Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2024Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Losser, besluit vast te stellen: De navolgende Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2024 1.Algemene bepalingen 1.1Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (AwB): "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, zoals de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Beleidsregels gaan over de vaststelling van feiten, wet interpreterend beleid of over hoe bepalingen in de verordening door het college worden toegepast. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. De procedure is voor iedereen hetzelfde, maar het resultaat is in iedere situatie maatwerk. 1.2Begripsbepalingen In de beleidsregels wordt verstaan onder: Financieel besluit: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser; Nadere regels: Financiële Compensatieregeling Algemene voorziening Wasservice Losser; Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser; Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Resultatenoverzicht: een weergave van afspraken tussen de gemeente en de zorgaanbieder omtrent de te bereiken resultaten voor de cliënt. Het resultatenoverzicht is een onderdeel van het Twents Model. Alle begrippen die niet nader zijn omschreven, maar wel in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening maatschappelijke ondersteuning Losser, de Financiële Compensatieregeling Algemene voorziening Wasservice Losser, Het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Losser en de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). In de beleidsregels wordt omwille van de leesbaarheid in de mannelijke vorm naar personen verwezen. Overal waar hij staat, is ook zij bedoeld. 2.De procedure Artikel 2.3.2 Wmo 2015 Artikel 2.3.3 Wmo 2015 Artikel 2.3.4 Wmo 2105 Artikel 2.3.8 Wmo 2015 Hoofdstuk 2,3 en 8 van de verordening 2.1Inleiding De Wmo 2015 bepaalt dat de inwoner met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zijn hulpvraag eerst moet melden bij het college. Als iemand zich meldt met een ondersteuningsvraag noemt de Wmo deze inwoner een ‘cliënt’. Daarom spreken wij in de beleidsregels ook van ‘cliënt’. Dan bestaat er recht op een onderzoek. Het college kan op deze manier in samenspraak met de cliënt en zijn eventuele mantelzorger eerst zorgvuldig de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. De Wmo 2015 voorziet in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek (na de melding van de hulpvraag) moeten worden meegenomen. Nadat het onderzoek is afgerond kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening ingediend worden. Als het onderzoek naar aanleiding van de melding niet binnen zes weken is afgerond, kan cliënt na zes weken een aanvraag indienen (art. 2.3.2, negende lid, van de wet). De regels van de Awb zijn niet van toepassing op de procedure van de melding en het onderzoek. Het onderzoek behoort wel tot de voorbereiding van het besluit (art. 3:2 Awb). Verordening De verordening is voor wat betreft de toegang tot maatschappelijke ondersteuning procedureel ingericht zodat het voor de inwoners van de gemeente Losser duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij hun ondersteuningsvraag hebben gemeld. Criteria verordening In de verordening zijn diverse criteria vastgesteld. Die criteria verschillen naar gelang de aard van de ondersteuning waarop de cliënt is aangewezen. Het college baseert de beslissing op de aanvraag mede op basis van de verordening. Leeswijzer In dit hoofdstuk wordt de procedure van melding tot aan de beslissing van het college nader uitgelegd. 2.2.De melding Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. De wijze waarop de melding kan worden gedaan is vormvrij. Het college registreert de datum van ontvangst van de melding. 2.3Spoedeisende situatie Aangezien het onderzoek zes weken in beslag kan nemen, moet het college tijdens het onderzoek na een melding in spoedeisende situaties onverwijld een passende tijdelijke maatregel nemen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van betrokkene (art. 2.3.3 Wmo 2015). De noodzaak om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. In een spoedeisende situatie is een persoonsgebonden budget (pgb) niet mogelijk. Immers, het onderzoek naar de vraag of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening moet nog worden uitgevoerd. 2.4Onafhankelijke cliëntondersteuner Het college informeert de cliënt bij het doen van de melding of bij het plannen van een gesprek over de mogelijkheid om een onafhankelijke cliëntondersteuner in te schakelen. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1 Wmo 2015). 2.5Persoonlijk Plan Na de melding kan de cliënt binnen zeven dagen een persoonlijk plan indienen bij het college. In dit plan legt de cliënt zijn persoonlijke situatie uit, wat hij wil bereiken met zijn hulpvraag en hoe hij denkt dat de maatschappelijke ondersteuning in zijn situatie vorm gegeven kan worden. Het indienen van een persoonlijk plan is niet verplicht. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek en bij de beoordeling op een aanvraag. 2.6Onderzoek De Wmo 2015 schrijft voor dat het college een onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als de cliënt dat bij het college heeft gemeld. De onderwerpen die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen zijn neergelegd in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015. Daarin staat dat het college het volgende onderzoekt: wat de ondersteuningsvraag is; de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving, in geval van beschermd wonen en opvang; welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving en de resultaten te bereiken; in hoeverre: de eigen kracht; gebruikelijke hulp; mantelzorg; ondersteuning van andere personen uit het sociale netwerk; gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening; gebruikmaking van algemene voorzieningen; gebruikmaking van andere voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; welke eigen bijdrage voor de cliënt van toepassing is. Keuze zorg in natura (zin) of pgb Tijdens het onderzoek wordt de cliënt ook geïnformeerd over de mogelijkheid om te kiezen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Cliënt moet in het pgb-plan motiveren waarom deze een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst (zie hoofdstuk 14) Identificatieplicht In artikel 2.3.4 lid 1 Wmo 2015 is de identificatieplicht voor alle leeftijden vastgelegd. Het college moet bij het onderzoek naar de melding de identiteit van de cliënt vaststellen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. Onder een geldig identiteitsbewijs wordt verstaan een reisdocument als bedoeld in de Paspoortwet: een nationaal paspoort, een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort, een reisdocument voor vluchtelingen, een reisdocument voor vreemdelingen; andere reisdocumenten door de Minister van Veiligheid en Justitie vast te stellen; een Nederlandse identiteitskaart; een geldig rijbewijs. De cliënt is verplicht hier aan mee te werken (artikel 2.3.4 lid 2 Wmo 2015). Als een cliënt zich niet kan legitimeren als het college hierom vraagt, dan kan dit ertoe leiden dat het college de cliënt geen maatwerkvoorziening kan verstrekken. Medisch advies Wanneer het onderzoek specifieke deskundigheid vereist, kan het college gebruik maken van de deskundigheid van een onafhankelijk (medisch) deskundige. Het advies van de deskundige wordt dan meegewogen bij de beoordeling op een aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning. Beschermd wonen Indien blijkt dat de cliënt beschermd wonen of opvang nodig heeft, wordt deze situatie gemeld bij de centrumgemeente Enschede (zie hoofdstuk 12). De noodzaak voor beschermd wonen of opvang wordt beoordeeld door de centrumgemeente Enschede samen met de melder gebaseerd op de bepalingen van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning van de gemeente Enschede. 2.7Inlichtingen- en medewerkingsplicht Om een onderzoek volledig uit te kunnen voeren is het van belang dat de cliënt daaraan zijn medewerking verleend. In artikel 2.3.2 lid 7 van de Wmo 2015 is bepaald dat de cliënt danwel zijn wettelijke vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van artikel 4.2 van de Awb. Artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 bepaalt de inlichtingen- en medewerkingsplicht voor cliënten aan wie ondersteuning is verstrekt. 2.8Ondersteuningsplan Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in een ondersteuningsplan en deelt binnen zes weken na de melding de uitkomsten van het onderzoek met de cliënt. In het ondersteuningsplan zijn in ieder geval omschreven: de stappen zoals genoemd in hoofdstuk 2.6 van deze beleidsregels; hetgeen besproken is tijden het (keuken)tafelgesprek; de resultaten die bereikt moeten worden met de ondersteuning; bij toekenning van een maatwerkvoorziening in welke vorm, in natura of een pgb, deze verstrekt wordt. 2.9Aanvraag Een cliënt kan een aanvraag doen als het onderzoek is afgerond. Als het onderzoek niet is afgerond binnen zes weken na de melding van de hulpvraag (art.2.3.2, negende lid, van de wet) mag de cliënt zes weken na de melding een aanvraag indienen. De wijze waarop de aanvraag kan worden gedaan is vormvrij. Het college registreert de datum van ontvangst van de aanvraag. De procedure van melding tot beslissing op de aanvraag duurt in totaal acht weken. Het college kan deze termijn verlengen in samenspraak met de cliënt of als het college de termijn opschort op grond van artikel 4:14 van de Awb. 2.10Weigeren aanvraag Indicatie Wlz De wet kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen, behoudens de uitzonderingsbepalingen (art. 2.3.5, lid 6 Wmo 2015). Er geldt één uitzondering op het mogen weigeren van een aanvraag: voor de cliënt die thuis woont mag een aanvraag om een hulpmiddel of woningaanpassing niet worden geweigerd (art. 8.6a Wmo 2015). Voor huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, groepsondersteuning of kortdurend verblijf geldt geen uitzondering. Dat wil zeggen dat het college bij de melding van de ondersteuningsvraag altijd onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie of zo’n indicatie heeft, tenzij er geen enkele aanleiding is om dat aan te nemen. Bij dit vermoeden neemt het college contact op met het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg) en legt hen de situatie van de cliënt anoniem voor. Het CIZ maakt dan een inschatting of deze situatie mogelijk reden is voor een Wlz-indicatie. Wanneer het CIZ denkt dat er inderdaad reden is voor een Wlz-indicatie heeft het college voldoende reden om aan te nemen dat de cliënt aanspraak kan maken op deze Wlz-indicatie. Het college kan wel een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo verstrekken als overbrugging tot de Wlz-indicatie ingaat. Het aanvragen van een Wlz-indicatie kan namelijk enige tijd duren. Daarom kan het college voor een tijdelijke oplossing zorgen door een korte indicatie af te geven. Inwoners met een psychische stoornis kunnen ook toegang krijgen tot de Wlz. Het gaat om mensen die permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben. Zij moeten daarbij voldoen aan de bestaande Wlz-toegangscriteria. Terugwerkende kracht Heeft het college een indicatie voor een maatwerkvoorziening vastgesteld, al dan niet in de vorm van een pgb, dan kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt deze met terugwerkende kracht te verstrekken. De Verordening bepaalt dat het college zo’n verzoek in principe weigert als de maatwerkvoorziening al voor de melding van de hulpvraag is gerealiseerd. Dit geldt ook als de maatwerkvoorziening is gerealiseerd ná de melding van de hulpvraag, maar voordat het college heeft beslist op de aanvraag, tenzij zij de cliënt schriftelijk toestemming heeft verleend. 2.11Beschikking In principe neemt het college uiterlijk 2 weken na de aanvraag een beslissing op de aanvraag. Als bewijs van het al dan niet toekennen van een maatwerkvoorziening door het college zal het college een beschikking afgeven. Het ondersteuningsplan is onderdeel van de beschikking. In hoofdstuk 8 van de Verordening staat vermeld wat in de beschikking wordt vastgelegd. 2.12Bezwaar en beroep De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb (zie art. 6.4) en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Als een cliënt het niet eens is met een beslissing van het college op een aanvraag kan de cliënt binnen zes weken schriftelijk bezwaar indienen bij het college. Het is alleen mogelijk bezwaar te maken tegen de beslissing van de het college op een aanvraag. Het is niet mogelijk in bezwaar te gaan tegen de uitkomsten van een onderzoek na de melding. Hiervoor moet eerst een aanvraag worden ingediend en de beschikking worden afgewacht. De onafhankelijke bezwarencommissie van de gemeente geeft een advies aan het college over hoe om te gaan met het bezwaar en de aanvraag van de cliënt. Voordat de commissie een advies geeft, wordt meestal een hoorzitting georganiseerd. De cliënt wordt uitgenodigd voor deze hoorzitting om zijn bezwaar toe te lichten. De cliënt ontvangt na enkele weken een beslissing op bezwaar. Is de cliënt het niet eens met deze beslissing op bezwaar dan kan de cliënt binnen zes weken in beroep gaan bij de rechtbank. 2.13Evaluatiemomenten Bij alle indicaties vindt een tussenevaluatie plaats; bij het afgeven van een indicatie wordt een evaluatiemoment gepland. Het afnemen van een tussenevaluatie is vormvrij, dat betekent dat dit onder andere per telefoon, mail of fysieke afspraak kan. Frequentie van de evaluatie en tijdig informeren voor het einde van de indicatie Bij een indicatie korter dan één jaar vindt de vormvrije tussenevaluatie in principe op de helft van de indicatietermijn plaats. Consulent kan van deze richtlijn afwijken. Acht weken voor het einde van de indicatie wordt de cliënt hierover geïnformeerd en wordt een evaluatiegesprek ingepland. Bij een indicatie langer dan één jaar vindt de vormvrije tussenevaluatie in principe op de helft van de indicatietermijn plaats. Wanneer de integraal consulent, zorgaanbieder of cliënt dit nodig vindt, vindt er nogmaals voor het einde van de indicatie een evaluatiemoment plaats. Minimaal acht weken voor afloop van de indicatie wordt de cliënt hierover geïnformeerd en wordt er een eindevaluatie ingepland met zorgaanbieder en cliënt. Bij een indicatie voor onbepaalde tijd wordt de voortgang in ieder geval om de drie jaar getoetst door middel van een vormvrije tussenevaluatie. Wanneer integraal consulent, zorgaanbieder of cliënt dit nodig vindt, vindt er vaker een evaluatie plaats. 2.14Klachten Voor (gecontracteerde) zorgaanbieders en leveranciers geldt dat zij moeten beschikken over een klachtenregeling en een onafhankelijke klachtencommissie. Wanneer een cliënt een klacht heeft over het handelen van een ambtenaar of een bestuurder van de gemeentelijke organisatie geldt de gemeentelijke klachtenregeling. Deze regeling is bedoeld voor klachten over gedragingen. Klacht over medewerker van de gemeente - Gemeente Losser 3.Beoordelen van de aanspraak Artikel 1.1.1 Wmo 2015 Artikel 2.3.5 van de wet Hoofdstuk 3 van de verordening 3.1Inleiding Op het moment dat de cliënt een aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning indient, zal het college beoordelen of de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Met andere woorden, de gemeente bekijkt of de cliënt gecompenseerd moet worden voor zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo 2015. 3.2Criteria maatwerkvoorzieningen Het is aan het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken ter bevordering van de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, voor zover er geen andere oplossingen voor de hulpvraag mogelijk zijn. Uitgangspunt voor een Wmo-verstrekking is niet louter de diagnose of de beperking van de cliënt. De Wmo 2015 betrekt uitdrukkelijk ook de eigen mogelijkheden van de cliënt of zijn sociale netwerk bij de oplossing van zijn probleem. Een maatwerkvoorziening is het op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van: zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen; beschermd wonen en opvang. 3.3Wettelijk kader voor een maatwerkvoorziening In de Wmo staat dat een inwoner van de gemeente in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening als hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen zijn beperkingen op het gebied van zijn zelfredzaamheid of participatie naar de mening van het college niet kan verminderen of wegnemen: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met ondersteuning van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van een algemene gebruikelijke voorziening; met gebruikmaking van een algemene voorziening; met gebruikmaking van een andere voorziening. Beschermd wonen Als een inwoner van Nederland gebruik wil maken van de voorziening beschermd wonen, moet hij aan de voorwaarden voor beschermd wonen voldoen. In de Wmo staat dat een persoon in aanmerking komt voor beschermd wonen als hij in verband met psychische of psychosociale problemen niet in staat is zich te handhaven in de samenleving: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met ondersteuning van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van een algemene gebruikelijke voorziening; met gebruikmaking van een algemene voorziening; met gebruikmaking van een andere voorziening. Opvang Als een inwoner van Nederland gebruik wil maken van de voorziening maatschappelijke opvang, moet hij aan de voorwaarden voor maatschappelijke opvang voldoen. In de Wmo 2015 staat dat een persoon in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang als hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld niet in staat is zich te handhaven in de samenleving: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met ondersteuning van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van een algemene gebruikelijke voorziening; met gebruikmaking van een algemene voorziening; met gebruikmaking van een andere voorziening. Voor meer informatie over beschermd wonen en opvang zie hoofdstuk 12. 3.3.1Eigen kracht Het college vindt dat de eigen kracht een belangrijk onderdeel vormt van de beoordeling of iemand is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt verstaan wat naar het oordeel van het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en/of participatie te komen. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd. Het college zal altijd kijken naar de individuele situatie van een cliënt. 3.3.2Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is in de wet gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 van de Wmo 2015). Gebruikelijke hulp strekt zich daarom alleen uit tot personen die met de cliënt woonachtig zijn in een woning. De zogeheten leefeenheid bestaat uit de bewoners die gemeenschappelijk een woning bewonen met het oog op het voeren van een huishouden. Onder een huisgenoot wordt iedere andere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt kan worden gerekend. Dat wil zeggen dat volwassen huisgenoten alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie geen deel uitmaken van de leefeenheid. Het gaat dan om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. In dat geval stemt het college de omvang van de ondersteuning daarop af. Onder gebruikelijke hulp wordt in ieder geval verstaan: het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken; het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de thuisadministratie; het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden die naar oordeel van het college volgens algemene aanvaardbare opvattingen tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren. Hiermee is geen limitatieve opsomming beoogd. Andere ondersteuning kan naar oordeel van het college ook volgens algemene aanvaardbare opvattingen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Dat is ook afhankelijk van de individuele situatie. Er wordt ook geen rekening gehouden met traditionele rolpatronen op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijk opvattingen over het verrichten van gebruikelijke hulp. Bijvoorbeeld wanneer de man niets in het huishouden doet en alles voor rekening van de partner komt of redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijk werk willen en/of kunnen verrichten' . Dit zijn geen redenen om af te zien van gebruikelijke hulp. Het college vraagt, indien, noodzakelijk, medisch advies bij een onafhankelijk (medisch) deskundige om te bepalen wat de belastbaarheid van de huisgenoot is, of hij kan bijdragen en zo ja, hoeveel. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp baseert het college zich op de volgende feiten en omstandigheden: De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt; De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft; De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen; De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Ad 1. De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt Het college inventariseert als eerste de hier genoemde omstandigheden. De aard De aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op hulp bij: huishoudelijke taken; zelfzorg; de thuisadministratie; het plannen of ondernemen van dagelijkse activiteiten in het kader van participatie; of problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de cliënt daarbij ondervindt. De mate waarin de cliënt ondersteuning nodig heeft zal eerst geïnventariseerd moeten worden (CRVB:2018:373). Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de cliënt wel zelf kan al dan niet met hulp van anderen of met gebruikmaking van bijvoorbeeld algemene voorzieningen. Het college houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar kunnen worden geboden. De omvang Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot in verband met bijvoorbeeld werk. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op ondersteuning bij het vervoer of de administratie of aansporing nodig hebben bij zelfzorg. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, et cetera. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt. De duur Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurende ondersteuningsbehoefte bestaan bij de cliënt. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de cliënt. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij kortdurende situaties wordt van huisgenoten verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Het kan bij een langdurige ondersteuningsbehoefte nog steeds gaan om hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen tot de (persoonlijke) levenssfeer behoren en om die reden geacht worden onderling aan elkaar te worden geboden. Ad 2. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp bieden. Immers, huisgenoten binnen de leefeenheid voeren een huishouden met elkaar. Dat maakt hen ook verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, van kinderen ten opzichte van hun ouders en van huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Algemene aanvaardbare opvattingen in de persoonlijke levenssfeer Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn hulp: bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. Denk ook aan het vervoer; bij of het overnemen van taken die tot een huishouden behoren zoals de administratie; aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc.; van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Zie bijlage 1 Richtlijn gebruikelijke zorg van ouder(
- s)voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels. Echtgenoten/partners Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar in ieder geval meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene aanvaardbare opvattingen; de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg. Gebruikelijke hulp van kinderen aan ouders Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van inwonende kinderen aan hun ouders. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat voor begeleiding anders liggen. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(
- s)begeleiding bieden. Huisgenoten ten opzichte van elkaar Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Gebruikelijke hulp van ouders aan kinderen Het college verstaat onder gebruikelijke hulp aan kinderen dat ouders een zorgplicht hebben voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun mentale en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de hulp bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie bijlage 1 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(
- s)voor minderjarige kinderen. Huishoudelijke taken Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in de lijn met de vaste jurisprudentie (CRVB:2018:2721, RBGEL:2018:2007, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198). Het college zal- als het onderzoek daartoe aanleiding geeft- vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. (financiële) administratie Voor begeleiding bij of het overnemen van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat partners de thuisadministratie van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke. Het kan ook zijn dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot ondersteuning bij de thuisadministratie. Ook van ouder(
- s)wordt verwacht dat zij de thuisadministratie van een inwonend meerderjarig kind overnemen. Bij inwonende kinderen tot 23 jaar kan een uitzondering gelden voor het overnemen van de thuisadministratie van hun (alleenstaande) ouder. Het bieden van gebruikelijke hulp bij de thuisadministratie moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt. Begeleiding gericht op zelfzorg Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van echtgenoten/partners mag bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte in ieder geval worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt. Bij een langdurige ondersteuningsbehoefte van de cliënt wordt gebruikelijke hulp van de echtgenoot/partner verwacht voor zover het activiteiten betreft die hen gezamenlijk aangaan, zoals het eten en drinken. Bij andere adl-activiteiten overlegt het college met de cliënt en zijn partner/echtgenoot wat redelijk is. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(
- s)aansporen tot zelfzorg. Begeleiding bij het doen van aankopen Van de echtgenoot/partner ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken, boodschappen doen of andere normale aankopen. Daarmee is overigens nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(
- s)incidenteel begeleiding bieden bij bijvoorbeeld het boodschappen doen. Begeleiding bij structureren van de dag/week Van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken en bespreken van een dag- of weekplanning. Daarin staat de volgorde waarin activiteiten plaatsvinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan: bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist; regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, e.d.; bezoek aan familie; deelname aan geïndiceerde groepsondersteuning (brengen en/of opgehaald worden); Dergelijke activiteiten kunnen onder meer betrekking hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. Begeleiding bij participatie Onder participatie wordt onder meer verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname aan maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. Zoals gezegd geldt in het algemeen dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind wel mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of begeleiding bij het vervoer aan de cliënt wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen. Individuele vervoersbehoefte, geen gebruikelijke hulp De cliënt kan ook een individuele lokale vervoersbehoefte hebben en om die reden dus niet voor alle ondersteuning afhankelijk gemaakt worden van zijn huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening noodzakelijk zijn. Ad 3. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van (huishoudelijke) werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. Kinderen binnen de leefeenheid In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat het college er van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Een volwassenen huisgenoot van 23 jaar en ouder dient het huishouden geheel over te nemen. Een 18- tot 23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een eenpersoonshuishouden zijn: schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en een kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen. Verder gelden de volgende uitgangspunten: kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding; bij kinderen tussen 5-12 jaar worden hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien; kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, zoals rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Ad 4. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier de gebruikelijke hulp geboden moet worden. Maar hij kan dat wel aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe vanuit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting; de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken; de huisgenoot heeft geobjectiveerde beperkingen en/of mist de kennis dan wel vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren; de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(
- n)van ten minste zeven etmalen niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. In dergelijke situaties kan het college al dan niet tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten zodat de cliënt en zijn huisgenoot in de gelegenheid worden gesteld een oplossing te vinden. Boven-gebruikelijke hulp Verder kan het zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijke hulp substantieel wordt overschreden. Denk aan de situatie van een langdurige ondersteuningsbehoefte in combinatie met het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van noodzakelijke begeleiding. De verhouding tussen de draaglast en de draagkracht De vraag is of er in individuele situaties nog een uitzondering kan zijn, op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degene van wie wordt verwacht gebruikelijke hulp te bieden, overbelast is (geraakt) en daarom niet meer in staat is dat te doen. Soms is het direct duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om niet planbare hulp te bieden, is van invloed op de belastbaarheid van de degene die geacht wordt (ook nog) gebruikelijke hulp te verlenen. Het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid gevraagd wordt. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met zorg die wordt geboden in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan zijn dat niet planbare zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. (dreigende) overbelasting Bij (dreigende) overbelasting van een huisgenoot moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. Met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Een onafhankelijk medisch advies kan noodzakelijk zijn om de (dreigende) overbelasting te beoordelen. Weigert de betreffende huisgenoot zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek, dan kan het recht op een maatwerkvoorziening mogelijk niet worden vastgesteld (CRVB:2019:2616). Voorkomen of oplossen overbelasting Wanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, zullen deze aangewend moeten worden. Er kan sprake zijn van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf onbetaald leveren van te indiceren zorg (verpleging en/of verzorging). In die gevallen kan het college met de cliënt en zijn huisgenoot overleggen of voor deze zorg aanspraak wordt gemaakt op de Zvw zodat de (dreigende) overbelasting kan worden opgeheven. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten (buiten de gebruikelijke hulp) al dan niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Wanneer een huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, geen eigen mogelijkheden heeft om de (dreigende) overbelasting op te heffen, kan een tijdelijke maatwerkvoorziening voor een periode van drie maanden worden verstrekt. Van cliënt en huisgenoot wordt verwacht dat zij op zoek gaan naar eigen oplossingen om de overbelasting te verminderen, eventueel met ondersteuning van een mantelzorgconsulent. Alleen wanneer blijkt dat -na een tijdelijke indicatie- ondanks aantoonbare pogingen van betrokkenen om tot andere oplossingen te komen het niet mogelijk is om de overbelasting te reduceren, kan voor een langere periode ondersteuning worden ingezet. 3.3.3Mantelzorg en hulp van personen uit het sociale netwerk Sociaal netwerk Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Tot personen uit de huiselijke kring worden gerekend familieleden, huisgenoten, (voormalig) echtgenoot (of partner) of mantelzorgers. Andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt, zijn mensen met wie de inwoner regelmatig contact heeft zoals bijvoorbeeld buren en medeleden van een vereniging. Het bieden van ondersteuning door personen uit het sociaal netwerk is niet afdwingbaar, maar kan in bepaalde gevallen een verplichtend karakter hebben (voorbeeld aanvraag huishoudelijke ondersteuning, waarbij huisgenoten dit uit kunnen voeren). Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie worden verminderd of weggenenomen. Mantelzorg Mantelzorg is niet afdwingbaar. Het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. In het onderzoek bekijkt het college of de cliënt mantelzorg ontvangt. In het gesprek kan het college de cliënt vragen om in zijn netwerk te vragen of iemand mantelzorg wil bieden. Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17, CRvB 2017:3209). Het is van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke ondersteuningsbehoefte de mantelzorger heeft om de mantelzorgtaken te kunnen volhouden. Zie hoofdstuk 11. 3.3.4Algemene gebruikelijke voorziening Artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie - naar oordeel van het college – met een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De achtergrond is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Dat komt omdat iedereen ongeacht het hebben van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie daarover beschikt of zou kunnen beschikken. Beoordelingskader De Centrale Raad van Beroep heeft in 2019 een belangrijke uitspraak gedaan over hoe het college moet beoordelen of een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt en er om die reden geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt (CRVB:2019:3535). Dat moet gebeuren aan de hand van vier punten. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie, en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Ad. 1 Niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking Het gaat bij het eerste criterium om de vraag of op basis van maatschappelijke opvattingen (normen) kan worden gezegd dat een ‘voorziening’ niet specifiek bedoeld is voor mensen met beperkingen. Dat wil zeggen: iedereen zou daarover kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen. Eenvoudige hulpmiddelen die in de reguliere handel of online verkrijgbaar zijn worden niet verstrekt door het college. Er wordt alleen beoordeeld of de voorziening algemeen gebruikelijk is en niet of dat in het geval van de cliënt zo is. Ad. 2 Daadwerkelijk beschikbaar Het tweede criterium moet concreet worden beoordeeld. Dat wil zeggen dat het college feitelijk moet vaststellen dat bijvoorbeeld de boodschappendienst of maaltijdservice beschikbaar is. Ad. 3 Een passende bijdrage De beoordeling van het derde criterium is feitelijk onderdeel van het onderzoek na de melding van de hulpvraag; het gaat om een concrete beoordeling. Het college moet tijdens dat onderzoek zorgvuldig in kaart brengen welke beperkingen (problemen) de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid of participatie en vervolgens welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is. Het ligt daarom voor de hand dat het college tijdens het onderzoek ingaat op gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen. De beoogde algemeen gebruikelijke voorziening moet, net als een maatwerkvoorziening, een passende bijdrage leveren, zodat een situatie ontstaat waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie. Ad. 4 Financieel te dragen met een inkomen op minimumniveau Het college beoordeelt niet of de kosten specifiek door de aanvráger financieel gedragen kunnen worden, maar voor iedereen ongeacht de specifieke hoogte van het inkomen. Dit betekent dat de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening uiteindelijk bepalend is voor de beoordeling van het vierde en laatste criterium (CRvB 2019:3690). Waar de grens ligt voor de hoogte van de kosten moet zich in de jurisprudentie nog uitkristalliseren. Hoogte van de kosten duurzaam gebruiksgoed Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt. Het bedrag dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op: de aflossingsduur van 36 maanden die geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen); een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (op grond van de Participatiewet). Het percentage sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt. Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084). Berekening de van toepassing zijnde bijstandsnorm x 5 % x 36 maanden Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag dat van toepassing is op datum aanvraag. Het is niet mogelijk om een limitatief overzicht te geven van algemeen gebruikelijke voorzieningen. De financiële draagbaarheid voor een inkomen op minimumniveau moet getoetst worden. Hiervoor onderzoekt het college ook de kosten en beschikbaarheid van een tweedehandsvoorziening. Hieronder volgen enkele voorbeelden van voorzieningen die als algemeen gebruikelijk beschouwd worden (dit is geen uitputtende opsomming): Woonvoorzieningen: aanrechtblad; hendel mengkranen en thermostatische kranen; keukenapparatuur; keramische- of inductiekookplaat; vervanging van stoffen meubilair door glad meubilair; airco; antislipvloer/coating; inrichtingskosten; ophogen tuin/bestrating bij verzakking; drempelhulpen tot 10 cm; douche/toiletstoel op poten; tweede toilet/sanibroyeur; verhoogd toilet of toiletverhoger; wandbeugels; zonwering (inclusief elektrische bediening); babyfoon/intercom; stalling (driewiel)fiets/scootmobiel. Vervoersvoorzieningen: fiets; aanhangfiets; bakfiets; (elektrische) fiets (al dan niet met lage instap); (elektrische) tandem (al dan niet met lage instap); fiets met lage instap; fiets met trapondersteuning (in de vorm van een hulpmotor); snorfiets, bromfiets of spartamet; fietskar; ligfiets; aanhangfiets; een eigen auto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn; autoaccessoires zoals: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak, cruise control; openbaar vervoer. Diversen: alarmering; boodschappendienst; glazenwasser; kinderopvang; kreuk-/strijkvrije kleding; maaltijdvoorziening; schoonmaakmiddelen; stofzuiger; wasmachine; wasdroger; wandelstok; rollator. 3.3.5Algemene voorziening Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning (artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Een algemene voorziening kan een voorliggend en volwaardig alternatief zijn voor een maatwerkvoorziening. Of dit in een individueel geval ook zo is, onderzoekt de gemeente indien door of namens een betrokkene een melding is gedaan dat deze maatschappelijke ondersteuning nodig heeft. Een cliënt die naar het oordeel van het college voor een specifieke vorm van ondersteuning gebruik kan maken van een algemene voorziening, komt dus niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor die ondersteuning (artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Voor gebruikmaking van algemene voorzieningen hoeft cliënt geen aanvraag in te dienen, dit kan zonder indicatie. Voorbeelden van algemene voorzieningen in Losser zijn: Was- en strijkservice Maatschappelijk werk Thuisbegeleiding Koffie inloop (Kiekerskaamp) De Actieve Ontmoeting Mantelzorgondersteuning Formulieren informatie team ANWB Automaatje Luisterlijn Dit is geen limitatieve opsomming. 3.3.6Andere wettelijke regeling of voorziening De eigen verantwoordelijkheid van de cliënt speelt in de Wmo 2015 een hele belangrijke rol. Om te beoordelen of een cliënt in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning, zal het college bekijken of de cliënt een beroep kan doen op een andere (wettelijke) regeling of bij een andere organisatie terecht kan om zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo te verminderen of weg te nemen. In het geval een cliënt mogelijk aanspraak kan doen op een voorziening op grond van een andere wet dan de Wmo 2015 kan het college de cliënt verwijzen naar die ‘andere’ wet. Onder omstandigheden van het individuele geval kan daar ook een privaatrechtelijke regeling onder worden verstaan (denk bijvoorbeeld aan een geval van letselschade). Het college is niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken als een andere (wettelijke) regeling kan voorzien in de behoefte. In dat kader speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een belangrijke rol. Regresrecht Vanaf 1 januari 2015 is het voor gemeenten mogelijk om de kosten van een door hen verstrekte maatwerkvoorziening of pgb te verhalen op degene die, door zijn onrechtmatig handelen, er de oorzaak van is dat de cliënt een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening of pgb (artikel 2.4.3 Wmo 2015). Dit heet regresrecht. Aansprakelijkheidsverzekeraars en het VNG hadden hierover tot 2019 een overeenkomst afgesloten waarbij de schade was afgekocht. Vanaf 1 januari 2019 bestaat er geen schade-regresovereenkomst meer. Daarom moet het college voor nieuwe regresslachtoffers, die vanaf 2019 te maken hebben met een ongeval waarvoor een derde aansprakelijk is, zelf verhaal halen bij de aansprakelijkheidsverzekeraars wanneer slachtoffers kosten hebben voor Wmo- voorzieningen. Zorgverzekeringswet (Zvw) De afbakening met de Zvw is niet geregeld bij wet. Wanneer de cliënt via de Zvw zorg die voldoet aan de ondersteuningsbehoefte kan ontvangen ziet het college dit als een passende oplossing vanuit de eigen kracht. Voorbeelden van mogelijk passende oplossingen vanuit de Zvw zijn: behandeling, persoonlijke verzorging (wanneer er sprake is van een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop). 3.4Algemene uitgangspunten 3.4.1Goedkoopst adequate maatwerkvoorziening Het college verstrekt altijd de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven de goedkoopste is. Indien de cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens adequaat
- is)komen de meerkosten voor rekening van de cliënt. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een pgb gebaseerd op de kosten van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening. 3.4.2Langdurig noodzakelijk Het college verstrekt in principe geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie als deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of ondersteuning. Langdurig noodzakelijk betekent dat de voorziening een periode van zes maanden of langer nodig is. Deze termijn is afgestemd op de termijn waarop een inwoner voor een korte tijd een hulpmiddel of voorziening kan lenen op basis van de Zvw. Uitzonderingen Bij een cliënt die terminaal ziek is en een levensverwachting heeft van minder dan zes maanden kan langdurig noodzakelijk bijvoorbeeld ook een periode korter dan zes maanden zijn. Bij een wisselend ziektebeeld, waarbij verbetering in de toestand opgevolgd wordt door periodes van terugval, kan uitgegaan worden van een langdurende medische noodzaak. De gemeente beoordeelt voor het verstrekken van kortdurende huishoudelijke ondersteuning of deze onder de aanvullende verzekering van de Zorgverzekeringswet valt (bijvoorbeeld na een ziekenhuisopname). Van cliënt wordt verwacht dat hij navraag doet bij de zorgverzekeraar. 3.4.3Passende bijdrage Bij de beslissing op de aanvraag gaat het om maatwerk. Uit de Wmo 2015 volgt dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dat wil zeggen dat het bij het bieden van maatwerk door het college om een resultaatsverplichting gaat. Het resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Daarom is het bij het onderzoek na de melding van de hulpvraag van groot belang dat het onderzoek zich richt op het bereiken van een resultaat. Dit in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociaal netwerk. Het resultaat van de ondersteuning zal waar mogelijk en nodig zo veel mogelijk moeten aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt zelf en zijn sociale netwerk, waarbij wij onze visie zo licht en dichtbij als mogelijk en zo zwaar als nodig hanteren. 3.4.4Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voordat hij ondersteuning nodig had. Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat er om dat de cliënt in aanvaardbare mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving (vergelijk CRVB: 2012:BV5448). 4.Regels voor eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. Artikel 2.1.4 a en b Wmo 2015 Hoofdstuk 10 van de verordening 4.1Inleiding De Wmo maakt een onderscheid tussen (eigen) bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen mag het college bepalen en dit mag kostendekkend zijn. De eigen bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen mag nooit hoger zijn dan de kostprijs van de voorziening. 4.2Eigen bijdrage maatwerkvoorziening Iedere cliënt dient voor een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo een vaste eigen bijdrage per maand te betalen (het abonnementstarief); ongeacht het inkomen, vermogen en de hoeveelheid hulp en/of ondersteuning. De eigen bijdrage wordt geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Zie artikel 2.1 Financieel Besluit. In de volgende situaties hoeft een cliënt geen eigen bijdrage te betalen (art. 2.1.4 a en art. 2.1.4 b Wmo): cliënt is getrouwd/heeft een geregistreerd partnerschap/ leeft samen en vormt een gezamenlijk huishouden met iemand en één van beide heeft de pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt. cliënt betaalt al een eigen bijdrage voor beschermd wonen of voor ondersteuning vanuit de Wlz. Voor de volgende maatwerkvoorzieningen betaalt cliënt geen abonnementstarief: rolstoelvoorzieningen; maatwerkvoorzieningen verstrekt aan kinderen tot 18 jaar; regiotaxi; financiële tegemoetkomingen. De gemeente Losser hanteert bij voorzieningen de datum van beschikking en bij ondersteuning de startdatum van de ondersteuning als ingangsdatum voor het abonnementstarief. Het CAK start met innen in de maand volgend op de maand van de startdatum. Alleen bij een startdatum gelegen op de eerste van de maand, wordt wel al de volledige maand geïnd. Duur eigen bijdrage De cliënt betaalt het abonnementstarief zolang hij gebruik maakt van de maatwerkvoorziening of voor de periode waarvoor een pgb is verstrekt. Uitzonderingen hierop zijn hulpmiddelen en woningaanpassingen, daarvoor geldt de kostprijs als maximum eigen bijdrage. Voor onderhoud, keuring en reparatie van woonvoorzieningen betaalt de cliënt geen eigen bijdrage. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang Voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang gelden andere regels. De hoogte van de eigen bijdrage wordt vastgesteld door het CAK op basis van de persoonlijke gegevens van de cliënt en het geïndiceerde leveringsbudget dat door de gemeente aan het CAK is doorgegeven. 4.2.2Ritbijdrage regiotaxi Voor het reizen met het collectief vervoer (Regiotaxi) wordt een opstaptarief en een ritbijdrage per kilometer gevraagd. De ritbijdrage wordt betaald aan de vervoerder. Zie voor tarieven artikel 2.2 van het Financieel besluit. 4.3Eigen bijdrage algemene voorziening De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik van een algemene voorziening, zoals de was- en strijkservice. De cliënt is de bijdrage verschuldigd aan de aanbieder. Zie voor tarieven artikel 2.3. van het Financieel besluit. 4.3.1Financiële tegemoetkoming in de bijdrage van de Wasservice Losser Het college verstrekt een financiële tegemoetkoming in de bijdrage voor de Wasservice Losser indien: het netto-inkomen per maand lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; en inwoner niet in staat is om het wassen- en strijken zelf te doen of te regelen met mensen vanuit zijn of haar (sociaal) netwerk. Zie voor de hoogte van de tegemoetkoming artikel 2.3.1. van het Financieel besluit. 5.Huishoudelijke ondersteuning Hoofdstuk 4 van de verordening 5.1Inleiding Op grond van de Wmo 2015 moet iedereen kunnen participeren en zo veel mogelijk zelfredzaam zijn. Onder zelfredzaamheid wordt verstaan: “in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden”. Bij het participeren moet de huishouding geen obstakel zijn; het huishouden moet “op orde” zijn. De gemeente moet dus voorzieningen treffen als de cliënt niet in staat is een gestructureerd huishouden te voeren. Als is vastgesteld dat de cliënt ondersteuning nodig heeft bij het huishouden zal de vorm van ondersteuning moeten leiden tot een schoon en leefbaar huis. De ondersteuning beperkt zich tot de ruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning en die daadwerkelijk in gebruik zijn. De Wmo 2015 kijkt daarbij nadrukkelijk naar de eigen mogelijkheden van de cliënt. Voor huishoudelijke ondersteuning betekent dit, dat wordt beoordeeld hoe de cliënt zelf het probleem kan oplossen. Zelf of door een beroep te doen op familie, vrienden, vrijwilligers, mensen uit de buurt of andere partijen die hierin iets kunnen betekenen. Lukt dit de cliënt niet en bestaan er geen algemene of andere voorzieningen, dan kan huishoudelijke ondersteuning ingezet worden. Deze voorziening beperkt zich tot het op orde houden van woon-, slaap- en badkamer, keuken en toilet, verkeersruimten (hal, overloop) en trap (indien één van voornoemde ruimten zich op een andere etage bevinden). De overige ruimtes vallen in principe niet onder de basisvoorziening. Per individu moet dit wel beoordeeld worden (RBLIM:2019:8813). 5.2Beleidsuitgangspunten Wanneer er sprake is van een (chronische) beperking (fysiek of psychisch) of een psychosociaal probleem en de cliënt kan daardoor geen gestructureerd huishouden voeren, kan er een maatwerkvoorziening in de vorm van huishoudelijke ondersteuning worden ingezet. Inzet van huishoudelijke ondersteuning door de gemeente neemt de verantwoordelijkheid van de cliënt niet over, maar helpt de cliënt om het resultaat schoon en leefbaar huis te behalen. Onder een gestructureerd huishouden wordt verstaan: Het kunnen beschikken over een schoon en leefbaar huis, opgeruimd en functioneel; Het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding en beddengoed; Het hebben van regie over het huishouden; Het kunnen beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden; Het thuis kunnen zorgen voor de kinderen die tot het gezin behoren. 5.2.1Begrippen Eigen kracht Onder eigen kracht wordt verstaan de activiteiten die de cliënt zelf kan uitvoeren ten aanzien van een gestructureerd huishouden. Deze activiteiten worden dus niet overgenomen door middel van een maatwerkvoorziening. In de praktijk kan dit wel betekenen dat een deel van het huishouden door de cliënt wordt uitgevoerd en voor het andere deel huishoudelijke ondersteuning wordt ingezet. Gebruikelijke hulp Van huisgenoten mag in redelijkheid worden verwacht dat zij huishoudelijke taken overnemen. Als er sprake is van gebruikelijke hulp, dan wordt er geen of minder huishoudelijke ondersteuning geboden (CRvB:2018:2721). Het college zal, als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, vast moeten (laten) stellen of huisgenoten in staat zijn om huishoudelijke taken over te nemen. Zie verder hoofdstuk 3.3.2. Mantelzorg en personen uit het sociale netwerk Wanneer mantelzorg of personen uit het sociale netwerk huishoudelijke taken uitvoeren, gaat dit voor op een maatwerkvoorziening. In de praktijk kan dit betekenen dat een deel van het huishouden door de mantelzorger wordt overgenomen en voor een ander deel aanvullend of tijdelijke ondersteuning wordt geboden door de inzet van een maatwerkvoorziening. Mantelzorg is altijd vrijwillig en niet afdwingbaar (CRvB:2017:17). Algemene (gebruikelijke) voorziening Voor algemeen gebruikelijke voorzieningen geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke zaken. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, et cetera (CRvB:2015:1503). Allereerst beoordeelt het college in het gesprek en tijdens het verdere onderzoek of de beperkingen kunnen worden verminderd of worden weggenomen op eigen kracht, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk. Daarna beoordeelt het college in het gesprek en tijdens het onderzoek of de beperkingen verminderd kunnen worden door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene of andere voorzieningen. Te denken valt aan: een boodschappenservice; afwasmachine vrijwilligersdiensten; was- en strijkservice; algemeen gebruikelijke hulpmiddelen (zie toelichting beleidsregels 3.3.4); maaltijdvoorziening; voorschoolse, tussen schoolse en naschoolse opvang; kinderopvang, opvang door derden. Wasservice Losser is een algemene voorziening die voor iedereen toegankelijk is. Ondersteuning bij wasverzorging kan slechts worden opgenomen in een indicatie indien en voor zover het gebruik van de algemene voorziening voor wasverzorging niet mogelijk is. Onder het kopje wasverzorging zijn de voorwaarden voor een wasvoorziening verder uitgewerkt. De voorwaarden van gebruik en de eigen bijdrage van de Wasservice Losser heeft het college uitgewerkt in de nadere regels. De regels zijn terug te vinden in de Financiële compensatie regeling Wasservice Losser en op de website van de gemeente Losser. Wel moet door het college beoordeeld worden of deze voorzieningen beschikbaar, compenserend en financieel draagbaar zijn (CRvB:2019:397). Verblijf buiten de woning Verblijf buiten de woning waar de cliënt geacht wordt het hoofdverblijf te hebben voor een periode langer dan vier weken heeft tot gevolg dat de ondersteuning (tijdelijk) wordt stop gezet. Er bestaat namelijk geen plicht voor de gemeente om de beperking van betrokkene te compenseren voor de periode dat de cliënt niet in zijn woning verblijft. Bij achterblijvende gezinsleden wordt de ondersteuning ononderbroken voortgezet. Wanneer de cliënt langdurig buiten de woning verblijft, volgt er, waar nodig, een nieuw onderzoek bij de achterblijvende gezinsleden. 5.3Normenkader De Twentse gemeenten gebruiken voor het uitwerken van het resultaat ‘leefbaar huishouden’ het rapport Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 met aanvullende instructie 2022. Dit rapport stelde bureau HHM op. Dit is een onafhankelijke derde partij, die geen belang heeft bij de uitkomst van het onderzoek ter vaststelling van maatstaven voor resultaten. In het rapport is vastgesteld dat er voor de basistaken 125 minuten per week nodig zijn om het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ te behalen. Het doel van het gebruik van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning is om uniformiteit in de toekenning van huishoudelijke ondersteuning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, die is gebaseerd op volledige overname van huishoudelijke taken. Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en er wordt met behulp van de richtlijn ondersteuning op maat toegekend. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Hierbij wordt gemotiveerd aangegeven waarom wordt verhoogd of verlaagd. Het rapport is als bijlage aan deze beleidsregels toegevoegd. De zorg voor kinderen is gebaseerd op het CIZ-protocol. De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning kan de volgende resultaten omvatten: schoon en leefbaar huis wasverzorging boodschappen regie en organisatie maaltijdverzorging zorg voor minderjarige kinderen Met name ten aanzien van de resultaten wasverzorging en boodschappen geldt dat allereerst de inzet van voorliggende en algemene voorzieningen beoordeeld wordt. 5.3.1Resultaten Schoon en leefbaar huis Een huis is schoon en leefbaar als het voldoet aan de normale hygiëne-eisen. Schoon staat voor het borgen van een basishygiëne. Daarbij moet vervuiling van het huis en de gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor een opgeruimd en functioneel huis, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Bij de basistaken van 125 minuten per week wordt uitgegaan van een “gemiddelde situatie”: een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen; wonend in een zelfstandige woning, gelijkvloers of met trap; de cliënt kan de woning dagelijks zelf op orde houden, zodat deze gereed is voor de schoonmaak (bijvoorbeeld het aanrecht afnemen, opruimen); de cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf de basistaken uit te voeren; er is geen hulp van mantelzorgers, het netwerk of vrijwilligers; er is geen sprake van gebruikelijke hulp; de cliënt heeft geen beperkingen of belemmeringen die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. Woonruimten De basisvoorziening huishoudelijke ondersteuning voorziet in een leefbaar huishouden. Dit betekent niet dat alle woonruimten wekelijks schoongemaakt moeten worden. De basisvoorziening heeft betrekking op de woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning. En die daadwerkelijk in gebruik zijn. In principe zijn dit de volgende woonruimten: woonkamer; slaapkamer(s), in gebruik bij de cliënt en zijn huisgenoten; badkamer; toilet; keuken; verkeersruimten (hal, overloop); trap, indien één van de hierboven genoemde ruimten zich op een andere etage bevinden. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon etc.) maakt geen onderdeel uit van de huishoudelijke ondersteuning. De basisindicatie kan worden aangepast wanneer er sprake is van extra kamers, wanneer deze daadwerkelijk structureel in gebruik zijn. Het verschil hierbij is de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer wel of niet in gebruik is. Is de ruimte wel in gebruik? Dan wordt er onderscheid gemaakt tussen een slaapkamer en overige ruimtes. Extra inzet Er kan zich een noodzaak voordoen voor enige extra inzet of veel extra inzet. Het gaat dan om situaties waarin door beperkingen of belemmeringen van de cliënt extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt. Daarbij valt te denken aan: medische beperkingen waardoor de woning extra schoon moet zijn (bijvoorbeeld door allergieën of COPD); medische of fysieke beperkingen die leiden tot een snellere vervuiling van het huis (bijvoorbeeld door incontinentie, overmatig zweten, specifieke medicijnen met lichamelijke reacties, rolstoelgebruik binnen-buiten en dergelijke); kind(eren) jonger dan 12 jaar. Het inzetten van extra huishoudelijke ondersteuning dient objectief (medisch) aantoonbaar te zijn. De extra inzet is qua activiteiten gelijk aan de basisvoorziening. Over het algemeen zal alleen de frequentie van (enkele) activiteiten verschillen met de basisvoorziening. Dit leidt mogelijk tot extra tijd voor de basisactiviteiten. Het college stelt vast of er sprake is van een overstijgende ondersteuningsvraag van de cliënt. Daarbij is geen vaste frequentie te noemen, omdat dit per persoon verschillend kan zijn. Het gaat dus echt om maatwerk. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: Is er uitbreiding noodzakelijk vanwege enige extra inzet van huishoudelijke taken? Dan kan tot 30 minuten extra tijd worden ingezet. Is er een tweede bezoek/werkmoment noodzakelijk? Vanwege extra vaak of extra goed schoonmaken? Dan kan tot 60 minuten extra tijd worden ingezet. Tot 30 minuten extra kan aan de orde zijn bij kind(eren) jonger dan 12 jaar. Wanneer er een extra kamer in gebruik is als slaapkamer, dan vergt dat 18 minuten per week extra zoals genoemd in het normenkader. Voor kamers die niet als slaapkamer worden gebruikt, wordt er maximaal 5 minuten ingezet. Een logeerkamer die (zeer)incidenteel wordt beslapen kan in principe door de logé weer schoon worden opgeleverd. Huisdieren De aanwezigheid van huisdieren is in het algemeen geen aanleiding voor het toekennen van een aanvullende indicatie. De gevolgen hiervan voor het leefbaar houden van het huishouden en het zoeken naar oplossingen hiervoor behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Dit is anders wanneer er een bijzondere reden is waarom er een huisdier aanwezig is. Denk aan een hulphond of een blindengeleidehond. De verzorging van het dier valt buiten de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. Schematische weergave: Wasverzorging Ondersteuning bij wasverzorging kan worden ingezet als een cliënt het niet lukt om zijn kleding, linnen- of beddengoed zelfstandig op orde en schoon te houden en de was- en strijkservice geen passende oplossing biedt. Hierbij wordt er ook vanuit gegaan dat de cliënt extra was probeert te voorkomen door bijvoorbeeld het gebruik van incontinentiemateriaal. Het resultaat van de ondersteuning wasverzorging is dat de cliënt beschikt over schone en draagbare kleding en schoon linnen- en/of beddengoed. Voor het bepalen van de tijdbesteding van de activiteiten die vallen binnen het wassen en strijken, is door bureau HHM gebruik gemaakt van de observatiegegevens uit het onderzoek in de gemeente Amsterdam dat door bureau HHM en KPMG Plexus gezamenlijk is uitgevoerd. Voor het bepalen van de frequenties van de activiteiten is gebruik gemaakt van de uitkomst van het onderzoek in Twente onder de huishoudelijke hulpen van de aanbieders. Dat heeft geresulteerd in de volgende uitgangspunten: wasverzorging één persoonshuishouden 35 minuten per week wasverzorging twee persoonshuishouden 43 minuten per week strijken1Strijken wordt over het algemeen niet meer geïndiceerd. Hier zijn in de vorm van strijkvrije kleding voorliggende oplossingen voor beschikbaar. Indien noodzakelijk kan in individuele gevallen hiervan worden afgeweken. (1 of 2 personen) 20 minuten per week Er kunnen factoren zijn waardoor er meer hulp bij de wasverzorging noodzakelijk is. Hierbij kan gedacht worden aan: Thuiswonende kinderen jonger dan 16 jaar; Bedlegerigheid; Extra bewassing i.v.m. overmatige transpireren, incontinentie, etc. Meer inzet is dan mogelijk. Indien de cliënt gebruik kan maken van de algemene voorziening (was- en strijkservice) voor wasverzorging, maar wel problemen ondervindt bij het klaarzetten en opruimen van de was kan 10 minuten geïndiceerd worden voor ondersteuning in deze activiteiten. Schematische weergave: Regie Het kan zijn dat een cliënt niet meer zelf (volledig) de regie kan voeren over het huishouden. Er kan dan 30 minuten per week extra geïndiceerd worden. Dit is als de hulp aantoonbaar extra werkzaamheden moet doen of bijvoorbeeld door het gedrag van een cliënt extra tijd nodig is. Is de cliënt niet in staat de hulp te instrueren? Dan wordt hiervoor geen extra regie ingezet. Van de hulp mag verwacht worden dat deze zelfstandig de werkzaamheden kan plannen. Het geven van advies, instructies en voorlichting in het huishouden heeft betrekking op het aanleren van praktische vaardigheden in het huishouden aan een cliënt. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen en de cliënt heeft nooit geleerd het huishouden uit te voeren. Er kan dan tijdelijk extra tijd huishoudelijke ondersteuning worden toegekend om de praktische uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden aan te leren. Dit is dus altijd tijdelijk (tussen de 3 en 6 maanden) waarna een evaluatie plaatsvindt. Deze extra inzet is te onderscheiden van Wmo-begeleiding. Is de cliënt niet meer leerbaar en betreft het enkel overname van de huishoudelijke taken? Dan wordt er geen regie ingezet. Advies-instructie-voorlichting betrekking heeft op het, op tijdelijke basis, aanleren van praktische vaardigheden in het huishouden aan een cliënt. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen en de cliënt heeft zelf nooit geleerd het huishouden uit te voeren. Er kan dan tijdelijk extra tijd huishoudelijke ondersteuning worden toegekend om de praktische uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden aan te leren. Dit is dus altijd tijdelijk (tussen de 3 en 6 maanden) waarna een evaluatie plaatsvindt. Deze extra inzet is te onderscheiden van Wmo-begeleiding. Is de cliënt niet meer leerbaar en betreft het enkel overname van de huishoudelijke taken? Dan wordt er geen regie ingezet. Maaltijdverzorging Ondersteuning bij de maaltijden kan (gedeeltelijk) vallen onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet (Zvw). Bij de maaltijdvoorziening zijn een vijftal handelingen te onderscheiden: bereiden van de maaltijd; bijvoorbeeld 2x per dag brood klaarmaken en 1x per dag (magnetron) maaltijd klaarmaken/opwarmen; klaarzetten van de maaltijd, zodat de cliënt erbij kan om het eten op te eten; aansporen van de cliënt en eraan herinneren te eten; toezien dat de cliënt eet; toedienen van de maaltijd. Het (voor)bereiden van maaltijden en het eventueel begeleiden (stimuleren of herinneren) bij de maaltijden valt mogelijk onder de Wmo 2015. Ondersteuning bij maaltijden kan worden ingezet als het een cliënt niet lukt om zelfstandig de benodigde dagelijkse maaltijden te bereiden. Deze ondersteuning bestaat uit activiteiten die moeten worden verricht om het resultaat “beschikken over benodigde dagelijkse maaltijden” te bereiken. Op grond van de Wmo 2015 kan er ondersteuning bij de maaltijd worden ingezet als de cliënt dit nodig heeft om zelfstandig te kunnen blijven wonen. Daarbij wordt er wel eerst gekeken naar (voorliggende) oplossingen. Dan hoeft de gemeente op grond van gebruikelijke hulp geen ondersteuning te bieden. Mogelijke oplossingen: voorliggende voorzieningen. Denk aan een kant- en klaar maaltijd, mee-eten bij een welzijnsvoorziening, maaltijdbezorging aan huis etc.; huisgenoot is in staat de maaltijd klaar te zetten en/of op te warmen; de client kan op eigen kracht of met ondersteuning van de mensen om hem heen een maaltijd verzorgen. Of een buurtgenoot is in staat een maaltijd klaar te zetten of op te warmen; de client heeft een Wlz indicatie. Dan valt de ondersteuning bij de maaltijden onder de Wlz; vanuit een Zvw-aanbieder wordt ondersteuning bij de maaltijd geleverd. Als een cliënt niet (meer) in staat is zelf of met hulp van de omgeving maaltijden te verzorgen en voorliggende voorzieningen niet of onvoldoende de noodzakelijke oplossing biedt, kan deze module door de gemeente worden ingezet. De kosten voor de aanschaf van de maaltijden c.q. de maaltijdvoorziening komen ten laste van de cliënt. Voor zowel de warme maaltijd als ook twee broodmaaltijden kan maximaal 20 minuten per dag worden gerekend. Zorg voor minderjarige kinderen Het zorgen voor kinderen is een taak van ouders en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door een beperking niet in staat zijn voor hun kinderen te zorgen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van één van de ouders, de andere ouder deze zorg waar mogelijk overneemt. Of er wordt gekeken wat in eigen netwerk de mogelijkheden zijn. Een eventuele maatwerkvoorziening is er voor ouders die door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor minderjarige kinderen. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachten van een structurele oplossing. Overzicht activiteiten Zorg voor kinderen op grond van de normen uit het CIZ-protocol. Het HHM normenkader biedt geen tijdsaanduiding voor wat betreft zorg voor kinderen. Dit is echt maatwerk. Om toch een richtlijn te geven aan de activiteiten versus de tijdsbesteding volgen wij hierin het CIZ-protocol: Activiteiten Frequentie Maximale tijdsbesteding in minuten per activiteiten per kind Activiteiten Frequentie Maximale tijdsbesteding in minuten per activiteiten per kind Naar bed brengen/uit bed halen Dagelijks 10 minuten per keer per kind Wassen en kleden Dagelijks 30 minuten per dag per kind Eten en/of drinken geven Dagelijks 20 minuten (broodmaaltijd) of 25 minuten (warme maaltijd) Babyvoeding (flesje/borstvoeding) Dagelijks 20 minuten per keer per kind Luier verschonen Dagelijks 10 minuten per keer per kind Naar school/crèche brengen/halen Dagelijks 15 minuten per gezin Factoren voor meer hulp Als opvang noodzakelijk is2 Er wordt eerst gekeken naar andere mogelijkheden. Bijv. een sociaal medische indicatie (SMI) of opvang kinderdagverblijf. Dagelijks Tot 40 uur per week 6.Ondersteuning bij zelfredzaamheid en participatie Hoofdstuk 5 van de verordening 6.1Inleiding De gemeente kan een inwoner met beperkingen zoals bedoeld in de Wmo een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1 Wmo2015). Binnen het Twents Model wordt niet gesproken over begeleiding, maar over ondersteuning. Zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving. Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren, moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn en ook over vaardigheden beschikken om daar regie over te kunnen voeren. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Een vaardigheid op een of ander gebied wordt veelal vergaard door praktische ervaring, door korte of langere tijd regelmatig te oefenen. Cliënten die zijn aangewezen op individuele of groepsgerichte ondersteuning ondervinden problemen in hun functioneren op het gebied van: sociale redzaamheid (dagelijkse bezigheden, problemen oplossen en besluiten nemen, dagelijkse routine regelen, et cetera); probleemgedrag (gedragsproblemen); psychisch functioneren (concentratie, geheugen en denken en perceptie van omgeving); geheugen en oriëntatie. Voordat het college een maatwerkvoorziening ondersteuning toekent, onderzoekt het college of de cliënt zijn problemen kan verminderen of wegnemen door eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp uit het sociale netwerk van de inwoner, of door algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen of door een beroep te doen op een andere (wettelijke) regeling of organisaties (zie hoofdstuk 3.3) Daarnaast kan een cliënt ook worden doorverwezen naar het Cimot (Enschede) voor ondersteuning in de vorm van beschermd wonen of maatschappelijke opvang (zie hoofdstuk 13 van deze beleidsregels). 6.2Ondersteuning cliënten met een zintuigelijke beperking Het college is in het kader van de Wmo 2015 ook verantwoordelijk voor de ondersteuning van cliënten met een zintuiglijke beperking (ZG). De aantallen cliënten met een zintuigelijke beperking zijn per gemeente dermate klein en het aantal aanbieders landelijk beperkt dat het ministerie VWS en de VNG landelijke inkoopafspraken hebben gemaakt voor deze vorm van ondersteuning. Van deze groep heeft een aantal cliënten vanwege de aard van de aandoening een structurele behoefte aan specialistische ondersteuning. Deze behoefte is er omdat deze mensen vaak, naast de zintuigelijke beperking, te maken hebben met andere (vaak verstandelijke en/of psychiatrische) beperkingen. Vaak volstaat reguliere ondersteuning niet. In veel gevallen is het noodzakelijk specialistische ondersteuning in te zetten door een aanbieder die gespecialiseerd is in het werken met deze doelgroep. 6.3Tolkvoorziening Er is een landelijke regeling tolkvoorziening voor mensen met een zintuigelijke beperking welke namens alle gemeenten ondergebracht is bij de Vereniging voor Nederlandse gemeenten (VNG).3Landelijke regeling tolkvoorziening voor mensen met een zintuigelijke beperking VNG. De dienstverlening bestaat uit: de uitvoering van de Landelijke regeling Tolkvoorziening in het kader van de Wmo (de regeling); de bemiddeling tussen tolk en gebruiker. Onder een gebruiker wordt verstaan een Nederlander die volgens de landelijke regeling tolkvoorziening voldoet aan de criteria en een beroep mag doen op doventolkvoorziening. 6.4Twents Model Het Twents Model is een toeleidingsmodel dat dient te voorzien in een gewenst zorgaanbod gebaseerd op de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Het model stelt de inwoner centraal en er kan integraal maatwerk geboden worden. Het Twents Model is zo ontworpen dat het aansluit op lokale verschillen en mee kan bewegen met lokale, regionale en landelijke ontwikkelingen. In het Twents Model is het niet de gemeente die bepaalt hoe er aan een oplossing moet worden gewerkt maar de aanbieder in dialoog met de inwoner. De gemeente bepaalt in gesprek met de inwoner wat (welk resultaat) er behaald moet worden. De aanbieder krijgt een budget om de inwoner zodanig te ondersteunen dat dit resultaat daadwerkelijk kan worden behaald. In het Twents Model is keuzevrijheid voor inwoners en daarmee ook diversiteit van aanbieders gegarandeerd. 6.5Aard en niveau van de ondersteuningsbehoefte Samen met de cliënt wordt gekeken welk resultaat de cliënt (of het gezinssysteem) wil bereiken. Vervolgens wordt gekeken welk type ondersteuningsbehoefte de cliënt (of het gezinsysteem) nodig heeft. Binnen het Twents Model zijn voor de Wmo Ondersteuningsbehoefte 1 en 2 gedefinieerd. Het is mogelijk voor een cliënt of gezinssysteem een combinatie van ondersteuningsbehoeften in te zetten. De beide ondersteuningsbehoeften worden zowel individueel als in groepsverband geboden. Ondersteuningsbehoefte 1 De cliënt heeft ondersteuning nodig bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden waarbij hij in staat is om de eigen regie over zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen te voeren. Het doel van de ondersteuning is om in de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Ondersteuningsbehoefte 2 De cliënt heeft ondersteuning nodig bij het voeren van de regie over, en uitvoering van zijn dagelijkse handelingen en vaardigheden. Het doel van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het helpen overzien van dagelijkse handelingen en vaardigheden (regie) en het leeftijdsadequaat uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Per ondersteuningsbehoefte worden verschillende niveaus onderscheiden op basis van kenmerken van de cliënt (of gezinssysteem). Het combineren van verschillende niveaus is mogelijk. Let wel, de niveaus beschrijven persoons/gezinskenmerken. Wanneer de inzet van meerdere ondersteuningsbehoeften betrekking hebben op één persoon, is de inzet van verschillende niveaus niet logisch. In het geval van een gezinssysteem met meerdere personen zou deze inzet wel verklaarbaar zijn. Niveau A Voorbeelden van kenmerken van inwoners die hieronder vallen: er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek. de inwoner en/of het cliëntsysteem kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning. de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering. de zorgvrager heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren. de inwoner of het gezinssysteem is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen. Niveau B Voorbeelden van kenmerken van inwoners die hieronder vallen: er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerd werkt bij de uitvoering van ondersteuning. de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot. de inwoner of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf signaleren, maar is/zijn onvoldoende in staat om hierop te reageren. de motivatie van de inwoner/gezinssysteem voor het volgen van de ondersteuning is wisselend. Niveau C Voorbeelden van kenmerken van inwoners die hieronder vallen: er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning. de ondersteuning is niet routinematig. er is geen stabiele (ontwikkel- en/of opvoed-) context. er is hoog risico op escalatie/gevaar. met de inwoner/gezinssysteem is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig. de inwoner of het gezinssysteem kunnen veranderingen zelf in het geheel niet signaleren. er kan verscherpt toezicht nodig zijn. de inwoner of het gezinssysteem is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. 6.6Vormen van ondersteuning Afhankelijk van het te bereiken resultaat kan de ondersteuning individueel, groepsgericht of in een combinatie van beide worden geboden. Als dezelfde resultaten kunnen worden behaald en als de geboden ondersteuning een adequate oplossing is voor de inwoner, is ondersteuning in groepsverband voorliggend op individuele ondersteuning. De ondersteuning in groepsverband is dan de goedkoopst passende oplossing in de zin van de Wmo 2015. Uitgangspunt is dat passende ondersteuning zo licht mogelijk, zo kort mogelijk en zo dichtbij mogelijk wordt ingezet. 6.6.1Individuele ondersteuning Bij individuele ondersteuning gaat het om het ondersteunen bij het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL-verrichtingen) gericht op behoud of verbetering van zelfredzaamheid en/of participatie door de cliënt zelf, zoals overzicht houden, planning of contacten met organisaties. Andere voorbeelden waarbij individuele ondersteuning aangeboden kan worden zijn: post doornemen en archiveren; (sociale) vaardigheden oefenen; ondersteuning in het nemen van beslissingen / maken van keuzes; communicatie met instanties; een weekritme opzetten; het aanleren van routes om van A naar B te komen; ondersteuning in het opbouwen van een sociaal netwerk. 6.6.2Groepsgerichte ondersteuning Voor de ondersteuning in groepen betreft het de groepsgewijze uitvoering van de ondersteuning waarvoor iedere deelnemer in de groep eigen resultaten geformuleerd zijn en de omvang en duur van de ondersteuning bepaald is. De groepsgerichte ondersteuning moet programmatisch/methodisch zijn, gericht op het structureren van de dag en uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Ook kan de groepsgerichte ondersteuning gericht zijn op het aanleren van nieuwe vaardigheden met betrekking tot (psychosociaal) functioneren en bijdragen aan gedragsverandering. Groepsgerichte ondersteuning houdt in een structurele tijdsbesteding met een welomschreven resultaat waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent anders dan arbeid of onderwijs. Voor de groepsgewijze uitvoering van de ondersteuning wordt uitgegaan dat de cliënt per dagdeel minimaal 3 uren deelneemt aan de groepsgerichte ondersteuning. Voorbeelden waarbij groepsgerichte ondersteuning aangeboden kan worden zijn: activering van de inwoner; leren omgaan met dementie; ontlasten van mantelzorger; sociaal netwerk onderhouden / vergroten via dagbesteding; een zinvolle invulling van de dag; het voorkomen van vereenzaming; het overnemen van toezicht en het bieden van ritme en regelmaat; het in stand houden van bestaande vaardigheden. 6.7Omvang en duur van de ondersteuning Het college bepaalt, op basis van onderzoek en in afstemming met de cliënt, welke resultaten behaald moeten worden. Het college bepaalt in welke ondersteuningsbehoefte (of combinatie van meerdere ondersteuningsbehoeften) het te bereiken resultaat past en bepaalt het niveau. Directe tijd Het college bepaalt de totale hoeveelheid directe tijd (omvang) die nodig is om het resultaat te behalen. De directe tijd is de tijd waarin er één op één, oftewel direct contact plaatsvindt tussen de cliënt en de zorgaanbieder. Indirecte tijd en reistijd Indirecte tijd is de tijd waarin er zorg gerelateerde handelingen plaatvinden, die in het belang van de cliënt plaats dienen te vinden. Reistijd is de tijd die nodig is om vanuit het hoofdkantoor van de zorgaanbieder naar het adres van de cliënt te reizen. Let wel: reistijd en indirecte tijd geldt alleen in geval van individuele ondersteuning, dus niet bij groepsgerichte ondersteuning en/of wonen en verblijf. Het is aan de zorgaanbieder om de benodigde indirecte tijd en eventuele reistijd te bepalen. Duur Het college bepaalt de duur van de ondersteuning. Individuele of groepsgerichte ondersteuning kan maximaal voor een periode van 5 jaar worden ingezet. 6.8Module wonen en verblijf Naast de ondersteuningsbehoeften kan de module wonen en verblijf worden ingezet. Onder wonen en verblijf wordt verstaan: een 24 uurs voorziening voor volwassenen (Wmo 2015) en/of kinderen (Jeugdwet) ter vervanging van de eigen thuissituatie. Beschermd wonen voor volwassenen maakt geen onderdeel uit van de module wonen en verblijf. In het Twents model wordt een onderscheid gemaakt tussen de ondersteuning en het verblijf waarbij het verblijf aanvullend kan worden ingezet op de ondersteuning. De dakjes kunnen aanvullend ingezet worden wanneer er naast een ondersteuningsbehoefte ook behoefte is aan wonen en verblijf. De aanbieder die de ondersteuningsbehoefte levert is eindverantwoordelijk voor het behalen van het resultaat. De van toepassing zijnde ondersteuningsbehoefte moet geleverd worden door een gecontracteerde aanbieder voor de ondersteuningsbehoeften indien er sprake is van zorg in natura. De inzet vindt plaats in onderlinge afstemming. De module wonen en verblijf voor de Wmo is inzetbaar: voor cliënten met een licht verstandelijk beperking (lvb) die (tijdelijk) een beschermde woonomgeving nodig hebben (dakje 2) en niet in aanmerking komen voor een indicatie voor beschermd wonen of een Wlz-indicatie ter ontlasting van mantelzorgers in de vorm van kortdurend verblijf (dakje 1), zie hoofdstuk 12.3). De module wonen en verblijf bestaat uit twee vormen: Dakje 1 en Dakje 2. Een dakje bestaat uit de volgende elementen: Accommodatie; Eten en drinken; Hotelmatige aspecten (zoals schoonmaak, keuken, portier, gastvrouw, slaapdienst, bewaking en nachtwacht); Leefklimaat (dagelijks/nachtelijke zorg ter vervanging van de zorg in de eigen natuurlijke omgeving zoals bijvoorbeeld het gezin). Passend leefklimaat Welk leefklimaat passend is, is onder meer afhankelijk van de thuissituatie en de ondersteuningsbehoefte. Het kan zijn dat er geen bijzonderheden zijn en dat enkel de ‘normale’ thuissituatie worden vervangen. Maar het kan ook zijn dat de cliënt in de eigen thuissituatie al een ondersteuningsbehoefte heeft bij: de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden; of de regie bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Dakje 1: tijdelijke vervanging van de thuissituatie zonder bijzonderheden in een professionele 24-uurssetting. Er is sprake van betaalde professionele hulp. Er is iemand aanwezig op de momenten dat de persoon dit nodig heeft en op de momenten dat er wordt gealarmeerd. De mate waarin dit noodzakelijk is, is leeftijd- en persoonsafhankelijk. Kenmerken van de cliënt De cliënt functioneert sociaal redelijk zelfstandig. Voor zijn sociale redzaamheid is beperkte begeleiding nodig. Dit betreft met namen toezicht en stimulatie bij het aangaan van sociale relaties en contacten en deelname aan het maatschappelijk leven. De cliënt heeft ten aanzien van psychosociale/ cognitieve functies af en toe hulp, toezicht en sturing nodig. Bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) functioneert de cliënt leeftijdsadequaat. Er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek of psychiatrische problematiek, of deze problematiek is beheersbaar. In het kader van de verblijfsfunctie wordt uitgegaan dat er gemiddeld één begeleider aanwezig is op zes cliënten. Dakje 2: tijdelijke vervanging van de thuissituatie in een professionele setting waarbij er sprake is van actief toezicht. Vanwege de complexiteit van de problematiek en het feit dat de cliënt niet thuis kan wonen, heeft de cliënt specifieke zorg nodig. Wanneer nodig, is er 24 uur per dag op afroep een behandelaar beschikbaar. De huisvesting is passend bij het gedrag van de cliënt. Dit betekent dat het een veilige omgeving is voor de cliënt en bestand is tegen mogelijk geweld/molest. Er is sprake van betaalde professionele hulp. Er is sprake van 24 uurs actief toezicht. Kenmerken van de cliënt De cliënt vertoont onvoorspelbaar gedrag. Er is een (pedagogisch) gekwalificeerde slaapdienst aanwezig. Er is sprake van gedragsproblematiek. De cliënt heeft hierbij veel sturing, regulering en toezicht nodig. Er is met name sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatief gedrag, ongecontroleerd, ontremd gedrag en reactief gedrag met betrekking tot interactie. Op het gebied van sociale redzaamheid hebben de cliënten vaak hulp en soms overname nodig, zij kunnen taken vaak niet zelf uitvoeren. Het gaat dan met name om het uitvoeren van complexere taken, het regelen van de dagelijkse routine en taken die besluitnemings- en oplossingsvaardigheden vereisen. Ten aanzien het psychosociaal/cognitief functioneren hebben cliënten af en toe tot vaak hulp, toezicht of sturing nodig. Op het gebied van de ADL functioneert de cliënt leeftijdsadequaat. Maar er is wel regelmatig behoefte aan toezicht en stimulatie, met name bij de kleine verzorgingstaken, de persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagel, huid en bij het wassen, eten en drinken. Ten aanzien van mobiliteit is er doorgaans geen sprake van beperkingen. In het kader van de verblijfsfunctie wordt uitgegaan dat er gemiddeld één begeleider aanwezig is op zes cliënten. Binnen dit kader wordt gestreefd naar een zo kleinschalig mogelijke setting. 6.9Module Consultatie Via de module consultatie uit het Twents Model kan externe consultatie worden ingezet. In complexe situaties kan dit nodig zijn. Normaliter is de afstemming tussen de gemeente, de zorgaanbieder en cliënt toereikend en zal het inzetten van deze module niet nodig zijn. Inzet van consultatie dient als hulpmiddel en is bedoeld om incidenteel in te zetten. De module kan voor maximaal 6 weken worden ingezet. Bij het indiceren van de module consultatie wordt geen gebruik gemaakt van het resultatenoverzicht. Over de specifieke bedoeling van het verzoek tot consultatie en de omvang kan voor aanvang afstemming plaatsvinden tussen de gemeente en de zorgaanbieder. Inzet van de module leidt niet automatisch tot inzet van (vervolg)ondersteuning. Consultatie wordt onderverdeeld in vier typen professionals die ingezet kunnen worden: MBO, HBO, WO en WO++. Het betreft veelal een kort contact, waarbij de cliënt niet (per definitie) wordt gezien en waarbij geen schriftelijke rapportage opgeleverd hoeft te worden. Het contact zal veelal mondeling/telefonisch of per mail plaatsvinden. 6.10Vervoer Het college is verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de groepsgerichte ondersteuning en bij de module wonen en verblijf, als de cliënt en zijn omgeving zelf niet in een oplossing kunnen voorzien. Uitgangspunt is dat de ondersteuning zo dicht mogelijk bij de cliënt wordt georganiseerd. Vervoer van en naar de groepsgerichte ondersteuning en de module wonen en verblijf kan als onderdeel van de maatwerkvoorziening worden toegekend. Het vervoer is aanbesteed en de cliënt moet gebruik maken van de gecontracteerde vervoerder wanneer er zorg in natura is ingezet. De maatwerkvoorziening Regiotaxi mag niet worden ingezet voor vervoer van en naar de groepsgerichte ondersteuning. 6.11Verstrekkingsvormen Ondersteuning kan zowel in zorg in natura als in de vorm van een pgb worden verstrekt. De gemeente heeft voor ondersteuning contracten gesloten met verschillende aanbieders. De cliënt kan kiezen bij welke van de gecontracteerde aanbieders hij de ondersteuning wil afnemen. Indien de cliënt dit wenst, kan een pgb worden verstrekt. Er moet echter wel worden voldaan aan de eisen uit artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 (zie hoofdstuk 14). In hoofdstuk 9 van de Verordening is bepaald hoe de hoogte van het pgb voor ondersteuning wordt vastgesteld. Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb wordt onderscheid gemaakt tussen: tarief voor formele ondersteuning tarief voor informele ondersteuning De tarieven zijn vastgesteld in het Financieel Besluit (zie hoofdstuk 4 Financieel besluit). Omzetten van het pgb naar zorg in natura (en andersom) Als in de praktijk blijkt dat een pgb geen gepaste leveringsvorm is voor de cliënt kan de gemeente zorg in natura als alternatief aanbieden. De cliënt kan één keer per jaar wisselen tussen het pgb en een verstrekking in natura (of andersom). Herindicatie en verzoek om pgb Acht weken voor het einde van de indicatie wordt de cliënt hierover geïnformeerd en wordt een evaluatiegesprek ingepland met het oog op verlenging van de indicatie voor ondersteuning (zie hoofdstuk 2.13). Hebben zich in de voorafgaande periode geen onregelmatigheden voorgedaan en heeft het college ook anderszins geen reden om te twijfelen of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden (wet en verordening), dan kan het onredelijk zijn om met de cliënt de intensieve beoordeling van voorwaarden opnieuw te doorlopen. Dit betekent dat het college slechts een lichte toetsing toepast. Wel geldt onverkort dat (opnieuw) een pgb-plan moet worden opgesteld. Bij een verlenging of wijziging in de indicatie en de ondersteuning wordt door dezelfde ondersteuner uitgevoerd hoeft er niet opnieuw een VOG ingediend te worden. De module wonen en verblijf kan niet worden verstrekt in de vorm van een pgb voor informele ondersteuning. De module consultatie kan niet verstrekt worden in een pgb. 7.Rolstoelvoorziening Hoofdstuk 6 van de verordening 7.1Inleiding Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Bij het verstrekken van een rolstoel gaat het om cliënten met geen of onvoldoende loopcapaciteit. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook gebruiken voor lokale verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving. 7.2Voorwaarden Om in aanmerking te komen voor een rolstoelvoorziening gelden de volgende voorwaarden: de persoon ervaart belemmeringen in het zich verplaatsen in en om woning, die niet afdoende opgelost kunnen worden op eigen kracht, met behulp van een algemene gebruikelijke of algemene voorziening of door aanspraak op een andere (wettelijke) regeling (3.4.6); de voorziening is langdurig noodzakelijk. Dit betekent langer dan zes maanden. De tijdelijk uitleenmogelijkheden moeten zijn benut; bij incidenteel gebruik wordt onderzocht wat de daadwerkelijk behoefte is. Afhankelijk van de behoefte wordt een rolstoelvoorziening verstrekt. Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans worden deze rolstoelen gebruikt als men zich naar elders moet verplaatsen (wat zonder rolstoel niet kan), zoals tijdens een uitstapje of ziekenhuisbezoek. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke. 7.3Rolstoelen Er worden de volgende rolstoelvoorzieningen onderscheiden: Handmatig voortbewogen rolstoel; Elektrisch voortbewogen rolstoel; Aanpassingen aan de rolstoel. Programma van eisen Als er een noodzaak bestaat voor een rolstoelvoorziening, dan stelt het college, zo nodig op basis van medisch of ander deskundig advies, een functioneel programma van eisen op. Aan de hand van het functioneel programma van eisen stelt het college vast welke categorie rolstoel passend is. De leverancier onderzoekt vervolgens welke type rolstoel uit deze categorie het meest passend is en levert deze rolstoel. Aanpassingen Aanpassingen zijn noodzakelijke maatwerkvoorzieningen om de rolstoel een adequate voorziening te laten zijn. Rolstoelen zijn in diverse maatvoeringen leverbaar. Toch zijn dan nog vaak individuele aanpassingen nodig. Een deel hiervan kan gerealiseerd worden door standaardcomponenten aan de rolstoel toe te voegen. Een ander deel moet individueel en op maat gemaakt worden. Accesoires Accessoires zijn extra’s die, in tegenstelling tot aanpassingen, in principe niet noodzakelijk zijn om de rolstoel op zich een adequate voorziening te laten zijn. Accessoires worden daarom in principe niet vergoed. Rolstoelaccessoires vallen alleen onder de ondersteuningsplicht van het college voor zover deze noodzakelijk zijn voor dagelijks gebruik van de rolstoel. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld: spaakbeschermers of een zonnescherm wanneer er sprake is van allergie. Rijvaardigheidslessen Voor een elektrische rolstoel is een rijles door de hulpmiddelenleverancier inbegrepen. Indien er meer dan één rijles noodzakelijk blijkt te zijn, wordt contact opgenomen met de consulent om af te stemmen wat de mogelijkheden zijn van het volgen van (extra) rijlessen bij een eerstelijns ergotherapeut. Een ergotherapeut kan ook beoordelen of de cliënt kan leren om gebruik te maken van de (elektrische) rolstoel. 7.4Verstrekkingsvormen Zorg in natura Rolstoelvoorzieningen worden via gecontracteerde leveranciers in bruikleen verstrekt. De kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering zijn inbegrepen bij de verstrekking in natura. Er dient een bruikleenovereenkomst te worden ondertekend door zowel de cliënt als het college. Wanneer de passende oplossing niet binnen de door de gemeente gesloten contracten valt, kan de maatwerkvoorziening bij de gecontracteerde leverancier (of als dit niet mogelijk is in een uitzonderlijke situatie bij een andere niet-gecontracteerde leverancier) worden ingekocht en in natura worden geleverd. Bij voorzieningen waarvoor geen overeenkomst is afgesloten blijkt de goedkoopst adequate oplossing uit een door het college goedgekeurde offerte voor aanschaf en instandhoudingskosten De voorziening wordt in bruikleen verstrekt bij levering door een gecontracteerde leverancier en de voorziening wordt in uitzonderlijke situaties in eigendom verstrekt bij levering door een niet-gecontracteerde leverancier. Pgb De hoogte van het pgb voor de aanschaf en instandhoudingskosten van een rolstoelvoorziening is vastgesteld op basis van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura. De tarieven voor de aanschaf en de instandhoudingskosten zijn vastgesteld in het Financieel besluit (zie hoofdstuk 5.2 Financieel besluit). Wanneer het factuurbedrag lager ligt dan het maximale pgb bedrag, wordt een pgb ter hoogte van de werkelijke kosten van de voorziening uitbetaald. Looptijd pgb De voorziening in de vorm van pgb wordt toegekend voor een periode welke gelijk is aan de technische levensduur conform contractafspraken gecontracteerde leveranciers. De technische levensduur voor rolstoelvoorzieningen is vastgesteld op zeven jaar; met uitzondering van de kinderrolstoelvoorzieningen. Voor deze voorzieningen is de technische levensduur vastgesteld op vijf jaar. Als de voorziening tussentijds niet blijkt te voldoen en er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden, kan er geen beroep worden gedaan op een vervangende voorziening. Vervanging pgb voorziening De melding van een hulpvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschafte rolstoel. Het gaat om situaties waarbij de budgetperiode (technische levensduur) is verstreken. In die gevallen geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om maatwerkvoorzieningen die technisch nog niet zijn afgeschreven. Omzetting pgb in voorziening in natura Een omzetting van het pgb in een voorziening in natura is niet mogelijk nadat het pgb reeds is besteed aan een voorziening. De cliënt moet wachten met het doen van een nieuwe aanvraag, totdat de budgetperiode is verstreken. 8.Sportvoorziening 8.1Inleiding Sportbeoefening is participatie in de zin van de wet als de cliënt daar in redelijke mate aan deelneemt (CRVB:2018:3348). Onder in redelijke mate deelnemen worden in ieder geval situaties verstaan waarin de cliënt al geruime tijd een sport beoefent en dat niet meer zonder maatwerkvoorziening kan doen vanwege het optreden van beperkingen. Gaat het om een cliënt die overweegt om te gaan sporten dan wordt gekeken naar de bijdrage van sporten aan de ‘aanvaardbare mate’ van participatie en of andere oplossingen met hetzelfde doel niet mogelijk zijn. De sportvoorziening kan een sportrolstoel zijn maar ook een andere maatwerkvoorziening. De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. 8.2Verstrekkingsvorm Zorg in natura Sportvoorzieningen (bijvoorbeeld een rolstoelvoorziening of handbike) kunnen via een gecontracteerde leverancier in bruikleen worden verstrekt. De kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering zijn inbegrepen bij de verstrekking in natura. Er dient een bruikleenovereenkomst te worden ondertekend door zowel de cliënt als het college. Het zal niet in alle gevallen zo zijn dat sportvoorzieningen beschikbaar zijn bij een door het college gecontracteerde leverancier. Is dat niet het geval, dan kan de sportvoorziening worden verstrekt door een andere niet-gecontracteerde leverancier en in natura worden geleverd. De voorziening wordt dan in eigendom verstrekt. Pgb De hoogte van het pgb voor de aanschaf en instandhoudingskosten van een sportvoorziening wordt vastgesteld op basis van de goedkoopst compenserende voorziening in natura (contractafspraken) of vastgesteld op het bedrag zoals vermeld in de door het college goedgekeurde offerte. Wanneer het factuurbedrag lager ligt dan het maximale pgb bedrag, wordt een pgb ter hoogte van de werkelijke kosten van de voorziening uitbetaald. Looptijd pgb De voorziening in de vorm van pgb wordt toegekend voor een periode welke gelijk is aan de technische levensduur conform de contractafspraken. Wanneer er geen contractafspraken zijn, wordt de voorziening toegekend voor een periode van vijf jaar. Als de voorziening tussentijds niet blijkt te voldoen en er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden, kan er geen beroep worden gedaan op een vervangende voorziening. Vervanging pgb voorziening De melding van een hulpvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschafte voorziening. Het gaat om situaties waarbij de budgetperiode is verstreken. In die gevallen geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om maatwerkvoorzieningen die technisch nog niet zijn afgeschreven. Omzetting pgb in voorziening in natura Een omzetting van het pgb in een voorziening in natura is niet mogelijk nadat het pgb reeds is besteed aan een voorziening. De cliënt moet wachten met het doen van een nieuwe aanvraag, totdat de budgetperiode is verstreken. 9.Ondersteuning gericht op het wonen Hoofdstuk 6 van de verordening 9.1Inleiding Een inwoner met een beperking en/of psychische en/of psychosociale problemen heeft soms hulp nodig om zo lang en zo zelfstandig mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een woning. Daarbij mag ervan uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Een woning kan zowel een eigen woning zijn als een huurwoning. Om zo lang en zo zelfstandig mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen kan een woonvoorziening worden ingezet. Met zo lang mogelijk in de eigen omgeving kunnen blijven wonen wordt bedoeld dat inwoners zo lang mogelijk zelfstandig moeten kunnen blijven wonen. Nadrukkelijk wordt hiermee niet bedoeld dat dit in de huidige woning moet plaatsvinden. 9.2Hoofdverblijf Een woningaanpassing wordt slechts verstrekt voor de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het hoofdverblijf is de woning, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat dan wel zal staan ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, als de cliënt een briefadres heeft. Uitzonderingen hoofdverblijf Er zijn twee uitzonderingen. De eerste geldt in het geval van co-ouderschap waar het kind geen normaal gebruik kan maken van de woningen van de (co)ouders. Bij co-ouderschap delen de ouders de zorg voor het kind. In die situaties kan voor twee woningen een woningaanpassing en/of een traplift worden verstrekt. In het geval van losse hulpmiddelen wordt beoordeeld of één hulpmiddel voldoende is omdat het hulpmiddelen meegenomen kan worden naar de woning van de betreffende co-ouder. Alleen in geval van co-ouderschap kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden en niet in situaties waarin sprake is van een bezoekregeling tussen ouders. Een tweede uitzondering gaat over het bezoekbaar maken van de woning. Wanneer de cliënt in een Wlz-instelling woont die gevestigd is de in gemeente Losser, kan het college eenmalig één woning, waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van de ouders) bezoekbaar maken als dit noodzakelijk is in het kader van de participatie van de Wlz-cliënt. Bezoekbaar houdt in dat de cliënt toegang heeft tot de woning, en één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet kan bereiken en gebruiken. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken. Het college stelt de maximale tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van de woning vast in het Financieel Besluit (art. 6.5 van de verordening). 9.3Normaal gebruik van de woning Een woonvoorziening is erop gericht om cliënt in staat te stellen tot het normale gebruik van de woning. Onder het normale gebruik van de woning wordt verstaan dat de inwoner gebruik kan maken van elementaire woonfuncties van zijn woning. De elementaire woonfuncties zijn: wonen; lichaamsreiniging, douchen en toiletgang; de veiligheid in en rond de woning en de toegankelijkheid van de woning; het bereiden en consumeren van eten (gebruik maken van de keuken); het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een baby die helemaal van de verzorging van de inwoner afhankelijk is; het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals wassen, strijken en het opbergen van kleding; slapen; het zich verplaatsen in de woning; kinderen moeten zonder gevaar in de woonruimte kunnen spelen. Hobby- of studeerruimte Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Zo zal een voorziening voor het gebruik van de kelder of de zolder in principe geweigerd worden. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals, dialyseruimte en therapeutisch baden. Sociale woningbouw Een voorziening wordt geweigerd als een voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het niveau van de sociale woningbouw. Uitraasruimte De uitraasruimte is bedoeld voor kinderen of volwassenen met gedragsproblemen die zich in de ruimte veilig kunnen terugtrekken om tot zichzelf te komen. De uitraasruimte wordt niet apart genoemd in de Wmo. Wel vallen personen met een chronisch psychisch probleem en personen met een psychosociaal probleem onder de doelgroep van de Wmo. Wanneer een cliënt binnen deze doelgroep valt en de uitraasruimte nodig heeft om de woning normaal te kunnen gebruiken (bijvoorbeeld veilig verblijven of -spelen), dan kan de uitraasruimte een mogelijke voorziening zijn. Gemeenteschappelijke ruimte Omdat de cliënt zijn woning moet kunnen bereiken, kan het college een limitatief aantal maatwerkvoorzieningen verstrekken in de gemeenschappelijke ruimte (art. 6.4 lid 4c van de Verordening). 9.4Primaat van verhuizen Omdat het college het uitgangspunt van de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het primaat van verhuizen worden toegepast. Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een voorziening voor verhuizing en inrichting voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. Om te voorkomen dat bij relatief lage kosten het verhuisprimaat al zou worden toegepast, maakt het college een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woning en het verhuizen. Bij deze afweging wordt het verhuisprimaatbedrag (zie Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning) gehanteerd. Als de kosten boven dit bedrag komen en er geen sprake is van zwaarwegende redenen, worden geen woningaanpassingen toegekend. De cliënt wordt geadviseerd te verhuizen naar een geschikte woonruimte en wordt eventueel – indien nodig- een medische urgentie afgegeven. Ook zal er beoordeeld worden of de cliënt in aanmerking komt voor een onkostenvergoeding om te verhuizen. Het college neemt de volgende kosten in elk geval mee in de overwegingen: huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woning; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning. Op basis van de kostenafweging kan het college besluiten om het primaat niet toe te passen maar de huidige woning aan te passen. Ad a. Het kan voorkomen dat de cliënt weliswaar op een relatief eenvoudige woningaanpassing is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen, voor de hand ligt dat er op korte of middellange termijn nog een woningaanpassing nodig zal zijn. Onder een middellange termijn wordt een periode van 12 maanden verstaan. Hier kunnen hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zal misschien zelfs niet meer geschikt zijn omdat deze niet kan worden aangepast. Het college zal moeten beoordelen of de aangevraagde woningaanpassing wel langdurig als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Ad b. Het kan voorkomen dat in de nieuwe beschikbare, op dat moment meest geschikte, woning ook weer een woningaanpassing moet worden gerealiseerd. Deze eventuele aanpassingskosten weegt het college mee. Afwegingsfactoren primaat van verhuizen Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren