id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040603.3 Rolnummer: 2020161 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-07-01 00:28 Fiches 1 - 2 Na plaatsopneming in de sociale werkplaats is het Hof van mening dat de vraag van de werkgever om zijn personeel te zien werken zonder hoofddoek in casu mag worden aangemerkt als een gerechtvaardigde en redelijke eis. Door tijdens het eerste en enige sollicitatiegesprek te verklaren dat de hoofddoek niet zou worden verwijderd, heeft geïntimeerde haar aanwerving onmogelijk gemaakt. De werkgever die zich tijdens een sollicitatiegesprek geconfronteerd weet met een sollicitant die, in reactie op de niet onredelijke vraag om zich qua kledij te conformeren aan de wensen van de werkgever, onmiddellijk een weigerachtige houding inneemt, zal niet geneigd zijn om over te gaan tot een aanwerving van bedoelde sollicitant. De door geïntimeerde verstrekte verklaring en ingenomen houding dienen als een impliciete werkweigering te worden aangemerkt. Nopens het passend karakter van de aangeboden dienstbetrekking stelt het Hof dat de rechter moet oordelen over de vraag hoe fundamentele rechten en vrijheden met de werkloosheidsreglementering kunnen worden verzoend. Dit heeft dan ook tot gevolg dat in bepaalde gevallen een werknemer een aangeboden dienstbetrekking kan afwijzen wegens zijn religieuze opvattingen, meer bepaald wanneer vanuit deze motieven een morele dwang op het handelen van het betrokken individu uitgaat en hij geen andere regelingen had kunnen treffen om aan zijn religieuze verplichtingen te voldoen. In de praktijk komt het hierop neer dat de gemeenschap de gelovigen toestaat bij het oordelen van het passend karakter van de hen aangeboden dienstbetrekking de hen voorgeschreven regels en leer te eerbiedigen voor zover zulks geen overmatige belasting voor de samenleving meebrengt. Bij deze beoordeling wordt een dubbele toets gehanteerd : die van de ernst en die van de proportionaliteit. Wat de ernst betreft van het godsdienstig bezwaar is het noodzakelijk dat de betrokkene in het verleden en het heden de principes waar hij achter staat even ernstig heeft genomen als hij thans verlangt van de gemeenschap. Van de weigerende werkloze wordt een principiële belijdenis en een praktische consequentheid verwacht. Uit de door geïntimeerde bijgebrachte gegevens bewijst dat zij iemand is die op ernstige wijze het islamitisch geloof belijdt en dat zij op strijdbare wijze wenst op te komen voor haar godsdienstvrijheid- en beleving. Wat de proportionaliteit betreft dient nagegaan of de eis die de werkloze stelt niet buiten verhouding staat tot de maatschappelijke solidariteit. De rechter dient na te gaan of de werkloze door een onredelijk voorbehoud de mogelijkheden tot arbeidsbemiddeling en tewerkstelling te zeer hypothekeert. Het Hof is in casu van oordeel dat het godsdienstig gebod om een hoofddoek te dragen in aanwezigheid van vreemde personen de islamistische vrouw niet onbeschikbaar maakt voor de algemene arbeidsmarkt, gezien de meeste werkzaamheden perfect verenigbaar zijn met het dragen van een hoofddoek. Het is zeker zo dat het in casu gaat om een beperkte niet-beschikbaarheid die de overgrote meederheid van de betrekkingen onberoerd laat. De eis die geïntimeerde stelt, namelijk het mogen dragen van een hoofddoek tijdens het werk, is niet als buiten-proportioneel te bestempelen. De aangeboden dienstbetrekking was niet passend voor geïntimeerde zodat haar niet ten kwade kan geduid worden dat zij deze geweigerd heeft. COMMENTAAR Zie "De Juristenkrant" nr. 92, dd. 23 juni 2004, blz. 1 van de heer E. Van Hoorde. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toekenningsvoorwaarden - criteria passende dienstbetrekking - werkaanbod VDAB - werkweigering - geloofsovertuiging - hoofddoek - godsdienstvrijheid - ernst en proportionaliteit. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 51§2 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . RAAD VAN EUROPA rechten van de mens - werkloosheid - passende dienstbetrekking - werkaanbod VDAB - werkweigering - geloofsovertuiging - hoofddoek - godsdienstvrijheid - ernst en proportionaliteit. Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/EU - 04-11-1950 - 9,2° Nota: Gerangschikt onder V AN - artikel 51 ,§ 2 en onder IX C - artikel 9, 2°. Tekst van de beslissing Vierde Kamer Tegensprekelijk eindarrest art. 580 werkloosheid Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2020161 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE JUNI TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: RVA, met zetel gevestigd te appellant, verschijnend bij mr. B. KNAEPS, advocaat te Hasselt, tegen : Z. S., wonende te , geïntimeerde, verschijnend bij mr. F. H\REN loco mr. H. WARNANTS, advocaat te Hasselt. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 27 maart 2002 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 2 april 2002 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 26 april 2002; - de conclusies van appellant ontvangen ter griffie op 19 juli 2002 en de conclusies van geïntimeerde ontvangen ter griffie op 28 mei 2002; - het tussenarrest van 12 december 2002 inhoudende bevel tot plaatsopneming in de sociale werkplaats "D. P." ; - het proces-verbaal van plaatsopneming van 27 februari 2003; - de conclusies van appellant na plaatsopneming neergelegd ter griffie op 16 januari 2004 en de conclusies van geïntimeerde na plaatsopneming ontvangen ter griffie op 15 juli 2003. Na het mondeling advies van het openbaar ministerie verklaart appellant hieromtrent geen opmerkingen te hebben. Op haar verzoek verleent het Hof aan geïntimeerde toestemming om een conclusie over het advies ter griffie neer te leggen en bepaalt de termijn daartoe op tien dagen. Het Hof stelt echter vast dat geïntimeerde geen conclusie ter griffie neerlegde. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen. Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 1 april 2004. I. Feiten en voorafgaande procedure De feiten en voorafgaande procedure werden reeds voldoende omstandig uiteengezet in het tussenarrest van 12 december 2002 en behoeven hier geen herhaling; het Hof verwijst dienaangaande naar dit tussenarrest. II. In rechte A. Nopens de eis van de werkgever tot verwijdering van de hoofddoek tijdens het werk. Met voormeld tussenarrest heeft het Hof een plaatsopneming bevolen in de sociale werkplaats "D. P.", zijnde de werkgever waarvan het werkaanbod uitging dat volgens appellant door geïntimeerde ten onrechte als niet-passend zou geweigerd zijn geweest. Het Hof wenste met name te weten of de door de werkgever gestelde eis tot verwijdering van de islamitische hoofddoek een redelijke en gerechtvaardigde eis was en niet ingegeven was door andere motieven dan de door hem vooropgestelde veiligheidsreden. Na het plaatsbezoek staat voor het Hof vast dat de eis van de werkgever zeker niet door racistische motieven was ingegeven. In de werkplaats waren immers op een globaal personeelsbestand van 23 personen, 7 personen van allochtone afkomst tewerkgesteld. Verder kon de visu vastgesteld worden dat van alle op het ogenblik van de plaatsopneming aanwezige allochtone arbeidsters geen enkele een hoofddoek droeg. Tenslotte is gebleken uit de aard van het uitgevoerde werk en de hiertoe benodigde machines dat het dragen van de hoofddoek inderdaad een veiligheidsrisico inhield. Conform artikel 20, 2° van de Arbeidsovereenkomstenwet is de werkgever verplicht "als een goed huisvader" te zorgen dat de arbeid wordt verricht in behoorlijke omstandigheden met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid van de werknemer. De werkgever mag en kan bevelen geven inzake de technische verwezenlijking van het werk. Deze bevelen beperken zich niet tot het louter materiële aspect maar strekken zich eveneens uit tot het recht van de werkgever om te bevelen zich op een bepaalde manier te kleden. Kortom, het is de werkgever die de bedrijfscultuur bepaalt (Palumbo M. en Radermecker C. "Le voile islamique ou 'l'éternel' conflit entre un impératif religieux et une norme étatique, noot onder Arbrb. Hasselt, 1 maart 1995, Soc. Kron. 1996, 409-410). Van de werkgever kan niet worden gevraagd dat hij in naam van de godsdienstvrijheid afwijkingen moet toestaan op het algemeen arbeids- en veiligheidsregime. Het belang van de onderneming en haar werknemers moet steeds het uitgangspunt zijn. Wanneer de werkgever omwille van godsdienstige principes de veiligheid van zijn werknemers in het gedrang zou brengen pleegt hij een inbreuk op artikel 9 ,§ 2 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, alsook op artikel 20, 2° van de Arbeidsovereenkomstenwet. Dit risico mag de werkgever niet nemen. Rekening houdend met het voorgaande is het Hof van mening dat de vraag van de werkgever, "D. P.", om zijn personeel te zien werken zonder hoofddoek in casu mag worden aangemerkt als een gerechtvaardigde en redelijke eis. Overigens wordt zulks ook niet betwist door geïntimeerde (cfr. beroepsbesluiten geïntimeerde ontvangen ter griffie van het Hof op 28.05.2002, p. 3, alinea 6). B. Nopens de weigering van werk. Geïntimeerde, hierin gevolgd door de eerste rechter, stelt dat zij de aangeboden dienstbetrekking niet heeft geweigerd. Zij zou enkel naar waarheid de vraag van de werkgever in verband met het afzetten van de hoofddoek voor de stiktest hebben beantwoord. Het feit dat zij terzelfder tijd een voorbehoud geformuleerd heeft waaruit een onverenigbaarheid bleek tussen de eigen vrije godsdienstbeleving en de gestelde jobvereisten, betekent nog niet dat uit haar verklaringen een haar verwijtbare werkweigering vermag te worden afgeleid, aldus geïntimeerde en de eerste rechter. Het Hof is het niet eens met voormeld standpunt. Immers bij werkweigering kan het gaan om een directe/expliciete of om een indirecte/impliciete werkweigering. Bij een directe of expliciete werkweigering deelt de werkloze met zoveel woorden rechtstreeks - direct, onomwonden - mee dat hij het aangeboden werk niet wil aannemen of uitvoeren. Dergelijke situatie heeft zich in casu inderdaad niet voorgedaan; geïntimeerde heeft op geen enkel ogenblik expliciet meegedeeld het werk niet te willen accepteren. Bij een indirecte of impliciete werkweigering gaat het om verklaringen van de werkloze - of eventueel om een gedraging of handelwijze - waaruit onrechtstreeks kan worden afgeleid dat de werkloze het werk niet wil aannemen of uitvoeren. In functie van de aan geïntimeerde verweten inbreuk op de werkloosheidsreglementering, dient hier te worden beoordeeld of zij ten overstaan van de werkgever een voorbehoud, interpreteerbaar als impliciete werkweigering, geformuleerd heeft. Door de werkgever werd op het desbetreffende formulier als reden van niet-aanwerving van geïntimeerde het volgende vermeld: "Na gesprek niet op stikproef toegelaten: reden: wenst hoofddoek niet af te zetten tijdens het werk." Uit de processen-verbaal van verhoor van de directeur van "D. P." en van geïntimeerde respectievelijk op 10 april 2001 en 12 april 2001 evenals uit het verhoor van geïntimeerde bij de directeur van het werkloosheidsbureau Hasselt d.d. 22 mei 2001, blijkt naar het oordeel van het Hof afdoende dat geïntimeerde zich op het sollicitatiegesprek aanbood getooid met een hoofddoek - hetgeen weliswaar haar volste recht is - doch ook dat zij met zoveel woorden te kennen heeft gegeven dat zij deze hoofddoek niet wenste te verwijderen tijdens het werk. Zoals hoger reeds vermeld mag de werkgever aan zijn personeel bepaalde eisen stellen inzake het dragen van kledij tijdens het werk en dient meer specifiek de vraag van de werkgever om zijn personeel te zien werken zonder hoofddoek in huidig geval aangemerkt te worden als een gerechtvaardigde en redelijke eis (zie sub A). Echter, door tijdens het eerste en enige sollicitatiegesprek te verklaren dat de hoofddoek niet zou worden verwijderd, heeft geïntimeerde haar aanwerving onmogelijk gemaakt. De werkgever die zich tijdens een sollicitatiegesprek geconfronteerd weet met een sollicitant die, in reactie op de niet onredelijke vraag om zich qua kledij te conformeren aan de wensen van de werkgever, onmiddellijk een weigerachtige houding inneemt, zal niet geneigd zijn om over te gaan tot een aanwerving van bedoelde sollicitant. De door geïntimeerde verstrekte verklaring en ingenomen houding dienen als een impliciete werkweigering te worden aangemerkt. C. Nopens het passend karakter van de aangeboden dienstbetrekking. 1. Volgens geïntimeerde was de aangeboden dienstbetrekking niet passend omdat het aanvaarden ervan in strijd was met de vrije beoefening van haar godsdienst die gewaarborgd wordt door de Grondwet en ook beschermd wordt door internationale verdragen. Geïntimeerde is een aanhangster van de islam welke voorschrijft dat de vrouwen een hoofddoek dienen te dragen en gezien de aangeboden dienstbetrekking vereiste dat er zonder hoofddoek diende gewerkt, kon zij dit werk niet aannemen zonder het voorschrift van haar godsdienst te schenden. 2. In art. 22 tot 32bis van het Ministerieel Besluit van 26 november 1991 ter uitvoering van het Werkloosheidsbesluit, zijn een aantal objectieve criteria opgesomd voor de beoordeling van een passende dienstbetrekking. Deze criteria zijn echter niet limitatief (Cass. 12 december 1983, Arr. Cass. 1983-84, 430 en Cass. 30 januari 1984, Arr. Cass. 1983- 84, 643). Zo mogen religieuze motieven ook in aanmerking genomen worden om het passend karakter van een dienstbetrekking te beoordelen, hetgeen volgt uit de grondwettelijke bepalingen en de bescherming door internationale verdragen. Zo bepaalt artikel 19 van de Grondwet het volgende: "De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.