id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040616.20 Rolnummer: 2003-0585 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 271 - laatst gezien 2026-07-04 13:16 Fiche Wanneer de werknemer werd aangesloten bij een aanvullende pensioenregeling, type vaste-prestatie-regeling, die door de werkgever wordt gefinancierd door niet geïndividualiseerde stortingen, geniet hij van een in geld waardeerbaar voordeel dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de opzeggingsvergoeding. De geldelijke waardering van dit voordeel, dient te gebeuren op basis van werkelijke waarde van het aan de werknemer toegekende voordeel op het ogenblik van zijn ontslag, waarbij de actuele waarde, volgens actuariële berekening, van de op jaarbasis verworven prestatie (of anders geformuleerd de corresponderende verworven reserve op jaarbasis) als uitgangspunt wordt genomen. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . BEDIENDEN Einde van de overeenkomst - opzeggingstermijn - beëindiging - opzeggingsvergoeding - basisjaarloon - collectieve groepsverzekering type vaste-prestatie-regeling Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82,§2en3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00002,P.73-75) Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2030585 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN VIER NV A., appellante, incidenteel geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. B. MERGITS, advocaat te Antwerpen, tegen : J. D., geïntimeerde, incidenteel appellant persoonlijk verschijnend, bijgestaan door mr. J. VAN GOETHEM, advocaat te Antwerpen. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 19 mei
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 3 november 2003 en 19 mei
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 29 april 2003 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 3 oktober 2003; x het incidenteel beroep van geïntimeerde, ingesteld bij conclusie van 2 december 2003; x de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit Hof op 2 december 2003 en 7 april 2004 voor de heer D. en op 12 maart 2004 voor de N.V. A., hierna de N.V. genoemd; x de beschikking d.d. 18 februari 2004 overeenkomstig artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 27 juni 2002, vorderde de heer D. de veroordeling van de N.V. tot betaling van: 71.137,70 EUR saldo opzeggingsvergoeding 18.978,55 EUR achterstallen 18.722,14 EUR vertrekvakantiegeld 25.000,00 EUR vergoeding wegens rechtsmisbruik deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 16 december 2002 stelde de N.V. een tegeneis in strekkende tot betaling van 4.299,00 EUR ten onrechte betaalde bedrijfsbonus 2001, te vermeerderen met de moratoire intrest vanaf 22 maart 2002 en met de gerechtelijke intresten. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 17 januari 2003 verzocht de heer D. de Arbeidsrechtbank hem akte te verlenen van de uitbreiding en de wijziging van zijn vordering en vorderde hij de N.V. te veroordelen tot betaling van 88.063,22 EUR provisioneel, 6.015,23 EUR, 634,27 EUR en 25.000,00 EUR of in totaal de som van 119.712,72 EUR provisioneel. Bij bestreden vonnis van 29 april 2003 verklaarde de eerste rechter de hoofdvordering ontvankelijk en reeds gedeeltelijk gegrond. De N.V. werd veroordeeld tot betaling van: 2.454,15 EUR saldo individuele bonus 2001 634,27 EUR saldo vakantiegeld einde dienst 5.000,00 EUR vergoeding wegens rechtsmisbruik te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf de respectieve data van eisbaarheid en de gerechtelijke intresten. Vooraleer verder recht te spreken beval de eerste rechter de V.Z.W. Pensioenfonds A. de berekeningen van de jaarlijks betaalde pensioenbijdragen door de N.V. A. ten behoeve van J. D. in het Pensioenfonds voor te brengen, teneinde hem het pensioen te garanderen voorzien in het pensioenreglement voor kaderleden en van de verworven reserve op 28 januari 2002 en deze ter griffie van de Arbeidsrechtbank neer te leggen binnen de 4 maanden na kennisname van het vonnis. De eerste rechter verklaarde de tegenvordering ontvankelijk doch, vooraleer verder recht te spreken daaromtrent, beval hij ambtshalve de heropening der debatten teneinde de N.V. toe te laten de berekeningen voor te brengen m.b.t. de door haar betaalde bedrijfsbonus 2001 en de juiste berekeningswijze van deze bedrijfsbonus op basis van de toekenning voor
- III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de N.V. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de vordering van de heer D. ontvankelijk te verklaren doch maximaal gegrond ten beloop van: 8.868,49 EUR saldo opzeggingsvergoeding 634,27 EUR saldo vakantiegeld einde dienst te vermeerderen met de wettelijke/vergoedende intresten vanaf 28 januari
- Verder vordert de N.V. de heer D. te veroordelen tot betaling van 3.315,93 EUR saldo ten onrechte betaalde bedrijfsbonus 2001, te vermeerderen met de moratoire intresten sedert 22 maart 2002 op 4.299,00 EUR, vanaf 1 april 2002 op 3.315,93 EUR en de gerechtelijke intresten; te zeggen voor recht dat voornoemde bedragen met elkaar dienen te worden gecompenseerd. Ten slotte vordert de N.V. de heer D. te veroordelen tot de helft van de kosten van het geding. Bij syntheseconclusie van 7 april 2004 vordert de heer D. het hoger beroep ongegrond te verklaren, vast te stellen dat het geschil bij toepassing van artikel 1068 Ger. W. aanhangig is in hoger beroep, en rechtsprekend op het incidenteel beroep, hem akte te verlenen van de uitbreiding en de wijziging van zijn vordering voor de eerste rechter en de N.V. te veroordelen tot betaling van: 53.312,88 EUR saldo opzeggingsvergoeding 3.114,88 EUR achterstallen 634,27 EUR vertrekvakantiegeld 25.000,00 EUR vergoeding wegens rechtsmisbruik al deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 28 januari 2002 en de gerechtelijke intresten. Ondergeschikt vordert de heer D. de aanstelling van een deskundige met als opdracht het periodiek bedrag te bepalen dat de N.V. ten behoeve van de heer D. dient te betalen in het Pensioenfonds A. om hem het pensioen te garanderen voorzien door het pensioenreglement/kader, en verder het bedrag te bepalen van de door de heer D. verworven reserve op 28 januari 2002 en 28 juli 2004, en verder te antwoorden op alle nuttige vragen van partijen. Ten slotte vordert de heer D. de tegeneis ongegrond te verklaren en de N.V. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
- De feiten De heer D. is in dienst getreden van de N.V. op 1 augustus 1978 met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het staat niet ter discussie dat de heer D. behoorde tot het kaderpersoneel. Het staat evenmin ter discussie dat de heer D. ingevolge zijn arbeidsovereenkomst kon genieten van een aanvullende pensioenregeling, volgens de bepalingen opgenomen in het zogeheten pensioenreglement kader. De uitvoering van deze aanvullende pensioenregeling werd toevertrouwd aan een pensioenfonds, de V.Z.W. Pensioenfonds A., dat volledig wordt gefinancierd door de N.V. Vanaf 1999 werd voor de kaderleden van de N.V. een nieuwe bezoldigingsregeling ingevoerd, waarbij de vroegere vaste eindejaarspremie gedeeltelijk werd vervangen door twee veranderlijke boni. Een eerste bonus, de zogeheten individuele bonus bedraagt een per salariscategorie vastgelegd percentage ( 5% voor de heer D.) van het jaarinkomen en wordt toegekend a rato van 50% tot 150%, op basis van een jaarlijkse evaluatie van het betrokken kaderlid. Deze bonus wordt uitbetaald in december, is in beginsel ondeelbaar en wordt slechts toegekend indien de werknemer nog in dienst is op 31 december van het boekjaar. Het evaluatiesysteem steunt op jaarlijkse doelstellingen die voorafgaand, schriftelijk moeten worden vastgesteld en medegedeeld. Daarnaast ontvangt het kaderlid elk jaar een bedrijfsbonus die eveneens gelijk is aan een percentage van het jaarinkomen en die voor de helft wordt bepaald door de winst van de A.-groep en voor de andere helft door de bijdrage van het activiteitsgebied of de winst van de N.V. De betaling van deze bonus vindt plaats in april van het jaar volgend op het betrokken boekjaar. Bij uitdiensttreding tijdens het boekjaar ontvangt de werknemer een pro rata temporis vergoeding, berekend op basis van de bedrijfsbonus toegekend voor het voorgaande jaar. In de nieuwe bezoldigingsregeling werd de mogelijkheid opgenomen voor de kaderleden om beroep aan te tekenen tegen de uitspraak over het vast of veranderlijk loon. Met een brief van 3 december 2001 protesteerde de heer D. het feit dat een andere werknemer, de heer V. de P. in het nieuwe organigram werd aangeduid als Manager Technology Staff van de afdeling BGGS/Digital Solutions, hetzij in de functie die hijzelf bekleedde. In een brief van 14 januari 2002 verwees de heer D. naar een mondeling onderhoud dat op 8 januari 2002 plaatsvond, naar aanleiding van de eerder genoemde brief van 3 december
- Volgens de heer D. werd hem tijdens dit gesprek medegedeeld dat hij de facto geen deel meer uitmaakte van de afdeling BGGS/Digital Solutions en dat hem voor 2001 een IPF-waarderingsfactor van 40% werd toegekend. Met een brief van 22 januari 2002 tekende de heer D. beroep aan tegen de beslissing waarbij hem voor 2001 een IPF-factor van 40% werd toegekend. Met een brief van 28 januari 2002 werd de heer D. onmiddellijk ontslagen met betaling van een opzeggingsvergoeding van 233.982,00 EUR, vergoeding die volgens de N.V. correspondeerde met een opzeggingstermijn van 28 maanden. Na zijn vertrek ontving hij tevens een bedrag van 4.299,00 EUR, gekwalificeerd als bedrijfsbonus. In een brief van 22 maart 2002 verklaarde de N.V. dat een vergissing werd begaan bij de berekening van laatstgenoemde bedrijfsbonus. Volgens de N.V. werd de betaalde bonus bij vergissing becijferd op basis van de resultaten van 2000 i.p.v.
- Zij verzocht de heer D. het betaalde bedrag terug te storten, verzoek waaraan door de heer D. geen gevolg werd gegeven.
- De beoordeling 2.
- Individuele bonus 2001 Zoals reeds aangegeven sub
- had de heer D. vanaf 1999 recht op een jaarlijkse individuele bonus, waarvan het bedrag kon variëren van 50% tot 150% van 5% van zijn jaarinkomen, afhankelijk van zijn jaarlijkse evaluatie. Voor 2001 ontving de heer D. een individuele bonus van 72.000 BEF, wat ongeveer overeenstemt met 40% x 5% x jaarinkomen. Wanneer de heer D. voorhoudt dat hij recht had op een hogere bonus draagt hij hiervan uiteraard de bewijslast. Dit bewijs kan door alle middelen van recht worden geleverd, getuigen en vermoedens inbegrepen. Op basis van de hierna vermelde, bepaalde en overeenstemmende elementen aanvaardt het Hof als bewezen dat de heer D. voor 2001 alleszins recht had op een individuele bonus van 171.000 BEF of 4.238,98 EUR, zoals ook terecht werd aangenomen door de eerste rechter. Het bepalen van de omvang van de toe te kennen individuele bonus gebeurt via een evaluatiesysteem dat wordt beschreven in de door de N.V. als stuk 25 neergelegde brochure. Volgens het beschreven systeem moet de jaarlijkse evaluatie resulteren in een individuele prestatiefactor (IPF-factor), die de verhouding weergeeft tussen de individuele quotering (gaande van 0 tot 20) en het gemiddelde van de groep waartoe de geëvalueerde behoort. In 1999 werd de individuele bonus van de heer D. toegekend op basis van een IPF-factor van 90%, in 2000 op basis van een IPF-factor van 95%. Voor 2001 werd aan de heer D. een IPF-factor toegekend van 40%. Het toekennen van een IPF-factor van 40% voor 2001 betekent aldus een zeer aanzienlijke vermindering van de waardering van de prestaties van de heer D. in vergelijking met de voorgaande jaren. Hoewel het voor de N.V. toch zeer eenvoudig zou moeten zijn om te verduidelijken hoe zij voor elk van de betrokken jaren de toegekende IPF-factor bepaalde en aldus de elementen zou kunnen aanreiken die deze toch wel drastische verlaging van de IPF-factor voor 2001 zouden kunnen verklaren, beperkt zij zich tot wat vage en algemene beweringen. Nochtans blijkt uit het door haar ingevoerde evaluatiesysteem, zoals beschreven in de neergelegde stukken, dat het toekennen van een IPF-factor geen "natte vingerwerk" kan en mag zijn, maar moet steunen op concrete en verifieerbare elementen. Frappant is tevens dat niet eens gegevens worden verstrekt over de individuele quotering van de heer D. en de meridiaan van de groep waartoe hij behoorde. In plaats van een ernstige verantwoording te geven, die in overeenstemming is met het door haar zelf ingevoerde evaluatiesysteem, beperkt de N.V. zich er in conclusies toe een aantal verwijten te formuleren, waarbij inzonderheid de bereidheid van de heer D. om zich aan te passen aan gewijzigde omstandigheden wordt in vraag gesteld en waarbij hem wordt verweten dat hij zou geweigerd hebben een overbodig geworden concept stop te zetten. Deze beweringen staan evenwel haaks op de vaststelling dat het dossier geen spoor bevat van een schriftelijke opmerking of verwittiging tijdens het jaar
- Ook de door de N.V. in dit kader voorgebrachte e-mailberichten leveren geen elementen op die de drastische verlaging van de voordien toegekende IPF-factor kunnen verklaren. Dat de heer D. de voorkeur zou hebben uitgedrukt voor een andere functie, waarin zijn overste hem volgens de inhoud van de e-mailberichten kennelijk steunde, impliceert immers niet dat hij de hem toebedeelde taken niet of niet correct zou hebben uitgeoefend. Gelet op de houding van de N.V., de tijdens de voorgaande jaren toegekende IPF-factor en het ontbreken van elementen die erop wijzen dat de heer D. tijdens het jaar 2001 minder goed presteerde, aanvaardt het Hof dat ook voor het jaar 2001 een IPF-factor van 95% moest worden toegekend. Dat de toekenning van een IPF-factor van 95% resulteert in de toekenning van de door de eerste rechter aanvaarde individuele bonus 4.238,98 EUR staat als zodanig niet ter discussie, zodat terecht een saldo werd toegekend van 2.454,15 EUR. 2.
- Bedrijfsbonus 2001 en pro rata 2002 Het staat niet ter discussie dat de heer D. recht had op een bedrijfsbonus voor het jaar 2001 en pro rata voor het jaar 2002, conform de bepalingen van het zogeheten flexibel salarissysteem voor kaderleden. (stuk 25 dossier N.V.) Wanneer de N.V. voorhoudt dat het bedrag dat zij in dit kader aan de heer D. betaalde na zijn vertrek hoger is dan hetgeen zij ingevolge het flexibel salarissysteem verschuldigd was, draagt zij hiervan de bewijslast. Opnieuw wordt door de N.V. geen enkel element aangereikt dat het Hof toelaat te verifiëren of aan de heer D. slechts een totaal bedrag van 983,07 EUR verschuldigd was. De N.V. laat immers na gegevens voor te brengen m.b.t. de winsten waarop de bedrijfsbonus moet worden berekend. Het enige stuk waarnaar de N.V. in dit kader verwijst is de brief van 22 maart 2002 waaruit met geen mogelijkheid kan worden besloten dat meer werd betaald dan hetgeen verschuldigd was. De door de N.V. ingestelde tegeneis werd dan ook terecht ongegrond verklaard. Anderzijds toont de heer D. niet aan dat hij voor 2001 en pro rata voor 2002 recht had op een hoger bedrag dan het toegekende bedrag. Het Hof aanvaardt bijgevolg het toegekende bedrag als bedrijfsbonus voor 12 maanden in 2001 en 1 maand in
- 2.
- Opzeggingsvergoeding Het staat niet ter discussie dat het jaarsalaris van de heer D. op het ogenblik van zijn ontslag meer bedroeg dan de in artikel 82, ,§2 Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde jaarloongrens. Voor het bepalen van de opzeggingstermijn, die de basis vormt voor de ingevolge het onmiddellijk ontslag aan de heer D. verschuldigde opzeggingsvergoeding, moet bijgevolg toepassing worden gemaakt van artikel 82,,§3 Arbeidsovereenkomstenwet. Gelet op het ontbreken van een akkoord desbetreffend tussen partijen is het de rechter die deze termijn moet vaststellen, daarbij rekening houdend met de voor de heer D. op het ogenblik van zijn ontslag bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden gelet op zijn anciënniteit, zijn leeftijd (°17 mei 1954), zijn functie en zijn jaarsalaris, volgens de gegevens eigen aan de zaak. Wat het jaarsalaris betreft bestaat tussen partijen betwisting over de opname in de berekeningsbasis van de volgende elementen: kaderstatuutkosten,verplaatsingsvergoeding, individuele bonus, bedrijfsbonus, bijdrage in het pensioenfonds, gebruik personal computer. Deze betwistingen worden hierna afzonderlijk behandeld. Kaderstatuutkosten Bedragen die de werkgever betaalt om de werknemer te vergoeden voor zijn reële professionele uitgaven zijn geen loon in de arbeidsrechtelijke betekenis en maken geen deel uit van het basisjaarloon voor de vaststelling van de in acht te nemen opzeggingstermijn en de corresponderende opzeggingsvergoeding. Het staat niet ter discussie dat de heer D. maandelijks een bedrag ontving van 104,12 EUR, dat steeds en kennelijk zonder protest werd gekwalificeerd als onkostenvergoeding, die strekt tot terugbetaling van relatie-en representatiekosten tegenover medewerkers, relatie-en representatiekosten tegenover derden, documentatiekosten en communicatiekosten. (vgl. stuk 19 dossier N.V.) Het toegekende bedrag blijkt in overeenstemming te zijn met een akkoord tussen de N.V. en het Bestuur van de Directe Belastingen, wat op zich reeds een ernstige aanwijzing vormt dat het betaalde bedrag in overeenstemming is met de werkelijk door de kaderleden gemaakte professionele kosten. Wanneer de heer D. voorhoudt dat dit bedrag in werkelijkheid geheel of gedeeltelijk een verdoken loon heeft uitgemaakt draagt hij hiervan de bewijslast. In casu levert de heer D. dit bewijs niet. Het loutere feit dat forfaitair vastgestelde bedragen werden betaald volstaat op zichzelf niet om te besluiten dat deze bedragen loon zijn en het Hof aanvaardt dat de uitoefening van de functie van een kaderlid zoals de heer D. bepaalde bijkomende uitgaven met zich meebrengt. Het toegekende bedrag komt het Hof in de gegeven omstandigheden redelijk en aanvaardbaar voor. De door de heer D. aangehaalde terugbetalingsregeling van abonnementsgeld op vakliteratuur en reiskosten doet daaraan geen afbreuk nu er daarnaast nog tal van andere uitgaven zijn, zoals opgesomd door de N.V., die het toegekende bedrag verantwoorden. Het is dan ook terecht dat de eerste rechter geen rekening hield met de in dit kader betaalde bedragen. Verplaatsingsvergoeding Om analoge redenen kunnen de bedragen die de N.V. heeft betaald als vergoeding van de verplaatsingskosten die de heer D. diende te maken om zich naar en van het werk te begeven niet in aanmerking worden genomen. Ook de in dit kader betaalde bedragen, waarvan niet ter discussie staat dat zij in overeenstemming zijn met de werkelijke kosten verbonden aan het woon-werkverkeer, strekken er immers enkel toe een verarming van de heer D. te voorkomen ingevolge de uitoefening van zijn arbeid. Individuele bonus en bedrijfsbonus Wat de omvang van de in aanmerking te nemen individuele bonus en bedrijfsbonus betreft, kan verwezen worden naar de overwegingen sub 2.
- en 2.
- De ondeelbare individuele bonus werd slechts verdiend in december 2001 en maakt derhalve integraal deel uit van het basisjaarloon. Privé-gebruik personal computer Uit de voorgebrachte stukken blijkt dat aan de heer D. een computer werd ter beschikking gesteld die hij op zijn thuisadres kon gebruiken. Deze computer werd allicht toegekend met het oog op het professioneel gebruik ervan, doch zulks impliceert niet dat de heer D. de computer niet mocht gebruiken voor privé-doeleinden. Dat de heer D. bedoelde computer ook kon en mocht gebruiken voor privé-doeleinden blijkt ten andere uit de door de N.V. zelf neergelegde "bijzondere voorwaarden" m.b.t. het gebruik van de ter beschikking gestelde computer, inzonderheid hetgeen daarin vermeld staat onder de hoofdingen "einde arbeidsovereenkomst"(waarin sprake is van persoonlijke data op de pc) en "configuratie". De mogelijkheid om in de eigen woning voor privé-doeleinden gebruik te maken van een door de N.V. ter beschikking gestelde computer vormt ontegensprekelijk een in geld waardeerbaar voordeel dat in aanmerking moet worden genomen voor de vaststelling van het basisjaarloon. Gelet op de onmogelijkheid om de waarde van dit voordeel exact te becijferen, wordt dit voordeel door het Hof ex aequo et bono bepaald op 250,00 EUR per jaar. Bijdrage pensioenfonds Zoals reeds aangegeven sub 1 werd de heer D. aangesloten bij een aanvullende pensioenregeling, waarvan de modaliteiten worden bepaald door het neergelegde pensioenreglement kader. Bedoeld reglement kent aan de betrokken kaderleden bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een jaarlijkse rente toe, waarvan het bedrag bepaald wordt door het jaarinkomen en het aantal dienstjaren. Deze rente kan op verzoek worden omgezet in een eenmalig kapitaal. Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst anders dan door pensionering of vroegtijdig overlijden, behoudt het betrokken kaderlid in beginsel zijn pensioenrechten op de vooropgestelde pensioenleeftijd. Hij heeft eveneens de mogelijkheid om de zogeheten verworven reserve over te dragen naar zijn nieuwe werkgever of een in artikel 15.3 van het reglement bedoelde instelling. De verworven reserve dient daarbij begrepen te worden als de actuele waarde van de op dat ogenblik opgebouwde pensioenrechten (verworven prestaties). M.b.t. de financiering van deze aanvullende pensioenregeling bepaalt artikel 21 van het pensioenreglement: "De vennootschap zal de sommen in het Pensioenfonds storten die, berekend volgens de gangbare en voorgeschreven actuariële methoden, noodzakelijk zijn om de toekenning van de bij dit reglement voorziene voordelen te waarborgen. Er is geen bijdrage ten laste van de medewerk(st)ers van de vennootschap. De activa van het Pensioenfonds kunnen noch volledig, noch gedeeltelijk terug opgenomen worden in het vermogen van de vennootschap." In dit verband dient er tevens op gewezen te worden dat de N.V. ingevolge artikel 11 van de Wet van 6 april 1995 betreffende de aanvullende pensioenen ertoe gehouden was om bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de eventuele tekorten van de reserves van de heer D. aan te zuiveren. De in het pensioenreglement beschreven regeling is, zoals terecht werd opgemerkt door de N.V., een te-bereiken-doel-regeling of vaste-prestatieregeling en geen vaste-bijdragenregeling, zodat zij geen vaste per aangesloten werknemer geïndividualiseerde bijdragen moet betalen, die door kapitalisatie resulteren in het eigenlijke pensioenvoordeel. Het is dan ook terecht dat de N.V. zich verzet tegen de door de eerste rechter aan de V.Z.W. Pensioenfonds A. bevolen "voorlegging" van de berekeningen van de jaarlijks door de N.V. betaalde pensioenbijdragen ten behoeve van de heer D.. Het is overigens zeer de vraag of de V.Z.W. Pensioenfonds A. stukken onder zich heeft, die aan deze omschrijving voldoen, terwijl in het kader van artikel 877 Ger.W. aan een derde geen opdracht kan worden gegeven om berekeningen te maken. Bovenstaande overwegingen doen evenwel geen afbreuk aan de vaststelling dat de heer D. ingevolge zijn arbeidsovereenkomst kon genieten van een in geld waardeerbaar loon of voordeel, inzonderheid de opbouw van aanvullende pensioenrechten (rente of kapitaal), volgens de in artikel 3 van het pensioenreglement bepaalde formule, die op het ogenblik van het ontslag werden geconcretiseerd in de verworven reserve. De geldelijke waardering van dit loon of voordeel, met het oog op de vaststelling van het in aanmerking te nemen basisjaarloon, dient naar het oordeel van het Hof niet te gebeuren op basis van de meest recente effectieve, geïndividualiseerde bijdrage door de N.V. in het pensioenfonds, nu deze bijdrage niet noodzakelijk overeenstemt met de werkelijke waarde van het aan de heer D. toegekende voordeel op het ogenblik van zijn ontslag en onder meer afhankelijk is van de omvang en het rendement van de globale, vroeger gestorte bijdragen. Het Hof kan zich daarentegen wel volledig terugvinden in de door de heer D. als stuk 33 voorgebrachte berekening van de waarde van het loon of voordeel op jaarbasis (op het ogenblik van het ontslag), waarbij de actuele waarde, volgens actuariële berekening, van de op jaarbasis verworven prestatie (of anders geformuleerd de corresponderende verworven reserve op jaarbasis) als uitgangspunt wordt genomen. Bijgevolg kan een bedrag van 2.722,96 EUR worden opgenomen in het basisjaarloon. Gelet op het voorgaande en de niet betwiste loon(voordelen) bedraagt het in aanmerking te nemen basisjaarloon 112.317,00 EUR, als volgt samengesteld: 93.793,77 EUR vast maandloon + dubbel vakantiegeld 3.629,79 EUR eindejaarspremie 3.631,55 EUR werkgeversbijdrage groepsverzekering + dubbel vakantiegeld 81,65 EUR werkgeversbijdrage hospitalisatieverzekering + dubbel vakantiegeld 4.238,98 EUR individuele bonus 3.968,30 EUR (4.299 EUR x 12/13) bedrijfsbonus 2.722,96 EUR voordeel pensioenfonds 250,00 EUR privé-gebruik computer. Mits de juiste waarde toe te kennen aan bovenstaande elementen is het Hof van oordeel dat de N.V. een opzeggingstermijn in acht had moeten nemen van 29 maanden zodat de heer D. recht had op een overeenstemmende opzeggingsvergoeding van 271.432,75 EUR. Gelet op de niet betwiste betaling van 233.982,00 EUR blijft thans nog een saldo verschuldigd van 37.450,75 EUR. 2.
- Vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering behoort het aan de heer D. het bewijs te leveren van zijn bewering dat de N.V. zich bij de uitoefening van haar ontslagrecht schuldig heeft gemaakt aan rechtsmisbruik en dat hij hierdoor een schade heeft geleden die verschilt van de schade die op forfaitaire wijze wordt vergoed door de toegekende opzeggingsvergoeding. In dit verband dient eraan herinnerd te worden dat de opzeggingsvergoeding op forfaitaire wijze alle schade dekt die uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeit, zowel de materiële als de morele, terwijl de vergoeding wegens rechtsmisbruik buitengewone schade dekt, die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf. ( vgl. Cass., 7 mei 2001, nr. S.00.0047.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6, http://www.juridat.be ) Anders dan de eerste rechter is het Hof van oordeel dat de heer D. faalt in deze op hem rustende bewijslast. Zo kan, louter op basis van het tijdsverloop sedert het instellen van het beroep tegen de toekenning van de IPF-factor voor 2001 en het ontslag, niet met zekerheid worden besloten dat de heer D. werd ontslagen als represaille omwille van dit beroep of om het normale verloop van de beroepsprocedure te verhinderen. De door de N.V. neergelegde e-mailberichten en de brieven van de heer D. voorafgaand aan dit beroep tonen immers aan dat er reeds vroeger moeilijkheden waren ontstaan tussen de heer D. en zijn overste en dat laatstgenoemde reeds maanden eerder de beslissing had genomen om de heer D. in zijn functie te vervangen, inzonderheid door de reeds eerder genoemde Van de Poel. In die omstandigheden kan bezwaarlijk worden aanvaard dat het ingestelde beroep aan de basis heeft gelegen van de beslissing om de heer D. te ontslaan. Het komt overigens weinig waarschijnlijk voor dat de N.V. bereid was om de heer D. te ontslaan met betaling van een opzeggingsvergoeding van 233.982,00 EUR, louter en alleen omwille van een discussie over de toegekende IPF-factor, discussie waarvan de geldelijke weerslag beperkt blijft tot enkele duizenden euro. Bovendien blijft de heer D. ook manifest in gebreke het bestaan van een bijzondere schade aan te tonen die in verband zou kunnen staan met het door hem ingeroepen rechtsmisbruik en die verschilt van de schade die reeds forfaitair vergoed werd door de toegekende opzeggingsvergoeding. De loutere bewering dat een dergelijke schade werd geleden volstaat uiteraard niet. 2.
- Pro rata eindejaarspremie Het staat niet ter discussie dat de heer D. recht had op betaling van een eindejaarspremie gelijk aan 50% van een maandloon. Volgens de door de N.V. zelf neergelegde brochure m.b.t. het zogeheten flexibel salarissysteem wordt deze premie bij onvolledige jaarprestatie uitbetaald in evenredigheid met de gewerkte tijd. Daarbij werd nergens als bijkomende voorwaarde gestipuleerd dat enkel rekening mag worden gehouden met volledige maanden van tewerkstelling en het door de N.V. ingeroepen bestaan van een andersluidend gebruik is een loutere bewering, die door geen enkel element uit het dossier wordt gestaafd en bovendien in strijd is met de verbintenissen die zij desbetreffend heeft aangegaan, zoals deze blijken uit de door haar verspreide brochures. Gelet op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 28 januari 2002 heeft de heer D. recht op 28/31 x 1/12 x 7.259,58 x 1/2 = 273,21 EUR. 2.
- Intresten Terecht verwijt de N.V. de eerste rechter dat deze intresten toekende op de bruto toegekende bedragen, terwijl zij enkel intresten verschuldigd is op het overeenstemmende netto gedeelte, inzonderheid na inhouding van de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Bij toepassing van artikel 1068 Ger.W. rechtsprekend over de punten van de vordering waarover door de eerste rechter nog geen uitspraak werd gedaan: Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 29 april 2003 en opnieuw rechtsprekend: Verklaart de vordering van de heer D. ontvankelijk en gegrond als volgt: Veroordeelt de N.V. tot betaling van : - 634,27 EUR saldo vakantiegeld einde dienst - 2.454,15 EUR saldo individuele bonus 2001 - 37.450,75 EUR saldo opzeggingsvergoeding - 273,21 EUR pro rata eindejaarspremie 2002 te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, voor zover verschuldigd, het overeenstemmende netto gedeelte te vermeerderen met de wettelijke of vergoedende intresten vanaf 28 januari 2002 en de gerechtelijke intresten. Wijst de heer D. af van het meer of anders gevorderde. Verklaart de tegeneis van de N.V. ontvankelijk doch ongegrond. Legt de kosten van beide instanties voor 3/4de ten laste van de N.V. en voor 1/4de ten laste van de heer D.. Vereffent deze aan de zijde van de N.V. op 200,79 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank), 57,01 EUR (uitgavenvergoeding) en 273,67 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidshof). Vereffent deze aan de zijde van de heer D. op 125,93 EUR (dagvaarding), 200,79 EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 273,67 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van zestien juni tweeduizend en vier PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040616.20 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div