← België

ECLI:BE:AHANT:2002:ARR.20020412.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 april 2002 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2002:ARR.20020412.2 Vervangt nummer: ECLI:BE:AHANT:2002:ARR.20020414.1 Rolnummer: 91/318 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 150 - laatst gezien 2026-06-17 04:33 Fiches 1 - 2 Wanneer de partijen in hun arbeidsovereenkomst bedingen dat de werkgever de werknemer in verschillende functies en op verschillende plaatsen kan tewerkstellen, dan kan de werkgever zonder schending van de overeenkomst de werknemer in een van die functies en op een van die plaatsen tewerkstellen, in de mate dat hij dit recht te goeder trouw aanwendt. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK WETBOEK - arbeidsovereenkomst - arbeidsvoorwaarden - wijziging - plaats van tewerkstelling - functie - goede trouw van de werkgever. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 1134 Wet - 03-07-1978 - 17,1L - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Wet - 14-07-1987 - 3 Wet - 27-11-1996 Verdrag of internationale overeenkomst - 27-09-1968 - 5.1 - 03 Link Justel databank 19680927-03 Verdrag of internationale overeenkomst - 16-09-1988 Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELING - verplichtingen van de werknemer - verplichtingen zoals overeengekomen - wijziging - plaats van tewerkstelling - functie - goede trouw van de werkgever. Fiche 3 Inzake arbeidsovereenkomsten wordt, in de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1987, hetzij vanaf 1 januari 1988, krachtens het Belgisch internationaal privaatrecht de overeenkomst beheerst door het recht van de vermoedelijke rechtskeuze van partijen. Daarbij is de plaats van tewerkstelling een doorslaggevende aanknopingsfactor. Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - verdrag inzake op contractuele verbintentissen toepasselijk recht - verbintenissen uit overeenkomsten - arbeidsovereenkomst - internationaal privaatrecht - toepasselijk recht voor 1 januari 1988 - aanknopingsfactor - plaats van gewoonlijke tewerkstelling. Fiche 4 Volgens artikel 5.1 van het Executieverdrag, zoals dat van toepassing was voor de wijziging ervan door het EVX-verdrag van 16 september 1988 en dat goedgekeurd werd door de wet van 27 november 1996, is de verbintenis die voor de toepassing van dit artikel in aanmerking moet genomen worden bij vorderingen die gebaseerd zijn op verschillende verbintenissen voortvloeiend uit de overeenkomst, de verbintenis waardoor de overeenkomst wordt gekarakteriseerd. Inzake de arbeidsovereenkomsten is de meest gekarakteriseerde verbintenis die tot het verrichten van arbeid. Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - RECHTSPLEGING EN BEVOEGDHEID - E.X.X.-VERDRAG - executieverdrag - bevoegdheid - verbintenissen uit overeenkomst - arbeidsovereenkomst - gekarakteriseerde verbintenis - plaats van tewerkstelling. Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 1134, onder II AAN - artikel 17, 1°, onder IX D 7 - artikel 3 en onder IX H - artikel 5.

  1. Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2003(00848,P.68) Tekst van de beslissing Tussenarrest op tegenspraak herop. deb. d.d. 14 juni 2002 om 9.30uur Tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 910318 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWAALF APRIL TWEEDUIZEND EN TWEE A.D., appellante vertegenwoordigd door mr. G. VAN DYCK, advocaat te 2390 Westmalle, tegen : BV I., geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. P. HECHTERMANS loco mr. P. GEUENS, advocaat te 2018 Antwerpen, Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 8 maart
  2. Gelet op de processen-verbaal van 13 december 1996, 15 januari 1997, 29 januari 1997, 7 mei 1997, 18 juni 1997, 1 oktober 1997 en 8 maart
  3. I. DE STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de rechtsplegingsstukken naar vorm, in het bijzonder : het eensluidend verklaard afschrift van het op 12 maart 1991 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 18 april 1991; het eensluidend verklaard afschrift van het op 13 december 1996 op tegenspraak gewezen tussenarrest waarbij het hoger beroep ontvankelijk werd verklaard, doch alvorens ten gronde te oordelen een getuigenverhoor werd toegelaten te houden door de eerste rechter; het proces-verbaal van rechtstreeks getuigenverhoor van 7 mei 1997; het proces-verbaal van tegenverhoor van 1 oktober 1997; de conclusie na getuigenverhoor van appellante, ontvangen ter griffie van dit Hof op 29 april 1998; de conclusie na getuigenverhoor van geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 5 oktober 2000; de beschikking d.d. 11 oktober 2001 overeenkomstig artikel 747§2 van het Gerechtelijk Wetboek; de aanvullende conclusie na getuigenverhoor van appellante neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 november 2001; de aanvullende en tevens syntheseconclusie van geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 17 december 2001; de tweede aanvullende conclusie na getuigenverhoor van appellante neergelegd ter griffie van dit Hof op 10 januari 2002; de syntheseconclusie van appellante neergelegd ter griffie van dit Hof op 10 januari
  4. II. TEN GRONDE
  5. Het arrest van 13 december 1996 Met arrest van 13 december 1996 verklaarde het Hof het hoger beroep ontvankelijk, doch vooraleer verder recht te spreken werd mevrouw L. gemachtigd het bewijs te leveren van volgende feiten: "
  6. dat appellante uitsluitend Belgisch cliënteel in België prospecteerde
  7. dat appellante de prospectieroutes zelf samenstelde en daarvoor geen instructies of begeleiding van geïntimeerde ontving
  8. dat het geprospecteerde cliënteel appellante op haar domicilie en op haar persoonlijk telefoonnummer contacteerde met betrekking tot het maken van afspraken, het bekomen van inlichtingen en informatie enz.
  9. dat appellante slechts sporadisch aanwezig was in het bedrijf te Breda, en zulks vrijwel uitsluitend met het oog op de ontvangst en de begeleiding van het Belgische cliënteel;" De B.V. werd gemachtigd het tegenbewijs van die feiten te leveren. Er werden enkel getuigen gehoord op rechtstreeks verhoor, en het tegenverhoor werd gesloten zonder dat de B.V. getuigen had laten oproepen.
  10. De bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges om kennis te nemen van de vordering van mevrouw L.. Uit de overwegingen van het arrest van 13 december 1996 blijkt dat mevrouw L. gemachtigd werd het bewijs te leveren van de door haar aangevoerde feiten teneinde het Hof in staat te stellen te kunnen oordelen over de rechterlijke bevoegdheid. Het is niet zo, zoals mevrouw L. betoogt, dat het gezag van gewijsde van voormeld arrest impliceert dat reeds werd geoordeeld dat de plaats van tewerkstelling decisief is bij de beoordeling van de bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges om kennis te nemen van de door mevrouw L. ingestelde eisen en dat dus reeds impliciet uitspraak is gedaan over de criteria op grond waarvan het Hof dient na te gaan of het kennis kan nemen van die eisen. Terecht roept de B.V. in dat het artikel 5.
  11. van het Europees Executieverdrag, hierna EEX genoemd, op huidig geschil van toepassing is. De bepalingen betreffende verbintenissen uit arbeidsovereenkomsten werden aan dit artikel 5.
  12. slechts toegevoegd ten gevolge van het EVEX-verdrag van 16 september 1988, dat slechts werd goedgekeurd bij wet van 27 november 1996 (B.S. 8 januari 1996). Die bijzondere bepalingen betreffende arbeidsovereenkomsten zijn op huidig geschil niet van toepassing. Het in huidig geschil van toepassing zijnde artikel 5.
  13. van het EEX luidt als volgt: "De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:
  14. ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; ....". In zijn arrest Ivenel / Scwab, dat betrekking had op een geschil betreffende een vertegenwoordigingsovereenkomst, verklaarde het Hof van Justitie dat de verbintenis die voor de toepassing van artikel 5.
  15. EEX in aanmerking moet genomen worden, bij vorderingen gebaseerd op verschillende verbintenissen voortvloeiend uit en dergelijke overeenkomst, degene is waardoor de overeenkomst wordt gekarakteriseerd. (H.v.J., 26 mei 1982, Roger Ivenel/Helmut Schwab, zaak 1338/81, Jur., 1982, 1891-1909) Volgens het Hof wordt de arbeidsovereenkomst gekarakteriseerd door de verbintenis om arbeid te verrichten, waarvoor de toepasselijke wet in de regel bepalingen ter bescherming van de werknemer bevat. Die wet is normaliter de wet van de plaats waar de arbeidsprestatie wordt geleverd. Het Hof heeft zich bij deze interpretatie duidelijk laten leiden door de zorg om de naleving van de dwingende bepalingen ter bescherming van de werknemers, opgelegd door het recht van de plaats van uitvoering van de arbeid. Het Hof verwijst daarbij naar het systeem van artikel 6 van het verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, dat in alle gevallen de voorrang van de voorrangsregel boven de lex contractus verzekert. Het Hof creëerde aldus een afzonderlijk regime waarvan de toepassing specifiek is voor en beperkt is tot arbeidsovereenkomsten. Voor arbeidsovereenkomsten is het gerecht van de plaats waar de verbintenis die dergelijke overeenkomsten karakteriseert moet worden uitgevoerd, kennelijk het meest geschikt om de geschillen te beslechten waartoe één of meer uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen aanleiding kunnen geven. De plaats van het verrichten van de arbeid fungeert als objectieve lokalisatie van alle verbintenissen die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien. (Broeckx, K., Recente ontwikkelingen inzake het Europees bevoegdheids- en executieverdrag, Het verdrag van Lugano, in Actualia Internationaal Privaatrecht, documentatiemap studieavond 20 april 1998 CBR, nr. 49-54) Voormeld arrest is bovendien de inspiratiebron geweest bij het tot stand komen van het tweede onderdeel van artikel 5.
  16. van het verdrag (dat in deze echter niet van toepassing is), waarvan de tekst als volgt luidt: "ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit (bedoeld wordt de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd) de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht; wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, kan de werkgever tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.". In het betreffende arrest heeft het Hof van Justitie overigens afstand genomen van het eerder door haar ingenomen standpunt dat, ter zake van overeenkomsten die meerdere verbintenissen voor partijen met zich meebrengen, voor elke autonome litigieuze verbintenis moet nagegaan worden welke de bevoegde rechter is (de zogenaamde analytische oplossing). In het licht van voornoemde rechtspraak van het Hof van Justitie, dient er derhalve te worden van uitgegaan dat, voor wat betreft de toepassing van artikel 5.
  17. EEX zoals dit van toepassing was voor de wijziging ervan door het EVEX-verdrag van 16 september 1988, ter zake van arbeidsovereenkomsten de plaats van tewerkstelling het meest aangewezen criterium is om aan te wijzen welk gerecht het meest geschikt is om de geschillen te beslechten waartoe een of meerdere uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen aanleiding kunnen geven. Het is dus ten onrechte dat de B.V. voorhoudt dat het de betalingsverbintenis is die bepalend is voor het beoordelen van de bevoegdheid. In deze is naar het oordeel van het Hof de plaats waar mevrouw L. haar arbeid presteerde en diende te presteren hoofdzakelijk gelegen in België. De arbeidsovereenkomst voorziet weliswaar dat "de acquisitie/introduceren van onze artikelen zowel inals extern het bedrijf" geschiedt, doch dit doet geen afbreuk aan het feit dat mevrouw L. in werkelijkheid slechts zeer sporadisch werkzaam was op de zetel in Nederland. Uit het getuigenverhoor is immers onomstotelijk gebleken dat mevrouw L. haar prospectieactiviteiten, die het hoofdbestanddeel van de arbeidsovereenkomst waren, ontplooide op Belgisch grondgebied en dat zij slechts uitzonderlijk op de zetel te Breda aanwezig was. Volgens getuige V. D. B. was mevrouw L. enkel tijdens de Kerstperiode in Breda. Getuige R., die vrij intensieve contacten had met mevrouw L., verklaarde dat hij mevrouw L. op de zetel in Breda nooit had gezien, terwijl hij daar een tiental malen geweest was. Ook getuige V. N, die mevrouw L. in 1986 en 1988 gekend heeft, verklaarde dat hij haar nooit in Breda heeft gezien, hoewel hij vanaf 1988 om de veertien dagen naar Breda ging en dit zowel op gewone weekdagen als op zaterdagen. Getuige V. d. H. verklaarde dat hij mevrouw L. slechts eenmaal per week in Breda zag, meestal op een vrijdag of een zaterdag, vermoedelijk omdat zij verslag uitbracht over de prospecties van de afgelopen week. Getuige V. d. E. verklaarde mevrouw L. in de periode van 1985 tot 1992 nooit te Breda te hebben gezien, hoewel zij zich daar ongeveer eenmaal per week naartoe begaf. Tenslotte is er de verklaring van mevrouw V. D. B. - V. G., die uitdrukkelijk bevestigde dat zij in 1986 of 1987 gedurende een drietal maanden dezelfde functie bekleedde als mevrouw L.. Zij verklaarde dat mevrouw L. prospectie deed voor België, terwijl zij instond voor Nederland. Gedurende haar tewerkstelling diende zij slechts eenmaal op de zetel te Breda aanwezig te zijn. Wanneer al de voormelde verklaringen samen worden gelezen, dan blijkt daaruit afdoende dat mevrouw L. slechts zeer zelden aanwezig was op de zetel te Breda en zij haar arbeidsprestaties hoofdzakelijk in België leverde. De B.V. is verder slecht geplaatst om de inhoud en de bewijskracht van die verklaringen in twijfel te trekken nu zij, hoewel zij was gemachtigd het tegenbewijs te leveren, geen enkele getuige heeft laten horen. Wanneer er mogelijk nog twijfel zou bestaan over de vraag of mevrouw L. al dan niet in hoofdzaak in België cliënteel prospecteerde, dan kan het voor de B.V. niet de minste moeilijkheid opleveren om aan de hand van lijsten van cliënteel aan te tonen dat mevrouw L. in Nederland cliënteel zou geprospecteerd hebben. De B.V. is niet te goeder trouw wanneer zij, zich verschuilend achter de regels van de bewijsvoering, zich beperkt tot de bewering dat het niet denkbeeldig is dat mevrouw L. niet uitsluitend in België maar ook in Nederland cliënteel prospecteerde. Het is derhalve bewezen dat mevrouw L. hoofdzakelijk arbeid presteerde in België en dat de Belgische rechtscolleges bevoegd zijn om kennis te nemen van de eis van mevrouw L..
  18. De devolutieve werking van het hoger beroep. Volstrekt ten onrechte betwist de B.V. dat het Hof geen kennis kan nemen van de grond van de zaak. Wanneer, zoals in deze, hoger beroep wordt ingesteld tegen een vonnis waarbij de eerste rechter heeft beslist dat de Belgische rechtscolleges geen rechtsmacht hebben om kennis te nemen van de vordering, en de eiser in hoger beroep het vonnis aanvecht en tevens vordert dat het Hof uitspraak zou doen over de oorspronkelijk ingestelde vordering, is het Hof wel degelijk gehouden uitspraak te doen, niet alleen over de vraag of zij rechtsmacht heeft, maar ook, wanneer dit het geval blijkt te zijn, over de initieel ingestelde eis.
  19. Het toepasselijke recht. Het verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, opgemaakt te Rome op 19 juni 1980, dat werd goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987 (B.S. 9 oktober 1989) en die de regels uit voormeld verdrag onmiddellijk van toepassing maakt vanaf 1 januari 1988, is slechts inwerking getreden op 1 april 1991 en kan derhalve niet toegepast worden bij het bepalen van het toepasselijke recht op een overeenkomst die, zoals te dezen, werd gesloten vóór 1 januari
  20. Krachtens het Belgisch IPR wordt, bij gebrek aan uitdrukkelijke keuze door partijen van het toepasselijke recht, zoals in deze het geval is, de arbeidsovereenkomst beheerst door het recht van de vermoedelijke keuze van de partijen. Hierbij dient te worden gezocht naar het geheel van aanrakingspunten waaruit de verbondenheid met een bepaald recht kan afgeleid worden. Daarbij is van doorslaggevend belang welke de plaats is waar mevrouw L. gewoonlijk was tewerkgesteld. In casu blijkt dat mevrouw L. van Belgische nationaliteit is, haar woonplaats in België had en heeft, en tijdens de uitvoering van haar arbeidsovereenkomst gewoonlijk was tewerkgesteld op Belgisch grondgebied. Met "gewoonlijke tewerkstelling" wordt bedoeld ononderbroken en niet occasioneel. (Arbh. Antwerpen, 15 april 1996, J.T.T., 1997, 237) Het Hof is van oordeel dat deze gegevens erop wijzen dat het de bedoeling van partijen is geweest hun arbeidsverhouding te onderwerpen aan het Belgisch recht. Uit het feit dat de arbeidsovereenkomst gesloten werd in Nederland met een in Nederland gevestigde werkgever die vandaar het gezag uitoefende, dat het loon uitgedrukt en betaald werd in guldens en dat mevrouw L. onderworpen werd aan het Nederlandse socialezekerheidsstelsel, kan naar het oordeel van het Hof niet afgeleid worden dat de partijen hun rechtsverhouding geregeld hebben willen zien overeenkomstig het Nederlandse recht. Het Hof stelt zich overigens de vraag of mevrouw L. wel terecht aan het Nederlandse sociaalzekerheidsrecht werd onderworpen, rekening gehouden met de bepalingen van de EG-verordening 1408/
  21. De rechtsverhouding tussen partijen wordt derhalve beheerst door het Belgisch recht.
  22. De eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst Mevrouw L. roept in dat de B.V. op definitieve wijze eenzijdig essentiële arbeidsvoorwaarden heeft gewijzigd, door expliciet de wil te uiten haar oorspronkelijke functie van vertegenwoordiger op te heffen en die van verkoopster op de zetel te Breda in de plaats te stellen. Aldus zou haar loon aangetast worden omdat zij niet langer in de mogelijkheid was premies te verwerven, het aantal door haar te presteren uren zou verhogen, zij van een 5-dagenstelsel zou overgaan naar een 6-dagenstelsel en haar functie zou degraderen van vertegenwoordiger naar die van een gewone verkoopster. Volgende feitelijke elementen zijn van belang bij de beoordeling van de vraag of de B.V. al dan niet op onregelmatige wijze de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd door eenzijdig arbeidsvoorwaarden te wijzigen. Vooreerst stelt het Hof vast dat de tussen partijen gesloten overeenkomsten van 19 juli 1985 en 28 februari 1986 de functie van mevrouw L. als volgt omschrijven: "acquisitie/ introduceren van onze artikelen zowel in- als extern het bedrijf" (stukken 1 en 2 van de B.V.). Hoewel niet expressis verbis werd voorzien dat de plaats waar de arbeid zou moeten worden gepresteerd kon gewijzigd worden, kan niettemin uit de gebruikte bewoordingen afgeleid worden dat de mogelijkheid werd voorzien dat mevrouw L. zowel binnen als buiten het bedrijf zou kunnen tewerkgesteld worden, voor de acquisitie (bedoeld wordt het werven van klanten) en introductie van de artikelen. Partijen hebben de mogelijkheid om in zekere mate te bepalen wat essentieel is voor hun arbeidsovereenkomst en wat niet. (Cass., 27 juni 1988, R.W., 1988-89, 846) Wat de arbeidsplaats betreft, wordt zonder meer aanvaard dat partijen die als niet-essentieel kunnen aanmerken. (Cass., 27 juni 1988, o.c.) Uit de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomsten blijkt afdoende duidelijk dat zij de plaats waar mevrouw L. zou tewerkgesteld worden niet als een essentiële arbeidsvoorwaarde hebben aangezien. Hetzelfde geldt voor wat de functie betreft, vermits de overeenkomst voorziet dat mevrouw L. zowel intern als extern het bedrijf kon ingezet worden voor de acquisitie (het werven van klanten) en/of het introduceren van de artikelen van de B.V. In casu had de B.V. dus in beginsel de bevoegdheid om, zonder schending van de tussen partijen gesloten overeenkomst (artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek), de plaats van tewerkstelling van haar bediende te wijzigen en haar de functie van sedentaire verkoopster toe te bedelen, tenminste in de mate dat zij dit recht te goeder trouw zou gebruikt hebben. Uit de tussen partijen gevoerde briefwisseling blijkt dat de B.V. in de loop van februari 1989 had besloten dat zij genoodzaakt was de functie van mevrouw L. te moeten laten vervallen, om redenen van een tekort aan rendement en haar verder tewerk te stellen in de vestiging te Breda. (brief d.d. 9 maart 1989, stuk 5 van de B.V.) Mevrouw L. was het daarmee niet eens en zij drong aan op het behoud van de door haar tot op dan uitgeoefende functie, namelijk prospectie en werving van cliënteel in België en de opvang van Belgisch cliënteel dat door haar was geprospecteerd bij hun bezoek aan het bedrijf (brief van mevrouw L. d.d. 23 maart 1989, stuk 6 van de B.V.). Daaropvolgend heeft op 7 april 1989 een bespreking plaatsgevonden waarbij tussen partijen een akkoord tot stand zou zijn gekomen, dat door de B.V. in een brief van 10 april 1989 als volgt werd verwoord: Mevr. L. heeft kenbaar gemaakt dat haar ziektebeeld uitsluitend berust op het feit dat zij van haar werkgever een ander werkschema heeft gekregen. Om Mevr. L. nog 1 maal de kans te geven haar acquisitie werkzaamheden ten gunste te keren is bepaald, nadat zij een doktersverklaring heeft verkregen, dat zij haar werkzaamheden kan hervatten voor een periode van zes maanden. Gedurende deze periode zal zij zich bezig houden met de promotie en presentatie van I. aan de Belgische horeca. Het minimale aantal te bezoeken bedrijven is gesteld op 45 per week. Hiervan zal Mevr. L. dagelijks een rapport schrijven en versturen naar I. t.a.v. Dhr. P. Het minimale aantal potentieel ondernemers welke inderdaad een bezoek brengen aan I., hetzij voor inkopen hetzij voor een oriëntatiebezoek, is gesteld op 15 per week. Gezien de hoeveelheid van horecabedrijven in België, moet dit volgens Mevr. L. zonder probleem haalbaar zijn. Indien bovenstaande niet gehaald wordt in de proefperiode van zes maanden, zal Mevr. L. ingedeeld worden in het bedrijf te Breda, waar zij dan op een vaste afdeling geplaatst zal worden. Om Mevr. L. haar werk te vergemakkelijken, zal zij alle medewerking krijgen van het kantoorapparaat van I., welke zij nodig acht en bij I. voorhanden is. tevens zal zij deze periode kunnen beschikken over een bedrijfsauto. Aldus in tweevoud opgemaakt te Breda en getekend voor akkoord, Mevr. A. L.. I. C. M. (getekend)" (stuk 7 van de B.V. en stuk 5 van mevrouw L.) Mevrouw L. betwistte de inhoud van dit akkoord en zij maande de B.V. aan haar verder tewerk te stellen volgens de arbeidsvoorwaarden waarin zij reeds jaren was tewerkgesteld. (brief van mevrouw L. d.d. 14 april 1989, stuk 8 van de B.V.) Met brief van 1 mei 1989 deelde de B.V. aan mevrouw L. dan het volgende mee: Geachte Mevrouw L.,(sic) In antwoord op uw brief van 14 april jl. berichten wij u, mede onder verwijzing naar onze brieven van 9 maart jl. en 10 april jl. als volgt. In de brief van 9 maart jl. is aangekondigd, dat u bij gebrek aan rentabiliteit van de functie, die u vervulde, in het bedrijf te werk zou worden gesteld. Zoals u duidelijk was, als verkoopster op een afdeling. Voor IPSC bestond geen andere oplossing, behoudens de beëindiging van het dienstverband. Toen u tijdens het onderhoud op 7 april jl. hebt medegedeeld de bedoelde werkzaamheden binnen het bedrijf niet te kunnen verrichten, heeft de I. aan u nog de gelegenheid willen bieden uw functie wederom inhoud te geven door het verwerven van zodanig cliëntèle, als nodig voor handhaving van deze functie. Dat daarvoor enige voorwaarden zijn gesteld met betrekking tot uw werkzaamheden spreekt niet alleen vanzelf, doch is mede in uw belang, daar bij het verrichten van de geringe werkzaamheden geen resultaten verwacht mogen worden. De voorwaarden, het bezoeken van 45 horecabedrijven per week, is naar wij uit eigen ervaring weten gemakkelijk haalbaar, terwijl de bedoelde rapportage van uw bezoeken ons een minimaal vereiste lijkt, inherent aan de onderhavige functie. de brief van 10 april jl. is aan u ter ondertekening toegezonden ter bevestiging van bovenstaande. De in de brief gestelde proefperiode moet gezien worden als de periode, die u geboden wordt om wederom inhoud te geven aan de functie. Mocht u aan bovenstaande redelijke voorwaarden niet willen voldoen dan zal I. dit opvatten als wanprestatie uwerzijds. Mocht het gestelde resultaat niet worden bereikt dan zal ongeacht aan welk feit dit is gelegen, uw functie moeten komen vervallen, omdat deze dan zinloos geworden is. Wij vernemen gaarne per omgaande of u bereid bent de in de brief van 10 april jl. gestelde werkzaamheden te verrichten alsmede op welke termijn u deze werkzaamheden zult kunnen aanvangen. Ik reken met vriendelijke groet, hoogachtend I.. (getekend) J. C." (stuk 9 van de B.V. en stuk 7 van mevrouw L.) Op 10 mei 1989 beschouwd mevrouw L. de door de B.V. aangenomen houding als een eenzijdige verbreking van de arbeidsovereenkomst omdat de B.V. pertinent bleef weigeren haar verder tewerk te stellen zoals voorheen. (stuk 10 van de B.V.) Het Hof is ter zake van oordeel dat uit de tussen partijen gevoerde briefwisseling blijkt dat, waar de B.V. aanvankelijk het vaste voornemen had geuit mevrouw L. niet langer op de Belgische markt potentiële klanten te laten opsporen, zij zich niettemin toch bereid verklaarde om gedurende een periode van zes maanden haar functie te handhaven, in die zin dat zij verder op de Belgische markt bleef prospecteren. Daaraan werden enkel de voorwaarden gekoppeld dat mevrouw L. in die periode minimaal 45 bedrijven per week zou bezoeken, waarvan er minstens 15 zover zouden moeten gebracht worden dat ze een bezoek aan de zetel te Breda zouden brengen, waar deze dan lid konden worden en aankopen doen (hetzelfde systeem als voorheen). Wanneer die doelstelling niet zou gehaald worden, omwille van om het even welke reden, dan zou zij niet langer buiten het bedrijf tewerkgesteld worden, maar zou zij haar activiteiten op de zetel te Breda moeten verder zetten. Tenslotte werd haar de verplichting opgelegd dagelijks te rapporteren over haar activiteiten. Het Hof is van oordeel dat die bijkomende voorwaarden niet van aard zijn dat zij kunnen beschouwd worden als een niet toegelaten wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Er was tussen partijen immers expliciet noch impliciet iets overeengekomen over het aantal bedrijven dat mevrouw L. diende te prospecteren en evenmin over het aantal potentiële klanten waarvan verwacht werd dat zij ze kon bewegen om zich naar de zetel te begeven om lid te worden. Bovendien was het aantal te prospecteren bedrijven, noch het aantal aan te brengen potentiële klanten niet kennelijk onredelijk. Voor het overige dient te worden aanvaard dat de werkgever in de loop van de arbeidsovereenkomst steeds het recht heeft maatregelen op te leggen die hem in staat stellen controle uit te oefenen op de omvang van de door de werknemer uitgeoefende activiteiten, zoals in casu de opgelegde verplichting om dagelijks een activiteitenverslag op te maken. De door de B.V. opgelegde voorwaarden waren evenmin van aard dat ze rechtstreeks noch onrechtstreeks afbreuk deden aan andere arbeidsvoorwaarden, zoals bijvoorbeeld het loon. Zelfs indien zou kunnen aanvaard worden dat de B.V. reeds onherroepelijk had beslist dat mevrouw L. niet langer extern het bedrijf haar activiteiten zou kunnen blijven uitoefenen, qoud non, dan nog moet worden vastgesteld dat mevrouw L. bij het ondertekenen van haar arbeidsovereenkomsten heeft aanvaard dat zij ook op de zetel, dus binnen het bedrijf, zou kunnen tewerkgesteld worden voor het werven van klanten en/of het introduceren van artikelen. Hieruit volgt dat mevrouw L. ten onrechte contractbreuk ten laste van de B.V. heeft vastgesteld.
  23. De opzeggingsvergoeding, uitwinningvergoeding en de pro rata eindejaarspremie. Aangezien mevrouw L. zelf ten onrechte de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, kan zij geen aanspraak maken op de door haar gevorderde opzeggingsvergoeding of uitwinningsvergoeding. Evenmin bevindt zij zich in de voorwaarden zoals voorzien in de ter zake van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in de schoot van het aanvullend nationaal paritair comité nr. 218, om aanspraak te kunnen maken op een pro rata eindejaarspremie.
  24. Het vakantiegeld einde dienst. Mevrouw L. vordert de betaling van het vakantiegeld einde dienst, dienstjaren 1988 en 1989, respectievelijk ten beloop van 2.210, 30 EUR en 828,92 EUR. Volgens haar conclusies werden die bedragen berekend op de in 1988 en 1989 verdiende lonen, respectievelijk ten beloop van 4.805 Hfl en het in 1989 verdiende loon (het juiste bedrag wordt echter niet aangegeven). De B.V. betwist niet ernstig dat zij het vakantiegeld einde dienst nog verschuldigd is, maar betwist de berekening ervan, althans voor wat het dienstjaar 1989 betreft. Zij roept in dat mevrouw L. voor het dienstjaar 1989 slechts aanspraak kan maken op een bedrag van 779,14 EUR en gaat ervan uit dat de in 1989 betaalde bezoldigingen slechts 34.319 Hfl (15.573,28 EUR) bedroegen. Het Hof is van oordeel dat de B.V. alleszins reeds dient veroordeeld te worden tot betaling van het niet betwist gedeelte van het gevorderde vakantiegeld einde dienst, zoals hierna bepaald in het beschikkend gedeelte van het arrest. Het past echter dat de debatten zouden worden heropend teneinde partijen in staat te stellen de door hen ingenomen standpunten te verduidelijken, daar uit de voorgebrachte stukken niet kan uitgemaakt worden wat de juiste omvang is van de door mevrouw L. in 1989 verdiende brutowedde in de zin van artikel 46 van het Vakantiebesluit. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging recht doende op tegenspraak. Het arrest van 13 december 1996 verder uitwerkend, Vernietigt het vonnis van12 maart 1991 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, En opnieuw recht sprekend, Verklaart de vordering van mevrouw L. ontvankelijk en in volgende mate gegrond. Veroordeelt de B.V. I. om aan mevrouw L. te betalen de som van 2.210,30 EUR (tweeduizend tweehonderdentien euro en dertig cent) ten titel van vakantiegeld einde dienst, dienstjaar 1988 en de voorlopige som van 779,14 EUR (zevenhonderdnegenenzeventig euro en veertien cent) ten titel van vakantiegeld einde dienst, dienstjaar 1989; Voormelde sommen te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen, voor zover deze verschuldigd zijn, en te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 10 mei 1989 en de gerechtelijke intresten vanaf 30 mei 1989, deze intresten te berekenen op de netto opeisbare sommen. En vooraleer verder recht te spreken over het eventueel nog verschuldigde vakantiegeld einde dienst, dienstjaar 1989, Beveelt de heropening van de debatten teneinde partijen in staat te stellen hun standpunt te verduidelijken met betrekking tot de door mevrouw L. in 1989 verdiende bruto wedde in de zin van artikel 46 van het Vakantiebesluit. Stelt deze zaak voor verdere behandeling na de heropening der debatten op de openbare terechtzitting van vrijdag 14 juni 2002 om 9.30uur Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 12 april 2002, waar aanwezig waren : de heer J. G., Raadsheer, wnd. Voorzitter, de heer W. M., Raadsheer in sociale zaken als werkgever, aangewezen bij beschikking d.d. 12 april 2002 door de heer E. D., waarnemend Eerste Voorzitter om de heer R. B., Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.) de heer L. V. N., Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, aangewezen bij beschikking d.d. 12 april 2002 door de heer E. D., waarnemend Eerste Voorzitter om mevrouw M. G., Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.) de heer P. D., eerstaanwezend adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2002:ARR.20020412.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.