← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040607.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040607.3 Rolnummer: 2003-0577 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-01 00:29 Fiche De wet van 11 juni 2002 heeft geen retroactieve werking, zodat feitelijkheden daterend van voor de inwerkingtreding van deze wet op 1 juli 2002 niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de vraag of ze kunnen worden aangemerkt als "pestgedrag". Indien er evenwel feiten voorhanden zijn die dateren van na de inwerkingtreding van de wet die kunnen worden beschouwd als het verder zetten van feiten voor de inwerkingtreding, dan komen deze vroegere feiten in aanmerking voor de beoordeling van de zwaarwichtigheid van de feiten na de inwerkingtreding. Artikel 32undecies van de Welzijnswet voorziet in een omkering van de bewijslast indien de belanghebbende feiten kan aanvoeren die het bestaan van pestgedrag kunnen doen vermoeden. Een loutere bewering is hiertoe onvoldoende. Vereist is dat de belanghebbende duidelijk omschreven gedragingen van personen aanvoert die in tijd en ruimte zijn omschreven en terug te brengen zijn op identificeerbare personen, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat dit mogelijk pestgedrag is. De loutere bewering van een roddelcampagne is derhalve niet voldoende. De vaststelling dat de door de werknemer ingeroepen feiten niet worden beschouwd als pestgedrag, is op zichzelf onvoldoende om te kunnen gewagen van een misbruik van recht. Het feit dat de werknemer zich rechtstreeks tot de rechter heeft gewend, zonder eerst gebruik te maken van de interne procedure, kan hem niet worden verweten, nu de wetgever deze mogelijkheid specifiek heeft voorzien. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSWET . WELZIJN OP HET WERK welzijnswet - pesterijen op het werk - werking in de tijd - niet-retroactieve werking - feiten voor inwerkingtreding - beoordeling - ontslag - omkering van de bewijslast - vereisten - begrip feit - misbruik. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32undecies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Wet - 11-06-2002 - 5 - 31 ELI link Pub nr 2002012823 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00008,P.446-449) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2030577 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN JUNI TWEEDUIZEND EN VIER F. D., wonende te bus 1, appellant, geïntimeerde op incidenteel beroep vertegenwoordigd door mr. M. HUYGAERTS, advocaat te 2360 Oud-Turnhout, tegen : 1° S.K., openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, vertegenwoordigd door haar raad van bestuur, met zetel gevestigd 2° L. T., wonende te geïntimeerden, appellanten op incidenteel beroep vertegenwoordigd door mr. S. VAN CAUWENBERGHS loco mr. G. VAN DEN EYNDE, advocaat te 2440 Geel. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 15 maart

  1. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 3 november 2003, 15 maart 2004, 19 april 2004 en 3 mei
  2. I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 10 juli 2003 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout, volgens de S.K. en de heer T. betekend op 1 september 2003, doch waarvan het bewijs van betekening niet wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep van de heer D. ontvangen ter griffie van dit Hof op 29 september 2003; x de conclusie van de S.K.en de heer T. ontvangen ter griffie van dit Hof op 20 oktober 2003 waarbij incidenteel beroep wordt ingesteld; x de beschikking d.d. 28 november 2003 overeenkomstig artikel 747,§2 Gerechtelijk Wetboek; x de conclusie van de heer D., ontvangen ter griffie van dit Hof op 30 december 2003; x de syntheseconclusie van de S.K. en de heer T. ontvangen ter griffie van dit Hof op 13 januari 2004; x de syntheseconclusie van de heer D. ontvangen ter griffie van dit Hof op 29 januari 2004; x het advies van het openbaar ministerie neergelegd ter zitting van 3 mei 2004; x de kennisgeving van het advies van het openbaar ministerie aan partijen verzonden op 3 mei 2004; x de repliek op het advies van het openbaar ministerie van de heer D. ontvangen ter griffie van dit Hof op 12 mei
  3. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidend verzoekschrift ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Turnhout op 7 november 2002 vorderde de heer D. de volgende maatregelen uit te spreken ten laste van de S. K.en de heer T. : - het bevel om onmiddellijk een einde te maken aan de pesterijen, conform artikel 32 decies Wet 4 augustus 1996, waarbij er een sanctie wordt gekoppeld aan het niet-beëindigen van de pesterijen, conform artikel 88 bis Wet 4 augustus 1996 - een vergoeding, conform artikel 32 tredecies ,§4 Wet 4 augustus 1996, in toepassing van artikel 32 tredecies ,§5, 1° Wet 4 augustus 1996, gelijk aan het brutoloon van 6 maanden. De heer D. vorderde verder de S.K. en de heer T. solidair, zoniet in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere, tevens te veroordelen tot de kosten en vorderde bovendien het te vellen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, met uitsluiting van de mogelijkheid tot borgstelling en kantonnement. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Turnhout op 19 december 2002 vorderden de S.K. en de heer T. het verzoekschrift nietig te verklaren; dienvolgens de vordering onontvankelijk te verklaren, zoniet ongegrond. De S.K. en de heer T. stelden een tegenvordering in wegens tergend en roekeloos gedingvoeren en vorderden elk een schadevergoeding van 1.000,00 EUR. Ondergeschikt vorderden de S.K. en de heer T. de persoonlijke verschijning van partijen te gelasten. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Turnhout op 24 januari 2003 vorderde de heer D. zijn vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve te bevelen om onmiddellijk een einde te maken aan de pesterijen, conform artikel 32 decies van de wet van 4 augustus 1996, waarbij er een sanctie wordt gekoppeld aan het niet beëindigen van de pesterijen conform artikel 88 bis van de wet 4 augustus 1996 en de S.K. en de heer T. solidair, zoniet in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 17.113,14 EUR meer de gerechtelijke intresten vanaf 6 november 2002 tot de datum van de uiteindelijke betaling. Ondergeschikt de heer D. toe te staan tot het bewijs met alle middelen van recht getuigen inbegrepen dat: - hij ook na 1 juli 2002 voortdurend vernederd en uitgescholden werd door aangestelden van de S.K. en door de heer T. - dat de heer T. het gezag van de heer D. ondermijnde door de leerlingen te laten begaan in hun daden en strafstudies in te houden, met de bedoeling de heer D. te pesten - dat de heer T. vertrouwelijke informatie meedeelde aan derden, zowel aan collega's als aan de leerlingen, als aan ouders, met de bedoeling de heer D. zwart te maken. De heer D. vorderde de tegeneis van de S.K. en de heer T. af te wijzen als ongegrond en, het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling. Bij vonnis van 10 juli 2003 werd de hoofdvordering zowel als de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de heer D. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen en, opnieuw recht sprekend over de hoofdvordering, deze ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens te bevelen om onmiddellijk een einde te maken aan de pesterijen, conform artikel 32 decies van de Wet 4 augustus 1996, waarbij er een sanctie wordt gekoppeld aan het niet beëindigen van de pesterijen conform artikel 88 bis Wet 4 augustus 1996 en, de S.K. en de heer T. solidair, zoniet in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 17.113,14 EUR, meer de gerechtelijke intresten vanaf 6 november 2002 tot de datum van de uiteindelijke betaling. Ondergeschikt vordert de heer D. toegelaten te worden tot het bewijs met alle middelen van recht getuigen inbegrepen dat: - hij ook na 1 juli 2002 voortdurend vernederd en uitgescholden werd door aangestelden van de S.K. en door de heer T. - dat de heer T. het gezag van de heer D. ondermijnde door de leerlingen te laten begaan in hun daden en strafstudies in te houden, met de bedoeling de heer D. te pesten - dat de heer T. vertrouwelijke informatie meedeelde aan derden, zowel aan collega's als aan de leerlingen, als aan ouders, met de bedoeling de heer D. zwart te maken. De heer D. vordert de tegeneis af te wijzen als zijnde ongegrond en recht doende op het incidenteel beroep, dit ongegrond te verklaren. Bij syntheseconclusie ontvangen ter griffie van dit Hof op 13 januari 2004 vorderen de S.K. en de heer T. het hoger beroep van de heer D. onontvankelijk te verklaren zo niet, ongegrond en, het door de S.K. en de heer T. ingestelde incidenteel beroep gegrond. Zij vorderen akte te verlenen van hun vordering tot toekenning van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep en dienvolgens de heer D. te veroordelen tot betaling van 2.000,00 EUR aan de S.K. en de heer T. ieder afzonderlijk. Ondergeschikt de persoonlijke verschijning toe te staan. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het hoger beroep en het incidenteel beroep in de formele zin ontvankelijk zijn. De S.K. en de heer T. houden voor dat het beroep als onontvankelijk moet worden afgewezen, vermits de heer D. nagelaten heeft ook maar enige grief tegen het eerste vonnis te vermelden in zijn verzoekschrift (art. 1057, 7° Ger.W.) Samen met de S.K. en de heer T. moet inderdaad worden vastgesteld dat in het verzoekschrift onder punt 2: "Kritiek op het bestreden vonnis", de eerste 4 'punten' enkel een aanhaling zijn van beslissingen van de eerste rechter waarbij de heer D. zich aansluit, hetgeen duidelijk niet als 'grief' kan beschouwd worden. De volgende passages van het verzoekschrift bevatten echter wel degelijk kritieken (dit wil zeggen grieven) op het eerste vonnis: (zonder ze te citeren) - 2.1-5 - 2.2 omkering van de bewijslast - 2.3 ten gronde Zonder ze in extenso te ontleden, kan uit het samen lezen van al deze passages toch worden opgemaakt welke nu juist de kritieken zijn van de heer D. op het bestreden vonnis. Er kan trouwens ten overvloede op gewezen worden dat tijdens de pleidooien door de S.K. en de heer T. niet écht werd aangedrongen op dit vlak. Het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard. V. TEN GRONDE
  4. de feiten De heer D. geeft sedert 1979 les aan het KTA te Turnhout, waar hij sedert 1 september 1994 als vast benoemd lid van het onderwijzend personeel tewerkgesteld is. Tevens was hij in de periode van 1 september 1999 tot 16 februari 2001 gedeeltelijk wedertewerkgesteld in de basisschool te Ravels. Aan het einde van de kerstvakantie 1999-2000 zou er een betwisting ontstaan zijn tussen enerzijds hemzelf en anderzijds de S.K. en de heer T. aangaande een reaffectatie in het KTA nadat een ander personeelslid ziek geworden was. De heer D. maakte aanspraak op de vrijgekomen lesuren, maar werd aanvankelijk "gepasseerd" wanneer die lesuren aan een ander personeelslid werden toebedeeld. Naderhand, meer bepaald medio februari 2001, werd de toestand geregulariseerd, en werd de heer D. toch gereaffecteerd in het KTA. Op 11 mei 2001 dagvaardde de heer D. de S.K. voor de Burgerlijke Rechtbank te Turnhout, waarbij hij een schadevergoeding vorderde omdat hij laattijdig zou gereaffecteerd zijn (deze vordering werd bij vonnis van 11 februari 2003 als onontvankelijk afgewezen, maar de heer D. stelde hoger beroep in). Volgens de heer D. was deze betwisting de aanzet van een pestcampagne tegen hem die zou bestaan hebben uit: - scheldwoorden en beledigingen in confrontaties met de heer T.. - door de heer D. opgelegde strafstudies zouden door de heer T. opgeheven/ingehouden zijn. - door verschillende leerlingen zouden verscheidene materialen naar het hoofd van de heer D. geslingerd zijn, en de heer T. zou op deze feitelijkheden zeer laks gereageerd hebben. - aan de heer D., die tevens vakbondsafgevaardigde is, zou geweigerd zijn documenten in te zien en vakbondsvergaderingen bij te wonen. - de vrije vrijdagnamiddag, waarop hij als vakbondsafgevaardigde recht zou hebben, zou hem meermaals geweigerd zijn. - door de heer T. zouden verschillende zaken/feiten/gegevens medegedeeld zijn aan derden. - de heer T. zou hem vals beschuldigd hebben. - de heer T. zou een roddelcampagne gelanceerd hebben tegen de heer D.. - in een brief van 3 juli 2002 waarin de heer D. uitgenodigd werd een hoorzitting bij te wonen en waarna beslist zou worden over zijn al dan niet preventieve schorsing, zou de algemeen directeur van de S.K. zodanige bewoordingen gebruikt hebben dat hieruit bleek dat de beslissing de facto reeds genomen was, wat zou getuigen van vooringenomenheid. - nadat de heer D. de procedure voor de Burgerlijke Rechtbank te Turnhout was gestart, werd hij stelselmatig negatief geëvalueerd door de heer T. en met name op 15 mei 2001 en 12 juni
  5. Op basis van deze elementen stelde de heer D. op 7 november 2002 een vordering in voor de Arbeidsrechtbank te Turnhout op grond van artikel 79 van de wet van 4 augustus 1996 (Welzijnswet) en op grond van hoofdstuk V bis van dezelfde wet, zoals ingevoegd door de wet van 11 juni 2002 (de Pestwet). Ondertussen was door de algemeen directeur van de S.K. een onderzoek gestart naar de bestaande problematiek, onderzoek dat zou worden uitgevoerd door onafhankelijke buitenstaanders. Dit onderzoek mondde uit in een voor de heer D. ongunstig resultaat. Voordien, met name op 6 juni 2001, had het college van directeurs van de S.K. besloten een pedagogisch adviseur te belasten met een begeleidings- en evaluatieopdracht ten opzichte van de heer D.. Deze evaluatie leidde tot een evaluatierapport van 3 juni 2002 en was negatief. Na de evaluatie van 12 juni 2002 door de heer T. tekende de heer D. hiertegen bezwaar aan bij de heer T., die echter de evaluatie bevestigde. De raad van bestuur besloot op 27 augustus 2002 de heer D. vanaf 2 september 2002 preventief te schorsen. Op 19 juli 2002 tekende de heer D. beroep aan bij de raad van beroep tegen de negatieve evaluatie van de heer T. en de pedagogisch adviseur. Op 9 januari 2003 werd het beroep van de heer D. afgewezen. Tenslotte besliste de raad van bestuur van de S.K. op 30 januari 2003 de definitieve neerlegging van het ambt uit te spreken. De heer D. diende een verzoek tot schorsing en vernietiging in bij de Raad van State tegen zowel de beslissing van de raad van beroep van 9 januari 2003, als tegen de beslissing van de raad van bestuur van 30 januari
  6. De verzoeken tot schorsing werden bij arresten van 18 september 2003 verworpen. De beslissing ten gronde is nog hangende bij de Raad van State. Ondertussen had de arbeidsrechtbank te Turnhout bij vonnis van 10 juli 2003 de vordering van de heer D. als ongegrond afgewezen. Dit vonnis werd betekend op 1 september
  7. Op 29 september 2003 stelde de heer D. hoger beroep in tegen dit vonnis.
  8. de beoordeling Voor wat betreft de hierna volgende uiteenzetting verwijst het Hof naar het in feite en in rechte uitmuntend onderbouwd advies van het openbaar ministerie, waarbij het Hof zich volledig kan aansluiten. Verder merkt het Hof op dat het niet gehouden is feiten te onderzoeken en te beoordelen die in het kader van een repliek op het advies van het openbaar ministerie voor het eerst worden aangevoerd en die de heer D. heeft nagelaten ten gepaste tijde in conclusies aan te voeren. Het spreekt voor zich dat evenmin rekening kan worden gehouden met stukken die na het sluiten van de debatten worden neergelegd. 2.
  9. recapitulatie van de vorderingen 2.1.
  10. de vorderingen van de heer D. Initieel vorderde de heer D. in hoofdorde dat de S.K. en de heer T. zouden veroordeeld worden tot het onmiddellijk doen stoppen van de pesterijen, en het "daaraan koppelen van een sanctie indien de pesterijen niet zouden stoppen", én de veroordeling van de S.K. en de heer T. solidair, zoniet in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere, tot betaling van een schadevergoeding van 17.113,14 EUR te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 6 november
  11. In ondergeschikte orde vordert de heer D. dat hem zou worden toegelaten om met alle middelen van recht, getuigenbewijs inbegrepen, te bewijzen dat: - hij ook na 1 juli 2002 voortdurend vernederd en uitgescholden werd door aangestelden van de S.K. en door de heer T.. - de heer T. zijn gezag ondermijnde door de leerlingen toe te laten strafstudies die door hem waren opgelegd, niet te laten "uitzitten". - de heer T. vertrouwelijke informatie meedeelde aan derden: zowel aan collega's, leerlingen en ouders, met de bedoeling de heer D. zwart te maken. Vermits tijdens de procedure werd besloten tot de definitieve neerlegging van het ambt van de heer D. en er dus geen arbeidsverhouding meer is tussen partijen, ziet de heer D. af van zijn vordering strekkende tot het "doen ophouden van de pesterijen". Dit werd niet aangegeven in conclusies, maar werd ter zitting door de raadsman van de heer D. aan het Hof gemeld. 2.1.
  12. de vorderingen van de S.K. en de heer T. De S.K. en de heer T. vorderen het hoger beroep van de heer D. niet ontvankelijk en minstens ongegrond te verklaren. Tevens vorderen de S.K. en de heer T. het door hen ingestelde incidenteel hoger beroep gegrond te verklaren en de heer D. te veroordelen tot een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van tweemaal 2.000 EUR. In ondergeschikte orde vorderen de S.K. en de heer T. om, vooraleer recht te spreken, een persoonlijke verschijning van partijen te bevelen. 2.
  13. werking in de tijd van de wet van 11 juni 2002 2.2.
  14. principe De wet van 11 juni 2002 werd op 22 juni 2002 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Door deze wet werd een hoofdstuk V bis ingevoegd in de "Welzijnswet". Volgens artikel 11 van de "Pestwet" treden de bepalingen van die wet in werking op de eerste dag van de maand volgend op de publicatie. Met andere woorden zijn de betrokken bepalingen in werking getreden op 1 juli
  15. Gelet op die datum van inwerkingtreding kan er in principe enkel rekening gehouden worden met "pestfeiten" van na die datum. Dit is het gevolg van het in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek geconsacreerde algemeen beginsel dat de wet enkel voor de toekomst beschikt en geen terugwerkende kracht heeft. Met andere woorden kunnen al de door de heer D. aangehaalde feitelijkheden, voor zover ze al in de tijd situeerbaar zijn en dateren van voor 1 juli 2002, niet in aanmerking genomen worden bij de beoordeling van de vraag of deze feitelijkheden aangemerkt kunnen worden als "pestgedrag". Uiteraard betekent dit niet dat met feiten die dateren van vóór 1 juli 2002 zonder meer geen rekening zou kunnen gehouden worden. Immers, indien er feiten voorhanden zijn die dateren van na de inwerkingtreding van de wet en die feiten beschouwd kunnen worden als het verder zetten van feiten van vóór de inwerkingtreding, dan lijkt het evident dat bij de appreciatie van de feiten van na de inwerkingtreding het bestaan van de feiten van vóór de inwerkingtreding mee in aanmerking kunnen genomen word om de zwaarwichtigheid van de feiten van na de inwerkingtreding te wegen. Het voortgezet karakter van die feiten zal dan moeten aangetoond worden. 2.2.
  16. toepassing De toepassing van voormeld beginsel leidt tot de volgende vaststellingen. De heer D. was sedert 1 september 2002 preventief geschorst en hij is dus in feite sedert de inwerkingtreding van de wet (bijna) nooit meer professioneel actief geweest voor de S.K.. De laatste activiteit van de heer D. als leerkracht situeerde zich immers op het einde van het schooljaar 2001-2002 (juni 2002) en dus vóór de inwerkingtreding van de wet. Dit houdt dan ook in dat bijna alle aangevoerde "pestfeiten" niet in aanmerking genomen kunnen worden, behalve dan die feiten die te situeren zijn na 1 juli
  17. Die feiten zouden volgens de heer D. de volgende zijn:
  18. een voortgezette roddelcampagne
  19. de brief van de directeur van de Scholengroep van 3 juli 2002
  20. het meedelen van vertrouwelijke informatie aan derden
  21. de weigering tot inzage van documenten in zijn hoedanigheid van vakbondsafgevaardigde
  22. het niet antwoorden op vragen in verband met de door hem aangekochte computer en het schadegeval. De punten 2 en 5 zijn duidelijk te situeren in de tijd en dateren van na 1 juli 2002, zodat ze alleszins binnen het temporeel toepassingsgebied van de wet vallen. Punt 4 daarentegen is echter niet in de tijd omschreven, behalve dan op pagina 7 (punt 9) van de synthesebesluiten van de heer D. waar hij verwijst naar feiten van 8 januari 2002 en 26 februari
  23. Met het door de heer D. in zijn repliek op het advies van het openbaar ministerie aangevoerde feit dat er zich op 28 augustus 2002 nog een ander feit dat verband houdt met de roddelcampagne zou voorgedaan hebben, kan geen rekening worden gehouden, nu dit feit nieuw is (vermits het niet in conclusies werd aangevoerd) en in het kader van een repliek niet regelmatig aan de beoordeling van het Hof kan voorgelegd worden. Punt 4 kan dan ook niet in aanmerking genomen worden, vermits ze dateren van voor de inwerkingtreding van de wet. Met betrekking tot punt 3 dient een onderscheid gemaakt te worden tussen een aantal feitelijkheden die niet in de tijd omschreven zijn, maar waarvan de heer D. beweert dat ze voortduurden na de schorsing: - het meedelen van medische informatie aan derden door de heer T., onder andere aan diens echtgenote - het verspreiden van onwaarheden onder het personeel en derden. Die feiten kunnen niet ipso facto uitgesloten worden, vermits beweerd wordt dat ze voortduurden na de schorsing. Twee andere feiten zijn wel in de tijd omschreven: - de heer T. zou aan een vader van een leerling vertrouwelijke informatie hebben medegedeeld, wat zou blijken uit een proces-verbaal van 11 oktober 2002 - op de deliberatie van 30 augustus 2002 zou de heer T. hebben gezegd dat de heer D. onbekwaam was en geschorst zou worden. Deze feiten dateren van na 1 juli 2002 en kunnen dus eventueel in aanmerking komen. Punt 1 tenslotte is ook niet in de tijd omschreven, maar de heer D. houdt voor dat de roddelcampagne voortduurde na zijn schorsing zodat er rekening mee gehouden moet worden. 2.
  24. de omkering van de bewijslast 2.3.
  25. principe Artikel 32 undecies van de Welzijnswet luidt als volgt: "Wanneer een persoon die een belang kan aantonen voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden, valt de bewijslast dat er zich geen geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk hebben voorgedaan ten laste van de verweerder. ...". De belanghebbende (in casu de heer D.) dient dus feiten aan te voeren die het bestaan van pesterijen kunnen doen vermoeden, om te kunnen genieten van de omkering van de bewijslast. Dit houdt echter niet in dat de loutere bewering van pestgedrag voldoende is om de bewijslast te zien omkeren. Het is bijvoorbeeld niet voldoende dat de belanghebbende zou zeggen "men roddelt over mij", om hieruit te mogen afleiden dat het dan zonder meer aan de verweerder staat om aan te tonen dat dit niet het geval is. De belanghebbende dient feiten aan te voeren. De heer D. moet met andere woorden duidelijk omschreven gedragingen van personen aanvoeren waaruit zou kunnen afgeleid worden dat dit mogelijk pestgedrag is. De aangevoerde feiten moeten dan ook voldoende in tijd en ruimte omschreven zijn, en terug te brengen op identificeerbare personen. 2.3.
  26. toepassing De toepassing van voormeld principe heeft tot gevolg dat van de aangevoerde feiten die nog kunnen in acht genomen worden ingevolge de toepassing van de temporele werking van de wet, de hiervoor omschreven feiten sub 1 en 4 moeten verworpen worden. De loutere bewering dat er een roddelcampagne tegen de heer D. wordt gehouden en voortgezet kan moeilijk als een duidelijk in tijd en ruimte omschreven feit aangezien worden? Wie roddelt er? Wat zegt men? Wanneer zei wie wat? enz.. Hetzelfde geldt voor de weigering tot inzage van documenten. Welke documenten? Door wie? Wanneer? ... Zoals hiervoor reeds werd gesteld kan de heer D. in het kader van een repliek de door hem in conclusies aangevoerde feiten niet verduidelijken en het Hof is dan ook niet gehouden die nieuwe gegevens te onderzoeken of te beantwoorden. Resten dus enkel nog de aangevoerde feiten zoals hiervoor omschreven sub 2, 3 en 5, met name: - de brief van 3 juli 2002 van de heer T. - het meedelen van vertrouwelijke informatie aan derden - het niet antwoorden op vragen in verband met de door de heer D. aangekochte computer en het schadegeval. Voor deze feiten zou dus in beginsel de omkering van de bewijslast kunnen gelden, indien ze kunnen aangemerkt worden als pestgedrag. 2.
  27. Het beweerde pestgedrag 2.4.
  28. begrip In artikel 32 ter, 2° van de "Pestwet" worden pesterijen op het werk als volgt omschreven: "elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren en eenzijdige geschriften en dat tot doel heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een andere persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd." Het moet dus gaan om onrechtmatig gedrag, dat bovendien repetitief moet zijn, en dat gedaan wordt met de bedoeling te kwetsen enz.. 2.4.
  29. toepassing 2.4.2.
  30. de brief van 3 juli 2002 De oproeping tot het bijwonen van een hoorzitting, waarbij zou geoordeeld worden over de opportuniteit van een voorgenomen preventieve schorsing, kan bezwaarlijk onrechtmatig gedrag genoemd worden, laat staan repetitief onrechtmatig gedrag. Ook de inhoud van de brief, waaruit men inderdaad het standpunt van de schrijver met betrekking tot de voorgenomen preventieve schorsing kan afleiden, is niet onrechtmatig te noemen. Of dit verstandig was, is een andere vraag. Gelet op het klimaat dat toen heerste in de werkomgeving was een koele, zakelijke uitnodiging wellicht meer aangewezen geweest, maar onrechtmatig kan het laten kennen van een standpunt moeilijk genoemd worden. Dit feit kan dan ook niet als onrechtmatig aangezien worden. 2.4.2.
  31. het meedelen vertrouwelijke informatie aan derden Een eerste feit zou blijken uit een proces-verbaal van 11 oktober
  32. Daaruit blijkt dat de vader van een leerling aan de verbalisanten verklaarde dat de heer T. aan die vader bepaalde informatie had toevertrouwd omtrent het functioneren van de heer D. in de school. Hoewel dit wel kan omschreven worden als ongepast en eventueel zelfs onrechtmatig gedrag, kan niet zomaar worden aangenomen dat dit gebeurde met kwade bedoelingen. Men moet de feiten immers in zijn context zien: de heer T. werd geconfronteerd met een ouder van een leerling tegen wie door de heer D. klacht was neergelegd wegens slagen en verwondingen. Alleszins blijkt nergens uit dat het hier zou gaan om terugkerend gedrag. Het tweede feit situeert de heer D. omstreeks de deliberatie van 30 augustus
  33. De heer D. zou van verschillende collega's vernomen hebben dat de heer T. zou gezegd hebben dat de heer D. onbekwaam was en dat hij geschorst zou worden. In de leraarskamer zou de echtgenote van de heer T. geroddeld hebben over de heer D.. Voor wat betreft het roddelen door de echtgenote van de heer T.: ook hier is de heer D. onvoldoende duidelijk bij de omschrijving van de beweerde feiten: wat werd er gezegd? Tegen wie? Wanneer? ... . Hetzelfde geldt voor wat de collega's aan de heer D. zouden gezegd hebben: Wie? Wat? Waar? Wanneer?... de heer D. zou toch op zijn minst moeten kunnen aangeven welke collega hem wat gezegd heeft. Ook deze feiten kunnen dus niet weerhouden worden. 2.4.2.
  34. het niet antwoorden op vragen in verband met de door de heer D. aangekochte computer en het schadegeval Hierover kan men kort zijn: dit is duidelijk een geval van slechte communicatie van beide zijden. Alleszins wordt geen onrechtmatig gedrag aannemelijk gemaakt, noch een kwaadwillige intentie, noch een repetitief karakter van het gedrag. Dit feit kan dan ook niet weerhouden worden. Het bewijsaanbod zoals geformuleerd door de heer D. kan naar het oordeel van het Hof niet toegestaan worden, enerzijds omdat bepaalde feiten niet in aanmerking kunnen genomen worden om de redenen zoals hiervoor reeds uiteengezet en, anderzijds, omdat andere feiten niet afdoende bepaald zijn en derhalve evenmin vatbaar zijn voor tegenbewijs. 2.
  35. het incidenteel hoger beroep en de eis in betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep De S.K. en de heer T. zijn van oordeel dat de heer D. misbruik gemaakt heeft van de procedure door een ongegronde vordering in te leiden gebaseerd op de "Pestwet", en door geen gebruik te maken van de daarin voorzien interne procedure, en dat de heer D. op tergende en roekeloze manier hoger beroep heeft aangetekend door in graad van beroep geen nieuwe middelen te hebben ingeroepen. Dat het Hof uiteindelijk de door de heer D. ingeroepen feiten niet als pestgedrag aanziet, is op zich onvoldoende om te kunnen gewagen van een misbruik van recht. Dat de heer D. zich rechtstreeks tot de rechter heeft gewend zonder eerst de interne procedure te volgen, kan hem evenmin verweten worden, nu de wetgever deze mogelijkheid specifiek heeft voorzien. De vaststelling tenslotte dat de heer D. in graad van beroep geen nieuwe middelen ontwikkelde is niet voldoende om te kunnen gewag maken van een tergend en roekeloos hoger beroep. Het is nu eenmaal het recht van de heer D. van oordeel te zijn dat de eerste rechter zijn argumenten op verkeerde wijze beoordeeld heeft. Het incidenteel beroep en de eis strekkend tot veroordeling van de heer D. tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend of roekeloos hoger beroep is naar het oordeel van het Hof dan ook ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord de heer J. DE KEERSMAEKER, Substituut-generaal in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies ter openbare terechtzitting van 3 mei
  36. Na beraadslaging recht sprekend op tegenspraak, en recht sprekend over het hoger beroep en het incidenteel beroep. Verklaart beide ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van 10 juli 2003 van de Arbeidsrechtbank te Turnhout. Recht sprekend over de eis van de S.K. en de heer T. strekkend tot veroordeling van de heer D. tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Verklaart deze eis ontvankelijk doch ongegrond. Wijst partijen af van het meer of anders gevorderde. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de heer D.. Vereffent deze aan de zijde van de heer D. op 273,67 EUR rechtsplegings-vergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van de S.K. en de heer T. op 273,67 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 7 juni 2004, waar aanwezig waren : de heer J. GOEMANS, Raadsheer, wnd. Voorzitter, de heer K. MAGERMAN, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer M. WEYNS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, mevrouw L. PELEMANS, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040607.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.