← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040528.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 28 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040528.2 Rolnummer: 2003-0527 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 253 - laatst gezien 2026-07-04 06:56 Fiche Wanneer de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid overgaat tot ambtshalve schrapping van de aangiften omdat hij de mening is toegedaan dat er geen sprake kan zijn van prestaties op grond van een arbeidsovereenkomst, draagt hij zelf in de hoedanigheid van verwerende partij ook grotendeels de bewijstlast vermits hij aldus de kwalificatie betwist die een werkgever met zijn medewerker overeenkwam aangaande de vorm van hun samenwerking. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Toepassingsgebied - bijdrageregeling - verwerping arbeidsovereenkomst - bewijslast. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1,§1 Tekst van de beslissing A.R. Nr. 2030527 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: B.V.B.A. B. V.D.B., met zetel gevestigd te A, , ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nummer, appellante, voor wie verschijnt: mr. J. R., advocaat te A., tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. I. V.D.B.loco mr. D.D.G., advocaat te Z. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 1 oktober 2003, en van 23 april 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 20 mei 2003, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Antwerpen; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 20 augustus 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 21 augustus 2003; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W., per aangetekende post ontvangen ter griffie van dit Hof op 16 oktober 2003; x de opmerkingen voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 24 oktober 2003; x de beschikking van 13 november 2003 van mevrouw B. HOMANS, Eerste Voorzitter, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. x de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het Hof op 15 december 2003; x de conclusies voor appellante, neergelegd ter griffie van het Hof op 15 januari 2004; x de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 13 februari

  1. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 23 april
  2. Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 23 april
  3. De ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat er voorafgaat. Tot 25 oktober 1999 baatte A. V.D.B. een eenmanszaak uit in de bouwsector (bouwen en verbouwen), zaak die hij van zijn ouders had overgenomen. M V.D.B., zijn zoon, kwam hem helpen van zodra hij zijn beroepsstudies had afgerond (in 1996). Hij kreeg dan een statuut van zelfstandig helper. A. V.D.B. denkt er op een bepaald ogenblik aan om de zaak aan zijn zoon over te laten. Hij verklaart daarover: "Ik wou de zaak overlaten aan mijn zoon. Ik wist dat die omschakeling een tijd zou duren en daarom hebben we niet gewacht tot wanneer ik volledig zou stoppen met de zaak. Er werd een BVBA opgericht waarin mijn zoon de enige zaakvoerder en aandeelhouder is. De boekhouder heeft ons dan aangeraden om mij als werknemer voor mijn zoon te laten werken. Ik denk dat dit te maken heeft met het pensioen dat ik later zal krijgen. Volgens de boekhouder is dit statuut het beste voor mij." Op 24 juni 1999 werd effectief de B.V.B.A. B. V.D.B. opgericht met M V.D.B. als enige aandeelhouder, die ook als zaakvoerder wordt aangesteld. Op 25 oktober 1999 werd A. V.D.B. door deze B.V.B.A. in dienst genomen als metser. De R.S.Z. voerde op 30 augustus 2001 een onderzoek uit naar dit werknemersstatuut van A. V.D.B.. Op 6 november 1999 liet de R.S.Z. vervolgens o.a. aan de B.V.B.A. V.D.B. weten dat A. V.D.B. voor zijn tewerkstelling voor het bedrijf ten onrechte werd onderworpen aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers omdat één van de constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst, met name het gezag, ontbreekt. De Syndicale Kamer Bouw Antwerpen V.Z.W. reageerde namens de B.V.B.A. op dit bericht en zij gaf een aantal elementen op, waaruit moet blijken dat het uitoefenen van werkgeversgezag wel degelijk mogelijk is tussen de B.V.B.A. en A. V.D.B.. Zij vroeg de R.S.Z. om zijn beslissing te herzien. Op 20 december 2001 antwoordde de R.S.Z. dat hij op zijn standpunt blijft. Daarop ging de B.V.B.A. op 18 januari 2002 over tot dagvaarding van de R.S.Z. en vorderde de R.S.Z. te veroordelen de aangiften vanaf het vierde kwartaal 1999 voor A. V.D.B. als werknemer van de B.V.B.A. B. V.D.B. te aanvaarden en de ambtshalve schrapping door de R.S.Z. terzake doorgevoerd, ongedaan te maken, dit binnen de maand na betekening van het tussen te komen vonnis, op straffe van een dwangsom van 2.478,94 euro per dag vertraging. Ondergeschikt: de R.S.Z. te veroordelen tot terugbetaling van de persoonlijke en patronale bijdragen, aan hem betaald op het loon van A. V.D.B. met ingang van het vierde kwartaal 1999 en voorlopig begroot op 1 euro provisioneel, te vermeerderen in de loop van het geding. Het bestreden vonnis. De eerste rechter verklaarde bij vonnis van 20 mei 2003 de vordering ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde de B.V.B.A. tot de kosten. Eisen in hoger beroep. De B.V.B.A. B. V.D.B. tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 20 augustus
  4. Zij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren en de R.S.Z. te veroordelen om de aangiften vanaf het vierde kwartaal 1999 voor de heer V.D.B. A. als werknemer van de B.V.B.A. te aanvaarden en de ambtshalve schrapping door de R.S.Z. terzake doorgevoerd ongedaan te maken en dit binnen de maand na de betekening van het tussen te komen arrest, op straffe van een dwangsom van 2.478,94 EUR per dag vertraging. Ondergeschikt de R.S.Z. te veroordelen tot terugbetaling van de persoonlijke en patronale bijdragen die aan de R.S.Z. werden betaald op het loon van A. V.D.B., uitbetaald door de B.V.B.A., met ingang van het vierde kwartaal 1999 en begroot op 42.402,80 EUR provisioneel, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de dag van betaling tot aan de dagvaarding en de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding tot aan de terugbetaling. Voorbehoud te verlenen aan de B.V.B.A. voor een eventuele vermeerdering van haar terugvordering van de R.S.Z.-bijdragen. Tevens de R.S.Z. te veroordelen tot de kosten. De B.V.B.A. houdt vol dat het volstaat dat er gezag kan worden uitgeoefend en dat de volgende elementen pleiten in het voordeel van een werknemersstatuut en dus ter ondersteuning van het bestaan van werkgeversgezag: - er is een schriftelijke arbeidsovereenkomst, - er wordt een reëel en normaal loon betaald. Er is geen deelname in de winst, - A. V.D.B. kan worden tewerkgesteld daar waar de zoon het oplegt, - A. V.D.B. werd reeds tijdelijk werkloos gesteld wegens slecht weer, - hij moet in geval van ziekte een doktersattest binnen brengen, - er worden richtlijnen gegeven door de zoon, - A. V.D.B. werkt volgens een vast uurrooster, - hij moet zijn jaarlijkse vakantie nemen zoals er wordt opgelegd, - de administratie wordt volledig afgehandeld door de zoon, - de zoon beschikt over een bevoegdheid tot ontslag opzichtens zijn vader, - uit een brief van het sociaal verzekeringsfonds Acerta blijkt dat A. V.D.B. wordt gekwalificeerd als helper. In ondergeschikte orde wijst de B.V.B.A. erop dat de eerste rechter naliet zijn vordering in terugbetaling te behandelen toen hij tot de beslissing kwam dat A. V.D.B. geen werknemer was. Bij conclusies, ontvangen ter griffie van dit Hof op 15 december 2003, vordert de R.S.Z. het hoger beroep af te wijzen als ongegrond en het vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen. In ondergeschikte orde de vordering van de B.V.B.A. ongegrond te verklaren, en akte te verlenen dat de R.S.Z. zich naar de wijsheid van het Hof gedraagt voor wat betreft de vordering in ondergeschikte orde, dit evenwel beperkt tot het bedrag van 42.201,800 EUR. Voor het overige de B.V.B.A. ervan af te wijzen Tevens de B.V.B.A. te veroordelen tot de kosten. In haar beroepsconclusies breidt de B.V.B.A. V.D.B. haar vordering in ondergeschikte orde uit en vordert zij van de R.S.Z. een provisionele terugbetaling van 46.351,41 EUR in plaats van de 42.402,80 EUR, gevorderd in haar beroepsverzoekschrift. In Rechte. De bewijslast. De R.S.Z. betwist dat A. V.D.B. voor zijn tewerkstelling bij appellante onderworpen is aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers. (zijn stuk 4) Dit leidde in concreto tot een ambtshalve schrapping van de aangiften, die door appellante werden ingediend, voor de periode van het vierde kwartaal 1999 tot en met het tweede kwartaal
  5. Om deze schrapping ongedaan te maken, zag appellante zich verplicht om een procedure in te leiden voor de arbeidsrechtbank. Hierdoor verwierf zij in deze procedure de hoedanigheid van eisende partij. Normaal weegt de bewijslast op de schouders van de eisende partij (artikel 870 Ger. W.) Dit zou betekenen dat appellante het bewijs moet leveren dat A. V.D.B. wél met haar verbonden is door een arbeidsovereenkomst. Immers het bestaan van een arbeidsovereenkomst is een essentiële voorwaarde tot het onderworpen zijn aan de R.S.Z. reglementering (artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). In de specifieke omstandigheden van deze zaak is het Hof echter van oordeel dat appellante niet uitsluitend gehouden is tot bewijs maar dat ook de R.S.Z. en vooral de R.S.Z. zijn bijdrage in het te voeren bewijs moet leveren. Het Hof oordeelt immers dat de R.S.Z. grotendeels de bewijslast moet dragen wanneer hij de kwalificatie die een werkgever met zijn medewerker overeenkwam aangaande de vorm van hun samenwerking, op de helling zet. (zie o.a. Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) en (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) Is A. V.D.B. een werknemer of een zelfstandige? Het Hof is van oordeel dat het antwoord op deze vraag moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat de betrokken partijen hun samenwerking hebben georganiseerd op basis van een werknemersstatuut dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten" (zie de net geciteerde cassatierechtspraak). Het zijn dus elementen die terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse uitvoering van de overeenkomst die naast de overeengekomen kwalificatie moeten worden gelegd. Alsdan moet er worden geoordeeld of deze elementen die kwalificatie uitsluiten. Uitsluiten betekent dan dat deze elementen enerzijds met zekerheid verwijzen naar een andere kwalificatie dan deze die werd overeengekomen maar anderzijds dat ze ook voldoende krachtig of doorslaggevend zijn om de overeengekomen kwalificatie weg te drukken of opzij te schuiven. Dit laatste kenmerk van het begrip 'uitsluiten' speelt vooral een rol als het karakter van de samenwerking tussen de werkgever en zijn medewerker niet statisch is maar een evolutie kent. Met andere woorden wanneer in deze samenwerking een groei zit van het ene statuut naar het andere dan zullen bij het beginpunt van deze groei elementen aanwezig zijn die pleiten voor een bepaald statuut. Het beroep doen op deze elementen om te kiezen voor dit bepaald statuut mag dan niet eenmalig gebeuren. Precies omdat er sprake is van een evolutie, van een groei naar een ander statuut moet de beoordeling op verschillende tijdstippen in het groeiproces worden herhaald. Allicht worden op een bepaald punt in dit groeiproces deze elementen onvoldoende krachtig of doorslaggevend om het nieuwe statuut dat aan het einde van de evolutie wordt bereikt, opzij te drukken. Voorwaarde hierbij is wel dat dergelijk groeiproces aannemelijk en verantwoord is. Een omgeving waarin dergelijk groeiproces aannemelijk en verantwoord is, is precies het overlaten van een zaak in familieverband, het doorgeven van de zaak van de ene aan de volgende generatie. Dit doorgeven kan inderdaad geleidelijk gebeuren waarbij het de zorg van de 'uittredende' generatie is om de 'aantredende' generatie in te werken in de handelszaak. Daarbij is het dan de bedoeling dat de 'uittredende' generatie de greep langzaam lost en dat de 'aantredende' generatie zijn greep op het voeren van de zaak langzaam versterkt. Dit is het groeiproces dat hogerop in dit arrest wordt bedoeld. Dergelijk groeiproces houdt in dat de 'uittredende' generatie het in de beginfase meer voor het zeggen heeft en meer sturend werkt, maar dat dit sturen vermindert naarmate de 'aantredende' generatie zelfstandiger wordt. Aan het einde van het groeiproces heeft de 'aantredende' generatie dan de zaak zelf in handen en is zij het die sturend werkt. In deze fase heeft de 'uittredende' generatie geen behoefte meer aan leiding en gezag en is ze vaak bereid nog een poos mee te draaien in ondergeschikt verband tot het ogenblik is gekomen om helemaal te stoppen. Toepassing in deze zaak. Het Hof treft in de concrete gegevens van dit dossier het groeiproces aan dat net werd beschreven. A. V.D.B. verklaart duidelijk aan de controleur: "Ik wou de zaak overlaten aan mijn zoon. Ik wist dat die omschakeling een tijd zou duren en daarom hebben we niet gewacht tot wanneer ik volledig zou stoppen met de zaak." Ook de R.S.Z. erkent een groeiproces in het overlaten van de aannemingszaak tussen vader en zoon V.D.B., want hij schrijft op 20 december 2001 aan appellante (zijn stuk 8): "De BVBA werd opgericht in overleg tussen u en uw vader. Deze operatie kadert in een geleidelijke overlaten van de activiteiten door uw vader. Dit proces is nog niet voltooid. Uw vader helpt u nog bij het runnen van de zaak en stuurt u bij. U leidt de zaak nog niet alleen." (eigen onderlijning van het Hof). Het Hof is van oordeel dat de bedoeling van vader A. V.D.B. om zijn zaak geleidelijk over te laten aan zijn zoon ingegeven is door een terechte bekommernis en dat de wijze waarop hij dit heeft georganiseerd, buiten het geschilpunt dat hier ter discussie staat, niet voor kritiek vatbaar is: appellante werd op een correcte wijze opgericht, de overgang tussen éénmanszaak en appellante verliep correct, er is geen belangenvermenging aangetoond. Het proces van geleidelijke overgang is verantwoord. Toepassing makende van de principes die hogerop in dit arrest werden vooropgesteld, moet er thans worden nagegaan welke kwalificatie de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven bij de start van het overlatingproces, of deze kwalificatie wordt opzij gedrukt door elementen in de uitvoering van de samenwerking die thuishoren in een ander statuut en of er oog is geweest voor de evolutie van samenwerking gedurende dit proces van overlating. Welke kwalificatie werd er overeengekomen? Overduidelijk kwamen appellante en A. V.D.B. overeen om vanaf 25 oktober 1999 hun samenwerking te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst (zie o.a. de arbeidsovereenkomst van die datum - stuk 5 appellante, de aansluiting bij de R.S.Z. enz...). Partijen betwisten dit geenszins. Appellante en A. V.D.B. houden deze kwalificatie vol, ook na het onderzoek van de R.S.Z., na de ambtshalve schrapping van de aangiften en ook tijdens de procedure. Tot op heden. Wordt dit werknemersstatuut al dan niet ondersteund door de concrete uitvoering van de samenwerking? De R.S.Z. meent van niet. Van de drie constitutieve elementen die samen aanwezig moeten zijn om juridisch te spreken over een arbeidsovereenkomst (artikel 2 en 3 van de Wet op de Arbeidsovereenkomsten), acht de R.S.Z. het element 'arbeid' en het element 'loon' aanwezig, maar betwist hij dat er in de relatie tussen appellante en A. V.D.B. 'gezag' aanwezig was en is. Bij gebreke aan dit werkgeversgezag wijst de R.S.Z. het werknemersstatuut van A. V.D.B. af. Appellante is akkoord dat de vraag of er al dan niet werkgeversgezag voorhanden is, hier het juridisch geschilpunt is. De R.S.Z. haalt de volgende elementen aan die duiden op het ontbreken van gezag: x In de praktijk is er geen verschil tussen de wijze van werken in de periode vóór 25 oktober 1999 toen A. V.D.B. nog als zelfstandige een éénmanszaak voerde en de periode na 25 oktober 1999 toen hij het werknemersstatuut aannam. x De werfleiding is in handen van vader en zoon V.D.B. samen. x A. V.D.B. staat in voor de contacten met de klanten en de architecten. Hij maakt de offertes op. x De maatschappelijke zetel van appellante is gevestigd op het adres van vader A. V.D.B. en moeder V.D.B. heeft een volmacht op de rekening van appellante en ze betaalt de lonen uit. x De keuze voor een werknemersstatuut werd enkel ingegeven door een bekommernis om de pensioenrechten van A. V.D.B. veilig te stellen. x Gezag ligt moeilijk in een familiebedrijf. Appellante is van oordeel dat er wel degelijk sprake is van werkgeversgezag en verwijst naar de volgende concrete elementen: x er is een schriftelijke arbeidsovereenkomst, x er wordt een reëel en normaal loon betaald. Er is geen deelname in de winst, x A. V.D.B. kan worden tewerkgesteld daar waar de zoon het oplegt, x A. V.D.B. werd reeds tijdelijk werkloos gesteld wegens slecht weer, x hij moet in geval van ziekte een doktersattest binnen brengen, x er worden richtlijnen gegeven door de zoon, x A. V.D.B. werkt volgens een vast uurrooster, x hij moet zijn jaarlijkse vakantie nemen zoals er wordt opgelegd, x de administratie wordt volledig afgehandeld door de zoon, x de zoon beschikt over een bevoegdheid tot ontslag ten opzichte van zijn vader, x uit een brief van het sociaal verzekeringsfonds Acerta blijkt dat A. V.D.B. wordt gekwalificeerd als helper. Vooraleer deze verschillende elementen onder de loep te nemen, moet er verduidelijkt worden wat het Hof precies begrijpt onder het begrip 'gezag'. Het moet gaan om juridisch gezag. Onder het juridische werkgeversgezag begrijpt het Hof de instructies die de werkgever geeft met betrekking tot de uitvoering van de prestatie. Die instructies zijn erop gericht de arbeid als zodanig, die aan de werkgever door de werknemer ter beschikking wordt gesteld, aan te wenden voor de specifieke doeleinden waarvoor de werkgever deze uiteindelijk heeft aangetrokken. De werkgever zal bepalen in welke concrete omstandigheden, onder welke voorwaarden welke prestatie zal moeten worden geleverd. (zie in dat verband: W. Van Eeckhoutte, Het begrip gezag in de rechtspraak van het Hof van Cassatie van de XXIe eeuw in Associare - Actualia sociaal - Gent, 30 januari 2004). Het is dus de werkgever, in casu appellante, die specifieke doeleinden moet nastreven. Om deze doeleinden te bereiken wendt de werkgever de arbeid van zijn werknemer aan op de wijze die deze werkgever uitsluitend bepaalt. De werknemer stelt zijn arbeid louter ter beschikking. Hem maakt het niet uit hoe en waarvoor de werkgever zijn arbeid aanwendt. Deze aanwending gebeurt door de werkgever door te bepalen in welke concrete omstandigheden, onder welke voorwaarden welke prestatie zal moeten worden geleverd en dit via het geven van instructies. Dit bepalen staat gelijk met het werkgeversgezag. Wanneer het Hof de samenwerking tussen appellante en A. V.D.B. per 25 oktober 1999 en de periode die erop volgt (periode van het onderzoek) toetst aan dit juridische werkgeversgezag, dan komt het Hof tot de hiernavolgende bevindingen. A. V.D.B. is wél geïnteresseerd in wat appellante met zijn arbeid aanvangt. Hij neemt actief deel aan het bepalen van de specifieke doeleinden die appellante vooropstelt. Hij zal zijn arbeid pas ter beschikking stellen als hij deze kan inpassen in het ondernemingsplan van appellante dat hij nog grotendeels mee bepaalt. Zulks blijkt uit de verklaringen van vader en zoon V.D.B., waarin ze beiden toegeven dat er op de werkvloer niet veel verandering is gekomen sedert de éénmanszaak is overgegaan in de B.V.B.A. Het logisch gevolg hiervan is dat er geen instructies zijn van appellante naar A. V.D.B.. Er moet immers niet uitgelegd worden welk werk er moet worden geleverd, in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden dit moet gebeuren. A. V.D.B. weet perfect wat hij moet doen omdat hij zelf de werven (mee) heeft geregeld en hij op de werven nog steeds de leiding over de werken heeft. Vader en zoon V.D.B. bevestigen dit wanneer zij verklaren dat alles in onderling overleg gebeurt. Terzake wendt appellante in de persoon van haar zaakvoerder, de zoon V.D.B., niet op autonome wijze de arbeid van A. V.D.B. aan ter verwezenlijking van een aantal zakelijke doelstellingen waar A. V.D.B. vreemd is. Neen, het is A. V.D.B. die zijn arbeid inzet ter verwezenlijking van de zakelijke doelstellingen die vooral hij en niet appellante heeft vooropgesteld. In de beginfase van de overdracht van de zaak aan de zoon, is het vrij duidelijk dat vader V.D.B. de touwtjes nog in handen heeft en een sterke greep heeft op de gang van zaken. Dit gegeven raakt de kern van het begrip 'werkgeversgezag'. Dit veronderstelt in casu dat appellante de arbeid van A. V.D.B. aanwendt ter realisatie van haar eigen zakelijk doel. Hier is er geen aanwending van die arbeid als een actieve ingreep van appellante, maar is die arbeid eerder te zien als een actieve inzet vanwege A. V.D.B. om het zakelijk doel te bereiken dat hij voor appellante heeft bepaald. Dat er geen aansturen is vanuit appellante naar A. V.D.B. toe, maar eerder omgekeerd, blijkt uit de verklaring van A. V.D.B. aan de controleur, wanneer hij over zijn zoon, de zaakvoerder toch, zegt: "Ik probeer hem nu nog hier en daar bij te sturen." Inderdaad in deze fase van het overlaten van de zaak, drukt A. V.D.B. nog te zeer zijn stempel en is het voor appellante nog niet mogelijk om diens arbeid aan te wenden zoals zij dat wil. De drie eerste elementen die de R.S.Z. ter ondersteuning van zijn gelijklopend standpunt aangeeft (zie hoger) zijn terzake relevant. De elementen die appellante aanreikt om toch te opteren voor de aanwezigheid van werkgeversgezag doen daaraan geen afbreuk: x er is een schriftelijke arbeidsovereenkomst, partijen kunnen geschriften opmaken zoveel ze willen. Deze opmaak zegt niets over de concrete uitvoering van de opdracht, enkel iets over de wil van de betrokken partijen. Maar daar is er geen discussie: vader en zoon V.D.B. kozen voor een arbeidsovereenkomst. x er wordt een reëel en normaal loon betaald. Er is geen deelname in de winst, wél deelnemen in de winst zou eerder wijzen op een zelfstandige samenwerking. Niet deelnemen betekent daarom niet dat men automatisch te maken heeft met een arbeidsovereenkomst. Het element loon is één van de drie constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst. Maar hier gaat het over een ander element: het gezag. Het feit dat er een normaal loon wordt betaald, bewijst niets over het bestaan van dit gezag. x A. V.D.B. kan worden tewerkgesteld daar waar de zoon het oplegt, deze bewering wordt in het dossier nergens gestaafd. x A. V.D.B. werd reeds tijdelijk werkloos gesteld wegens slecht weer, ook hierover zijn er geen concrete gegevens beschikbaar in het dossier. Maar zelfs zo er deze wél waren, dan zijn ze geen bewijs van gezag want ze zijn niet relevant bij de beoordeling of de arbeid van A. V.D.B. werd aangestuurd vanuit appellante. Vanzelfsprekend zullen appellante en A. V.D.B. consequent het werknemersstatuut dat ze overeenkwamen, toepassen. x hij moet in geval van ziekte een doktersattest binnen brengen, dit element is wél relevant als aanwijzing van het werkgeversgezag. Het zegt immers iets over de beschikking die de werkgever heeft over de tijd van zijn medewerker. Als de medewerker zijn arbeid niet ter beschikking kan stellen moet hij dat verantwoorden, hier bij middel van een doktersbewijs. De vraag is echter of in de concrete situatie hier één en ander wel zo strikt geëist werd door appellante. Eerst en vooral is de verplichting die appellante voorhoudt nooit uitgetest in de praktijk. A. V.D.B. beweert immers nooit ziek te zijn geweest. Anderzijds is het voor A. V.D.B. een kleintje om zijn ziekte te staven aan de hand van een doktersattest al was het maar om consequent te blijven met het werknemersstatuut. Van deze verplichting wordt geen enkel geschrift voorgelegd. Ze staat onvoldoende vast. x er worden richtlijnen gegeven door de zoon, welke richtlijnen? Ze zijn nergens bewezen. x A. V.D.B. werkt volgens een vast uurrooster, ook dit kan een element zijn van werkgeversgezag. De werkgever die beslag legt op het tijdsgebruik van zijn werknemer. Maar hier is het niet relevant omdat vader en zoon V.D.B. aan de controleur verklaren dat zij alles in overleg doen. Bijgevolg wordt de arbeidstijd niet eenzijdig opgelegd door appellante. x hij moet zijn jaarlijkse vakantie nemen zoals er wordt opgelegd, er is geen bewijs dat A. V.D.B. verplicht wordt zijn vakantie te nemen in de periode die appellante bepaalt. De vakantie wordt genomen tijdens de bouwvakantie. Blijkbaar was deze toestand dezelfde als vroeger bij de éénmanszaak en is dit de gewoonte zo. x de administratie wordt volledig afgehandeld door de zoon, dit gegeven wordt niet betwist maar het is niet relevant bij de beoordeling of er nu gezag is of niet. Moest A. V.D.B. nog wél de administratie doen, dan was dat een element dat eerder wees naar het statuut van zelfstandige. x de zoon beschikt over een bevoegdheid tot ontslag ten opzichte van zijn vader, Dit is een element dat vader en zoon V.D.B. zelf in handen hebben en kunnen gebruiken zoals het hen best past. Het heeft ook niets te maken met het al dan niet bestaan van gezag tijdens de duur van de samenwerking. x uit een brief van het sociaal verzekeringsfonds Acerta blijkt dat A. V.D.B. wordt gekwalificeerd als helper. Een helper kan een zelfstandige helper zijn. Daar is niets op tegen. Deze helper kan wel bepaalde opdrachten krijgen in verband met de taken die hij moet uitvoeren, maar in een relatie zelfstandige en helper "bezit" de opdrachtgever de arbeid van zijn helper niet in de zin dat hij deze kan aanwenden zoals hij en hij alleen dit wil. Het is niet omdat Acerta oordeelt dat A. V.D.B., als zelfstandige bekeken het best onderdak krijgt onder het statuut van helper dat dit meteen betekent dat A. V.D.B. een werknemer is. Het feit dat Acerta A. V.D.B. een onderdak kán bieden als zelfstandige wijst eerder op het tegendeel. De conclusie is dan ook dat de R.S.Z. A. V.D.B. terecht uitsloot van het werknemersstatuut. Maar zoals gezegd is het overlaten van de zaak van vader op zoon V.D.B. geen ogenblikkelijk gebeuren maar een proces dat een bepaalde tijdsperiode bestrijkt. Dit brengt ons bij de laatste vraag van deze beoordeling. Kan de R.S.Z. het werknemersstatuut blijven onthouden aan A. V.D.B.? Het onderzoek van de inspectiediensten van de R.S.Z. medio 2001 is één momentopname. Op basis van dit ene onderzoek werd de samenwerking tussen appellante en A. V.D.B. ingeschat in de periode die op dat ogenblik voorbij was. Precies omdat de R.S.Z. zelf erkende dat de activiteiten van vader V.D.B. geleidelijk werden overgelaten aan appellante met de zoon als zaakvoerder en hij hierbij aangaf dat de zoon op het ogenblik van het onderzoek de zaak nog niet alleen leidde (zie de brief van 20.12.2001 van de R.S.Z.), heeft dit voor gevolg dat, ook in de opvatting van de R.S.Z., er ooit een moment moest komen waarop de zoon wél alleen de zaak zou leiden. Hogerop in dit arrest werd al aangegeven dat bij dergelijk geleidelijke overlating de uittredende generatie meer en meer de greep op de zaak verliest en de aantredende generatie meer en meer de leiding overneemt. Op een bepaald scharniermoment neemt de aantredende generatie ook het roer definitief over en is het logisch dat de overlater vanaf dan in ondergeschikt verband gaat werken. Wanneer de R.S.Z. specifiek in deze zaak een dergelijk groeiproces aanneemt, dan moet hij consequent zijn en moet hij dit groeiproces opvolgen precies om dit scharniermoment te bepalen. Dit is in casu zeker zo omdat appellante heel de tijd lang het werknemersstatuut is blijven aanhouden en op geregelde tijdstippen de bijdragen heeft betaald. De R.S.Z. heeft echter genoegen genomen met één enkel onderzoek ondanks het feit dat appellante bijdragen is blijven betalen. Het is op basis van dit ene onderzoek dat hij A. V.D.B. is blijven weren uit het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers. Dit gebeurt ten onrechte om de redenen hogerop uiteengezet. Vermits de R.S.Z. geen verder onderzoek voerde en vermits appellante, consequent met haar standpunt, bijdragen is blijven betalen, zijn er geen gegevens eigen aan de zaak aanwezig die onomstotelijk het tijdstip aanwijzen vanaf wanneer A. V.D.B. moet worden beschouwd als werknemer. Het Hof oordeelt dat A. V.D.B. met ingang van het eerste kwartaal van 2003 als werknemer moet worden beschouwd. A. V.D.B. is dan in zijn vijfenvijftigste levensjaar en de geleidelijke overdracht van de zaak loopt dan al ruim drie jaar. De zoon M is alsdan zesentwintig jaar geworden en al ruim zes jaar actief in het bouwbedrijf van zijn vader. Een normale evolutie in acht genomen, is het, met deze gegevens op tafel, te aanvaarden dat A. V.D.B. vanaf het begin van het jaar 2003 redelijkerwijze binnen appellante niet meer functioneerde als een zelfstandige. In ieder geval blijft de R.S.Z. in gebreke te bewijzen dat de elementen, eigen aan het statuut van zelfstandige, noch doorslaggevend waren vanaf begin
  6. Het hoger beroep is dan ook gedeeltelijk gegrond in die zin dat de R.S.Z. A. V.D.B. niet meer uit het stelsel der sociale zekerheid van de werknemers kan weren vanaf het eerste kwartaal
  7. Een regularisatie vanaf dit eerste kwartaal van 2003 dringt zich op. Het opleggen van een dwangsom is daarbij niet nodig, temeer omdat aangiften werden gedaan en bijdragen werden betaald. De afrekening. Vermits het bewijs onvoldoende is geleverd dat A. V.D.B. tot en met het vierde kwartaal van 2002 in de concrete uitvoering van zijn job met appellante was verbonden door een arbeidsovereenkomst, was appellante voor hem in de periode vierde kwartaal 1999 tot en met vierde kwartaal 2002 niet bijdrageplichtig aan de R.S.Z. Al datgene wat appellante in die periode voor A. V.D.B. betaalde aan de R.S.Z. was onverschuldigd en moet worden terugbetaald. Nu deze periode precies is afgelijnd, kan het geen onoverkomelijk probleem zijn om de bedragen die onverschuldigd werden betaald exact weder samen te stellen en terug te betalen. Appellante legt in de vorm van haar stuk 12 een afrekening voor. De cijfers van deze afrekening werden als dusdanig niet becommentarieerd door de R.S.Z. Uit dit stuk 12 kan in ieder geval worden afgeleid dat één en ander geen gesneden koek is. In ieder geval kan het Hof aan de hand van dit stuk 12 zonder bijkomende uitleg geen exacte afrekening opstellen. De debatten dienen te worden heropend om meer duidelijkheid te verschaffen. Het Openbaar Ministerie is trouwens dezelfde mening toegedaan. Naast terugbetaling van de hoofdbedragen vordert appellante ook betaling van intresten. De R.S.Z. wijst deze vraag af enerzijds omdat zij niet te kwader trouw enig bedrag heeft ontvangen en anderzijds omdat het sociale secretariaat van appellante hem vroeg de gelden op een wachtsom te plaatsen. Hij verwijst terzake naar stuk 12 van zijn dossier. Vooralsnog is niet duidelijk over welke precieze bedragen het sociale secretariaat het heeft in het stuk 12 dat de R.S.Z. voorlegt met de vraag om deze op een wachtrekening te plaatsen. Bovendien dateert de fax van het sociale secretariaat van 20 maart
  8. Over welke instructie beschikte de R.S.Z. voor de periode vóór 20 maart 2002? Partijen kunnen gebruik maken van de heropening van de debatten om ook dit punt verder uit te klaren. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. Slachmuylders, Substituut-generaal, in zijn mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 23 april 2004, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 mei
  9. Zegt voor recht dat de R.S.Z. A. V.D.B. ten onrechte heeft geschrapt uit het stelsel der sociale zekerheid van de werknemers vanaf het eerste kwartaal
  10. Beveelt de R.S.Z. over te gaan tot regularisatie en tot aanvaarding van A. V.D.B. in het stelsel der sociale zekerheid van de werknemers vanaf dit eerste kwartaal van
  11. Alvorens te oordelen over de terugbetaling van de bedragen die door appellante onverschuldigd werden betaald over de periode vierde kwartaal 1999 t.e.m. het vierde kwartaal 2002 en over de intresten, beveelt de heropening der debatten. Stelt de zaak na heropening der debatten vast voor pleidooien op de openbare terechtzitting van deze kamer op 24 september 2004 om 11 uur. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van achtentwintig mei tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040528.2 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.