← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040513.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 13 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040513.12 Rolnummer: 2020380 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-10-25 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-07-01 00:18 Fiches 1 - 3 Een vordering tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen levert een geschil op als bedoeld in artikel 582, 5° van het Gerechtelijk Wetboek en behoort derhalve niet tot de geschillen die bij toepassing van artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen ingeleid worden bij dagvaarding. De rechtsingang dienst overeenkomstig artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek bij dagvaarding te gebeuren. Een schending van de kennisgevingsplicht van artikel 14 van het Handvest van de sociaal verzekerde kan hoogstens aanleiding geven tot een vordering tot betaling van schadevergoeding (artikel 1382 B.W.) maar kan geenszins tot gevolg hebben dat een vordering die werd ingeleid met schending van artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek toch ontvankelijk wordt verklaard. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK werkloosheid - onderbrekingsuitkeringen - inleiding bij verzoekschrift - onontvankelijk - niet naleving kennisgevingsplicht artikel 14 Handvest - vordering tot schadevergoeding. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 582,5° Gerechtelijk Wetboek - 700 Vrije woorden: HANDVEST VAN DE SOCIAAL VERZEKERDE toepassingsprocedure - beslissingen en uitvoering - motivering, vermeldingen, kennisgeving - werkloosheid - onderbrekingsuitkeringen - inleiding bij verzoekschrift - onontvankelijk - niet naleving kennisgevingsplicht artikel 14 Handvest - vordering tot schadevergoeding. Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1995 - 14 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 582, 5°, onder I A - artikel 700 en onder XV - artikel

  1. Tekst van de beslissing A.R. 2020380 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIEN MEI TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: M. V.H., appellante op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, persoonlijk verschijnend, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel beroep, verschijnend bij mr. H. JACOBS, advocaat te Lier. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgend arrest. Gelet op de zittingsbladen d.d. 4 september 2002, 13 november 2003, 11 maart 2004 en 25 maart
  2. Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: x het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 16 mei 2002 (A.R. 78.712), aan partijen bij gerechtsbrief in toepassing van artikel 792, tweede en derde lid Ger. W. ter kennis gebracht op 22 mei 2002; x het verzoekschrift tot hoger beroep, aangetekend verzonden op 14 juni 2002 en ontvangen ter griffie van dit Hof op 17 juni 2002; x de conclusies voor geïntimeerde waarbij incidenteel beroep wordt ingesteld, ontvangen ter griffie van dit Hof op 31 juli 2003; x de conclusies voor appellante, ontvangen ter griffie van dit Hof op 19 augustus 2003; x de aanvullende conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 augustus 2003; x de nota voor appellante, neergelegd ter openbare terechtzitting van 11 maart 2004; x het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 25 maart 2004 en waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 25 maart
  3. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 11 maart
  4. Feiten en voorgaande rechtspleging M. V. H. was als vastbenoemd bestuursassistent bij het bestuur rechterlijke organisatie van het Ministerie van Justitie werkzaam bij de dienst gebouwen en materieel te Brussel. Bij ministerieel besluit van 1 februari 1999 werd zij, op eigen verzoek, gemuteerd naar het Justitiehuis te Antwerpen. Bij ministeriële besluiten van 18 augustus 1999 en 20 juli 2000 werd M. V. H. gemachtigd haar beroepsloopbaan deeltijds te onderbreken ten belope van de helft van haar normale prestaties voor telkens één jaar respectievelijk vanaf 16 oktober 1999 en vanaf 16 oktober
  5. Met twee formulieren C 61 B d.d. 31 juli 2001 (stukken 3 en 4 administratief dossier), welke uiteindelijk door het werkloosheidsbureau te Mechelen volgens datumstempel werden ontvangen op 30 augustus 2001, diende M. V. H. een aanvraag in voor onderbrekingsuitkeringen tijdens de periodes van gedeeltelijke loopbaanonderbreking, meer bepaald van 16 oktober 1999 tot 15 oktober 2000 en van 16 oktober 2000 tot 15 oktober
  6. Deze aanvragen werden naar het werkloosheidsbureau gezonden met een begeleidende brief van het Ministerie van Justitie d.d. 27 augustus 2001, waarvan de inhoud luidt als volgt (stuk 3 administratief dossier): "Gelieve hierbij in bijlage 2 formulieren C 61 B te vinden van mevrouw M. V. H., bestuursassistent bij het justitiehuis te Antwerpen. Waarschijnlijk is haar eerste aanvraag verloren gegaan tijdens de overheveling van dossiers van de personeelsdienst Strafinrichtingen naar onze dienst, nl. de personeelsdienst Justitiehuizen. Het tweede formulier is aan mevrouw M. V. H. niet toegezonden door de personeelsdienst Justitiehuizen, wegens een personeelswissel, waardoor de verplichting om haar het formulier ad hoc toe te zenden uit het oog werd verloren. Vandaar de laattijdige opmaak van deze formulieren. Bij deze willen wij uitdrukkelijk vermelden dat mevrouw M. V. H. geen aandeel heeft aan het niet tijdig overmaken van de noodzakelijke documenten. (....)". Op 11 oktober 2001 besliste de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Mechelen, overeenkomstig artikel 18 van het koninklijk besluit van 28 februari 1991, het recht op onderbrekingsuitkeringen te weigeren wegens laattijdige indiening van aanvraagformulieren loopbaanonderbreking (zie formulier C 62, stuk 1 administratief dossier). Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 17 oktober 2001 en ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Mechelen op 18 oktober 2001, tekende M. V. H. beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing d.d. 11 oktober
  7. Bij vonnis van de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 16 mei 2002 werd de vordering van M. V. H. ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de bestreden administratieve beslissing bevestigd; de R.V.A. werd verwezen in de kosten van het geding. Overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek werd het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief d.d. 22 mei
  8. Eisen in hoger beroep Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 14 juni 2002 en ontvangen ter griffie van dit Hof op 17 juni 2002, tekende M. V. H. hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de Arbeidsrechtbank te Mechelen met verzoek het bestreden vonnis alsmede de administratieve beslissing d.d. 11 oktober 2001 te vernietigen en het recht op onderbrekingsuitkeringen toe te kennen voor de periode van 16 oktober 1999 tot en met 15 oktober
  9. Bij beroepsconclusies, neergelegd ter griffie van dit Hof op 31 juli 2003, stelt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening incidenteel beroep in tegen bovenvermeld vonnis van de Arbeidsrechtbank te Mechelen met verzoek: - recht doende op incidenteel beroep: x het incidenteel beroep van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen; x opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering van appellante op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, onontvankelijk te verklaren; - recht doende op hoofdberoep (voor zoveel als nodig): x het hoofdberoep van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, x appellante ervan af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.
  10. Ten gronde 4.
  11. Ontvankelijkheid van het hoger beroep en het incidenteel beroep Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het hoger beroep en het incidenteel beroep dienen dan ook ontvankelijk verklaard te worden. 4.
  12. Met betrekking tot het incidenteel beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening laat op incidenteel beroep gelden dat de eerste rechter ten onrechte de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaarde aangezien M. V. H. beroep heeft aangetekend met een aangetekend verzoekschrift terwijl de vordering enkel met dagvaarding bij de rechtbank kon aanhangig gemaakt worden. Samen met de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is het Hof van oordeel dat de initiële vordering van M. V. H. onontvankelijk is wegens miskenning van de regel zoals voorzien in artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek worden hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. Artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek somt op limitatieve wijze de gevallen op waar de vorderingen kunnen ingeleid worden bij verzoekschrift (zaken genoemd in de artikelen 508/16, 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°, 581, 2°, 582, 1° en 2° en 583). De vordering van M. V. H., ingeleid met een verzoekschrift van 17 oktober 2001 en ontvangen per aangetekende post ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Mechelen op 18 oktober 2001, betreft een vordering tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor de periode van 16 oktober 1999 tot 15 oktober
  13. Dergelijke vordering levert een geschil op als bedoeld in artikel 582, 5° van het Gerechtelijk Wetboek zijnde "een geschil betreffende Afdeling 5 van Hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen"; het betreft de loopbaanonderbreking (zie J. Petit, Sociaal procesrecht, Die Keure - 2000, nr. 566) Dit geschil behoort derhalve niet tot de geschillen die bij toepassing van artikel 704 Ger.W. kunnen worden ingeleid bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank of bij aangetekende brief gezonden aan de griffie. Bij ontstentenis van een toegelaten afwijkende regeling diende M. V. H. de vordering in te leiden bij dagvaarding of eventueel door vrijwillige verschijning conform het bepaalde in artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek. Een schending van artikel 700 Ger. W. leidt tot een onontvankelijkheid van de eis in rechte (Cass. 30 mei 1998, R.W. 1988-89, 646; S. RAES, 'Het verzoekschrift op tegenspraak', in Interuniversitair Centrum voor Gerechtelijk Recht (ed.), Het vernieuwd gerechtelijk recht, uitg. Kluwer, p. 84, nr. 5). Overeenkomstig de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie ressorteert de regel voorzien in artikel 700 Ger.W. onder de rechterlijke organisatie waarop de nietigheidsregeling van de artikelen 860 tot 867 Ger.W. niet kunnen worden toegepast (Cass., 27 mei 1994, R.W., 1994-1995, 1017, met conclusie advocaat-generaal Du Jardin en noot K. Broeckx; Cass., 30 oktober 1997, P.&B., 1998, 86). Dit houdt dan ook in dat de schending van de regel van artikel 700 Ger. W. niet gedekt kan worden door een vonnis dat op tegenspraak is gewezen zonder dat de onontvankelijkheid van de vordering door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is voorgedragen of door de eerste rechter ambtshalve is uitgesproken. Evenmin worden de nietigheden waardoor de inleidende akte is aangetast, gedekt door een regelmatig ingesteld hoger beroep; door het hoger beroep wordt het geschil voor de appelrechter gebracht met alle feitelijke en juridische vragen die daarmee samenhangen, met inbegrip van de excepties betreffende de geldigheid van de inleidende akte (Cass., 27 mei 1994, R.W. 1994-1995, 1023; Cass., 30 oktober 1997, Arr.Cass., 1997, 1052; Arbh. Luik, 15 april 1997, J.T.T., 1997, 444). Samenvattend besluit het Hof dat de eerste rechter ten onrechte de vordering ontvankelijk verklaarde aangezien M. V. H. haar vordering tot het bekomen van onderbrekingsuitkeringen heeft ingeleid met een verzoekschrift daar waar krachtens artikel 700 Ger. W. de rechtsingang door een dagvaarding diende te geschieden. M. V. H. beroept zich op impliciete wijze op een schending van artikel 14 van de Wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde (B.S. 6 september 1995) aangezien zij ter zitting van het Hof laat gelden dat in de bestreden administratieve beslissing geen melding wordt gemaakt van de beroepsmogelijkheden. Krachtens artikel 14 van het handvest van de sociaal verzekerde moeten de beslissingen tot toekenning of weigering van de prestaties onder meer volgende vermeldingen bevatten: 1) de mogelijkheid om voor de bevoegde rechtbank een voorziening in te stellen; 2) het adres van de bevoegde rechtscolleges; 3) de termijn om een voorziening in te stellen en de wijze waarop dit moet gebeuren. Bij nazicht van de administratieve beslissing van 11 oktober 2001 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Mechelen (stuk 1 administratief dossier) stelt het Hof vast dat deze beslissing, in tegenstelling met recentere beslissingen inzake het recht op onderbrekingsuitkeringen (zie stukken I/7 en I/8 bundel appellante op hoofdberoep), hieromtrent niet de minste informatie bevat. Bij afwezigheid van de vermeldingen zoals opgesomd in artikel 14, eerste lid van het handvest van de sociaal verzekerde gaat de 'termijn om een voorziening in te stellen' niet in (artikel 14, tweede lid van het handvest van de sociaal verzekerde). Het openbaar ministerie merkt in zijn schriftelijk advies (stuk 16 dossier rechtspleging van het Arbeidshof) terecht op dat een schending van de kennisgevingsplicht (zoals voorzien in artikel 14 van het handvest van de sociaal verzekerde) hoogstens aanleiding kan geven tot een vordering tot betaling van schadevergoeding (op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek) maar geenszins tot gevolg kan hebben dat een vordering, welke ingeleid werd mits schending van de regel voorzien in artikel 700 Ger. W., toch ontvankelijk zou verklaard worden. Aangezien er in huidig geschil geen vordering tot schadevergoeding wordt ingesteld door M. V. H. heeft de schending van de kennisgevingsplicht enkel tot gevolg dat de beslissing van 11 oktober 2001 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Mechelen nog steeds vatbaar is voor verhaal voor de bevoegde arbeidsrechtbank door middel van een dagvaarding. Het bestreden vonnis, waarbij de eerste rechter de vordering ontvankelijk verklaarde, dient te worden vernietigd zodat het incidenteel beroep gegrond voorkomt. 4.
  14. Met betrekking tot het hoofdberoep Aangezien het geding voor de eerste rechter onregelmatig werd ingeleid kan het hoger beroep geen devolutieve werking hebben; het Hof dient zich ertoe te beperken de onregelmatigheid van de inleidende akte vast te stellen, zonder over het geschil zelf te oordelen. Het hoofdberoep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, ter openbare terechtzitting van 25 maart 2004 in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies. Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis uitgesproken op 16 mei 2002 in de openbare zitting van de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank te Mechelen (A.R. 78.712). Opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke vordering van M. V. H., ingeleid met een verzoekschrift van 17 oktober 2001 en ontvangen per aangetekende post ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Mechelen op 18 oktober 2001, onontvankelijk. Verwijst geïntimeerde, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van beide aanleggen. Deze kosten worden door geen der partijen begroot en derhalve door het Hof niet vereffend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdende te Antwerpen in openbare terechtzitting van dertien mei tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: mevrouw G. ADRIAENSENS, Raadsheer, wnd. Voorzitter, de heer G. VANKRUNKELSVEN, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer J. RITS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, de heer J. VERELST, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040513.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.