← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040601.25

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040601.25 Rolnummer: 2030164 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-07-05 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-01 00:27 Fiches 1 - 3 De rechter mag, na kritisch beraad, zijn overtuiging putten uit alle regelmatig aan hem overlegde elementen van het dossier, ook uit vermoedens. De recher apprecieert op onaantastbare wijze de bewijswaarde van de feitelijke gegevens, met respect voor de rechten van de verdediging, in samenhang met de andere elementen van de zaak. De recente evolutie in de cassatierechtspraak met betrekking tot de beoordeling van de gezagsverhouding als kenmerk van het bestaan van een arbeidsovereenkomst, belet niet dat de rechter het sociologisch profiel dat partijen voorhouden in de bewoordingen van hun overeenkomst met gezonde achterdocht blijft benaderen. Immers, het dwingend of openbaar orde karakter van het sociaal recht verbiedt partijen om vrij te beslissen over de toepassing ervan en verplicht de rechter steeds de werkelijke aard van de overeenkomst na te gaan, met name in hoeverre de kwalificatie niet wordt tegengesproken door de feiten. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK werkloosheid - onderzoeksverslagen - bewijswaarde - arbeidsovereenkomst - beoordeling van de gezagsverhouding - kwalficatie door partijen - toetsing aan de feiten. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 870 Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK werkloosheid - onderzoeksverslagen - bewijswaarde - arbeidsovereenkomst - beoordeling van de gezagsverhouding - kwalficatie door partijen - toetsing aan de feiten. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 1156 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID werkloosheidsvergoeding - teolaatsbaarheidsvoorwaarden - wachttijd - arbeid in loondienst - onderzoeksverslagen - bewijswaarde - arbeidsovereenkomst - beoordeling van de gezagsverhouding - kwalficatie door partijen - toetsing aan de feiten. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 30 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 870, onder IB - artikel 1156 en onder V AN - artikel

  1. Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00910,P.95-96) Tekst van de beslissing A.R. 2030164 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EEN JUNI TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak van: de heer W.H., appellant, vertegenwoordigd door mr. D.H., advocaat te Gierle, tegen : de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. L.D.G. loco mr. L.V., advocaat te Herselt. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het Arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen d.d. 2 april 2003, 16 maart 2004, 6 april 2004 en 18 mei
  2. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 7 februari 2003 uitge-sproken door de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Turnhout, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 792 Ger. W. aan W.H. ter kennis gebracht op 11 februari 2003; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 maart 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 10 maart 2003; - de conclusies voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, ontvangen ter griffie van dit Hof op 20 mei 2003; - de conclusies voor W.H., neergelegd ter griffie van dit Hof op 28 oktober 2003; - het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 6 april 2004, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 7 april
  3. Met de schriftelijke repliek voor W.H., neergelegd ter griffie van dit Hof op 22 april 2004, buiten de termijn van 10 dagen bepaald ter zitting van 16 maart 2004, kan en mag geen rekening worden gehouden. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 16 maart
  4. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 maart 2003, te-kende W.H. hoger beroep aan tegen een vonnis van 7 februari 2003 (A.R.V. 25.733) van de Arbeidsrechtbank te Turnhout. Het vonnis werd aan W.H. ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792 Ger. W. bij gerechtsbrief op 11 februari
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk.
  6. Feiten en voorafgaande procedure De directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van het Werkloos-heidsbureau Turnhout besliste op 22 april 2002, op grond van de artikelen 30, 32, 37, 38, 142, 144 en 146 van het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, en op grond van de artikels 7 tot 17 van het M.B. van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheids-reglementering, W.H. niet toe te laten tot het recht op werkloosheids-uitkeringen op de datum van zijn aanvraag, m.n. vanaf 19 december
  7. De Directeur nam deze beslissing op grond van volgende overwegingen: "Op de datum van uw aanvraag was u 49 jaar. De reglementering voor-ziet dat de werknemer die 36 tot minder dan 50 jaar is, 468 arbeidsdagen moet bewijzen in de loop van de 27 maanden vóór zijn uitkeringsaan-vraag om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen (artikel 30, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). Deze periode van 27 maanden strekt zich uit van 19.09.1999 tot en met de dag vóór 19.12.
  8. Tijdens die periode bewijst u met de ingediende documenten geen enkele arbeidsdag (of gelijkgestelde dag). De prestaties die u verrichtte als bediende van 05.06.2000 tot 18.12.2001 kunnen niet in aanmerking worden genomen aangezien ze niet werden verricht in een beroep dat of een onderneming die onderworpen is aan de sociale zekerheid, sector werkloosheid (artikel 37, ,§1 van voormeld ko-ninklijk besluit en artikel 14 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglemente-ring). Op basis van de door u ingediende stukken i.v.m. uw aanvraag voor werk-loosheidsuitkeringen werd door mijn diensten een nader onderzoek inge-steld. Uit dit onderzoek blijkt o.a. het volgende: -U was zaakvoerder van de bvba W. sedert zijn oprichting en bent nog steeds meerderheidsaandeelhouder. -op 05.06.2000 trad u in dienst als werknemer in de éénmanszaak, met inschrijving ter persoonlijke titel, op naam van uw dochter, S.H. Hierin was u enige werknemer. Deze éénmanszaak heeft nooit enige omzet gerealiseerd, er zijn zelfs geen aankoop- noch verkoopfacturen. -Het onderscheid tussen de activiteiten van de bvba W. en de één-manszaak, gevestigd op hetzelfde adres is zeer onduidelijk, er is zelfs geen duidelijk afgelijnd en herkenbaar verschil binnen de bedrijfsge-bouwen. -De aanvang en einde van de éénmanszaak, de aanvang en einde van uw tewerkstelling in deze éénmanszaak, zijn bijna volledig gelijklopend wat moeilijk aan louter toeval kan worden toegewezen. Voor de geldigheid van de aangevoerde arbeidsprestaties is het vereist dat u onderworpen was aan het stelsel der sociale zekerheid voor werkne-mers. De onderwerping aan dit stelsel vereist het bestaan van een ar-beidsovereenkomst. Onder arbeidsovereenkomst wordt verstaan, een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich jegens de ander partij, de werkgever, ertoe verbindt om in een verhouding van onderge-schiktheid aan, of onder het gezag van een werkgever, tegen loon arbeid te verrichten. De inschrijving bij de RSZ is op zich geen afdoend bewijs om het bestaan van een arbeidsoverkomst aan te tonen. De arbeidsover-eenkomst moet werkelijk en effectief bestaan. Uit de hierboven opgesomde elementen en het gevoerde onderzoek, blijkt dat, ondanks het bestaan van een geschreven arbeidsovereenkomst, afge-leverde loonstroken, onderwerping aan de RSZ, de arbeidsovereenkomst niet werkelijk en effectief heeft bestaan. Deze arbeidsovereenkomst moet worden geacht, op een handige maar nogal doorzichtige wijze, enkel te zijn gecreëerd met het oog om recht te verkrijgen op sociale zekerheids-uitkeringen in het stelsel der werknemers. De door u aangehaalde arbeidsprestaties kunnen dan ook niet in aanmer-king genomen worden, vermits op generlei wijze is aangetoond of bewe-zen dat u als werknemer, werkelijk en effectief werkzaam was. Bovendien bewijst u niet het aantal arbeidsdagen dat vereist is voor een hogere leeftijdscategorie: 624 arbeidsdagen in de loop van 36 maanden voor uw aanvraag (artikel 30, tweede lid van voormeld koninklijk besluit). In de loop van de referteperiode van 27 maanden vóór uw uitkeringsaan-vraag bewijst u niet ten minste de helft of twee derden van het vereiste aantal arbeidsdagen. Er kan bijgevolg niet onderzocht worden of u op grond van uw beroepsverleden toegelaten kan worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen zoals voorzien in artikel 32 van voormeld ko-ninklijk besluit." W.H. tekende hiertegen verhaal aan bij de Arbeidsrechtbank te Turnhout met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 3 mei
  9. De eerste rechter oordeelde dat de zogenaamde tewerkstelling van W.H. in ondergeschikt verband bij zijn dochter S. een constructie uitmaakte ten einde wederrechtelijk te kunnen genieten van werkloosheidsuitkeringen en ver-klaarde in zijn vonnis van 7 februari 2003 de vordering ontvankelijk, doch on-gegrond; de bestreden administratieve beslissing van 22 april 2002 werd beves-tigd. W.H. stelde tegen dit vonnis hoger beroep in bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 7 maart
  10. Eisen in hoger beroep W.H. houdt voor dat hij wel degelijk in ondergeschikt verband tewerkgesteld was in het bedrijf van zijn dochter en dat de kwalificatie, die door hemzelf en zijn werkgeefster aan de arbeidsverhouding werd gegeven, primeert. Hij vordert, in hoofdorde, het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen, behoudens wat de veroordeling tot de kosten betreft, en, opnieuw beschikkend, de beslissing van de Rijksdienst voor Ar-beidsvoorziening te vernietigen; ondergeschikt, een getuigenverhoor toe te staan. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vraagt het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en het vonnis a quo integraal te bevestigen.
  11. Ten gronde 4.
  12. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 30 van het Werkloosheidsbe-sluit van 25 november 1991 dient W.H., die op de dag van zijn aanvraag om werkloosheidsuitkeringen 49 jaar oud was, 468 arbeidsdagen te bewijzen in de loop van 27 maanden vóór zijn uitkeringsaanvraag om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen. Deze periode van 27 maanden strekt zich uit van 19 september 1999 tot en met de dag vóór 19 december
  13. 4.
  14. Niet betwiste feiten In 1991 stichtte W.H. de BVBA W., samen met zijn echtgenote. Tot en met 30 september 1999 was hij zaakvoerder van het bedrijf. De maatschappelijke zetel was gevestigd op het thuisadres van het paar. Op 30 september 1999 nam hij ontslag als zaakvoerder en werd dochter S.H. in zijn plaats benoemd. Vanaf 31 december 1999 werd W.H. opnieuw zaakvoerder. Hij nam ontslag op 26 mei
  15. Diezelfde dag richtte S.H. een eenmanszaak op, op hetzelfde adres als de BVBA, en nam zij haar vader op 5 juni 2000 in dienst als enige arbeider met een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Er werden geen verkopen gerealiseerd en geen omzet geboekt. W.H. werd ontslagen als werknemer op 18 december 2001 wegens "gebrek aan werk". De eenmanszaak werd stopgezet daags nadien op 19 december
  16. Vanaf 1 april 2002 werd W.H. opnieuw zaakvoerder van de BVBA W. W.H. was van bij de stichting van de BVBA W. meerderheidsaandeelhouder en is dat steeds gebleven. Dochter S. bezat één aandeel. 4.
  17. W.H. beroept zich op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, gesloten tussen hem en zijn dochter, waarbij hij in ondergeschikt verband activiteiten als werknemer zou ontplooid hebben onder het gezag van zijn dochter S. in de periode van 5 juni 2000 tot en met 18 december
  18. Ingevolge deze arbeidsovereenkomst maakt hij aanspraak op werkloosheidsuitkeringen. In tegenstelling tot wat W.H. beweert, ligt de bewijslast overeenkomstig artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek daarvan in de eerste plaats bij hemzelf. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van zijn kant kan vervolgens het bewijs leveren dat hij en zijn dochter een andere overeenkomst beoogden dan de voorgehouden arbeidsovereenkomst en, meer nog, dat zij een constructie op het getouw zetten ten einde werkloosheidsvergoedingen te bekomen waarop W.H. geen recht had. 4.
  19. W.H. uit zijn twijfels over de bewijswaarde van het "onderzoeksverslag" (stuk 6, 1/4 en 2/4, dossier R.V.A.). Inderdaad is niet geweten wie dit verslag heeft opgemaakt en het dient dan ook met de nodige omzichtigheid te worden benaderd. Nochtans bevat het stuk wel een aantal gegevens die niet betwist zijn. Het onderzoeksverslag C25 (stuk 6, 3/4 en 4/4, R.V.A.) daarentegen werd on-dertekend door beëdigde sociale controleurs en opgesteld naar aanleiding van de inlichtingen die dezen bijeensprokkelden ter gelegenheid van hun onderzoek en bij de verhoren van W.H. en zijn dochter. Dit verslag heeft de waarde van een feitelijk vermoeden. De rechter mag, na kritisch beraad, zijn overtuiging putten uit alle regelmatig aan hem overlegde elementen van het dossier, ook uit vermoedens. De rechter apprecieert op onaantastbare wijze de bewijswaarde van de feitelijke gegevens, met respect voor de rechten van de verdediging, in samenhang met de andere elementen van de zaak. 4.
  20. De processen-verbaal van verhoor bezitten daarentegen ontegensprekelijk bewijskracht . Zo verklaarde S.H. in het proces-verbaal van verhoor op 13 maart 2002: "(...) Ik ben momenteel zaakvoerster van de BVBA W. met inschrijving in het handelsregister te Turnhout onder nr
  21. Ik oefen dit mandaat uit sinds
  22. Voorheen was mijn vader zaakvoer-der van de BVBA. Het is mijn vader die destijds de BVBA heeft opgericht. Momenteel telt de BVBA 16 werknemers. Mijn vader H.W. heeft als zaakvoerder ontslag genomen op 26 mei
  23. Ik heb toen, zijnde 26 mei 2000, eveneens een inschrijving ten persoonlijke titel genomen in het handelsregister te Turnhout onder nr
  24. De hoofdwerkzaamheden bestonden uit de verkoop van kantoor- en ander klein meubilair. Mijn vader H.W. werd vanaf de oprichting bij mij in dienst genomen als bediende. Zijn taak bestond hoofdzakelijk uit de verkoop en prospectie van toekom-stige klanten. Hij was en is tot de stopzetting van mijn zaak H.S. de enige werknemer. Er werden geen verkopen gerealiseerd en geen omzet geboekt. De activiteiten gebeurden voor een groot deel telefonisch vanuit een kan-toor op het adres Sassenhout
  25. Het kantoor ligt in hetzelfde gebouw als de BVBA W. De tewerkstelling liep van 5 juni 2000 tot en met 18/12/
  26. Dit is ook de datum waarop ik besloten heb om de zaak stop te zetten. Het feit dat beide data samenvallen is louter toevallig. De verplaatsing die mijn vader voor zijn rekening naar toekomstige klan-ten, na telefonisch onderhoud, deed verrichtte hij met zijn privé-voertuig. Ook het gebruik van fax en telefoon gebeurde meestal met zijn eigen mid-delen. Het loon werd iedere maand uitbetaald door middel van een overschrij-ving op de rekening van mijn vader. Ik overhandig u kopieën van de overschrijvingsbewijzen en de loonsop-drachten. Verder overhandig ik een kopie van de opzegbrief en het bewijs van aan-getekende zending, gedateerd 13/8/
  27. Voor de kosten die mijn vader maakte werden geen onkostendeclaraties gedaan." In hetzelfde proces-verbaal verklaarde W.H.: "(...) Momenteel ben ik volledig werkloos na een tewerkstelling bij mijn dochter H.S. van 5 juni 2000 tot en met 29/12/
  28. Voordien was ik zaakvoerder van de BVBA W. die ik in 1991 heb opgericht. Al die tijd, dus van 1991 tot 2000, was ik zelfstandige. Voor de oprichting van W. was ik ook zelfstandig. Ik ben bij mijn dochter in dienst gegaan als verkoper. Ik was er de enige werknemer. Ik verbeter, mijn functie was eerder van public-relation aard. Mijn dochter had naast haar persoonlijke inschrijving nog een mandaat van zaakvoerder bij de BVBA W., waarvan ik samen met mijn echtgenote de meerderheid van de aandelen had en nog steeds heb. Omdat ik met mijn gezondheid pro-blemen begon te krijgen, zocht ik een oplossing voor de druk die ik als zelfstandig zaakvoerder had. Daarom was het voor mij een goede oplos-sing dat ik als werknemer bij mijn dochter aan de slag kon. Ik had mij voordien, dit is voor 5 juni 2000, reeds aangeboden bij de VDAB als werkzoekende. Vermits mijn dochter een eigen zaak wou beginnen en ie-mand nodig had, was dit voor mij een unieke kans. Ik ontving mijn loon iedere maand op mijn rekening. De werkzaamheden verrichtte ik meestal vanuit kantoor op het adres Sassenhout
  29. Ik wens tot slot te melden dat ik vanaf 01/04/2002 opnieuw als medezaakvoerder bij de BVBA W. aan de slag ga." De inhoud van de verklaringen van vader en dochter spreken voor zich. Het is dan ook intellectueel oneerlijk van W.H. om te beweren dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening louter uitgegaan is van "veronderstellingen" om het dossier in een frauduleus perspectief te plaatsen. 4.
  30. W.H. verwijst naar recente ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Cassatie met betrekking tot de beoordeling van de gezagsverhouding als kenmerk van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. (Cass., 28 april 2003, J.T.T., 2003, 261; Cass., 23 december 2002, J.T.T., 2003, 271). W.H. leidt hieruit af dat de kwalificatie door partijen gegeven in hun ge-schreven arbeidsovereenkomst determinerend is voor zijn sociale zekerheidspo-sitie, en dat deze kwalificatie niet kan vervangen worden door een andere kwali-ficatie wanneer de elementen van het dossier dit niet toelaten. De vraag is dan ook of de recente cassatierechtspraak impliceert dat de termino-logie van de overeenkomsten vanaf nu primeert op de realiteit van de juridische verhoudingen en of deze rechtspraak derhalve de terugkeer van de grote princi-pes van het verbintenissenrecht in het sociaal recht aankondigt, ten koste van de beschermende rol van het sociaal recht ten voordele van de sociaal zwakkeren. Het Openbaar Ministerie beantwoordt deze vraag terecht negatief als volgt: "Het Hof van Cassatie heeft met zijn recente rechtspraak hoogstens aan-sluiting willen zoeken met de maatschappelijke realiteit waarbij economi-sche afhankelijkheid en samenwerking op zelfstandige basis elkaar niet hoeven uit te sluiten. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie, vanaf 1978, blijkt dat het al dan niet bestaan van gezag in een arbeidsverhouding een feitenkwestie is. (Cass. 11 januari 1978, Arr.Cass., 1978, 558; Cass. 19 maart 1979, Arr.Cass., 1978-1979, 830). In Cassatiearresten van recentere datum duikt de notie kwalificatie van de arbeidsverhouding door partijen op. In een arrest van 7 september 1992 stelt het Hof van Cassatie dat de rechter niet gebonden is door de kwalificatie die door partijen aan de tussen hen gesloten overeenkomst is gegeven. (Cass. 7 september 1992, J.T.T., 1993, 317). Volgens het Hof van Cassatie kan de rechter, zonder miskenning van de verbindende kracht van de overeenkomst, deze anders kwalificeren, mits vermelding van de feitelijke gegevens op basis waarvan andersluidend werd gekwalificeerd. Uit deze rechtspraak blijkt duidelijk dat de beoordeling door de rechter moet gebeuren aan de hand van de feitelijke gegevens, eigen aan elke zaak. Uit de recente arresten van het Hof van Cassatie waarnaar appellant verwijst blijkt dat het Hof van Cassatie niet langer vertrekt van de feite-lijke elementen, zoals het dat voorheen wel deed. Het uitgangspunt voor de beoordeling van het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding is voortaan de kwalificatie die partijen aan hun overeenkomst hebben gege-ven. Aan die kwalificatie kan niet worden geraakt wanneer de feitelijke elementen die niet uitsluiten. Volgens professor W. Van Eeckhoutte breken de nieuwe arresten van het Hof van Cassatie niet brutaal met de cassatierechtspraak over het begrip gezag sedert
  31. Immers, het feit dat de rechter geen andere kwalifi-catie in de plaats mag stellen wanneer de feitelijke elementen niet onvere-nigbaar zijn met de door partijen gegeven kwalificatie, impliceert niet dat de rechter gebonden is door de kwalificatie van partijen en het betekent evenmin dat hij de feitelijke toestand niet zou mogen onderzoeken aan de hand van de feitelijke gegevens. (Van Eeckhoutte, W., 'Het begrip gezag in de rechtspraak van het Hof van Cassatie van de 21e eeuw', Actualia Sociaal 2004, Studiedag, Associare, Gent, 30 januari 2004). Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat een gezonde achterdocht bij de rechter ten aanzien van het sociologisch profiel dat de partijen voor-houden in de bewoordingen van hun overeenkomst meer dan ooit op zijn plaats is. Immers, het dwingend of openbare orde karakter van het soci-aal recht verbiedt partijen om vrij te beslissen over de toepasselijkheid van dit recht en het verplicht de rechter om de werkelijke aard van de overeenkomst van partijen na te gaan en zich niet te veel te laten leiden door de benoeming van het contract die vaak ingegeven is door opportu-nistische motieven. De recente rechtspraak van het Hof van Cassatie kan dus zeker niet geïn-terpreteerd worden als een aardverschuiving, wat de verdedigers van de primauteit van de kwalificatie van de overeenkomst door partijen maar al te graag zouden willen. Het Hof van Cassatie heeft wellicht alleen maar, rekening houdend met de maatschappelijke realiteit, voorzichtig willen wijzen op het bestaan van de principes van het verbintenisrecht zonder dat de doorwerking daarvan de beschermende rol van het sociaal recht volledig op de helling plaatst. Bovendien blijkt uit het verbintenisrecht zelf dat de civiele wetgever een zekere argwaan aan de dag legt wanneer hij het over de uitlegging van overeenkomsten heeft. Zo blijkt uit artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek dat moet nagegaan worden welke de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen is geweest, veeleer dan zich aan de letterlijke zin van de woorden te houden. De rechter is dus verplicht de werkelijke bedoeling van de partijen na te gaan, dit is de overeenkomst uit te leggen, zelfs indien hij hierbij moet afwijken van een normale betekenis van de gebruikte be-woordingen. (Cass. 24 maart 1988, Arr.Cass., 1987-1988, 972; Cass. 24 september 1992, Arr.Cass., 1991-1992, 1131). Het resultaat van de uitlegging door de rechter kan derhalve zowel door intrinsieke als extrinsieke elementen bepaald worden. Geïntimeerde benadrukt terecht het openbare orde karakter van de werk-loosheidsreglementering. Het onwettelijk toekennen van werkloosheidsuitkeringen zou als gevolg hebben dat hierdoor gelden worden afgewend van hun wettelijke bestem-ming en aan de gemeenschap van gerechtigden worden onttrokken, het-geen de werking van de openbare dienst en dus van de openbare orde in het gedrang zou brengen. De RVA kan enkel voordelen toekennen waarin de wet voorziet en onder de voorwaarden die daartoe worden bepaald. (Van Regenmortel, A., 'Enkele bedenkingen bij de betekenis en de draagwijdte van het begrip openbare orde in het sociaal recht' T.S.R., 1997, 67). De voorwaarden om van werkloosheidsuitkeringen te genieten, zoals die blijken uit de werkloosheidsreglementering, zijn de grenzen die door de overheid bij de uitoefening van deze rechten worden getrokken en vormen als het ware de organisatie van deze rechten zelf, die uit haar aard res-trictief is. (Gosseries, E.H., noot bij Arbh. Luik, 20 februari 1990, J.T.T., 1990, 182-183). De dekking van het sociaal risico door de werkloosheidsreglementering steunt op een bepaalde maatschappelijke consensus die erin bestaat dat de sociaal verzekerde door het vervangingsinkomen in staat moet gesteld worden in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te voorzien, wan-neer zijn inkomsten uit arbeid wegvallen. Het sociaal risico wordt echter enkel maar gedekt indien het gederfde historische arbeidsinkomen beant-woordt aan bepaalde wettelijke voorwaarden en met name de tegenpres-taties zijn van arbeidsprestaties verricht in een onder de sociale zeker-heid, sector werkloosheid, vallend beroep of onderneming (artikel 37 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991)." Het Hof is het volkomen eens met de visie van het Openbaar Ministerie en maakt zich deze overwegingen uitdrukkelijk eigen. 4.
  32. Het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding De chronologie van de hierboven onder punt 4.
  33. geschetste feiten en gebeurte-nissen, die overigens niet betwist worden, en de inhoud van de onder punt 4.
  34. integraal weergegeven verhoren van W.H. en S.H., duiden er op dat er in casu geen sprake kan zijn van een gezagsverhouding in de werkrelatie tussen vader en dochter in de periode van 5 juni 2000 tot en met 18 december
  35. De door W.H. voorgelegde attesten van de heren E. en N. zijn duidelijk "complaisance"-stukken die werden opgemaakt met het oog op huidig geding. Het "financieel plan" is niet gedateerd en overtuigt op zich geenszins. Nergens wordt door W.H. aangetoond dat de oprichting van de eenmanszaak van zijn dochter bedrijfseconomisch geïnspireerd was. Integendeel, uit het geheel van de feiten kan slechts afgeleid worden dat het hier om een fictieve firma ging, met als enig doel de sociale zekerheidsbelangen van W.H. veilig te stellen. W.H. was sedert de oprichting van de BVBA W. zaakvoerder, hij bleef steeds meerderheidsaandeelhouder, de eenmanszaak van de dochter legde nooit een daadwerkelijke bedrijfsactiviteit aan de dag en verdween zoals ze gekomen was, terwijl W.H. opnieuw zijn mandaat van zaakvoerder in de BVBA W. opnam. W.H. geeft trouwens toe dat hij als "werknemer" actief was in hetzelfde economische kader als datgene waarin hij zaakvoerder was van de BVBA W. Uit deze feiten en vaststellingen dient te worden afgeleid dat hij de ganse peri-ode van 5 juni 2000 tot en met 18 december 2001 werkend vennoot is gebleven en moet hij geacht worden bedrijvig te zijn geweest in de vennootschap, ten einde het geïnvesteerde kapitaal, waarvan hij, samen met zijn echtgenote, mede-eigenaar was, vruchten te laten opbrengen. Als werkend vennoot wordt men geacht, in het kader van de wetgeving op het sociaal statuut der zelfstandigen, tot bewijs van het tegendeel, zich in de voor-waarden tot onderwerping te bevinden, wanneer men een beroepsbezigheid uit-oefent in België die inkomsten kan opleveren zoals bedoeld in het Wetboek van Inkomstenbelastingen. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen W.H. en zijn dochter wordt derhalve niet geleverd. Het hoger beroep is ongegrond. Op die gronden, Het Hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, op de openbare terechtzitting van 6 april
  36. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalge-bruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van 7 februari 2003 (A.R.V. 25.733) van de Arbeidsrecht-bank te Turnhout. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoor-ziening, door W.H. begroot op 56,99 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift en 136,85 EUR rechtsplegingsvergoeding, en door het Hof vereffend op 55,77 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift en 136,84 EUR rechtsplegings-vergoeding; de kosten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden door het Hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op een juni tweedui-zend en vier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040601.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.