Privacy protocol en werkproces bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit Gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo1.Inleiding De aanpak van ondermijning dient met inachtneming van wet- en regelgeving op het gebied van privacy plaats te vinden. Dit protocol bevat de benodigde waarborgen om dat te realiseren. Zodoende is dit protocol in vier fases ingericht. Dit protocol biedt een betrokkene inzicht in de wijze waarop de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo bij deze aanpak persoonsgegevens verwerken en met welk doel dat gebeurt. Hierbij vormen fasering, transparantie en noodzaak de basisuitgangspunten. Ook geeft het protocol en werkproces de uitvoerende professionals van de BUCH handvatten om op afgewogen en daarmee legitieme wijze te komen tot acties in de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Het werkproces geeft een nadere uitwerking hoe in de praktijk de waarborgen zullen worden ingeregeld door de BUCH. Het gaat om twee soorten waarborgen. In de eerste plaats gaat het om procesmatige waarborgen. Doel van deze waarborgen is onder andere om te voorzien in een proportionele aanpak. In de tweede plaats gaat het om rechtmatigheidswaarborgen. Het gaat dan om de privacy-vragen die de gemeente in ieder geval moet beantwoorden. Van belang daarbij is om steeds aan te knopen bij bestaande gemeentelijke wettelijke taken en bevoegdheden, het zal dan veelal gaan om wettelijke taken en bevoegdheden die zien op openbare orde bevoegdheden en bevordering van de leefbaarheid. Aanleiding Aanleiding voor het ‘Privacy protocol en werkproces Bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit’ is dat de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo een gedegen aanpak van ondermijnende criminaliteit nastreven. Georganiseerde ondermijnende criminaliteit start, wordt ondersteund en in stand gehouden met ondermijnende activiteiten. De negatieve gevolgen hiervan blijken omvangrijker te zijn en dieper in de samenleving geworteld te zijn dan eerder werd gedacht. De Afdeling advisering van de Raad van State wijst in haar voorlichting van 20 maart 2019 over de rol van gemeenten in de bestuurlijke en integrale aanpak van ondermijning op het inzicht dat ondermijnende criminaliteit niet alleen langs strafrechtelijke weg kan worden bestreden. Gemeenten hebben in de aanpak van ondermijning een belangrijke rol. Een optreden als één overheid en één gemeente waarbij alle partijen hun eigen rol en bevoegdheden uitoefenen is noodzakelijk. De sluimerende aanwezigheid van georganiseerde criminaliteit en bijbehorende ondermijnende activiteiten leiden tot aantasting van de leefbaarheid in de wijken en hebben ernstige gevolgen voor de samenleving op het gebied van veiligheid en maatschappelijke integriteit. Door de verwevenheid van onder- en bovenwereld, hetgeen kenmerkend is voor ondermijnende activiteiten, is het ook mogelijk dat de overheid deze onbewust faciliteert middels subsidies, vergunningen, uitkeringen etc. Dit leidt tot aantasting van de integriteit van de overheid. Hierdoor ontstaan malafide economische machtsposities binnen de samenleving die zijn opgebouwd met op ondermijnende wijze vergaard kapitaal. Gemeenten ontvangen soms signalen van ondermijnende activiteiten die niet of niet direct passen binnen een georganiseerd criminaliteitsverband en daardoor niet direct onder de criteria van het RIEC-samenwerkingsverband vallen, maar wel relevant zijn voor de gemeentelijke taakuitvoering. De gemeente is veelal een toegangspoort voor burgers en organisaties om meldingen te doen van onrechtmatige zaken. De gemeente heeft hierdoor een belangrijke signaalfunctie. Via haar organisatiestructuur heeft de gemeente veelal ook goed zicht op de lokale (sociale) structuren. Op basis van haar wettelijke taken en bevoegdheden beschikt de gemeente over informatie waarmee ondermijnende activiteiten in kaart kunnen worden gebracht. De gemeente heeft ook verschillende bestuursrechtelijke instrumenten die haar in staat stellen om, in samenhang met de kennis van de fysieke en sociale omgeving van de wijken, barrières op te werpen tegen ondermijnende activiteiten en deze te voorkomen of te verminderen. Voor een effectieve aanpak van deze ondermijnende activiteiten (en mogelijk georganiseerde criminaliteit) is een geïntegreerde bestuurlijke aanpak binnen de gemeente een noodzakelijk vereiste. De signalen, afkomstig van burgers, professionals en organisaties, dienen als input voor het signaleren en aanpakken van ondermijnende en mogelijk georganiseerde criminaliteit. In dit protocol en ons werkproces wordt voor de definiëring van ondermijnende criminaliteit aangesloten bij de kenmerken die de Afdeling advisering van de Raad van State in haar advies noemt: het gaat om georganiseerde criminaliteit (zij het vooral georganiseerd in flexibele netwerken en niet zozeer in hiërarchieën), waarmee meestal grote hoeveelheden geld worden verdiend, waarbij de criminele activiteiten en de gehanteerde methodes kunnen wisselen. Zij worden bepaald door winstgevendheid en de kans om onopgemerkt te blijven, waarbij de grote winsten worden gebruikt om de bovenwereld te ondermijnen (witwaspraktijken, normvervaging binnen gemeenschappen en wijken, inschakeling van advocaten, accountants en notarissen), en waarbij de ondermijning ook dreigt door te werken naar de overheid (corruptie, aantasting van integriteit). Het doel van deze aanpak is om door middel van binnengemeentelijke samenwerking: ondermijnende activiteiten te signaleren en te analyseren; te voorkomen dat de gemeente ondermijnende activiteiten (onbewust) faciliteert; vroegtijdig te kunnen signaleren en interveniëren middels een bestuurlijke aanpak; onrechtmatigheden en maatschappelijke bedreigingen veroorzaakt door criminele activiteiten te voorkomen, en daarmee bedreigingen voor de leefbaarheid en openbare orde in de gemeente te voorkomen. Het gaat bij deze aanpak om (rechts)personen/netwerken die binnen de gemeente actief zijn in illegale en of onrechtmatige (criminele) activiteiten: waarbij de gemeente mogelijkheden heeft om de rechtmatige situatie te herstellen, bedreigingen voor de leefbaarheid of openbare orde tegen te gaan, of onrust weg te nemen en/of; die de gemeente (onbewust) mogelijk faciliteert. Doel van het protocol Dit protocol bevat de benodigde randvoorwaarden om te realiseren dat de gemeentelijke aanpak van ondermijning in lijn met privacywet- en regelgeving plaatsvindt. Deze waarborgen vallen in twee delen uiteen: Allereerst gaat het om meer procesmatige randvoorwaarden. Hierbij vormen gefaseerdheid (voorkomen van bovenmatig gebruik van gegevens), transparantie (vaststellen van een protocol waarbij zichtbaar en inzichtelijk wordt met welk doel en op welke wijze de gemeente persoonsgegevens verwerkt) en noodzaak (zicht krijgen op waar ondermijning binnen de grenzen van de gemeente aanwezig
- is)de basisuitgangspunten. Hierdoor worden alleen de gegevens gebruikt die ten behoeve van de analyse en het plan van aanpak relevant zijn. Daarnaast gaat het om rechtmatigheidswaarborgen. Toepassing van het protocol moet steeds in lijn met privacy wet- en regelgeving zijn. Zowel de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet AVG (UAVG) als sectorale wetten stellen beperkingen aan het uitwisselen en combineren van persoonsgegevens. Het gaat daarbij veelal om abstracte normen, die in iedere specifieke casus moeten worden geïnterpreteerd en toegepast. Dit protocol biedt handvatten voor de analyse die steeds moet worden gemaakt. Evaluatie Na vaststelling zal in samenwerking met de privacy officer(
- s)van de BUCH periodiek geëvalueerd worden of in de praktijk ook conform het privacy protocol wordt gehandeld en daarnaast beoordelen of het privacy protocol of de bijlagen daarbij aanpassing behoeven, bijvoorbeeld indien wet- en regelgeving wordt aangepast en/of als sprake is van nieuwe verschijningsvormen van ondermijning. Dergelijke veranderingen kunnen immers van invloed zijn op de rechtmatigheid van de verwerkingen van persoonsgegevens en dit kan leiden tot aanpassing van het protocol. Het gehele privacy protocol wordt 12 maanden na vaststelling geëvalueerd. Een belangrijke ontwikkeling in dit kader is de aanschaf van een casemanagementsysteem voor de BUCH waarin het werkproces en de waarborgen uit dit protocol gedigitaliseerd worden. 2.Het privacy protocol Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft, Gelet op het bepaalde in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG); Gelet op het voorlichtingsrapport Raad van State ‘De rol van gemeenten in de bestuurlijke en integrale aanpak van ondermijning’, de datum 20 maart 2019: “Het mag duidelijk zijn dat ook de bestuurlijke aanpak van ondermijning tot de taak van de gemeente behoort. Vaak nestelt georganiseerde criminaliteit zich in lokale gemeenschappen. In de taak van gemeentelijke organen ligt besloten om georganiseerde criminaliteit niet ongemerkt en onbedoeld te faciliteren met subsidies, vergunningen en overheidsopdrachten. Daarnaast bestaat een samenhang met de taak van handhaving van de openbare orde in bredere zin en bevorderen van de leefbaarheid van (kwetsbare) wijken. De strafrechtelijke aanpak van ondermijning is een taak van politie en OM. De bestuurlijke aanpak is een taak van gemeenten, waarbij zowel het college van burgemeester en wethouders als de burgemeester beschikken over bevoegdheden die uiterst effectief kunnen zijn bij het tegengaan van ondermijnende criminaliteit.” Overwegende dat: van de gemeente een gedegen aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit wordt verwacht in het kader van de eigen taakuitvoering (niet faciliteren van criminaliteit), alsmede in het kader van de RIEC-samenwerking, is dit protocol, als zijnde een afgesproken werkproces, ondersteunend in de aanpak van de georganiseerde criminaliteit; voor een effectieve aanpak van ondermijnende activiteiten (en mogelijk georganiseerde criminaliteit) is een integrale en geïntegreerde bestuurlijke aanpak binnen de gemeente een noodzakelijke vereiste; de aanpak van ondermijning dient te gebeuren met inachtneming van wet- en regelgeving aangaande bescherming van de persoonlijke levenssfeer (privacy), conform de AVG en UAVG en van toepassing zijnde sectorale wetgeving waaraan het bestuursorgaan zijn bevoegdheden ontleent; dit protocol en het werkproces voorzien in basisuitgangspunten voor de procesmatige randvoorwaarden om gefaseerdheid (voorkomen van bovenmatig gebruik van gegevens), transparantie (vaststellen van een protocol waarbij zichtbaar en inzichtelijk wordt met welk doel en op welke wijze de gemeente persoonsgegevens verwerkt) en noodzaak (zicht krijgen op waar ondermijning binnen de grenzen van de gemeente aanwezig
- is)te waarborgen; dit protocol en het werkproces voorzien in rechtmatigheidswaarborgen om in lijn met zowel de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet AVG (UAVG) alsmede sectorale wetten persoonsgegevens uit te wisselen en te combineren ten behoeve van een integrale en geïntegreerde bestuurlijke aanpak binnen de gemeente. besluit vast te stellen: Artikel1Begripsbepalingen AVG De Algemene Verordening Gegevensbescherming. Bestand Zoals gedefinieerd in artikel 4 aanhef en onder 6 van de AVG: Elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd of gedecentraliseerd is dan wel op functionele of geografische gronden is verspreid. Betrokkene Degene op wie een persoonsgegeven betrekking heeft. Bijzondere persoonsgegevens Gegevens als iemands ras, godsdienst of gezondheid worden bijzondere persoonsgegevens genoemd. Deze zijn door de wetgever extra beschermd. Het is verboden om bijzondere persoonsgegevens te verwerken, tenzij er een wettelijke uitzondering is. DPIA Staat voor Data Protection Impact Assessment. De Nederlandse vertaling van Data Protection Impact Assessment is gegegevensbeschermingseffectbeoordeling. Dit is een instrument om vooraf de privacy risico’s van een gegevensverwerking in kaart te brengen. En om daarna maatregelen te kunnen nemen om de risico’s te verkleinen. De AVG stelt een DPIA voor sommige organisaties verplicht. Een verwerkingsverantwoordelijke is verplicht een DPIA uit te voeren wanneer de gegevensverwerking waarschijnlijk een hoog privacy risico oplevert. FG Functionaris voor Gegevensbescherming, als bedoeld in de artikelen 37 tot en met 39 van de AVG, en artikel 39 van de UAVG: In artikel 38 AVG wordt bepaald dat de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker ervoor dienen te zorgen dat de functionaris voor gegevensbescherming naar behoren en tijdig wordt betrokken bij alle aangelegenheden die verband houden met de bescherming van persoonsgegevens. De FG is de poortwachter in de organisatie als het op privacy compliance neerkomt. (Ondermijnende) gelegenheidsstructuren Een gelegenheid en/of een opeenstapeling van gelegenheden die zich voordoet in de bestuurlijke, maatschappelijke en zakelijke omgeving die faciliterend werkt voor het plegen van bestuursrechtelijk of strafrechtelijk of civielrechtelijk te sanctioneren gedragingen en waarin personen samenwerken die deze gedragingen faciliteren. Hit Als van een persoon signaal-relevante gegevens in een bronbestand van een gemeentelijk onderdeel voorkomen, is sprake van een ‘hit’: de betrokken persoon/bepaalde info is bekend binnen het betreffende gemeentelijke domein. Object Betreft het gebouw(en)/pand(en)/loka(a)l(en). Ondermijning Ondermijning heeft betrekking op de mate waarin georganiseerde misdaad invloed heeft op de legale en beoogde werking van het samenlevingssysteem (NSOB, 2016). Ondermijning gaat over de effecten van georganiseerde misdaad op de samenleving (P. Tops, 2022). Ondermijnende criminaliteit Misdaadverschijnselen met een maatschappij ondermijnend karakter, die tot stand zijn gekomen in samenwerking tussen personen en worden gepleegd met het oog op het gezamenlijk behalen van financieel of materieel gewin en waarbij de ondermijning ook dreigt door te werken naar de overheid (corruptie, aantasting van integriteit). Ondermijnende criminaliteit is vooral een economisch gedreven maatschappelijk fenomeen waarbij de verwevenheid van de onderwereld met en de ontwrichting van de bovenwereld een belangrijk kenmerk is. Ontvanger Als bedoeld in artikel 4 aanhef en onder 9 van de AVG: Een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan, al dan niet een derde, aan wie/waaraan de persoonsgegevens worden verstrekt. (Overheidsinstanties die mogelijk persoonsgegevens ontvangen in het kader van een bijzonder onderzoek overeenkomstig het Unierecht of het lid-statelijke recht gelden echter niet als ontvangers; de verwerking van die gegevens door die overheidsinstanties strookt met de gegevensbeschermingsregels die op het betreffende verwerkingsdoel van toepassing zijn). Opdrachtformulering bestuurlijke interventies ondermijning Een overzicht van een door een gemeentelijk onderdeel of in gezamenlijkheid van gemeentelijke onderdelen uit te voeren/ in uitvoering zijnde bestuurlijke interventies, waar wettelijke instrumenten op van toepassing zijn om ondermijnende criminaliteit te doen staken/minimaliseren. Persoonsgegevens Als bedoeld in artikel 4 aanhef en onder 1 van de AVG: Alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Privacy protocol RIEC Het Privacy protocol behorende tot en deel uitmakende van het RIEC-convenant. RIEC-convenant Het Convenant ten behoeve van de Bestuurlijke en geïntegreerde aanpak georganiseerde criminaliteit, bestrijding handhavingsknelpunten en bevordering integriteitsbeoordelingen van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum. Ondemijningssignaal Aanwijzing(-
- en)van één of meerdere professionals en/of burgers dat bepaalde handelingen, gedragingen en/of situaties mogelijk verband kunnen houden met (verschijningsvormen van) ondermijnende activiteiten. Met een signaal wordt ook bedoeld: (een cluster van) signalen of een (cluster van) melding(-
- en)die zien op eenzelfde ondermijnende activiteit. Subject Betreft de persoon of personen. UAVG De Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming; Vernietigen Vernietigen van informatie is het blijvend ontoegankelijk maken van die informatie, waardoor deze niet meer vindbaar, beschikbaar, leesbaar, interpreteerbaar en betrouwbaar is; Verwerkingsverantwoordelijke De verwerkingsverantwoordelijke als bedoeld in artikel 4, aanhef en lid 7, AVG: De natuurlijke persoon, rechtspersoon, overheidsinstantie, dienst of ander orgaan die/dat, alleen of tezamen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt. Artikel2Doel aanpak ondermijnende criminaliteit Het doel van deze aanpak is om binnen het grondgebied van de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo door middel van samenwerking ondermijnende criminaliteit te signaleren en analyseren om: Te voorkomen dat de overheid ondermijnende criminaliteit (onbewust) faciliteert; Vroegtijdig kunnen signaleren en interveniëren middels een bestuurlijke aanpak; Te voorkomen van onrechtmatigheden en maatschappelijke bedreigingen veroorzaakt door criminele activiteiten. Het gaat bij deze aanpak om personen/netwerken die binnen gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo actief zijn in illegale en/of onrechtmatige activiteiten waarbij: De overheid mogelijkheden heeft om de rechtmatige situatie te herstellen, te verstoren dan wel onrust weg te nemen en/of; Criminaliteit waarbij de overheid (onbewust) mogelijk faciliteert. Een goede informatiepositie van de gemeente bijdraagt aan de voorfase van de RIEC-samenwerking en is een volgende stap in de bestuurlijke aanpak. Artikel3Doel van het Privacy protocol en werkproces Bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit De bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit dient met inachtneming van wet- en regelgeving op het gebied van bescherming van de persoonlijke levenssfeer (privacy) plaats te vinden. Dit protocol beoogt de benodigde waarborgen daarvoor te bieden en als raamwerk om verantwoording daarover af te leggen. Zodoende is dit protocol gefaseerd ingericht, zodat de gegevensverwerking beperkt wordt tot hetgeen noodzakelijk is voor het doel waarvoor ze worden verwerkt. Dit protocol biedt een betrokkene inzicht in de wijze waarop de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo én de BUCH werkorganisatie die de uitvoering en verwerking namens voornoemde gemeenten verricht bij deze aanpak zijn/haar persoonsgegevens verwerkt en met welk doel dat gebeurt. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan de belangrijkste privacy-beginselen als genoemd in artikel 5 van de AVG. Artikel4Verwerkingsverantwoordelijke Het college van burgemeester en wethouders en/of de burgemeester van de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de bestuurlijke aanpak ondermijnende criminaliteit en de in verband daarmee aan te leggen bestanden. Ieder voor de eigen gemeente. Betrokkenen kunnen zich tot het college richten voor de uitoefenen van hun rechten die voortvloeien uit de AVG. Artikel5Grondslag voor de verwerking De grondslag voor de gegevensverwerking in het kader van de bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit is vooralsnog niet gelegen in een specifieke wettelijke taak in sectorale wetgeving, maar in de bestuurlijke opdracht van het kabinet om tot een versterking van de aanpak van de ondermijnende criminaliteit te komen. De gemeentelijke bestuursorganen hebben bevoegdheden, die mede hierop zien. Onder andere de wettelijke taak van de burgemeester tot handhaving van de openbare orde met als grondslag artikel 172 Gemeentewet en aanverwante wet- en regelgeving, waartoe de bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit mede kan worden geschaard. Voor haar activiteiten maakt de georganiseerde criminaliteit gebruik van lokale infrastructuren en faciliteiten. De bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo biedt een belangrijk instrument om op lokaal niveau in te grijpen, om de veiligheid, leefbaarheid en het behoud van de democratische rechtstaat te waarborgen. Artikel6De verwerkte persoonsgegevens 1.Van de melders worden uitsluitend de in het ondermijningssignaal opgenomen persoonsgegevens, voor zover er persoonsgegevens in het ondermijningssignaal voorkomen, verwerkt ten behoeve van communicatie met de melder. 2.Van de personen over wie wordt gemeld, worden gegevens verwerkt zoals benoemd in bijlage A ‘categorieën van verwerkte gegevens’ behorend bij dit protocol. De verwerking van de gegevens worden uitgevoerd via een geautomatiseerd proces. De gegevens worden in een beschermd bestand verwerkt of bewaard. 3.De in het tweede lid bedoelde persoonsgegevens worden gebruikt voor: afhandeling van het signaal, overeenkomstig artikel 14 van het protocol, of; het (mono- of multidisciplinair) oppakken van het signaal binnen de eigen kaders door de gemeentelijke onderdelen, of; de verdere aanpak van ondermijning onder regie van het team openbare orde en veiligheid, of; het verstrekken van het signaal binnen het RIEC, overeenkomstig artikel 18 van het protocol. Artikel7Categorieën van ontvangers Voor zover noodzakelijk voor de in artikel 2 genoemde doelen, kunnen gegevens (signaal en aanvullingen uit open bronnen (zie bijlage B), worden: verstrekt aan gemeentelijke onderdelen ten behoeve van een plan van aanpak, voor zover deze gegevens voor een welbepaald omschreven doel worden verwerkt, of; verstrekt binnen het RIEC. Artikel8Beheer 1.De teamleider van team openbare orde en veiligheid van de BUCH is beheerder van het proces en de daaraan verbonden verwerkingen van gegevens ter uitvoering van het Privacy protocol en werkproces Bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit. Hij/zij draagt zorg voor het dagelijks beheer van de verwerkingen, waaronder de beveiliging van de persoonsgegevens, de informatieverstrekking aan betrokkene en de afhandeling van de door betrokkene uitgeoefende rechten. 2.Het feitelijk beheer van de verwerking van persoonsgegevens en feitelijke naleving van de informatieplicht wordt opgedragen aan een door de teamleider van team openbare orde en veiligheid van de BUCH daartoe aangewezen functionaris regisseur ondermijning, behorende tot zijn organisatie.1 Deze aanwijzing vindt plaats op basis van de bevoegdhedenregeling van de BUCH. Slechts de functionaris regisseur ondermijning en diens vervanger hebben toegang tot het bestand (conform artikel 6 lid 2). Artikel9Beveiliging van persoonsgegevens De beheerder draagt zorg voor passende technische en organisatorische maatregelen om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking. Hiertoe behoren in ieder geval: vastgesteld beveiligingsbeleid dat ook is geïmplementeerd en fysieke maatregelen voor toegangsbeveiliging inclusief organisatorische controle en logische toegangscontrole (wachtwoord of pincode) en de meldplicht bij datalekken van de gemeenten een DPIA voor dit protocol Artikel10Bewaartermijnen 1.Voor de voor het doel van dit protocol gebruikte gegevens kan niet één geldende bewaartermijn worden bepaald. Per fase in de bestuurlijke aanpak ondermijning wordt – afhankelijk van het soort informatie en het doel waarvoor deze informatie verzameld, bewerkt en gebruikt wordt – bepaald wat de bewaartermijn van de betreffende informatie is alvorens deze informatie vernietigd wordt. De uitwerking hiervan volgt in hiernavolgende artikelen. De Selectielijst gemeenten en intergemeentelijke organen 2020 vormt de grondslag voor deze vernietiging (Archiefbesluit 1995, artikel 8). 2.Indien alle fasen doorlopen zijn, wordt de totale gegevensset opgeslagen in het zaaksysteem, alwaar het geautomatiseerd beheerd wordt. Dat wil zeggen dat de totale gegevensset een bewaartermijn meekrijgt van 5 jaar (identiek aan de bewaartermijn van de Landelijke Selectielijst cat. 12.1 Toezicht) en daarna automatisch wordt vernietigd. 3.Op basis van een nieuw signaal kunnen de bewaarde persoonsgegevens ten behoeve van het nieuwe signaal worden geraadpleegd dan wel verwerkt en is het protocol van toepassing op de nieuwe verwerking. 4.Persoonsgegevens worden vernietigd na afloop van de bewaartermijn (conform de Archiefwet). De vernietiging wordt gedocumenteerd zodat de betreffende gemeente zich hierover kan verantwoorden. De recordmanager van de betreffende gemeente legt daarom schriftelijk vast wanneer, op welke wijze en op welke grond gegevens zijn vernietigd. 5.In het kader van wetenschappelijke, historische of statistische onderzoeksdoeleinden kunnen gegevens (na elke fase van dit protocol), in niet tot individuele personen herleidbare vorm, bewaard blijven (conform de Archiefwet). Artikel11Rechten van betrokkenen Betrokkene kan verzoeken als bedoeld in de artikelen 15, 16, 17, 18 en 21 van de AVG richten tot de colleges van burgemeester en wethouders of de burgemeesters van de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo als verwerkingsverantwoordelijke. De beheerder levert de verwerkte persoonsgegevens, op aangeven van de privacy officers die de inzage en AVG verzoeken behandelen, namens de colleges of de burgemeesters binnen 4 weken na ontvangst ervan aan bij de privacy officers. De termijn van 4 weken kán éénmalig worden verlengd met twee maanden als het een complex of zeer omvangrijk verzoek is. Artikel12Evaluatie en wijziging protocol 1.Eén jaar na vaststelling zal dit protocol geëvalueerd worden, daarna zal het elke drie jaar worden geëvalueerd. Bij deze evaluatie worden de Privacy Officer en Functionaris Gegevensbescherming betrokken. 2.In de driejaarlijkse termijn zal worden aangesloten bij het driejaarlijkse review moment van de DPIA. 3.Indien werkprocessen en/of wet- en regelgeving worden aangepast (naar aanleiding van de evaluatie en/of DPIA review) en/of sprake is van nieuwe verschijningsvormen van ondermijning, kan dit van invloed zijn op de rechtmatigheid van de verwerkingen van persoonsgegevens en dit kan leiden tot (voortijdige) aanpassing van het protocol. Artikel13Intake, registratie en eerste signaalanalyse 1.De verwerking in deze fase is ten behoeve van het: analyseren van signalen van burgers en gemeentelijke ambtenaren van de gemeente van onrechtmatigheden en maatschappelijke bedreigingen die op ondermijnende activiteiten duiden, beoordelen of het signaal betrekking heeft op een gemeentelijke bevoegdheid/verantwoordelijkheid en of het gemeentelijk grondgebied betreft. aan de hand van de in bijlage A en bijlage C van dit protocol onder fase 1 genoemde bronnen vaststellen of een signaal aanleiding geeft tot een verdere aanpak van ondermijning. Indien geen sprake is van ondermijnende activiteit en/of gemeentelijke bevoegdheid/verantwoordelijkheid en/of gemeentelijk grondgebied dan: doorsturen naar een gemeentelijk onderdeel (onderdelen), partner of andere gemeente, om op basis van de eigen wettelijke kaders het signaal op te pakken of het signaal vernietigen bij niet in behandeling nemen van het signaal. 2.Indien sprake is van ondermijnende activiteit (het signaal geeft aanleiding tot verdere aanpak van ondermijning) en het een gemeentelijke bevoegdheid/verantwoordelijkheid betreft en gemeentelijk grondgebied, dan treedt fase 2 in werking. Artikel14Weging signaal en vervolgstap in fase 1 1.De regisseur ondermijning beoordeelt het signaal aan de hand van de in bijlage B genoemde (objectieve) indicatoren. 2.Indien na deze objectieve weging geen sprake is van een vermoeden van ondermijnende of criminele activiteit wordt het signaal: Niet bewaard, indien het signaal persoonsgegevens bevat dan wel voor het bewaren niet langer een gegronde reden is of; Doorgezet naar een gemeentelijk onderdeel (onderdelen) dat verantwoordelijk is voor de verdere behandeling van het signaal. 3.De regisseur ondermijning beoordeelt op basis van de in artikel 14, lid 1, genoemde objectieve bronnen en indicatoren of het signaal een gemeentelijke taak en/of bevoegdheid betreft. 4.Indien na deze weging geen sprake van een gemeentelijke taak en/of bevoegdheid is dan wordt het signaal: Niet bewaard, indien het signaal persoonsgegevens bevat dan wel voor het bewaren niet langer een gegronde reden is, of; Doorgezet naar een andere (niet gemeentelijke) partner die verantwoordelijk is voor de verdere behandeling van het signaal. 5.De regisseur ondermijning beoordeelt op basis van de in artikel 14, lid 1, genoemde objectieve bronnen en indicatoren of het signaal (object/subject) betrekking heeft op het grondgebied van de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum of Heiloo. 6.Indien de uitkomst van deze weging is dat het signaal (object/subject) geen betrekking heeft op het grondgebied van de gemeente wordt het signaal: Niet bewaard, indien het signaal persoonsgegevens bevat dan wel voor het bewaren niet langer een gegronde reden is, of; Doorgezet naar de gemeente op wiens grondgebied het signaal betrekking heeft. 7.Indien na deze wegingen wel sprake is van vermoeden van ondermijnende of criminele activiteit(en), sprake is van een gemeentelijke taak en/of bevoegdheid en het signaal betrekking heeft op het grondgebied van de gemeente Bergen, Uitgeest, Castricum of Heiloo, dan treedt fase 2 in werking. Artikel15Informeren betrokkene in fase 1 1.Indien een signaal, zoals in hierboven genoemd artikel 14, lid 2, sub b, mono- of interdisciplinair door een onderdeel (onderdelen) van de gemeente is afgerond, dan informeert het desbetreffende onderdeel (onderdelen) betrokkene conform wet- en regelgeving die van toepassing is op basis van de bij die taak behorende wet- en regelgeving. 2.Indien een signaal, zoals in hierboven genoemd artikel 14, lid 4, sub b, mono- of multidisciplinair door een andere (niet gemeentelijke) partner wordt opgepakt, dan informeert de desbetreffende partner betrokkene conform wet- en regelgeving die van toepassing is op basis van de bij die taak behorende wet- en regelgeving. 3.Indien een signaal, zoals in hierboven genoemd artikel 14, lid 6, sub b, mono- of interdisciplinair door de gemeente op wiens grondgebied het signaal betrekking heeft wordt opgepakt, dan informeert de desbetreffende gemeente betrokkene conform wet- en regelgeving die van toepassing is op basis van de bij die taak behorende wet- en regelgeving. 4.Indien het signaal, zoals in de hierboven genoemd artikel 14, lid 4, sub c naar het RIEC wordt doorgezet, dan geldt de procedure zoals deze is neergelegd in het Privacy Protocol RIEC. 5.Indien na weging van het ondermijningssignaal, zoals in het hierboven genoemde artikel 14. lid 7, fase 2 in werking treedt, wordt betrokkene niet geïnformeerd. Artikel 16 Weging signaal en vervolgstappen fase 2 1. De regisseur ondermijning weegt het signaal aan de hand van geldende objectieve criteria als benoemd in bijlage B. 2. Indien het signaal onvoldoende zwaar is dan wordt het signaal: Doorgestuurd naar een ander gemeentelijk onderdeel (onderdelen) of het RIEC, of; Niet in behandeling genomen en vernietigd conform artikel 10 van dit protocol. 3. Indien na deze weging sprake is van een signaal met voldoende zwaarte dan treedt fase 3 met de vervolganalyse in werking. Artikel17Informeren betrokkene in fase 2 Indien een signaal, zoals in hierboven genoemd artikel 17, sub 2, sub a, mono- of interdisciplinair door een onderdeel (onderdelen) van de gemeente of door het RIEC is afgerond, dan informeert het desbetreffende onderdeel (onderdelen) of het RIEC of de RIEC partner betrokkene conform wet- en regelgeving die van toepassing is op basis van de bij die taak behorende wet- en regelgeving. Artikel18Privacy checks, weging hits en vervolgstappen fase 3 1.Privacy check 1a: de regisseur ondermijning beoordeelt in overleg met de privacy officer of gemeentelijke bronnen mogen worden geraadpleegd en zo ja, welke. 2.De hit/no hit vraag naar aanleiding van raadpleging van de betrokken gemeentelijke bronnen wordt uitgevoerd. Bij ‘no hit’ wordt geen actie ondernomen, na afloop van de bewaartermijn zullen de persoonsgegevens worden vernietigd; Bij een ‘hit’ volgt privacy check 1b en een weging. 3.Privacy check 1b: de regisseur ondermijning stelt in overleg met de privacy officer vast welke (persoons)gegevens uit de onder lid 1 van dit artikel bepaalde gemeentelijke bronnen relevant zijn voor het signaal. 4.De regisseur ondermijning weegt in overleg met de privacy officer of het signaal in voldoende mate door de hits wordt bevestigd. Bij onvoldoende bevestiging van het signaal: Regie en uitvoering (mono- of interdisciplinaire aanpak) door desbetreffende gemeentelijke onderdeel (onderdelen) op grond van de daarvoor bedoelde wettelijke bevoegdheid/-heden, er is geen sprake van ondermijning. Bij voldoende bevestiging van het signaal: Regie door intern signalenoverleg van de BUCH met betrokken afgevaardigden van de desbetreffende gemeentelijke onderdelen waar sprake is van een relevante hit. Doorgeleiding naar het RIEC, omdat sprake is van een georganiseerd criminaliteitsverband. Artikel19Informeren betrokkene in fase 3 Indien een signaal, zoals in hierboven genoemd artikel 20, lid 4, sub a, mono- of interdisciplinair door een onderdeel(onderdelen) van de gemeente of door het RIEC is afgerond, dan informeert het desbetreffende onderdeel (onderdelen) of het RIEC of de RIEC partner betrokkene conform wet- en regelgeving die van toepassing is op basis van de bij die taak behorende wet- en regelgeving. Artikel20Privacy checks, regie en uitvoering fase 4 1.Privacy check 2a: de regisseur ondermijning voert in overleg met de privacy officer in deze fase een privacy check uit ten aanzien van de vraag of en zo ja, welke (van de in fase 1 t/m 3 verzamelde) gegevens met welke gemeentelijke onderdelen mogen worden gedeeld ten behoeve van het vaststellen van de opdracht bestuurlijke interventies (gebaseerd op de grondslagen in artikel 6.1.(
- c)en 6.1.(
- e)AVG). 2.De in lid 1 bepaalde gemeentelijke onderdelen stellen in het intern signalenoverleg van de werkorganisatie BUCH een opdracht bestuurlijke interventies op, op basis van de informatie zoals bepaald door de regisseur ondermijning en de privacy officer in datzelfde lid. 3.Privacy check 2b: de regisseur ondermijning voert in overleg met de privacy officer in deze fase een tweede privacy check uit ten aanzien van de vraag welke gegevens met welke gemeentelijke onderdelen mogen worden gedeeld ten behoeve van de uitvoering van de opdracht bestuurlijke interventies (doelbinding, artikel 5 AVG). 4.Het intern signalenoverleg van de BUCH wordt voorgezeten door de regisseur ondermijning. De regisseur ondermijning is verantwoordelijk voor de regie op de uitvoering van de bestuurlijke interventies bij de aanpak van ondermijning in Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo. 5.Er volgt na een bestuurlijke interventie altijd een evaluatie van de gepleegde bestuurlijke interventies. Mogelijke rest-informatie dat opgehaald bij de uitvoering van de bestuurlijke interventie kan bij fase 1 (conform dit protocol) worden ingebracht en wordt het protocol opnieuw gevolgd. Hiervoor gelden dezelfde bewaartermijnen. 6.Na afronding wordt het signaal (casus) afgesloten of volgt verdere doorgeleiding naar het RIEC- samenwerkingsverband, volgens het RIEC-werkproces voor integrale casusaanpak. Artikel21Informeren betrokkene in fase 4 1.Aan de persoon of personen op wie de opdracht bestuurlijke interventies als bedoeld in artikel 24, lid 4, betrekking heeft (subject(en)), wordt door de verwerkingsverantwoordelijke de informatie als bedoeld in artikel 14 van de AVG verstrekt. Indien tot interventie wordt besloten, vindt de mededeling/verstrekking plaats tegelijk met de feitelijke uitvoering van de interventie. 2.De verwerkingsverantwoordelijke laat op grond van artikel 23 AVG de informatieverstrekking achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van: de nationale veiligheid; landsverdediging; de openbare veiligheid; de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid; andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of van een lidstaat, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Unie of van een lidstaat, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden, volksgezondheid en sociale zekerheid; de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures; de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen; een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de punten a tot en met e en punt g bedoelde gevallen; de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen; de inning van civielrechtelijke vorderingen. 3.Deze afweging wordt door de regisseur ondermijning gemaakt (nadat deze advies heeft ingewonnen bij de privacy officer) namens de verwerkingsverantwoordelijke gemaakt in het kader van de privacy check zoals omschreven in artikel 23, lid 1. 4.Zodra de belangen als genoemd in het tweede lid informatieverstrekking niet langer in de weg staan, draagt de verwerkingsverantwoordelijke zorg dat de vereiste informatie alsnog (ten spoedigste) aan betrokkene wordt verstrekt. Artikel22Bijlagen De bij dit protocol gevoegde bijlagen maken deel uit van dit protocol. Artikel23Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking de dag na publicatie. Artikel24Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als ‘Privacy protocol en werkproces Bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo’. 3.Het werkproces Het proces van het signaleren tot aanpakken van signalen van ondermijnende activiteiten verloopt met het oog op proportionaliteit en subsidiariteit in vier fases:
(1)ontvangst en intake,
(2)zwaarte signaal,
(3)bronnenonderzoek en
(4)plan van aanpak. Het in dit hoofdstuk nader uitgewerkte werkproces ondersteunt het adequaat uitvoeren van de verschillende stappen om te komen tot legitieme acties. 3.1Schematische weergave 3.2Fase 1: Intake en ontvangst Fase 1 heeft betrekking op het beoordelen van signalen van inwoners en professionals op onrechtmatigheden en maatschappelijke bedreigingen. Een signaal kan op verschillende manieren binnenkomen. Dit kan via het interne meldpunt ondermijning, een telefonische, schriftelijke of digitale melding of een melding van Meld Misdaad Anoniem. Het signaal wordt na binnenkomst door de regisseur ondermijning vastgelegd in het daarvoor bestemde journaal en beoordeelt of er sprake kan zijn van ondermijning. De vastlegging bevat zo min mogelijk persoonsgegevens, maar is wel voldoende herleidbaar naar het signaal. Tevens is er beperkte toegang tot dit signaal: enkel de regisseur ondermijning of diens plaatsvervanger neemt er kennis van. Voor de beoordeling van een signaal is van belang wat het signaal inhoudt. Een signaal wordt bij de intake beoordeeld op grond van een aantal kenmerken en indicatoren, die zijn gebaseerd op onder andere wetenschappelijk onderzoek. Dat is de eerste weging. Aan de hand van de checklist in bijlage B van dit protocol wordt stapsgewijs beoordeeld of er sprake kan zijn van ondermijning. De beoordeling van een signaal vindt plaats binnen het kader van de bestuurlijke aanpak van ‘ondermijnende criminaliteit’. In aanvulling hierop is tenminste sprake van één van de indicatoren ‘situationele en lokale verankering’. Daarna wordt gekeken naar de indicatoren ‘signalering’, die nader uitgewerkt zijn in een lijst met ‘red flags’. Zodra aan de hand van bijlage B – die geen limitatief overzicht bevat en die ook kan worden aangepast al naar gelang de eigen gemeentelijke praktijk en ervaringen – is vastgesteld dat sprake is van een ondermijningssignaal, vindt de tweede weging plaats. De tweede weging valt uiteen in twee delen: weging 2A en weging 2B. Weging 2A betreft de vraag of het binnengekomen signaal betrekking heeft op een taak of bevoegdheid van de gemeente, en niet op een taak of bevoegdheid van een andere instantie (bijvoorbeeld van de politie of kinderbescherming). Het is hierbij dus van belang na te gaan of het signaal in beginsel tot gemeentelijke optreden kan leiden. Een dergelijke gemeentelijke taak is bijvoorbeeld een van de openbare orde bevoegdheden van de burgemeester.2 Zie voor een uitwerking van de verschillende openbare orde-bevoegdheden van de burgemeester het rapport van de Raad van State, ‘De rol van gemeenten in de bestuurlijke en integrale aanpak van ondermijning’, Voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State van 20 maart 2019, hoofdstuk 3. Indien noodzakelijk en evenredig voor de weging van dit signaal wordt de adviseur openbare orde en veiligheid geconsulteerd. Vervolgens zijn er twee opties: Het signaal kan mogelijk aanleiding vormen voor inzet van een gemeentelijke taak of bevoegdheid. In dat geval wordt overgegaan naar weging 2B; Het signaal kan geen aanleiding vormen voor de inzet van een gemeentelijke taak of bevoegdheid. Het signaal wordt niet in behandeling genomen door de gemeente en zo nodig doorverwezen naar de bevoegde instantie3 Onderhavig document heeft geen betrekking op de vraag of en zo ja, in hoeverre gegevens met andere (wel bevoegde) instanties kunnen worden gedeeld.. Weging 2B betreft de vraag of het signaal betrekking heeft op het grondgebied van de gemeente. Het gaat, met andere woorden, om de vraag of het subject of object waar het signaal betrekking op heeft binnen de gemeente woont respectievelijk is gevestigd. De volgende vragen moeten daarbij achtereenvolgend worden beantwoord: Gaat het om een object of een subject? In het geval van een object: is het object binnen de gemeentegrenzen gelegen (dan wel is er anderszins een link met de gemeente)? In het geval van een subject: is het subject woonachtig binnen de gemeentegrenzen (dan wel is er anderszins een link met de gemeente)? Deze vragen worden beantwoord aan de hand van informatie uit basisregistraties zoals het handelsregister van de Kamer van Koophandel, het Kadaster, de Basisregistratie Personen (BRP) en de Basisregistratie adressen en gebouwen (BAG). De regisseur ondermijning heeft toegang tot deze basisregistraties. Vervolgens zijn er twee opties: Het signaal heeft betrekking op het grondgebied van de gemeente. In dat geval gaat het signaal door naar fase 2; Het signaal valt buiten het grondgebied van de gemeente. Het signaal wordt niet in behandeling genomen door de gemeente en zo nodig doorverwezen naar een andere gemeente of instantie.4 Onderhavig document heeft geen betrekking op de vraag of en zo ja, in hoeverre gegevens met een andere gemeente of instantie kan worden gedeeld. Aan het eind van fase 1 is vastgesteld of het signaal: Betrekking heeft op ondermijning (Bijlage B) Mogelijk aanleiding kan vormen voor inzet van een gemeentelijke taak of bevoegdheid Betrekking heeft op een subject of object dat binnen de gemeente woont respectievelijk is gevestigd. 3.3Fase 2: Zwaarte signaal In fase 2 vindt de beoordeling van signalen van inwoners en professionals plaats. Hier vindt dan ook de derde weging plaats. De regisseur ondermijning van de BUCH weegt de zwaarte van het signaal en beoordeelt waar het signaal het beste kan worden afgehandeld. Bij de beoordeling van ondermijningsignalen wordt onder andere gekeken naar criteria als inhoud (is het relevant), actualiteit (is het recent?) en volledigheid (wordt er voldoende informatie doorgegeven?). Na de derde weging volgt een beslismoment voor de regisseur ondermijning: Er gebeurt niets met het signaal door onvoldoende informatie of indicatoren (waarbij het signaal gedurende een jaar bewaard wordt en daarna vernietigd wordt); Een signaal wordt naar een gemeentelijk onderdeel (onderdelen) gestuurd die de regie vervolgens voert; Een signaal wordt middels een intake naar het RIEC gestuurd dat de regie vervolgens voert; Er volgt een vervolganalyse, waardoor fase 3 in gaat. Aan het eind van fase 2 is vastgesteld of het signaal zwaar genoeg is om daar een nadere analyse op te verrichten. Alleen in dat geval komt fase 3 in beeld. 3.4Fase 3 Bronnenonderzoek Privacy check 1 & hit/no hit In fase 3 van het protocol bepalen de regisseur ondermijning, na advies te hebben ontvangen van de privacy officer, in het kader van privacy check 1 (zie bijlage C) of en zo ja welke gemeentelijke bronnen naar aanleiding van het concrete signaal kunnen worden geraadpleegd, en, na raadpleging van de betrokken gemeentelijke bronnen door middel van een hit/no hit-vraag, welke gegevens relevant zijn voor het signaal. Hiervoor kan, waar nodig, ondersteuning of advies gevraagd worden aan de privacy officer5 Of een andere daartoe aangewezen deskundig persoon. Hierna wordt het begrip privacy officer gebruikt. Raadpleging of afstemming met de privacy officer of een ander daartoe aangewezen deskundig persoon kan in elke fase plaatsvinden.. Soms zal aan de hand van de signalen kunnen worden geconstateerd dat verdere inhoudelijke informatie niet nodig is, bijvoorbeeld als uit de signalen blijkt dat het om (
- te)oude informatie gaat. In dat geval zal geen inhoudelijke informatie worden opgevraagd. Onderdeel van de hit/no hit-vraag is de beoordeling of het om voor het signaal relevante informatie gaat: Hit: als van een persoon bepaalde, voor het signaal relevante, gegevens in een bronbestand van een gemeentelijk onderdeel voorkomen, is sprake van een hit: de betrokken persoon/bepaalde informatie is bekend binnen het betreffende gemeentelijke domein. Vervolgens vindt de vierde weging plaats. No hit: dan wordt verder geen actie ondernomen, het signaal wordt niet in behandeling genomen. Bij een hit volgt de vierde weging, waarbij de uitkomsten van de hit(
- s)worden gewogen. Concreet gaat het om de vraag of de hit(
- s)een signaal in voldoende mate bevestigen om door te gaan met het onderzoek naar het signaal. De analyse leidt tot de volgende situaties: Een mono- of interdisciplinaire aanpak door één gemeentelijk onderdeel of meerdere samenwerkende gemeentelijke onderdelen: er hoeft geen ondermijnende activiteit te zijn, de regie en uitvoering liggen bij desbetreffend gemeentelijk onderdeel/onderdelen op grond van de daarvoor bedoelde wettelijke bevoegdheid/-heden. Een intern signalenoverleg met de betrokken afgevaardigden van de desbetreffende gemeentelijke onderdelen waar sprake is van een relevante hit, een vermoeden van ondermijning en waarbij de regie bij het team openbare orde en veiligheid ligt. Dit is dan op grond van het gegeven dat het signaal en de informatie uit de fases 1,2 en 3 op ondermijning duiden. Het vormt de start van fase 4. Doorgeleiding naar het RIEC-samenwerkingsverband, omdat er sprake is van georganiseerde criminaliteitsverband waarvoor de partners in het RIEC benodigd zijn. Aan het einde van fase 3 is door de regisseur ondermijning in het kader van privacy check 1 vastgesteld welke gemeentelijke bronnen naar aanleiding van het concrete signaal kunnen worden geraadpleegd. Na raadpleging van de betrokken gemeentelijke bronnen door middel van een hit/no hit-vraag, wordt vastgesteld welke gegevens relevant zijn voor het signaal. Op basis daarvan wordt beoordeeld of het signaal (verder) in behandeling wordt genomen en zo ja of sprake is van situatie a, b of c zoals hierboven beschreven. Alleen in geval van situatie b treedt fase 4 in werking. 3.5Fase 4: Plan van aanpak Fase 4 van het protocol gaat over het ontwikkelen van een plan van aanpak en het voeren van regie op het plan en het afsluiten van de casus. Privacy check 2A en intern signalenoverleg Voorafgaand aan het intern signalenoverleg voert de regisseur ondermijning privacy check 2A uit (zie bijlage C): er wordt vastgesteld of en zo ja, welke van de in de fases 1 tot en met 3 verzamelde gegevens mogen worden gedeeld met het/de relevante, bij het signaal betrokken, gemeentelijke onderdeel/onderdelen ten behoeve van de verdere aanpak. De regisseur kan daarbij ook beoordelen of eventuele onderliggende gegevens uit een concreet dossier voor de verdere aanpak van de casus binnengemeentelijke mogen worden gedeeld en zo ja, met welk gemeentelijk onderdeel/welke gemeentelijke onderdelen. Als de (gezamenlijke of volgordelijke) aanpak op basis van het interne signalenoverleg is bepaald en duidelijk is welke concrete aanpak en bevoegdheden de gemeente wil inzetten, welke binnengemeentelijke gegevensuitwisseling daarvoor nodig is en wie de regie op de uitvoering krijgt wordt dit vervat in een voorstel bestuurlijke aanpak en interventies. De voorgestelde aanpak wordt afgestemd met de portefeuillehouder(s).6 Afhankelijk van de inhoud is de portefeuillehouder de burgemeester en/of een wethouder. Vervolgens starten privacy check 2B en het uitvoeringsoverleg. Het intern signalenoverleg monitort de voortgang van de uitvoering van de opdracht en de evaluatie hiervan. Privacy check 2B en uitvoeringsoverleg De regisseur ondermijning voert in overleg met de privacy officer in deze fase privacy check 2B uit ten aanzien van de vraag welke gegevens met welke gemeentelijke onderdelen mogen worden gedeeld ten behoeve van de uitvoering van de opdracht bestuurlijke interventies. Hierbij worden de stappen uit privacy check 2A herhaald. Het uitvoeringsoverleg van de BUCH geeft vervolgens uitvoering aan de opdracht voor de bestuurlijke aanpak en interventies. Mogelijke rest-informatie die het uitvoeringsoverleg van de BUCH ophaalt bij het uitvoeren van de opdracht zal bij fase 1, conform dit protocol, worden ingebracht. Aan het einde van fase 4 is door de regisseur ondermijning en de privacy officer in het kader van privacy check 2 vastgesteld: Welke in de fases 1 tot en met 3 verzamelde gegevens met de relevante, bij het signaal betrokken, gemeentelijke onderdelen mogen worden gedeeld ten behoeve van de vaststelling van de verdere aanpak (privacy check 2A); Welke binnengemeentelijke gegevensuitwisseling nodig is voor het verwezenlijken van die aanpak en of dat toelaatbaar is (privacy check 2B). 4.Bijlagen Bijlage A Categorieën van verwerkte gegevens Bijlage B Beoordelingskader signaalanalyse Bijlage C Uitwerking privacy checks Bijlage D Analyse ruimte binnengemeentelijke gegevensuitwisseling BijlageA Categorieën van verwerkte gegevens Van de subjecten over wie wordt gemeld, kunnen onderstaande gegevens, afhankelijk van de inhoud van de melding/signaal worden verwerkt. In fase 1 (ontvangst en intake) van het privacy protocol zijn dit de volgende gegevens: de melding en de daarin opgenomen persoonsgegevens met controle van deze gegevens ter verificatie op juistheid. of er sprake is van ondermijning: eventuele aanwijzingen voor ondermijning uit het signaal, het eventuele vervolg dat aan het signaal wordt gegeven open informatie uit het Handelsregister (de Kamer van Koophandel) open informatie uit de Basisregistratie Kadaster (geen gesloten informatie zoals akten) informatie uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen bestemmingsplannen open informatie over erfpacht open informatie m.b.t. basisregistratie Waarde Onroerende Zaken. In fase 2 (weging zwaarte signaal) kunnen in aanvulling op gegevens uit fase 1 onderstaande gegevens worden verwerkt, afhankelijk van de melding en/of relevante casusinformatie: informatie afkomstig uit (aanvullende) open bronnen/ internet.7 Hierbij wordt aansluiting gezocht bij het Protocol internetonderzoek door gemeenten. Zie https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/besluit-internetonderzoek-door-gemeenten. In fase 3 (bronnenonderzoek) van het privacy protocol kunnen in aanvulling op gegevens uit fase 1 en 2 onderstaande gegevens worden verwerkt, afhankelijk van de melding en of relevante casusinformatie: informatie uit systemen over horecavergunningen en intrekkingsbesluiten over horecavergunningen (gesloten bron) informatie uit systemen over uitkeringen, subsidies (gesloten bron) informatie uit systemen over andersoortige beschikkingen (bv. parkeervergunningen, omgevingsvergunningen, Alcoholwet - vergunningen) (gesloten bron) kadasterinformatie m.b.t. akten e.d. (gesloten bron) informatie uit systemen t.b.v. registraties over de inzet van boa’s in domein I openbare ruimte (gesloten bron) informatie uit de BRP, zoals familierelaties, voormalige adressen, bewoning van adressen e.d. (gesloten bron) BijlageB Beoordelingskader signaalanalyse Aan de hand van onderstaande checklist wordt stapsgewijs beoordeeld of er sprake kan zijn van ondermijning. De checklist is afhankelijk van maatschappelijke ontwikkelingen en kan derhalve niet als limitatief worden beschouwd. Aan de hand van onderstaande checklist wordt stapsgewijs beoordeeld of het signaal betrekking heeft op ondermijning. De checklist is afhankelijk van maatschappelijke ontwikkelingen en kan reeds daarom niet als limitatief worden beschouwd. De ontvangst van een signaal door de regisseur ondermijning vormt het startpunt voor het protocol. Er wordt tot uitgangspunt genomen dat het delen van signalen met de regisseur ondermijning op rechtmatige wijze geschiedt. Vanzelfsprekend zal een verstrekker van een signaal wel steeds moeten vaststellen of die verstrekking in lijn is met de privacyregelgeving. Weging 1 Kwalificatie signaal ondermijning: Het signaal heeft betrekking op een dan wel meer van de volgende categorieën personen. Openbare inrichtingen pandeigenaar verhuurder huurder/pachter exploitant beheerder/Leidinggevende tussenpersoon geldschieters Georganiseerde hennepteelt/drugs(-handel) huis/pandeigenaar verhuurder huurder tussenpersoon (verhuurmakelaar, evt. andere vormen?) Mensenhandel, -smokkel en uitbuiting (o.a. illegale prostitutie) huis/pandeigenaar verhuurder huurder eigenaar (illegale) seksinrichting eigenaar (illegale) massagesalon exploitant van een vergunde seksinrichting beheerder van een vergunde seksinrichting illegaal werkende prostituee (dwz zonder vergunning) Fraude in de vastgoedsector huis/pandeigenaar verhuurder huurder tussenpersoon (verhuurmakelaar, andere vormen?) stichting, vereniging of andere ondernemingsvorm (of bestuurders hiervan) Misbruik in de vastgoedsector huis/pandeigenaar verhuurder huurder tussenpersoon (verhuurmakelaar, andere vormen?) stichtingvereniging of andere ondernemingsvorm (of bestuurders hiervan) Fraude en/of witwassen en daaraan gerelateerde vormen of andere vormenvan financieel-economische criminaliteit (o.a. ook illegaal gokken/heling/underground banking) ontvanger/begunstigde uitkering vanuit de gemeente ontvanger/begunstigde subsidie vanuit de gemeente andersoortige begunstigende beschikking vanuit de gemeente een tussenpersoon/gemachtigde met betrekking tot zorg pandeigenaar Overig overige faciliteerders die ondermijnende of criminele activiteiten mogelijk maken en/of (on)bewust in stand houden; en/of personen die een rol spelen bij een regionaal thema of een handhavingsknelpunt. Weging 2A Gemeentelijke taak of bevoegdheid en 2B Grondgebied gemeente: Het signaal kan een van onderstaande kenmerken omvatten: Kader/begripsbepaling ‘ondermijnende criminaliteit’ Aantasting van instituten die zich richten op legale perspectieven en de werking van het samenlevingssysteem borgen en sturen Aantasting van de gezagspositie van bestuur, politie en/of andere overheidsorganen Aantasting of latente c.q. mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid Ontwrichting of latente c.q. mogelijke ontwrichting van de maatschappelijke, politieke en/of economische structuren Onrechtmatigheden, maatschappelijke bedreigingen en/of georganiseerde criminaliteit In aanvulling is tenminste sprake van één van onderstaande locatie-, persoons- en/of bedrijfsgebonden indicatoren binnen het grondgebied van de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo. Indicator ‘situationele en lokale verankering’ Gelegenheidsstructuren (of criminaliteit bevorderende condities) in de bestuurlijke omgeving (wet en regelgeving; toezicht en handhaving) Gelegenheidsstructuren (of criminaliteit bevorderende condities) in de (sociaal-)maatschappelijke omgeving (fysieke omgevingskenmerken, maatschappelijke ontwikkelingen, sociale relaties of netwerken, informele controle) Gelegenheidsstructuren (of criminaliteit bevorderende condities) in de zakelijke/economische omgeving (beroepen, branches, marktpartijen). Processen, procedures, instructies en/of structuren binnen (een) (publieke) organisatie(
- s)die het mogelijk maakt (on-)bewust te faciliteren Bij de gelegenheidsstructuren is een locatie (zoals een pand of bedrijf/onderneming), een persoon, een groep, een familie en/of netwerk (meerdere personen die samenwerken) betrokken Weging 3 Zwaarte signaal: En kan tenminste sprake van één van onderstaande indicatoren, hetgeen nader uitgewerkt is in de bijbehorende lijst met ‘red flags’. Indicator ‘signalering’ Incongruenties (omstandigheden en gedragingen); feit dat indicaties niet goed bij elkaar passen, niet goed overeenstemmen in aard, omvang en intensiteit Malafide en/of criminele activiteiten, hinder en/of overlast Veelal systematisch en structureel gepleegd Latent aanwezig Complex in samenhang Lijst met ‘red flags” Algemeen Salaris uitbetalen per week en/of per kas. Financiële man/financieel ‘directeur’ kan factuur niet plaatsen en moet navraag doen/fiat vragen bij de baas. Sterke waardestijging van moeilijk waardeerbare aandelen. Grootaandeelhouder heeft geen weet van wat überhaupt in de onderneming gaande is. De officiële eigendomsverhoudingen in rechtspersoon zijn niet in verhouding met de daadwerkelijke gezagsverhoudingen. Huurders/gebruikers/kopers die ook op een andere wijze een functie bij koper of verkoper van een onroerende zaak vervullen Onmogelijkheid om gezien inkomen en/of vermogen onroerende zaken te kopen en/of financiering te krijgen. Waarde van afzonderlijke appartementsrechten na splitsing (in het bijzonder indien een deel in de privé- en een deel de zakelijke sfeer terecht komen. Leningen met aflossingen/geldstromen vanuit het buitenland. Plotselinge stijgingen in vermogensopstellingen box 3 inkomstenbelasting. Niet gebruikelijke juridische vastgoedconstructies, mede in combinatie met verzoek om vrijstelling ex art. 15 lid 1 letter h WBR. Vastgoedondernemingen die volgens het handelsregister geen werkzame personen hebben. Aangifte door huurder van bedreiging/intimidatie omdat hij het idee heeft dat de verhuurder hem uit de woning wil hebben. (Een dergelijke aangifte kan duiden op een criminele verhuurder.) Meerdere provisies naar verschillende personen. Personen die voor elkaar betalen. Onlogische geldstromen en/of facturen. Vaste ‘functionele’ relatie tussen bankmedewerker en specifieke personen van overige zakelijke dienstverleners. Onvoldoende waarborgen binnen de financiële onderneming voor de bescherming van de integriteit van medewerkers door functiescheiding. Exclusieve relatie tussen medewerker van hypotheekbank, notaris en belastingadviseur. Geconstateerd is dat grote bedragen niet opvallen en vertrouwen wekken. Juist bij grote bedragen dient de financiële onderneming echter alert te zijn omdat daarin schijn en wezen kunnen verschillen Het gebruik van waardeverklaringen in plaats van officiële taxatierapporten. Afwijkend tarief voor (ogenschijnlijke) standaardopdracht. Waardebepaling van panden met krakers en panden met mogelijke bestemmingswijziging. Het gebruik van oude beschikbare bronnen (bijvoorbeeld oud kadastraal uittreksel of bewijs van eigendom). Meerdere sterk wisselende taxaties voor eenzelfde vastgoed in een relatief korte periode. Exclusieve relatie (volume- en/of prijsafspraken) tussen de makelaar/taxateur en de intermediair/financiële onderneming voor taxaties ten behoeve van de financiering. Eigen belang bij de uitkomst van de taxatie of de hoogte van het taxatiebedrag. Retourprovisie of commerciële afspraken met intermediairs en financiële onderneming. Ontbreken van vaste onderdelen in het onderzoek ten behoeve van de waardebepaling door de makelaar/taxateur (informatie over vergelijkbare panden, WOZ-waarden, gebruik van het puntensysteem voor het vaststellen van de waarde of de hoogte van de huren, sloop-/handhavenafweging). Ontbreken standaarddossieropbouw met onderliggende documentatie en uitzonderingsrapportages Onvoldoende waarborgen bij de makelaar/taxateur voor de bescherming van de integriteit van medewerkers door functiescheiding (afhankelijk van omvang kantoor; bijvoorbeeld scheiding tussen de intake en de uitvoering van opdrachten en review van uit te brengen taxatierapporten en waardeverklaringen). Exclusieve relatie tussen notaris, belastingadviseur en medewerker van hypotheekbank. Aparte belastingadviseur voor offshore structuur. Hoge vergoeding voor belastingadviseur (vast maandbedrag en uurtarief). De koper verricht betalingen aan de (fiscaal) adviseur van de verkoper. Exclusieve relatie tussen belastingadviseur, notaris en medewerker van hypotheekbank. Bedrijfskosten van de onderneming zijn zeer laag. Een combinatie van een beperkt inkomen en een grote investering in vastgoed. Personen die bij volmacht handelen (dit kan wijzen op het buiten beeld houden van de ‘ultimate beneficial owner’). Doorverwijzen van Nederlandse cliënten door trustkantoren naar buitenlandse banken, waar men coderekeningen kan aanhouden. Trustkantoor geeft opdracht terug en/of beëindigt de relatie. Aanpassen jaarstukken door accountant t.b.v. het verkrijgen van hypothecaire lening. Investeerder is een wereldburger die nergens of ieder geval niet in Nederland belastingplichtig is. Een combinatie van een beperkt inkomen en een grote investering in vastgoed. Grote afhankelijkheid overige zakelijke dienstverlener van één klant. Iemand met een minderheidsbelang heeft feitelijke leiding over de onderneming, terwijl de overige partijen met een belang opvallend passief zijn en blijven. Makelaar/verhuurmakelaar/tussenpersoon die bij meerdere panden betrokken is geweest waar overtredingen zijn geconstateerd Loverboys: minderjarigen (< 18 jaar) Spijbelen Haalt (‘ineens’) slechte cijfers Lijkt ineens veel geld te hebben (dure kleding, telefoon etc.) Keert zich af van ouders/vrienden Grensoverschrijdend gedrag Komt alleen nog thuis om te slapen Heeft onverklaarbare schulden Loopt regelmatig weg, is veel weekenden en nachten weg Financiering T.a.v. partijen Gebruik vennootschappen in een land waar niet wordt geregistreerd wie de aandeelhouder is. Combinatie van een offshore vennootschap en een geldstroom die uit een land met een bankgeheim komt. Complexe vennootschappelijke constructies. T.a.v. kredietdossiers Onvoldoende CDD (Customer Due Diligence). Onvolledig kredietdossier en (
- te)oude stukken (bijvoorbeeld niet aantreffen van originele door de makelaar/taxateur gewaarmerkte taxatierapporten). Financiële onderneming gaat akkoord met passeren akte, terwijl het dossier nog incompleet is. Kredietdossier is in één keer compleet/spoed. Kredietbeoordelaar controleert niet de door kredietaanvrager opgegeven vermogensbestanddelen, inkomen en/of winst. Bij financiering wordt verkoopwaarde van een pand meegenomen, terwijl persoon pand niet op naam heeft staan. ABC-constructie (specifiek igv financiële problemengeldlener: risico dat A voor te lage waarde uit boedel wordt getild, B-C transactie wel tegen normale waarde) Hypotheken worden verstrekt aan personen met (financiële) antecedenten (bijvoorbeeld persoon staat opgenomen in BKR als wanbetaler van geldleningen). Meerdere malen BKR getoetst in korte tijd. BKR-registratie recent beëindigd (check BKR-historie) Op de loonstrook die wordt overgelegd aan de hypotheekverstrekker staat aangegeven dat het salaris per kas wordt uitbetaald. Vormfouten in aangeleverde documenten, zoals loonstrook, werkgeversverklaringen, taxatierapporten en depotnota’s. Recente datum indiensttreding. Afwijkende adressen op verschillende documenten. Aanvragers hebben meerdere onderpanden. Gefingeerd samenwonen (personen ‘bij elkaar geplakt’). Taxatierapporten zijn niet in fysieke originele vorm opgenomen in het kredietdossier. Het aantreffen van meerdere – kort na elkaar – vervaardigde/gedateerde taxatierapporten (kan wijzen op een situationeel gebruik hiervan). Aanvraag financiering voor verbouwing terwijl verbouwing al (nagenoeg) gereed is. Makelaar/taxateur/notaris/bouwkundig deskundige betrokken bij transactie die niet afkomstig is uit ‘de streek’. T.a.v. de taxatie Huren die gezien de locatie/pand opvallend hoog zijn (hiermee kan een te hoge taxatie worden bewerkstelligd en kan worden witgewassen). Aanwezigheid van risicovolle ondernemingen en/of bedrijfsomschrijvingen volgens gegevens van de KvK op het adres van het te financieren vastgoed. Taxaties voor financieringsaanvraag die de waarde na verbouwing vermelden, zonder dat de financiële onderneming een goede controle laat plaatsvinden op de relatie waardevermeerdering vs. verbouwing en op de nota’s. Exclusieve relatie tussen de financiële onderneming en de makelaar/taxateur die taxaties verricht ten behoeve van de financiering. Opdrachtgever taxatie is (onbekende) derde. Het als financiële onderneming slechts gebruik maken van één vaste makelaar/taxateur voor taxaties, zonder dat er een controle plaatsvindt indien de gevraagde kredietfaciliteit onder een bepaald bedrag blijft. T.a.v. verstrekking hypotheek en bouwdepot De bewuste bankmedewerker (accountmanager) is de medewerker met hoogste provisie. Het verstrekte bedrag van de hypotheek staat niet in verhouding tot de (legale) inkomsten (salaris, huur of uit onderneming)/verhouding leeftijd vs. inkomen vs. Beroep Meerdere hypotheken gevestigd op één pand in combinatie met herhaaldelijk oversluiten. Hypotheken worden in korte tijd meerdere keren substantieel verhoogd. Onttrekkingen aan bouwdepots zonder facturen. (Ver)bouw nota’s worden onwaarschijnlijk snel achter elkaar ter uitbetaling ingezonden. Offertes ingediend als factuur. Werkzaamheden op factuur zijn niet gespecificeerd (indicator valse factuur)/hoogte van het uit te betalen bedrag staat in geen verhouding tot de uitgevoerde werkzaamheden/geleverde goederen. Op factuur wordt niet verwezen naar de termijn van de aannemingsovereenkomst (indicator valse factuur). Het onttrekken van gelden inclusief omzetbelasting aan bouwdepots van zakelijke entiteiten. Nationale Hypotheek Garantie (NHG) meerdere keren verstrekt t.b.v. dezelfde partij. Adres volgens Basisregistratie Personen (BRP) wijkt af van adres volgens NHG. T.a.v. transport hypotheekakte Discrepantie aan begin of eind van transactie tussen degene die het geld fourneert en degene die eigenaar wordt. Op het moment van transport wordt de hypotheek doorgehaald. Het lijkt alsof (een deel van) de verkoopopbrengst voor verrekening wordt gebruikt. Dit is echter niet het geval. Op de afrekening van de notaris staat ("aflossing hoofdsom X: nihil"). Waarborg wordt niet ingeroepen dan wel niet opgeëist (wijst op gelieerde partijen). T.a.v. gebruik rekeningen Omschrijving 'one of our clients' op bankafschriften. Contante stortingen middels sealbags op rekeningen waarvoor geen dergelijke overeenkomst is afgesloten met de bank. Sealbagstortingen op derdengeldenrekeningen (of andere rekeningen) van advocatenkantoren of notariskantoren (verschoningsgerechtigden). Kosten voor contante geldtransporten in opdracht van de bank die worden doorbelast aan de cliënt. Grote aflossing hypotheek zonder dat dat onderbouwd kan worden door verkoop vorige woning of andere bronnen. Ontvangen aflossingen vanaf derdengeldenrekeningen van advocaten, terwijl geen sprake is van een boedelscheiding of een faillissement. Taxaties voor financieringsaanvraag die de waarde na verbouwing vermelden. T.a.v. financierende partijen Financierende partij is een buitenlandse niet-financiële instelling. Financierende partij is een (constructie met) offshore vennootschap(pen) en/of komt uit land met een bankgeheim en/of kort na het ontstaan van een dergelijke constructie wordt vastgoed aangeschaft. Financierende partij is een vennootschap waarvan de aandelen aan toonder zijn Financiering door verkoper. De waarborgsom wordt bijeengebracht door anderen dan de juridische eigenaar of diens hypotheeknemer. Financierende partij is een niet-zakelijke partij. Financierende partij is onbekend. Financierende partij is een vennootschap waarvan de aandelen aan toonder zijn. T.a.v. financiering zelf Hypotheek is niet beschikbaar op datum van levering. Financiering, waarbij geen hypotheek wordt gesteld. Grote aankoop vindt plaats zonder financiering. Koper blijft bedrag schuldig aan verkoper. Financiering door verkoper, waarbij ten gunste van verkoper een hypotheek wordt gevestigd. Financiering vindt plaats door verkoper tegen een hoge rente. Niet betaalde interest, waar geen (juridisch) gevolg aan wordt gegeven (Dit kan duiden op een feitelijke macht en/of eigendomsverhouding die niet strookt met de geregistreerde juridische overeenkomsten). Herfinanciering gaat niet naar de verkoper, de verkoper wordt uit andere bron betaald. Financiering, waarbij geen hypotheek wordt gesteld. T.a.v. geldstroom Geldstroom komt van een niet-financiële instelling in het buitenland. Geldstroom komt vanuit (constructie met) offshore structuur en/of komt uit een land met een bankgeheim. Geldstroom komt van een vennootschap waarvan de aandelen aan toonder zijn. Geldstroom is afkomstig van buitenlandse coderekening. Uitbetaling aan derde partij die niet betrokken is bij de akte. Aflossing niet aan degene die oorspronkelijk heeft gefinancierd. T.a.v. ongebruikelijke geldstroom Geldstroom komt van een niet zakelijke partij. Geldstroom komt van een vennootschap waarvan de aandelen aan toonder zijn. Geldstroom afkomstig van de derdengeldenrekeningen van verschoningsgerechtigden in Nederland. Betalingen provisies, commissies, advieskosten. Koop/verkoop Algemeen Een combinatie van een beperkt inkomen en een grote investering in vastgoed. Verhouding koopsom t.o.v. huur is heel hoog. Verlies op vastgoedtransactie na recente verkrijging. Overdracht economisch eigendom. Constructie die bestaat uit een combinatie van nieuwe rechtspersonen in het buitenland en overgenomen vennootschappen in Nederland die handelt en beheert. Bij ABC-transactie: Verkoop B-C vindt plaats vóór A-B transactie (wijst op orkestreren, gelieerde partijen). In het jaar voorafgaand aan de koop/verkoop door de institutionele belegger heeft een ABC-transactie plaatsgevonden waarbij sprake is van onverklaarbare waardestijgingen en/of dubieuze partijen. In het jaar na de koop/verkoop door de institutionele belegger heeft een ABC-transactie plaatsgevonden waarbij sprake is van onverklaarbare waardestijgingen en/of dubieuze partijen. ‘Handelingsvrijheid’ vermogensbeheerder. In het jaar voorafgaand aan de koop/verkoop door het pensioenfonds heeft een ABC-transactie plaatsgevonden waarbij sprake is van onverklaarbare waardestijgingen en/of dubieuze partijen. In het jaar na de koop/verkoop door het pensioenfonds heeft een ABC-transactie plaatsgevonden waarbij sprake is van onverklaarbare waardestijgingen en/of dubieuze partijen. Commissiebetalingen/winstdelingen/aanbrengprovisies. Provisiebetalingen zonder zichtbare tegenprestatie. De verkoper factureert ten tijde van de verkoop aan koper voor advieskosten. Bevoordeling sociaal netwerk (familielid/relatie). Betrokken partijen melden een verschillende koopsom. (Sommige partijen hebben het over de officiële koopsom, andere partijen bedoelen vermoedelijk de totale koopsom inclusief betalingen buiten de akte om.) Transactie wordt met terugwerkende kracht ongedaan gemaakt. Grote afwaardering in het jaar van aankoop ten laste van de (fiscale) winst. Zeer snel groeiende vastgoedportefeuille. Onverklaarbare waarde sprongen (in verhouding tot verstreken tijdspanne). ‘Handelingsvrijheid’ vermogensbeheerder. De naadloze aansluiting van de taxatiewaarde bij de koopsom op het moment van verkoop. T.a.v. partijen De koper heeft geen kennis van het te kopen object/de te kopen objecten. Kopende partij ‘houdt’ voor een ander. Levering aan verschillende rechtspersonen die door dezelfde persoon worden vertegenwoordigd. Gebrek aan transparantie m.b.t. uiteindelijke koper (‘nader te noemen meester’). Transacties tussen gelieerde partijen (privé/B.V., familieleden) De personen in de koopovereenkomst komen niet allen terug in de akte van levering. Koper in koopakte en in uiteindelijke leveringsakte verschillen, er is een partij bijgekomen (mutaties in partijen gedurende traject). Huurder koopt een woning van een verhuurder die een buitenlandse rechtspersoon is. Betrokkenheid bij transport van een persoon die niet aanwijsbaar bij de transactie is betrokken. T.a.v. transport vastgoed ABC-transactie met opvallende waardestijgingen. Groot aantal transporten bij de notaris in een zeer kort tijdsbestek. Naadloze aansluiting tussen taxatiewaarde en koopsom. T.a.v. financiële afwikkeling Bij verkoop stort de notaris het aankoopbedrag op een door de verkoper opgegeven rekening, niet zijnde zijn eigen rekening of die van de kredietverstrekker (hypotheeknemer). Notaris stort aanbetaling van cliënt terug op andere rekening(en). Bij het niet doorgaan van de transactie omdat de koper niet afneemt, betaalt de verkoper een afkoopsom aan de partij die zou kopen. Gebruik/exploitatie van een pand Algemeen Wijziging van beheerder vastgoed of andere adviseur kan duiden op wijziging van de UBO (Ultimate Beneficial Owner). De als stroman naar voren geschoven koper, bestuurder en/of aandeelhouder heeft geen daadwerkelijke bemoeienis met exploitatie, maar komen alleen met een volmacht naar voren bij de notaris. Voorts heeft bijv. een belastingadviseur of advocaat een relatief grote rol. Criminelen zijn direct (loondienst) of indirect (verrichten van diensten, inzet sociaal netwerk) betrokken bij exploitatie in risicovolle sectoren. Commissies voor het aanbrengen van werkzaamheden aan een partij buiten de directe keten. Huurder wordt geïnformeerd over het vestigen van een hypotheek op het gehuurde. Niet betaalde huren, waar geen (juridisch) gevolg aan wordt gegeven. (Dit kan duiden op een feitelijke macht en/of eigendomsverhouding die niet strookt met de geregistreerde juridische overeenkomsten.) Verzekeringsclaims voor brand- en/of opstalverzekeringen, net voordat een grote verbouwing gaat plaatsvinden. Contante huurontvangsten (op rekening van persoon die het betreffende pand niet in bezit heeft). Grote contante opnamen. Betalingen protectiegelden. Een vreemde verhouding tussen ontvangen huren en getaxeerde waarde. Huren die gezien de locatie/pand opvallend hoog zijn (hiermee kan een te hoge taxatie worden bewerkstelligd en kan worden witgewassen). Wijziging van beheerder vastgoed of andere adviseur kan duiden op wijziging van de ubo. De als stroman naar voren geschoven koper, bestuurder en/of aandeelhouder heeft geen daadwerkelijke bemoeienis met exploitatie, maar komen alleen met een volmacht naar voren bij de notaris. Voorts heeft bijv. een belastingadviseur of advocaat een relatief grote rol. Criminelen zijn direct (loondienst) of indirect (verrichten van diensten, inzet sociaal netwerk) betrokken bij exploitatie in risicovolle sectoren. Commissies voor het aanbrengen van werkzaamheden aan een partij buiten de directe keten. Huurder wordt geïnformeerd over het vestigen van een hypotheek op het gehuurde. T.a.v. gebruik pand voor mensenhandel Er is geen arbeidsovereenkomst, de arbeidsvoorwaarden zijn slecht gedefinieerd of de arbeidsovereenkomst is opgesteld in een taal die de betreffende persoon niet machtig is. Lijkt bang te zijn voor de man/vrouw die hem/haar begeleidt De personen beschikken niet zelf over eigen identiteitspapieren Slechte huisvesting Er is sprake van hoge huren Huur wordt inhouden op salaris Ontbreken van huurcontracten Vertoont tekenen van angst of lijkt zich ongemakkelijk te voelen, Vooral in de aanwezigheid van de supervisor, Tijdens gesprek vertelt hij/zij tegenstrijdigheden De persoon/personen lijken niet goed te weten waar men is/verblijft Iemand anders voert steeds het woord, er lijkt sprake te zijn van controle/gezagsverhouding De betalingen vinden onregelmatig en/of vaak te laat plaats. Weet niet hoeveel hij/zij verdient. Niet vrijelijk kunnen beschikken over (een deel) van de eigen verdiensten, geen eigen bankrekening/bankpas in bezit) Inhouden boetes, (onduidelijke) kosten werkgever en/of borg Verplicht om transport, levensmiddelen en/of andere diensten bij Eén aanbieder (werkgever) af te nemen Illegaal verblijf. Moet een buitensporige vergoeding terugbetalen voor werving, Vervoer, huisvesting, eten, gereedschap of veiligheidsuitrusting en Die vergoeding wordt rechtstreeks ingehouden op zijn/haar loon. De terugbetalingsregeling voor voorschotten op het loon is Onduidelijk of gemanipuleerd. Personen verklaren lange werkdagen te moeten maken Bevindt zich in een situatie waarin hij/zij op meerdere manieren van anderen afhankelijk is (hij/zij is bijvoorbeeld afhankelijk van de werkgever voor onderdak, eten, banen voor familieleden of voor Andere behoeften). Men beschikt niet over eigen inkomsten Schaars gekleed en weinig bezit Er zijn diverse telefoons en/of laptops in de woning Wonen en slapen op de werkplek Er lijkt een vorm van toezicht te zijn (een persoon in de woning aanwezig, of de telefoon gaat zeer regelmatig over tijdens pandcontrole) Vertoont tekenen van angst of lijkt zich ongemakkelijk te voelen, vooral in de aanwezigheid van de supervisor, Weet niet wat zijn/haar verblijfplaats of adres is. Heeft regelmatig klanten, maar geen geld om bijv. huur te betalen Wordt bij ziekte of zwangerschap gedwongen te werken Huren de woning niet zelf Alle vragen worden door de begeleidende persoon beantwoordt in plaats van door het potentiële slachtoffer. De opmerkingen van het potentiële slachtoffer vertonen geen samenhang of komen ingestudeerd over, door middel van indoctrinatie. BijlageC Uitwerking privacy checks Privacy check 1 In fase 3 van het protocol bepaalt de regisseur ondermijning in samenwerking met de privacy officer in het kader van Privacy check 1 of en zo ja welke gemeentelijke bronnen naar aanleiding van het concrete signaal kunnen worden geraadpleegd. In fase 3 stelt de regisseur in het kader van Privacy check 1 vast: welke in de fases 1 t/m 3 verzamelde gegevens met de relevante, bij het signaal betrokken, gemeentelijke onderdelen mogen worden gedeeld ten behoeve van de vaststelling van de verdere aanpak; en welke binnengemeentelijke gegevensuitwisseling nodig is voor het verwezenlijken van die aanpak en of dat toelaatbaar is. De vraag welke binnengemeentelijke gegevensdeling is toegestaan moet steeds worden beantwoord aan de hand van de specifieke wettelijke regeling die op de betreffende gemeentelijke informatie van toepassing is. Dat is nog niet zo eenvoudig: niet alleen zijn op de verschillende soorten gemeentelijke bronnen verschillende wettelijke regelingen van toepassing, ook is iedere casus anders en zal daarom steeds een op het geval toegespitste afweging moeten worden gemaakt. Er is dan ook niet één simpel antwoord te geven op de vraag wie, wanneer, welke informatie binnen de gemeente mag delen ter bestrijding van ondermijning. Privacy check 1 vormt de belangrijkste privacy beoordeling en vindt plaats in het kader van de hit/no hit-analyse (start van fase 3). Per geval moeten steeds de volgende privacy vragen worden beantwoord. A. Wat is de wettelijke basis voor het primaire gebruik? Allereerst wordt bepaald welke gegevens nodig zijn voor het onderzoek naar een signaal. Op basis daarvan wordt vastgesteld op basis van welke gemeentelijke taak deze gegevens aanvankelijk zijn verkregen (ook wel: het primaire gebruik van de gegevens). Deze taak zal steeds een wettelijke basis hebben, bijvoorbeeld in de Gemeentewet of een andere sectorale wet. De wettelijke regeling op basis waarvan gegevens aanvankelijk zijn verkregen, is in sterke mate bepalend voor de vraag of gegevens (ook) kunnen worden gebruikt voor de bestrijding van ondermijning. Zo kan die wettelijke regeling een geheimhoudingsbepaling bevatten die het (verdere) gebruik van gegevens beperkt of anderszins regelen of en zo ja, in hoeverre de gegevens voor bepaalde doeleinden of taken mogen worden gebruikt. B. Is bestrijding van ondermijning verenigbaar met het oorspronkelijk doel waarvoor de gegevens zijn verzameld? In aanvulling daarop geldt dat het gebruik van gegevens ter bestrijding van ondermijning een toelaatbare verdere verwerking moet zijn. Van een toelaatbare verdere verwerking is sprake als het gebruik van de gegevens verenigbaar is met het doel waarvoor de gegevens aanvankelijk zijn verkregen. Daarbij moeten de volgende vragen worden beantwoord: Wat is het doel van de wet en/of de wettelijke bepaling op basis waarvan de gegevens aanvankelijk zijn verkregen? Is het bestrijden van ondermijning verenigbaar met dat primaire doel? Wat is het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld? Wat is de aard van de verwerkte persoonsgegevens? Wat zijn de mogelijke gevolgen voor de betrokkene? Worden er passende waarborgen getroffen?8 Zie artikel 6, vierde lid, AVG voor de factoren waar rekening mee moet worden gehouden bij de vraag of een verdere verwerking verenigbaar is met het doel waarvoor (persoons)gegevens aanvankelijk zijn verkregen. Van verenigbaarheid in de zin van de vragen 1 en 2 zal sneller sprake zijn als de wettelijke basis voor het primaire gebruik gerelateerd is aan het bestrijden van ondermijning, bijvoorbeeld een openbare orde bevoegdheid van de burgemeester. Dat wordt lastiger als de wettelijke basis betrekking heeft op een geheel ander domein, zoals het sociaal domein. “Het bestrijden van ondermijning” als doel voor een verdere verwerking is breed. In het concrete geval wordt dit doel daarom gepreciseerd door het te vertalen naar de gemeentelijke wettelijke bevoegdheden die de gemeente ten behoeve van de aanpak van het signaal zou willen inzetten. Het zal hierbij veelal gaan om wettelijke taken en gemeentelijke bevoegdheden die zien op openbare orde bevoegdheden en bevordering van de leefbaarheid. Van belang hierbij is dat aan het voorzienbaarheidscriterium wordt voldaan: een betrokkene moet kunnen voorzien dat de bedoelde gegevensverstrekking zou kunnen plaatsvinden. Indien de privacy officer concludeert dat sprake is van onverenigbaarheid, kan het gebruik van de gegevens ter bestrijding van ondermijning toch toelaatbaar zijn als er een expliciete wettelijke grondslag voor dat gebruik is (zie onder het kopje: Wat is de wettelijke basis voor het primaire gebruik?). Bijlage D bevat een analyse van de ruimte voor binnengemeentelijke gegevensuitwisseling in relevante wet- en regelgeving. Als gezegd zal het hierbij veelal gaan om wettelijke taken en bevoegdheden die zien op openbare orde bevoegdheden en bevordering van de leefbaarheid. Voor de verwerking van bijzondere en strafrechtelijke persoonsgegevens geldt een bijzonder regime: die gegevens mogen in beginsel alléén worden verwerkt als uit de wet op basis waarvan die gegevens zijn verkregen blijkt dat dat – voor de in die wet genoemde doelen – mag. Voor strafrechtelijke gegevens geldt nog een andere relevante uitzonderingsgrond: een gemeente zal die gegevens mogen verwerken als zij krachtens de Wet politiegegevens of Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens zijn verkregen. C. Is het gebruik van de gegevens noodzakelijk en proportioneel en wordt aan het subsidiariteitsvereiste voldaan? Gegevens mogen alleen worden gebruikt voor de bestrijding van ondermijning als dat gebruik noodzakelijk en proportioneel is en er geen minder ingrijpende middelen voorhanden zijn. Bij de vraag of een verstrekking noodzakelijk en proportioneel is, spelen onder meer de volgende omstandigheden een rol: de aard en ernst van een binnengekregen signaal. Bij aanwijzingen dat er ernstige feiten spelen, zal informatie eerder mogen worden gedeeld; de ernst van de inbreuk die op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene wordt gemaakt. Daarbij kan onder meer acht worden geslagen op: de voorzienbaarheid van de (cumulerende) inbreuk die op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt; de vraag in hoeverre een compleet beeld van de betrokkene ontstaat; -in hoeverre een betrokkene negatieve gevolgen zal ondervinden van de gemaakte inbreuk; de aard van de gegevens (hoe gevoeliger, hoe terughoudender ermee moet worden omgegaan); of een betrokkene zich effectief kan verweren tegen gemaakte inbreuken (bijv. rechtsbescherming). In het kader van de vraag naar subsidiariteit moet bijvoorbeeld, als is vastgesteld dat sprake is van een verenigbare verdere verwerking of een expliciete wettelijke grondslag voor het gebruik, eerst een ‘hit/no hit’-check worden gedaan (met andere woorden: eerst nagaan dat er bepaalde informatie bij de gemeente berust), alvorens de informatie zelf kan worden geraadpleegd (wat is de informatie waarover de gemeente beschikt). In sommige gevallen kan de eerste vorm van informatie volstaan (subsidiariteit). Privacy check 2A en 2B Als aanvullende waarborg is in dit protocol een tweede privacy beoordelingsmoment opgenomen: privacy check 2A en 2B. Privacy check 2A wordt door de regisseur ondermijning uitgevoerd, bij privacy check 2B wordt de privacy officer betrokken. De regisseur ondermijning stelt bij iedere casus vast of en zo ja welke verzamelde gegevens daadwerkelijk mogen worden gedeeld met de/het relevante, bij het signaal betrokken, gemeentelijke onderdeel/de relevante gemeentelijke onderdelen ten behoeve van de verdere aanpak. De regisseur ondermijning kan daarbij ook beoordelen of eventuele onderliggende gegevens uit een concreet dossier voor de verdere aanpak van de casus binnengemeentelijk mogen worden gedeeld en zo ja, met welk gemeentelijk onderdeel / gemeentelijke onderdelen. Met name de beoordeling van de noodzaak om informatie te delen, zal daarbij centraal staan. Het gaat dan niet alleen om de hoeveelheid gegevens, maar ook om de vraag of alle deelnemers de betreffende informatie nodig hebben. Denkbaar is bijvoorbeeld dat een signaal op maar 3 domeinen ziet en de informatie ten aanzien van dat signaal dus ook alleen aan de deelnemers vanuit die domeinen mag worden verstrekt (in plaats van aan alle domeinen die aan tafel zitten). BijlageD: Analyse ruimte binnengemeentelijke gegevensuitwisseling Analyse is overgenomen uit het Model Privacy Protocol binnengemeentelijke gegevensuitwisseling van de Rijksoverheid
(2022). De volgende wet- en regelgevingen zijn hierin geanalyseerd: D.1 Algemene Plaatselijke Verordening (APV)/openbare orde bevoegdheden D.2 Wet politiegegevens (Wpg) D.3 Alcoholwet D.4 Huisvestingswet D.5 Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek D.6 Woningwet D.7 Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB) D.8 Algemene wet inzake rijksbelastingen D.9 Invorderingswet 1990 D.10 Wet basisregistratie personen (BRP) D.11 Omgevingswet D.12 Participatiewet D.13 Wet maatschappelijke ondersteuning 2016 (WMO) D.14 Jeugdwet D.15 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen D.1 Algemene Plaatselijke Verordening (APV)/openbare orde bevoegdheden Doelstelling Zowel in de Gemeentewet als in de meeste APV’s zijn bevoegdheden voor de burgemeester opgenomen op het terrein van de openbare orde en bevordering van de leefbaarheid. De burgemeester is in artikel 172 lid 1 Gemeentewet belast met de handhaving van de openbare orde, en op grond van artikel 172 lid 2 Gemeentewet bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde te beletten of te beëindigen. Voorbeelden van meer concrete taken en bevoegdheden zijn artikel 172a Gemeentewet (gebiedsverbod), toezicht houden op openbare samenkomsten en vermakelijkheden en op voor het publiek openstaande gebouwen (artikel 174 Gemeentewet), diverse sluitingsbevoegdheden (zoals artikel 174a Gemeentewet, artikel 13b Opiumwet, en sluitingsbevoegdheden in APV’
- s)en toezicht en regulering van activiteiten als de exploitatie van seksinrichtingen en evenementen (zie daarvoor ook APV-bepalingen). De doelstellingen van deze taken en bevoegdheden zijn gelegen op het terrein van de handhaving van de openbare orde, waaronder het voorkomen van (veiligheids)risico’s, tegengaan van overlast en bevorderen van de leefbaarheid. Wettelijke grondslag9 Veelal in verbinding met artikel 6 onder c en/of e AVG De Gemeentewet en APV’s kennen geen specifieke bepalingen die de burgemeester de bevoegdheid geven bepaalde persoonsgegevens te verwerken. Daarvoor moet worden teruggevallen op de algemene grondslagen voor een rechtmatige gegevensverwerking in de AVG, in het bijzonder de grond dat de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak in het kader van een taak van algemeen belang of de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de burgemeester is opgedragen. In het kader van de vergunningverlening – bijvoorbeeld een evenementenvergunning of een vergunning voor de exploitatie van een seksbedrijf – is de burgemeester dus in ieder geval bevoegd de gegevens te verwerken die nodig zijn om de vergunningaanvraag te kunnen beoordelen, waaronder de gegevens die de aanvragers hebben verstrekt. Voor zover in het kader van de vergunningverlening een Bibob-toets wordt uitgevoerd, wordt verwezen naar de juridische analyse over de Wet Bibob. In het kader van het uitoefenen van toezicht geldt in algemene zin voor toezichthouders dat zij op grond van de Awb inlichtingen kunnen vorderen (artikel 5:16 Awb) en zakelijke gegevens en bescheiden kunnen opvragen (artikel 5:17 Awb). Op grond van deze bepalingen kunnen ook kopieën van stukken en bescheiden worden gevorderd. In beginsel kunnen inlichtingen van een ieder worden gevorderd, mits dat in lijn is met het evenredigheidsbeginsel (artikel 5:13 Awb). Het uitgangspunt is dat de toezichthouder zijn bevoegdheden niet mag uitoefenen als dat niet noodzakelijk is en dat hij zijn bevoegdheden op een voor de burger zo min mogelijk belastende wijze uitoefent. Deze gegevens mogen ook worden verwerkt voor zover dat voor de uitoefening van het toezicht nodig is. In het kader van de handhaving van de openbare orde geldt dat evenzeer. Voor zover de burgemeester bij de uitvoering van zijn taken gebruik maakt van persoonsgegevens die in bestuurlijke rapportages van de politie zijn opgenomen, wordt verwezen naar de juridische analyse over de Wet politiegegevens. Geheimhoudingsplicht De Gemeentewet en APV’s bevatten geen specifieke geheimhoudingsplicht. Doelbinding Het doelbindingsbeginsel vindt zijn uitwerking in artikel 5 lid 1 sub b en 6 lid 4 AVG. De openbare ordebevoegdheden van de burgemeester in de Gemeentewet en APV’s bieden de mogelijkheid om gegevens te verwerken met als doel om een goede invulling aan die bevoegdheden te kunnen geven, en kort gezegd de openbare orde te handhaven, risico’s in dat verband tegen te gaan, overlast te bestrijden en de leefbaarheid te bevorderen. Vraag is vervolgens of deze gegevens ook kunnen worden geraadpleegd als ter bestrijding van ondermijning de inzet van gemeentelijke bevoegdheden wordt overwogen. Voor zover het daarbij ook om de mogelijke inzet van bevoegdheden van de burgemeester gaat op het terrein van openbare orde, bestrijden van overlast en bevordering van leefbaarheid – wat bij de bestrijding van ondermijning vaak het geval zal zijn – zal al snel aan het doelbindingsbeginsel zijn voldaan. Als de mogelijke inzet van eventuele andere bevoegdheden wordt onderzocht, zal de vraag of aan het doelbindingsvereiste wordt voldaan, scherp moeten worden beoordeeld en van geval tot geval moeten worden bezien. Conclusie In de Gemeentewet en APV’s zijn taken en bevoegdheden van de burgemeester op het terrein van openbare orde, bestrijden van overlast, en bevorderen van de leefbaarheid opgenomen. Die regelingen kennen geen specifieke bepalingen omtrent geheimhouding of doelbinding. De ratio achter de bestrijding van ondermijning ligt op het terrein van openbare orde, bestrijden van overlast en bevorderen van de leefbaarheid. Als de inzet van bevoegdheden op die terreinen wordt overwogen, kunnen in aangewezen gevallen gegevens die zijn verkregen bij de uitoefening van burgemeestersbevoegdheden worden geraadpleegd ter bestrijding van ondermijning. D.2 Wet politiegegevens (Wpg) Doelstelling De Wet politiegegevens (hierna: Wpg) regelt de verwerking van politiegegevens. Politiegegevens zijn persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de uitoefening van de politietaak (artikel 1, sub a, Wpg). De Wpg voorziet naast bepalingen over de verwerking van gegevens binnen de politie, ook in bepalingen over de verstrekking van politiegegevens aan anderen buiten de politie, waaronder aan gezagdragers.10 Kamerstukken II 2005-06, 30327, nr. 3, p. 5. Onder gezagdragers vallen ingevolge artikel 16, lid 1, sub b, Wpg ook burgemeesters. Wettelijke grondslag Artikel 16, lid 1, sub b, onder 1 en 2 Wpg bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke11 Dat is bij de politie de korpschef, bij de rijksrecherche het College van procureurs-generaal, bij de Koninklijke marechaussee de Minister van Defensie en bij een gemeenschappelijke verwerking de verwerkingsverantwoordelijke die is belast met de feitelijke zorg voor de verwerking en het treffen van de maatregelen ten behoeve van onder meer de juistheid, volledigheid en de beveiliging van de gegevens (artikel 1, sub f, Wpg). politiegegevens aan burgemeesters verstrekt voor zover zij deze behoeven (
- i)in verband met hun gezag en zeggenschap over de politie, of (
- ii)in het kader van de handhaving van de openbare orde. De taak van de burgemeester met betrekking tot het gezag en zeggenschap over de politie volgt uit artikel 11 Politiewet 2012. Die bepaling luidt: Indien de politie in een gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak, staat zij onder gezag van de burgemeester. De burgemeester kan de betrokken ambtenaren van politie de nodige aanwijzingen geven voor de vervulling van de in het eerste lid bedoelde taken.” In het kader van het gezag dat en de zeggenschap die de burgemeester binnen de gemeente over de politie heeft, voert de burgemeester onder meer overleg met de officier van justitie, het hoofd en zo nodig de politiechef van de regionale politie-eenheid over de taakuitvoering van de politie en het beleid ten aanzien van de taakuitvoering (het zogenoemde driehoeksoverleg). Zie daarover artikel 13 Politiewet 2012: De burgemeester en de officier van justitie overleggen regelmatig tezamen met het hoofd van het territoriale onderdeel van de regionale eenheid binnen welker grondgebied de gemeente geheel of ten dele valt, en zo nodig met de politiechef van een regionale eenheid, over de taakuitvoering van de politie en over het beleid ten aanzien van de taakuitvoering (driehoeksoverleg). In het driehoeksoverleg worden door de burgemeester en de officier van justitie afspraken gemaakt over de inzet van de politie ten behoeve van de handhaving van de openbare orde en de hulpverlening, onderscheidenlijk ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie. De afspraken worden mede gemaakt op basis vande doelen, bedoeld in artikel 38b, eerste lid. Op verzoek van de burgemeester vindt het driehoeksoverleg plaats op gemeentelijk niveau. In het driehoeksoverleg worden door de burgemeester en de officier van justitie afspraken gemaakt over lokale prioriteiten en criminaliteitsbestrijding.” De taak van de burgemeester met betrekking tot de handhaving van de openbare orde volgt uit artikel 172 Gemeentewet: De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde. De burgemeester is bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. Hij bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie. De burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde. De commissaris van de Koning geeft, indien een ordeverstoring van meer dan plaatselijke betekenis dan wel ernstige vrees voor het ontstaan van zodanige ordeverstoring zulks noodzakelijk maakt, de burgemeesters in de provincie zoveel mogelijk na overleg met hen, de nodige aanwijzingen met betrekking tot het door hen ter handhaving van de openbare orde te voeren beleid. De aanwijzingen worden zo enigszins mogelijk schriftelijk gegeven.” Daarnaast bevatten artikel 19 en 20 Wpg grondslagen voor de verwerkingsverantwoordelijke om, in overeenstemming met het bevoegd gezag,13 Als bedoeld in de artikelen 11, 12 en 14 van de Politiewet 2012. te beslissen incidenteel politiegegevens te verstrekken aan personen of instanties respectievelijk structureel politiegegevens te verstrekken ten behoeve van een samenwerkingsverband van de bevoegde autoriteiten met personen of instanties. De verstrekking moet daarbij steeds noodzakelijk zijn met oog op een zwaarwegend algemeen belang en bedoeld zijn voor de volgende doeleinden: het voorkomen en opsporen van strafbare feiten; het handhaven van de openbare orde; het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven; het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving. Een bestuursorgaan van de gemeente zou een dergelijke persoon of instantie kunnen zijn.14 Hiervoor is geen uitputtend overzicht gegeven van de mogelijkheden om politiegegevens aan (bestuursorganen binnen) gemeenten te verstrekken op basis van de Wet politiegegevens (en daarop gebaseerde regelgeving, zoals het Besluit politiegegevens, het Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren en het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten). Zo kan bijvoorbeeld ook nog worden gewezen op artikel 18 Wpg jo. artikel 4:3 Besluit politiegegevens. Geheimhoudingsplicht Artikel 7 Wpg bevat een geheimhoudingsplicht voor politiegegevens. Deze geldt zowel voor degenen binnen de politie aan wie politiegegevens ter beschikking zijn gesteld (artikel 7 lid 1 Wpg) als voor personen buiten de politie aan wie politiegegevens zijn verstrekt (artikel 7 lid 2 Wpg). In artikel 7 lid 1 Wpg is voor de ambtenaar van de politie bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt voor zover een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift tot verstrekking verplicht, de bepalingen van paragraaf 3 verstrekking toelaten of de politietaak in bijzondere gevallen tot verstrekking noodzaakt. De mogelijkheid om politiegegevens te verstrekken aan burgemeesters (artikel 16, lid 1, sub b, onder 1 en 2, de Wpg) is opgenomen in paragraaf 3 van de Wpg en is daarmee een toelaatbare doorbreking van de geheimhoudingsplicht. De burgemeester is vervolgens op grond van artikel 7 lid 2 Wpg verplicht tot geheimhouding, behoudens voor zover een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift tot verstrekking verplicht of zijn taak daartoe noodzaakt. Doelbinding In artikel 3 Wpg is het vereiste van doelbinding opgenomen. Uit het vierde lid volgt dat politiegegevens voor een ander doel dan de politietaak kunnen worden verwerkt door personen of instanties die bij of krachtens de wet met het oog op een zwaarwegend algemeen belang of wetgeving van de Europese Unie zijn aangewezen. Conclusie Burgemeesters krijgen politiegegevens verstrekt voor zover zij deze behoeven (
- i)in verband met hun gezag en zeggenschap over de politie of (
- ii)in het kader van de handhaving van de openbare orde. Ook kunnen bestuursorganen van de gemeente bijvoorbeeld incidenteel politiegegevens verstrekt krijgen dan wel structureel ten behoeve van een samenwerkingsverband. Gelet op (de expliciete doelbindingsbepaling
- en)de strikte geheimhoudingsplicht in de Wpg zien wij geen ruimte voor burgemeesters om politiegegevens binnen de gemeente verder te verwerken voor andere doeleinden. Dat betekent ons inziens dat niet bij ieder signaal een hit/no hitvraag kan worden gesteld aan de burgemeester met betrekking tot de politiegegevens die hij heeft ontvangen. Wel kan een signaal op zichzelf aanleiding vormen voor de burgemeester om informatie op te vragen bij de politie in het kader van zijn openbare ordetaak of om de politie op te dragen op te treden ten aanzien van bepaalde verstoringen. Verder staat de geheimhoudingsplicht van de Wpg niet in de weg aan het delen van het gegeven dat de burgemeester een besluit heeft genomen op basis van politiegegevens binnen de gemeente. Daarvoor achten wij relevant dat het gegeven dat een bepaald besluit is genomen op zichzelf geen politiegegeven is, nu dat gegeven niet wordt verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak (vgl. artikel 1, sub a, Wpg). D.3 Alcoholwet Doelstelling Het doel van de Alcoholwet is gezondheidsschade door alcohol bij (met name) jongeren voorkomen en verstoring van de openbare orde door alcoholmisbruik terug te dringen. De Alcoholwet regelt de bevoegdheid om horecavergunningen te verlenen en hierop toezicht te houden. De gemeente is verantwoordelijk om het toezicht op en de handhaving van deze wet te organiseren. Bij gemeentelijke verordening kunnen voorts nadere regels worden gesteld over het verstrekken van alcoholhoudende dranken. Wettelijke grondslag15 Veelal in verbinding met artikel 6 onder c en/of e AVG. Verstrekking van gegevens aan de burgemeester in het kader van vergunningverlening De burgemeester is bevoegd kennis te nemen van de informatie die een aanvrager van een horecavergunning verstrekt op grond van artikel 3 Alcoholwet jo. artikel 26 Alcoholwet jo. Alcoholregeling. Zie voor de inhoud van het aanvraagformulier artikel 26 Alcoholwet jo. Alcoholregeling. In de vergunning zelf worden diverse gegevens opgenomen (artikel 29, eerste lid, Alcoholwet).16 In de vergunning worden vermeld (
- i)de vergunninghouders, (
- ii)tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt, (iii) de plaats waar de inrichting zich bevindt (
- iv)de situering en de oppervlakten van de horeca- en slijterijlokaliteiten en terrassen en (
- v)de voorschriften of beperkingen welke aan de vergunning zijn verbonden. Ook vermeldt het aanhangsel bij de vergunning de leidinggevende(
- n)(artikel 29, tweede lid, Alcoholwet). De burgemeester kan vervolgens een horecavergunning verlenen op grond van artikel 3 Alcoholwet. Een horecavergunning wordt geweigerd indien de leidinggevende(
- n)in enig opzicht van slecht leefgedrag is/zijn (artikel 27 lid 1 sub a Alcoholwet jo. artikel 8 lid 1 sub b Alcoholwet). Wat slecht leefgedrag precies inhoudt, is niet omschreven in de Alcoholwet. De burgemeester mag dus in beginsel zelf bepalen (middels zorgvuldige motivering) wat hij ziet als ‘slecht levensgedrag’. Hierbij worden de toetsingsmaatstaven uit de rechtspraak in acht genomen. In het kader van de vergunningverlening is de burgemeester bevoegd de gegevens te verwerken die nodig zijn om te kunnen beoordelen of de leidinggevende(
- n)in enig opzicht van slecht leefgedrag is/zijn. Bij deze beoordeling kunnen dus bijvoorbeeld strafrechtelijke gegevens worden verwerkt. Verder kan zowel de burgemeester als de Alcoholwet -toezichthouder een register raadplegen dat wordt bijgehouden door de minister van VWS en waarin bewijsstukken zijn opgenomen over de kennis en het inzicht van de leidinggevende in sociale hygiëne. Dat is mogelijk op grond van artikel 8 lid 3 jo 11c Alcoholwet. Dit register bevat de volgende bewijsstukken: Een verklaring afgegeven door de examencommissie van de Stichting Vakbekwaamheid Horeca 2.0; en Een verklaring van vakbekwaamheid.17 Artikel 1 Regeling bewijsstukken sociale hygiëne Drank- en Horecawet 2015. Raadpleging van het register door de burgemeester is toegestaan in het kader van: Het verlenen van een horecavergunning. Het verlenen van een ontheffing. Het beoordelen van een melding van het instellen van een nieuwe leidinggevende. Raadpleging van het register door de Alcoholwet -toezichthouders is mogelijk zonder nadere voorwaarden.18 Het register is overigens voor een ieder toegankelijk via www.svh.nl. Ook geldt een meldingsplicht van een vergunninghoudende inrichting aan de burgemeester indien zich voor de vergunning relevante wijzigingen voordoen (artikel 30 Alcoholwet). De burgemeester is bevoegd meldingen te ontvangen van een vergunninghoudende instelling over wijzigingen ten aanzien van de leidinggevende op grond van artikel 30a Alcoholwet. De burgemeester kan toepassing geven aan de Wet Bibob en het Landelijk Bureau Bibob om een advies vragen in het kader van de vergunningverlening (artikel 27 lid 3 en 4 Alcoholwet), van een verzoek tot het bijschrijven van een leidinggevende (artikel 30a lid 5 en lid 6 Alcoholwet) en om een reeds verleende vergunning intrekken (artikel 31 lid 3 sub a Alcoholwet). Verwerking van gegevens in het kader van toezicht en handhaving De Alcoholwet kent geen specifieke bepalingen die Alcoholwet -toezichthouders de bevoegdheid verschaffen bepaalde persoonsgegevens te verwerken, afgezien van de bevoegdheid van zowel de burgemeester als de Alcoholwet -toezichthouders het register te raadplegen dat wordt bijgehouden door de minister van VWS en waarin bewijsstukken zijn opgenomen over de kennis en het inzicht van de leidinggevende in sociale hygiëne (artikel 8 lid 5 sub b Alcoholwet). In algemene zin geldt voor toezichthouders dat zij op grond van de Awb inlichtingen kunnen vorderen (artikel 5:16 Awb) en zakelijke gegevens en bescheiden kunnen opvragen (artikel 5:17 Awb). Op grond van deze bepalingen kunnen ook kopieën van stukken en bescheiden worden gevorderd. In beginsel kunnen inlichtingen van een ieder worden gevorderd, mits dat in lijn is met het evenredigheidsbeginsel (artikel 5:13 Awb). Het uitgangspunt is dat de Alcoholwet-toezichthouder zijn bevoegdheden niet mag uitoefenen als dat niet noodzakelijk is en dat hij zijn bevoegdheden op een voor de burger zo min mogelijk belastende wijze uitoefent. Ook ligt het in de rede dat de Alcoholwet -toezichthouder zijn vordering motiveert. In beginsel is een ieder verplicht tot medewerking aan dergelijke vorderingen (artikel 5:20 Awb). Geheimhoudingsplicht De Alcoholwet bevat geen specifieke geheimhoudingsplicht. Doelbinding Het doelbindingsbeginsel vindt zijn uitwerking in artikel 5 lid 1 sub b en 6 lid 4 AVG. De Alcoholwet biedt mogelijkheden gegevens te verwerken met als doel het al dan niet verlenen van horecavergunningen en – breder – de regulering van alcoholgebruik. Vraag is vervolgens of Alcoholwet -gegevens ook kunnen worden geraadpleegd ter bestrijding van ondermijning. Ons lijkt dat op voorhand niet uitgesloten, omdat zowel de regulering van alcoholgebruik als de bestrijding van ondermijning verband houden met de leefbaarheid en goede zeden binnen een gemeente. Ook wordt in de memorie van toelichting op de Alcoholwet het tegengaan van criminaliteit als een van de doelstellingen van de Drank- en Horecawetgeving genoemd.19 Kamerstukken II 1997-1998, 25 969, nr. 3, p. 4-5. Gelet op deze tot op zekere hoogte vergelijkbare doelen kunnen wij ons voorstellen dat Alcoholwet -gegevens in voorkomende gevallen kunnen worden geraadpleegd als ter bestrijding van ondermijning de inzet van gemeentelijke bevoegdheden wordt overwogen die soortgelijke doelen dienen (bevoegdheden van de burgemeester op het terrein van openbare orde, bestrijden van overlast en bevordering van leefbaarheid). Eventuele stafrechtelijke gegevens zullen alleen kunnen worden bekeken als de betrokken medewerkers van de gemeente daarvoor een expliciete grondslag hebben. Conclusie De Alcoholwet regelt de bevoegdheid om horecavergunningen te verlenen en daarop toezicht te houden. De Alcoholwet kent geen specifieke bepalingen omtrent geheimhouding of doelbinding. De ratio achter de bestrijding van ondermijning en achter de drank- en horecawetgeving ligt in zekere zin in elkaars verlengde, nu in beide gevallen wordt beoogd de leefbaarheid en goede zeden in een gemeente te bevorderen. Gelet daarop kunnen in aangewezen gevallen Alcoholwet -gegevens worden geraadpleegd ter bestrijding van ondermijning. D.4 Huisvestingswet Doelstelling Doelstelling van de Huisvestingswet 2014 is om gemeenten een instrumentarium te bieden om in te grijpen in de woonruimteverdeling en de samenstelling van de woonruimtevoorraad voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte20 Kamerstukken II, 2009/2010, 32 271, nr. 3, blz. 1.. Als er schaarste is, kunnen maatregelen om in te grijpen op de samenstelling van de woonruimtevoorraad ook de bevordering van leefbaarheid als motief hebben21 ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3620; Kamerstukken I, 2013/2014, 32 271, nr. C, blz. 7.. De Huisvestingswet 2014 biedt gemeenten een grondslag voor het vaststellen van een huisvestingsverordening. Daarin kunnen regels over woonruimteverdeling worden opgenomen; denk aan regels over urgentie, en regels over het verplicht stellen van een huisvestingsvergunning. Daarnaast kunnen daar regels over de samenstelling van de woonruimtevoorraad worden opgenomen. Denk bijvoorbeeld aan vergunningplichten voor onttrekking aan de bestemming tot bewoning, voor het samenvoegen van woonruimte, voor het omzetten van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte, voor het verbouwen van één woonruimte tot twee of meer woonruimten en voor het splitsen van gebouwen (artikel 21 en 22 Huisvestingswet 2014). De doelstelling van de gemeentelijke huisverordening is dus eveneens ingrijpen in de woonruimteverdeling en/of ingrijpen in de samenstelling van de woonruimtevoorraad om onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste te bestrijden, en leefbaarheid te bevorderen. Wettelijke grondslag Ten behoeve van deze doelstellingen en de daarmee verbonden gemeentelijke taken zullen gemeenten onder meer de volgende soorten gegevens verwerken: gegevens die woningzoekenden aan de gemeente verstrekken als zij een huisvestingsvergunning aanvragen, zoals: naam, adres, samenstelling van het huishouden en een verklaring over de hoogte en bron van het inkomen; gegevens die eigenaren aan de gemeente verstrekken als zij een onttrekkingsvergunning, een vergunning voor kamerbewoning, een vergunning voor woningvorming of een splitsingsvergunning aanvragen, zoals: naam, adres, aantal personen dat van de om te zetten woonruimte gebruik zal maken (o.a. bij kamerbewoning), namen eventuele huidige bewoners; gegevens die de gemeente verkrijgt als zij toezicht houdt op de naleving van de Huisvestingswet 2014 en de huisvestingsverordening, zoals: gegevens over illegale kamerbewoning, splitsing of woningvorming (artikel 32 e.v. Huisvestingswet 2014). Vooral die laatste soort gegevens lijken relevant in het kader van binnengemeentelijke gegevensuitwisseling ter bestrijding van ondermijning. In algemene zin geldt daarvoor dat toezichthouders op grond van de Awb inlichtingen kunnen vorderen (artikel 5:16 Awb) en zakelijke gegevens en bescheiden kunnen opvragen (artikel 5:17 Awb). Op grond van deze bepalingen kunnen ook kopieën van stukken en bescheiden worden gevorderd. In beginsel kunnen inlichtingen van een ieder worden gevorderd, mits dat in lijn is met het evenredigheidsbeginsel (artikel 5:13 Awb). Het uitgangspunt is dat de toezichthouder zijn bevoegdheden niet mag uitoefenen als dat niet noodzakelijk is en dat hij zijn bevoegdheden op een voor de burger zo min mogelijk belastende wijze uitoefent. Ook ligt het in de rede dat de toezichthouder zijn vordering motiveert. In beginsel is een ieder verplicht tot medewerking aan dergelijke vorderingen (artikel 5:20 Awb). In de Huisvestingswet 2014 is geen specifieke regeling voor gegevensverwerking of gegevensuitwisseling opgenomen. Geheimhoudingsplicht en doelbinding De Huisvestingswet 2014 bevat ook geen specifieke geheimhoudingsplicht. Het doelbindingsbeginsel van artikel 5 lid 1 aanhef en onder b en 6 lid 4 AVG is vanzelfsprekend van toepassing. De vergunningplicht voor kamerbewoning, splitsing en woningvorming wordt gehandhaafd om de gewenste samenstelling van de woonruimtevoorraad te bevorderen, maar kan door gemeenten ook worden ingezet om, als er schaarste is, de leefbaarheid te bevorderen. Zo kunnen illegale kamerbewoning of illegale splitsing van woonruimte tot overlast en verloedering leiden, met negatieve effecten op de leefbaarheid tot gevolg. Dat geldt ook voor onttrekking van woonruimte ten behoeve van bijvoorbeeld hennepkwekerijen. Handhaving van de huisvestingsverordening kan in dit soort gevallen nauw samenhangen met de bestrijding van ondermijning. Als de inzet van andere bevoegdheden wordt overwogen die doelen hebben die dicht tegen de doelstellingen van de gemeentelijke huisvestingsverordening aan liggen, zal uitwisseling van die gegevens mogelijk snel gerechtvaardigd zijn. Daarbij zou ook een rol kunnen spelen of op basis van ervaring kan worden aangenomen dat bijvoorbeeld illegale kamerverhuur vaak samengaat met en dus een risico vormt op gebreken in de brandveiligheid. Daarbij kan gedacht worden aan gebruik van gegevens ten behoeve van bevoegdheden in het kader van bouw- en woningtoezicht. Er zal in het concrete geval moeten worden afgewogen of de bevoegdheden die men overweegt in te zetten, dicht genoeg tegen de doelstellingen van de huisvestingsverordening aanliggen om de uitwisseling en verder gebruik van persoonsgegevens te rechtvaardigen. Conclusie Doelstellingen van de Huisvestingswet 2014 zijn: bestrijding van nadelige effecten van schaarste aan woonruimtevoorraad door in te grijpen in de verdeling van woonruimte en de samenstelling van de woonruimtevoorraad, en, als er schaarste is, door ingrijpen in de samenstelling van de woonruimtevoorraad de leefbaarheid te bevorderen. De Huisvestingswet 2014 kent geen specifieke geheimhoudingsbepaling. Gegevens mogen worden verwerkt voor zover aan het vereiste van doelbinding wordt voldaan. De regisseur ondermijning zal in het concrete geval moeten afwegen of de bevoegdheden die de gemeente wil inzetten, dicht genoeg tegen de doelstellingen van de huisvestingsverordening aanliggen om de uitwisseling en verder gebruik van persoonsgegevens te rechtvaardigen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan bouw- en woningtoezicht. D.5 Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek Doelstelling De Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wbmgp) heeft tot doel de leefbaarheid in bepaalde buurten of wijken te vergroten door middel van selectieve woningtoewijzing. De gemeenteraad kan hiervoor wooncomplexen, straten of gebieden laten aanwijzen door de minister op basis van bepaalde selectiecriteria te weten: (
- i)aard van het inkomen, (
- ii)sociaal-economische kenmerken en (iii) overlast en crimineel gedrag. Wettelijke grondslag Algemene verwerkingsgrondslagen22 Het is mogelijk dat de bevoegdheden van het college op basis van artikel 19 Huisvestingswet 2014 zijn gemandateerd aan eigenaren of beheerders van woonruimte. Op basis van artikel 10 Besluit verwerking persoonsgegevens bij selectieve woningtoewijzing ter beperking van overlastgevend en crimineel gedrag hebben zij dan dezelfde bevoegdheden (in het kader van de Wbmgp) als het college. Op grond van artikel 5 lid 3 juncto artikel 10b lid 9 Wbmgp is het Besluit verwerking persoonsgegevens bij selectieve woningtoewijzing ter beperking van overlastgevend en crimineel gedrag (het Besluit) van toepassing indien de burgemeester of het college persoonsgegevens verwerkt in het kader van het afgeven van een woonverklaring of in het kader van een besluit op aanvraag van een huisvestingsvergunning voor een complex, straat of gebied. Het Besluit bevat zowel verwerkingsgrondslagen voor het college als voor de burgemeester. De volgende grondslagen kunnen worden onderscheiden: Verwerking van persoonsgegevens door het college in een bestand in het kader van de aanvraag van een huisvestingsvergunning door een woningzoekende waarvoor een verklaring omtrent gedrag is vereist (artikel 3 lid 1 Besluit). Indien in de huisvestingsverordening is bepaald dat een verklaring omtrent gedrag is vereist voor het verlenen van een huisvestingsvergunning in het aangewezen gebied, dan verwerkt het college de volgende persoonsgegevens in een bestand: de datum van de aanvraag; de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats en het adres, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de Wet basisregistratie personen, van de woningzoekende; het adres van de woonruimte waarvoor de huisvestingsvergunning wordt aangevraagd; de bereidverklaring; de verklaring omtrent het gedrag van de woningzoekende. Verwerking van persoonsgegevens van de woningzoekende door het college in een bestand ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag waarvoor een woonverklaring is vereist (artikel 3 lid 2 Besluit). Indien in de huisvestingsverordening is bepaald dat bij een aanvraag van een huisvestingsvergunning een onderzoek op basis van politiegegevens is vereist, dan verwerkt het college de volgende gegevens in een bestand: de datum van de aanvraag; de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats en het adres, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de Wet basisregistratie personen, van de woningzoekende; het adres van de woonruimte waarvoor de huisvestingsvergunning wordt aangevraagd; de bereidverklaring. Komt de woningzoekende op basis van de criteria die zijn opgenomen in de huisvestingsverordening en die geen betrekking hebben op gedragingen uit de politiegegevens, bedoeld in artikel 10a lid 2 Wbmgp in aanmerking voor een huisvestingsvergunning, dan stelt het college de burgemeester in kennis van de aanvraag en verstrekt het college de gegevens als bedoeld in artikel 3 lid 2 sub a-c van het Besluit aan de burgemeester (artikel 4 lid 2 Besluit). Op grond van artikel 5 lid 5 Wbmgp houdt het college voor de evaluatie van de maatregel die op grond van de aanwijzing in een complex, straat of gebied is toegepast noodzakelijke gegevens bij. Welke gegevens dit betreffen is geregeld in artikel 9 van het Besluit. In artikel 10b lid 9 Wbmgp juncto artikel 13 lid 1, onder a, Besluit is bepaald dat het college ervoor zorgdraagt dat de persoonsgegevens in het bestand als bedoeld in artikel 3 van het Besluit worden bewaard voor de evaluatie van de maatregel. Verwerking van de beslissing/woonverklaring van de burgemeester in het bestand door het college (artikel 9 Besluit). Het college is bevoegd tot het verwerken in een bestand van: de verlening of weigering van de huisvestingsvergunning door de burgemeester; de woonverklaring; de persoonsgegevens verkregen van eigenaren of beheerders van woonruimte. Als de burgemeester in kennis is gesteld van de aanvraag van een huisvestigingsvergunning, dan moet hij volgende persoonsgegevens in een bestand verwerken (artikel 7 Besluit): de persoonsgegevens verkregen van het college; de politiegegevens ontvangen van de politiechef; het hoorverslag (indien de woningzoekende op grond van artikel 10b lid 6 Wbmgp is gehoord); de woonverklaring; een afschrift van de mededeling die de burgemeester heeft verstrekt aan de aanvrager van de huisvestingsvergunning. Het bijhouden van een bestand van namen door de burgemeester van personen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn met betrekking tot de taken als bedoeld in artikel 5 lid 1, 6, 7, 11 en 13 lid 2 van het Besluit (artikel 8 lid 1 Besluit). Verstrekking van gegevens aan de burgemeester De beoordeling van de vergunningaanvraag is in handen van de burgemeester. Met het oog daarop zijn voor de burgermeester verschillende verstrekkingsgrondslagen opgenomen in het Besluit: Verstrekking van de gegevens van de woningzoekende door het college aan de burgemeester (artikel 4 lid 2 Besluit).23 Het is mogelijk dat de bevoegdheden van het college op basis van artikel 19