← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040604.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 04 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040604.5 Rolnummer: 2003-0101 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-04-10 Raadplegingen: 143 - laatst gezien 2026-07-02 10:19 Fiche De termijn van 180 dagen binnen dewelke men de hoedanigheid van zelfstandige moet hebben om van de gelijkstelling van de studieperiode te genieten, neemt een aanvang op 31 augustus van het laatste studiejaar. De hoedanigheid van zelfstandige vereist het bewijs van de betaling van de pensioenbijdragen als zelfstandige. Het bewijs van betaling van een bijdrage aan een 'speciale onderlinge kas voor gezinsbijslag' voldoet niet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige - Algemeen Vrije woorden: Sociale zekerheid voor zelfstandigen - rust- en overlevingspensioenen - vaststelling van het bedrag in functie van de loopbaan - bewijs van de loopbaan - gelijkstelling studieperiode - hoedanigheid zelfstandige binnen de 180 dagen na studie - aanvang - bewijs hoedanigheid - VIII B Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 72 - 10-11-1967 - 15 - 04 ELI link Pub nr 1967111030 Koninklijk Besluit - 22-12-1967 - 33, § 1, 1° - 02 ELI link Pub nr 1967122203 Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - blz. 476-478 Tekst van de beslissing ARREST A.R. Nr. 2030101 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER JUNI TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN, met zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 6, appellant, incidenteel geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. W. SMETS, advocaat te 2018 ANTWERPEN, tegen : IN, wonende te, geïntimeerde, incidenteel appellant, voor wie verschijnt: mr. I. DECLERCK loco mr. K. STAPPERS, advocaat te 2000 ANTWERPEN. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 4 april 2003, 6 februari 2004, 5 maart 2004 en van 2 april 2004; Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 6 februari 2004; Gelet op het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie gegeven op de openbare terechtzitting van 2 april 2004; Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het dossier van partijen. I. Rechtsplegingsstukken. Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: * het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 6 januari 2003, bij verstek van het R.S.V.Z. gewezen door de Arbeidsrechtbank van Antwerpen, dat aan partijen werd betekend op 8 januari 2003; * het verzoekschrift in hoger beroep van 7 februari 2003, per aangetekende post ontvangen ter griffie van dit Hof op maandag 10 februari 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 11 februari 2003; * de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 8 juli 2003; * het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, §2 van het Ger.W. van geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het Hof op 15 september 2003; * de conclusies voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 19 september 2003; * de beschikking van mevr. B. HOMANS, Eerste Voorzitter, in toepassing van artikel 747, §2 van het Ger.W. van 6 oktober 2003; * de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 november 2003; * de aanvullende conclusies voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 25 november 2003; * het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie? neergelegd ter zitting van 2 april 2004 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het Ger.W. op 2 april

  1. II. Procedure in eerste aanleg. Op 8 oktober 2001 besliste het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, verder in dit arrest R.S.V.Z. genoemd, over de pensioenaanvraag van geïntimeerde in de volgende zin: "Het jaarlijks bedrag van uw rustpensioen ten laste van het pensioenstelsel der zelfstandigen beloopt 320.173 BEF (7.936,88 EUR) op 01/06/2001." De oorspronkelijke vordering van IN (ingeleid bij brief, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank van Antwerpen op 4 januari 2002) strekte ertoe beroep aan te tekenen tegen deze beslissing van het R.S.V.Z. van 8 oktober
  2. Hij vorderde dat zijn studiejaren mee in aanmerking zouden worden genomen bij het bepalen van de beroepsloopbaan. Bij vonnis van 6 januari 2003 werd de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard. III. Eisen in hoger beroep. Het R.S.V.Z. tekende beroep aan tegen het vonnis a quo met verzoekschrift van 7 februari 2003 per aangetekende post, ontvangen er griffie van dit Hof op 10 februari 2003 steunende op de volgende gronden: "Schending van de bepalingen van artikel 34, lid 1, 2°, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen aangezien in het vonnis van 6 januari 2003 de studieperiode gelijkgesteld wordt met een periode van beroepsbezigheid als zelfstandige terwijl er tussen het einde van de studieperiode en de aanvang van de beroepsbezigheid als zelfstandige méér dan 180 dagen gelegen zijn. Schending tevens van de bepalingen van artikel 15, § 1, lid 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen aangezien de rechter verkeerdelijk de betaling van bijdragen aan een vroegere onderlinge kas voor kinderbijslag in het kader van de wet van 10 juni 1937 houdende uitbreiding van de kinderbijslag tot werkgevers en niet-loontrekkende arbeiders beschouwt als pensioenbijdragen. Schending tenslotte van de bepalingen van artikel 15 van het voormeld koninklijk besluit van 22 december 1967 vermits de arbeidsrechter stelt dat voor de berekening van het rustpensioen de studieperiode van 1 januari 1956 tot 30 september 1961 mee in aanmerking moet genomen worden terwijl de verschuldigde bijdragen voor de periode van 1 januari 1957 tot 30 september 1961 nog niet betaald zijn. Deze periode kan overeenkomstig het vermeld artikel 15 maar in de beroepsloopbaan opgenomen worden wanneer de totaliteit van de verschuldigde bijdragen betaald werd en een invloed hebben op het rustpensioen als zelfstandige ten vroegste de eerste van de maand volgend op de maand van betaling." Bij conclusies, ontvangen ter griffie van dit Hof op 8 juli 2003, stelt geïntimeerde incidenteel beroep in en hij vordert thans dat een volledige beroepsloopbaan van 45 jaren in aanmerking zou worden genomen bij de berekening van zijn pensioen. IV. Ontvankelijkheid. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn dan ook ontvankelijk. V. Ten gronde.
  3. Feiten. Op 22 februari 2001 vroeg IN zijn pensioen aan van zelfstandige. Op 8 oktober 2001 werd hem door het R.S.V.Z. kennis gegeven van de beslissing inzake toekenning. Het jaarlijks bedrag van het rustpensioen wordt vastgesteld op 7.936,88 EUR, betaalbaar vanaf 1 juni
  4. Uit de verantwoording van het pensioenbedrag blijkt dat er een recht op pensioen werd geopend voor 38,75 jaren, te weten van 1 april 1962 tot 31 december
  5. De loopbaanbreuk die in aanmerking wordt genomen is gelijk aan 38,75/45sten. Betrokkene tekende beroep aan tegen deze beslissing op 4 januari
  6. Hij is van oordeel dat zijn studiejaren mee in aanmerking moeten worden genomen om zijn beroepsloopbaan vast te stellen omdat er geen 180 dagen verlopen waren tussen 20 september 1961, dag waarop het laatste door hem gevolgde schooljaar eindigde en 1 januari 1962, dag waarop hij zelfstandige werd. In zijn conclusies voegt hij eraan toe dat ook de periode van 1 januari tot 31 maart 1962 aan zijn loopbaan als zelfstandige moet worden toegevoegd. De eerste rechter verklaarde in zijn vonnis van 6 januari 2003 de vordering ontvankelijk en gegrond, vernietigde de bestreden administratieve beslissing en zegde voor recht dat voor de berekening van het rustpensioen de studieperiode vanaf 1 januari 1956 tot en met september 1961 in aanmerking dient te worden genomen als een periode van zelfstandige activiteit. De eerste rechter verzond het dossier voor herberekening van de pensioenuitkering naar de bevoegde diensten en veroordeelde het R.S.V.Z. tot de kosten.
  7. Beoordeling. Het Openbaar Ministerie omschrijft terecht het voorwerp van de vorderingen in hoger beroep als volgt: "De Eerste Rechter steunt de gelijkstelling van de studieperiode vanaf 1 januari 1956 tot en met september 1961 ook op de vaststelling dat geïntimeerde zijn studies beëindigde einde september 1961 en zich aansloot en bijdrage betaalde aan een sociaal verzekeringsfonds vanaf 1 januari
  8. Dit is, aldus de Eerste Rechter, binnen de 180 dagen na de beëindiging van zijn studies. Appellant houdt voor dat geïntimeerde zich pas op 1 april 1962 aangesloten heeft bij een sociaal verzekeringsfonds en pas vanaf dan de verschuldigde bijdrage heeft betaald zodat de periode die voorafgaat aan 1 april 1962 niet in aanmerking kan genomen worden bij de vaststelling van de beroepsloopbaan van de geïntimeerde. Verder is appellant van oordeel dat de studieperiode 1956-1961 niet kan gelijkgesteld worden met de periode van beroepsbezigheid als zelfstandige omdat er meer dan 180 dagen verlopen zijn tussen het einde van de studieperiode en het ogenblik waarop geïntimeerde de hoedanigheid van zelfstandige heeft verworven. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het eerste vonnis in zoverre daarin de gelijkstelling van de studieperiode werd aanvaard voor de berekening van zijn rustpensioen. Met zijn incidenteel beroep beoogt hij een rechtzetting van de "vergetelheid" van de Eerste Rechter met betrekking tot de periode vanaf 1 januari 1962 tot en met 31 maart
  9. Tenslotte vordert geïntimeerde dat de periode vanaf 1 januari 2001 tot 31 mei 2001 eveneens in aanmerking dient genomen te worden voor het bepalen van zijn beroepsloopbaan." Bij de beoordeling kan het Hof zich aansluiten bij het advies van het Openbaar Ministerie. Het hoofdberoep: De gelijkstelling van de studieperiode vanaf 1 januari 1956 tot en met september
  10. Overeenkomstig artikel 33, §1,
  11. van het Koninklijk Besluit van 22 december 1967, houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, worden met periodes van bezigheid gelijkgesteld, de studieperiodes in België of in het buitenland doorgemaakt na 31 december van het jaar gelegen voor dit van de 20ste verjaardag van de zelfstandige. Overeenkomstig §2,
  12. van dit artikel 33, dekt de door dit artikel beoogde gelijkstelling, naast de eigenlijke studieperiode, tevens het tijdvak dat begrepen is tussen het einde van de studieperiode en de aanvang van een zelfstandige activiteit, op voorwaarde dat deze aanvang plaatsvindt binnen de 180 dagen te rekenen vanaf het einde van de studieperiode. Artikel 34 van voornoemd Koninklijk Besluit bepaalt dat de door artikel 33 beoogde gelijkstelling slechts wordt toegekend indien één van de volgende twee voorwaarden vervuld zijn:
  13. hetzij de hoedanigheid van zelfstandigheid bezitten op het ogenblik waarop de studieperiode is begonnen;
  14. hetzij de hoedanigheid van zelfstandige hebben verworven binnen 180 dagen na het einde van de studieperiode. Artikel 33, §1,
  15. van het Koninklijk Besluit van 22 december 1967 bepaalt bovendien wat, voor de toepassing van dit artikel, moet worden verstaan onder studieperiode, met name: de periode gedurende dewelke dagcursussen met volledig leerplan worden gevolgd. Het studiejaar wordt geacht een aanvang te nemen op 1 september van een jaar en te eindigen op 31 augustus van het volgende jaar. Hieruit kan worden afgeleid dat het theoretisch startpunt van de termijn van 180 dagen (te rekenen vanaf het einde van de studieperiode) wettelijk bepaald is op 31 augustus van het jaar waarin men de studie heeft beëindigd. De vraag is nu of geïntimeerde de hoedanigheid van zelfstandige heeft verworven binnen 180 dagen na het einde van zijn studieperiode. Artikel 28, §2 van het Koninklijk Besluit van 22 december 1967 bepaalt dat onder bezigheid als zelfstandige (die als voorwaarde wordt gesteld voor de opening van het recht op de gelijkstelling), moet worden verstaan die bezigheid die het recht op het rustpensioen als zelfstandige kan doen ontstaan. Uit artikel 15 van het Koninklijk Besluit nummer 72 van 10 november 1967, betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, blijkt dat voor de jaren vanaf 1957, het bewijs van de beroepsbezigheid als zelfstandige voor de opening van het recht op rustpensioen, wordt geleverd door de betaling der pensioenbijdragen, verschuldigd krachtens de wetten die het pensioenstelsel der zelfstandigen regelen. Uit de elementen van het dossier blijkt dat geïntimeerde zich pas op 1 april 1962 aangesloten heeft bij een sociaal verzekeringsfonds en pas vanaf dan de verschuldigde bijdrage heeft betaald (stuk B12 van het administratief dossier). De mogelijkheid van geïntimeerde om zijn beroepsbezigheid als zelfstandige vóór 1 april 1962 te bewijzen aan de hand van geschriften of documenten welke tijdens de betwiste periode werden opgemaakt (toepassing artikel 19 van het Koninklijk Besluit van 22 december 1967) moet niet worden onderzocht aangezien geïntimeerde zelf uitdrukkelijk in conclusies stelt dat hij geen helper (zonder loon) bij zijn vader is geweest. Vermits het scharniermoment niet 1 januari 1962, maar 1 april 1962 is, datum waarop geïntimeerde zich heeft aangesloten bij een sociaal verzekeringsfonds voor de betaling van pensioenbijdragen, is op deze datum de termijn van 180 dagen overschreden. Volledigheidshalve kan worden opgemerkt dat deze termijn van 180 dagen ook overschreden blijft wanneer men zich, tegen de wettelijke bepalingen van artikel 33, §1 van het Koninklijk Besluit van 22 december 1967 in, plaatst op de voor geïntimeerde meest gunstige datum van het einde van zijn studieperiode, met name 30 september
  16. Het incidenteel beroep: de periode: 1 januari 1962 tot en met 31 maart
  17. Met toepassing van artikel 15, §1 van het Koninklijk Besluit nr. 72 van 10 november 1967 wordt het bewijs van de beroepsbezigheid als zelfstandige vanaf 1957 geleverd door de betaling van de pensioenbedragen, die verschuldigd zijn krachtens de wetten die het pensioenstelsel der zelfstandigen regelen. Uit de stukken B12 en B13 van het administratief dossier blijkt dat geïntimeerde zich bij een sociaal verzekeringsfonds slechts heeft aangesloten én pensioenbijdragen heeft betaald vanaf het tweede kwartaal van
  18. De bijdragen waarnaar stuk B7 in het administratief dossier verwijst zijn geen pensioenbijdragen maar bijslagen inzake kinderbijslag. De speciale onderlinge kas nr. 1 waarover geïntimeerde het heeft, is een speciale onderlinge kas voor kindertoeslagen die werd ingesteld ten behoeve van de werkgevers en de niet loontrekkende arbeiders, horende tot bepaalde bedrijfstakken, waaronder de diamantindustrie en de diamanthandel waarin geïntimeerde actief was. In de hoofding van het schrijven van de speciale onderlinge kas nummer 1 van 7 juni 1967 (stuk B7 van het administratief dossier), gericht aan geïntimeerde, wordt verwezen naar het Koninklijk Besluit van 24 juli 1939 houdende inrichting van speciale onderlinge kassen voor kindertoeslagen (Belgisch Staatsblad van 12 augustus 1939) (zie ook documentatie in het dossier van appellant). In dit Koninklijk Besluit kan overigens worden gelezen dat elke aansluiting retroactief terugging tot de eerste dag van het semester waarbinnen ze gebeurde. Dus de bewering van geïntimeerde dat hij als zelfstandige aangesloten was vanaf 1 januari 1962 is niet zo zeker. Ten overvloede verklaart geïntimeerde niet waarom, wanneer hij aangesloten was vanaf 1 januari 1962 zoals hij beweert, hij zich op 1 april bij een andere kas aansloot. Vermits geïntimeerde niet naar recht bewijst dat hij een pensioenbijdrage heeft betaald aan een sociale verzekeringskas kan hij met betrekking tot de periode vanaf 1 januari 1962 tot 1 april 1962 geen aanspraak maken op een rustpensioen als zelfstandige. Ook de vergelijking door geïntimeerde met het dossier van zijn vader beantwoordt niet aan het bewijs in rechte. Daartoe is het stuk dat hij terzake voorlegt (zijn stuk 10) onvoldoende bewijskrachtig vermits er niet wit op zwart kan uit afgeleid worden dat appellant destijds het betalen van bijdragen aan de speciale onderlinge kas nr. 1 aanvaardde als bewijs van zelfstandige bezigheid in het kader van het pensioendossier van de vader. Verder is niet duidelijk of de omstandigheden perfect vergelijkbaar zijn. Het incidenteel beroep: de periode: 1 januari 2001 tot en met 31 mei
  19. Deze periode kan niet in aanmerking genomen worden voor het rustpensioen als zelfstandige. Het R.S.V.Z. verwijst hier terecht naar artikel 4, §3 van het Koninklijk Besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, §1, ten vierde van de Wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie (Belgisch Staatsblad 6 maart 1997). Artikel 4 voornoemd bepaalt dat het rustpensioen, toe te kennen in functie van de loopbaan, wordt uitgedrukt door een breuk. In §3 van voornoemde bepaling staat dat de teller van deze breuk wordt verkregen door het getal dat het totaal van de kwartalen uitdrukt die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het rustpensioen en die gelegen zijn voor het jaar waarin het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat, te delen door vier. Hieruit volgt dat de kwartalen die gelegen zijn in 2001, met name in het jaar dat het rustpensioen van geïntimeerde ingaat, niet in aanmerking kunnen worden genomen. Besluit. Het hoofdberoep is ontvankelijk en gegrond. Het incidenteel beroep is ontvankelijk, doch ongegrond. Het vonnis van de Eerste Rechter dient te worden vernietigd en de administratieve beslissing van het R.S.V.Z. van 8 oktober 2001 dient integraal te worden hersteld. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 2 april 2004, waarop door geïntimeerde laattijdig werd gerepliceerd. Na beraadslaging recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 6 januari
  20. Bevestigt dienvolgens de oorspronkelijke beslissing van het R.S.V.Z. van 8 oktober
  21. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Wijst geïntimeerde er van af. Legt de kosten van hoger beroep in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek ten laste van geïntimeerde. Vereffent de kosten aan de zijde van geïntimeerde op 136,84 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep. De kosten aan de zijde van appellant werden niet begroot en aldus door het Hof niet vereffend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van vier juni tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: mevrouw G. ADRIAENSENS, Raadsheer, wnd. Voorzitter, de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, mevrouw M. PATTYN, Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. L. VAN CALSTER M. PATTYN J. VERHAVERT G. ADRIAENSENS PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040604.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.