen ondergronds plaatsvindt; en een inrichting als bedoeld in de categorieën 1 tot en met 4 of 6 tot en met 29, van bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht waarbinnen zich een of meer ondergrondse tanks voor de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen bevinden, voor wat betreft de onder a of b genoemde opslag te veranderen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering wat betreft aard of omvang nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Artikel 5.13 verboden inrichtingen 1 Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting waarvoor het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde verbod niet geldt in werking te hebben, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in de in bijlage 4 van deze verordening opgenomen lijst. 2 Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting waarvoor het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet geldt in werking te hebben, indien zich binnen die inrichting een of meer ondergrondse tanks voor de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen bevinden. 3 Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht op te richten of in werking te hebben waarbinnen zich een gesloten of een open bodemenergiesysteem bevindt of wordt geïnstalleerd. 4 De in het eerste, tweede en derde lid gestelde verboden gelden niet voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften die overeenkomstig artikel 5.18 door gedeputeerde staten zijn vastgesteld. Artikel 5.14 verbod toepassen grond 1 Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied binnen inrichtingen: IBC bouwstoffen toe te passen; grond toe te passen. 2 Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet voor het toepassen van grond: op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond  de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel  de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is. in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond  de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel  de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is bij toepassing in een omvang van meer dan 5.000 m³ indien wordt aangetoond dat de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de desbetreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond  bij een toepassing op in de bodem de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt;  bij een toepassing in oppervlaktewater de maximale waarde van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt. 3 Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het tweede lid, onder c, doet degene die de activiteit onderneemt een melding. De melding bevat de resultaten van locatiespecifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico’s op verontreiniging van de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen. § 3.2 gedragingen buiten inrichtingen Artikel 5.15 verbod 1 Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied buiten inrichtingen: schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen; dierlijke- of andere meststoffen op of in de bodem te brengen; constructies van welke aard dan ook, leidingen en installaties daaronder begrepen, tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken; begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing van as als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de Lijkbezorging op te richten, te hebben of te gebruiken; boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te helpen; de grond dieper te roeren dan twee meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht-doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Onder deze werken worden in ieder geval verstaan bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen; wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze, al dan niet tijdelijk, voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren; kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren; een lozing in de bodem uit te voeren; een IBC bouwstof of grond toe te passen; een gesloten of een open bodemenergiesysteem te installeren, in exploitatie te nemen of te hebben; enigerlei handeling te verrichten of te doen verrichten waarvan men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning nadelig kan beïnvloeden. 2 Waar in het eerste lid sprake is van oprichten, tot stand brengen of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden. Artikel 5.16 uitzonderingen op verbod 1 Het in artikel 5.15, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet voor: het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover deze stoffen redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie; geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen; het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; het gebruik van krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in grondwaterbeschermingsgebieden toegestane bestrijdingsmiddelen. 2 Het in artikel 5.15, eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet: voor het normaal landbouwkundig gebruik van kunstmest; voor het verspreiden van dierlijke- of andere meststoffen binnen de grondwaterbeschermingsgebieden : Noord-Bergum, Spannenburg, Terwisscha, Oldeholtpade, Terschelling, Vlieland, Nijbeets, Oudega (G) en Garyp; voor het verspreiden van dierlijke meststoffen op grasland binnen de grondwaterbeschermingsgebieden Ameland Buren, Ameland Hollum en Schiermonnikoog. 3 De in artikel 5.15, eerste lid, onder d en g, gestelde verboden zijn niet van toepassing voor begraafplaatsen of terreinen voor de uitstrooiing van as respectievelijk voor wegen, parkeergelegenheden, terreinen voorzover deze, al dan niet tijdelijk, voor gemotoriseerd verkeer openstaan en waterwegen of spoorwegen, die op 1 januari 1990 bestonden of in aanleg waren, voorzover het de toestand betreft waarin zij op die datum verkeerden. 4 De in artikel 5.15, eerste lid, onder e en f, gestelde verboden gelden niet voor: het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen met het oog op de openbare drinkwaterproductie; het oprichten van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer voorzover daarvoor een vergunning is vereist of algemene voorschriften gelden krachtens de Wet bodembescherming of artikel 6.4, van de Waterwet; het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven. 5 Het in artikel 5.15, eerste lid, onder i, gestelde verbod geldt niet voor lozingen die op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, dan wel op het tijdstip van de aanwijzing van een gebied als grondwaterbeschermingsgebied bestaan. 6 Het in artikel 5.15, eerste lid, onder j, gestelde verbod geldt niet voor het toepassen van grond: op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond  de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel  de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is. in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond  de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel  de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is bij toepassing in een omvang van meer dan 5.000 m³ indien wordt aangetoond dat de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de desbetreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond  bij een toepassing op in de bodem de maximale warden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt;  bij een toepassing in oppervlaktewater de maximale waarde van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt. 3 Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het zesde lid, onder c, doet degene die de activiteit onderneemt een melding. De melding bevat de resultaten van locatiespecifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico’s op verontreiniging van de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen. Artikel 5.17 ontheffingsmogelijkheid
  2. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 5.15, eerste lid, onder a, b, c, d, e, f, g en h, genoemde verboden.
  3. Gedeputeerde staten kunnen aan een college van burgemeester en wethouders een ontheffing verlenen van het in artikel 5.15, eerste lid, onder j genoemde verbod voor het toepassen van grond kwaliteitsklasse Industrie in wegbermen met de kwaliteitsklasse Industrie mits de grond afkomstig is uit het grondwaterbeschermingsgebied waarbinnen het in de wegberm wordt toegepast, kan worden aangetoond dat er geen risico zijn voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning en de gemeenteraad voor het gebied maximale waarden als bedoeld in artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit heeft vastgesteld.
  4. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing bedoeld in het eerste en tweede lid, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing Titel 4 Algemene voorschriften Artikel 5.18 mogelijkheid stellen algemene voorschriften Gedeputeerde staten kunnen ten aanzien van inrichtingen of gedragingen in: artikel 5.13 en artikel 5.15 algemene voorschriften vaststellen. Tot de voorschriften bedoeld in het eerste lid, kan behoren de verplichting die inrichting of gedraging te melden aan gedeputeerde staten of een door gedeputeerde staten aangewezen instantie. Gedeputeerde staten maken de algemene voorschriften, bedoeld in het eerste lid, bekend in het provinciaal blad. Titel 5 Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in milieubeschermingsgebieden Artikel 5.19 Instructiebepalingen 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een inrichting verstaan een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in bijlage
  5. Voor zover in die bijlage bij een categorie van inrichtingen categorieën van gevallen zijn aangewezen, zijn de volgende leden van dit artikel slechts in die aangewezen gevallen van toepassing. 2 Indien het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor een inrichting verleent die is of zal zijn gelegen in een milieubeschermingsgebied, worden aan die omgevingsvergunning in ieder geval de voorschriften verbonden waarvan de inhoud is aangegeven in bijlage 5, voor zover in die bijlage is aangegeven dat deze van toepassing zijn op de betreffende categorie van inrichtingen. 3 Het bevoegd gezag kan, voor zover dit is aangegeven in bijlage 5, afwijken van de voorschriften als bedoeld in het tweede lid, dan wel nadere eisen stellen. Een nadere eis wordt gesteld als voorschrift dat aan de omgevingsvergunning wordt verbonden. Hoofdstuk 6 Bodemsanering Artikel 6.1 meldingen 1 Voor de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt gebruik gemaakt van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier waarop in aanvulling op de gegevens bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wet bodembescherming in ieder geval worden vermeld: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; de naam en het adres van degene die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder a, alsmede van de gebruiker daarvan; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden dan wel de handelingen zullen worden verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst. 2 Het meldingsformulier als bedoeld in het eerste lid, het rapport van het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29, van de Wet bodembescherming, het saneringsplan, het evaluatieverslag en het nazorgplan worden in drievoud bij gedeputeerde staten ingediend. Artikel 6.2 eisen aan saneringsplan 1 Voor de melding bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt gebruik gemaakt van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier, waarop in ieder geval worden vermeld: Algemene gegevens  het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt;  een kadastrale kaart, waarop het geval van verontreiniging is aangegeven, die maximaal 13 weken voor indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven;  een uittreksel van het kadaster waaruit de huidige eigendomssituatie blijkt;  het huidige en voorgenomen gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan;  de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder 1°, alsmede van de gebruiker daarvan;  de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden;  de naam en het adres van degene die de sanering feitelijk uitvoert;  een overzicht van de bij de uitvoering van de sanering belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen;  een tijdschema met een eventuele fasering, waarbij in ieder geval de datum waarop naar verwachting met de sanering zal worden begonnen, en de datum waarop de sanering naar verwachting zal zijn afgerond, zijn aangegeven;  een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering betrokken bedrijven en instanties, voorzover deze ten tijde van het indienen van het saneringsplan bekend zijn;  een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het werk te kunnen uitvoeren;  de voorgenomen fasering, alsmede de argumentatie om de sanering gefaseerd uit te voeren, indien de sanering in fasen wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming;  de reden voor een deelsanering, indien een deelsanering wordt uitgevoerd als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming. Keuze saneringsvariant  de gekozen saneringsvariant met het saneringsdoel;  de voorgenomen fasering, alsmede het verzoek om een besluit als bedoeld in artikel 38, vierde lid, van de Wet bodembescherming, indien de sanering in fasen wordt uitgevoerd;  het verzoek om een besluit te nemen op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming, indien slechts een gering gedeelte van de verontreiniging van de bodem wordt verplaatst;  de redenen waarom de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, niet worden hersteld, indien die situatie zich voordoet. De te nemen maatregelen  een beschrijving van de maatregelen die de sanering mogelijk moeten maken;  een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en andere technische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving;  een beschrijving van maatregelen die milieuhygiënisch ongewenste effecten als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken;  de te verwachten hoeveelheid af te graven grond dan wel te onttrekken hoeveelheid grondwater indien verontreinigde grond zal worden afgegraven of verontreinigd grondwater zal worden onttrokken; de redenen waarom de grond of het grondwater geheel of gedeeltelijk niet zal worden gereinigd, indien die situatie zich voordoet;  een weergave van de ontgravingscontour en het grondwateronttrekkingssysteem: vanuit bovenaanzicht bezien, aangegeven op een kadastrale kaart, welke ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven; vanuit de zijaanzichten bezien;  gegevens over de kwaliteit en kwantiteit van de eventueel te gebruiken aanvulgrond;  gegevens over de bestemming van overige verontreinigde stoffen die, naast de verontreinigde grond, vrijkomen bij de sanering;  een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de grondwatersanering wordt gecontroleerd en hoe over de voortgang wordt gerapporteerd; een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding plaatsvindt, waartoe in elk geval behoort het bijhouden van een logboek. 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het saneringsplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien: bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, en daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan. 3 Het eerste lid is niet van toepassing op een saneringsplan dat betrekking heeft op een sanering van de bodem ten aanzien waarvan artikel 9, vijfde lid, van het Besluit tankstations milieubeheer van toepassing is. Artikel 6.3 melden feitelijke aanvang 1 Degene die de sanering feitelijk uitvoert op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, meldt uiterlijk twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering middels een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier, bij gedeputeerde staten de aanvangsdatum van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering. 2 Indien de grondsanering respectievelijk grondwatersanering niet zal worden gestart op de overeenkomstig het eerste lid gemelde aanvangsdatum of de overeenkomstig dit lid aangepaste aanvangsdatum, meldt degene die de sanering feitelijk uitvoert dit onverwijld schriftelijk aan gedeputeerde staten, onder opgave van de nieuwe aanvangsdatum. Indien de nieuwe aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is, meldt degene die de sanering feitelijk uitvoert de nieuwe aanvangsdatum minimaal twee weken voor deze datum schriftelijk aan gedeputeerde staten. 3 Indien zich bij de uitvoering van de sanering feiten of omstandigheden voordoen als gevolg waarvan afgeweken moet worden van het saneringsplan, waarmee gedeputeerde staten op grond van artikel 39, tweede lid van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, stelt degene die de sanering feitelijk uitvoert gedeputeerde staten hiervan terstond op de hoogte. 4 Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt degene die de sanering feitelijk uitvoert uiterlijk twee dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop over het gehele gebied van de ontgraving de eindbreedte en de einddiepte bereikt zal worden en tot aanvulling van de ontgraving zal worden overgegaan, gedeputeerde staten van dat tijdstip op de hoogte. Bij ontgraving en aanvulling in gedeelten, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte. 5 Indien genoemde eindbreedte en einddiepe binnen vijf dagen na de start van de sanering worden bereikt, dient hiervan schriftelijk melding te worden gedaan bij de melding bedoeld in het eerste lid. Artikel 6.4 aanvullende eisen saneringsplan 1 In een geval bedoeld in artikel 63c, eerste lid, van de Wet bodembescherming bevat het saneringsplan de gegevens als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, alsmede de volgende gegevens: bij A. Algemene gegevens  de naam en de functie van het oppervlaktelichaam;  de wijze waarop de beheerder van het watersysteem waarin zich de verontreiniging bevindt, voor zover deze niet zelf met de sanering is belast, bij de uitvoering van de sanering wordt betrokken; bij C. De te nemen maatregelen  de hoeveelheid te verwijderen baggerspecie, onderverdeeld in de hoeveelheid onderhoudsbaggerspecie en de hoeveelheid saneringsbaggerspecie. 2 In een geval bedoeld in artikel 63c, eerste lid, van de Wet bodembescherming is artikel 6.3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel 6.5 melding wijziging saneringsplan 1 Bij een melding inzake de wijziging van het saneringsplan bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: alle gegevens die afwijken van het saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd; de inhoud van de wijziging; de reden van de wijziging; de gevolgen van de wijziging voor de oorspronkelijk beoogde saneringsdoelstelling en de ter uitvoering daarvan te treffen saneringsmaatregelen. 2 Voor de melding bedoeld in het eerste lid dient gebruik te worden gemaakt van het door gedeputeerde staten vastgestelde formulier. Artikel 6.6 eisen evaluatieverslag 1 Degene die de bodem heeft gesaneerd, dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan. 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden in het evaluatieverslag in ieder geval de volgende gegevens vermeld: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop ingetekend de contour van de bodemverontreiniging en de contour van de uitgevoerde grondsanering respectievelijk grondwatersanering; een korte omschrijving van de kwaliteit van de bodem voorafgaand aan het uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een beschrijving van de aard en de omvang van de verontreiniging; gegevens over het verloop van de sanering, waaronder in elk geval de relevante data van de uitvoering; een beschrijving van de uitvoering van de sanering, voor zover deze uitvoering wijzigingen betreft van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd, alsmede de reden voor deze wijzigingen, die zijn gemeld ingevolge artikel 39, vierde lid, Wet bodembescherming; een beschrijving van de uitvoering van de sanering naar aanleiding van aanwijzingen ingevolge artikel 38, vierde lid, en artikel 39, vijfde lid, van de Wet bodembescherming die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd; een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen, waaronder afmetingen van ontgravingen, de analyseresultaten van controlegrondmonsters, depotmonsters, in- en effluentmonsters en monsters uit waarnemingsfilters; de daadwerkelijke saneringskosten waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de kosten van onderzoek en de kosten van sanering; een beschrijving van de verontreiniging als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder b, van de Wet bodembescherming met hierbij een verwijzing naar het nazorgplan, als bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming dat op deze verontreiniging ziet, indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven. Dit nazorgplan moet tegelijkertijd met het evaluatieverslag wordt ingediend bij gedeputeerde staten. 3 Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het evaluatieverslag van gegevens als bedoeld in het tweede lid van dit artikel achterwege blijven indien: bij de indiening van het evaluatieverslag wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, en daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het evaluatieverslag. 4 Voor de melding bedoeld in het eerste lid dient gebruik te worden gemaakt van het door gedeputeerde staten vastgestelde formulier. Artikel 6.7 eisen nazorgplan 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming worden in het nazorgplan de volgende gegevens vermeld: Algemene gegevens  het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt;  een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop ingetekend de contour van de bodemverontreiniging en de contour van de uitgevoerde grondsanering, respectievelijk grondwatersanering;  het huidige en toekomstige gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan;  een overzicht van bij de nazorg betrokken personen en instanties, waartoe in elk geval behoren naam- en adresgegevens, taken en verantwoordelijkheden;  de door betrokken partijen ondertekende contractuele afspraken die gelden en waaruit blijkt dat diegene zich tot de uitvoering hiervan verbindt, indien een ander dan degene die de bodem heeft gesaneerd in het nazorgplan wordt aangewezen als degene die is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen. Aanvangssituatie  een globale beschrijving van de sanering en de reden voor de achtergebleven verontreiniging;  een beschrijving van de aard, de omvang, de mate en de ligging van de achtergebleven verontreiniging van de grond en het grondwater, waartoe in elk geval behoort een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop de achtergebleven verontreiniging;  een beschrijving van de aard van isolerende voorzieningen, inclusief kaartmateriaal met daarop de ligging van deze voorzieningen weergegeven als dwarsdoorsnede en bovenaanzicht, indien isolerende voorzieningen zijn aangebracht;  een beschrijving van het monitoringssysteem, inclusief kaartmateriaal met daarop de plaats van de filterstelling van de monitoringspeilbuizen weergegeven als dwarsdoorsnede en bovenaanzicht, indien de restverontreiniging wordt gemonitord;  een beschrijving van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en haar omgeving, waaronder in ieder geval de bodemopbouw, de geohydrologie en de aanwezigheid van kwetsbare objecten en activiteiten in de omgeving;  een kaart met daarop aangegeven de aanwezig kabels en leidingen in het gebied waar de achtergebleven verontreiniging zich bevindt. Gebruiksbeperkingen  een beschrijving van gebruiksbeperkingen, met bijbehorend kaartmateriaal weergegeven als bovenaanzicht, indien gebruiksbeperkingen noodzakelijk zijn; Nazorgmaatregelen  de doelstelling van de nazorg;  een beschrijving van de nazorgmaatregelen en de nazorgvoorzieningen, alsmede de verwachte levensduur daarvan;  een beschrijving van de wijze waarop de aangebrachte isolerende voorzieningen worden beheerd en onderhouden, de wijze en frequentie van de controle op het functioneren van de voorzieningen en de criteria waarmee dit wordt beoordeeld, alsmede de wijze waarop gehandeld wordt als de voorzieningen niet naar behoren functioneren indien isolerende voorzieningen zijn aangebracht;  een beschrijving van de wijze waarop en de frequentie waarmee de restverontreiniging wordt gemonitord, hoe de resultaten worden geïnterpreteerd, de wijze waarop de monitoringsinstrumenten worden beheerd en onderhouden en hoe gehandeld wordt als de verwachte resultaten niet worden bereikt, indien de restverontreiniging wordt gemonitord;  een beschrijving van hoe wordt gehandeld bij calamiteiten;  een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om de nazorg te kunnen uitvoeren. Rapportage en evaluatie  de tijdstippen waarop over de resultaten van de nazorg aan het bevoegd gezag verslag wordt gedaan. Financiële aspecten  een begroting van de kosten van de nazorgmaatregelen, inclusief de eventueel noodzakelijke vervangingen van de voorzieningen. 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het nazorgplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid van dit artikel achterwege blijven indien: bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken; en daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken; en die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het nazorgplan. 3 Voor de melding bedoeld in het eerste lid, dient gebruik te worden gemaakt van het door gedeputeerde staten vastgestelde formulier. Artikel 6.8 sanering door gedeputeerde staten 1 Voordat gedeputeerde staten overgaan tot sanering van een geval van ernstige verontreiniging stellen zij een saneringsplan vast. 2 Nadat gedeputeerde staten de sanering of een fase van de sanering als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming van een geval van ernstige verontreiniging hebben uitgevoerd, stellen zij een evaluatieverslag vast. 3 Indien na de uitvoering van de sanering een verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven en in het evaluatieverslag, bedoeld in het tweede lid is aangegeven dat beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder f, van de Wet bodembescherming nodig zijn, stellen gedeputeerde staten een nazorgplan vast. 4 Op de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een saneringsplan, respectievelijk een evaluatieverslag en een nazorgplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat bij ingezetenen, van de gemeente waarin de sanering bedoeld in het eerste lid plaatsvindt of bij belanghebbenden, aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat. 5 Indien gedeputeerde staten besluiten om toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht achterwege te laten, doen zij hiervan mededeling in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. 6 Met betrekking tot de inhoud van het saneringsplan, respectievelijk het evaluatieverslag en het nazorgplan zijn de artikelen 39, eerste lid, respectievelijk 39c, eerste lid, en 39d, tweede lid, van de Wet bodembescherming en de artikelen 6.3, respectievelijk 6.7 en 6.8 van overeenkomstige toepassing. Artikel 6.9 instellen projectgroep 1 Indien gedeputeerde staten opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat bij ingezetenen van de gemeente waarin de uitvoering van dat onderzoek respectievelijk die sanering plaatsvindt of belanghebbenden, daaraan geen behoefte bestaat. 2 Het bepaalde in het eerste lid voorziet in de betrokkenheid als bedoeld in artikel 52 van de Wet bodembescherming, waarbij wordt afgeweken van de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 6.10 taak en samenstelling projectgroep 1 Een projectgroep bedoeld in artikel 6.9, eerste lid, heeft tot taak gedeputeerde staten haar zienswijze te geven over de uitvoering van het in dat artikel bedoelde onderzoek onderscheidenlijk de sanering. 2 Een projectgroep bestaat ten minste uit: een vertegenwoordiger van gedeputeerde staten; een vertegenwoordiger van burgemeester en wethouders van de gemeenten waarbinnen het geval de verontreiniging is gelegen; voor zover mogelijk een vertegenwoordiger van de ingezetenen van die gemeente en van andere belanghebbenden bij de uitvoering van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek of de sanering van dat geval. Hoofdstuk 7 Ontheffingen Artikel 7.1 ontheffingen Van de bepalingen van deze verordening kan een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3 van de wet worden verleend voor zover dat bij die bepalingen is aangegeven. Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag tot het geven van een ontheffing en van de beschikking tot wijziging of intrekking van de ontheffing. Artikel 7.2 weigeringsgrond De ontheffing wordt geweigerd indien door het stellen van voorschriften niet voldoende kan worden tegemoet gekomen aan het belang dat beschermd moet worden door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd. Artikel 7.3 voorschriften 1 Aan een ontheffing worden de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het belang dat de bepaling waarvan ontheffing wordt verleend beoogt te beschermen. 2 Met betrekking tot de ontheffing en de aan de ontheffing te verbinden voorschriften zijn artikel 2.22, eerste en vijfde lid, artikel 2.22, tweede lid, juncto artikel 2.14, eerste lid, onder a, onder 5°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de artikelen 5.5, eerste lid, 5.6, 5.7, tweede en vijfde lid, en 5.9 van het Besluit omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing. Artikel 7.4 geldigheid ontheffing 1 Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend en voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald. 2 In afwijking van het eerste lid, geldt een ontheffing die betrekking heeft op de verwijdering van afvalstoffen slechts voor degene aan wie zij is verleend. Artikel 7.5 wijzigen voorschriften 1 Op verzoek van de houder van een ontheffing kan het bevoegd gezag voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorschriften aan de ontheffing verbinden. 2 Het bevoegd gezag kan, anders dan op verzoek van de houder, voorschriften die aan een ontheffing verbonden zijn, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorschriften aan een ontheffing verbinden ten behoeve van het belang dat de bepaling waarvan ontheffing wordt verleend beoogt te beschermen. Artikel 7.6 intrekken van verleende ontheffing 1 Het bevoegd gezag kan een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken op verzoek van de houder van de ontheffing, indien het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, zich daartegen niet verzet. 2 Het bevoegd gezag kan, anders dan op verzoek van de houder, een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien: het gebruik maken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, en toepassing van artikel 7.5 daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt; gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de ontheffing; de houder van de ontheffing niet meer degene is die de gedraging waarvoor ontheffing is verleend uitvoert en op grond van artikel 7.4, eerste lid, is bepaald dat de ontheffing slechts geldt voor degene aan wie zij is verleend dan wel wanneer het een geval betreft waarop artikel 7.4, tweede lid, van toepassing is. Artikel 7.7 van overeenkomstige toepassing zijnde bepalingen Met betrekking tot een besluit op grond van artikel 7.5 of 7.6 zijn artikel 1.3, derde lid, van de wet en de artikelen 7.2 tot en met 7.4 van overeenkomstige toepassing. Artikel 7.8 aanvraag 1 Een aanvraag om een ontheffing op de voorbereiding waarvan de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is wordt ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan. 2 Een aanvraag bevat in ieder geval: een beschrijving van de gedraging waarvoor een ontheffing wordt verzocht, daaronder begrepen gegevens omtrent de constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken; een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de gedraging zal plaatsvinden; een opgave van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van stoffen ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van belang zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu die de gedraging kan veroorzaken, alsmede van de te verwachten emissies. Artikel 7.9 adviseurs Indien afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag om een ontheffing, stelt het bestuursorgaan: burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden, in gevallen waarin zij niet het bestuursorgaan zijn, of gedeputeerde staten in gevallen waarin ontheffing wordt gevraagd voor een gedraging die plaatsvindt of zal plaatsvinden in een milieubeschermingsgebied en zij niet het bestuursorgaan zijn in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het voornemen een besluit te nemen als bedoeld in artikel 7.5 of 7.
  6. In het geval een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, of een voornemen als bedoeld in het tweede lid, betrekking heeft op een gedraging waarop regels uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn, wordt de grondwateronttrekker betrokken bij de totstandkoming van de beschikking. Hoofdstuk 8 Vergoeding van kosten Artikel 8.1 toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van gedeputeerde staten ingevolge artikel 15.21, juncto artikel 15.20 en artikel 15.22, van de wet met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening. Artikel 8.2 aanvraag De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens: de vermelding van de bepaling van deze verordening, als gevolg waarvan de verzoeker zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt; de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade; de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, indien een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt. Artikel 8.3 betrekken deskundigen 1 Gedeputeerde staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 8.
  7. 2 Gedeputeerde staten kunnen advies inwinnen van de in het eerste lid bedoelde deskundigen omtrent een verzoek om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigener beweging. 3 Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt de aanvrager van de beschikking in de gelegenheid gesteld aan die deskundigen zijn aanvraag toe te lichten. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken. 4 Indien de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel op schade ontstaan door het van toepassing worden van bepalingen uit hoofdstuk 5 van deze verordening, en deskundigen die zijn belast met het adviseren inzake de toekenning van die vergoeding zijn aangewezen, wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken. 5 De deskundigen brengen advies uit inzake: de vraag of de kosten zijn gemaakt dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening; de omvang van de kosten dan wel de schade; de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven; de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt; de hoogte van de toe te kennen vergoeding. 6 De deskundigen brengen hun advies zo snel mogelijk uit aan gedeputeerde staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, en in een geval bedoeld in het vierde lid, tevens aan de grondwateronttrekker. Gedeputeerde staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvatting omtrent het advies kenbaar kunnen maken. Artikel 8.4 aanvullende bepaling grondwaterbescherming 1 Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 8.3, tweede lid, en de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen uit hoofdstuk 5 stellen gedeputeerde staten de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat zij hieromtrent een beslissing nemen. 2 Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het aan een omgevingsvergunning voor een inrichting verbinden van voorschriften waarvan de inhoud is aangegeven in bijlage 5, dient dat verzoek tenminste vergezeld te gaan van: een afschrift van een aanvraag om vergoeding en de daarbij gevoegde stukken indien het bestuursorgaan die aanvraag heeft ontvangen; een afschrift van de opvattingen van de grondwateronttrekker, indien deze schriftelijk zijn opvattingen over de aanvraag of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt; een afschrift van het advies van deskundigen als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht indien het bestuursorgaan dat advies heeft ingewonnen; het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van de beschikking. 3 Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de grondwateronttrekker is gevoegd, stellen gedeputeerde staten hem in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen. 4 Gedeputeerde staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk vier maanden na ontvangst van dat verzoek of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 8.3, tweede lid, binnen zeven maanden na de ontvangst van het verzoek. Hoofdstuk 9 Handhaving Artikel 9.1 strafbaarstelling Een gedraging in strijd met artikel 3.1, 4.2, 5.3, 5.4, 5.6, 5.7, 5.10, 5.12, 5.13, 5.14, 5.15, 6.3 en 6.6, is een strafbaar feit. Hoofdstuk 10 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 10.1 citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Provinciale milieuverordening Fryslân. Artikel 10.2 overgangsrecht ontheffingen handelingen binnen grondwaterbeschermingsgebieden Ontheffingen op grond van de Verordening grondwaterbeschermingsgebieden Friesland die betrekking hebben op: handelingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van deze verordening die worden verricht in inrichtingen waarvoor het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet geldt, of handelingen die niet betrekking hebben op een inrichting als aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de wet worden gelijkgesteld met een ontheffing van het bepaalde in hoofdstuk 5 van deze verordening. Een aanvraag tot het wijzigen van een ontheffing op grond van de Verordening grondwaterbeschermingsgebieden Friesland, wordt afgedaan op grond van deze verordening. Een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 5.9 of 5.17, die is ingediend voor het tijdstip waarop artikel 5.7, eerste lid, onder j, onderscheidenlijk artikel 5.15, eerste lid, onder j in werking is getreden, wordt afgedaan op grond van deze verordening. Leeuwarden, 18 september 2013Voorzitter J.A. JorritsmaGriffier A. Oortgiesen
  8. Algemeen 1.1 Grondslag van de provinciale milieuverordeningOp 1 maart 1993 is de Wet milieubeheer in werking getreden. Daarmee ontstond ingevolge artikel 1.2 van deze wet voor de provincies de verplichting een verordening ter bescherming van het milieu vast te stellen. Artikel 1.2 noemt een aantal onderwerpen waarvoor regels kunnen en soms ook moeten worden gesteld. Ook andere bepalingen in de Wet milieubeheer doen dat. Ten slotte bevatten ook enkele andere milieuwetten dergelijke bepalingen. Tot de verplichte onderdelen die in de milieuverordening (verder te noemen: PMV) moeten worden opgenomen behoren het aanwijzen van stilte- en grondwaterbeschermingsgebieden en het opnemen van beschermingsregels die gelden binnen deze gebieden. Verder geldt vanaf 2006 op grond van de Wet bodembescherming de verplichting om regels op te nemen om ingezetenen te betrekken bij de uitvoering van onderzoek en sanering van de bodem. 1.2 Ontwikkeling van de PMV Vanaf het moment dat voor de provincies de verplichting ontstond om een PMV op te stellen, hebben de provincies zoveel mogelijk samengewerkt. Dit heeft geleid tot de IPO Model PMV. De PMV van de provincie Fryslân is, in ieder geval wat de inhoud betreft, zoveel mogelijk gebaseerd op deze IPO Model PMV. Sinds 1993 is de Wet milieubeheer een aantal keren gewijzigd en dat heeft ook consequenties gehad voor de inhoud van de PMV. In de loop der jaren is een aantal onderwerpen uit de PMV verdwenen, dit geldt bijvoorbeeld voor de regeling op het gebied van de verwijdering van afvalstoffen. Hiervoor is een uitputtende rijksregeling in werking getreden die een aanvullende regeling niet langer noodzakelijk of zelfs onmogelijk maakte. Na de inwerkingtreding op 8 maart 2006 van de Wet dualisering provinciale medebewindbevoegdheden is het hoofdstuk over de provinsjale Kommisje Kritebelied van rechtswege vervallen. In andere gevallen zijn juist regelingen in de PMV opgenomen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de regeling voor bodemsanering. De regeling voor het gebruik van gesloten stortplaatsen is ook na een wijziging van de Wet milieubeheer in de PMV opgenomen. Na het inwerkingtreden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO) kon een groot deel van deze regeling weer vervallen. 1.3 Reikwijdte van de PMV De regeling van de PMV in de Wet milieubeheer is beperkt van omvang en globaal van opzet gehouden. Dat biedt ruimte voor een vrij grote mate van zelfstandige invulling door de provincies. Naast de aanduiding van al dan niet facultatief te regelen onderwerpen bepaalt artikel 1.2 van de Wet milieubeer slechts dat provinciale staten de verplichting hebben een verordening in het leven te roepen, die strekt ter bescherming van het milieu. In die zin wordt het begrip “milieu” opgevat als het object van de bescherming. Het gaat dan om de fysieke omgeving van de mens in al zijn verschijningsvormen. De algemene formulering van het derde lid van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer brengt met zich mee, dat alle bestaande verordeningen op milieugebied na de inwerkingtreding van de PMV vervallen. Er is geen ruimte meer voor autonome verordeningen die regels stellen ter bescherming van het milieu. In 1993 zijn daarom de Verordening grondwaterbeschermingsgebieden Friesland en de Stilteverordening Friesland vervallen. De regels uit deze beide verordeningen zijn vanaf dat moment opgenomen in de PMV. Hiermee werd ook meteen voldaan aan de verplichting die in het tweede lid van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer aan de provincies werd opgelegd. De PMV moet namelijk in ieder geval regels bevatten ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning en inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in aangewezen gebieden. Het derde lid van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer geeft provinciale staten de bevoegdheid verdere regels te stellen ter bescherming van het milieu, voor zover dit naar het oordeel van provinciale staten van meer dan gemeentelijk belang is. Provinciale staten moeten dus bij het stellen van regels enige terughoudendheid betrachten. Ze mogen niet treden in onderwerpen die van uitsluitend lokaal belang zijn en daarom ook op lokaal niveau thuishoren. Provinciale staten zullen bij een verschil van inzicht moeten motiveren waarom zij van mening zijn dat er sprake is van een meer dan gemeentelijk belang. De bevoegdheid om de in verordening voor burgers bindende regels in de PMV op te nemen kent drie uitzonderingen. Ten eerste is het niet toegestaan regels te stellen ten aanzien van de samenstelling of de eigenschappen van producten. Er kunnen geen beperkingen worden gesteld aan het in de handel brengen van bepaalde stoffen of toestellen van een bepaalde constructie. Dat sluit niet uit dat, met name in de specifieke beschermingsgebieden, regels worden gesteld aan het gebruik of de opslag van bepaalde soorten producten. Ten tweede is het niet mogelijk rechtstreeks werkende regels op te nemen die betrekking hebben op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden die door de Minister van I&M in overeenstemming met de Minister van EZ zijn aangewezen (relatienotagebieden). Ten derde gelden er restricties ten aanzien van het stellen van rechtstreeks werkende regels die betrekking hebben op inrichtingen. De gedachte hierachter is dat iemand die een inrichting drijft met zo min mogelijk bronnen van milieuvoorschriften wordt geconfronteerd. Er is een uitzondering gemaakt als het gaat om regels te bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. In twee gevallen mogen dan rechtstreeks werkende regels voor inrichtingen in de PMV worden opgenomen: a. ten aanzien van aangewezen categorieën van inrichtingen waarvoor geen vergunningplicht geldt, of, b. die een verbod inhouden om in de verordening aangewezen categorieën van inrichtingen op te richten of op een aangegeven wijze te veranderen. In alle andere gevallen kunnen voor vergunningplichtige inrichtingen in de verordening wel bij wijze van instructie regels worden opgenomen, die door het vergunningverlenend gezag - niet zijnde een orgaan van het Rijk – in acht moeten worden genomen. De inzet van instructies heeft gevolgen voor de gemeentelijke bevoegdheden in de gevallen dat burgemeester en wethouders voor een inrichting bevoegd gezag zijn. Daarom moet het belang van de instructie goed gemotiveerd kunnen worden en is goed overleg met de betrokken gemeenten nodig, onder meer om te bezien of de inzet van instructies wel het meest doelmatige middel is. In de verordening is ervoor gekozen instructies voor vergunningen voor inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden op te nemen. In het algemeen dienen gemeenten een kostenvergoeding te ontvangen wanneer haar door een ander overheidsorgaan een nieuwe taak wordt opgelegd. Er is hier echter geen sprake van een nieuwe taak, maar van normering van een taak die de gemeenten op grond van eerder de Wet milieubeheer en nu de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht al hebben.
  9. Toelichting bij de hoofdstukken 2.1 Hoofdstuk 1 AlgemeenIn dit hoofdstuk wordt de inhoud van de verschillende begrippen uit de verordening omschreven. In een aantal gevallen werkt de begripsbepaling uit de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Wet bodembescherming rechtstreeks door. In die gevallen is het niet nodig in de PMV ook nog een beschrijving op te nemen. 2.2 Hoofdstuk 2 Inspraak bij besluiten van algemene strekkingIn dit hoofdstuk wordt bepaald welke procedure moet worden gevolgd bij de voorbereiding van een Provinciaal milieubeleidsplan of de wijziging daarvan, de voorbereiding van het milieuprogramma en de wijziging van de Provinciale milieuverordening. De Wet milieubeheer (verder Wm) regelt ten aanzien van de inspraak een aantal zaken. Artikel 4.10 Wm ziet op de inspraak bij de vaststelling van het Provinciaal milieubeleidsplan en bepaalt het volgende: Het provinciale milieubeleidsplan wordt voorbereid door gedeputeerde staten. Gedeputeerde staten betrekken bij de voorbereiding van het plan de naar hun oordeel bij de te behandelen onderwerpen meest belanghebbende overheidsorganen. Daartoe behoren in ieder geval: gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies; de bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd bij uitoefening waarvan met het plan rekening moet worden gehouden, en onze Minister. Gedeputeerde staten betrekken bij de voorbereiding van het plan voorts de ingezetenen en belanghebbenden, op wijze als voorzien in de krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde verordening. Artikel 4.11 Wm regelt nog dat het vastgestelde plan moet worden toegezonden aan Onze Minister en de bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd en verder dat de vaststelling bekend moet worden gemaakt in de Staatscourant. In de provincie Fryslân zijn in de geldende inspraakverordening geen regels opgenomen over de inspraak bij de totstandkoming van een Provinciaal milieubeleidsplan. Deze regels zijn daarom in hoofdstuk 2 van de PMV opgenomen. Afdeling 3.4 van de Awb is van toepassing verklaard, dit betekent dat een ontwerp van het plan ter inzage wordt gelegd en dat belanghebbenden naar keuze mondeling of schriftelijk hun zienswijze naar voren kunnen brengen. De Awb geeft als terinzagetermijn een periode van zes weken. In het verleden is met de Friese gemeenten afgesproken dat een ontwerp van het Provinciaal milieubeleidsplan gedurende 12 weken ter inzage ligt. Binnen deze termijn kunnen de colleges van burgemeester en wethouders hun gemeenteraad betrekken bij de inspraakreactie. De procedure is ook van toepassing op een wijziging van het Provinciaal milieubeleidsplan. Artikel 3:16, eerste lid, van Awb geeft de mogelijkheid om een langere inspraaktermijn te bepalen. Artikel 4.14 Wm bepaalt dat gedeputeerde staten jaarlijks een milieuprogramma vaststellen. Op de voorbereiding van dit programma zijn het tweede en derde lid van artikel 4.10 Wm van overeenkomstige toepassing verklaard. Hoewel in de Wm nog steeds de verplichting is opgenomen een milieuprogramma op te stellen, wordt dit door provincies niet meer gedaan. Ondanks afspraken hierover heeft de Minister het betreffende artikel nog niet uit de Wm gehaald. De uitvoering van het milieubeleid wordt nu via de reguliere planning en control cyclus verantwoord. Gelet op de decentralisatie die op veel terreinen en dus ook binnen het beleidsterrein milieu heeft plaatsgevonden, is een verantwoording aan het Ministerie via het milieuprogramma niet meer vereist. In de PMV wordt geen specifieke regeling omtrent de inspraak bij het milieuprogramma opgenomen. Artikel 1.4 Wm regelt een aantal zaken rond de voorbereiding van een PMV. Het artikel luidt alsvolgt:
  10. Bij de voorbereiding van het voorstel voor een provinciale milieuverordening plegen gedeputeerde Staten overleg met de niet tot de provincie behorende bestuursorganen die het aangaat.
  11. Gedeputeerde staten stellen de provinciale milieucommissie in de gelegenheid over het ontwerp van een verordening advies uit te brengen.
  12. Van een besluit tot vaststelling of wijziging van de verordening wordt door gedeputeerde staten mededeling gedaan door toezending aan Onze Minister. De Wm bepaalt niets over betrokkenheid van belanghebbenden of ingezetenen bij de voorbereiding van een PMV. Formeel gezien kan volstaan worden met het plegen van overleg met de bestuursorganen die het aangaat. In concreto gaat het dan om de college’s van B&W van de Friese gemeenten, het Dagelijks Bestuur van het Wetterskip en het Dagelijks Bestuur van Vitens. Belangenorganisaties zoals Land- en Tuinbouworganisaties en de Friese Milieu Federatie zouden met een minimale regeling buiten spel staan. Omdat voor de regeling in de PMV een breed draagvlak gewenst is, is ervoor gekozen om naast bestuursorganen die het aangaat ook belanghebbenden de mogelijkheid te bieden om zienswijzen naar voren te brengen. Een wijzigingsverordening van de PMV met bijbehorende stukken ligt zes weken ter inzage. Wanneer er sprake is van een puur technische wijziging van de PMV dan wordt er geen mogelijkheid tot inspraak gegeven. Bij een technische wijziging gaat het bijvoorbeeld om een vernummering van artikelen of een aanpassing aan een hogere regeling, zoals een wet of AMvB, waarbij er geen vrijheid bestaat om van die regeling af te wijken. Het geven van inspraak is dan zinloos. 2.3 Hoofdstuk 3 Algemeen provinciaal milieubeleidIn dit hoofdstuk is een regeling opgenomen over het gebruik van gesloten stortplaatsen. Met ingang van 1 april 1988 (Stb 143) zijn regels met betrekking tot gesloten stortplaatsen in de Wm werking getreden. Deze regels zijn opgenomen in §8.
  13. Regels met betrekking tot gesloten stortplaatsen en gesloten afvalvoorzieningen. Het betreft hier stortplaatsen waar op of na 1 september 1996 nog afvalstoffen worden gestort of stortplaatsen waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort. Een stortplaats is pas een gesloten stortplaats wanneer gedeputeerde staten een stortplaats op grond van artikel 8.47 Wm gesloten hebben verklaard. Gedeputeerde staten verklaren een stortplaats gesloten wanneer: het storten van afvalstoffen is beëindigd.; voor zover een daartoe strekkend voorschrift voor de inrichting geldt, een bovenafdichting is aangebracht; een eindinspectie door het bevoegd gezag is uitgevoerd waaruit blijkt dat aan alle voorschriften verbonden aan de vergunning van de stortplaats is voldaan en dat ook geen andere maatregelen ingevolge de Wet bodembescherming getroffen dienen te worden door degene die de stortplaats drijft, in geval van verontreiniging of aantasting van de bodem onder de stortplaats. Op grond van artikel 8.49, derde lid, Wm moet degene die een stortplaats drijft een nazorgplan opstellen ter uitvoering van de nadien door gedeputeerde staten te treffen nazorgmaatregelen. Gedeputeerde staten moeten dit nazorgplan goedkeuren. Zolang de stortplaats niet gesloten is verklaard kunnen gedeputeerde staten degene die de stortplaats drijft bevelen het reeds goedgekeurde nazorgplan aan te passen. Hiervoor hebben gedeputeerde staten drie gronden, die in artikel 8.49, vierde lid, Wm zijn genoemd. Nadat de stortplaats gesloten is verklaard zijn gedeputeerde staten belast met het treffen van de nazorgmaatregelen. Onder nazorg wordt verstaan het nemen van maatregelen om de milieuvoorzieningen in stand te houden, te controleren en te vervangen. Ter dekking van de kosten van de nazorg leggen de provincies een heffing op aan de exploitanten van de stortplaatsen. De heffing is bedoeld ter financiering van het doelvermogen. Het doelvermogen is het totale geraamde gekapitaliseerde bedrag dat beschikbaar moet zijn na de sluiting van de stortplaats om de nazorg te kunnen bekostigen. De heffing kan aan de exploitant worden opgelegd totdat de stortplaats gesloten is verklaard. Nadien kunnen eventuele kosten niet meer op de exploitant worden verhaald. De verplichting voor gedeputeerde staten om nazorgmaatregelen te nemen is niet aan een termijn gebonden en blijft dus eeuwig bij gedeputeerde staten rusten. De provincies hebben dus een groot belang bij een goed functionerend systeem van nazorgvoorzieningen en – maatregelen. Voor de nazorg is het van belang dat voorwaarden kunnen worden gesteld aan de activiteiten die na het aanbrengen van de eindafdichting op de stortplaats zullen worden verricht. Aan de “eindbestemming” en het gebruik van een gesloten stortplaats moeten eisen kunnen worden gesteld. Gedeputeerde staten zijn immers verantwoordelijk voor de nazorg. In de Memorie van Toelichting van het wetsvoorstel waarbij de regels met betrekking tot gesloten stortplaatsen en gesloten afvalvoorzieningen in werking zijn getreden is aan dit aspect ook aandacht besteed. In deze Memorie van Toelichting wordt het volgende opgemerkt: “Met het oog op de risico’s die verbonden zijn aan het na sluiting van de stortplaats weer in gebruik nemen van het terrein voor andere doeleinden, is het gewenst dat dit gebruik aan voorwaarden wordt gebonden. Aangezien in dit wetsvoorstel de provincie wordt belast met de nazorg, is het gewenst dat de provincies zelf regels stellen voor activiteiten op gesloten stortplaatsen, daarbij gebruik makend van de bevoegdheid die gegeven is in artikel 2.1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Op basis van dit artikel kunnen provincies regels stellen voor onderwerpen van meer dan gemeentelijk belang.” Het is noodzakelijk voorwaarden aan de activiteiten op een gesloten stortplaats te stellen om ervoor te zorgen dat: de nazorgvoorzieningen bereikbaar blijven; milieumaatregelen (bijvoorbeeld vervanging van de bovenafdichting) genomen kunnen worden; aantasting van de nazorgvoorzieningen (bijvoorbeeld beschadiging van de afdekking of de peilbuizen) voorkomen wordt. Met uitsluitend planologische- of privaatrechtelijke middelen kunnen deze voorwaarden niet of onvoldoende worden gesteld. De gesloten stortplaats kan in zekere mate bescherming worden geboden middels planologische bepalingen in een structuurvisie. Het is niet zeker of gemeenten in voldoende mate het gebruik van een gesloten stortplaats aan voorwaarden kunnen binden met behulp van gebruiksvoorschriften en een aanlegvergunningenstelsel in het bestemmingsplan. Verder heeft de provincie niet altijd de mogelijkheid privaatrechtelijke eisen aan het gebruik van de gesloten stortplaats te stellen. Een regeling in de provinciale milieuverordening ten aanzien van activiteiten die na het aanbrengen van de eindafdichting op de stortplaats zullen worden verricht is derhalve in verband met de bescherming van het milieu noodzakelijk. In het Besluit omgevingsrecht dat op 1 oktober 2010 in werking is getreden, is vastgelegd dat de provincie bevoegd gezag is voor alle omgevingsvergunningplichtige activiteiten op gesloten stortplaatsen. Artikel 3.4 van het Besluit omgevingsrecht bepaalt dat het college van gedeputeerde staten bevoegd is voor alle omgevingsvergunningen ten aanzien van activiteiten op of nabij gesloten stortplaatsen als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet milieubeheer. Dit geldt ook voor activiteiten die alleen betrekking hebben op bouwen. In het Besluit omgevingsrecht is verder bepaald dat inrichtingen op of nabij gesloten stortplaatsen altijd omgevingsvergunningplichtig zijn. Hiervoor gelden dus geen algemene regels. Als voor een activiteit tevens een PMV ontheffing voor het gebruik van een gesloten stortplaats vereist is, haakt deze ontheffing op grond van artikel 1.3a van de Wet milieubeheer aan bij de betreffende omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente is adviseur in de procedure voor deze omgevingsvergunningen. In hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen die rechtstreeks werken voor activiteiten die buiten een inrichting worden uitgevoerd. Immers wanneer er geen sprake is van een inrichting kan er ook geen sprake zijn van een vergunningplicht. Deze twee zijn aan elkaar gekoppeld. Maar ook als een activiteit buiten een inrichting plaatsvindt moeten daaraan eisen kunnen worden gesteld, zodat een goede nazorg op de gesloten stortplaats gewaarborgd kan worden. In de PMV is een verbod opgenomen om activiteiten op een gesloten stortplaats uit te voeren. Van dit verbod kan ontheffing worden verleend. Bij het verzoek om ontheffing moet de aanvrager aangeven hoe de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen wordt gegarandeerd, hoe de aantasting van de nazorgvoorzieningen wordt voorkomen en welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg wordt belemmerd. Gedeputeerde staten kunnen aan deze ontheffing voorwaarden verbinden. Het risico bestaat dat door het voorgenomen gebruik de voorzieningen worden beschadigd of dat maatregelen niet kunnen worden genomen. Als dit risico door middel van voorschriften onvoldoende kan worden beperkt dan wordt de ontheffing geweigerd. In dat geval kan immers niet worden gegarandeerd, dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en dat is juist de doelstelling van nazorg bij gesloten stortplaatsen. Tegen overtreding van het verbod uit artikel 3.1 van de PMV om een gesloten stortplaats zonder ontheffing te gebruiken of overtreding van de voorschriften van de ontheffing kan zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk worden opgetreden. Bestuursrechtelijk kan worden opgetreden met bestuursdwang op grond van artikel 122 Provinciewet en een dwangsom op grond van artikel 5:32 Algemene wet bestuursrecht. Strafrechtelijk is het van belang dat overtreding van de verbodsbepaling uit artikel 3.1 op grond van artikel 9.1 van de PMV juncto artikel 1a van de Wet op de economische delicten een economisch delict is. Ook overtreding van de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden zijn op grond van artikel 18.18 Wet milieubeheer juncto artikel 1a van de Wet op de economische delicten een economisch delict. In geval van overtreding zal de provincie de kosten van herstel langs civielrechtelijke weg op de overtreder kunnen verhalen. 2.4 Hoofdstuk 4 Voorkomen of beperken van geluidhinder Artikel 4.9 van de Wet milieubeheer verplicht provinciale staten tenminste eens in de vier jaren een provinciaal milieubeleidsplan vast te stellen. Het plan bevat de hoofdzaken van het door provinciale staten en gedeputeerde staten te voeren milieubeleid. In artikel 4.9, derde lid, onder c, is bepaald dat tot hoofdzaken in ieder geval behoort de aanduiding van gebieden waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft. In artikel 1.2, tweede lid, Wet milieubeheer is bepaald dat de provinciale milieuverordening ten minste regels bevat inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Het gaat hier om de zogenoemde stiltegebieden In artikel 4.1 van de provinciale milieuverordening is aangegeven dat deze stiltegebieden in bijlage 1 van de verordening zijn aangewezen. Als milieubeschermingsgebieden waar regels gelden inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder zijn aangewezen: Waddenzee; Buitendijks Wad; Schiermonnikoog; IJsselmeerkust; Lauwersmeer; De Alde Feanen; De Deelen; Delleburen; Fochteloërveen, en Drents-Friese Wold. In deze gebieden gelden de verbodsregels uit hoofdstuk
  14. Als aanvulling op de verbodsregels is in de PMV ook een toestellenlijst opgenomen. In de lijst staan toestellen opgesomd die niet binnen stiltegebieden mogen worden gebruikt. Het gaat om mobiele geluidsbronnen die zodanig lawaaiig en wezensvreemd zijn aan een milieubeschermingsgebied waar het aspect stilte beschermd wordt, dat zij verstorend werken in verband met de aanwezige natuurlijke rust en stilte in deze gebieden. In artikel 4.3, derde lid, van de PMV is een delegatie-bevoegdheid opgenomen ten aanzien van het vaststellen van de toestellenlijst door gedeputeerde staten. Een toelichting bij de verschillende aangewezen gebieden: Waddenzee, Buitendijks Wad en SchiermonnikoogIn de conventie van Ramsar is het Waddengebied vanwege haar bijzondere functie als verblijfplaats voor watervogels aangewezen als gebied van internationale betekenis. Bij de aanwijzing van het stiltegebied Wadden is de begrenzing aangehouden van het gebied dat in de conventie van Ramsar is aangewezen. De kaarten van het Waddengebied bestaan uit een overzichtskaart en deelkaarten van de verschillende eilanden. De gemeentebesturen van de Waddeneilanden hebben in het verleden wel aangegeven dat zij door de aanwijzing als stiltegebied vrezen voor de ontwikkeling van de leefbaarheid in hun gemeenten. Een groot deel van de Waddeneilanden bestaat uit natuurgebied, waarin de aanwezigheid van stilte een unieke milieukwaliteit is en waarin lawaaiige activiteiten ongewenst zijn. Dit geldt vooral voor het duingebied. Voor het strand is het geluidsaspect minder relevant, van nature is hier altijd geluid van de branding en de wind, waardoor een hoger referentieniveau aanwezig is. Activiteiten op het strand zullen daardoor in het algemeen minder snel als milieuhygiënisch ongewenst worden ervaren. Recreatieve-, culturele- en sportactiviteiten op het strand zijn dan ook gewoon mogelijk. In de PMV kunnen alleen rechtstreeks werkende regels worden opgenomen voor inrichtingen die in milieubeschermingsgebieden liggen waarbinnen het grondwater wordt beschermd. Artikel 2.1, zesde lid, Wet milieubeheer bepaalt dit. Er kunnen dus geen rechtstreeks werkende regels worden opgenomen voor inrichtingen die binnen een stiltegebied liggen, bijvoorbeeld voor strandpaviljoens. Voor de scheepvaartroutes in het gebied geldt een uitzondering. Deze zijn uitgesloten van de werking van de regels die voor stiltegebieden in de PMV zijn opgenomen. Schiermonnikoog is aangewezen als stiltegebied omdat het in het verleden is aangewezen als nationaal park. Voorheen werden de nationale parken genoemd in de Wet geluidhinder als te beschermen gebied. Vanaf het moment dat de nationale parken niet meer werden genoemd in de Wet geluidhinder is Schiermonnikoog in de PMV aangewezen als stiltegebied. IJsselmeerkust De IJsselmeerkust is ook vanwege de status van natuurbeschermingsgebied aangewezen als stiltegebied. Bij het gebied “Steile Bank”, in de buurt van Lemmer doet zich de situatie voor dat er een zeker overlap is van regels. Het gebied grenst aan de oostzijde aan het industrieterrein Lemsterhoek. Dit industrieterrein kent een geluidszonering. De begrenzing van de geluidszone beperkt zich niet tot het industrieterrein, maar begeeft zich tot in het stiltegebied “Steile Bank”. In een deel van dit stiltegebied zijn dus zowel een geluidszonering als de regels van de PMV van kracht. Dit komt de eenduidigheid en de handhaafbaarheid van de toepasselijke regelgeving niet ten goede. Dezelfde problematiek speelt bij een aantal activiteiten in de Waddenzee en het Lauwersmeer. In die situaties gaat het om de laagvliegroutes. In overleg met de provincies Groningen en Noord-Holland is voor de problematiek daar gekozen voor een model waarbij voor het gebied dat ligt binnen de invloedssfeer van een activiteit die geluidbelasting veroorzaakt, de stilteregels van de PMV buiten toepassing worden verklaard. Ook voor het gebied “Steile Bank” is, vanwege de eenduidigheid en handhaafbaarheid van regelgeving en vanwege geloofwaardigheid gekozen voor dit model. Een alternatief model is dat slechts de geluidbelasting tengevolge van een bepaalde activiteit van werking van de stilteregels wordt uitgezonderd. De stilteregels blijven dan voor alle overige activiteiten in het gebied dus gehandhaafd. De Alde Feanen Het nationaal park Alde Feanen is al heel lang aangewezen als stiltegebied. In de loop der jaren is de begrenzing van het gebied gewijzigd. Bij de Wijzigingsverordening van 2008 is het gehele Nationale Park Alde Feanen aangewezen als stiltegebied. De Deelen De Deelen is vanwege de status van beschermd natuurgebied aangewezen als stiltegebied. Delleburen Delleburen is vanwege de status van beschermd natuurgebied aangewezen als stiltegebied. De stilteregels uit de PMV gelden echter binnen dit gebied niet. Dit houdt verband met de militaire laagvliegroute die boven het gebied ligt. De bedoelde laagvliegroute nr. 10A is één van de twee routes die door de Koninklijke Luchtmacht en NAVO-bondgenoten mogen worden gebruikt voor het uitvoeren van laagvliegoefeningen met militaire vastvleugelige vliegtuigen, met name jachtvliegtuigen en transportvliegtuigen. De laagvliegroutes zijn als zodanig aangewezen op grond van artikel 45 van het Luchtverkeersregelement en opgenomen in de Regeling VFR-nachtvluchten en minimum vlieghoogten voor militaire vliegtuigen van 21 december 1994, nr. CWW 94/171 (Stcrt. 251), laatstelijk gewijzigd 7 februari 2007 (Stcrt. 38). Overeenkomstig deze regeling mag op de laagvliegroute door militaire vliegtuigen in afwijking van de reguliere minimum vlieghoogten worden gevlogen op een minimum hoogte van 75 meter boven het maaiveld. De routes zijn daarnaast ook aangewezen in artikel 2.6.10 van het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (BARRO) dat eind 2010 van kracht is geworden. In dit besluit is aangegeven dat bij de eerstvolgende herziening van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een laagvliegroute voor jacht- en transportvliegtuigen geen bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwweken met een hoogte van meer dan 40 meter te meten vanaf het maaiveld mogelijk maken. Een kaart van de routes is opgenomen in het BARRO. De routes hebben een breedte van 2 nautische mijl (2 maal 1852 meter). Het gebruik van route nr. 10A is sinds 2002 tijdelijk opgeschort in afwachting van de resultaten van een evaluatie van de laagvliegbehoefte van de Koninklijke Luchtmacht. Naar verwachting zal worden besloten de route weer in gebruik te nemen. Dit betekent dat de stilteregels uit de PMV binnen het stiltegebied Delleburen niet van toepassing zijn. Fochteloërveen Het Fochteloërveen is vanwege de status van beschermd natuurgebied aangewezen als stiltegebied. Drents-Friese Wold In 2008 is het Friese deel van het Drents-Friese Wold aangewezen als stiltegebied. Dit vanwege de status van Nationaal Park. De gemeente Ooststellingwerf heeft een verzoek ingediend om de begrenzing voor het noordelijke deel van het Bosberggebied aan te passen. In dit deel van het stiltegebied is al een aantal recreatieve functies aanwezig. Zo zijn hier een openluchttheater en een midgetgolfbaan gevestigd. De gemeente wil graag binnen dit deel van het Drents-Friese Wold meer recreatieve ontwikkelingen mogelijk maken. Uit overleg met de gemeente is gebleken dat de te ontwikkelen activiteiten geen bedreiging zullen gaan vormen voor de geluidskwaliteit van de rest van het gebied. Er zijn derhalve geen zwaarwegende argumenten om de gevraagde wijziging af te wijzen. De begrenzing van het gebied is daarom aangepast. 2.5 Hoofdstuk 5 Grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning Na de inwerkingtreding van de Wet bodembescherming dienden provinciale staten een verordening vast te stellen, die regels moest bevatten “in het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning”. Dit werden de grondwaterbeschermingsverordeningen. Met de inwerkingtreding van de Wet milieubeheer in is er op het terrein van de grondwaterbescherming weer het nodige gewijzigd. De aparte grondwaterbeschermingsverordeningen vervielen en de regels met betrekking tot grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning werden opgenomen in de PMV. Met de inwerkingtreding van de Wet milieubeheer moet er, als het gaat om de bevoegdheidstoedeling inzake de uitvoering van het grondwaterbeschermingsbeleid, onderscheid worden gemaakt tussen gedragingen buiten inrichtingen en gedragingen binnen inrichtingen. Een inrichting is volgens de Wet milieubeheer “elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht”. Sinds 1 oktober 2010 geldt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In artikel 1.1, derde lid, Wabo is geregeld dat bij of krachtens een Amvb categorieën van inrichtingen zijn aangewezen waarvan het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben moet worden onderworpen aan een voorafgaande toetsing, gezien de aard en de omvang van de nadelige gevolgen die inrichtingen voor het milieu kunnen veroorzaken. Deze inrichtingen zijn aangewezen in Bijlage B en C van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Voor gedragingen buiten inrichtingen zijn de provincies bevoegd gezag. Voor uiteenlopende activiteiten kunnen door de provincies voorschriften worden opgesteld die direct kunnen worden toegepast in het kader van de ontheffingverlening op basis van de PMV. Voor gedragingen binnen inrichtingen is de situatie geheel anders en redelijk complex. In zijn algemeenheid geldt dat het mogelijk is om in de PMV ten aanzien van bepaalde inrichtingen in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden een absoluut verbod op te nemen. Artikel 1.2, zesde lid, sub b, van de Wet milieubeheer geeft deze bevoegdheid. Op grond van deze bevoegdheid is in bijlage 4 van de PMV een lijst met “verboden” bedrijven opgenomen. Het betreft bedrijven die een dusdanig risico op bodemverontreiniging met zich meebrengen dat ze niet in een grondwaterbeschermingsgebied aanwezig mogen zijn. Van het verbod kan geen ontheffing worden verleend. Bepalend voor de regels die voor gedragingen binnen inrichtingen nodig zijn in de PMV is het antwoord op de vraag wie het bevoegde gezag is voor de inrichting waarbinnen de handeling wordt verricht. Zijn dat gedeputeerde staten, dan kunnen zij het grondwaterbeschermingsbeleid vertalen naar de Omgevingsvergunning. Het is dan een interne, provinciale aangelegenheid. Is het college van burgemeester en wethouders het bevoegde gezag, dan moet eerst de vraag worden gesteld of voor de inrichting die het betreft de vergunningplicht geldt. Indien dit het geval is kunnen, met het oog op de vergunningverlening, instructiebepalingen in de PMV worden opgenomen. Artikel 1.2, zevende lid, Wet milieubeheer geeft deze bevoegdheid. In de PMV is van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. In Bijlage 5 zijn de betreffende instructies opgenomen. Het is ook mogelijk dat voor de inrichting de vergunningplicht niet meer geldt, maar dat algemene regels van toepassing zijn. Dan kunnen in de PMV verdergaande rechtstreeks werkende regels worden opgenomen. De bevoegdheid hiervoor staat in artikel 1.2, zesde lid, sub a, Wet milieubeheer. Ook van deze mogelijkheid is in de PMV gebruik gemaakt. De regels zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de PMV. Van de mogelijkheden om tot regelgeving over te gaan is niet uitputtend gebruik gemaakt. Met name voor inrichtingen waarvoor de gemeente het bevoegde gezag is, is terughoudendheid betracht. Uitgangspunt is dat er voor één inrichting, één document dient te zijn, afkomstig van één bevoegd gezag. In dit document dienen alle voorschriften voor die inrichting te zijn opgenomen. Met de inwerkingtreding van de WABO is dit uitgangspunt nog prominenter geworden. De milieuvergunning is geïntegreerd in de omgevingsvergunning. Bij de regeling voor grondwaterbeschermingsgebieden is gekozen voor een incidentele integratie. Dit wordt ook wel aanhaken genoemd. Via de invoeringswet WABO is in artikel 3.1a van de Wet milieubeheer geregeld dat het ontheffingsstelsel dat geldt binnen grondwaterbeschermingsgebieden verplicht aanhaakt aan de omgevingsvergunning. De Wet milieubeheer geeft dus nadrukkelijk de mogelijkheid tot het introduceren van provinciale algemene regels of provinciale ontheffingen, aangehaakt aan de omgevingsvergunning. Ten aanzien van niet-vergunningplichtige inrichtingen waarvoor de gemeente bevoegd gezag is bevat de PMV een regeling die ook gedeputeerde staten bevoegd kan maken. Het betreft artikel 5.13, derde lid, van de PMV. Dit artikel is in samenhang met artikel 5.18 van de PMV de basis voor het opstellen van algemene regels voor die inrichtingen. Van de mogelijkheid om algemene regels op de te stellen is tot nu toe geen gebruik gemaakt. Vanuit de PMV is er provinciale betrokkenheid bij “gemeentelijke” inrichtingen die gelegen zijn binnen grondwaterbescherminggebieden. Voor vergunningplichte inrichtingen gelden de instructiebepalingen die in hoofdstuk 5 zijn opgenomen en voor zowel vergunningplichtige- als niet-vergunningplichtige inrichtingen geldt een aantal absolute verboden. In aanvulling op de instructies is er toch behoefte aan een aantal absolute verboden. Een instructie heeft altijd betrekking op de inhoud van de vergunning. Uitgangspunt is dat de vergunning wordt verleend, maar dat er beperkingen worden opgelegd. Het is niet mogelijk om een instructie tot het weigeren van een vergunning te geven, daarvoor is het instrument van de instructie niet bedoeld. Er zijn bepaalde activiteiten die een dermate groot risico voor de kwaliteit van het grondwater, waaruit ons drinkwater wordt bereid, vormen dat die activiteiten onder geen enkel beding binnen een grondwaterbeschermingsgebied mogen worden uitgevoerd. Voor deze activiteiten is in de PMV een absoluut verbod opgenomen. Overigens is het aantal absolute verboden beperkt tot die situaties waarin het algemene beschermingsniveau, dit is de bescherming die gewoon overal geldt, voor een grondwaterbeschermingsniveau tekortschiet. Steeds is de overweging of het verbod noodzakelijk is met het oog op de bescherming van het grondwater dat voor de bereiding van drinkwater wordt gebruikt. Het instrument instructie kent nog een beperking, die steeds prominenter wordt. In Nederland worden steeds meer categorieën inrichtingen onder de vergunningplicht weggehaald. Voor deze categorieën inrichtingen gaan algemene regels gelden. Dat betekent dat voor die categorieën inrichtingen niet meer met instructiebepalingen kan worden gewerkt. De gemeente blijft altijd het bevoegde gezag, tenzij gebruik zou worden gemaakt van de mogelijkheid tot het stellen van algemene regels. Bedrijven krijgen door de bepalingen uit de PMV dus niet te maken met twee bevoegde gezagen. Als milieubeschermingsgebieden waarvoor regels gelden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning zijn in bijlage 2 aangewezen: Noord-Bergum Spannenburg Terwischa Oldeholtpade Ameland: Buren Ameland: Hollum Terschelling Vlieland Schiermonnikoog Nijbeets Oudega: Gaasterlân Sleat Garyp De grondwaterbeschermingsgebieden zijn gecreëerd rond de plaats(en) waar grondwater wordt gewonnen voor de drinkwaterproductie. Binnen die gebieden gelden regels die als doel hebben de kwaliteit van het grondwater en daarmee de kwaliteit van ons drinkwater te beschermen. De beschermingsgebieden bestaan uit een waterwingebied en een grondwaterbeschermingsgebied. In de partiële herziening van het provinciaal milieubeleidsplan 1994-1997, onderdeel gebiedenbeleid: grondwaterbescherming, staat beschreven hoe de omvang en de plaats van een grondwaterbeschermingsgebied wordt berekend. De verbodsbepalingen die gelden binnen de waterwingebieden en de grondwaterbeschermingsgebieden komen grotendeels overeen. Toch zijn er belangrijke verschillen in de uitgangspunten van de bescherming van de verschillende gebieden. In het waterwingebied is de bescherming het sterkst. In deze gebieden zijn in principe alleen die activiteiten toegestaan die in verband staan met de grondwaterwinning. Het is het gebied direct rondom de winningsputten. 2.6 Hoofdstuk 6 Bodemsanering Op 1 januari 2006 is de Wet bodembescherming aanzienlijk gewijzigd. Met deze wijziging is de eerder ingezette koers van een nieuw bodembeleid ook wettelijk verankerd. De belangrijkste wijziging was de verandering van de saneringsdoelstelling uit artikel 38 van de Wet bodembescherming. Niet langer was het noodzakelijk om multifunctioneel te saneren, maar mocht worden volstaan met een sanering die is afgestemd op de functie van het te saneren gebied. Functiegericht saneren heeft wel als consequentie dat na afloop van de sanering verontreiniging in de bodem achter kan blijven. Een goed beheer van deze achtergebleven verontreiniging is van groot belang. Om dit belang te benadrukken is in de Wet bodembescherming opgenomen dat verplicht een evaluatieplan en een nazorgplan moeten worden opgesteld. Gedeputeerde staten moeten net als met het saneringsplan ook met het evaluatie- en nazorgplan instemmen. In de PMV worden nadere regels gesteld waaraan de genoemde plannen moeten voldoen. De regeling zoals die is opgenomen in hoofdstuk 6 geldt niet voor het grondgebied van de gemeente Leeuwarden. Deze gemeente is in het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming aangewezen als zogenoemde rechtstreekse gemeente. Op grond van artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming kunnen bij PMV regels worden gesteld voor de inhoud van het saneringsplan. Deze regels zijn opgenomen in artikel 6.2 van de PMV. Aan het artikel hoeft vanzelfsprekend alleen te worden voldaan als op grond van de wet een saneringsplan moet worden ingediend. Dat is het geval als op grond van artikel 28 van de Wet bodembescherming een melding wordt gedaan dat bij een geval van ernstige verontreiniging de bodem zal worden gesaneerd dan wel dat handelingen zullen worden verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem worden verminderd of verplaatst. De in artikel 6.2 van de PMV opgenomen eisen leiden overigens niet zonder meer tot één standaard voor een saneringsplan. Uit artikel 40 van de Wet bodembescherming volgt dat als slechts een gedeelte van de verontreiniging van de bodem wordt verplaatst met een saneringsplan voor dat deel kan worden volstaan. Voorwaarde om met een deelsanering te kunnen instemmen is dat het belang van de bescherming van de bodem zich er niet tegen mag verzetten. Een deelsanering heeft dus gevolgen voor de inhoud van het saneringsplan. Dit geldt ook als wordt gekozen voor een gefaseerde aanpak van de sanering. Deze mogelijkheid is beschreven in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming. In z’n algemeenheid zullen de eisen die worden gesteld aan het saneringsplan afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval. Van belang is dat gedeputeerde staten kunnen beoordelen of, gelet op artikel 38 van de Wet bodembescherming, de saneringsdoelstelling juist is gesteld en of met de voorgestelde aanpak deze doelstelling kan worden gerealiseerd. Om te voorkomen dat er vertraging ontstaat omdat er problemen zijn bij de ontvankelijkheid van het verzoek om instemming met het saneringsplan is het raadzaam over de eisen die aan het saneringsplan worden gesteld in overleg te treden met de provincie. Dit geldt zeker als er twijfel bestaat over deze eisen. In hoofdstuk 6 moet onderscheid worden gemaakt tussen inspraak bij de totstandkoming van de verschillende beschikkingen en betrokkenheid van belanghebbenden bij de daadwerkelijke uitvoering. Inspraak richt zich op besluiten van het bevoegd gezag, het gaat hier om: besluit vaststelling ernst en risicobepaling; besluit tot instemming met het saneringsplan; besluit tot instemming met het evaluatieverslag, en besluit tot instemming met het nazorgplan. Bij de totstandkoming van deze besluiten kan er voor gekozen worden om de uniforme voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht te volgen. De meeste besluiten in het kader van de Wet bodembescherming kunnen echter tot stand komen zonder de toepassing van de procedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Ook met de toepassing van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin de minimumeisen voor besluitvorming zijn opgenomen, wordt in de praktijk in de meeste situaties voldoende recht gedaan aan de belangen van derden. In hoofdstuk 6 van de PMV is dan ook geen artikel opgenomen waarin wordt bepaald, dat de procedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op de besluiten uit dit hoofdstuk van toepassing is. Bij de totstandkoming van de genoemde besluiten is wel altijd titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Voor de voorbereiding van beschikkingen zijn met name de artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht van belang. Deze twee artikelen vormen de minimumregeling. Beide artikelen regelen een hoorplicht, in artikel 4:7 is het horen van de aanvrager geregeld en in artikel 4:8 het horen van belanghebbenden. De aanvrager moet worden gehoord indien: de beslissing een afwijzing betreft; de afwijzing steunt op gegevens die de aanvrager betreffen, en de gegevens afwijken van hetgeen de aanvrager heeft verstrekt. Artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht zal ruim worden toegepast. Dit wil zeggen dat het horen van de aanvrager ook plaats zal vinden wanneer redelijkerwijs verwacht kan worden dat de aanvrager bedenkingen heeft. Dit is vooral van belang voor de beschikking waarbij ernst en risico van de sanering wordt bepaald. Het is immers mogelijk dat de aanvrager verwacht dat het een geval van verontreiniging is waarbij geen sprake is van zodanige risico’s dat spoedige sanering noodzakelijk is, terwijl gedeputeerde staten beschikken dat wel degelijk van dusdanige risico’s sprake is, waardoor sanering spoedig zal moeten worden uitgevoerd. Er is dan heel strikt geredeneerd geen sprake van een (gedeeltelijk) afwijzende beschikking, maar met een ruime interpretatie van artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken. Belanghebbenden moeten worden gehoord indien: een belanghebbende naar verwachting bedenkingen zal hebben tegen een voorgenomen beschikking, en de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en die gegevens niet door belanghebbende zelf te zake zijn verstrekt. Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht zal op de gebruikelijke wijze worden toegepast. De betrokkenheid van belanghebbenden bij de uitvoering van onderzoek en de sanering in opdracht van de provincie is geregeld in artikel 52 van de Wet bodembescherming. In dit artikel is bepaald dat deze betrokkenheid moet worden geregeld via de Inspraakverordening die Provinciale Staten op grond van artikel 147 Provinciewet moet vaststellen. Het is mogelijk om deze inspraakverordening te verwijzen naar een regeling in de PMV. In de artikelen 6.8 en 6.9 van de PMV is een regeling opgenomen waarin is aangegeven op welke wijze belanghebbenden bij de uitvoering van onderzoek en de sanering in opdracht van de provincie wordt betrokken. In verschillende artikelen in hoofdstuk 6 van de PMV zijn meldingsplichten opgenomen. Deze meldingsplichten zijn opgenomen omdat de provincie in haar optreden als bevoegd gezag bij saneringen die door derden worden uitgevoerd problemen ondervond. Zo wordt niet altijd het tijdstip van de aanvang van het saneringswerkzaamheden gemeld, dit ondanks het feit dat deze meldingsplicht wel als voorwaarde aan de instemming met het saneringsprogramma is verbonden. De melding is van groot belang omdat daarna gedurende de uitvoering van de saneringswerkzaamheden gecontroleerd kan worden of de sanering volgens het saneringsplan wordt uitgevoerd. Wanneer de aanvang niet wordt gemeld, kan alleen nog maar achteraf worden gecontroleerd. Dit is ongewenst omdat afwijkingen van het saneringsplan na afloop van de sanering veelal niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt. Naast de meldplicht van de aanvang van de sanering en van het moment waarop de grondsanering of grondwatersanering geëindigd wordt, is het wenselijk dat bij een grondsanering waarbij ontgraven wordt, tijdig melding wordt gemaakt van het verwachte tijdstip waarop over het gehele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden. Hiermee wordt bedoeld het tijdstip waarop de krachtens de instemming met het saneringsplan geldende terugsaneerwaarden in zowel de horizontale als verticale richting gehaald zullen worden. Deze melding dient plaats te vinden uiterlijk 2 dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop tot aanvulling van de ontgraving wordt overgegaan, zodat een eventueel controlebezoek gepland en voorbereid kan worden. Indien ontgraven en aanvullen in gedeelten plaatsvindt, zal steeds separaat per gedeelte moeten worden gemeld. In artikel 6.3 van de PMV zijn daarnaast de verplichtingen opgenomen om de afronding van verschillende ijkmomenten van de sanering bij het bevoegd gezag te melden. Artikel 6.3 van de PMV is gebaseerd op artikel 1.2, eerste en derde lid, van de Wet milieubeheer. Op grond dit artikel hebben provinciale staten de bevoegdheid ter bescherming van het milieu regels te stellen indien dit naar hun oordeel van meer dan gemeentelijk belang is. Met het verplicht stellen van de meldingen wordt het mogelijk om ten behoeve van een effectieve handhaving van de Wet bodembescherming meer informatie te verkrijgen over de uitvoering van de sanering. Daardoor kunnen gedeputeerde staten zich een beter oordeel vormen over de uitvoering van het saneringsplan en daardoor over de vraag of er gronden zijn om de indiener van het plan met het bestuursrechtelijke handhavingsinstrumentarium te dwingen om te handelen volgens het saneringsplan waarmee is ingestemd. Met het inwerkingtreden van de Waterwet is de regeling met betrekking tot de waterbodems uit de Wet bodembescherming vervallen en zijn ook de bijzondere bepalingen inzake de sanering van de waterbodem uit de PMV verdwenen. Echter voor het geval er sprake is van een situatie waarbij een verontreiniging van de bodem zich zowel in de landbodem als de waterbodem bevindt, is een summiere regeling in de Wet bodembescherming achtergebleven. Is er een ernstige verontreiniging in de bodem of de oever van een oppervlaktewaterlichaam en de bron van die ernstige verontreiniging bevindt zich in de landbodem, waarbij het geval van verontreiniging in de landbodem spoedeisend is, dan voorziet de Wet bodembescherming in regeling die regelt dat de bevoegdheid van het bevoegd gezag mede ziet op deze situaties. In die bijzondere situatie kan er dus een saneringsplan voor de waterbodem zijn. In de PMV worden daarom in artikel 6.4 eisen gesteld aan de gegevens die een dergelijk saneringsplan moet bevatten. Er is bewust voor gekozen om de meldingsplichten in de PMV op te nemen. Om artikel 6.3 van de PMV direct strafrechtelijk te kunnen handhaven moet de overtreding ervan strafbaar worden gesteld in de PMV zelf. Dit vloeit voort uit de Wet op de economische delicten en het feit dat het artikel is gebaseerd op artikel 1.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Het is ook mogelijk de meldingsplichten op te nemen in de voorschriften van de beschikking waarmee wordt ingestemd met het saneringsplan op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming. Handhaving van deze voorschriften kan zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk plaatsvinden. Bestuursrechtelijke handhaving heeft weinig zin, omdat het essentiële controlemoment dan al is verstreken en er dan niet meer gecorrigeerd kan worden. Ondanks dat dit alternatief beschikbaar is, wordt toch de voorkeur gegeven aan opname van de meldingsplichten in de PMV. Dit leidt tot een meer uniforme en zorgvuldige regeling. In de PMV is de meldingsplicht ook gericht tegen degene die de sanering feitelijk uitvoert. Het begrip “degene die de sanering feitelijk uitvoert” is ontleend aan artikel 39a van de Wet bodembescherming. Dit artikel ziet op de handhaving van de uitvoering van het saneringsplan en beoogt een brede groep van personen hierop aan te kunnen spreken. Uit de toelichting bij de Wet bodembescherming blijkt dat met “degene die de sanering feitelijk uitvoert” de aannemer is bedoeld, maar ook de werknemer die op eigen houtje afwijkt van het saneringsplan. Evident is dat bij de meldingsplichten in de PMV met “degene die de sanering feitelijk uitvoert” alleen de aannemer wordt bedoeld en niet zijn werknemer of een ondergeschikte. De aannemer bepaalt immers, ook voor zijn werknemers, hoe en wanneer de sanering wordt uitgevoerd en is daarvoor ook verantwoordelijk. Hij is zeer nauw betrokken bij de feitelijke uitvoering van de sanering op de locatie en oefent direct invloed uit op de wijze waarop de sanering door zijn werknemers wordt uitgevoerd, mede bezien vanuit zijn leidinggevende positie naar zijn ondergeschikten toe. Daardoor is hij degene die het meeste inzicht heeft in het tijdsverloop van de sanering en daarmee ook de meest geëigende partij om een melding aan gedeputeerde staten te doen van de ijkmomenten vóór, tijdens en na de uitvoering van de sanering. Hij is derhalve als "degene die de sanering feitelijk uitvoert" verantwoordelijk voor de in artikel 6.3 opgenomen meldingsplichten. Voor deze constructie is gekozen, omdat in de meeste gevallen de opdrachtgever (de indiener van het saneringsplan) een leek op het gebied van bodemsanering is en de meldverplichtingen zijn uitbesteed aan de aannemer. Omdat in gevallen waarin niet gemeld wordt sprake kan zijn van slechts geringe schuld van de opdrachtgever (de indiener van het saneringsplan) volgt voor hem dan geen vervolging. Het is gewenst om in die gevallen tegen de aannemer, als degene die de sanering feitelijk uitvoert, strafrechtelijk te kunnen optreden. Juist deze partij kan een financieel belang hebben bij het ach

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.