id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 10 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040610.4 Rolnummer: 1997-0642 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-05-02 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-01 00:30 Fiches 1 - 2 In artikel 43 van het Werkloosheidsbesluit (toelaatbaarheidsvoorwaarden) wordt voorzien dat de door de vreemde en staatloze werknemer gepresteerde arbeid slechts in aanmerking komt voor zover hij verricht werd in overeenstemming met de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten. Ook in artikel 69 van datzelfde besluit (toekenningsvoorwaarden) wordt bepaald dat diezelfde werknemer dient te voldoen aan de wetgeving die van toepassing is op de vreemdelingen en op hun tewerkstelling. Van zodra de arbeid gepresteerd door een vreemde werknemer gedekt is door een toelating tot tewerkstelling van de bevoegde minister voldoet deze arbeid aan de in artikel 43, ,§ 1, 2de lid gestelde voorwaarde (Cass. 28-05-2002, A.J.T. 2001-2002, 565). De later afgeleverd arbeidskaart A heeft geen retroactief regulariserend effect. Er kan evenmin sprake zijn van een principieel recht op een arbeidskaart of een toelating tot tewerkstelling. Artikel 43, ,§ 1 van het Werkloosheidsbesluit schendt het gelijkheidsbeginsel of het verbod op discriminatie op basis van nationaliteit, zoals vervat in de artikelen 10 & 11 van de Grondwet en bij samenhang de artikelen 14 E.V.R.M. en 26 I.V.B.P.R., niet. Diezelfde wettelijke bepaling schendt evenmin het vertrouwensbeginsel. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID Werkloosheidsreglementering - werkloosheidsvergoeding - vreemde en staatloze werknemers - toelaatbaarheidsen toekenningsvoorwaarden - werknemer van vreemde nationaliteit - ministeriële toelating tot tewerkstelling - regularisatie - niet retroactieve werking - gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod - vertrouwensbeginsel. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 43 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID werkloosheidsreglementering - toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden - werknemer van vreemde nationaliteit - ministeriële toelating tot tewerkstelling - regularisatie - niet retroactieve werking - gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod - vertrouwensbeginsel. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 69 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V AN - artikel 43 en onder V AN - artikel
- Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak. Vierde kamer. Werkloosheidsuitkering. ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 970642 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN JUNI TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: Y. A., appellant, verschijnend bij mr. A. D. P., advocaat te Antwerpen, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, verschijnend bij mr. B. K., advocaat te Boechout. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgend arrest. Gelet op de zittingsbladen d.d. 3 september 1997, 24 maart 1998, 15 januari 2002, 21 mei 2002, 11 maart 2004, 25 maart 2004 en 13 mei
- Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: x het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 12 juni 1997 (A.R. 250.669), aan partijen bij gerechtsbrief in toepassing van artikel 792, tweede lid Ger. W. ter kennis gebracht op 16 juni 1997; x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 juli 1997; x de conclusies en aanvullende conclusies voor geïntimeerde, respectievelijk ontvangen ter griffie van dit Hof op 13 januari 1998 en 18 september 2002; x de conclusies voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 2 maart 2004; x het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 25 maart 2004 en waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 25 maart
- Gehoord op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 11 maart
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 juli 1997, tekende Y. A. hoger beroep aan tegen een vonnis van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 12 juni 1997 (A.R. 250.669). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het gerechtelijk wetboek werd het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief d.d. 16 juni
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging De heer Y. A., van Marokkaanse nationaliteit en geboren op 13 december 1960, was als losse werkman - afwasser werkzaam bij N.V. Restaurant Lindenbos: van 1 januari 1990 tot 10 oktober 1993 voltijds en van 11 oktober 1993 tot 10 januari 1994 deeltijds (20 uur/week). Op 10 januari 1994 diende Y. A., via de uitbetalingsinstelling, een aanvraag in bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot het bekomen van werkloosheidsuitkeringen vanaf 11 januari 1994 (stuk 4 administratief dossier). Vanaf datum van deze aanvraag ontving appellant ook werkloos-heidsuitkeringen omdat hij blijkbaar ten onrechte was ingeschreven op basis van het toen nog geldende artikel 101 van het K.B. van 25 november 1991 (stuk 9 administratief dossier). Op 22 augustus 1994 besliste de Directeur van het Werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen, - in toepassing van de artikelen 30, 37, 38, 43, 142, 144 en 146 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - Y. A. vanaf 15 april 1994 niet langer toe te laten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen. De Directeur van het Werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 14 administratief dossier): "Sinds 11.01.1994 ontvangt u werkloosheidsuitkeringen. Bij nazicht van uw dossier, nl. op 15.04.1994, is gebleken dat u niet in het bezit bent van een geldige arbeidskaart sinds 23.12.
- Alleen de vreemde en staatloze werknemers die voldoen aan de wetgeving op de vreemdelingen kunnen aanspraak maken op werkloos-heidsuitkeringen (artikel 43 van het koninklijk besluit van 25.11.1991 houdende de werkloosheidsreglementering)." Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 9 september 1994 en ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 12 september 1994, tekende Y. A. beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing d.d. 22 augustus
- Bij vonnis van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 12 juni 1997 werd: - de vordering van Y. A. ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de administratieve beslissing d.d. 22 augustus 1994 van de werkloosheidsdirecteur te Antwerpen bevestigd; - de R.V.A., in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van Y. A. begroot op 3.600 BEF (89,24 EUR) rechtsplegingsvergoeding; aan de zijde van de R.V.A. werden de kosten niet begroot. Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 juli 1997, tekende Y. A. hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen.
- Eisen in hoger beroep Y. A. (appellant) vordert: - het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te vernietigen; - opnieuw recht doende, te zeggen voor recht dat appellant recht heeft op werkloosheidsuitkeringen vanaf 11 januari 1994; - geïntimeerde te verwijzen in de kosten van beide aanleggen. Geïntimeerde vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; dienvolgens het vonnis a quo en de beslissing van de Directeur van het Werkloosheidsbureau Antwerpen d.d. 21 augustus 1994 te bevestigen; - minstens te zeggen voor recht dat appellant niet vergoedbaar is vanaf 11 januari 1994 tot 3 januari 1995, datum waarop hij in het bezit kwam van een arbeidskaart A; - kosten als naar recht.
- Beroepsgrieven Appellant laat in hoger beroep gelden: - dat in de reglementering een zeer duidelijk band gelegd wordt tussen het recht op werken, weze het voorlopig, en het recht op verblijf in België; - dat hij een voorlopige toelating tot tewerkstelling had van 21 november 1989 tot en met 23 december 1992; het is onduidelijk waarom geen verdere verlengingen werden aangevraagd of toegekend, doch hoe dan ook is het duidelijk dat deze toelating tot tewerkstelling geen probleem kon vormen omdat het verblijfsrecht gedurende de volledige referteperiode onaangetast is geweest; het is niet omdat deze verlenging niet werd aangebracht dat het recht op tewerkstelling teniet was gegaan; - dat het onderscheid tussen het recht op arbeid in hoofde van een vreemdeling en het bezit van de titel die dit recht veruitwendigt nog wordt versterkt door de vaststelling dat het arbeid verrichten zonder arbeidskaart of, zoals in casu, zonder voorlopige arbeidsvergunning, niet strafbaar is gesteld wat de werknemer betreft (zie art. 27 K.B. nr. 34 d.d. 20/07/1976); het zou derhalve zeer onlogisch zijn deze strafrechterlijke immuniteit niet door te trekken op het niveau van de sociale zekerheid en aldus, op een eerder indirecte manier, de vreemde werknemer toch vrij ernstig te belasten; - dat artikel 43, ,§1 van het K.B. van 25 november 1991 strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en het verbod tot discriminatie zoals vervat in artikel 10 en 11 van de Grondwet en, bij samenhang, artikel 14 E.V.R.M. en artikel 26 van het I.V.B.P.R.; - dat een strikte toepassing van artikel 43, ,§1, tweede lid leidt tot schending van de gerechtvaardigde verwachting dat hij in geval van ontslag aanspraak zou kunnen maken op effectieve uitkeringen (schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur).
- Ten gronde 5.
- Wettelijk kader De werknemer van vreemde nationaliteit die werkloosheidsuitkeringen aanvraagt in België moet voldoen aan dezelfde algemene toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden als de Belgische werknemer; bij deze identieke basisvoorwaarden worden de bijzondere toelaatbaarheids- en toekennings-voorwaarden gevoegd zoals opgesomd in artikel 43 en 69 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit). Overeenkomstig artikel 30 van het Werkloosheidsbesluit moet de voltijdse werknemer - die minder dan 36 jaar is - een wachttijd doorlopen hebben van 312 arbeidsdagen in de loop van de 18 maanden voor de uitkeringsaanvraag om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen. Voor de vreemde of staatloze werknemer wordt in artikel 43 Werkloosheidsbesluit voorzien dat hij slechts toegelaten wordt tot het recht op uitkeringen indien hij voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en op deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten; daarbij wordt benadrukt dat de in België verrichte arbeid slechts in aanmerking komt indien hij verricht werd in overeenstemming met de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten. In overeenstemming met het destijds van toepassing zijnde K.B. van 20 juli 1967 betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit mag geen werkgever een werknemer die de Belgische nationaliteit niet bezit, tewerkstellen zonder daartoe vooraf vergunning tot tewerkstelling te hebben verkregen van de gewestminister tot wiens bevoegdheid de tewerkstelling behoort, en mag evenmin een werknemer die de Belgische nationaliteit niet bezit, in België arbeid verrichten zonder vooraf een arbeidskaart te hebben verkregen van diezelfde minister. Datzelfde K.B. voorziet ook nog dat de Minister tot wiens bevoegdheid de tewerkstelling behoort, de gevallen van dringende noodzakelijkheid bepaalt waarin de werknemer voorlopig arbeid mag verrichten en dat hij er de voorwaarden en modaliteiten van vaststelt. Betreffende de toekenningsvoorwaarden dient voor de vreemde of staatloze werknemer nog rekening te worden gehouden met artikel 69 van het K.B. van 25 november 1991 dat bepaalt dat deze werknemer, om uitkeringen te kunnen genieten, dient te voldoen aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten. 5.
- Situering van het geschil Appellant heeft steeds voorgehouden dat zijn verblijf in België op een ononderbroken manier sinds 7 november 1989 regelmatig en wettig is geweest. Ook in het vonnis a quo wordt vastgesteld dat appellant steeds wettig in het land verbleef; zijn verblijf was aanvankelijk gedekt door een voorlopige verblijfsvergunning bijlage 15bis en nadien door een bijzonder verblijfsdocument, genaamd bijlage 35 en vanaf 20 januari 1995 was hij zelfs in het bezit was van een identiteitskaart voor vreemdeling. Geïntimeerde heeft dit nooit betwist en laat ook nu geen kritiek horen op dit door de eerste rechter overgenomen standpunt. De discussie kan bijgevolg beperkt worden tot de andere in voornoemde wettelijke bepalingen gestelde toelaatbaarheidsen toekenningsvoorwaarde, in het bijzonder dat de vreemde werknemer moet voldoen aan de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten en dat de in België verrichte arbeid slechts in aanmerking kan genomen worden voor de beoordeling van de toelaatbaarheid indien hij verricht werd in overeen-stemming met diezelfde wetgeving. Meer in het bijzonder rijst de vraag of met de door appellant gepresteerde arbeidsdagen in de periode van 24 december 1992 tot en met 10 januari 1994 rekening mag gehouden worden om na te gaan of de in artikel 30, 1ste lid, 1° van het K.B. van 25 november 1991 vereiste wachttijd werd doorlopen. Wanneer besloten wordt dat dit niet het geval is, moet vastgesteld worden dat appellant niet toelaatbaar was op grond van het feit dat hij niet voldeed aan de voor zijn leeftijdscategorie, noch de voor een hogere leeftijdscategorie vereiste wachttijd zodat en bevestiging van de administratieve beslissing zich opdringt. In positief geval dient verder te worden onderzocht of appellant, op het ogenblik van de aanvraag en tijdens zijn werkloosheid, voldeed aan de toekenningsvoorwaarden zoals opgesomd in artikel 69 van het Werkloosheidsbesluit. 5.
- Met betrekking tot de arbeidsdagen Appellant houdt voor dat hij 312 dagen bewijst in de referteperiode van 11 juni 1992 tot en met 11 januari 1994 gelet op zijn tewerkstelling bij N.V. Restaurant Lindenbos van 1 januari 1990 tot 10 januari
- Om aanspraak te kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen dient appellant, gelet op de artikelen 43, ,§1 en artikel 69 Werkloosheidsbesluit, aan te tonen dat hij steeds arbeid verrichtte (minstens) onder dekking van een voorlopige toelating tot tewerkstelling. Rekening houdende met de meest recente cassatierechtspraak dient immers aanvaard te worden dat van zodra de arbeid gepresteerd door een vreemde werknemer gedekt is door een toelating tot tewerkstelling van de bevoegde minister, deze arbeid voldoet aan de voorwaarde beschreven in artikel 43, ,§1, 2de lid (Cass., 28 mei 2002, A.J.T. 2001-2002, 565). Uit de voorgebrachte feitelijke gegevens blijkt: - dat appellant vanwege de Minister van de Vlaamse gemeenschap een voorlopige toelating tot werken voor een vreemde werknemer in het bezit van een verblijfsdocument bijlage 15bis ontving voor de periode van 21 november 1989 tot 23 maart 1990 (stuk 12 administratief dossier); deze voorlopige toelating tot werken werd telkens voor 4 of 6 maanden verlengd tot en met 23 december 1992 (stuk 11 administratief dossier); - dat appellant vanaf 27 februari 1995 in het bezit was van een arbeidskaart A, waarbij de Vlaamse Gemeenschapsminister, bevoegd voor de werkgelegenheid, de toelating gaf tot uitoefening in België van alle bezoldigde beroepen voor een onbeperkte duur (stuk9 bundel appellant). Op grond van voormelde gegevens stelt het Hof vast dat de arbeidsprestaties welke verricht werden door appellant in de periode vanaf 24 december 1992 tot en met 10 januari 1994 (datum van beëindiging tewerkstelling bij N.V. Lindenbos), niet in aanmerking kunnen genomen worden als geldige arbeidsdagen voor het berekenen van de voor hem geldende wachttijd. Appellant beroept zich tevergeefs op het feit dat hem een arbeidskaart A werd afgeleverd; de aan appellant uitgereikte arbeidskaart A houdt slechts een toelating tot tewerkstelling voor onbeperkte duur in vanaf 3 januari 1995 en heeft geen retroactief regulariserend effect (zie in dezelfde zin: Arbh. Antwerpen, 16 juni 2000, A.R. 0960841 inzake K.A./R.V.A.; Arbh. Antwerpen, 25 februari 2000, A.R. 99/220, R.V.A. / M.M, www.juridat.be). Deze arbeidskaart kan dan ook niet gelden als een toelating om te werken in de periode vóór 3 januari
- In tegenstelling met wat appellant voorhoudt kan er ook geen sprake zijn van een principieel recht op een arbeidskaart of toelating tot tewerkstelling (Arbh. Antwerpen, 15 mei 1995, A.R. 93/841, D.N/R.V.A.). Gelet op alle voormelde elementen oordeelde de eerste rechter terecht dat appellant geen 312 arbeidsdagen bewees in de referteperiode van 11 juni 1992 tot en met 11 januari
- 5.
- Het gelijkheidsbeginsel en het verbod tot discriminatie Appellant houdt voor dat artikel 43, ,§1 van het Werkloosheidsbesluit een schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel en van het verbod tot discriminatie op basis van nationaliteit zoals vervat in artikel 10 en 11 van de Grondwet en bij samenhang de artikelen 14 van het E.V.R.M. en 26 van het I.V.B.P.R. Appellant verwijst hiervoor naar het arrest van 16 september 1996 van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (hierna E.H.R.M.) waarbij het recht op een sociale prestatie als een eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 (goedgekeurd bij wet van 11 mei 1955) wordt beschouwd en gekoppeld wordt aan artikel 14 van het E.V.R.M. dat het genot van de rechten en vrijheden vermeld in dit verdrag verzekert zonder onderscheid op welke grond ook waaronder nationale afkomst (E.H.R.M. van 16 september 1996, arrest Gaygusuz/Oostenrijk, T.V.R., 1996, 332). In voormeld arrest werd de Oostenrijkse wetgeving inzake werkloosheid die vreemdelingen geen recht op bepaalde uitkeringen toekent, strijdig geacht met het artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in relatie tot artikel 1 van het Eerste Protocol. Het E.H.R.M. overwoog dat de toekenning van een voordeel (het betrof hier een noodhulp) niet gebaseerd mag zijn op de nationaliteit van de aanvrager. In deze zaak voldeed de heer Gaygusuz aan alle voorwaarden van de Oostenrijkse werkloosheidswetgeving met uitzondering van het gegeven dat hij niet de Oostenrijkse nationaliteit had. Het E.H.R.M. stelde dat de uitsluiting van de heer Gaygusuz niet gebaseerd was op een objectief en redelijk onderscheid. Sommige rechtspraak heeft dan ook onder invloed van dit arrest van het E.H.R.M. aanvaard dat artikel 43 van het Werkloosheidsbesluit strijdig is met artikel 14 E.V.R.M. doordat het een onderscheid maakt op grond van nationaliteit zonder een objectieve en redelijke rechtvaardiging (Arbrb Brugge, 29 juni 1998, Soc. Kron., 1999, 591) Wanneer echter het E.H.R.M. in het geciteerde arrest stelde dat er sprake was van een discriminatie betrof dit wel een vreemde werknemer die legaal in Oostenrijk verbleef en zich wel kon beroepen op een regelmatige tewerkstelling, maar die uitsluitend op grond van zijn nationaliteit werd uitgesloten van het recht op de uitkering. In huidig geschil dient echter te worden vastgesteld dat de ingeroepen ongelijke behandeling van appellant t.o.v. de Belgische onderdaan geen verband houdt met zijn (Marokkaanse) nationaliteit maar wel met het feit dat hij voor een welbepaalde periode niet voldeed aan de buitenlandse arbeidskrachtenregeling, m.n. het K.B. nr. 38 van 20 juni 1967 betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit. Aldus is er geen sprake van een schending van artikel 14 van het E.V.R.M. wegens een onderscheiden behandeling op grond van geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. Het verschil in behandeling is derhalve gesteund op een relevant criterium, nl. een onregelmatige tewerkstelling. Er is dus geen onderscheid in behandeling op basis van een discriminatiegrond, opgesomd in artikel 14 E.V.R.M. Rest de vraag of het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel van het E.V.R.M. (of van de Belgische Grondwet) zich verzet tegen het opleggen aan vreemde werknemers van specifieke toelaatbaarheidsen toekennings-voorwaarden zoals opgesomd in artikel 43 en 69 van het Werkloosheidsbesluit. Het gelijkheidsbeginsel wordt in de rechtspraak van het Arbitragehof, het Europees Hof voor de Rechten van de Mensen de andere Belgische hoge rechtscolleges als volgt omschreven (zie Alen, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Kluwer rechtswetenschappen België, 1995, nr. 307: "De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel." In casu is geen sprake van een onrechtmatige ongelijke behandeling omdat er voor het criterium van onderscheid in casu een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, met name de principiële noodzaak voor België om toezicht te houden op de toegang tot zijn grondgebied en om die immigratie, samen met de nationale arbeidsmarkt te beheren en te beheersen. De wetgever heeft met het verschil in behandeling willen anticiperen op de ongewenste neveneffecten van een te grote tolerantie bij de toelaatbaarheid van vreemde en staatloze werknemers. Daarbij heeft men onmiskenbaar oog gehad voor de bescherming van de nationale arbeidsmarkt. Een sociale zekerheidsreglementering kan immers niet alleen een onderscheid maken in functie van haar primaire doelstelling, maar mag ook rekening houden met overwegingen van arbeidsmarktbeleid (Palsterman, P., "De rechtspraak van het Arbitragehof en het non-discriminatiebeginsel in de werkloosheidsverzekering" in Het Arbitragehof en de sociale zekerheid, die Keure, 2003, pag. 204) De wetgever heeft in de werkloosheidsreglementering logischerwijze dezelfde redelijke en objectieve elementen in overweging genomen als in de vreemdelingenwetgeving en de wetgeving inzake tewerkstelling van vreemde arbeiders. Artikel 43 van het Werkloosheidsbesluit bevat dan ook de logische doorwerking van deze beide wetgevingen in de problematiek van de toelaatbaarheid in de werkloosheidsreglementering. De eigen finaliteit van de werkloosheidswetgeving belet niet dat de wetgever, vanuit een bezorgdheid om het systeem rechtvaardig en betaalbaar te houden, daarin de principes van de wetgeving betreffende het verblijf en de toelating tot de arbeid van vreemdelingen verankerd heeft. Het komt trouwens de wetgever toe de maatregelen vast te stellen die nodig zijn om het beoogde doel te bereiken; het komt de rechter niet toe daarenboven na te gaan of het door de bevoegde wetgever nagestreefde doel ook nog door andere wettelijke maatregelen zou bereikt kunnen worden (Arbitragehof, 13 oktober 1989, nr. 23/89, B.S. 8 november 1989). Artikel 43 (en ook artikel 69) van het K.B. van 25 november 1991 maakt dienvolgens geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel of het verbod tot discriminatie 5.
- Het vertrouwensbeginsel Tenslotte laat appellant gelden dat een strikte toepassing van artikel 43, ,§1, tweede lid leidt tot schending van de gerechtvaardigde verwachting dat hij in geval van ontslag aanspraak zou kunnen maken op effectieve uitkeringen. Appellant heeft evenwel niet voldaan aan de wettelijke voorwaarden om van een geldige tewerkstelling te kunnen spreken zodat hij aan de overheid moeilijk kan verwijten een rechtmatige verwachting te hebben gecreëerd. Bovendien, en voor zoveel als nodig, dient te worden opgemerkt dat de sanctie voor het miskennen van de beginselen van behoorlijk bestuur een toe-passing uitmaakt op de zorgvuldigheidsnorm bedoeld in de artikelen 1382 e.v. B. W., wat in deze aanleiding zou kunnen geven tot schadeloosstelling voor bewezen schade, wat appellant echter niet vordert, laat staan bewijst (Arbh. Antwerpen, 16.1.1995, 4de K., A.R. 1230/92). 5.
- Besluit De door geïntimeerde genomen administratieve beslissing van 22 augustus 1994 waarbij appellant, in toepassing van de artikelen 30, 37, 38, 43, 142, 144 en 146 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, vanaf 15 april 1994 niet langer toegelaten wordt tot het recht op werkloosheidsuitkeringen, werd terecht door de eerste rechter bevestigd. Het hoger beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, ter openbare terechtzitting van 25 maart 2004 in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies. Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis uitgesproken op 12 juni 1997 in de openbare zitting van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 250.669) Verwijst geïntimeerde, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Deze kosten worden door geen der partijen begroot en derhalve door het Hof niet vereffend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdende te Antwerpen in openbare terechtzitting van tien juni tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: mevrouw G. ADRIAENSENS, Raadsheer, wnd. Voorzitter, de heer G. VANKRUNKELSVEN, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer J. RITS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, de heer J. VERELST, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040610.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div