Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland (Waterschap Rivierenland)
Waar gaat deze regeling over?
Deze beleidsregels leggen uit hoe het Waterschap Rivierenland omgaat met aanvragen voor activiteiten bij watergangen en waterkeringen, gebaseerd op de Keur Waterschap Rivierenland 2009. Ze zorgen voor een consistente beoordeling van watervergunningen en beschrijven wanneer een melding volstaat.
Voor wie: Burgers en initiatiefnemers die activiteiten willen uitvoeren in of nabij watergangen en waterkeringen; Het Waterschap Rivierenland bij de uitvoering van zijn taken en de beoordeling van aanvragen.
Termijnen:
- Voor activiteiten met weinig invloed volstaat een schriftelijke melding bij het waterschap; dit is kosteloos en leidt binnen maximaal 14 dagen tot toestemming.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Milieu- en landbouwrecht
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Activiteiten in of nabij watergangen en waterkeringen.
- De aanvraag en beoordeling van watervergunningen.
- Onderhoudsverplichtingen voor aanwonenden langs watergangen en waterkeringen.
- De bescherming en instandhouding van waterstaatswerken.
Voor wie geldt deze regeling?
- Burgers en initiatiefnemers die activiteiten willen uitvoeren in of nabij watergangen en waterkeringen.
- Het Waterschap Rivierenland bij de uitvoering van zijn taken en de beoordeling van aanvragen.
Wat zijn de kernpunten?
- Voor activiteiten met weinig invloed volstaat een schriftelijke melding bij het waterschap; dit is kosteloos en leidt binnen maximaal 14 dagen tot toestemming.
- Voor overige activiteiten is een watervergunning nodig, die alleen wordt verleend als het belang voor de waterkering of watergang niet in het gedrang komt.
- De stabiliteit van taluds mag niet worden aangetast; binnen 1,50 meter uit de insteek van A-watergangen of boezems in landelijk gebied en binnen 1 meter in stedelijk gebied mogen geen objecten of ophogingen steiler dan 1:2 worden aangebracht.
- De doorstroom- en bergingscapaciteit van watergangen moet worden gewaarborgd; afname van berging moet volledig worden gecompenseerd in hetzelfde peilvak, berekend op basis van een peilstijging van 30 cm boven zomerpeil (20 cm in Alblasserwaard en Vijfheerenlanden).
Milieu- en landbouwrecht
Wettekst
Wettekst
Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland 1. Waarom zijn er beleidsregels en hoe werken ze?
1.1. Inleiding Waterschap Rivierenland mag zijn taken onder andere uitvoeren op grond van een wet (verordening) genaamd: de Keur Waterschap Rivierenland 2009, verder aangehaald als "Keur". Hierin staat wat er gedaan moet worden (geboden) en wat er niet mag (verboden) bij een watergang of bij een waterkering (dijken e.d.).
In de geboden staat voorgeschreven wat gedaan moet worden om te zorgen dat de watergangen en waterkeringen in stand blijven. In de verboden staan die zaken welke in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van watergangen of waterkeringen.
Verder staan er in de Keur ook regels die gaan over onderhoudsverplichtingen voor aanwonenden langs watergangen en waterkeringen.
Het voordeel hiervan is dat er geen kosten (leges) betaald hoeven te worden en er geen bezwaarprocedure doorlopen hoeft te worden. Kortom: kosteloos en snel (binnen maximaal 14 dagen ontvangt u toestemming).
Watervergunningen worden alleen verleend als het belang voor de waterkering of de watergang niet in het gedrang komt. Om duidelijk te maken wat het waterschap belangrijk vindt, zijn beleidsregels (zie ook 1.2) opgesteld. Hierin zijn duidelijke, vaste uitgangspunten omschreven over wat belangrijk is bij veel voorkomende activiteiten. Op deze manier is het ook voor de burger duidelijk aan welke voorwaarden hij moet voldoen om een watervergunning te krijgen.
1.2. Beleidsregels De Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt het voor het waterschap mogelijk beleidsregels vast te stellen. Deze beleidsregels moeten er voor zorgen dat aanvragen om een watervergunning steeds op dezelfde manier worden beoordeeld. Het waterschap kan alleen beleidsregels vaststellen voor die zaken waar ze volgens de wet bevoegd toe is.
Voordeel beleidsregels Beleidsregels geven de burger de zekerheid dat vergelijkbare activiteiten op dezelfde manier beoordeeld worden. Omdat een beleidsregel een besluit in de zin van de Awb is, moet zowel het waterschap als de burger zich aan de beleidsregel houden. De burger mag dus verwachten dat hij/zij een watervergunning krijgt als de activiteit die hij/zij wil uitvoeren, voldoet aan de beleidsregel. Aan de andere kant moet het waterschap een aanvraag om een watervergunning weigeren als de aanvraag niet voldoet aan de beleidsregel.
Afwijken van de beleidsregel In bijzondere gevallen kan van een beleidsregel worden afgeweken. Bijvoorbeeld omdat het belang van de aanvrager groter is dan het belang dat het waterschap. Andersom kan ook: dan werkt het waterschap niet mee, terwijl dat volgens de beleidsregels wel zou kunnen. Ook kan soms een precieze toepassing van de beleidsregel gevolgen hebben die niet met die beleidsregel bedoeld waren. In die gevallen kan het waterschap afwijken. Het besluit moet dan wel goed gemotiveerd worden.
Bezwaar en beroep Het instellen van bezwaar of beroep is mogelijk tegen besluiten (zoals watervergunningen), waarvan de beleidsregels de basis vormen. Daarbij kan een rechter, als hij een beleidsregel (helemaal of gedeeltes daaruit), niet rechtmatig vindt, de beleidsregel alsnog onverbindend verklaren.
Het waterschap heeft twee belangrijke hoofdtaken:
Zorg voor de waterkerende functie van waterkeringen en daarmee voor de veiligheid van het gehele beheergebied. De waterkeringen hebben vaak een regionaal of zelfs bovenregionaal belang.
Zorg voor het watersysteem. Dit houdt zowel de kwalitatieve als de kwantitatieve zorg in.
Voor beide taken geeft het waterschap daarbij uitvoering aan wet- en regelgeving van rijk en provincies.
Aanvragen voor een (water)vergunning voor activiteiten in of nabij watergangen en waterkeringen worden getoetst aan: algemene toetsingscriteria: deze toetsingscriteria gelden in beginsel voor alle aanvragen voor een watervergunning; bijzondere toetsingscriteria: deze toetsingscriteria gelden in beginsel alleen voor een of meer specifieke werken en/of werkzaamheden, zoals het plaatsen van een duiker of een brug.
Als bijzondere criteria afwijken van de algemene, dan prevaleren de bijzondere criteria.
2.2. Watertoetsadvies Beleidsregels hebben zowel externe als interne werking. Beleidsregels zijn in principe ook voor het opstellen van een watertoetsadvies richtinggevend. Als daarom voor nieuw stedelijk gebied een positief watertoetsadvies is afgegeven, wordt de aanvraag om watervergunning in principe vooral aan dat advies getoetst. In veel gevallen zal dat tot een vlotte watervergunningsprocedure kunnen leiden.
A-watergang: heeft een aan- en afvoerende en bergende functie;
B-watergang: heeft een afvoerende en bergende functie;
C-watergang: heeft alleen een bergende functie.
In en naast watergangen zijn kern- en beschermingszones aangewezen. Deze zones zijn opgenomen in de legger.
De algemene toetsingscriteria voor wateren vallen uiteen in twee onderdelen. Deze onderdelen zijn hieronder aangegeven en uitgewerkt. In die gevallen waarin de aanvraag voor een watervergunning niet voldoet aan de vereiste criteria, zal door overleg met de initiatiefnemer en aanpassing van de aanvraag om watervergunning door de initiatiefnemer, de waterstaatkundige functie alsnog moeten worden gewaarborgd.
Aanvragen worden beoordeeld op:
Toetsingscriteria die de constructie en waterhuishoudkundige functie van wateren waarborgen. Om de afvoer van water te waarborgen, is het belangrijk dat de constructie en de functie van de watergang aan de eisen voldoet. Voor bestaande watergangen wordt daarbij getoetst aan de legger, voor nieuwe watergangen zijn de concrete eisen in deze beleidsregels opgenomen. Afmeting, vorm en eventuele obstakels zijn daarbij belangrijke criteria Toetsingscriteria die het doelmatig onderhoud van A- en B-watergangen waarborgen. Het beheer en onderhoud van A-watergangen en het beheer van B-watergangen is een belangrijke taak van het waterschap. Door het toenemende tekort aan ruimte in het beheergebied van het waterschap en ook door wensen van burgers, wordt steeds meer gebruik gemaakt van de kanten van watergangen. Dit betekent veelal dat daarmee het doelmatig onderhoud van een watergang wordt bemoeilijkt. Om hiertegen voldoende zekerheden in te bouwen, zijn duidelijke regels opgesteld voor de gevallen waarin al dan niet watervergunning kan worden verleend.
3.2. Constructie en waterhuishoudkundige functie 3.2.1. Kernzone Met uitzondering van die werken en werkzaamheden die in de bijzondere criteria zijn omschreven, worden in de bij de legger aangewezen kernzone géén werken en/of werkzaamheden toegestaan.
3.2.2. Stabiliteit taluds Een nieuw talud van een A- of B-watergang mag in principe niet steiler zijn dan 1:2. Als de grondsoort het toelaat, kan het waterschap een afwijkend talud toestaan (flauwer of steiler).
Voorkomen moet worden dat de stabiliteit van het talud door een (bouw)werk wordt aangetast.
Door de toegenomen druk die het (bouw)werk veroorzaakt, kan het gebeuren dat het talud instabiel wordt en onderuitzakt. Binnen 1,50 meter uit de insteek van A-watergangen of boezems in landelijk gebied en binnen 1 meter uit de insteek in stedelijk gebied mogen daarom geen objecten en geen ophogingen steiler dan 1:2 aangebracht worden.
Voor B-watergangen geldt op grond van de legger een standaardbeschermingszone van 1 meter uit de insteek.
3.2.3. Functie van de watergang Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt hebben watergangen vooral een functie voor de afvoer, aanvoer en/of berging van water. Ook hebben watergangen een ecologische functie. Algemeen uitgangspunt bij de beoordeling van aanvragen voor een watervergunning voor werken/werkzaamheden in of nabij deze watergangen is dan ook dat de functie van de watergang voor de afvoer, aanvoer en/of berging van water niet in gevaar komt.
Bij de beoordeling van aanvragen voor een watervergunning op dit algemene toetsingscriterium wordt onder meer gekeken naar de volgende waterhuishoudkundige aspecten:
Doorstroomcapaciteit watergang. Als in de nieuwe situatie de doorstroomfunctie wordt aangetast, moet deze functie geheel worden gecompenseerd.
Bergingscapaciteit watergang. De bestaande bergingscapaciteit moet worden gewaarborgd. Afname van berging dient volledig te worden gecompenseerd in hetzelfde peilvak. Het aantal te compenseren kubieke meters wordt berekend op basis van een peilstijging van 30 cm boven zomerpeil of boezempeil. Een uitzondering hierop vormen de gebieden van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden. Omdat de bergingscapaciteit in het watersysteem in dit gebied beduidend geringer is dan in de overige gebiedsdelen, wordt hier gerekend met een maximale peilstijging van 20 centimeter.Voor het winterbed van de Linge en voor de boezemgebieden in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden gelden specifieke bepalingen die in de bijzondere criteria verder worden beschreven.
Ecologie Bij de behandeling van aanvragen voor een watervergunning, wordt beoordeeld wat het effect is op de ecologie. Dit geldt met name voor watergangen gelegen in gebieden met specifieke natuurdoelen.
Als algemeen criterium geldt in deze gebieden het stand-stillbeginsel. Dit beginsel houdt in dat ontwikkelingen niet mogen leiden tot achteruitgang van de huidige situatie, tenzij de negatieve effecten (op bijvoorbeeld ecologie of waterkwantiteit) volledig worden gecompenseerd.
Zo is het niet toegestaan om werken (bijvoorbeeld steigers en vlonders) op locaties aan te brengen waar natuurvriendelijke oevers of ecologische verbindingszones liggen of zijn gepland, tenzij het negatieve effect op de ecologie volledig wordt gecompenseerd.
Het stand-stillbeginsel geldt in de gebieden met de functies:
Natte landnatuur (incl. TOP-lijstgebieden);
HEN/SED-wateren; weidevogelgebieden;
KRW-oppervlaktewaterlichamen.
De gebieden met deze specifieke functies zijn weergegeven op de bijlagen 3a, 3b, en 3c. Als de Flora- en Faunawet op de voorgenomen werken van toepassing is, zal het waterschap daarop attenderen.
3.2.4 Afmetingen watergang Afhankelijk van de bodemomstandigheden zijn de minimale maten van nieuwe watergangen als volgt.
A-watergangen Het talud moet minimaal een schuinte hebben van 1:2, Als de grondsoort het toelaat, kan het waterschap een afwijkend talud toestaan (flauwer of steiler).
Bodembreedte minimaal 0,70 meter.
Bodemhoogte 1 meter onder zomerpeil of boezempeil. Als de fysische gesteldheid van de bodem de genoemde bodemhoogte van 1 meter onder zomer/boezempeil niet toelaat, kan een geringere waterdiepte dan 1 meter worden voorgeschreven. Dit kan zich voordoen in zandbanen, zandige oeverwallen, veengebied en in gebieden met (al dan niet tijdelijke) sterke rivierkwel.
Deze criteria gelden voor zowel nieuwe watergangen als de verlenging en/of verbreding van bestaande watergangen. Als in bestaande watergangen het uit te voeren werk een lengte kent van minder dan 100 meter gelden deze eisen niet. In die gevallen moeten de bestaande leggerafmetingen worden toegepast en moeten bestaande bodemhoogtes worden aangesloten om bodemvallen en drempels te voorkomen.
B-watergangen Talud: een schuinte van 1:2. Als de grondsoort het toelaat, kan het waterschap een afwijkend talud toestaan (flauwer of steiler).
Bodembreedte 0,50 meter.
Bodemhoogte 0,50 meter onder zomerpeil of boezempeil, als dit is vastgesteld. Als de fysische gesteldheid van de bodem de genoemde bodemhoogte niet toelaat, kan een andere bodemhoogte worden voorgeschreven. Dit kan zich voordoen in zandbanen, zandige oeverwallen, veengebieden en in gebieden met (al dan niet tijdelijke) sterke rivierkwel.
Plas-drasoever Een plas-drasoever ligt 30 cm onder zomerpeil.
Het talud boven de plas-drasoever is minimaal 1:3.
Het plas-drasbanket is minimaal 1 meter breed.
De oever wordt bij voorkeur niet te strak, maar met variabele breedte aangelegd. [Figuur 1: profiel waterbergingsoever: plas-dras; red. niet opgenomen in de tekst, zie onder "bijlagen"] 3.2.5. Open water Het waterschap hecht groot belang aan het zoveel mogelijk instandhouden van (en compenseren in) open water als onderdeel van het watersysteem. Daarom worden lange duikers, bassins, kratten e.d. zoveel mogelijk geweerd.
3.2.6. Compensatie in C-watergangen Compensatie in een C-watergang wordt in het algemeen niet toegestaan. Dit tenzij de C-watergang na de compensatie kan worden opgewaardeerd naar een B-watergang en een rechtstreekse verbinding zal hebben met A- of B-watergangen. Uitzonderingen worden beschreven in de bijzondere toetsingscriteria.
3.3. Doelmatig onderhoud van A- en B- watergangen 3.3.1. Onderhoudsstrook Een onderhoudsstrook is een in principe obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt.
Bij de behandeling van de watervergunningsaanvraag wordt beoordeeld of het onderhoud van de watergang naar behoren, dus doelmatig kan worden uitgevoerd. Gezien de grote variëteit aan watergangen binnen het beheergebied van het waterschap is het niet mogelijk om voor elke denkbare situatie dekkende criteria te hebben. In de legger zijn de afmetingen van de watergangen, inclusief de beschermingszones, vastgelegd. Deze beschermingszones hebben vooral ten doel om de watergang toegankelijk te houden voor - doorgaans machinaal - uit te voeren onderhoud.
Vanuit een flexibel leggerbeheer kan de beschermingszone breder of smaller zijn in verband met andere te beschermen belangen. In het volgende hoofdstuk worden, bij de beleidsregel voor objecten, bijzondere criteria genoemd die doelmatig onderhoud moeten waarborgen.
3.3.2. Varend onderhoud In die gevallen waarin onderhoud varend wordt gepleegd, worden aanvragen voor een watervergunning (voor bijv. duikers en bruggen) getoetst aan de volgende criteria: minimale bodembreedte van 2 meter; boven die 2 meter moet een minimale waterdiepte zijn van 1 meter onder zomerpeil of boezempeil; de doorvaartbreedte op de waterlijn minimaal 2,25 meter blijven (ook naast eventueel mee te maaien natuurvriendelijke oevers); er moet minimaal 75 meter lengte van de te onderhouden watergang aanwezig blijven; er moet voldoende doorvaarthoogte overblijven ter plaatse van de aanwezige kruisingen met infrastructurele werken, oftewel minimaal 1,00 meter ten opzichte van zomerpeil of boezempeil; In het gebied van Alblasserwaard en Vijfheerenlanden kan in verband met de maaiveldhoogte een kleinere maat worden toegelaten; er moeten vanaf de openbare weg goed bereikbare locaties aanwezig zijn waar een maaiboot te water kan worden gelaten; er moet op elke lengte van ca 150 meter een vuiltrekplaats aanwezig zijn waar maaisel uit de watergang kan worden verwijderd en op een voertuig kan worden geladen om zo te worden afgevoerd. Deze vuiltrekplaatsen dienen minimaal de afmetingen te hebben die in de te verlenen watervergunning zullen worden voorgeschreven; er moet een locatie in de watergang aanwezig van 6 meter bij 6 meter (met een waterdiepte minimaal 1 meter (onder zomerpeil of boezempeil)) waar een maaiboot gekeerd kan worden (zodat maaisel kan worden opgeduwd).
3.3.3. Om onderhoud aan natuurvriendelijke oevers goed uit te kunnen voeren, gelden de volgende eisen:
Het talud moet minimaal 1:6 of flauwer zijn;
De natuurvriendelijke oever moet goed toegankelijk zijn voor onderhoudsmaterieel;
Bij toepassing van een plas-draszone moet een onderhoudstrook van minimaal 4 meter breed langs de natuurvriendelijke oever beschikbaar zijn.
Later in de kern- of beschermingszone aangebrachte niet-waterkerende elementen hebben invloed op de kwaliteit van de waterkering doordat ze: de waterkerende functie kunnen aantasten een toekomstige verzwaring kunnen belemmeren cq aanzienlijk duurder maken doelmatig beheer en onderhoud bemoeilijken.
Typen waterkeringen Het waterschap onderscheidt twee typen waterkeringen, te weten: primaire waterkeringen. Dit zijn waterkeringen welke vooral liggen langs de grote rivieren (Maas, Nederrijn/Lek en de Waal/Merwede) en door het Rijk zijn aangewezen op grond van de Waterwet. regionale waterkeringenDit zijn waterkeringen gelegen binnen het beheergebied van het waterschap vooral langs de boezemwateren en de kanalen. Regionale waterkeringen worden of zijn aangewezen op grond van een provinciale verordening. Daarnaast onderscheidt het waterschap regionale waterkeringen die niet door de provincie worden aangewezen, maar wel van belang worden geacht en die op basis van de Keur zijn aangewezen.
In bijlage 4 is een overzichtskaart van de primaire en regionale waterkeringen opgenomen.
De primaire waterkeringen worden onderverdeeld in zogenaamde categorie A, B en C waterkeringen (omschrijving volgens Waterwet):
Categorie A: waterkeringen die behoren tot stelsels die dijkringgebieden al dan niet met hoge gronden omsluiten en direct buitenwater keren;
Categorie B: waterkeringen die voor dijkringgebieden zijn gelegen en buitenwater keren;
Categorie C: waterkeringen, niet bestemd tot directe kering van buitenwater.
De regionale waterkeringen zijn onderverdeeld in 3 groepen (1, 2 en 3).
Categorie 1: waterkeringen die buitenwater keren (bijv. zomerkaden, voorlandkeringen);
Categorie 2: waterkeringen die ander water keren (bijv. boezemkaden, polderkaden, waterkeringen langs regionale rivieren, kanaaldijken);
Categorie 3: 'droge' waterkeringen (bijv. slaperdijken, compartimenteringsdijken).
Toetsingscriteria De algemene toetsingscriteria voor het waarborgen van de waterstaatkundige functie van waterkeringen vallen uiteen in een aantal onderdelen. Deze onderdelen zijn hieronder aangegeven en uitgewerkt. In die gevallen waar de aanvraag voor een watervergunning niet voldoet aan de vereiste criteria, zal door overleg met de initiatiefnemer en aanpassing van de plannen door de initiatiefnemer, de waterstaatkundige functie alsnog moeten worden gewaarborgd.
Aanvragen worden beoordeeld op de volgende criteria:
4.2. Beheer Het waterschap is onder andere verantwoordelijk voor het beheer van de waterkeringen. Onder beheer wordt verstaan het geheel van activiteiten dat noodzakelijk is om te waarborgen dat de functie van de waterkering blijft voldoen aan de daarvoor vastgestelde eisen en normen. Om te zorgen dat de waterkering blijft voldoen aan de vereiste normen, is het noodzakelijk te inspecteren en te monitoren. Bij de aanvraag voor een watervergunning zal altijd de toets plaatsvinden of het object van vergunningverlening belemmerend werkt voor de inspectie en monitoring.
4.3. Onderhoud Het waterschap wil het dijkonderhoud op een doelmatige manier uitvoeren. Zonder onderhoud neemt de kwaliteit van de waterkering af en daarmee de vereiste veiligheid. Bij het toetsen van een watervergunningaanvraag wordt beoordeeld of het uitvoeren van onderhoud nog op een doelmatige wijze mogelijk is;
4.4. Functiescheiding Tussen voorzieningen voor de waterkerende functie en voorzieningen voor andere functies moet een duidelijke scheiding aanwezig zijn. Bij andere functies moet men onder andere denken aan wegen, bebouwing, recreatief- of ander medegebruik. Verweving van functies is niet gewenst. De functie van de waterkering is van primair belang. Andere functies zijn ondergeschikt aan de waterkerende functie. Eventuele andere functies worden aan de waterkering aangepast, niet andersom.
Functiescheiding geldt in principe voor alle waterkeringen, zowel voor primaire waterkeringen als voor regionale waterkeringen.
4.5. Afmetingen en zonering van waterkering volgens legger en Keur Bij de beoordeling van een aanvraag voor een watervergunning wordt onderscheid gemaakt tussen de primaire en regionale waterkeringen. De veiligheidsnorm verschilt namelijk per dijkring of kadevak.
Bij alle waterkeringen wordt rekening gehouden met het behoud van de waterkerende functie en het kunnen uitvoeren van doelmatig beheer en onderhoud (zie punt 1 en 2). Bovendien wordt bij een aanvraag getoetst in hoeverre ruimte is gereserveerd voor toekomstige aanpassingen en/of versterkingen aan de waterkering.
4.5.1. Afmetingen In de leggers zijn de noodzakelijke afmetingen van de waterkering vastgelegd. Voor initiatieven wordt alleen een watervergunning verleend wanneer deze buiten het leggerprofiel en/of het profiel van vrije ruimte plaatsvinden (zie onder 6).
Voor waterkeringen waarvoor een legger niet is vastgesteld geldt de ligging en het profiel zoals deze in het terrein aanwezig is. Bij beoordeling van aanvragen voor een watervergunning nabij deze waterkeringen wordt dan ook alleen rekening gehouden met het huidige (beheer)profiel. Dit geldt ook voor waterkeringen, waarvoor wel een legger is voorgeschreven, maar deze nog niet is vastgesteld .
4.5.2. Zonering In de Keur staat vermeld dat de kernzone en de beschermingszone samen het waterstaatswerk (waterkering) vormen. Daarnaast wordt ook een buitenbeschermingszone onderscheiden. Exacte afmetingen van de zoneringen zijn beschreven in de legger. Voor de situatie waar geen legger aanwezig is, is de overgangsbepaling van artikel 7.3 van de Keur van toepassing. Hierin is voor waterkeringen, waarvoor het vaststellen van een legger niet is voorgeschreven, en/of waarvoor het vaststellen van een legger wel is voorgeschreven maar deze nog niet is vastgesteld, een zonering benoemd.
4.6. Profiel van vrije ruimte (p.v.v.r.) Primaire waterkeringen worden ontworpen en aangelegd op basis van eisen die door de Minister van Verkeer en Waterstaat worden vastgesteld. Deze eisen gaan uit van een maatgevend hoogwater (MHW) berekend op een bepaalde rivierafvoer bij Lobith of bij Borgharen. Door ontwikkelingen als klimaatverandering en bodemdaling zijn toekomstige dijkversterkingen niet uitgesloten. Het is niet wenselijk, voor de burgers niet én voor het waterschap niet om in de toekomst bijvoorbeeld bebouwing, leidingen en andere werken te moeten verwijderen om een dijkversterking mogelijk te maken. Het is daarom van belang kapitaalintensieve investeringen (denk aan bouwwerken, transportleidingen, sportvelden e.d.) zo te situeren dat een dijkversterking zonder sloop en/of andere aanpassingen aan kapitaalintensieve investeringen toch goed mogelijk blijft. Dit wordt bereikt door deze ontwikkelingen op duurzaamheid te toetsen aan de hand van het profiel van vrije ruimte. In bijlage 5 is nader uitgelegd hoe dit p.v.v.r. wordt bepaald als deze niet in de legger is opgenomen.
Voor regionale waterkeringen wordt getoetst aan de legger en het eventueel daarin opgenomen profiel van vrije ruimte. Als geen legger is vastgesteld, wordt getoetst aan het bestaande profiel (beheerprofiel).
4.7. Waterkering volgens toetsing onvoldoende Het waterschap toetst de primaire waterkeringen eens in de zes jaar.
Als blijkt dat naar aanleiding van de toetsing trajecten van de waterkering worden afgekeurd moet het waterschap maatregelen nemen om de waterkering te laten voldoen aan de gestelde eisen. Als het te maken werk waarvoor watervergunning wordt aangevraagd de dijkversterking zou hinderen of als verwacht kan worden dat uitvoering van de dijkversterking het te maken werk negatief kan beïnvloeden, verleent het waterschap geen watervergunning.
4.8. Beheerprofiel handhaven Bepaalde trajecten van waterkeringen zijn overgedimensioneerd. Dit wil zeggen dat de waterkering meer dan voldoet aan de huidige eisen. Deze overmaat is niet altijd een blijvende situatie, maar kan op den duur verdwijnen door zettingen, bodemdaling, toenemende belastingen of verandering van het ontwerp door wijziging van de randvoorwaarden. Daarom wordt bij beoordeling van plannen zoveel mogelijk uitgegaan van het bestaande profiel (beheerprofiel).
4.9. Dijksluitingsperiode Ter bescherming van de waterkering is een dijksluitingsperiode bepaald waarin uitvoering van werkzaamheden in en nabij waterkeringen niet of beperkt wordt toegestaan. De dijksluitingsperiode geldt van 15 oktober tot 1 april. Buiten deze periode geldt er ook een dijksluiting tijdens hoogwaterperiodes.
De dijksluitingsperiode geldt voor de primaire en voor de regionale waterkeringen met uitzondering van het boezemsysteem (Overwaard, Nederwaard, Merwedekanaal, Zouweboezem, Kanaal van Steenenhoek) 4.10. Vervangende waterkering Een vervangende waterkering komt in plaats van traditionele grondwaterkeringen of onderdelen daarvan. Een vervangende waterkering is in verhouding duurder, en moeilijker aan te passen in een toekomstige situatie. Daarom wordt deze slechts in uitzonderlijke situaties toegestaan. Bijvoorbeeld als meerdere (publieke) belangen en/of omstandigheden zich verzetten tegen een traditionele waterkering nu en/of in de toekomst.
Constructies die worden gebruikt als vervangende waterkering dienen onderdeel uit te maken van de waterkering en als functioneel element gescheiden te worden van andere niet-waterkerende functies (zie ook punt functiescheiding).
Het beheer en onderhoud van deze constructies moet geregeld worden volgens de richtlijn 'Beheer en Onderhoud van constructies' door het college van dijkgraaf en heemraden vastgesteld op 3-2-2006.
Het ontwerp van deze vervangende waterkering moet gebaseerd zijn op de relevante beschikbare leidraden en richtlijnen voor waterkerende constructies.
Om voor zowel de primaire waterkeringen als de regionale waterkeringen de waterkerende functie te waarborgen, zal het waterschap eisen dat hij privaatrechtelijk eigenaar wordt of op een andere wijze zeggenschap krijgt over de vervangende waterkering.
4.11. LNC-waarden Het waterschap heeft in de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in sterke waterkeringen, maar ook in mooie waterkeringen. Bij elke dijkversterking is veel aandacht uitgegaan naar landschap-, natuur- en cultuurwaarden (LNC-waarden). Daarom is het belangrijk om deze waarden blijvend te beschermen. Ontwikkelingen op en nabij de waterkering worden getoetst aan de LNC-visie van het waterschap. Zolang er geen LNC-visie is opgesteld zal de ontwikkeling getoetst worden aan de landschapsplannen die bij de dijkversterking zijn opgesteld. Het waterschap zal in overleg met andere overheden trachten de LNC-waarden zoveel mogelijk te beschermen.
5 De beleidsregels 5.1 Werkzaamheden in watergangen Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder a:
Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten.
Verklaring van een aantal begrippen Onder werkzaamheden worden in dit geval activiteiten verstaan waardoor waterstaatswerken en hun beschermingszones veranderd worden. Ook activiteiten die geen verandering beogen, maar waardoor er toch veranderingen in de waterstaatswerken of hun beschermingszones optreedt, vallen onder dit begrip.
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Deze beleidsregel geldt voor alle watergangen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland die in de legger zijn vastgelegd.
Raakvlakken met ander beleid Deze beleidsregel heeft raakvlakken met alle overige beleidsregels met betrekking tot werkzaamheden die op de één of andere manier van invloed (kunnen) zijn op de staat van de waterstaatswerken.
Daarnaast gelden er algemene regels voor werkzaamheden die regelmatig worden uitgevoerd en die weinig invloed hebben op de waterhuishouding. Voor het dempen van en compenseren in C-watergangen is er een Algemene Regel (zie bijlage 1 nr. 3).
Doel van het beleid Beschermen van de functie van watergangen Deze beleidsregel wil de functie van watergangen beschermen. Het gaat er daarbij om dat de water aan- en afvoer, de waterberging en het profiel van de watergangen minstens hetzelfde blijven. Ook moet het mogelijk blijven om zonder belemmeringen doelmatig onderhoud en inspecties van watergangen uit te kunnen voeren.
Beschermen van het watersysteem Grond is kostbaar. Daarom is er een neiging deze maximaal te benutten. Dat gaat vaak ten koste van de ruimte die beschikbaar moet zijn voor watergangen. Door demping of versmalling van watergangen neemt deze ruimte af. In principe hebben alle wijzigingen van het profiel van een watergang invloed op de berging en op de aan- en afvoer van water in een gebied. Dit geldt ook voor watergangen die onder normale omstandigheden droogvallen.
Ook werkzaamheden die niet direct het profiel van de watergang veranderen, kunnen toch van invloed zijn op het profiel. Bijvoorbeeld omdat taluds onstabiel worden en inzakken.
Aan dergelijke werkzaamheden kan worden meegewerkt als het watersysteem als geheel niet verandert. Dit betekent dus dat in principe aan- en afvoer- en bergingscapaciteit minstens gelijk moet blijven.
Als de berging als gevolg van de werkzaamheden minder wordt, moet hiervoor worden gecompenseerd. Dat betekent dat binnen hetzelfde peilvak, zo dicht mogelijk bij de ingreep, eenzelfde hoeveelheid waterberging gegraven moet worden.
Onder waterberging wordt verstaan de hoeveelheid water (in m3) die in de watergang verzameld kan worden boven het zomer(boezem) peil.
Het waterschap wil zoveel mogelijk A-watergangen in eigendom hebben. Dit om zeker te weten dat het onderhoud van deze belangrijke watergangen goed uitgevoerd wordt. In slecht onderhouden watergangen is een goede aan- en afvoer van water niet gegarandeerd.
Het waterschap moedigt het graven van waterbergende oevers aan. Waterbergende oevers hebben namelijk twee voordelen:
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.
5.2 Werkzaamheden in het winterbed van de Linge en de Korne en de boezemgebieden van het Merwedekanaal, de Zouweboezem/Oude Zederik Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder a:
Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten. Hieronder worden ook werkzaamheden in het winterbed van de Linge en de Korne verstaan.
Verklaring van een aantal begrippen Deze beleidsregel geldt voor alle werkzaamheden in het winterbed van de Linge en de Korne die: tot gevolg hebben dat permanent ruimte in beslag wordt genomen, EN waarbij die ruimte op zo'n plek is, dat de waterberging wordt verminderd.Het gaat hierbij meestal om gebouwen of andere bouwwerken. Maar kan ook gaan om opslagterreinen. Op deze terreinen is de opslag meestal wisselend, maar er is gemiddeld wel altijd een bepaalde hoeveelheid materiaal aanwezig. Omdat het winterbed een waterbergende functie heeft, kan er minder water worden geborgen als bebouwing wordt aangebracht. Het verlies aan waterberging dient daarom helemaal te worden gecompenseerd. Bij het aanbrengen van bebouwing (of opslag) wordt bepaald met hoeveel kubieke meter de waterberging afneemt. Deze kubieke meters moeten worden teruggebracht, bijvoorbeeld door het afgraven van een oever.
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Voor deze beleidsregel is het winterbed van de Linge en de Korne het gebied tussen de rivier en de dijken en vanaf de stuw Buren en de Julianastuw tot de kanaalsluis in Gorinchem. Als het hard en lang regent of als er om een andere reden veel water afgevoerd moet worden, kan het voorkomen dat de rivieren uit hun oevers treden. Het winterbed zorgt er dan voor dat het teveel aan water tijdelijk kan worden geborgen, totdat de waterstand in de rivier zo ver is gedaald dat het water weer op een normale manier kan worden afgevoerd.Het Merwedekanaal, de Zouweboezem/Oude Zederik en wateren die hiermee en met de Linge in directe verbinding staan, hebben hetzelfde peilregime als de Linge. Daarom geldt ook voor deze boezemgebieden deze beleidsregel.
Raakvlakken met ander beleid Naast de compensatie van de ingenomen kubieke meters waterberging, moet ook de versnelde afvoer worden gecompenseerd. De regels hiervoor staan in beleidsregel 5.17. Voor werkzaamheden in de boezemgebieden in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden, evenals voor werkzaamheden in waterbergingsgebieden, gelden aparte beleidsregels (nr. 5.3 en 5.4).
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van het winterbed van de Linge en de Korne, als onderdeel van het totale watersysteem. In dit geval gaat het om de instandhouding van de belangrijke waterbergende functie van het winterbed van de Linge en de Korne.
Toelichting op de beleidsregel Waterberging Het winterbed van de Linge en de Korne heeft een zeer belangrijke waterbergende functie. Als de rivieren buiten hun oevers treden, wordt het water geborgen in het winterbed. Het winterbed is dus een noodvoorziening die zijn functie altijd moet behouden. Op die manier wordt voorkomen dat de rivieren overstromen en daarbij grote schade aanrichten in bewoonde gebieden en aan percelen die op verschillende manieren in gebruik zijn. Bij het maken van bebouwing in het winterbed wordt gerekend met de berging die daadwerkelijk wordt weggenomen. De ingenomen kubieke meters worden bijvoorbeeld binnen een bepaalde hoogte ten opzichte van NAP bepaald, omdat het waterpeil maar tot deze maximale hoogte kan stijgen. Voor werkzaamheden onder het maaiveld is wel een vergunning nodig, maar omdat daarbij geen waterbergingsverlies optreedt, is daarvoor geen compensatie nodig.
Bij nieuwbouw vindt ook een uitbreiding van het verhard oppervlak plaats. Daardoor is er sprake van een versnelde afvoer van hemelwater. Ook hiervoor moet extra waterberging worden gegraven. Na 2050 zal er nog maar weinig ruimte zijn om extra waterberging in het winterbed mogelijk te maken. Daarom moet in het winterbed van de Linge en de Korne voor compensatie van verhard oppervlak 20% meer waterberging gemaakt te worden dan daarbuiten. Dat betekent dat er 476 m3 per hectare verhard oppervlak moet worden gecompenseerd.
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere criteria.
5.3 Werkzaamheden in boezemgebieden in Alblasserwaard en Vijfheerenlanden Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder a:
Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten. Hieronder worden ook werkzaamheden in de boezemgebieden van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden verstaan.
Verklaring van een aantal begrippen Met werkzaamheden in boezemgebieden worden activiteiten bedoeld die verlies van het waterbergende vermogen van de boezemgebieden tot gevolg hebben. Bijvoorbeeld bebouwing of ophoging van het terrein. Vanwege de belangrijke waterbergende functie van boezemgebieden moet het verlies aan waterberging ten gevolge van de werkzaamheden volledig worden gecompenseerd.
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Boezemgebieden zijn de gebieden in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden die liggen tussen de boezemkades.
Deze beleidsregel gaat over die plaatsen in het boezemgebied, waar het maaiveld ligt tussen het vastgestelde boezempeil en het vastgestelde maximale peil + 0,25 meter. Het vastgestelde maximale peil is het peil in boezemgebieden, wanneer, door een hogere afvoer van water, een beroep moet worden gedaan op het waterbergend vermogen.
Raakvlakken met ander beleid Deze beleidsregel komt voor wat betreft de compensatieverplichting overeen met de beleidsregel voor werkzaamheden in het winterbed van de Linge en de Korne. Ze zijn verschillend op het punt van de versnelde afvoer van hemelwater door de uitbreiding van het verhard oppervlak: in de boezemgebieden hoeft daarvoor niet te worden gecompenseerd.
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van de boezemgebieden als onderdeel van het totale watersysteem. In dit geval gaat het om instandhouding van de belangrijke waterbergende functie van de boezemgebieden.
De boezemgebieden hebben een zeer belangrijke waterbergende functie. Als de watergangen en riviertjes buiten hun oevers treden, wordt het water geborgen in de boezem. De boezem is dus een noodvoorziening die zijn functie altijd moet behouden. Op die manier wordt voorkomen dat de rivieren en watergangen overstromen en daarbij grote schade aanrichten in bewoonde gebieden en aan percelen die op verschillende manieren in gebruik zijn.
Bij het maken van bebouwing in het boezemgebied wordt rekening gehouden met de berging die daadwerkelijk wordt weggenomen. De ingenomen kubieke meters worden om die reden bepaald binnen het boezempeil en het vastgestelde maximale peil + 0,25 meter.
Voor werkzaamheden onder het maaiveld is ook een vergunning nodig. Omdat daarbij geen waterbergingsverlies optreedt, is daarvoor geen compensatie nodig.
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere criteria.
5.4 Werkzaamheden in waterbergingsgebieden Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder a:
Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten. Hieronder worden ook werkzaamheden in waterbergingsgebieden verstaan.
Verklaring van een aantal begrippen Bij werkzaamheden in waterbergingsgebieden gaat het vooral om activiteiten die een verlies aan waterbergingscapaciteit van de waterbergingsgebieden tot gevolg hebben. Daarbij kan gedacht worden aan bebouwing en ophoging van het terrein. Vanwege de belangrijke waterbergende functie van boezemgebieden dient het verlies aan waterberging ten gevolge van de werkzaamheden volledig te worden gecompenseerd.
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Waterbergingsgebieden zijn gebieden die periodiek kunnen overstromen, zodat voorkomen kan worden dat elders wateroverlast optreedt Deze beleidsregel is van toepassing op waterbergingsgebieden die als zodanig op de legger zijn aangegeven. Het winterbed van de Linge en de Korne en de boezemgebieden in de Alblasserwaard zijn ook waterbergingsgebieden, maar vallen niet onder deze beleidsregel.
Raakvlakken met ander beleid Voor het winterbed van de Linge en de Korne en de boezemgebieden in de Alblasserwaard gelden andere beleidsregels over de compensatieverplichting (nr. 5.2 en 5.3).
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterbergingsgebieden, als onderdeel van het totale watersysteem. In dit geval gaat het om de instandhouding van de belangrijke waterbergende functie van de waterbergingsgebieden.
Toelichting op de beleidsregel Waterberging Sommige gebieden zijn planologisch zo vastgelegd, dat ze (grote) hoeveelheden water kunnen bergen. Er wordt daarbij ook ingespeeld op toenemende neerslaghoeveelheden in de toekomst en de daarmee samenhangende verhoogde waterafvoer. Deze extra ruimte kan zowel gevonden worden in nieuwe gebieden die nu nog niet regelmatig inunderen, als in het langer vasthouden van het water in bestaande gebieden die wel regelmatig inunderen.
Binnen de in de legger aangewezen waterbergingsgebieden dient de eigenaar/gerechtigde/gebruiker te gedogen dat die gronden vanuit het oppervlaktewater tijdelijk inunderen en/of dat water tijdelijk op zijn grond wordt vastgehouden.
Waterbergingsgebieden zijn van groot waterhuishoudkundig belang, omdat ze kunnen worden ingezet bij het voorkomen van wateroverlast op andere plaatsen. Voor werkzaamheden in waterbergingsgebieden zijn er dan ook voorschriften die de instandhouding van de volledige waterbergingscapaciteit van de waterbergingsgebieden kunnen waarborgen.
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere criteria:
5.5 Het plaatsen van objecten in en langs watergangen Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:
Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van objecten in en langs watergangen.
Verklaring van een aantal begrippen Voor de term "objecten" bestaat geen eenduidige omschrijving. Objecten zijn zeer verschillend van aard en worden om zeer verschillende redenen geplaatst.
Onder objecten kunnen bijvoorbeeld (bouw)werken, toestellen, vlonders en beplanting worden verstaan. Voor een aantal veel voorkomende objecten zijn specifieke beleids- en algemene regels opgesteld. Voor alle overige objecten is er deze beleidsregel.
Vanwege de diversiteit aan objecten en de verschillende functies die aan de objecten worden toegewezen, worden watervergunningsaanvragen voor het plaatsen van objecten per geval beoordeeld.
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Deze beleidsregel is van toepassing op objecten in alle watergangen en/of in de beschermingszone van A-watergangen, waarbij de beschermingszone volgens de legger een breedte heeft van 4 meter. Een uitzondering hierop vormen de gebieden in de Alm en Biesbosch en de gebieden van Albasserwaard en Vijfheerenlanden, waar volgens de legger een beschermingszone van 5 meter wordt gehanteerd.
Voor B-watergangen geldt dat de tweezijdige beschermingszone van 1 meter te allen tijde vrij dient te blijven van obstakels. Het hebben en plaatsen van objecten binnen deze toch al smalle zone wordt niet toegestaan.
Raakvlakken met ander beleid Voor een aantal werken, beplantingen en objecten zijn beleidsregels, maar ook algemene regels opgesteld. Gedacht kan worden aan hekwerken, steigers en bomen. Zie bijlage 1 voor een lijst met werken/beplantingen waarvoor algemene regels zijn opgesteld. Wanneer bij het plaatsen van deze werken, beplantingen en objecten niet kan worden voldaan aan de algemene regels of aan de specifieke beleidsregels worden deze werken, beplanting en objecten beschouwd als objecten in deze zin van deze beleidsregel (nr. 5.5).
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale waterhuishoudkundige systeem. In het geval van objecten gaat het er met name om dat doelmatig onderhoud niet wordt belemmerd en de stabiliteit van de taluds wordt gewaarborgd.
Toelichting op de beleidsregel Doorstroming, waterberging en waterkwaliteit Sommige objectenbevinden zich vanuit hun functie in het natte profiel van A-watergangen, waardoor ze van invloed kunnen zijn op de doorstroming en de waterberging. Hoe groter het object, hoe meer de doorstroming van de watergang wordt beïnvloed en hoe meer waterberging er wordt weggenomen. Daarnaast kan het materiaal waaruit het object bestaat of de manier waarop het object wordt geplaatst, van invloed zijn op de waterkwaliteit. Aangezien objecten sterk verschillend kunnen zijn, zal iedere aanvraag hierop apart getoetst worden.
Onderhoud Objecten die binnen de beschermingszone van A-watergangen worden geplaatst kunnen het doelmatig onderhoud van die watergangen belemmeren. De beschermingszone heeft tot voornaamste doel dat machinaal onderhoud kan plaatsvinden. Daarnaast bestaat de kans dat maaisel en baggerspecie via het talud terug in het water glijdt wanneer er sprake is van een (te) smalle beschermingszone. Objecten binnen de beschermingszone zijn dan ook in principe niet gewenst.
Stabiliteit Een object kan van invloed zijn op de stabiliteit van het talud van een watergang, als het object te dicht op de insteek van de watergang wordt geplaatst. Het talud zou daardoor kunnen verzakken, waardoor de doorstroming van de watergang verminderd wordt. Daarnaast zou materiaal, afkomstig van het object, in de watergang terecht kunnen komen, wat weer van invloed zou kunnen zijn op de waterkwaliteit.
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere criteria:
5.6 Het plaatsen van dammen met duikers in watergangen Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:
Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van een dam met duiker in een watergang of het verbinden van watergangen door middel van een dam met duiker.
Verklaring van een aantal begrippen Een dam met duiker wordt door de Keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland beschouwd als een (kunst)werk. Onder een duiker wordt een ronde (en in sommige gevallen rechthoekige) buis verstaan. Een duiker bestaat meestal uit meerdere delen en wordt bij de aanleg van een perceelsontsluiting in de watergang geplaatst om de doorstroming van de watergang zeker te stellen.
Daarnaast worden dammen met duikers ook wel gebruikt om watergangen met elkaar te verbinden.
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Deze beleidsregel is van toepassing op dammen met duikers in alle watergangen. Voor dammen met duikers in B- en C-watergangen geldt bovendien een algemene regel.
Raakvlakken met ander beleid Voor het plaatsen van dammen met duikers in B- en C-watergangen geldt een algemene regel (zie bijlage 1, nummers 7 en 17)Een andere mogelijkheid om een perceel te ontsluiten is door het plaatsen van een brug. Voor het plaatsen van bruggen over A-watergangen geldt een aparte beleidsregel.(nummer 5.7) Voor het plaatsen van bruggen over B- en C-watergangen geldt een algemene regel (zie bijlage 1, nr. 8).
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale waterhuishoudkundige systeem. In het geval van dammen met duikers gaat het er om dat de doorstroming van watergangen is gewaarborgd, dat er zo min mogelijk waterbergingsverlies optreedt en dat doelmatig onderhoud aan de watergang niet wordt belemmerd.
Toelichting op de beleidsregel Dammen met duikers worden meestal geplaatst om percelen naar de openbare weg te ontsluiten of om twee naast elkaar gelegen percelen te ontsluiten. Bij het toetsen of een dam met duiker noodzakelijk is, en ook bij het toetsen van de gewenste afmetingen, wordt rekening gehouden met verschillende aandachtspunten. Dit zijn: de functie van de dam met duiker, de afmetingen van de watergang, al aanwezige ontsluitingen van het betreffende perceel en of het een ontsluiting van een woon- of een bedrijfsperceel betreft.
Doorstroming en waterberging Bij het plaatsen van een duiker treedt een vernauwing op van de betreffende watergang, waardoor de doorstroming van de watergang vermindert. Er wordt dan ook terughoudend omgegaan met het verlenen van een vergunning voor een dam met duiker. Dammen met duikers worden alleen toegestaan als de noodzaak kan worden aangetoond. Er worden voorwaarden gesteld aan de afmetingen van de duiker, de plaats van de dam met duiker en het aantal dammen met duikers per perceel, om de afwatering van het gebied waarbinnen de watergang zich bevindt te garanderen.
Als het gaat om de doorstroming en de waterberging van een watergang zijn voornamelijk de diameter en de lengte van de duikerbuis van belang. Hoe kleiner de diameter en hoe groter de lengte van de duikerbuis, hoe meer opstuwing en verlies aan waterberging er in de watergang optreedt. Hoe groter dus ook het negatieve effect op de waterhuishouding is.
Afhankelijk van de functie en de afmetingen van de watergang worden er minimale eisen gesteld aan de afmetingen van de dam met duiker.
Daarnaast is ook de functie van de duiker bepalend voor de maximale buislengte. Voor dammen met duikers die gebruikt worden als ontsluiting van percelen gelden standaard maximale duikerlengtes. De maximaal toegestane afmetingen van infrastructurele duikers (duikers die onder wegen doorlopen om oppervlaktewateren aan weerszijden van die wegen te verbinden) worden per geval bepaald.
Onderhoud De locatie van een dam met duiker is van belang voor doelmatig onderhoud aan een watergang. Om goed onderhoud te kunnen plegen is het van belang dat de watergang goed bereikbaar is voor (machinaal) onderhoud. De dam met duiker mag daarom niet te dicht op andere (kunst)werken worden geplaatst.
Ecologische functie en waterkwaliteit Dammen met duikers kunnen een negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit en ook op de ecologische functie van de betreffende watergang. In sommige gevallen kunnen in een watervergunning daarom extra voorschriften worden opgenomen om de waterkwaliteit en de ecologische functie te waarborgen. Dit gebeurt met name bij relatief lange (infrastructurele) duikers en duikers in ecologische verbindingszones.
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Voor het plaatsen van dammen met duikers in B- en C-watergangen gelden algemene regels (zie bijlage 1, de nrs. 7 en 17). Als kan worden voldaan aan de algemene regel is geen watervergunning van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 nodig. Voor dammen met duikers die niet aan de algemene regel voldoen gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.
Voor B-watergangen en C-watergangen geldt dat dit bij winterpeil 1/5 van de duikerdiameter moet zijn, met een minimum van 200 mm.
5.7 Het plaatsen van bruggen over A-watergangen Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:
Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van bruggen over watergangen.
Verklaring van een aantal begrippen Een brug wordt meestal geplaatst om een perceel te ontsluiten of om openbare wegen over watergangen te verbinden. Een brug kan uit verschillende materialen bestaan.
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Deze beleidsregel is van toepassing op bruggen die over A-watergangen worden geplaatst. Aangezien bruggen minder waterberging weg nemen en niet tot weinig van invloed zijn op de doorstroming van een watergang, hebben bruggen de voorkeur boven dammen met duikers Raakvlakken met ander beleid Voor het plaatsen van bruggen over B- en C-watergangen geldt een algemene regel.(zie bijlage 1, nummer 8) Soms worden de brughoofden van een bepaald soort bruggen in de kernzone geplaatst. Daardoor krijgen ze meer het karakter van een (WACO-)duiker. Dergelijke 'bruggen' worden dan ook als duikers getoetst aan beleidsregel 5.6: "Het plaatsen van dammen met duikers in A- watergangen die in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland".
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale waterhuishoudkundige systeem. In het geval van bruggen over A-watergangen gaat het er voornamelijk om dat de brug het doelmatig onderhoud aan de watergang niet belemmert en dat de stabiliteit van de taluds wordt gewaarborgd.
Toelichting op de beleidsregel Doorstroming, waterberging en waterkwaliteit Als bruggen worden geplaatst zonder ondersteunende pijlers in het natte profiel van de watergang, heeft de brug vrijwel geen effect op de doorstroming van de watergang. Bij lange bruggen worden wel vaak pijlers gebruikt. Daardoor kan de doorstroming enigszins worden beïnvloed, bijvoorbeeld door ophoping van vuil wanneer de ondersteuningspunten/pijlers te dicht op elkaar zijn geplaatst. Het materiaal waaruit de brug bestaat kan van invloed zijn op de waterkwaliteit. Er kunnen daarom eisen gesteld worden aan het gebruikte materiaal.
Onderhoud Bij een brug over een A-watergang is het belangrijk dat de brug het doelmatig onderhoud aan de watergang niet belemmert. Er worden daarom eisen gesteld aan de hoogte van de brug ten opzichte van het zomerpeil en de afstand tussen eventuele pijlers. Daarnaast is het ook belangrijk hoever de brug afligt van een ander (kunst)werk. Wanneer een brug bijvoorbeeld te dicht op een andere brug of een dam met duiker is geplaatst zou dat kunnen betekenen dat doelmatig onderhoud met behulp van machines moeilijk wordt.
Stabiliteit Bij het plaatsen van bruggen moet rekening gehouden worden met de stabiliteit van de taluds/oevers. Bruggen kunnen een aanzienlijk gewicht hebben en als er geen sprake is van een goede ondersteuning, zou dat kunnen leiden tot het verzakken van de oevers. Er worden daarom eisen gesteld aan de positie van de brug ten opzichte van de watergang.
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Voor het plaatsen van bruggen over B- en C-watergangen gelden algemene regels (zie bijlage 1, nummer 8). Als wordt voldaan aan de algemene regel is geen watervergunning op basis van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 nodig.
Voor bruggen die niet aan de algemene regel voldoen gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.
5.8 Het plaatsen van steigers Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:
Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van steigers.
Verklaring van een aantal begrippen Onder een steiger wordt een (houten) constructie verstaan die gedeeltelijk over een watergang is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel. Een steiger wordt (meestal) voor recreatieve doeleinden geplaatst, bijvoorbeeld om vis- of vaarwater goed te kunnen bereiken.
In de praktijk blijkt dat er nogal eens verwarring bestaat over het onderscheid tussen een steiger en een drijvende vlonder of ponton die met peilfluctuaties meebewegen. Drijvende vlonders en/of pontons in de beschermingszones van A-watergangen belemmeren het doelmatig onderhoud, zorgen voor opstuwing en zijn ecologisch ongewenst. Voor drijvende vlonders en pontons wordt dan ook geen watervergunning verleend. Overkragende vlonders, dus vlonders die vanaf het aangrenzende perceel zwevend over de watergang steken, worden aangemerkt als steiger. Niet-overkragende vlonders op het maaiveld in de beschermingszone vallen onder objecten (beleidsregel.nummer 5.5 Het plaatsen van objecten in en langs watergangen).
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Deze beleidsregel is van toepassing op steigers en vlonders die geplaatst worden in watergangen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.
Raakvlakken met ander beleid Voor het plaatsen van kleine steigers is een algemene regel opgesteld. (zie bijlage 1 nummer 19) Wanneer niet aan de voorwaarden van de algemene regel kan worden voldaan, wordt aan deze beleidsregel getoetst. Op boenstoepen in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden is beleidsregel 5.9 van toepassing.
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale watersysteem. In het geval van steigers gaat het er met name om dat de doorstroming van watergangen niet wordt belemmerd. Ook het doelmatig onderhoud aan een watergang kan worden belemmerd door de aanwezigheid van een steiger. Daarnaast kan een steiger invloed hebben op de ecologische kwaliteit van een watergang.
Toelichting op de beleidsregel Doorstroming De aanwezigheid van steigers in een watergang, heeft een negatief effect op de doorstroming van de watergang. De aanwezigheid van palen in het natte profiel zou ook kunnen zorgen voor een ophoping van drijfvuil, waardoor de doorstroming verder wordt beïnvloed en opstuwing van water het gevolg kan zijn. In vaarwegen is het daarnaast van belang dat er voldoende ruimte overblijft voor vaarverkeer. Voorkomen moet worden dat steigers zo groot worden dat het vaarkeer wordt gehinderd.
Onderhoud Door de aanwezigheid van een steiger in een watergang kan het doelmatig onderhoud aan die watergang worden belemmerd. Het talud direct onder de steiger kan namelijk niet worden bereikt. Daarnaast worden steigers vaak doorgetrokken tot op het achterliggende perceel. Wanneer een constructie wordt aangebracht binnen de beschermingszone van een A-watergang, zou dat het onderhoud met zwaar materieel kunnen belemmeren. In watergangen die varend worden onderhouden moet voorkomen worden dat de watergangen te smal worden voor maaiboten.
Steigers worden dan ook alleen toegestaan in watergangen die hiervoor voldoende ruimte bieden.
Ecologie Wanneer constructies zoals steigers over watergangen worden geplaatst, kan dat een negatief effect hebben op de ecologische gesteldheid van de watergangen. Onder de steiger kan bijvoorbeeld geen zonlicht schijnen. Daarom worden er maximale afmetingen van de steiger voorgeschreven.
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:
5.9 Het aanleggen en hebben van boenstoepen Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:
Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van boenstoepen.
Verklaring van een aantal begrippen In het gebied van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden werd pas begin van de vorige eeuw waterleiding aangelegd. Voor water voor de vaat, was en dieren werd water uit de sloot getapt. Het gebruik van het toen nog schone slootwater was noodzakelijk en gebruikelijk in dit gebied. Voor dit doel waren in de kernzone van de watergang zogenoemde boenstoepen aangelegd. Later gebruikten de boeren deze boenstoepen om hun melkbussen erop te zetten.
Bij veel boerderijen in de Alblasserwaard werden sommige boenstoepen bovendien "overdekt".
De boenstoep ligt in de kernzone van een watergang. Tussen de boenstoep en het eigendom van de aanwonende ligt veelal een weg en een berm. In die zin voldoet de boenstoep niet aan de criteria die gelden voor steigers (een direct belang voor aangrenzende eigenaren). Echter vanwege het cultuurhistorische belang van deze boenstoepen, acht het waterschap het gewenst een beleidsregel op te stellen die het mogelijk moet maken om toch watervergunning te verlenen voor het aanleggen en hebben van een boenstoep in het gebied van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden.
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Deze beleidsregel is van toepassing op díe watergangen in het gebied van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, waar van oudsher boenstoepen aanwezig zijn.
Raakvlakken met ander beleid Aanvragen voor het plaatsen van gelijksoortige constructies buiten het gebied van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden worden getoetst aan de beleidsregel voor steigers (5.8) en/of objecten (5.5).
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale watersysteem. In het geval van boenstoepen gaat het er vooral om dat de doorstroming van watergangen niet wordt gehinderd. Ook het doelmatig onderhoud aan een watergang kan worden belemmerd door de aanwezigheid van een boenstoep. Daarnaast kan een boenstoep invloed hebben op de ecologische kwaliteit van een watergang.
Toelichting op de beleidsregel Doorstroming De aanwezigheid van boenstoepen in een watergang kan een negatief effect hebben op de doorstroming van de watergang. De aanwezigheid van het werk in het profiel zou ook kunnen zorgen voor een ophoping van drijfvuil, waardoor de doorstroming verder wordt beïnvloed en opstuwing van water het gevolg kan zijn.
Onderhoud Door de aanwezigheid van een boenstoep in een watergang kan het doelmatig onderhoud aan die watergang worden belemmerd. Het talud direct onder de boenstoep kan namelijk niet worden bereikt.
Ecologie Wanneer constructies zoals boenstoepen over watergangen worden geplaatst, kan dat een negatief effect hebben op de ecologische gesteldheid van de watergangen. Onder de boenstoep kan bijvoorbeeld geen zonlicht schijnen. Daarom worden er maximale afmetingen van de boenstoep voorgeschreven.
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:
5.10 Het kruisen van A- en B-watergangen met kabels en leidingen en het aanbrengen van kabels en leidingen binnen de beschermingszone van A-watergangen Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:
Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het kruisen van watergangen met kabels en leidingen en het leggen van kabels en leidingen binnen de beschermingszone van watergangen.
Verklaring van een aantal begrippen Kabels en leidingen worden meestal aangelegd voor de uitbreiding van gas-, elektriciteits-, water- en/of telecommunicatienetwerken. Omdat deze kabels en leidingen voor iedereen belangrijk zijn, wordt er voor deze werken in principe altijd een watervergunning verleend.
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Deze beleidsregel is van toepassing op kabels en leidingen die A- en B-watergangen kruisen en op het leggen van kabels en leidingen binnen de beschermingszone van A-watergangen.
Omdat de beschermingszones langs B-watergangen doorgaans volgens de legger een breedte hebben van 1 m. worden alle soorten werkzaamheden binnen de beschermingszone van B-watergangen in principe altijd geweigerd. Dit geldt dus ook voor kabel-/leidingwerkzaamheden.
Raakvlakken met ander beleid Voor het kruisen van C-watergangen met kabels en leidingen is er een Algemene Regel (Zie bijlage 1, nr.5). Voor het kruisen van waterkeringen met kabels en leidingen geldt een aparte beleidsregel (nr. 5.28).
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale waterhuishoudkundige systeem. In het geval van kabels en leidingen gaat het er om dat de doorstroming van een watergang niet negatief wordt beïnvloed en dat de stabiliteit van de oevers wordt gewaarborgd.
Toelichting op de beleidsregel Stabiliteit van de oever Bij het leggen van kabels en leidingen wordt gebruik gemaakt van open ontgravingen en/of boringen. Wanneer deze werkzaamheden te dicht op de insteek van een watergang plaatsvinden, kan dat een negatief effect hebben op de stabiliteit van de oever. Wanneer een leiding eenmaal is ingegraven zou het voor kunnen komen dat deze beschadigd raakt. In het geval van een gas- of waterleiding zou dat tot gevolg kunnen hebben dat de stabiliteit van een oever wordt aangetast, bijvoorbeeld door uitspoeling of explosiegevaar. Er worden daarom eisen gesteld aan de afmetingen van een ontgraving (maximale breedte en diepte van de geul) en aan de afstand van de uit voeren werkzaamheden ten opzicht van de insteek van de watergang.
DoorstromingDe doorstroming van watergangen mag niet worden gehinderd. Daarom mogen kabels en leidingen niet door het profiel van de watergang lopen. Er zijn voorschriften met betrekking tot de diepte waarop kabels en leidingen moeten worden aangebracht ten opzichte van het leggerprofiel.
Onderhoud Kabel- en leidingwerkzaamheden hebben tijdens de uitvoering weinig effect op de doelmatigheid van het onderhoud. Aan het profiel van de watergang en de beschermingszones verandert immers niets.
Wat met betrekking tot het onderhoud wel van belang is, is dat kabels en leidingen niet beschadigd mogen worden als er onderhoudswerkzaamheden aan de watergang worden uitgevoerd. Ook daarom zijn er voorschriften over de diepte waarop kabels en leidingen worden aangebracht.
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.
5.11 Het plaatsen van een emissiescherm in de boom- en fruitteelt langs een A-watergang Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:
Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van een emissiescherm in de beschermingszone van A watergangen.
Verklaring van een aantal begrippen Een emissiescherm is een rij bomen, een haag of een andere voorziening, die tot doel heeft de drift van bestrijdingsmiddelen naar oppervlaktewater te beperken. Een emissiescherm is pas een emissiescherm als het wordt toegepast in de agrarische sector en alleen wanneer het tot doel heeft de emissie van bestrijdingsmiddelen naar oppervlaktewater te verminderen.
Een haag langs een A-watergang die grenst aan een particuliere tuin is geen emissiescherm en dus geldt daar een andere beleidsregel voor (5.5, Objecten).
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Deze beleidsregel is van toepassing op emissieschermen die worden geplaatst in de beschermingszone van A-watergangen.
Raakvlakken met ander beleid Een emissiescherm wordt meestal verplicht geplaatst in het kader van het "Lozingenbesluit open teelt en veehouderij", waarin wordt gestreefd naar het reduceren van emissies naar het oppervlaktewater. Vanwege de noodzaak van een emissiescherm wordt met het verlenen van een watervergunning voor een emissiescherm vrij soepel omgegaan, mits aan de hieronder beschreven voorschriften kan worden voldaan.
Beplantingen die niet tot doel hebben de emissie van bestrijdingsmiddelen tegen te gaan, maar die wel in de beschermingszone van A-watergangen worden geplaatst, worden getoetst aan beleidsregel nr. 5.5 (Objecten).
Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het watersysteem. Bij het plaatsen van een emissiescherm is het in dat kader van belang dat de stabiliteit van de oever niet wordt aangetast en dat doelmatig onderhoud van de betreffende watergang niet wordt belemmerd.
Toelichting op de beleidsregel Stabiliteit Als beplanting te dicht op de insteek van een watergang wordt geplaatst, kan dat een negatief effect hebben op de stabiliteit van de oever. Daarom worden dan ook eisen gesteld aan de minimale afstand van het emissiescherm ten opzichte van de insteek van de betreffende watergang.
Onderhoud A-watergangen hebben aan beide kanten een beschermingszone van 4,00 of 5,00 meter, gemeten vanuit de insteek. Die beschermingszone is nodig om doelmatig onderhoud met groot materieel te kunnen waarborgen. Het plaatsen van een emissiescherm binnen de beschermingszone zou het doelmatig onderhoud kunnen belemmeren. Emissieschermen zijn dan ook alleen toegestaan als kan worden voldaan aan de hieronder genoemde toetsingscriteria.
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:
Bij de aanvraag moet de aanvrager verklaren aan welke mogelijkheid hij/zij de voorkeur geeft.
5.12 Het plaatsen van hekwerken haaks op A-watergangen Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder b:
Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van een hekwerk haaks op een A-watergang.
Verklaring van een aantal begrippen Een hekwerk is een afscheiding die met name ten doel heeft een terrein af te sluiten en die doorgaans bestaat uit een houten of stalen constructie. Een dergelijke constructie wordt als een hekwerk gezien wanneer de hoogte meer bedraagt dan 1,00 meter.
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Deze beleidsregel is van toepassing op hekwerken die haaks op A-watergangen worden geplaatst.
Raakvlakken met ander beleid Aanvragen voor hekwerken die parallel aan een A-watergang worden geplaatst worden getoetst aan beleidsregel 5.5: Het plaatsen van objecten in en langs watergangen.
Er is verschil tussen hekwerken en afrasteringen. Van een afrastering is sprake wanneer het gaat om de "standaard" palen met draad van maximaal 1,00 meter hoog. Doorgaans hebben deze voorzieningen een veekerende functie. Voor het plaatsen van een afrastering die parallel aan de watergang zullen worden geplaatst, geldt een algemene regel (zie bijlage 1, nr. 14).
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het totale watersysteem. In het geval van hekwerken gaat het er met name om dat er voldoende ruimte overblijft voor doelmatig onderhoud aan de watergangen en dat de stabiliteit van de oever wordt gewaarborgd.
Toelichting op de beleidsregel Onderhoud Langs A-watergangen ligt aan beide zijden een beschermingszone van 4,00 meter (of 5,00 meter in het gebied van Alm en Biesbosch en Alblasserwaard en Vijfheerenlanden). Deze beschermingszones hebben tot doel dat doelmatig onderhoud met groot materieel door het waterschap kan worden uitgevoerd. Het plaatsen van een hekwerk binnen de beschermingszone heeft dan ook tot gevolg dat het onderhoud vanaf de betreffende zijde van de watergang wordt belemmerd. De vraag of doelmatig onderhoud kan worden uitgevoerd is dan ook bepalend voor het al dan niet verlenen van een watervergunning.
Stabiliteit van de oever Een hekwerk kan een vrij zware constructie zijn. Voorkomen moet worden dat het profiel van een watergang wordt aangetast door het plaatsen van een hekwerk.
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:
5.13 Voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben.
Kader Keur Deze beleidsregel gaat over de keurartikelen 3.1, eerste lid onder b en 3.1, tweede lid:
3., eerste lid onder b: Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen. Hieronder wordt ook verstaan het aanbrengen van voorzieningen ten behoeve van onderbemaling.
3.1., tweede lid: Zonder vergunning van het bestuur is het verboden in de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam de waterstand op een peil te brengen of te houden, anders dan het peil dat daarvoor in het betreffende peilbesluit is opgenomen of dat normaal wordt aangehouden.
Verklaring van een aantal begrippen Meestal is het bij voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben de bedoeling het waterpeil van enkele percelen zo te beïnvloeden dat de bereikbaarheid en mogelijkheden voor bewerking beter worden. Bij voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben kan worden gedacht aan het afdammen van wateraanvoerende watergangen en het plaatsen van een pomp.
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Deze beleidsregel is van toepassing op het gehele beheersgebied van Waterschap Rivierenland.
Raakvlakken met ander beleid Het waterschap is, volgens de Waterwet, verantwoordelijk voor het peilbeheer. De waterstanden, en daarmee de drooglegging in gebieden, worden in peilbesluiten vastgelegd. Door een peilbesluit wordt het waterschap verplicht maatregelen te treffen die ervoor moeten zorgen dat de waterstand niet hoger of lager wordt dan de vastgestelde peilen. Als het waterschap voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben heeft goedgekeurd, wordt dit dan ook in de peilbesluiten opgenomen.
Bij het instandhouden van een peil zijn vele belangen gemoeid en dus is het van belang dat, in het geval van voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben, een peilbesluit in een openbare procedure wordt gebracht, zodat ook de belangen van derden zijn gewaarborgd.
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van het waterhuishoudkundige systeem. In het geval van een voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben wordt het waterpeil en dus ook het watersysteem beïnvloed. Zo kan er een versnippering van het waterbeheer optreden, evenals een vermindering van het bergend vermogen. Voorkomen moet worden dat het watersysteem dusdanig negatief wordt beïnvloed dat het niet meer optimaal functioneert.
Toelichting op de beleidsregel Voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebbenen kunnen niet alleen de waterhuishouding negatief beïnvloeden; ook de (functie) van de omliggende percelen kunnen worden aangetast. Soms kunnen voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben tot verdroging leiden. In veengebieden kan het bovendien leiden tot een versnelling van de bodemdaling. Om deze negatieve effecten te voorkomen, worden voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben in het algemeen als onwenselijk gezien. Als met een watervergunning wel een voorziening die peilafwijkingen tot gevolg heeft, kan worden toegestaan, zal er in vrijwel alle gevallen maatwerk moeten worden geleverd, waarbij alle relevante belangen moeten worden afgewogen.
Doorstroming Bij voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben worden meestal één of meer kunstwerken in één of meer watergangen geplaatst. Hierbij kan gedacht worden aan dichte dammen en (al dan niet automatische) stuwen. Het plaatsen van dergelijke kunstwerken heeft uiteraard gevolgen voor de doorstroming van de betrokken watergang(en). Voorkomen moet worden dat de afwatering van het betreffende gebied in gevaar komt. Dit geldt zowel voor de gebieden waar, door middel van voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben, een kunstmatig peil wordt toegepast, als voor de omringende gebieden.
Waterberging Bij de toepassing van voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben, wordt binnen een peilvak ook waterberging weggenomen. Dat gebeurt bijvoorbeeld als in een natuurgebied een relatief hoog peil wordt gehanteerd. Omgekeerd kan een lager waterpeil, bijvoorbeeld voor agrarisch gebruik van de omringende percelen, leiden tot een tekort aan water dat wordt gebruikt voor nachtvorstbestrijding of voor andere functies.
De verschillende belangen die in een betreffend gebied spelen moeten goed worden afgewogen voordat over voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben een besluit wordt genomen.
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:
Om deze noodzaak aan te tonen, worden dezelfde aspecten en criteria als bij het vaststellen van een peilenplan gebruikt. Maaiveldhoogte, grondgebruik en bodemsoort bepalen de gewenste drooglegging voor het perceel. Aanvragers moeten deze gegevens aanleveren bij het indienen van de aanvraag.
5.14 Stoffen of voorwerpen en huisdieren Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.1 eerste lid onder c:
Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder (vaste) stoffen, voorwerpen of dieren te brengen of te hebben, of te (be)houden.
Verklaring van een aantal begrippen Stoffen kunnen, als ze in het water terechtkomen, schadelijke effecten hebben op de kwaliteit van het watersysteem. Stoffen kunnen zowel chemisch (zeep, verf) als organisch (mest, melk) zijn.Onder voorwerpen worden alle voorwerpen verstaan die, als ze binnen de keurzone worden geplaatst, op de een of andere manier van invloed kunnen zijn op het watersysteem.
Onder huisdieren kunnen in principe alle gedomesticeerde dieren worden verstaan. In de meeste gevallen gaat het om vee in de agrarische sector, zoals koeien, paarden en schapen, dat zich vaak in weilanden bevinden die door water zijn omgeven.
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Deze beleidsregel is van toepassing op het gehele watersysteem binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Wanneer het gaat om stoffen wordt er dan ook geen onderscheid gemaakt in A , B- of C-watergangen, aangezien al deze watergangen op de één of de andere manier met elkaar in verbinding staan. Een stof in een C-watergang zou bijvoorbeeld via B-watergangen in een A-watergang terecht kunnen komen en daar grote schade aan kunnen richten aan bijvoorbeeld de ecologische gesteldheid.
Raakvlakken met ander beleid Deze beleidsregel heeft geen specifieke raakvlakken met ander beleid, anders dat werken en beplantingen in, op, onder en boven de keurzone ook verboden zijn. Wel wordt bij de toetsing van aangevraagde werken ook rekening gehouden met deze beleidsregel. Zo is het bij een demping van een watergang bijvoorbeeld van belang dat er schone grond wordt gebruikt en wordt bij veehouderij, op percelen welke aan water grenzen, het plaatsen van een voldoende veekerende constructie verplicht gesteld.
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van watergangen als onderdeel van het watersysteem. Door het voorschrijven van deze beleidsregel kan de instandhouding van zowel de waterkwaliteit (ecologie) als de waterkwantiteit (berging en doorstroom) van het watersysteem worden gewaarborgd. Veiligheid speelt daarbij ook een belangrijke rol.
Toelichting op de beleidsregel Waterkwaliteit Wanneer stoffen, wat voor stoffen dan ook, in het watersysteem terecht komen, kunnen deze (zeer) negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit hebben. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid en de mate van schadelijkheid van de in het watersysteem gebrachte stof. De lozing van sommige stoffen op het oppervlaktewater kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de ecologie; niet alleen in het watersysteem, maar ook daarbuiten. Eén van de vele risico's van een lozing van schadelijke stoffen betreft bijvoorbeeld vissterfte, een goede indicatie dat er iets mis is met de waterkwaliteit. Vogels kunnen vervolgens schade ondervinden wanneer zij zieke vissen opeten, enzovoorts.
Daarnaast is de kwaliteit van het oppervlaktewater ook van belang voor agrariërs die het water gebruiken om het land te besproeien bij nachtvorstbestrijding of in tijden van droogte. Aangezien het daarbij vaak om de productie van voedsel gaat, is het van belang dat er bij het sproeien schoon oppervlaktewater wordt gebruikt.
Stoffen kunnen ook voortkomen uit voorwerpen die met het water reageren. Gecreosoteerd hout of metalen kunnen, wanneer zij in het water terecht komen, mogelijke schadelijke stoffen uitscheiden.
Doorstroming Wanneer voorwerpen in een watergang terecht komen heeft dat uiteraard een effect op de doorstroming van de watergang. Hoe groot dat effect is, is afhankelijk van de vorm en de grootte van het voorwerp. In de regel worden er geen voorwerpen, anders dan daarvoor specifiek opgestelde algemene regels of beleidsregels, in de keurzone toegestaan.
Huisdieren kunnen van invloed zijn op de doorstroming van een watergang, bijvoorbeeld doordat zij de oever vertrappen en daardoor het profiel van de watergang kleiner maken. Ook kan het voorkomen dat, bij afwezigheid van een veekerende constructie, vee in de watergang zelf terecht komt, met alle mogelijke gevolgen van dien.
In overleg met het waterschap kunnen drinkplaatsen voor vee wel worden toegestaan. Als het nodig is om voor de in richting van drinkplaatsen werkzaamheden uit te voeren, is daarvoor een watervergunning nodig. Deze vergunning moet aangevraagd worden voordat met de werkzaamheden wordt begonnen.
Waterkeringen Het hebben of houden van vee op primaire waterkeringen is niet toegestaan. Een uitzondering wordt gemaakt voor die gedeeltes van de dijk, waar een gebruiks-/beheersovereenkomst met het waterschap is gesloten.
Natuurvriendelijke oevers.
Op natuurvriendelijke oevers kan vee ecologische schade aanbrengen. Het hebben of houden van vee of het aanleggen van drinkplaatsen is daarom daar niet toegestaan.
Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Voor deze beleidsregel zijn geen bijzondere criteria opgesteld.
5.15 Het (ver)graven van (nieuwe) watergangen Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.2 Zonder vergunning van het bestuur is het verboden waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen (met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken) aan te leggen of te graven met als oogmerk deze te verbinden met bestaande waterstaatswerken. Hieronder wordt ook verstaan het (ver)graven van watergangen.
Verklaring van een aantal begrippen Onder oppervlaktewaterlichamen worden in deze context watergangen verstaan die onderdeel vormen van, of van invloed zijn op, het watersysteem. Er zijn verschillende soorten watergangen:
Voor welke watergangen geldt deze beleidsregel?
Deze beleidsregel heeft betrekking op alle watergangen, voor zover deze onderdeel zijn of zullen worden van het watersysteem dat wordt beheerd door Waterschap Rivierenland.
Raakvlakken met ander beleid Nieuwe watergangen worden meestal gegraven als compensatie voor de demping van watergangen en/of voor de versnelde afvoer van hemelwater ten gevolge van de uitbreiding van verhard oppervlak. Een demping van een watergang wordt getoetst aan de algemene toetsingcriteria. Voor het lozen van hemelwater van nieuw verhard oppervlak geldt een aparte beleidsregel (nummer 5.17).
Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van het watersysteem. In dit geval gaat het om het voorkomen van stremming en stuwing in de aan- en afvoer van water, het waarborgen van een goede stabiliteit van het talud, het behouden van voldoende berging, het aanleggen van voldoende natuurvriendelijke oevers en ecologische verbindingszones en het uitvoeren van doelmatig onderhoud.
Toelichting op de beleidsregel Voor bestaand stedelijk gebied worden bij de overname van het beheer afspraken gemaakt over onderhoud en de onderhoudsmogelijkheden. Voor nieuw stedelijk gebied zullen in de ontwerpfase al afspraken over het waarborgen van doelmatig onderhoud kunnen worden gemaakt. Beide vormen van afspraken kunnen vervolgens in de legger worden bevestigd, zodat daarmee ook een adequate keurbescherming ontstaat. Het maatwerk houdt daarbij in dat zo weinig mogelijk onnodige gebruiksbeperkingen op andermans eigendom zullen worden gelegd. Met de nieuwe, meer flexibele legger zal in dit verband veel beter maatwerk kunnen worden geleverd.
Bij de aanleg van een nieuw watersysteem in een nieuwbouwplan kan het voornemen bij gemeente of projectontwikkelaar bestaan om grond aan particulieren uit te geven tot aan de A-watergang. In dat geval moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden. De belangrijkste voorwaarden zijn dat doelmatige onderhoudsmogelijkheden en de bergingsfunctie voor water moeten worden gegarandeerd.
Onder "toetsingscriteria" worden de bijzondere toetsingscriteria in verband hiermee vermeld.
Als dergelijke afspraken zijn gemaakt en vastgelegd, zal daarmee bij de watervergunningverlening rekening worden gehouden.
Doorstroming Als nieuwe watergangen worden gegraven is het van belang dat de doorstroming van de watergangen is gewaarborgd. Daarnaast heeft het graven van nieuwe watergangen een effect op de doorstroming van het reeds bestaande watersysteem. Negatieve gevolgen voor de doorstroming van bestaande watergangen dienen te worden voorkomen.
Waterberging Als een nieuwe of vergraven watergang is of wordt aangesloten op het bestaande watersysteem, moet de watergang voldoen aan minimale afmetingen, zodat de waterberging, als onderdeel van het totale watersysteem, kan worden gewaarborgd. Afhankelijk van de functie van de watergang kunnen aanvullende eisen worden gesteld. Zo moet bij nieuwe A-watergangen in stedelijk gebied, 35% van de oeverlengte bestaan uit een natuurvriendelijke oever. In het kader van watertoets of vooroverleg kan deze 35% ook worden gerealiseerd in de vorm van alternatieve ecologische voorzieningen.
Het graven van watergangen in kwelgevoelige gebieden kan leiden tot een toename van de kwel. In die gevallen kan het waterschap aanvullende compensatie voorschrijven.
Onderhoud Bij het graven van een nieuwe watergang of het vergraven van een bestaande watergang, moet rekening worden gehouden met de manier waarop het onderhoud aan de watergang wordt uitgevoerd.
Bij A-watergangen wordt een beschermingszone van 4 meter (of 5 meter in de gebieden van Alm en Biesbosch en de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden) toegepast. Bij B-watergangen is dat 1 meter.
Met betrekking tot de afmetingen van de nieuwe watergang moet dus niet alleen rekening gehouden worden met de afmetingen van de watergang zelf, maar ook met de beschermingszones. Dit is vooral belangrijk als er sprake is van meerdere perceelseigenaren. In het geval van B-watergangen, bijvoorbeeld, zijn de eigenaren van de aangrenzende percelen verantwoordelijk voor het onderhoud van de watergang. Met deze onderhoudsplicht, evenals het instandhouden van de obstakelvrije beschermingszone, moet voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden door alle belanghebbenden zijn ingestemd.
In hoeverre er van de onderhoudsroutes aan weerszijden van een watergang gebruik wordt gemaakt, hangt daarnaast af van de afmetingen van de watergang en het materieel dat bij het onderhoud wordt gebruikt. Een A-watergang met een bovenbreedte van meer dan 8 meter moet altijd tweezijdig onderhouden kunnen worden. Als een A-watergang in stedelijk gebied varend wordt onderhouden kan aan afwijkende beschermingszones worden gedacht. Deze moeten dan wel in de legger vastgelegd worden. De 'flexibele legger' kent mogelijkheden om van de minimale afmetingen van de beschermingszones in stedelijk gebied af te wijken. Dit moet echter per geval worden getoetst. In de ontwerpfase kunnen hierover afspraken met het waterschap worden gemaakt, indien en voorzover doelmatig onderhoud als beschreven in deze beleidsregel, mogelijk blijft.
Het aansluiten van nieuwe watergangen op A-watergangen mag het doelmatig onderhoud aan de A watergang niet hinderen. Doorgaande onderhoudsroutes mogen dus niet zomaar worden onderbroken. Het waterschap kan voor het doelmatig onderhoud dan ook aanvullende eisen stellen.
Stabiliteit Het is bij nieuwe en te vergraven watergangen belangrijk dat de stabiliteit van het talud wordt gewaarborgd. Er worden daarom voorschriften gegeven over de taludverhouding en de afwerking van de oever. Ook het opbarsten van de bodem moet worden voorkomen. Afhankelijk van de status van de watergang kunnen aanvullende eisen worden gesteld.
Toetsingscriteria Aanvragen voor nieuwe waterstaatswerken worden getoetst aan de algemene toetsingscriteria. De afmetingen van A- en B-watergangen zijn daarin als volgt vastgesteld:
A-watergangen Het talud moet minimaal een schuinte hebben van 1:2. Als de grondsoort het toelaat, kan het waterschap een afwijkend talud toestaan (flauwer of steiler).
Bodembreedte minimaal 0,70 m. Bodemhoogte 1,00 meter onder zomerpeil of boezempeil. Als de fysische gesteldheid van de bodem deze bodemhoogte niet toelaat, kan een geringere waterdiepte dan 1 meter worden voorgeschreven. Dit kan zich voordoen in zandbanen, zandige oeverwallen, veengebied en in gebieden met (al dan niet tijdelijke) sterke rivierkwel.
Deze criteria gelden voor zowel nieuwe watergangen als de verlenging en/of verbreding van bestaande watergangen. Als in bestaande watergangen het uit te voeren werk een lengte kent van minder dan 100 m. gelden deze eisen niet. In die gevallen moeten de bestaande leggerafmetingen worden toegepast en moet een bestaande bodemhoogte worden aangesloten om bodemvallen en drempels te voorkomen.
B-watergangen Talud: een schuinte van 1:2. Als de grondsoort het toelaat, kan het waterschap een afwijkend talud toestaan (flauwer of steiler). Bodembreedte 0,50 m. Bodemhoogte 0,50 meter onder zomerpeil of boezempeil. Als de fysische gesteldheid van de bodem deze bodemhoogte niet toelaat, kan een andere bodemhoogte worden voorgeschreven. Dit kan zich voordoen in zandbanen, zandige oeverwallen, veengebieden en in gebieden met (al dan niet tijdelijke) sterke rivierkwel.
Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria: