Algemene Plaatselijke Verordening Aalsmeer 2008HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 - Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: Weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelplaatsen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn: andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. Openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. Voertuigen: alle voertuigen (als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al), van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990), met uitzondering van: treinen en trams; kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage A van de Meststoffenwet. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen I. Woonwagen: een wagen die voortdurend of nagenoeg voortdurend als woning wordt gebezigd of daartoe is bestemd. Een woonwagen houdt niet op dit te zijn indien aan of bij de woonwagen voorzieningen worden getroffen ten gevolge waarvan deze niet langer kan worden voortbewogen. Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Samenscholing: het groepsgewijs bij elkaar komen van minimaal 2 mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben. Artikel 1.2 - Beslistermijn Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid. Artikel 1.3 - Indiening aanvraag Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan 3 weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste 8 weken. Artikel 1.4 - Voorschriften en beperkingen Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1.5 - Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden. Artikel 1.6 - Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt. Artikel 1.7 - Termijnen Voor zover sprake is in deze verordening van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of een gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Artikel 1.8 - Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. HOOFDSTUK 2: OPENBARE ORDE Afdeling 1: Orde en veiligheid op de weg Paragraaf 1: Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2.1.1.1 - Samenscholing en ongeregeldhedenHet is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. Eenieder, die op de weg aanwezig is bij ehig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Paragraaf 2: Optochten en betogingen Artikel 2.1.2.1 - OptochtenHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.2 (Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen), op de weg te doen plaatsvinden. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. Artikel 2A.2.2 - Kennisgeving betogingen op openbare plaatsDegene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en tenminste 72 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.2.4, eerste lid, hierover is bepaald. Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties. Artikel 2.1.2.3 - Afwijking termijnDe burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn van 72 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel 2.1.2.4 - Te verstrekken gegevensDe kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beeindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beeindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die diegene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Paragraaf 3: Verspreiding van gedrukte stukken Artikel 2.1.3.1 - Beperking aanbieden e.d. van geschreven en gedrukte stukken of afbeeldingenHet is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Paragraaf 4: Vertoningen e.d. op de weg Artikel 2.1.4.1 - Feest, muziek en wedstrijd e.d.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester op of aan de weg of enig openbaar water: een vertoning voor publiek te geven, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.2; voor publiek muziek ten gehore te brengen; een feest of een wedstrijd te geven of te houden; in of op openbaar water wedstrijden, optochten, festiviteiten of andere evenementen met meer dan 25 vaartuigen te houden. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. Het in het eerste lid, onder c, bepaalde geldt niet voorzover artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994 of artikel 5.4.1. van toepassing is. Modelbepaling 2.1.4.2 (Dienstverlening) is niet overgenomen. Artikel 2.1.4.3 - StraatartiestHet is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. Paragraaf 5: Bruikbaarheid van de weg Artikel 2.1.5.1 - Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de wegHet is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Het verbod geldt niet voor: vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beeindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn de weg daarvan gereinigd is; voertuigen; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1.; terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.2, vijfde lid; benzinepompen; standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3. Het is verboden op, aan, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien: deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg; gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of; een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. a. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement; De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voorzover het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet; De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken; De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2.1.5.2 - Aanleggen, beschadigen en veranderen van een wegHet is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak. Het verbod geldt voorts niet voorzover het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement, de Telecommunicatiewet. Artikel 2.1.5.3 - Maken, veranderen van een uitwegHet is verboden zonder vergunning van het college: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement. Paragraaf 6: Veiligheid van de weg. Artikel 2.1.6.1 - Veroorzaken van gladheidHet is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder lid 4 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.1.6.2 - WinkelwagentjesDe rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid, of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van het winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzend aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats. Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2.1.6.3 - Hinderlijke beplanting of voorwerpHet is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel 2.1.6.4 - Openen straatkolken e.d.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Modelbepaling 2.1.6.5 (Kelderingangen) is niet overgenomen. Modelbepaling 2.1.6.6 (Rookverbod in bossen en natuurgebieden) is niet overgenomen. Artikel 2.1.6.7 - Gevaarlijk of hinderlijk voorwerpHet is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2.2 meter boven dat gedeelte van de weg. Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg gerichte delen van afscheiding zijn aangebracht. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.1.6.8. - Vallende voorwerpenHet is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg. Artikel 2.1.6.9 - Voorzieningen voor verkeer en verlichtingDe rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of verlichting als bedoeld in het eerste lid. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2.1.6.9a - Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichtingHet is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Modelbepaling 2.1.6.10 (Objecten onder hoogspanningslijn) is niet overgenomen. Artikel 2.1.6.11 - Veiligheid op het ijsHet is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Vaarwegenverordening. Afdeling 2: Toezicht op evenementen Artikel 2.2.1 - BegripsomschrijvingIn deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten bedoeld in de artikelen 2.1.2.1 (Optochten) en 2.1.4.1 (Feest, muziek en wedstrijd e.d.) van deze verordening. Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie. Artikel 2.2.2 - EvenementHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. Artikel 2.2.3 Ordeverstoring en onnodig opdringen bij een evenementHet is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Het is verboden bij een evenement onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken. Het is verboden bij een evenement messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar kan komen. Het in het derde lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behoren tot categorie I, II, III en IV Wet wapens en munitie. Een ieder is verplicht bij een evenement alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen. Artikel 2.2.4 Beeindiging evenementDe burgemeester kan, indien het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid of gezondheid, dan wel het woon- en leef klimaat dit vordert, het bevel geven een evenement te beëindigen. Degene die een evenement organiseert dan wel bij een evenement feitelijk de leiding heeft, is verplicht: dat evenement onverwijld te beëindigen indien de burgemeester hiertoe een bevel geeft; ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoeld bevel door de burgemeester is gegeven, geen publiek meer tot het evenement toegelaten wordt; ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie te allen tijde toegang hebben tot het evenement. Indien een evenement gepaard gaat of dreigt te gaan met een ernstige verstoring van de openbare orde is degene die dat evenement organiseert of bij dat evenement feitelijk de leiding heeft, verplicht op bevel van een ambtenaar van politie het evenement onverwijld te beeindigen en geen publiek meer tot het evenement toe te laten. Het is verboden aanwezig te zijn bij een evenement ten aanzien waarvan een bevel, als bedoeld in het eerste lid, of in het derde lid gegeven is. Artikel 2.2.5 VerwijderplichtIndien een evenement is verboden of een bevel tot beeindiging als bedoeld in artikel 2.2.4 is gegeven, is een ieder die zich op de plaats of in de directe nabijheid van het evenement bevindt, op eerste vordering van een ambtenaar van politie of brandweer verplicht zich terstond te verwijderen in de door die ambtenaar bevolen richting. Afdeling 3: Toezicht op openbare inrichtingen Paragraaf 1: Toezicht op horecabedrijven Artikel 2.3.1.1 - BegripsomschrijvingenOnder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, cafe, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden. Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschenken en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2.3.1.2 (Exploitatie horecabedrijf) of artikel 2.3.1.3 (Opheffing vergunningplicht). Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 2.3.1.2 - Exploitatievergunning horecabedrijfHet is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen. Voordat toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid, kan aan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, zoals bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 (Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg) beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het zevende lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf behorende terrassen weigeren: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Het bepaalde in het zevende en achtste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement. Artikel 2.3.1.3 - Vrijstelling vergunningplichtDe burgemeester kan bepalen, dat het gestelde in artikel 2.3.1.2 (Exploitatie horecabedrijf) niet geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente. De exploitatie van een horecabedrijf, waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden bemvloed. Artikel 2.3.1.4 - SluitingstijdenHet is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 01.00 en 07.00 uur. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 2.3.1.5 - Afwijking Sluitingstijden; tijdelijke sluitingDe burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.3.1.4 (Sluitingtijden) geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b Opiumwet. Artikel 2.3.1.6 - Aanwezigheid in gesloten horecabedrijfHet is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 (Sluitingstijden) of ingevolge van een op grond van artikel 2.3.1.5 (Afwijking Sluitingstijden; tijdelijke sluiting) genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden. Artikel 2.3.1.7 - OrdeverstoringHet is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. Artikel 2.3.1.8 - Het college als bevoegd bestuursorgaanIndien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1. (Begripsomschrijvingen) geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van de artikelen 2.3.1.2. (Exploitatie horecabedrijf) tot en met 2.3.1.5. (Afwijking Sluitingstijden, tijdelijke sluiting). Paragraaf 2: Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2.3.2.1 - BegripsomschrijvingenIn deze paragraaf wordt verstaan onder: inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft; houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de feitelijke leiding heeft. Artikel 2.3.2.2 - Kennisgeving exploitatieDegene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen 3 dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2.3.2.3 - NachtregisterDe houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model. Artikel 2.3.2.4 - Verschaffing gegevens nachtregisterDegene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken. Paragraaf 3 (Speelautomaten) is niet overgenomen. Afdeling 4: Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2.4.1 - Betreden gesloten woning of lokaalHet is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. De in het eerste en tweede lid bedoelde verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen. Artikel 2.4.2 - Plakken en kladdenHet is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, welke geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2.4.2a - ReclameHet is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg en/of openbaar water reclame te maken of te laten maken: met borden, doeken, rijdende/varende voer/vaartuigen of geluidsversterkers; door het uitdelen van goederen om niet; met andere middelen of voorwerpen. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als degene die reclame laat maken aangemerkt degene voor wiens goederen, diensten of activiteiten op een reclamemiddel of een voorwerp reclame wordt gemaakt. Dit verbod geldt niet: voor het maken van reclame door middel van het verspreiden, het openlijk tentoonstellen en het voor enig ander middel aan het publiek in het openbaar bekendmaken van de inhoud van gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, waarin gedachten of gevoelens zijn geopenbaard; voor het maken van reclame door middel van rijdende/varende voer/vaartuigen, die, naar het oordeel van het college, niet uitsluitend of in hoofdzaak voor reclamedoeleinden zijn ingericht of worden gebezigd. Artikel 2.4.3 - Vervoerplakgereedschap e.dHet is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap. Het verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2 (Plakken en kladden). Artikel 2.4.4 - Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstalHet is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de het eerste lid bedoelde handelingen. Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de in het derde lid genoemde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen. Modelbepaling 2.4.5 (Betreden plantsoenendiensten) is niet overgenomen. Modelbepaling 2.4.6 (Rijden over bermen) is niet overgenomen. Artikel 2.4.7 - Hinderlijk gedrag op of aan de wegHet is verboden: op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis, 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.4.7a - Hinder door motorvoertuig of bromfiets50Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets met in werking zijnde motor zodanig te gedragen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder wordt veroorzaakt. Artikel 2.4.8 - Hinderlijk drankgebruikHet is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 Drank- en Horecawet; de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel 2.4.9 - Hinderlijk gedrag in of bij gebouwenHet is verboden: zich zonder redelijk doel in en/of bij een portiek, parkeergarage, hal of poort e.d. van een gebouw op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw. Artikel 2.4.10 - Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimtenHet is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel 2.4.1 Oa - Uitjouwen, naschreeuwen enz.Het is verboden in het openbaar: iemand uit te jouwen, toe- of na te schreeuwen, met aanstoot gevende taal lastig te vallen, danwel op andere wijze overlast aan te doen; te vechten. Het in lid 1 bepaalde geldt niet voor gevallen, waarin artikel 118, 119, 137c, 137d, 137e, 147, 424 of 426 bis van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Modelbepaling 2.4.11 (Neerzetten van fietsen e.d.) is niet overgenomen. Modelbepaling 2.4.12 (Overlast van fietsen of bromfietsen op markt- en kermisterrein e.d.) is niet overgenomen. Artikel 2.4.13 - Bespieden van personenHet is verboden zich in de nabijheid van een of meerdere persoon dan wel van een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of meerdere personen dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon of meerdere personen, te bespieden. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon of meerdere personen te bespieden. Het artikel 2.4.14 (Bewakingsapparatuur) is komen te vervallen. Het artikel 2.4.15 (Nodeloos alarmeren) is komen te vervallen. Het artikel 2.4.14 (Alarminstallaties) is komen te vervallen Artikel 2.4.17 - Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatieHet is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen in dan wel op: binnen de bebouwde kom op de weg en buiten de bebouwde kom op openbare aanlegplaatsen voor vaartuigen zonder dat die hond aangelijnd is, met uitzondering van de losloopvelden aangewezen in het Hondenbeleid Aalsmeer. op een voor publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op een door het college aangewezen plaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. Het college kan nadere eisen vaststellen waaraan een identificatiemerk tenminste moet voldoen. Het verbod geldt niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien de eigenaar of houder deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel 2.4.18 - Verontreiniging door hondenDe eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide, losloopveld en buiten de bebouwde kom op openbare aanlegplaatsen voor vaartuigen; op een andere door het college aangewezen plaats; De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. De rechthebbende is verplicht, indien hij zich met een hond op de weg bevindt, een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor de verwijdering van de uitwerpselen. Het college kan nadere eisen vaststellen waaraan een hulpmiddel ten minste moet voldoen, wil het doeltreffend zijn. De rechthebbende op een hond die zich met die hond op of aan de weg bevindt, is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering te laten zien aan de toezicht houdende ambtenaar. Artikel 2.4.19 - Gevaarlijke hondenHet is de eigenaar of houder van een hond verboden deze te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van de hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het college de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag van de hond noodzakelijk vindt. In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder c, geldt voor bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet-verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. Het in het eerste lid gesteld verbod is niet van toepassing voorzover de Regeling agressieve dieren van toepassing is. Artikel 2.4.20 - Houden van hinderlijke of schadelijke dierenHet college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben; dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel; aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel 2.4.21 (Wilde dieren) is komen te vervallen. Artikel 2.4.22 - Loslopend veeDe rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Modelbepaling 2.4.23 (Duiven) is niet overgenomen. Modelbepaling 2.4.24 (Bijen) is niet overgenomen. Afdeling 5: Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2.5.1 - BegripsomschrijvingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel 2.5.2 - Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregisterDe handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. Artikel 2.5.3 - Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van StrafrechtDe handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen; de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(
- s)onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit; aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen; indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar; wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen. Artikel 2.5.4 - Vervreemding van door opkoop verkregen goederenHet is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed. Artikel 2.5.5 - Handel in horecabedrijfHet is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. In dit artikel wordt verstaan onder: horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 (Begripsomschrijvingen), eerste en tweede lid; houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1 (Begripsomschrijvingen), vierde lid. Afdeling 6: Vuurwerk Artikel 2.6.1 - BegripsomschrijvingenIn deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel 2.6.2 - Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagenHet is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. Artikel 2.6.3 - Bezigen van consumentenvuurwerkHet is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover artikel 429, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel 2.6.4 - Gebruik carbidHet is verboden carbidgas tot ontploffing te brengen in een al dan niet afgesloten vat, bus, fles of dergelijk voorwerp. Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben. Het bepaalde in lid 2 geldt niet voor degene die aannemelijk maakt, dat het carbid niet gebezigd wordt of bestemd is voor handelingen die ingevolge het bepaalde in lid een verboden zijn. Het is verboden carbid af te leveren en ter aflevering voorhanden te hebben wetende of vermoedende dat daarmee een gebruik wordt gemaakt als omschreven in lid 1. De in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover artikel 158, aanhef en onder lid 1, 2 en 3 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Afdeling 7: Drugsoverlast Artikel 2.7.1 - Drugshandel op straafOnverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Afdeling 8 van de modelbepaling (bestuurlijke ophouding) is niet overgenomen. Afdeling 9 van de modelbepaling (veiligheidsrisicogebieden) is niet overgenomen. Afdeling 10: Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2.10.1 - CameratoezichtDe burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, besluiten tot plaatsing van vaste camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. HOOFDSTUK 3: SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D. Paragraaf 1: Begripsomschrijvingen Artikel 3.1.1 - BegripsomschrijvingenIn dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch- pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijt de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder de natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de inrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen als op grond van artikel 6.2 (Toezichthouders); andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 3.1.2 - Bevoegd bestuursorgaanIn dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel 3.1.3 - Nadere regelsMet het oog op de in artikel 3.3.2 (Weigeringsgronden) genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Paragraaf 2: Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d. Artikel 3.2.1 - SeksinrichtingenHet is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen in door het college aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen in alle andere gebieden of delen van de gemeente dan in het eerste lid bedoelde. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant de persoonsgegevens van de beheerder; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; het aantal werkzame prostituees; de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting door middel van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:1.000; de plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van tenminste 1: 00; bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting. Artikel 3.2.2 - Gedragseisen exploitant en beheerderDe exploitant en de beheerder: staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en heeft de leeftijd van 21 jaar bereikt. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste 5 jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 6 maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste 5 jaar bij tenminste 2 rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 j° artikel 8 of j°artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b, en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder van 375 euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van 5 jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste 5 jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste 1 maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1 (Seksinrichtingen), eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt betreft. Artikel 3.2.3 - SluitingstijdenHet is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven dagelijks tussen 0:00 en 11:00 uur. Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere Sluitingstijden vaststellen. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4 (Tijdelijke afwijking Sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting), eerste lid, gesloten dientte zijn. Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 3.2.4 - Tijdelijke afwijking Sluitingstijden; (tijdelijke) sluitingMet het oog op de in artikel 3.3.2 (Weigeringsgronden), tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3 (Sluitingstijden), eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.2.5 - Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerderHet is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge van artikel 3.2.1 (Seksinrichtingen) op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel 3.2.6 - Straat- en raamprostitutieHet is verboden, door handelingen, houdingen, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, vanuit een bouwwerk of een gebouw passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken. Artikel 3.2.7 - SekswinkelsHet is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in het door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel 3.2.8 - Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Paragraaf 3: Beslissingstermijn; weigeringsgronden. Artikel 3.3.1 - BeslissingstermijnIn afwijking van artikel 1.2 neemt het bevoegde bestuursorgaan het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.2.1 (Seksinrichtingen), eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 3.3.2 - WeigeringsgrondenDe vergunning bedoeld in artikel 3.2.1 (Seksinrichtingen), eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 (Gedragseisen exploitant en beheerder) gestelde eisen; de vestiging of exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 18250a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.2 (Gedragseisen exploitant en beheerder), tweede lid, worden geweigerd: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; in het belang van de veiligheid van personen of goederen; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen. Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan aan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, zoals bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. Paragraaf 4: Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel 3.4.1 - Beëindiging exploitatieDe vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 (Seksinrichtingen) op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. Binnen een week na de feitelijke beeindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel 3.4.2 - Wijziging beheerIndien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1 (Seksinrichtingen), tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beeindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beeindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant besloten heeft de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2 (Weigeringsgronden), eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Paragraaf 5: Overgangsbepaling Artikel 3.5.1 - OvergangsbepalingOp het exploiteren van een bestaande seksinrichting is het gestelde in artikel 3.2.1 (Seksinrichtingen) niet van toepassing: gedurende 24 weken na het in werking treden daarvan; na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant binnen deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1 (Seksinrichtingen), eerste lid, heeft ingediend, totdat op die aanvraag door het bevoegd bestuursorgaan een besluit is genomen. Gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3.3.2 (Weigeringsgronden), tweede lid, genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het treffen van in die aanschrijving vermelde voorzieningen. HOOFDSTUK 4: BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLUK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Afdeling 1: Geluid- en lichthinder Artikel 4.1.1 - BegripsomschrijvingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit); inrichting: een inrichting als bedoeld in het Besluit; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan een of klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die verbonden is aan een of een klein aantal inrichtingen. Artikel 4.1.2 - Aanwijzing collectieve festiviteitenDe geluidgrenswaarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Tijdens de collectieve festiviteiten mag de geluidbelasting op de gevels van woningen veroorzaakt door muziekgeluid niet meer bedragen dan 75 dB(A), gemeten als invallend geluid en zonder toeslagen. De collectieve festiviteiten mogen uitsluitend plaatsvinden op maandag t/m donderdag tussen 07.00 uur en 23.00 uur, op zondag tussen 13.00 uur en 23.00 uur en op vrijdag en zaterdag tussen 07.00 uur en 01.00 uur. Het verlichtingsverbod bedoeld in artikel 4.113 van het Besluit geldt niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Het college kan de gemeente opdelen in gebieden, waarbij per gebied verschillende collectieve activiteiten worden aangewezen. Het college maakt de aanwijzing van collectieve festiviteiten tenminste 4 weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Het college kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste en vierde lid aanwijzen. Artikel 4.1.3 - Kennisgeving incidentele festiviteitenHet is in een inrichting gelegen in Aalsmeer-Centrum toegestaan maximaal 5 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidgrenswaarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting tenminste drie weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Voor de overige gebieden (Stommeer, Hornmeer, Oosteinde, Kudelstaart) geldt een maximum van 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar. Tijdens incidentele festiviteiten mag de geluidbelasting op de gevels van woningen veroorzaakt door muziekgeluid niet meer bedragen dan 75 dB(A), gemeten als invallend geluid en zonder toeslagen. Incidentele festiviteiten mogen uitsluitend plaatsvinden op maandag t/m donderdag tussen 07.00 uur en 23.00 uur, op zondag tussen 13.00 uur en 23.00 uur en op vrijdag en zaterdag tussen 07.00 uur en 01.00 uur. Het is in een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij het verlichtingsverbod bedoeld in artikel 4.113 van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting tenminste 3 weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste en vierde lid. De kennisgeving wordt geacht eerst te zijn gedaan wanneer het in het vijfde lid bedoelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier is vermeld. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van de inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Artikel 4.1.3a - Kennisgeving ten gehore brengen levendeIndien in de inrichting een festiviteit wordt gehouden waarbij levende muziek ten gehore wordt gebracht, dient de houder van de inrichting tenminste 3 weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis te stellen. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid. De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het in het tweede lid bedoelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op het formulier vermeld. Artikel 4.1.4 - Verboden incidentele festiviteitenHet is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Artikel 4.1.5 - Overige geluidhinderHet is verboden (recreatie)toestellen, (bouw)machines of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het verbod geldt niet, voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen van toepassing zijn. Het college kan van het verbod vervat in het eerste lid ontheffing verlenen. Aan de in lid 3 bedoelde ontheffing kunnen ter voorkoming of beperking van geluidhinder door het college voorschriften worden verbonden die onder meer kunnen betreffen: het maximale geluidsniveau dat mag worden veroorzaakt de situering van geluidsbronnen de frequentie en tijden van gebruik. Artikel 4.1.5.a - (Geluid)hinder dierenDegene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt. Artikel 4.1,5.b - (Geluid)hinder door motorvoertuigen, bromfietsen e.d.Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat. Afdeling 2: Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Modelbepaling 4.2.1 (Straatvegen) is niet overgenomen. Artikel 4.2.2 - Natuurlijke behoefte doenHet is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats. Modelbepaling 4.2.3 (Toestand sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen) is niet overgenomen. Artikel 4.2.4 - Voorkomen overlast van distelsDegene die op basis van een titel, anders dan eigendom, grond of gronden welke in de gemeente is of zijn gelegen beheert, is verplicht de op deze grond of gronden voorkomende distelsoorten circium arvensis (akkerdistel) en de sonchus arvensis (akkermelkdistel) tijdig, voordat deze in bloei komen, te verwijderen en te vernietigen. Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde persoon, rust de in het eerste lid bedoelde verplichting op de eigenaar van de bedoelde grond of gronden. Artikel 4.2.5 - GevelreinigingDegene die het voornemen heeft gevels te reinigen of te doen reinigen, is verplicht het college ten minste 4 weken voor aanvang van de activiteit hiervan in kennis te stellen. Het college stelt een formulier voor het doen van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving vast. Bij de kennisgeving kan het college een opgave verlangen van: de naam en het adres van het bedrijf dat de gevelreiniging zal uitvoeren; de datum en het tijdstip waarop de gevelreiniging zal plaatsvinden; de maatregelen die worden getroffen om milieuverontreiniging te voorkomen. Het college kan ter voorkoming van geluidhinder, overlast van stoffen, bodem- en waterverontreiniging nadere eisen stellen aan de wijze waarop de gevelreiniging dient plaats te vinden. Het in het vierde lid bepaalde geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer, Wet verontreiniging oppervlaktewater of de Wet bodembescherming gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Artikel 4.2.6 - Wild kamperenHet is verboden op of aan de weg of openbaar water een slaapplaats in te nemen en danwel op of aan de weg of openbaar water een voertuig, woonwagen, tent of soortgelijk ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. In afwijking van lid 1 is het toegestaan om, zonder ontheffing zoals bedoeld in artikel 2 lid 2 Verordening op de openluchtrecreatie, met een kampeerwagen op de door het college aan te wijzen plaatsen gedurende een deel van het jaar of het gehele jaar te verblijven. Op een dergelijke plaats is het niet toegestaan om langer dan 48 uur aaneengesloten te verblijven. Afdeling 3: Het bewaren van houtopstanden De overige bepalingen van afdeling 3 van de modelbepaling zijn niet overgenomen omdat deze bepalingen zijn opgenomen in de Bomenverordening van de gemeente Aalsmeer. Artikel 4.3.1 - Bestrijding iepziekteIndien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van iepziekte of voor vermeerdering van iepensprintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; de iepen te ontschorsen en schors te vernietigen; of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiden van de iepziekte wordt voorkomen. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede van 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod. Afdeling 4; Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4.4.1 - Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, enz.Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorzieningen, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; caravans, kampeerwagens, vaartuigen, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof: op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale milieuverordening. Modelbepaling 4.4.1 a (Stankoverlast door gebruikmeststoffen) is niet overgenomen. Artikel 4.4.2 - Vergunningsplicht handelsreclameHet is verboden zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is. Het verbod geldt niet voor onverlichte: opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendige gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; opschriften en aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: openbare verkoping of een aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijk betekenis hebben; het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak bestemd is. opschriften betrekking hebbend op de naam of de aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet verlicht zijn, zulks voor zolang zij feitelijk betekenis hebben; opschriften en aankondigingen aan gebouwen en inrichtingen van openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer; Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben mits: van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het college; het college niet binnen 2 weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken; deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: indien de reclame hetzij op zichzelf hetzij in verband met haar omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid; in het belang van voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale landschapsverordening; De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken; De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 4.4.3 - Verbod tot zichtbaar opslaanOnverminderd het bepaalde bij of krachtens de Wet milieubeheer, is het verboden binnen de bebouwde kom: op of aan de weg op enige plaats, die van de weg of enig openbaar water af zichtbaar is, op te slaan, te bergen, te hebben of opgeslagen of geborgen te houden: afbraak, puin, vuilnis, afval (waaronder begrepen vliegas, sintels en slakken), lompen, oud papier, papierafval, oud metaal en andere oude materialen of oud materieel; nog bruikbare materialen of nog bruikbaar materieel, zoals bouw- en aannemersmateriaal, draden, kabels, constructie-ijzer, balken, ketels, rails, water- of stoompijpen, riool- of ander buizen, machines, werktuigen, alsmede bussen, vaten en dergelijke voorwerpen; onbruikbare of aan hun normale bestemming onttrokken dan wel ten verkoop of ter verhuring voorhanden zijnde rij-, voer-, vaar- of vliegtuigen of onderdelen daarvan; stoffen en voorwerpen als onder a bedoeld aan het oog te onttrekken of onttrokken te houden met gebruikmaking van enig middel, hetwelk van de weg af zichtbaar is, indien burgemeester en wethouders in een aanschrijving aan de eigenaar of de gebruiker van het daarbij betrokken perceel hebben verklaard, dat het middel, waarmede die stoffen of voorwerpen aan het oog zijn onttrokken, naar hun oordeel de welstand op ontoelaatbare wijze schaadt; deze aanschrijving wordt niet verzonden dan alvorens vier weken zijn verlopen nadat burgemeester en wethouders de eigenaar of de gebruiker van het perceel schriftelijk mededeling hebben gedaan van hun bezwaren. Het in het eerste lid sub a vervatte verbod is niet van toepassing ten aanzien van het opslaan, bergen, hebben of opgeslagen of geborgen houden van materialen en materieel ten behoeve van de uitvoering en/of het onderhoud van werken ter plaatse van en gedurende de duur van die uitvoering of dat onderhoud. De in het eerste lid sub a onder 2 en 3 vervatte verboden zijn niet van toepassing op het opslaan, bergen, hebben, opgeslagen of geborgen houden op of in de onroerende zaak van stoffen en voorwerpen betrekking hebbende op zaken of bedrijven, die op of in deze onroerende zaak worden uitgeoefend, voor zover burgemeester en wethouders niet in een aanschrijving aan de eigenaar of gebruiker van de onroerende zaak hebben verklaard, dat de welstand naar hun mening op ontoelaatbare wijze wordt geschaad; deze aanschrijving wordt niet verzonden dan nadat vier weken zijn verlopen nadat burgemeester en wethouders de eigenaar of de gebruiker van het perceel schriftelijk mededeling hebben gedaan van hun bezwaren. Artikel 4.4.4 - Verboden te varenHet is, voorzover de Natuurbeschermingswet niet van toepassing is, verboden: te varen in of binnen een afstand van 1,50 meter van rietkragen, biezen, liezen of enig ander opstaand watergewas, gele plompen of waterlelies; te bevinden in of aan de waterzijde binnen een afstand van 1,50 meter van rietkragen, biezen, liezen of enig ander opstaand watergewas, gele plompen of waterlelies; vaartuigen of voorwerpen te leggen of te hebben in of binnen een afstand van 1,50 meter van rietkragen, biezen, liezen of enig ander opstaand watergewas, gele plompen of waterlelies; vaartuigen of voorwerpen aan te leggen aan bomen of struiken. Het in het eerste lid vermelde geldt niet voor de beheersmaatregelen door de rechthebbende ter handhaving en instandhouding van rietkragen, biezen, liezen of enig ander opstaand watergewas, gele plompen of waterlelies. Artikel 4.4.5 - Verboden om buiten de paden te tredenHet is verboden om in het Schinkelbos buiten de paden te treden. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de beheersmaatregelen die door een rechthebbende worden verricht ter handhaving en instandhouding van de natuur in het Schinkelbos. HOOFDSTUK 5: ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE Afdeling 1: Parkeerexcessen Artikel 5.1.1 - BegripsomschrijvingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: weg: de weg bedoeld als in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van: treinen en trams; tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen; invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990; kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen; parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Modelbepaling 5.1.2 (Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.) is niet overgenomen. Artikel 5.1.2a - Te koop aanbieden van voertuigenHet is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.1.3 - Defecte voertuigenHet is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op 3 achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5.1.4 - Voertuigwrakken en vaartuigwrakkenHet is verboden een voertuigwrak of vaartuigwrak op de weg of in het openbare water te plaatsen of te hebben. Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. Onder vaartuigwrak wordt volstaan: een vaartuig dat vaartechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijke verwaarloosde toestand verkeert. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5.1.5 - CaravansHet is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen, boottrailer of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd: langer dan op 3 achtereenvolgende dagen te doen laten staan op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door het college aangewezen plaats te doen of laten staan, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a gestelde verbod. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de provinciale landschapsverordening. Artikel 5.1.6 - Parkeren van reclamevoertuigenHet is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.1.7 - Parkeren van grote voertuigenHet is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit parkeren naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08:00 tot 18:00 uur. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel 5.1.8 - Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigenHet is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanig wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 5.1.9 - Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffenHet is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5.1.10 - Aantasting groenvoorzieningen door voertuigenHet is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1 onder a; op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terrein welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Modelbepaling 5.1.11 ( Overlast fiets en bromfiets) is niet overgenomen. Afdeling 2: Collecteren, venten, standplaatsen en verkrijging van goederen Artikel 5.2.1 - Inzameling van geld of goederenHet is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideeel doel is bestemd. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen. Artikel 5.2.2 - Venten, e.d.Het is verboden zonder vergunning van het college in de uitoefening van de handel op of aan de weg of aan een openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven, dan wel diensten aan te bieden. Het verbod geldt niet: ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grond wet; voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van goederen door - of door huisgenoten of personeel van - hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats die is aangewezen voor het houden van een door de gemeenteraad ingestelde markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt; voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een standplaats bedoeld in artikel 5.2.3 (Standplaatsen: uitstallingen op de weg). Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning worden geweigerd: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in gevaar komt. Artikel 5.2.3 - Standplaatsen: uitstallingen op de wegHet is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of op of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijk en in de openlucht gelegen plaats: met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden; anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid. Het in het eerste lid, onder b, gesteld verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Alsdan geldt ook in het tweede lid gestelde verbod niet. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een door de gemeenteraad ingestelde markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt, voor een evenement als bedoeld in artikel 2.2.1, of voor het organiseren van een markt als bedoeld in artikel 5.2.4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning worden geweigerd: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeenten of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement. de weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer; de weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor bouwwerken. Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een Wet-milieubeheerplichtige activiteit betreft en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid, tot de dag waarop de beslissing over de Wet- milieubeheervergunningaanvraag is genomen. Artikel 5.2.4 - Snuffelmarkten e.d.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld; toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in of op een - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt. Afdeling 3: Openbaar water Paragraaf 1 Gebruik en ligplaatsen Artikel 5.3.1 - Voorwerpen op, In of boven openbaar waterHet is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in, of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen, of te hebben. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden openbaard. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Telecommunicatiewet van toepassing is. Artikel 5.3.2 - Ligplaats woonschepen en overige vaartuigenHet is verboden zonder vergunning van het college binnen de gemeente ligplaats in te nemen of te hebben of toe te laten dat ligplaats wordt ingenomen met een vaartuig of vlot- hoe ook genaamd- dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon- of nachtverblijf van een of meer personen, alsmede een dergelijk vaartuig of vlot in aanbouw of een casco. Het vorige lid is niet van toepassing op: vaartuigen waarop de Woonschepenverordening van toepassing is; vaartuigen waarop weliswaar kan worden overnacht, doch die hoofdzakelijk gebruikt worden om te varen. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening van toepassing is. Artikel 5.3.3 - Aanwijzingen ligplaatsOnverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiene en het aanzien van de gemeente. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale Vaarwegenverordening of de provinciale landschapsverordening. Artikel 5.3.3a - Tijdelijke ligplaats kajuitbotenIn dit artikel wordt onder "kajuitboof verstaan: elk vaartuig dat is voorzien van een opbouw en/of inbouw, die een hoogte heeft, respectievelijk hebben, van meer dan 1,60 meter, gemeten vanaf het diepste punt van het scheepsvlak. Het is, anders dan in jachthavens en -werven, verboden om zonder vergunning van burgemeester en wethouders met een kajuitboot gedurende langer dan 48 uur achtereen aan of nabij de oevers ligplaats in te nemen of te doen innemen of toe te laten dat ligplaats wordt ingenomen. Verplaatsingen binnen een afstand van maximaal 200 meter vanaf de plaats waar de boot aanvankelijk werd aangetroffen, onderbreken de in lid 2 genoemde tijdsduur niet. Het voorgaande is niet van toepassing op vaartuigen waarop de Woonschepenverordening van toepassing is. Artikel 5.3.3b - Tijdelijke ligplaatsOnder vaartuig wordt in dit artikel verstaan elk vaartuig, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen alsmede woonschepen, glijboten en ponten. Het is verboden met een vaartuig gedurende langer dan 2 uur achtereen ligplaats in te nemen aan de als zodanig ingerichte aanlegplaats langs het parkeerterrein gelegen achter de Zijdstraat. Het is verboden met een vaartuig tussen 07:00 uur en 18:00 uur gedurende langer dan twee uur achtereen ligplaats in te nemen aan de als zodanig ingerichte aanlegplaats gelegen tussen Stationsweg 40 en Stommeerweg 4 (de zogenaamde Kolenhaven). Verplaatsingen binnen een afstand van maximaal 200 meter vanaf de plaats waar het vaartuig aanvankelijk werd aangetroffen, onderbreken de in het tweede en derde lid genoemde tijdsduur niet. Artikel 5.3.4 - Verbod innemen ligplaatsHet is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.3.2., tweede lid, 5.3.3, 5.3.3a en 5.3.3b bepaalde. Modelbepaling 5.3.5 (Beschadigen van waterstaatswerken) is niet overgenomen. Artikel 5.3.6 - ReddingsmiddelenHet is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 5.3.7 - Veiligheid op het waterHet is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet rijkswaterwerken of de Provinciale Vaarwegenverordening. Artikel 5.3.8 - Overlast aan vaartuigenHet is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Artikel 5.3.9 - Sloten op diepte houdenDe eigenaars of gebruikers van gronden en erven zijn verplicht de sloten liggende op Rijnlands boezempeil op een naar het oordeel van het college bevaarbare diepte te houden. Het college is bevoegd iedere eigenaar of gebruiker aan te schrijven de sloten op diepte te brengen tot maximaal 1,42 meter onder N.A.P. Artikel 5.3.10 - VisverbodHet is verboden te vissen binnen een afstand van 100 meter van de zweminrichting "Het Oosterbad." Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op beroepsvissers. Artikel 5.3.11 - Hotel-en rondvaartbootEen hotelboot is een zich op het water bevindend horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse. Een rondvaartboot is een op het water bevindend vaartuig dat tot hoofddoel heeft het vervoeren van passagiers binnen het gebied van de Gemeente Aalsmeer. Het is verboden zonder vergunning van het college met een hotelboot en/of rondvaartboot rond te varen op het openbare water. Aan de vergunning worden voorschriften verbonden welke strekken tot veiligheid van passagiers en bemanning. Artikel 5.3.12 - SnoeiplichtDe eigenaar van een perceel gelegen aan het openbaar water is verplicht het aan zijn perceel gelegen vaarwater doorvaarbaar te houden en het vaarwater vrij te maken van overhangend groen dat vanaf zijn perceel in of boven het vaarwater hangt. Afdeling 4: Crossterreinen en gemotoriseerd verkeer en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5.4.1 - CrossterreinenHet is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1 onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen. Dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel aanwezig te hebben. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidsproductie sportmotoren. Artikel 5.4.2 - Beperkingen verkeer in natuurgebiedenHet is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatie gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1 onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of paard. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen van overlast; in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van het publiek. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen en snorfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van anderen krachtens artikel 29, eerste lid Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud, of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen; die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; binnen de bij of krachtens de provinciale verordening "Stiltegebieden" aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als "toestel". Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Afdeling 5: Verbod vuur te stoken Artikel 5.5.1 - Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stokenHet is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het verbod geldt niet voorzover het betreft: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren met een maximale doorsnede van 60 centimeter zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden; voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en de fauna. Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door middel van artikel 429, aanhef en onder 1 of 3 van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening. Afdeling 6: Verstrooiing van as Artikel 5.6.1 - BegripsomschrijvingIn deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(
- n)gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 5.6.2 - Verboden plaatsenIncidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen, met uitzondering van de door het college aangewezen plaatsen; kinderspeelplaatsen; sportvelden; recreatieterreinen. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op ander plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen voor het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. Artikel 5.6.3 - Hinder of over/as?Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt door derden. HOOFDSTUK 6: STRAF- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 6.1 - Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens de artikelen van deze verordening bepaalde, en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Artikel 6.2 - Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de buitengewone opsporingsambtenaren in dienst van de gemeente Aalsmeer. Voorts zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij het besluit van het college dan wel de burgemeester aangewezen personen. Artikel 6.3 - Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6.4 - Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na datum van publicatie. De Algemene Plaatselijke Verordening 2005 wordt ingetrokken. Artikel 6.5 - Overgangsbepaling Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4 (Inwerkingtreding), tweede lid, blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende 2 jaren na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4 (Inwerkingtreding), tweede lid, blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende 2 jaren na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van de verordening als bedoeld in artikel 6.4 (Inwerkingtreding), tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast. Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of een ontheffing, bedoeld als in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4 (Inwerkingtreding), eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4 (Inwerkingtreding), tweede lid. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd -van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag tenminste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend. Gebods- en verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in de verordening als bedoeld in artikel 6.4 (Inwerkingtreding), tweede lid zijn niet van toepassing: gedurende 13 weken na in werking treden van deze verordening; ook na de onder a. genoemde termijn, voor zover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist. De intrekking van de verordening als bedoeld in artikel 6.4 (Inwerkingtreding), tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken. Artikel 6.6 Deze verordening wordt aangehaald als Algemene Plaatselijke Verordening Aalsmeer 2008. Gemeente Aalsmeer TOELICHTING ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, is in de desbetreffende afdeling of paragraaf definities opgenomen. Deze definities kunnen afwijken van de in artikel 1.1 (Begripsomschrijvingen) opgenomen definities. Artikel 1.2 Beslistermijn Het vaststellen van een termijn waarbinnen op een aanvraag moet zijn beslist, bevat een element van willekeurigheid. Het merendeel van de aanvragen kan binnen acht weken worden afgewerkt. De meer ingewikkelde aanvragen echter, zeker die waarvoor de adviezen van meerdere instanties moeten worden ingewonnen, vergen geruime tijd, soms meer dan acht weken. In dat geval kan ingevolge het tweede lid de beslissingstermijn verlengd worden. Uitkomst kan deze mogelijkheid ook bieden wanneer een verzoek om vergunning, gelet op het tijdstip van indiening, nog niet op zijn merites kan worden beoordeeld, bijvoorbeeld wanneer het een activiteit betreft die vele maanden later is gepland. Artikel 1.3 Te late indiening aanvraag Hoewel het publiek zoveel mogelijk service moet worden geboden, zijn de mogelijkheden van het ambtelijk apparaat niet onbeperkt. In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met een aanvraag om vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. Veel verzoeken kunnen overigens binnen deze termijn worden afgewikkeld. Anderzijds zijn er ook soorten aanvragen om vergunningen waarvoor de termijn van drie weken niet toereikend is. Met het oog daarop is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. De vergunningen waarvoor deze langere termijn gelden worden bij openbare kennisgeving aangegeven, teneinde zo voor de burger zoveel mogelijk duidelijkheid te scheppen omtrent zijn rechten en plichten. Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen Ofschoon in literatuur en jurisprudentie algemeen het standpunt wordt ingenomen dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan, verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen in de regeling, ter uitvoering waarvan vergunning of ontheffing wordt verleend. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing of voor toepassing van andere administratieve sancties. Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijke of zakelijke karakter van de vergunning of de ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in overwegende mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma, bewijs van onbesproken gedrag etc.). De persoonlijke vergunning is in principe niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde tot een ongebouwde of gebouwde onroerende zaak. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene titel op de opvolger in dienshoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer, etc. Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing In dit artikel worden de gronden genoemd waarop een vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken respectievelijk waarop de daaraan verbonden voorschriften kunnen worden gewijzigd. Deze gronden hebben een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. Het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel spelen daarbij een rol. Artikel 1.7 Termijnen De in de Algemene termijnenwet is van overeenkomstige toepassing op termijnen van gemeentelijke verordeningen, tenzij in de ve