← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040608.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040608.7 Rolnummer: 2020523 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-07-05 Raadplegingen: 271 - laatst gezien 2026-07-05 03:48 Fiches 1 - 2 Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt dat de werkloze die zich één dag in de werkloosheidsperiode van een maand niet gedraagt naar de aangifte- en controleformaliteiten van artikel 71 van het werkloosheidsbesluit, voor de ganse maand geen recht heeft op uitkeringen. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt bovendien dat er geen ruimte bestaat voor nuancering van artikel 71 van het werkloosheidsbesluit via de toepassing van artikel 169 (beperking van de terugvordering) van datzelfde besluit. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toekenningsvoorwaarden - aangifte en controle werkloosheidsperiodes - terugvordering. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 71 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID terugvordering van uitkeringen - aangifte en controle werkloosheidsperiodes. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 169 Nota: Gerangschikt onder V AN - artikel 71 en onder V AN - artikel

  1. Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00918,P.241-242) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak. Vierde kamer. Werkloosheidsuitkering. ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2020523 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT JUNI TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, verschijnend bij mr. M.C. PASSEMIERS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, tegen: RB, geïntimeerde, verschijnend bij mr. T. ROMAIN, advocaat te 2000 ANTWERPEN. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgend arrest. Gelet op de zittingsbladen 6 november 2002, 3 februari 2004, 23 maart 2004 en 27 april
  2. Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: x het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank van Antwerpen van 12 september 2002 (342.626), aan partijen bij gerechtsbrief in toepassing van artikel 792 Ger. W. ter kennis gebracht op 16 september 2002; x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 26 september 2002; x de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 december 2003; x de conclusies voor appellante, ontvangen ter griffie van dit Hof op 22 januari 2004; x het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 27 april 2004, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek aan partijen werd verzonden op 27 april
  3. Gehoord de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 23 maart
  4. Ontvankelijkheid. Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 26 september 2002, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 12 september 2002 (A.R. 342.626). Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief d.d. 16 september
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. Het incidenteel beroep, ingesteld bij beroepsbesluiten neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 december 2003, is eveneens tijdig ingesteld, regelmatig naar vorm en ontvankelijk.
  6. Feiten en voorgaande rechtspleging. RB genoot werkloosheidsuitkeringen als volledig werkloze sinds
  7. Naar aanleiding van een controle uitgevoerd door de sociaal controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, Sociale Inspectie en de Inspectie van Sociale Wetten op vrijdagavond 29 september 2001 om 23.00 uur in zaal Jacob, Sudermanstraat 5 te Antwerpen, werd RB werkend aangetroffen achter de toog in de vestiaire; zij nam de mantels van de klanten aan en gaf de klanten een bonnetje met de overeenstemmende kapstoknummer. RB verklaarde aan de sociale controleur: "Heden treft u mij achter de toog van de vestiaire in zaal Jacob, Sudermanstraat 5 te 2000 Antwerpen. Ik ben volledig werkloos. (...) Ik kan mijn controlekaart niet voorleggen, omdat ik die al binnen heb gedaan bij de vakbond. Het is het einde van de maand. Ik ben hier omdat mijn zoon de organisator van de fuif kent. Ik kom niet vaak helpen. Jaren geleden heb ik bij de vakbond gevraagd of ik soms vrijwilligerswerk mag doen en daar hebben ze mij gezegd dat dit steeds mocht. Daarom dacht ik dat dit ook mocht. Ik heb een badge aan met 'vrijwillige medewerker'. Ik verdien hier niet mee. Ik doe dit gewoon om onder de mensen te zijn". De zaakvoerder van de B.V.B.A. Den Bolhoed, met maatschappelijke zetel Sudermanstraat 3 te Antwerpen, verklaarde aan de sociaal controleur dat de dames van de vestiaire voor hem die avond werkten en dat er afgesproken was dat ze 7,43 EUR (300 BEF) per uur werden betaald. Er werd geen arbeidsovereenkomst opgemaakt (zie stuk 4 administratief dossier: verklaring van Peter Van de Vyver). Na het verhoor van 28 november 2001 (zie stuk 11 administratief dossier: formulier C30 verhoor) besliste de Directeur van het Werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen op 14 december 2001 (in toepassing van de artikelen 44, 45, 71, 139, 142, 144, 154, 157bis, 158, 169 en 175 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering): - RB uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 1 september 2001 tot en met 29 september 2001; - de onrechtmatig ontvangen uitkeringen terug te vorderen vanaf 1 september 2001 tot en met 29 september 2001; - RB uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 17 december 2001 gedurende een periode van 4 weken; deze uitsluiting van 4 weken wordt voorzien van een gedeeltelijk uitstel van 2 weken vanaf 31 december
  8. In ondergeschikte orde: - RB uit te sluiten van het recht op uitkeringen op 29 september 2001; - de onrechtmatig ontvangen uitkering voor 29 september 2001 terug te vorderen. De Directeur van het Werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeids-voorziening te Antwerpen nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 14 administratief dossier): . Wat betreft de uitsluiting op grond van de artikelen 44 en 45 van het voormeld koninklijk besluit: De reglementering voorziet dat de werkloze zonder arbeid en zonder loon moet zijn om uitkeringen te kunnen genieten (artikel 44). Wordt onder andere beschouwd als arbeid: de activiteit verricht voor een derde waarvoor de werknemer enig loon of materieel voordeel ontvangt dat tot zijn levensonderhoud of dat van zijn gezin kan bijdragen (artikel 45, eerste lid, 2°). Elke activiteit verricht voor een derde wordt geacht een loon of een materieel voordeel op te leveren, behalve wanneer de werkloze het tegendeel bewijst (artikel 45, tweede lid). Uit een onderzoek door onze controledienst blijkt dat u, terwijl u uitkeringen genoot als volledig werkloze, op 29.09.2001 een activiteit in Zaal Jacob te Antwerpen voor rekening van BVBA Den Bolhoed heeft verricht. U bewijst niet dat deze activiteit u geen loon of materieel voordeel opleverde. De activiteit die u heeft verricht, moet dus worden beschouwd als arbeid in de zin van artikel
  9. Daar u op 29.09.2001 niet zonder arbeid en zonder loon was, kan u geen uitkeringen genieten voor de voormelde arbeidsdag. . Wat betreft de uitsluiting op grond van artikel 71 van het voormeld koninklijk besluit: Om uitkeringen te kunnen genieten, moet de werknemer in het bezit zijn van een controlekaart vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand tot de laatste dag van de maand en deze bij zich bewaren. Hij moet eveneens zijn controlekaart onmiddellijk voorleggen telkens wanneer een sociaal controleur hem daarom vraagt (artikel 71, eerste lid, 1° en 5°). U heeft deze verplichtingen, die vermeld staan op uw controlekaart, niet nageleefd. Inderdaad, u kon uw controlekaart niet voorleggen. U kan dus geen uitkeringen genieten vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand, dat is vanaf 01.09.2001 tot en met de dag waarop de controle plaatst vond, namelijk op 29.09.
  10. . Wat betreft de vaststelling dat u met bedrieglijk inzicht handelde: Wat de terugvordering betreft: Elke onrechtmatig en bedrieglijk ontvangen som dient te worden terugbetaald (artikel 169, eerste lid van voormeld koninklijk besluit). De uitkeringen terug te vorderen vanaf het begin van de maand tot en met' de dag waarop de controle plaatst vond en u uw controle kaart niet kon voorleggen, namelijk van 01.09.2001 tot en met 29.09.
  11. Het totale bedrag dat u moet terugbetalen, de berekening en de wijze waarop u kan terugbetalen, worden u hierbij betekend. . Wat betreft de administratieve sanctie op grond van artikel 154 van het voormeld koninklijk besluit: Kan van het genot van de uitkeringen worden uitgesloten gedurende ten minste 1 week en ten hoogste 26 weken, de werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen, omdat hij zijn controlekaart niet onmiddellijk kan voorleggen wanneer de sociaal controleur hem daarom vraagt terwijl hij op het ogenblik van de vordering een activiteit verricht in de zin van voormeld artikel 45 (artikel 154, eerste lid, 2°). De directeur kan de uitsluiting voorzien van een geheel of gedeeltelijk uitstel : indien in de voorafgaande twee jaar geen gebeurtenis heeft plaatsgevonden die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een sanctie op grond van artikel 153, 154 of 155 (artikel 157bis, ,§,§ 2 en 3). In uw geval werd de duur van de uitsluiting bepaald op 4 weken gelet op de aard en de duur van de inbreuk. U kon uw controle kaart niet voorleggen aan de controleur toen u aan het werken was. Deze uitsluiting wordt voorzien van een gedeeltelijk uitstel van 2 weken. Een gedeeltelijk uitstel betekent dat u het recht op uitkeringen behoudt gedurende de periode waarop het uitstel betrekking heeft op voorwaarde dat u alle andere vergoedbaarheidsvoorwaarden vervult. Het uitstel wordt toegekend aangezien in de voorafgaande twee jaar geen sanctie werd toegepast op grond van artikel 153, 154 of 155 en gelet op de aard van de activiteit en de argumenten die u hebt ingeroepen tijdens het verhoor. (...)" In uitvoering van voormelde administratieve beslissing werd RB op 14 december 2001 aangemaand om het bedrag van 794,50 EUR (32.050 BEF) terug te betalen, zijnde de onrechtmatig genoten werkloosheidsuitkeringen van 1 september 2001 tot en met 29 september 2001 (stuk 13 administratief dossier: C31). Met verzoekschrift, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 23 januari 2002, tekende de RB beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing d.d. 14 december
  12. Bij vonnis van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Turnhout d.d. 12 september 2002 werd: - de vordering van RB ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard; - de administratieve beslissing d.d. 14 december 2001 hervormd in die mate dat de uitsluiting van het recht op uitkeringen beperkt werd tot de dag van 29 september 2001 en dat de terugvordering aldus tot één uitkering beperkt werd, zijnde 31,78 EUR; - voornoemde administratieve beslissing voor het overige bevestigd; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening veroordeeld tot de ingevolge dit vonnis verschuldigde achterstallige werkloosheidsuitkeringen inzoverre voldaan wordt aan de toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening veroordeeld tot de gedingkosten. Met verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit Hof op 26 september 2002, tekende RB hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen.
  13. Eisen in hoger beroep. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert: - het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en de administratieve beslissing integraal te bevestigen. RB (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen; - ondergeschikt, zonodig bij incidenteel beroep, het vonnis a quo te hervormen in die zin dat de uitsluiting van 1 tot en met 29 september 2001 kan worden bevestigd, doch de terugvordering van de uitkeringen voor die maand dient te worden beperkt tot de dag van 29 september 2001; - appellant te veroordelen tot de kosten.
  14. Ten gronde. 4.
  15. Formulering van de administratieve beslissing In de bestreden administratieve beslissing maakt de Directeur een onderscheid tussen hoofdorde en ondergeschikte orde. Het Openbaar Ministerie merkt terecht op dat het niet wenselijk is dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een dergelijk onderscheid maakt in zijn beslissingen: "Immers, administratieve beslissingen dienen duidelijk en transparant te zijn. Het onderscheid tussen hoofdorde en ondergeschikte orde is verwarrend voor de burger, en zeker niet communicatiebevorderend. Bovendien tast dit onderscheid de geloofwaardigheid van de beslissing aan omdat het niet getuigt van een consequente houding van het bestuur. Het gemaakte onderscheid in de beslissing maakt het voor de burger moeilijk om op basis van de inhoud van de beslissing, met kennis van zaken, uit te maken of het aangewezen is deze al dan niet te betwisten voor de arbeidsgerechten aangezien hij geen zekerheid heeft over de gevolgen die de beslissing voor hem of haar zal hebben. Het Hof onderschrijft volledig de visie van het Openbaar Ministerie. 4.
  16. Situering van het geschil in hoger beroep. De betwisting tussen partijen in graad van hoger beroep beperkt zich tot de vraag of de uitsluiting en de terugvordering overeenkomstig artikel 44, 45 en 71 van het Werkloosheidsbesluit moet beperkt worden tot de dag van 29 september 2001, dan wel moet betrekking hebben op de periode vanaf 1 september tot en met 29 september
  17. De eerste rechter heeft de uitsluiting en de terugvordering beperkt tot de dag van 29 september 2001 met volgende motivering: "Wegens de afwezigheid van de maandelijkse controlekaart op het moment van de controle, dient eiseres te bewijzen alleen op 29.09.2001 gewerkt te hebben. Bij gebreke aan dit bewijs dient de terugvordering de gehele maand te omvatten (Cass., 10 april 1995, J.T.T., 1996, 116, noot). De Rechtbank neemt echter aan dat de verklaring van eiseres, namelijk dat zij alleen op 29.09.2001 aan het werk was, voldoende bewijskrachtig is, nu het evenement (fuif Funkmob van BVBA Ironyx) waarop zij werkend werd aangetroffen, alleen plaats had op die datum. Dit laatste blijkt ook uit hoger geciteerde verklaring van de heer VAN DE VYVER: "Vandaag wordt er een fuif georganiseerd door de BVBA Ironyx namelijk Ronny Cuyt". Appellant acht zich gegriefd door het vonnis van de eerste rechter en laat gelden, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat de uitsluiting en de terugvordering die een gevolg is van de niet-naleving van de formaliteiten van artikel 71 van het Werkloosheidsbesluit, niet kan beperkt worden tot één dag in september 2001, doch de ganse maand dient te omvatten. Geïntimeerde houdt voor dat de uitsluiting en de terugvordering van het recht op werkloosheidsuitkeringen, minstens de terugvordering, moet beperkt worden tot de dag van 29 september 2001; de uitsluiting en de terugvordering zijn twee afzonderlijke gegevens en ingevolge artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit kan de terugvordering beperkt worden tot de dagen van de werkelijke prestaties; uit haar eigen verklaring en de verklaring van de uitbater van de zaal blijkt afdoende dat het een éénmalig feit betrof. 4.
  18. Beoordeling. Om uitkeringen te kunnen genieten moet de werkloze onder meer voldoen aan de verplichtingen die worden vermeld in artikel 71, eerste lid van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheids-reglementering (hierna Werkloosheidsbesluit). Artikel 71, eerste lid, 1° van het Werkloosheidsbesluit bepaalt dat de werknemer, om uitkeringen te kunnen genieten, in het bezit moet zijn van een controlekaart vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand tot de laatste dag van de maand en deze bij zich bewaren. Die bepaling impliceert dat de werkloze in het bezit moet zijn van die kaart en deze elke dag van de maand vanaf de eerste werkloosheidsdag bij zich moet hebben indien hij voor die maand aanspraak wil maken op uitkering. Wanneer derhalve de werkloze zijn controlekaart één dag in de loop van die periode niet kan voorleggen op vordering van een daartoe bevoegde persoon overeenkomstig artikel 71, eerste lid, 5° van het Werkloosheidsbesluit, kan hij voor die maand geen aanspraak maken op uitkeringen (Cass., 14 december 1998, J.T.T., 1999, 118; Cass., 11 maart 2002, S.01.0140.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020311.5/1, inzake W.P. / R.V.A.,Cass., 23 december 2002, S.01.0130.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.13/1, inzake R.V.A. / P.A., ). Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt duidelijk dat het Hof geen onderscheid maakt tussen de uitsluiting en de terugvordering en dat de interpretatie van artikel 71 volgens het Hof geen ruimte laat voor nuancering via de toepassing van artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit (Put, J., Ontwikkelingen van de Sociale Zekerheid 1996-2001, Wetgeving-Rechtspraak, Instituut voor Sociaal Recht (KU Leuven), die Keure, 2001, pag. 980). De eerste rechter heeft dienvolgens ten onrechte de uitsluiting en de terugvordering beperkt tot de dag van 29 september
  19. Het hoger beroep is gegrond en het incidenteel beroep ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, in zijn eensluidend schriftelijk advies gelezen ter openbare terechtzitting van 27 april 2004, waarop door partijen niet werd gerepliceerd. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Vernietigt dienvolgens het vonnis gewezen en uitgesproken op 12 september 2002 in de openbare zitting van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R.342.626) met uitzondering van de beschikking omtrent de ontvankelijkheid van de vordering en de veroordeling tot de gedingkosten. Opnieuw recht doende. Bevestigt de beslissing van de Directeur van het Werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen d.d. 14 december 2001 met uitzondering van de 'in ondergeschikte orde' getroffen uitsluiting en terugvordering, dewelke wordt vernietigd. Verwijst appellant, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten worden aan de zijde van geïntimeerde op 136,85 EUR rechtsplegingsvergoeding; aan de zijde van appellant worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdende te Antwerpen in openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: mevrouw G. ADRIAENSENS, Raadsheer, wnd. Voorzitter, de heer C. SYSMANS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer L. VAN NESPEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer? mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040608.7 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020311.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.